Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek. Vandaag de derde aflevering: een vergelijking tussen romans en thrillers, en dan vooral het schrijven van een roman en het schrijven van een thriller: vertrekpunt, volgorde, onderliggende lagen.

*

Het grootste verschil tussen het schrijven van een roman en een thriller is het vertrekpunt. Een roman, zo heb ik in de loop der jaren ontdekt, begint met een idee. Met een onderzoeksvraag, zoals mijn redacteur Christoph Buchwald van uitgeverij Cossee dat stelt: Wat gaat er in dit boek onderzocht worden?
In mijn laatste roman stond de vraag centraal wat er met een meisje gebeurt dat in een vervelende situatie is beland met een vriend die loverboy en bendeleider blijkt te zijn. Waarom voelt ze zich aangetrokken tot die jongen? Hoe voelt ze zich aangetrokken tot die jongen? Het meisje denkt dat ze die jongen aan kan, hoe steelt haar overschatting in elkaar? Verder verwerkt het andere oudere personage het verlies van zijn vrouw, jaren terug. Hoe speelt dat bij een oude man? Op welke manier maakt dat zijn leven in die laatste jaren anders? Wordt hij naar zijn einde toegedreven?

Mijn thriller begon niet met een onderzoeksvraag maar met een spel. Een eenvoudige puzzel eigenlijk. De hoofdpersoon, Barbara, is met haar zoontje en nieuwe vriend op vakantie in de Ardennen. De zoon is de oplader van zijn iPad vergeten en als hij geen spelletjes meer kan doen gaat hij zich vervelen. Om dat voor te zijn maakt de moeder een fictief dagboek, geschreven vanuit een meisje dat in deze streek vermist is. Voor haar zoontje is het een spannende speurtocht. Het spel houdt de jongen even zoet, tot ze aanwijzingen tegenkomen die de moeder niet heeft uitgezet. Hoe zit dit in elkaar? Leeft het meisje misschien werkelijk nog? Waar is ze? Wie houdt haar verborgen?
Een roman begint met vragen die in de karakters verborgen liggen. Een thriller begint met vragen die in de situatie besloten liggen: een vakantie met een vermissingszaak.
In mijn romans heb ik verschillende vertellers opgevoerd: afstandelijke derdepersoonsvertellers, een dronken man, de vader van het vriendje van de zoon van de hoofdpersoon – ook om afstand te creëren – en zelfs een dier. Bij de eerste ideeën voor die boeken wist ik nog niet wie de verteller zou worden, behalve misschien bij mijn eerste romans die allemaal in de verleden tijd zijn, ver weg, filmisch. In die boeken ben ik een stille camera die registreert wat er gebeurd is. Weinig duiding, veel beelden, veel platteland.

Met mijn laatste roman keer ik terug naar dat platteland, het verhaal speelt grotendeels op een stuk land dat vergelijkbaar is met het land van mijn ouders. Het moest echter geen boek worden over dat stuk land of over mijn ouders. Zij zijn inmiddels in de zeventig en zorgen iedere dag voor de schapen en kippen op dat land, houden de moestuin bij, baggeren de sloten uit, hooien en maaien en snoeien. Mijn verhouding met dat land is dubbel: het is prachtig maar het is ook veel werk.
Het enige wat mijn ouders niet hebben is een paard. Dus ik wist dat als ik een paard daar neer zou zetten, de roman in de ogen van mijn ouders zeker fictie zou zijn.
Ik wilde die roman in de ik-vorm vertellen. Geen derde persoon meer, daar heb ik genoeg van. Ik wilde een sterke ik, maar wie moest de ik-verteller worden?

Ik had drie personages: het meisje, de grootvader en het paard. De andere personages, zoals de loverboy en de vader van het meisje krijgen simpelweg te weinig van het verhaal op die strook land mee. Mijn stelling: een paard als verteller omdat dat een betere keuze is dan het meisje en de oude man.
Een meisje van een jaar of vijftien dat in zo’n affaire zit weet zelf niet precies wat er gebeurt. Ze kan wel andere zaken vertellen, maar ze heeft weinig afstand. Bovendien is een jonge stem in een roman erg moeilijk. Dat verwacht je niet, maar ik denk dat vanuit een meisje van vijftien schrijven moeilijker is dan schrijven vanuit een paard.
De oude man was ook een mogelijke verteller, maar dan is het gevaar voor fotoboekproza groot. Een oude man die terugkijkt op zijn leven, aan de hand van beelden, van foto’s eigenlijk. Beetje vrijblijvend bladeren. Een meisje op bezoek krijgen en daar weinig van begrijpen, dan zou ik nooit tot de kern komen.
Een paard dus.

Bij de thriller had ik in eerste instantie nog geen verteller. Ik had alleen het verhaal over het dagboek dat in de rivier zou drijven, de zoon die de blaadjes niet kon missen, ze eruit vist, en gaat speuren. De vermissingszaak had ik nog niet ingevuld. De vragen die vervolgens kwamen waren: hoe zit die vermissingszaak werkelijk in elkaar? Wie is de dader? Leeft ze nog? Vinden ze het meisje? Vinden ze de dader? Wordt het heel gevaarlijk voor het gezin?
Kortom: wordt het een spannend boek met dood, bloed, moord, achtervolging, ontkomen, of wordt het een spannend boek dat leunt op de suggestie, op de opties die in het hoofd van Barbara passeren, die gekoppeld worden aan de kern van haar leven: de zoon, moederschap, de nieuwe vriend, haar ex?
Een laatste vraag was: Wie gaat het verhaal vertellen? Ik moest eerst de puzzel compleet maken voor ik wist wie de verteller zou zijn. In een eerste versie hanteerde ik de mij bekende derde persoonsverteller. Toen die eerste versie door de redacteur gelezen was en het verhaal meer body kreeg en de uitkomst van de puzzel helder werd kon ik een andere verteller kiezen.

De keuze voor die verteller werd gemaakt tijdens het schrijven. Beter gezegd: tijdens het puzzelen. Bij mijn laatste roman stond dat eigenlijk vooraf al vast.
Bij een eerdere roman veranderde de verteller wel, maar dat kwam vooral omdat ik er langzaam achterkwam dat de thematiek van het boek vroeg om meer afstand. Bij het schrijven van De laatste ontsnapping koos ik eerst voor de ik-vorm vanuit de hoofdpersoon, een man die ontdekt dat hij een zoon heeft. De verteller zat te dicht op het verhaal en de tijdspanne was te groot. Iedere week had de vader een kans om zijn zoon te zien, tijdens zijn karateles. De eerste keer die jongen opzoeken is heel spannend, het wachten op een volgende keer is al vervelend wanneer dit in de ik-vorm in de tegenwoordige tijd uit de doeken gedaan wordt, een derde keer wordt heel erg saai. Daarom koos ik voor een tweede versie voor de vader van het vriendje van de zoon als verteller. Personages in een roman worden langzaam opgebouwd, dat ontstaat tijdens het schrijven. Thema’s volgen de personages. Een belangrijk thema van De ruiter is stad versus platteland. In de eerste versie was dat thema minimaal, in de latere versies werd dat steeds uitgebreid. Ook werden de verhalen achter het meisje, de grootvader en het paard steeds uitgebreider.

Bij het werken aan de thriller gebeurde hetzelfde. In de eerste versie had ik de puzzel die nog niet helemaal af was; ik had het verhaal ovder de dagboekblaadjes en de spanning die de vermissing met zich mee zou brengen, ik had nog geen werkelijke personages en het belangrijkste thema bleek moederschap te zijn. In de tweede versie werd de verhoudingen tussen de moeder en haar nieuwe vriend uitgespeeld en pas in de derde versie begreep ik dat de verhouding tussen de moeder en haar zoon het belangrijkste was: het beschermende, het onvoorwaardelijke, het nietsontziende. Dat kon ik aan alle personages verbinden, iedere op zijn eigen manier.
De volgorde was dus anders dan bij het werken aan De ruiter. Bij die roman lagen de thema’s dichtbij de vragen waar het schrijven mee begon. Ik ging uit van die personagesen hun bijzonderheden, en zocht daar een verhaal hij, zocht daar scènes bij. Bij Dagboek uit de rivier had ik een spannend gegeven en voegde later het thema moederschap toe.
Ondanks een ander vertrekpunt en een andere volgorde van schrijven en bleek het opbouwen van de diepere lagen van zowel een roman als een thriller op dezelfde geleidelijke manier te gaan. Die ontdekking had ik als schrijver niet willen missen.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Roos van Rijswijk zich inspireren door een foto van Hermans. Lees ‘Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt’.

*

Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt stalt ze de spullen uit en naast de spullen zet ze haar zoon neer. Thuis zeurde hij nog om een lange broek zoals die zijn vader draagt op de foto op het dressoir.
‘Nee, Zoetje. Als je groot bent.’

Als je zo groot bent dat je geen gaten meer in je knieën valt, en zo lang bent dat je de mieren die voor je voeten linten vormen niet meer ziet, als je niet meer hoeft te bukken om dat verborgen rijk te bestuderen, maar recht vooruit kijkt. Naar meisjes en wat voor je ligt.

Nu gebeurt het, langzaam, passanten rekken zich stilletjes uit in hun jassen en bekijken de uitgestalde waar terwijl ze de rest nog uit de zak moet halen. Jopie komt erbij staan, even vaderloos als die van haar maar met een moeder die niet helemaal in orde is – of dat altijd zo geweest is weet ze niet, ze kent de vrouw en haar Jopie pas even. Zoetje ziet de verschillen tussen hem en Jopie nooit, al zal hij vandaag zeker opmerken dat Jopie wel een lange broek droeg.

Als je benen belachelijk en harig uit die pijpjes steken, Zoetje, als je het zwartespinnenbloed van je vader hebt. Dan. Als je stem in duizend stukken breekt, die ik allemaal zal verzamelen, dan, misschien.
‘Nee, de kar is niet te koop, maar wilt uw vrouw geen nieuwe schoenen, meneer? Dag buurvrouw, nee da’s Jopie die zo schreeuwt, z’n moeder is gaan dwalen denk ik, roep het rond, roep het rond.’

Jopie met zijn kop in een wollen muts die hij ook in de zachte aprilzon niet af wil doen, met zijn kippenlijfje in een dikke jas. Hij staat te bomen als een ouwe kerel, terwijl haar zoon gedwee naar hem luistert. Ja, verschil is er wel, nu ziet ze het ook; Jopie is sterk, en die van haar is een volger. Ze vist een oud paar handschoenen uit de zak, twee gekleurde flessen, een nooit gebruikte scheerkist, die ze had gehouden als hij ouder was. Een pan die nog best even mee kan en de houten blokken waar Zoetje op uit is gekeken.
Het zal veranderen. Ooit zal Jopie Zoetje moeten volgen, omdat diens dictie keurig is en zijn broek gesteven. Ze knijpt in een oude sandaal.

Ze kopen niet, haar waar is niet goed genoeg. De buurvrouw gluurt niet meer minzaam, maar vol medelijden hun kant op en Jopie is languit op de straat gaan liggen, in zijn eigen lentewinter, misschien vliegt hij, of zwemt hij, straks zal Zoetje mee gaan doen en dat is prima. Zijn knieën kunnen toch niet stuk.

Wanneer je zo sterk bent dat je me met één arm op kunt tillen, wanneer iedereen je Edo noemt, wanneer je in stilte kwaad kunt worden en in het geniep gelukkig. Dan, dan, dan.

Daan Stoffelsen opende de presentatie van Revisor 14 met schriftlezing. Over Collectieve Propaganda, vruchten, vla en vluchtelingen.

*

Gemeente!

Wij lezen vandaag Genesis 3.

Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven;
Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.
En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.

Verderop staat er:

En Hij dreef den mens uit; en stelde cherubim tegen het oosten des hofs van Eden, en een vlammig lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

Gemeente, deze tekst kan ook allerlei manieren gelezen worden. Voor Collectieve Propaganda, voor Christelijk populisme, voor verhalen over verleiding. Ik wil u vandaag vooral vragen meegeven.

  • was de verboden vrucht een appel of een mandarijn, en wist de redactie van Revisor dat toen de opdracht voor dit omslag werd gegeven aan Eline Kentie?
  • wat is een grotere seksuele deviatie: seks met een slang en een vrucht in een boom of met Eppo van Nispen tot Sevenaer in een bad vol vla?
  • gaat Genesis over het verlangen van het moderne individu of over de zonde van ons allen?
  • zijn Adam en Eva vluchtelingen of verwende burgers?

Gemeente! Literatuur is gelukkig eenduidiger. Vandaag vieren we een nieuw nummer van Revisor en een speciale uitgave, De onbekende Hermans. Hermans kon er vandaag niet bij zijn, maar wel Florimond Wassenaar, Anne Eekhout, Anne-Fleur van der Heiden en Richard de Nooy. We vieren het met verhalen en poëzie, en met fruit, want nadat we Eline die opdracht hadden gegeven – een uitgedroogd mandarijntje tegen een paarse achtergrond – realiseerden we ons dat

  • ons nummer relevanter was dan we dachten. Ariel Dorfman en Florimond Wassenaar schrijven verhalen voor een wereld waarin Trump, Wilders en de hunnen zich cherubim wanen bij de hof van Eden;
  • nieuwe schrijvers hun rijpheid tonen in Revisor;
  • Naomi Rebekka Boekwijt en Bert Natter over verboden vruchten schrijven;
  • er een banaan in Richard de Nooys verhaal zit;
  • vandaag de Boekenweek begint.

Gemeente! U krijgt het geschenk bij aanschaf van € 12,50 aan Nederlandse boeken – of literaire tijdschriften. Revisor kost € 12,50. De onbekende Hermans is gratis. Grijp uw kans, pak een mandarijn en luister.

(Foto’s van de presentatie op Facebook.)

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Boekenweekgeschenkauteur Herman Koch zich door W.F. Hermans inspireren. Lees vandaag ‘Muggen’.

*

Met muggen is het een beetje als met kiespijn: zolang je het niet hebt, is het nauwelijks voorstelbaar hoe erg het kan zijn. Over muggen lezen is iets anders dan muggen in het echt. Eén mug in je slaapkamer kan je een hele nacht uit je slaap houden, maar op zeker moment – je staat intussen rechtop op je bed, een kussen in je hand, met alle lichten aan – zie je hem toch echt op het plafond zitten. Eén welgemikte klap – dood! – en de nachtrust kan beginnen.
Duizenden muggen, miljoenen muggen, is een ander verhaal. Ze zijn er gewoon, altijd en overal: hun aanwezigheid is net zo vanzelfsprekend als de lucht die je inademt.

Ze zijn er zoals de bergen er zijn, de eeuwig groene naaldwouden, de branding: de golven die ook al voor het verschijnen van de eerste mens tegen de kust aansloegen, en dat ook zullen blijven doen nadat de laatste mens de deur achter zich dicht heeft getrokken.
Ik was gewaarschuwd toen ik in de winter van 1973 naar Finland vertrok om een halfjaar op een boerderij in Noord-Karelië te gaan werken. Ik had over de muggen gelezen, niet in een reisgids maar in een Nederlandse roman. Ik was nieuwsgierig of het echt zo erg zou zijn met die muggen, maar eigenlijk geloofde ik toen nog dat het wel mee zou vallen.
In die eerste maanden was er nog geen mug te bekennen. Daarna zette de dooi in. In Finland duurt de lente nog geen tien dagen. Van de ene op de andere dag krijgen ook de massaal aanwezige berkenbomen doorschijnende groene blaadjes. Overal schieten bloemen omhoog. De ijsvlakte waar je drie maanden op hebt uitgekeken verandert in een lichtblauw meer. Je hoort een bekend geluid dicht bij je oor, je voelt iets prikken op je onderarm en daarna ook in je nek. De idylle is voorbij.
Nu duurde het ook niet lang meer voordat de zon nooit meer onderging. Je keek door het raam naar buiten. Wat je zag was zonder meer een mooi uitzicht te noemen. Wat zou het heerlijk zijn om met een boek op die steiger te gaan zitten. Om met de daar afgemeerde roeiboot naar de overkant van het meer te roeien.
Maar je deed het nooit. Je wist dat deze wereld door andere wezens dan door mensen werd bewoond. Dat ze in de meerderheid waren en overal, op alle tijden van de vierentwintig uur durende dag, de overhand hadden. Je was hier slechts te gast. Je bleef binnen.
Afgelopen zomer was ik voor het eerst in drieënveertig jaar terug in Finland. In een huis aan hetzelfde meer waar ik als negentienjarige een halfjaar op de boerderij had gewerkt. De parallel met kiespijn gold nog altijd. Ik dacht dat het deze keer, in 2016, wel mee zou vallen.
Soms werd ik om drie uur ’s nachts wakker. De zon was dan al op. De verleiding is dan groot om gewoon op te staan, met een mok koffie op het terras te gaan zitten en over het meer uit te staren.
En zo ontdekte ik iets wat me in 1973 kennelijk was ontgaan: dat er op dat vroege tijdstip geen muggen waren. Nou ja, geen… Een enkel sloom exemplaar dat je makkelijk doodsloeg wanneer het op je arm landde. Ook de muggen waren om drie uur in de ochtend nog niet helemaal wakker.
Dat werd mijn nieuwe dag- en nachtritme. Niet voor het eerst dacht ik aan Nooit meer slapen, en dat over muggen lezen iets anders is dan te gast zijn in het land waar deze dieren de dienst uitmaken.

Anton Patrick zoekt zonder licht te maken naar het kladblok waarop hij zijn boekhouding bijhoudt, scheurt er een stuk papier af en schrijft in afhellende letters Uitzonderlijk gesloten wegens een gelukkig voorval. Hij buigt zich over de enorme pinguïn die voor de deur staat, maakt voorzichtig het portret van zijn grootvader los en plakt het papier op die plaats tegen het glas. 
De honderden beren, kalkoenen, marters en miereneters kijken hem na terwijl hij het portret naast de paraplubak op de grond legt.
Ici on remplace les mauvaises têtes.
Het komt uit een andere tijd. Niemand herstelt nog, iedereen koopt nieuw. Hij gaat er prat op de grootste biodiversiteit aan pluchen dieren te bezitten. Het komt zelden voor dat hij een kind moet teleurstellen. (Natuurlijk heeft hij niet iedereen blij kunnen maken in zijn leven en niet alles wat stuk is, valt te herstellen, maar) hij duwt die gedachte snel weg, neemt zijn jas en hoed van de kapstok en wanneer hij het geluid van de klingelende belletjes hoort wegvallen achter het dichtslaan van de deur, weet hij dat dit een goed idee is.

De gouden woorden kijken hem na. Pelucci d’Anton. Zijn grootvader noemde zijn zoon Anton en op zijn beurt gaf zijn vader de verwachting door, door hem dezelfde naam te geven. Anton diende ertoe om iets in stand te houden, hij kon niets anders worden dan een kopie van zijn vader. Een reproductie is zelden beter dan het origineel. (Even verwacht hij dat het verdriet nu de kop zal opsteken, zoals het de voorbije maanden steeds bij hem is geweest, met een overspoelende kracht maar het komt niet en) hij haalt adem, loopt de Rue Raymond Losserard verder in. Sinds 1903 is de sluitingsdag op zondag. Vandaag zal hij zijn eigen regels voor het eerst overtreden.

Zijn wijk ontvouwt zich in het leven zelf, niet in plekken van grote betekenis. Achter elke hoek kan een volkomen ander gezicht van de stad opduiken. Brede boulevards naast smalle gangetjes, statige gebouwen met onduidelijke functies naast met mos overgroeide overblijfselen van iets wat ooit statig was geweest. Wat er zich al van toeristische bezienswaardigheden bevindt, heeft te maken met de dood. Een kerkhof waar enkele beroemdheden liggen maar dat niet kan concurreren met Père Lachaîse. De ingang van de catacomben.
De kans om hier toeristen tegen het lijf te lopen, is kleiner dan elders in de stad. Hij wordt ongemakkelijk van ze. Ze zien iets wat hij niet ziet. Hoewel ze naast hem op dezelfde stoep lopen, wandelen ze toch in een andere straat dan hij. Een straat die beschreven staat in een gidsje dat heeft samengevat hoe de straat moet zijn. (Er valt natuurlijk helemaal niets vast te leggen, geluk is vaak het voorstadium van verlies, altijd dezelfde snijdende gedachte) schiet weer door zijn hoofd terwijl hij tussen de auto’s door de straat oversteekt. Hij mijdt oogcontact met de passanten, hij zou zichzelf te zeer vastgelegd zien in hun blik. Een deftig mannetje in een tabaksbruin pak met een hoed, meneer Patrick van het winkeltje, overblijfsel uit een andere tijd. Ziet er ouder uit dan hij is, wordt desondanks dikwijls als verkleinwoord aangesproken, niet waar meneertje Patrick?
Iemand die hij vandaag niet is, want het is dinsdag en toch is de winkel gesloten.

Vietnam ligt hier schouder aan schouder met Libanon, China en Algerije. Midden in zijn buurt ruikt het naar werelden die hij niet kent. Bij het zien van de opgeblazen pekingeenden, aan hun nek opgehangen en blinkend oranje, moet hij zijn blik afwenden.
Rul, kaal vlees.
Een koud lichaam, hangend hoofd.
Even lijkt het alsof hij op een hellend plateau staat. Hij concentreert zich om het beeld weg te krijgen (de onmogelijkheid om contact te maken met iemand die zo vaak haar armen rond zijn hals heeft geslagen, hem zoende op zijn slaap, het zou nooit anders zijn), tast dan naar zijn schoudertas.
Mensen lopen langs hem heen, een jonge vrouw stoot hem per ongeluk aan. Ze kijkt haastig om en hij ziet haar lippen een verontschuldiging vormen, meteen loopt ze verder, tussen alle andere lichamen op weg naar een andere plek. (Dat alleen hij het ziet: alles kan meteen ophouden, deze verzameling huid en water, er is niet veel nodig. Zijn schoudertas weegt licht, te licht voor het gewicht van zijn plan. Driehonderd gram, niet meer. Zelfs wie echt naar hem zou kijken zou alleen een man zien die zijn tas weegt.)
Hij loopt snel voorbij de eettentjes, slaat een zijstraat in, voelt hoe zijn ademhaling weer vertraagt.

Hij heeft zijn grootvader vaak helpen zoeken naar de juiste nieuwe huid, in de lade met verschillende velletjes. De bokalen met ogen stonden naast de bokalen met voorpoten. Hij raakte elke keer begeesterd door de concentratie waarmee de oude man de beren openlegde met een vlijmscherp mes, hen van een nieuwe vulling voorzag, hoe hij hen zorgvuldig weer dichtnaaide, steeds met de hand en zo onzichtbaar mogelijk. De zucht van tevredenheid wanneer zijn grootvader de nieuwe teddybeer tegen het licht hield, stond in schril contrast met de teleurstelling die vaak gepaard ging met het overhandigen van het genezen knuffeldier aan de kinderen. 
Ze hechtten vaker dan volwassenen dachten aan afgeknabbelde oren, aan ontbrekende ogen, aan kaalgestreelde buiken. Omdat Anton nauwelijks boven de toonbank uitkwam, keek hij recht in hun ogen en zag dat ze beseften dat iets wat verdwenen was, nooit meer terug kon komen.

Veel van wat hij in het leven heeft geleerd, heeft hij van klanten in de winkel. De grootste wijsheden komen op fluistertoon, tussen de zwijgende steenarenden en poolvossen. Ook het licht is gedempt, het gaat verloren tussen de bonobo’s en de wombats, tussen de nachtvlinders en de bidsprinkhanen. In zijn winkel houdt alles zijn adem in.
Een van de dingen die hij gehoord heeft en dat hem steeds bijgebleven is, is dat in het begin van een liefde al het einde besloten ligt. Bescherming kan verstikking worden, wie iemand redt wil eigenlijk zelf worden gered, hij had het moeten weten, hij heeft niet goed geluisterd. Langs de laan staan oude platanen, er zijn annonces in de stam geprikt. In internettijden zoekt Parijs nog steeds contact via de melancholie (en zelfs dat stemt hem niet meer hoopvol, wie elkaar per toeval vindt, verliest elkaar zo, per ongeluk. Alsof ook zij slechts toevallige passanten waren geweest die tegen beter weten in iets anders hadden geloofd en alleen getrouwd waren om het lot een pootje te lichten, hij had het moeten weten), hij wendt zich af van de stammen. Het portret van zijn grootvader herinnert aan de tijd waarin er werd geloofd in herstel, ici on remplace les mauvaises têtes. Nu verkoopt hij replica’s van de werkelijkheid. Een betere versie ervan. Vachten zonder schurft. Iets waarvoor gezorgd kan worden en dat bij verwaarlozing toch niet zal sterven.

Wat hem zo kwaad maakt weet hij niet. Er drukt iets op hem, iets wat ouder is dan hijzelf, alleen in de winkel wordt hij rustig. Het begint met een plek op zijn borstbeen dat begint te gloeien tot het schroeit wanneer hij de rij aan de catacomben nadert (het maakt hem van streek, zou hij willen vertellen aan iedereen die hij passeert. Hoe levens elkaar maar zijdelings raken, het is ondraaglijk, vindt u ook niet en uiteraard zwijgt hij want hun reacties zouden exact zijn wat hij bedoelde, dus) schuift hij niet aan, maar loopt een eindje verder. Focus op de straatstenen, focus op het zetten van de ene voet voor de andere, tot Parijs verkleint tot zijn eigen hartslag.

Naast de rij staan is de beste manier om jezelf iemand te voelen. Hij wacht een paar momenten. Ziet hoe niemand echt opschiet, iedereen is bereid desnoods eeuwig daar te blijven, het wachten op zich volstaat. Onder hen de schedels, de gangen, de knoken die de fundamenten vormen van de stad.
Terwijl hij het mes uit zijn tas haalt ziet hij zichzelf staan, hij wordt deel van de rij en toch weer niet, hij ziet zich verbaasd naar het ding in zijn handen kijken. Hier behoort het toe aan iemand die hij niet is. Dat moment duurt zo lang dat hij merkt dat er toch iets is veranderd, er is onrust, paniek, hij heeft nog steeds de tijd om traag te ademen, weer samen te vallen met zichzelf en het lemmet tegen zijn linkerpols te drukken (hij heeft de tijd om aan de dode dieren in de winkel te denken, aan het portret van zijn grootvader, hij heeft de tijd om eraan te denken dat hij zo erg op zijn grootvader lijkt dat het klanten verwart, hij heeft gewonnen van de tijd, hij heeft de tijd om op te kijken en alle hoofden te zien, en daarboven alle gedachten, alle intenties en alle herinneringen, ongrijpbaar, zoals waarom iemand op een ochtend die zo veilig begonnen was een beslissing neemt die het leven kantelt, hij heeft de tijd om daar allemaal aan te denken terwijl) hij naar het mes kijkt en voelt hoe vertrouwd het tegen zijn ader ligt, ook buiten de winkel.

Deze tekst ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Aisha woonde met haar man, haar jongere broer Omar en nichtje Miryam eind maart 2009 nog in Mogadishu. Haar vader was in februari van dat jaar doodgeslagen door de rebellen van Al Shabaab omdat hij weigerde een deel van zijn inkomsten aan hen af te dragen. Haar zus, de moeder van Miryam, was een jaar eerder naar Puntland vertrokken om de vader van Miryam te zoeken. Sindsdien is niets meer van haar vernomen. Aisha vluchtte naar Ethiopië omdat de mannen van Al Shabaab alsnog het geld kwamen innen dat haar vader aan hen verschuldigd zou zijn. Ze stak liggend in de laadbak van een pick up truck de grens over richting Addis Abeba. Met hulp van een reisagent aan wie ze vijfduizend euro betaalde kreeg ze een vals paspoort met een visum en een vliegticket naar Amsterdam. Ze kreeg na negen maanden een asielstatus.

Toen ze een aanvraag indiende voor haar man, haar nichtje en haar broer om haar achterna te mogen komen reizen, werden die alle drie afgewezen. De aanvraag voor hun nareis was door een fout niet binnen drie maanden na de statusverlening aan Aisha ingediend.

Dit is het laatste van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Njin-Tsu werd in 2000 geboren in Nederland. Zijn moeder, een weeskind, groeide op bij twee mensen die ze tot haar tiende opa en oma mocht noemen. Ze had een groot litteken op haar linkerarm, maar ze ontkende dat het van mishandeling kwam. Ze zweeg als gevraagd werd of ze geld had moeten betalen aan de slangenkoppen voor haar reis in 1990 naar Nederland. De moeder van Njin-Tsu vertelde hem niets over zijn vader. Als het kon, zou ze ontkennen dat hij er een had.

Ze vroeg nooit een vergunning aan. In 2009 probeerde ze het pas.

Er ging een gerucht rond in de Chinese gemeenschap dat er vergunningen werden uitgedeeld aan Chinezen. De moeder van Njin-Tsu meldde zich met een groep van ruim honderd landgenoten bij het aanmeldcentrum in Ter Apel. Haar asielaanvraag werd afgewezen omdat de Chinese justitie zelf bescherming bood tegen mishandeling en dwangarbeid. Ze vertelde bij haar aanvraag niet over het bestaan van Njin-Tsu. In 2013 vroeg ze vanwege het kinderpardon voor hem een vergunning aan. Hij werd afgewezen omdat hij en zijn moeder voor april 2001 onbekend waren bij de vreemdelingenpolitie. Njin-Tsu zit nu in havo-4. Omdat hij een late leerling is, zal hij geen examen mogen doen omdat hij dan 18 is. Een illegale volwassene heeft geen recht op onderwijs.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto Drakenfruit CC Eliazar Parra Cardenas

Acht jaar geleden schreef ik een verhaal in een ochtendkrant dat niet-stemmen ook een manier van stemmen was.
Acht jaar geleden: toen steunde Donald Trump Hillary Clinton voor het presidentschap, was Geert Wilders vooral bekend als filmmaker – en werd de verkiezingsuitslag in Oostenrijk omschreven als “boze kiezers voor boze partijen”.
Ik wil maar zeggen, het kan verkeren.
Op de bekende sociale media delen bekende Nederlanders in den vreemde nu massaal links hoe je in te schrijven om te kunnen stemmen voor de verkiezingen in maart.
Heel goed.
Maar ik zorg dat ik in Nederland ben, 15 maart.

De strekking van mijn stuk in de krant was toen dat de stemmogelijkheden zo beroerd waren dat je het recht had, als burger, om te tonen dat je het allemaal niets vond. Aan die politieke bloedarmoede is weinig veranderd. Alexander Pechtold is al elf (!) jaar fractievoorzitter van D66 en het hoogtepunt van zijn carrière is de openheid over zijn huwelijksperikelen. Lodewijk Asscher, waterdrager in het kabinet van Mark Rutte, werd onlangs de nieuwe voorman van de VVD light, ik bedoel: de PvdA, en moet nu elke keer zijn kritiek op de premier terugtrekken; bij de SP van Emile Roemer rommelt het al jaren (Kamerleden die anoniem in de krant beweren dat Roemer geen fractie kan leiden, ‘laat staan Nederland’); en Jesse Klaver van GroenLinks? Die is vooral bezig met Jesse Klaver van GroenLinks.
Een collega met ballen zette voor laatstgenoemde desondanks een videoreeks op: Nederlandse burgers die verklaarden waarom ze GroenLinks gingen stemmen.
Toegegeven, wie de partijprogramma’s leest, ziet dat GroenLinks een van de weinige, straks mogelijke relevante politieke partijen is die daadwerkelijk om het milieu geeft (Trump gaat miljoenen hectare aan natuurpark in de uitverkoop doen).
Ik bedankte voor een videoboodschap omdat ik vond – en vind – dat je als journalist niet expliciet aan een partij kunt verbinden (ja, ik schrijf nog steeds voor de krant). Maar als burger bestaat die luxe niet meer. Dat wil zeggen: je moet stemmen. En je dus verbinden aan een politieke partij. Maar vermoedelijk vraagt ons politieke burgerschap de komende jaren nog veel meer.

Servet Nderi werd op zijn achtste wees toen zijn vader door een telg uit de familie Sjellja werd vermoord. Zijn moeder was op zijn derde gestorven aan kanker. Hij scharrelde rond in het dorp Mes vlak bij de provinciestad Shköder in de noordelijkste provincie van Albanië. Servet werd in huis genomen door een boerenfamilie waar hij als huisslaaf werd gebruikt. Vlak voor zijn zestiende werd hij op straat gezet omdat hij volgens de wetten van de kanun een waardig slachtoffer werd voor de bloedwraak van de Sjellja’s. De boeren zouden volgens diezelfde kanun ook doelwit worden van eerwraak als ze Servet zijn zestiende verjaardag bij hen lieten vieren. De Sjellja’s eisten vijfmannelijke Nderi’s om de bloedschuld te delgen van Servets overgrootvader die ooit een Sjellja zou hebben vermoord door hem in een ravijn te gooien.

Servet vluchtte door zich te verstoppen in een vrachtwagen met fruit  op de veerdienst van Durrës naar Bari. In verschillende treinen reisde hij naar het noorden. Hij kreeg eerst een AMA-status en uiteindelijk werd hem een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd verleend vanwege langdurig tijdsverloop in de asielprocedure. Doordat Servet sinds zijn achtste niet meer naar school was gegaan, verder alleen geleerd had om te overleven en deze eigenschap alleen als talent geldt in het criminele milieu, ging hij stelen, afpersen en drugs dealen. Op zijn 22ste stierf hij aan een overdosis.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto jujube © Eric Weiser

De ouders van Frederica Sanchez Toledo werden in 1995 afgeperst door de FARC. Zo kwam het dat ze tegen haar zin moest gaan werken als kapster in Europa. Ze reisde met een vals Spaans paspoort naar Madrid. Daar stapte ze over op een vlucht naar Amsterdam. Ze werd begeleid door ene Paco die een snor had en de hele tijd zijn zonnebril met spiegelglazen ophield. Na aankomst werd Frederica naar een huis gebracht met een rieten dak.

Ze verbleef twee weken met drie andere vrouwen uit Colombia op de boerderij die bewaakt werd door Paco. Toen Frederica nieuw ondergoed had gekregen en naar haar werk werd gereden met de andere dames, bleek de kapsalon een raam te zijn in Amsterdam. Ze vluchtte toen de gordijnen net gesloten waren. Ze duwde Paco, die in de deuropening stond te roken, weg en vluchtte de drukke steeg in, een brug over, langs een kanaal, nog een brug over en een plein op met een grote kerk. Ze vond uiteindelijk op aanwijzen van een man met een baard een politieburo.

Haar aanvraag als slachtoffer van mensenhandel werd afgewezen omdat niemand met het signalement van Paco kon worden opgespoord in de hoerenbuurt. Na vijf jaar procederen kreeg ze alsnog een verblijfsvergunning.

Dit is een van de zes vluchtverhalen die Florimond Wassenaar schreef bij zijn grote ‘Vluchtverhaal’ in Revisor14.

Foto passievrucht © flagstaffotos.com.au Canon 20D + Sigma 150mm f/2.8 – eigen werk, GFDL 1.2