10. Brief aan mijn broer

Amsterdam, 10 april 1963, vijf over elf ’s ochtends

Ik heb ze laten weten dat ze jou de schriften moeten sturen. Dat zullen ze wel gedaan hebben. Fritz is er niet het type naar er zelf in te gaan bladeren, daar is hij te discreet voor, ik denk ook niet dat het hem interesseert. Voel je niet verplicht ze helemaal te lezen hoor. Ik heb nogal wat onzin opgeschreven, door de jaren heen.

Ik zit in de slaapkamer op dit moment, aan het notenhouten tafeltje. Ik rook een cigarillo, ik heb de balkondeur op een kier gezet. Af en toe bolt de vitrage op door de wind, die is nog fris, maar het is mooi weer, de eerste echt mooie dag van het jaar. (Hou jij ook zo van de lente? O, ik hou zo van de lente.)

Ik heb het druk gehad de afgelopen tijd. Fritz en ik zijn lid geworden van een Joodse vereniging waar ze allemaal activiteiten organiseren. De bedoeling is volgens mij dat je bijvoorbeeld een keer in de week aan iets meedoet, maar mij interesseert het bijna allemaal, dus ik ben de afgelopen weken bijna elke dag wel in de weer geweest met die vereniging! Als Fritz vrij is gaat hij weleens mee. Er is van alles. Lezingen over politiek of cultuur of wetenschap, dia-avonden, op woensdag maak ik sieraden. Er zitten veel bijzondere leden bij; filosofen, museumdirecteuren, politici (ook een psychiater trouwens!), soms gaan we bij zo iemand eten. Soms komt er iemand bij ons. Heel intelligente, belezen mensen allemaal. Het zou ook wel iets voor jou zijn, denk ik.

Nathan woont op zichzelf nu, speelt in een orkest. Hij heeft nog steeds geen meisje ontmoet. Toen ik zo oud was als hij was ik al getrouwd, zat ik al op de boot naar Batavia. Met die Brit, die ‘Paul’. Misschien zou je voor de grap eens kunnen kijken wie er woont op dat adres. Hij zal tegen de zeventig lopen inmiddels, als hij nog leeft. Ik weet niet meer hoe hij eruitzag, zie jouw gezicht voor me als ik aan hem probeer te denken. Vroeg me laatst opeens af hoe het zou zijn gelopen als ik niet, als ik wel – nou ja, onzin natuurlijk. Maar begin daar maar niet over met Nathan, over meisjes. Hij doet me soms denken aan onze vader.

Hanna is alweer zestien. Over haar hoef ik me eigenlijk nooit zorgen te maken. Tevreden, zachtmoedig, rustig, vrolijk, echt een voorbeeldig kind. Soms vergeet je haar gewoon, zo onopvallend als ze zich gedraagt. Ik weet niet van wie ze dat heeft, dat gemoedelijke. (Ach, zij heeft het allemaal niet meegemaakt natuurlijk.)   

Door de open deur heen is het vogelgekwetter te horen, het geboor en getimmer in het huis aan de overkant, gillende kinderen op het schoolplein achter de huizen. En de oude tuinman, ik heb hem net nog even staan bekijken vanaf het balkon. Op zijn dooie gemakje schoffelt hij tussen het jonge groen in de binnentuin, dik bruin eelt op potige knuisten. Als ik me concentreer kan ik hem hier, vanaf mijn stoel, zachtjes horen zingen (serieus, hij zingt), een stem als grofgekorreld schuurpapier. ‘Hoe vaak doet de gloed van een mooie dag, nanij nanona naniena,’ – hij moet wat dichterbij komen om het te verstaan.

Het gaat goed met me. Dat wilde ik je vooral laten weten, dat het goed met me gaat. Ik stel me voor wat ik achterlaat, wat er overblijft. Ga die dingen af, heel banale dingen. Het stompje cigarillo in de asbak. Mijn kleding in de kast, handtassen. De planten (net water gegeven), de natte theedoek in de keuken, een haar op de bekleding van de bank misschien, de deken, het kussen, het afval in de prullenbak de tandenborstel de dagkalender waar ik vanmorgen nog een blaadje, tanden, haren, nagels die zullen blijven groeien minder snel zullen vergaan dan de huid waar op het moment dat je dit leest misschien al larven in (sorry) eitje larve pop vlieg (wonderlijk toch?) – meer eigenlijk niet. Een lege stoel op woensdag tijdens de sieradencursus.

Een maand misschien, twee, voor dat soort dingen niemand meer opvalt. Niemand zal moeite hebben de draad weer op te pakken, dat lucht me op, het zal niemands routine overhoop gooien, alles kan door, niets schop ik in de war. Vreemd dat ik dat nu pas opmerk. Het is alsof ik het grootste deel van mijn leven bezig ben geweest mezelf overbodig te maken.

Lieve broer, ik hoop dat je me een beetje begrepen hebt. Ik wens je het beste. Ik ga nu stoppen, de cigarillo is op. Ik zie er aardig uit, al zeg ik het zelf, ben bij de kapper geweest vanmorgen, hoop dat het zo blijft zitten.

Let een beetje op Nathan, wil je?

(Mocht je me komen halen: niet omkijken.)

(Grapje.)

Kus.

‘… een meisje dromen van liefde.’ (De tuinman.)

Dag.

9. Goede leraren

Amsterdam, 13 maart 1961

Ik zit samen met Fritz voor de radio. Ik heb mijn schrijfspullen gepakt omdat ze op dit moment een symfonie van Mahler draaien en dat orkest speelt me te nerveus. We hebben het cassetteapparaat klaar staan, we hebben net een zoveelste proefopname gemaakt, dat ging goed, het klonk prima, niets minder dan de uitzending zelf. Voor de zekerheid hebben we er een gloednieuw bandje in gedaan. Het is tien voor half twaalf. Om kwart voor twaalf begint het, maar het zou kunnen dat hij vroeger aan de beurt is dus we zitten er al klaar voor, Fritz zit al die hele Mahler met zijn vinger op de opnameknop.

‘Een pleeggezin zal hem goed doen,’ zei mijn moeder. ‘Die pikken dat gedrag van hem nooit.’ Bijna tien jaar geleden is dat alweer, Hanna was een jaar of vijf. Fritz vond het een uitstekend plan; wij zouden toch naar Nederland gaan uiteindelijk, dan kon Nathan net zo goed alvast even wennen, miste hij ten minste niets op school. En ik had mijn handen vrij voor Hanna.

Ons afscheidscadeau was een viool. Vroegen in de muziekwinkel naar het beste exemplaar, we kochten de een-na-duurste. Het pleeggezin droegen we op een bekende leraar voor hem te zoeken, de prijs deed er niet toe, ze stuurden de rekeningen maar door. Ik had tegen het afscheid opgezien en hij gedroeg zich ook behoorlijk hysterisch voor een dertienjarige toen Fritz hem met zijn koffer en zijn gloednieuwe vioolkist de loopplank op duwde, maar toen de boot uit het zicht verdwenen was en wij weer terug naar huis konden voelde het als een opluchting. Anderhalf jaar later gingen we zelf. Nathan wachtte ons op in de haven, maar daar hadden ze hem toe moeten dwingen. Liever had hij nog wat viool gestudeerd.

Bijna half twaalf.

Hij is de beste van zijn jaar, daarom komt hij op de radio. Cum laude. We waren eergisteren met zijn drieën bij het eindexamen; Fritz, Hanna en ik. Zaten midden op de eerste rij in een stampvolle Kleine Zaal van het Concertgebouw, hij had briefjes met onze namen op de stoelen neergelegd. Achterin moesten mensen staan. Er zaten beroemde musici in het publiek, ik zat naast de intendant van het Concertgebouworkest, hij praatte zelfs even met me.

De orkestleden kwamen binnen, gingen zitten, stemden, riedeltjes, precies zoals dat gaat bij echte concerten. Ik lachte wat naar die intendant, probeerde me voor te stellen dat al die mensen – dat publiek, dat orkest, die intendant dus – hier allemaal waren voor mijn zoon, maar het lukte me niet. Iemand met een snor hield een praatje waarbij hij een paar keer onze achternaam liet vallen, daarna werd er geapplaudisseerd, en daar kwamen ze: de dirigent en hij. Het orkest stond als één man op. Hij droeg een rokkostuum. Hij liep zelfverzekerder dan de dirigent. Hij gaf de concertmeester een hand. Het applaus hield op. Hij knikte naar de dirigent, keerde zich tot het publiek (ik stak mijn hand op, in een opwelling, maar hij keek me niet aan), bracht de viool naar zijn schouder. Ik moest mezelf er de hele tijd aan herinneren dat die man met die kaarsrechte rug en die geconcentreerde blik, waar iedereen in de ruimte zijn ogen op gevestigd had, dat dat mijn zoontje was.

Vijf over half.

Na afloop wachtten we hem op in de foyer. Bijna iedereen wachtte hem op in de foyer. Fritz stond met iemand te praten, Hanna zat op een rode stoel een schilderij te bekijken en ik stond met mijn champagneglas voor de deur waar hij uit zou komen. Hij kwam kennelijk uit een andere deur, want opeens stond hij achter me, samen met die intendant, achter hen een hele club mensen die ook iets tegen hem wilden zeggen.

‘Wat hebt u een onwaarschijnlijk getalenteerde zoon, mevrouw,’ zei de intendant.

Ik knikte.

Nathan glom.

Ik bedacht dat ik mijn hand op Nathans arm zou kunnen leggen, dat dat misschien iets was wat moeders in deze situatie zouden doen, maar ik had een glas in mijn hand. Ik zei: ‘Hij heeft ook altijd heel goede leraren gehad.’

De intendant lachte.

‘Daar hebben we nooit een cent op gespaard.’

Mahler is klaar. Het gaat beginnen. Fritz heeft de opnameknop al ingedrukt.

Revisor nummer 17, ’10 leugenaars‘ is verschenen! Een dertiende, of als u de ongelogen werkelijkheid volgt, een zeventiende leugenaar, is Joost Vormeer. Voor ons schreef hij over een bevriende leugenaar.

Het Pandhof bij de Mariaplaats in Utrecht is een mooie plek om iemand voor het eerst te ontmoeten. We zaten op een stenen muur tussen het onkruid met blikjes cola. Mijn zus stelde haar nieuwe vriend Matteo voor. Zijn vader was een diplomaat en het gezin verhuisde gemiddeld om de twee jaar, van Denemarken naar Pakistan, van Indonesië naar Italië, een lijst met landen en plaatsen die als oude foto’s in zijn geheugen waren opgeslagen. Hij sprak vluchtig en in fragmenten, maar zijn verhalen leken vertrouwd.

Een zomerse dag in Denemarken. Ze stonden samen in de rij voor het openluchtzwembad, Matteo en zijn oudere broer.
Zijn broer, bewust in het Italiaans: ‘Wat zijn die Denen toch lomp hè? En wat klinkt dat taaltje slecht.’
Matteo: ‘Zou blij zijn als we snel weer verkassen. Ze zien er ook niet uit in die praktische kleren. Kijk naar die kerel voor ons.’
De man draaide zich om. Hij sprak Italiaans en had alles verstaan, woord voor woord. Maar hij werd niet boos. Overal op aarde mogen kinderen eerlijk zijn, alsof het om een oude internationale afspraak gaat.

Iemand anders die veel over zichzelf vertelt zou arrogant kunnen overkomen, maar ik merkte tijdens die eerste ontmoeting hoe weinig ruimte Matteo wilde innemen. Hij praatte zacht. En hij vroeg ook veel aan mij. Wat ik studeerde, waar ik woonde, wat mijn hobby’s waren en naar welke muziek ik luisterde. Hij was oprecht geïnteresseerd. Die middag droeg hij wijde jeans en een Hawaii-overhemd. Later vernam ik dat zijn kledingstijl een vorm van rebellie was tegen zijn ouders, die hem graag in een pantalon en overhemd of poloshirt zouden zien. En weer later merkte ik dat hij er nooit écht slordig uit kon zien, hoezeer hij ook zijn best deed. Het schreeuwerigste T-shirt stond bij hem nog beschaafd. Dat lag ook aan zijn symmetrische gezicht, zijn slanke postuur en zijn bruine haren die de neiging hadden om zonder gel in een scheiding te vallen.

Hij ging samenwonen met mijn zus. Als ik bij hen op bezoek ging, maakte hij het met mij naar de zin. Hij cijferde zichzelf weg. Dat had hij van zijn ouders meegekregen, vertelde hij. Ze hielden hem voor dat hij vanuit een zeker gevoel voor noblesse voortdurend rekening moest houden met anderen, mensen die het minder goed hadden getroffen.
Mijn zus en ik hadden de gewoonte om met Halloween een nacht lang naar horrorfilms te kijken. Matteo liet ons de films selecteren en zorgde voor hapjes, drankjes en natuurlijk een anekdote. Een winteravond in de Amerikaanse staat Washington. Hij reed met vrienden van zijn studie over de highway, bier in de kofferbak en countrymuziek op de radio. Ze hadden al uren geen andere weggebruikers gezien. Toen passeerden ze een auto die in de berm geparkeerd stond. Ze zagen iemand – of meerdere personen, dat wist hij niet meer – iets groots en zwaars uit de wagen slepen. Een lijk? Daar leek het op. Het was niet goed te zien. Na een kwartier van koortsachtig overleg reden ze terug. De auto was verdwenen.
Ik heb Matteo leren kennen als een goede verteller. Een plaats van handeling kiezen, de sfeer beschrijven, spanning opbouwen, elementen achterwege laten – het geheugen is tenslotte feilbaar – of ze later toch weer toevoegen om het nog wat aan te dikken: hij beheerste het perfect.

Er is een verband tussen literatuur en diplomatie. Opvallend veel bekende schrijvers zijn of waren diplomaten. Ik denk aan Gabriela Mistral, Mario Vargas Llosa, Octavio Paz, Konstantínos Kaváfis, George Seferis, Ivo Andri, Marie-Henri Beyle (Stendhal), Romain Gary en bij Nederland aan Carel Jan Schneider (F. Springer). Diplomatie is bij uitstek een talig bedrijf en de diplomaat kent de verschillende nuances van de woorden. Die weegt hij voorzichtig en zelfbewust; ze hebben de potentie om conflicten te veroorzaken of verergeren. Politici beseffen niet altijd waartoe hun woorden kunnen leiden, vooral nu ze met peilingen in het achterhoofd korte brokjes tekst de wereld in slingeren. Diplomaten brengen nuances aan en dan is het noodzakelijk een beroep te doen op de verbeeldingskracht, een context te creëren waarin die woorden net een andere lading krijgen. Het gaat om de juiste toon, de juiste stijl en de juiste timing, zodat er een evenwichtig verhaal ontstaat. Diplomaten kennen het belang van gedoseerde fictie.
In zijn wekelijkse column over buitenlandse politiek voor de Groene Amsterdammer schrijft Mathieu Segers: ‘De diplomaten hebben de taak om de werkelijkheid te plooien naar de woorden. Of in ieder geval die indruk te wekken. Omwille van de stabiliteit fabriceren zij af en toe een eclips van een deel van de werkelijkheid.’
Bij Matteo kwamen de eclipsen te vaak voor; de werkelijkheid verdween te veel uit zicht. Zijn biografie bleek niet te kloppen. Landen waar hij had gewoond had hij door elkaar gehaald, reizen verwisseld of compleet verzonnen en over vorige relaties gelogen. Dat laatste doen wel meer mensen, maar ook hier gaat het om de juiste dosering. Voor mijn zus was de ondergrens bereikt: ze verbrak de relatie.

Een zonnige ochtend in Wenen. Matteo en zijn broer zaten met hun ouders op een terras, maar hadden nog niets besteld. Ze besloten ergens anders te gaan zitten. Matteo ging naar binnen, de kleine afgezant van het gezin.
‘Mijn vader heeft een migraineaanval gekregen. We kunnen helaas niet blijven.’ Dat was wat hij van zijn ouders moest doorgeven. Zomaar opstaan en vertrekken vonden ze onfatsoenlijk.

Ik ben met mijn ouders nauwelijks in het buitenland geweest. Die ene middag in België voelde al als een avontuur. We luisterden naar Franstalige liedjes op de radio en deden er uren over om een friettent te vinden. Matteo was voor mij een kosmopoliet, een man die, als we het hem vroegen, alles kon vertellen over de laatste verkiezingen in Kenia of een aardbeving in Turkije. Om de twee jaar naar een nieuw land verhuizen leek mij geweldig. Ik realiseerde me dat we ondanks onze verschillende achtergronden iets wezenlijks deelden. Overal waar Matteo ging wonen, of het nu in Rome was of in Seattle, in New Delhi of Kopenhagen, was hij een vreemdeling. Overal moest hij opnieuw beginnen. En dat gevoel ken ik. Ik ben geboren in Zuid-Korea en geadopteerd door Nederlandse ouders. Er is een breuklijn in mijn leven die zich blijft herhalen. Bij elke grote verandering in mijn leven, een wisseling van school, baan of woning – vraag ik mij af waarom ik hier ben en niet ergens anders, in Zuid-Korea of in Zweden en de Verenigde Staten, andere landen waar veel Koreaanse geadopteerden terechtkomen.
In de vierde klas van de middelbare school las ik de roman Simon van Marianne Frederiksson, over een jongen met een Duitse joodse vader die vlak voor de Tweede Wereldoorlog door Zweedse ouders wordt geadopteerd. Als Simon wat ouder wordt, begint hij over van alles te liegen. Eerst is het nog onschuldig, maar later wordt het problematisch. Ik herkende die neiging. Op de middelbare school was ik ook een leugenaar. Ik loog vaak, vooral om niet gehaalde deadlines of slechte resultaten te verklaren. Docenten vonden mij onbetrouwbaar, begreep ik later
Net als de diplomaat heeft de vreemdeling altijd een verhaal paraat. Op elk moment kunnen mensen vragen stellen. Waar kom je vandaan? Hoe lang woon je hier al? Elke situatie vereist een nieuwe reconstructie, een variant van het verhaal dat je de vorige keer hebt verteld. Als je onzeker bent over je identiteit, heb je vaak het gevoel dat je verhaal niet klopt, dat er weeffouten zijn. Dan is de verleiding groot om ze met leugens te repareren.
De relatie tussen Matteo en mijn zus hield dus geen stand. Toch zie ik hem nog regelmatig, vooral omdat ik zo gehecht aan hem ben geraakt, niet alleen aan zijn verhalen, maar ook aan de manier waarop hij ze vertelt. Op zachte toon, bijna fluisterend, alsof hij mij in vertrouwen neemt. We spreken dan af op een station en drinken koffie uit plastic bekers. Ik ben het middelpunt op dat moment, een ingewijde. Of een medeplichtige. Ik kies ervoor om hem te geloven.

8. Op zee

Ergens tussen Engeland en Holland, 20 juli 1953

Terwijl aan de oostkust het zeewater tegen dijken beukte tot ze braken en met boten en al door de straten spoelde, koeien optilde van weiden, bomen auto’s marktkramen meesleurde – ook in onze stad ging het tekeer, we hadden dekens en handdoeken voor de deuren gelegd omdat het water de gang in liep, kniehoog stroomden de zoute golven over Kensington High Street – blies mijn vader, nog bleker en magerder dan hij altijd al was geweest, zijn laatste adem uit. Ik hield zijn nattige hand vast, omdat niemand anders het deed. In de kranten was geen ruimte voor een rouwadvertentie.

Begin februari. Met zijn vijven bezochten we de crematiedienst; mijn moeder, mijn broer met zijn vrouw en zoon en ik. Fritz werkte toen alweer in Indië, Nathan woonde al ruim een jaar in Nederland, de buren pasten op de kleine Hanna. Het was een korte dienst, we hielden allemaal onze winterjassen aan. Mijn broer had zijn patiënten voor die middag niet verzet. Toen mijn vader de oven in werd geschoven waren we allemaal alweer haastig onderweg, mijn broer naar zijn praktijk, ik naar Hanna en mijn moeder bezocht de kapper, want dat doet ze elke woensdag.

Omdat er dingen voor de erfenis geregeld moesten worden ontmoetten mijn broer en ik elkaar in zijn praktijk, waar hij zijn papieren bewaarde.

‘Dus dit is waar je patiënten normaal gesproken zitten?’ vroeg ik terwijl ik me in de stoel tegenover hem liet zakken.

‘Ja. Vind je het wat?’

Ik haalde mijn schouders op. ‘Beetje elitair.’ (Ik bedacht dat ik mijn voeten op zijn bureau kon leggen, dat dat hem uit zijn evenwicht zou brengen.)

Hij pakte een stapeltje papieren op, legde het weer neer. ‘Hoe gaat het met je?’

‘Hé, zeg,’ zei ik, ‘ik bén niet een van je patiënten, oké?’

Daar moest hij om lachen.

Hij nam de papieren weer in zijn handen en schoof ze naar me toe en ik zei, zonder dat ik dat van plan was geweest: ‘Weet je nog, de avond voor je naar Engeland vertrok?’

Ik wou toen al dat ik het terug kon nemen.

De avond voor hij naar Engeland vertrok. We waren met een hele groep, allemaal mannen, allemaal net afgestudeerde geneeskundestudenten, en ik dus. Ik droeg een blauwe jurk. Ik ging gewoonlijk niet naar kroegen maar dit was zijn laatste avond dus ik dronk de pullen bier in het tempo van de mannen, ik was vrolijk, ik praatte veel, lachte veel, een voor een vroegen ze me of ik wilde dansen, ik maakte pirouetten van de ene gretige omhelzing naar de andere. Intussen zag ik vanuit mijn ooghoek hoe mijn broer aan de toog stond en in de gaten hield of geen van zijn vrienden het te bont maakte, soms kruisten onze blikken.   

Een voor een dropen ze af, een van hen was zo dronken dat we maar besloten hem mee naar ons huis te nemen, we woonden dichtbij, we sloegen elk een arm van de jongen om onze schouder, stapten met hem tussen ons in over de klinkers van de Keulense verlaten straten, tilden hem over de drempel onze woning in, legden hem in mijn bed.

‘Over vier uur zit ik op de boot,’ fluisterde mijn broer. Het was stil in de kamer.

‘Niet aan denken,’ zei ik. Het leek alsof we heel luid ademden, zo stil was het.

Hij glimlachte. Het vlammen van zijn ogen deed me denken aan onze vader.

Ik trok mijn blauwe jurk uit, hing hem over een stoel. Mijn broer slikte.

‘Nergens aan denken.’

Hij knikte. Ik klom achter hem aan het stapelbed op.

‘Voel jij daar iets bij nog?’

Ik: ‘Nee. Nee, god nee.’

Hij sloeg zijn armen over elkaar. ‘Je moest eens weten hoe vaak ik dat soort verhalen hoor. Niets om je voor te schamen.’

‘Nee nee, doe ik ook niet hoor.’

‘De drank, – ’

‘Ja.’

Stilte.

‘Misschien werd het tijd dat ik naar Nederland ging.’

Hij haalde een hand door zijn haar. ‘Ik twijfelde al of ik erover zou beginnen.’ Vaste stem. ‘Ik had je dat al willen voorstellen. Dat lijkt me goed. Voor de jongen.’

Ik keek naar mijn knieën.

‘Hij heeft je nodig.’

Daarna regelden we de erfenis.

Dus nu zit ik op de boot, zoveelste boot. Bij het opstappen nam ik me voor me groot te houden, ik liep met grote passen, Hanna’s handje vast, de loopplank op, met de meute mee de kantine in, zocht een zitplaats bij het raam, ging met mijn rug naar dat raam toe zitten.

‘Zwaai maar even,’ zei ik tegen het meisje. De scheepshoorn loeide. Het gevaarte maakte zich trillend los van de kade.

Pas toen de eerste passagiers hun armen lieten zakken en zich van de ruiten rondom me losmaakten om hun cabine te verkennen stond ik op. En draaide ik me om.  

Al stond het helemaal vol met mensen daar en waren we al bijna voorbij de pier, ik herkende mijn broer meteen. Precies op dat moment, ik had me geen seconde later moeten omdraaien, liet hij zijn arm zakken en keerde hij de zee de rug toe, gebogen hoofd. Binnen een tel was hij in de menigte verdwenen.

7. Sneeuw

Londen, Guy’s Hospital, 20 januari 1947

Mijn broer is wat kaler geworden sinds ik hem gedag zwaaide in Southampton. Forser ook. Dat hij psychiater werd verbaast me niks. Hij moet een heel goeie zijn, hij kan heel aandachtig luisteren. ‘En wat voel je dan?’ vraagt hij vaak. Ik geloof dat hij me beschouwt als een van zijn patiënten.

Het sneeuwt. Ik heb een bed naast het raam. Aardig van ze. Ik lig op de derde verdieping en het enige wat ik zie als ik uit het raam kijk is lucht, het wapperende Engelse vlaggetje bovenop de ingangspoort en dwarrelende sneeuwvlokken. De baby is vijf weken oud, er is iets niet goed mee, ze ligt op de eerste verdieping, Fritz is veel bij haar. We hebben haar nog maar geen naam gegeven.

Ik had me onze aankomst in Engeland anders voorgesteld, maar ik werd dus ziek op de boot en in de haven wachtte een ambulance me op die me halsoverkop (sirenes! voor mij!) hiernaartoe bracht. Behalve de lucht en de sneeuw en dat vlaggetje heb ik nog helemaal niets van Londen gezien.

‘Wat voel je zelf?’ zou ik mijn broer willen vragen, maar ik wil hem niet afschrikken natuurlijk. Ik weet het antwoord heus wel. Ik weet heus wel waarom hij niet zo vaak langskomt, waarom hij me nooit recht aankijkt als hij zijn vrouw of zijn zoon bij zich heeft. Niemand kent hem zoals ik hem ken. Zoiets valt niet in te halen.

Ze zijn bijzonder aardig voor me hier. Ik dacht altijd dat ik me opgelaten zou voelen in een ziekenhuisbed, maar ik geloof dat ik een aangename patiënte ben, de artsen komen soms zelfs speciaal even langs op mijn afdeling om te vragen hoe het met me gaat. Dat hoeven ze niet te doen. Daar zijn de verpleegsters voor. (‘Wat voel je daarbij?’) Mijn Engels wordt ook met de dag beter. Misschien kan ik een paar van hen eens uitnodigen om bij ons te komen eten zodra ik hier weg ben. Dat zal wel niet zo lang meer duren, het gaat al een stuk beter. Ik hoop dat het dan nog sneeuwt.

Mijn ouders zorgen voor Nathan. Mijn moeder zegt dat hij wel wat discipline kan gebruiken. Ze is veel boos op hem. Ze vertelde dat hij met een schaar de bekleding van de bank in repen heeft geknipt. Ik denk dat ze wel gelijk heeft dat ik hem iets te veel heb verwend.

Zou hij het nog weten?

Misschien vergeet je jezelf als je psychiater bent; ben je zo bezig met andermans emoties dat je je eigen ermee neutraliseert. Waarschijnlijk zijn alle mensen voor hem studieobjecten geworden, is dat alles. Onze vader: een studieobject (interessant, interessant). Kijk hem mak zijn soep eten, neergeslagen ogen, afhangende schouders. (Onze moeder: ‘Ben jij nou een man?’) Kijk hoe hij zich niet verroert (of toch: zenuwtrekje in zijn ooglid), zich met ingehouden adem concentreert op de bewegingen van onze moeder, die de tafel afruimt, dreunende stappen naar de gang, hoe hij luistert terwijl ze haar jas aantrekt, haar boodschappentas van het haakje grist, de voordeur opent en weer achter zich dichttrekt – stilte. Kijk hoe de adem tussen zijn tanden door ontsnapt, hoe zijn rug ontspant, zijn kin zich losmaakt van zijn borst. Het opzwellen van de ader op zijn slaap. Hoor: het schuren van de stoelpoten over de houten vloer terwijl hij langzaam opstaat, zijn vuisten balt, weer inademt. Hoe hij zijn flikkerende ogen richt op mij, op mijn broer, op mij, op mijn broer – hij kan niet kiezen. We zijn vier en acht, vijf en negen, zes en tien. ‘Vertel eens, wat voel je dan?’ Soms wil ik hem heel hard slaan.

Het raam hier kan niet open. Ik herinner me hoe het knarst onder mijn schoenen, hoe fris en scherp de lucht ervan wordt. Ik wil een slee kopen en met Nathan naar Hyde Park. Een sneeuwpop maken. Achter een hegje wachten tot hij nietsvermoedend langsloopt, mijn broer, pas tevoorschijn springen zodra de sneeuwbal uiteengevallen is in z’n kraag (weg bedachtzaamheid, weg kalmte, weg psychiater – ‘interessant, interessant’), hoe het ijswater langs zijn hals zijn hemd in druipt.