In deze nieuwe reeks keert Marieke Lucas Rijneveld terug naar haar roots. Tussen het schrijven door werkt ze op een koeienbedrijf achter haar studentenhuis. Ze schrijft over haar bevindingen, verlangens, twijfels en onzekerheden. Vandaag deel 4.

*

Als de boer koude handen heeft, legt hij ze tussen de uier en de achterpoot van een koe. Ik vraag ik me af hoe het zou zijn als hij mijn handen vastpakt en met tussenpauzes in de kommetjes blaast, of dat hij net zo zorgvuldig bekijkt als de koe die kreupel loopt en vastgebonden staat aan de stang van de ligbox. Met een mesje snijdt de boer stukken nagel van zijn hoef als koolraap, lepelt de zweer uit als een te zacht gekookt eitje. Even voel ik aan mijn rechterwang dat nog brandt van de koeienstaart die hard tegen mijn gezicht sloeg toen ik de grup uit wilde mesten. Er loopt een rode striem aan de zijkant van mijn slaap richting mijn kin. Ik breng een volle kruiwagen met stront naar de mesthoop en balanceer over de planken naar het einde om het te lossen. Maar de kruiwagen is te vol waardoor hij in het midden van de plank valt en ik hem niet meer kan houden: balanceren is niet mijn sterkste kant. Ik ben te bang om mijn voeten verkeerd neer te zetten en ga voorzichtig lopen en maak juist een misstap. In mijn hoofd hoor ik de juf van de basisschool zeggen: ‘Als je in evenwicht wil blijven moet je je handen naast je lichaam houden als een vogel, tussen kop en bil negentig graden, denk aan je geodriehoek. Buigzaam ben je tot op zekere hoogte.’

Ik denk aan de week die voor me ligt, waarin ik moet laten zien dat ik bereid ben om met verve de overkant van de plank te halen. Ik mag het voetje voor voetje doen maar niet bang zijn voor de diepte. Ik spuit de kruiwagen schoon en zet hem onder de voersilo, laat hem tot aan de rand vollopen met Bix. Op het voergedeelte zit een duif die uit zijn nest is gevallen hoog in de nop van de stal. Volgens de boer overleeft hij het niet als ik hem niet meeneem. Hij is liever een duif kwijt dan rijk. 
‘Rotbeesten. Ze vreten al het mais op,’ zegt hij.
Ik houd de duif onder mijn jas stevig tegen mijn borstkas gedrukt en voel zijn hart tegen de binnenkant van mijn handpalm bonken. Tussen zijn veren steken gele haartjes uit: hij is nog te jong om te vliegen. Thuis vul ik het afwasteiltje met lauwwarm water en een paar druppels Zwitsalshampoo. Ik laat de duif langzaam in het water zakken, spoel de koeienpoep van zijn vleugels en wikkel hem in een oude handdoek. Wrijf hem zachtjes droog. Bij het grofvuil zoek ik een oude doos die ik vul met kranten en zaagsel. Ik smeer een snee brood met pindakaas voor de duif: de biologische variant met stukjes noot, extra smeuïg. Tijdens het eten houdt hij mij continu in de gaten. Zodra ik mijn hand naar hem uitsteek, deinst hij verschrikt in de hoek van de doos, en hoe ik ook hardop tegen hem praat, hij blijft piepen als een muis die in de val wordt gelokt. Pas in mijn handen wordt hij stil. Ik stel hem de vragen die ik die ochtend zelf gesteld kreeg: Ik ben eenzaam. Juist of onjuist. Ik ben bang op pleinen en in openbare ruimtes. Juist of onjuist. Ik heb vaak het idee dat ik niet in de werkelijkheid leef. Juist of onjuist. Ik houd van intieme relaties. Juist of onjuist. Andere mensen maken misbruik van me. Juist of onjuist. Ik spreek op feestjes veel verschillende mensen. Juist of onjuist. Als het niet goed gaat, keren gedachten aan zelfmoord terug. Juist of onjuist. Niemand kent mij zoals ik werkelijk ben. Juist of onjuist. Ik word achtervolgd. Juist of onjuist. De antwoorden vul ik zelf in terwijl ik hem over zijn verendek streel. Hij kijkt nog steeds angstig. Ik deins ook vaak terug voor de hand die me aan wil raken, houdt mijn armen stijf langs mijn lichaam en trek mijn schouders hoog op als muren om mezelf achter te verbergen. Ik kruip niet in een hoekje maar de ruimte in mijzelf verkleint zich wel. Soms is een blik van iemand hetzelfde als een uitgestrekte hand.   De duif heeft geen vader of moeder die naar hem omkijkt. Die hem nog leert om zijn vleugels te spreiden. Als mensen bij me weggingen, zeiden ze vaak: ‘Vlieg maar.’ Ze vertelden nooit waar naartoe, of hoe ik mijn vleugels moest bewegen en met mijn angst moest omgaan om niet neer te storten. Over twee maanden moet ik van een belangrijk iemand afscheid nemen. Moet ik weer het nest verlaten. Van haar heb ik alle vliegtechnieken geleerd: nu nog evenwicht houden en weten wat te doen bij storm of als het windstil is. Als je nooit heb geleerd aan welke kant de zon opkomt, trek je vaker naar de schaduwkanten, zet je je planten ook sneller in de verkeerde vensterbanken. Ik praat te veel in mezelf en te weinig hardop. De meubels zijn in het schemerlicht net ruggen van afwezige ouders: ze doen alsof ze luisteren maar ze hebben al te veel te dragen, zeggen ja en amen, zuchten.  

Iedere avond mag de duif door de gang vliegen, liggen de vloeren bezaaid met kranten en is de kapstok zijn uitkijktoren. Het is een doffer. Ik noem hem Willem. Niet alleen Willem krijgt vliegles maar ook ik zat vandaag in een kamertje met mijn armen stijf voor mijn borst gevouwen met tegenover mij een mevrouw die mij de komende tijd gaat leren balanceren. Ik voelde mijn oksels jeuken. Ze was er in getraind haar blik niet af te wenden. Op het witte Ikea-tafeltje lag naast de vetplant een opneemapparaat. Ik moest eerst mijn naam zeggen en mijn geboortejaar, en haar dan vertellen wat ik zag op het papier dat zij omhoog hield: er stond een jongetje op dat sip aan tafel zat met zijn handen aan weerskanten van zijn hoofd. Voor hem op het tafelblad lag een kapotte viool. Ik dacht tenminste dat hij kapot was, dat er een snaar was gesprongen, de strijkstok lag er slordig naast. Onder de viool was inpakpapier te zien. Als het inpakpapier was kon de viool niet kapot zijn, maar waarom keek het jongetje dan sip? Misschien omdat hij geen viool kon spelen, omdat hij liever een ander instrument wilde hebben, of omdat zijn moeder een beroemde violiste was en hij niet als haar wilde worden, of juist wel maar dat nooit zou kunnen evenaren.
‘Hoe loopt het verhaal af,’ vroeg de mevrouw toen ik stopte met praten.
‘Hij ruilt hem in voor een piano,’ zei ik.

Op het volgende plaatje stond een meisje dat op haar knieën voor een twijfelaar zat. Met haar hoofd op haar arm leunde ze op het dekbed. Haar lichaam was gekromd van het verdriet als een eikenhouten plank dat door vocht krom was getrokken. Ze droeg een nachtjapon met een rafelige zoom.
‘Hoe loopt het verhaal af,’ Vroeg de mevrouw weer.
‘Ze huilt, staat op en gaat weer verder,’ zei ik.

De mevrouw knikte tevreden, of ik dacht dat ze tevreden was, al wist ik dat ze niets van haar tevredenheid mocht laten merken, dat zou mij te veel bevestiging geven en juist dat moest uitgehold worden in het onderzoek. Toen pas viel het me op dat haar vingers aan de randen zwart zagen. Ze vroeg niet wat ik van haar plaatje vond: van degene die zij hier omhoog hield. Ik dacht dat het olie was. Naast het oplichten van de motorkap van de mens en het kijken wat er ontbrak, sleutelde ze vast ook aan auto’s. Hoe loopt het af, vroeg ik mezelf: ze opent zo de deur, wenst mij succes en zal denken: Iemand moet haar handen warm houden. Even kijken, de volgende…

Na afloop van de onderzoeken stond ik met een meisje in het rokershok. Zij met haar sigaret en ik met mijn Liga. Ze vertelde dat ze gisteravond, toen ze zich leeg een eenzaam voelde, de overige vakjes van de Kerstkalender aan de muur openmaakte, waarachter chocolaatjes zaten in de vorm van sneeuwpoppen en kerststerren. Nog zes dagen te gaan, maar ze dacht: Stik aan Kerst, waarom zou ik de dagen nog afwachten, als ik ze nu opeet is Kerst al grotendeels voorbij.
Ze at ze allemaal in één keer op. De kinderlijke spanning die ze vroeger voelde bij het openen van een vakje, was er alleen nog maar in haar verlangens. De valse gezelligheid drong nu pas tot haar door. De kalender stopte ze onderin de vuilniszak, en de vuilniszak zette ze aan de weg, ze liet de punaise in de muur zitten. Ze stak haar sigaret tussen haar lippen en spreidde haar armen: ‘Zo groot is de leegte,’ zei ze. Ik glimlachte naar haar, spreidde mijn armen en zei: ‘Zo groot is ook de ruimte.’ Ik deelde mijn Liga in tweeën. Ze had al heel wat jaren vliegles maar mocht nog steeds niet op.

In deze nieuwe reeks keert Marieke Lucas Rijneveld terug naar haar roots. Tussen het schrijven door werkt ze op een koeienbedrijf achter haar studentenhuis. Ze schrijft over haar bevindingen, verlangens, twijfels en onzekerheden. Vandaag deel 3.

*

Ik denk aan hoe vaak ik me hier heb opgesloten. We hadden toen nog een andere badkuip die mintgroen was met roestplekken aan de zijkanten van zijn buik. Die staat nu in het weiland gevuld met regenwater voor de pinken. Ik stond dan naakt, maar met mijn sokken aan, op de badrand om voor de spiegel het kind in mij te zien dat ik paar maanden daarvoor nog was. Papa riep in het sleutelgat dat ik kon kiezen: de papegaai of de schroevendraaier. Ik koos voor de papegaai.

Ondertussen pak ik het badzout dat mama heeft gekocht en dat de vorm heeft van een granaat. Ik scheur het plastic eraf en laat de bal in het water zakken, kijk toe hij uiteen valt, het water troebel maakt. Ik had de laatste keer dat ik me opsloot het raampje dichtgedaan zodat ik de condens als cocon van de bonte bessenvlinder kon gebruiken. De rupsen overwinteren onder een strooisellaagje.
‘Rood met geel en blauw,’ zei papa.
‘Paars. Hij vliegt bijna weg.’
Toen ik er uiteindelijk uitkwam en naar het gazon liep, zei hij: ‘Ik heb je.’ Maar hij vergat dat je vogels in een kooitje ook niet hebt, je kunt ze dan wel gevangen houden maar hun gedachten of verlangens naar vrijheid dringen toch wel tussen de spijlen door. Eén keer koos ik voor de schroevendraaier.
‘Ster of kruiskop?’
‘Kruiskop,’ zei ik.
Daarna was onze band veranderd. Hij wees mij niet langer meer op de bomen waar ik in kon klimmen of die stevig genoeg waren voor boomhutten, maar alleen maar om hun bloeiproces aan te duiden, welke vruchten ze droegen en wanneer je ze moest snoeien, of ze vlinders aantrokken.

Twee Legopoppetjes staan op de rand van het bad toe te kijken. Op mijn middelbare school haalde ik een tien voor solderen, hier is het solderen maar voor even, dat weet ik van de vorige keren wanneer lichaam en geest voor een keer samen in één ruimte leefden. Zodra ik weer overeind kom, lijken er splitpennen in mijn gewrichten te zitten die alles bij elkaar houden maar onafhankelijk van elkaar bewegen. Ik laat de Legopoppetjes in het water vallen. Het ontroerde me om de intacte Legohuisjes uit de doos te halen die mama van de vliering had gehaald. De gouden munten in een schoongemaakt tonijnblik, ze voelden nog steeds vettig aan, en de spierwitte paarden waarvan een paar met zwarte stift op de zijkant hadden staan: koe. Omdat er geen koeien van Lego waren. Ik heb meerdere huisjes gemaakt alsof ik toen al wist dat ik nergens de veiligheid zou vinden waar ik nog altijd naar op zoek ben. Thuis zette ik de twee witte paarden op mijn bureau. Met hen was ik meerdere oorlogen begonnen, en ook weer geëindigd als mijn aandacht zich verplaatste of gewoon omdat het bedtijd was. Sommige poppetjes droegen een baard omdat ze ergens anders bij wilden horen, waar je glimlach verborgen moest blijven, of droegen een harnas zodat niemand ze kon raken. De ander droeg een ruimtepak om overal tussenin te zweven. Ik creëerde een wereld waarin iedereen in harmonie samen kon leven. Ooit zocht ik op wat de herkomst was van het woord ‘harmonie’. Ik vond alleen die van boterham: boter is boter, ham is ‘hoek aangeslibd land’.

Alles verdween toen ik de Lego moest afbreken omdat mama een voor een de steentjes opzoog met de stofzuiger om zo stukje voor stukje mijn kinderlijkheid weg te nemen. Stiekem hield ik twee poppetjes achter die ik in de nacht tegen elkaar duwde, kusgeluiden liet maken en op en neer liet bewegen. Ook zij belandden in de doos die op de vliering kwam te staan. Ik denk aan de kinderen van de boer en boerin waar ik twee dagen werk. Die hier nog schaamteloos mee kunnen spelen, die nu iedere avond met schorre stemmen de kachel inroepen naar Sinterklaas, en gooi wat in mijn schoentje. Ik denk ook aan de koeien. Langzaamaan beginnen ze plekken van de mensen om mij heen in te nemen. Nooit zeg ik een afspraak met hen af en nooit ben ik zo boos op ze dat ze negeer. Bij hen hoef ik niet te kiezen tussen het kind of de volwassene. Zo verplaatsten we afgelopen week de kalveren naar de grote stal. Van de een op de andere dag leken ze groot te zijn geworden. Ik lokte ze met een fles melk terwijl de boer een touw om hun nek bond. Met een zakmes sneed hij even later de opgedroogde stukken stront uit de staarten. Sommige werden ontveld tot op de huid. Ik keerde terug naar de lege hokken. Ik huilde om de snelheid van hun opgroeien, maar meer nog om die van mezelf. Soms ook om de traagheid ervan. Om het dan weer tegen te willen houden. Om het Sinterklaasfeest dat voor het eerst niet meer gevierd wordt in huize Rijneveld: we gaan de papegaai gourmetten. Om het afscheid van de dingen die maar tussen de roosters vallen, als te dunne stront glipt het tussen de vingers van de riek door, van je handen. Je kan er niets tegen beginnen. Die avond mocht ik bij de boer blijven eten. Champignonsoep en stokbroodjes met kruidenkaas. We hadden het over een kromme rug krijgen van te veel uitmesten, de aanslagen in Parijs.
‘Ach,’ zei de boer, ‘terreurdreigingen zijn net als Elfstedentochten, iedereen heeft het erover, het komt een keer voor, en dan blijft het weer een hele poos weg.’
Ik verstond: treurdreigingen, en vond dat eigenlijk veel mooier klinken. Ondertussen blies ik in de kommetjes soep van de kinderen. Het dochtertje blies mee met bolle wangen en getuite lippen. Na het eten nam ik ze mee naar stuk land achter de koeienstal. Ik had ze een voor een opgetild, zo hoog dat ze over de bossen heen konden kijken en zo mijn flatgebouw konden zien dat daar stond als een enorme legbatterij met achter de verlichte raampjes verschillende levens waar beperkte ruimte ook een rol speelt of heeft gespeeld. Niemand heeft ooit genoeg speelplek, maar sommige verlangen daar nu eenmaal minder naar. Ik hield het jongetje met mijn armen om zijn middel vast.
‘Daar woon ik,’ zei ik en wees.
Het luchtte hen zichtbaar op dat ik ook een huis had en niet zomaar aan het eind van de middag in het bos verdween.

Het is een tijd geleden dat ik in bad heb gezeten. Het voelt onwennig om ineens weer een ruim uitzicht over mijn volwassenheid te hebben. Alsof het de verte is van een huurhuis, en ik weet dat ik het weldra weer in moet leveren. Ik vergeet mijn lichaam constant, ik leef vooral in mijn hoofd zoals de boer en boerin ook alleen in de keuken zitten, de woonkamer is enkel voor verjaardagen. Ik laat het water in het putje weglopen. Rimpels in mijn vingertoppen. Er wordt niet meer op de deur geklopt om ze te voorkomen. Net als toen ga ik weer op de badrand staan, en kijk naar mezelf alsof mijn ledematen uit verschillen eilanden bestaan waar je kunt aanmeren maar ze nooit een hoek aangeslibd land zullen vormen. Geen omkaderingen als de korsten rond een boterham. We hadden die keer de mintgroene badkuip in de veewagen met de tractor naar het weiland gebracht. Papa had er een sigaret bij opgestoken toen we van een afstandje toekeken hoe de pinken er water uitdronken.
‘Nieuwe kansen, nieuwe lichamen,’ zei hij.
Ik begreep niet waar hij op doelde, alleen dat die twee niet bij elkaar hoorde. De Legopoppetjes had ik op het eerste badmoment laten verdrinken, hun hoofdjes eraf getrokken en achter de flessen shampoo verstopt. Ik wilde niet dat ze me nog langer naakt zouden aanschouwen. Had ik toen maar geweten dat ik in het nieuwe bad zou groeien tot ik niet meer languit in het water kon liggen, mijn knieën boven het wateroppervlak uitstaken. En al het andere de boot zou missen. Het in mijn hoofd maar niet aan wilde meren.