In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staan het tweede en het derde deel. Dit is het vierde en laatste deel.

*

Het is zaterdagavond, na het eten, en ik heb de groep niet kunnen tegenhouden. Ik zei dat ik een korte boswandeling zou gaan maken, Ina gilde: ‘Hè, ja, een avondwandeling! Wat een top-idee!’, Leo zei iets over ‘benen strekken’ en ‘leuk element voor in de vlog’. Charlotte kwam met ‘hout sprokkelen’ en ‘kampvuur’, Sabor keek me alleen lang aan met die zwarte ogen van hem. Toen dribbelden ze levenslustig achter me aan. Ik zei het al: dit is geen vakantie, dit is werk.

‘Je draagt het uniform,’ zeg ik tegen Rainer als ik voor hem sta. Het takje dat ik nog in mijn hand had heb ik weggegooid, mijn collega’s zijn niet meer te horen en uit zicht verdwenen.
‘Voor jou,’ zegt hij. Hij kijkt om zich heen. ‘En een beetje voor hem.’ Ik zie het doodshoofdje op zijn pet, de zilveren ruiten op zijn kraag, het kleine hakenkruisje rechts boven de borstzak. Hauptsturmführer. Het geweer onder de riem lijkt kleiner dan in de schuur, ernaast bungelt een flacon. Hij heeft zijn snor getrimd, zijn gezicht is knap, hij lijkt jonger.
‘Ik heb voor jou ook wat.’ Hij overhandigt me een jas. Het is een groot en zwaar colbert, er staat een adelaar op de voorkant met een hakenkruis in zijn poten. Het is duidelijk getailleerd. Als ik het jasje opensla valt er een zwart mutsje uit, het heeft de vorm van zo’n hoedje dat medewerkers van de Albert Heijn-slagerijafdeling moeten dragen.
‘Kleren voor mijn Blitzmädel,’ zegt Rainer.
‘Wat?’
Hij kijkt streng, ik trek het colbert aan, de stof is dik en stug. Rainer zet me het hoedje op. ‘Voor mijn Blitzmädel,’ zegt hij nog eens. ‘BlitzBlitz, van bliksem, van dit.’ Hij wijst naar het SS-symbool dat op de mouw van mijn jasje is gestikt. Blitzmädels, hier moet ik het met Charlotte over hebben, denk ik.
‘Onze bliksemmeisjes,’ zegt Rainer. ‘Zonder hen hadden we het niet gekund.’

Van de twee weken waarin ik niet werkte kan ik me weinig herinneren, behalve dat ik elke ochtend gewoon om kwart voor zeven opstond, brood smeerde en in mijn auto ging zitten. Ik startte de motor, reed een rondje door de buurt en parkeerde weer in mijn straat. Dan liep ik naar huis en zette koffie. Ik deed alsof ik al had gewerkt, en dat ik dan nu vrij was. Ik bleef me de rest van de dag trillerig afvragen hoe het kon dat ik moest uitrusten terwijl ik in feite zo ongelofelijk weinig in mijn leven had bereikt.
‘Je moet leuke dingen gaan doen,’ zei Sabor toen hij bij me kwam eten. ‘Naar het theater, of de sauna, zoiets.’
‘Wil jij met mij naar de sauna?’ Ik meende de vraag serieus, maar Sabor proestte. ‘Met dit lijf wil jij niet in een sauna zitten.’
Aan het einde van de avond zei hij dat ik het echt moest gaan doen, die leuke dingen, en vroeg hij of ik het had gemeend, dat samen naar de sauna gaan.
‘Ja,’ zei ik.
‘Echt?’ zei hij. Hij keek me heel lang aan. Ik wist niet wat ik moest doen en liep naar de gang om zijn jas te pakken. We zijn nog niet naar de sauna geweest.

‘Heb je het helmpje?’ vraagt Rainer. Ik haal het uit mijn zak. Hij pakt het, haalt een veiligheidsspeld uit zijn broekzak en prikt het op mijn borst. ‘Daar gaan we,’ zegt hij.
Ik loop achter hem aan door de bladeren. Zijn hondjes rennen voorop. Een specht tikt ergens tegen een boomstam. Na een tijdje zwijgend te hebben gelopen staat hij stil. ‘Als je dit verraadt ben je dood,’ zegt hij.
Ik speel mee. ‘Jawohl Herr Hauptmann.’
We naderen een heuvel. Er groeien struiken en een paar boompjes. Aan de achterkant liggen de boomwortels bloot en is de grond een stuk lager. De voorkant van de bunker is nauwelijks te zien, overal takken en mos. Het beton is begroeid met schimmels en planten.
‘Hier zit hij,’ zegt Rainer. ‘Hier is hij.’
Ik duw een struik aan de kant. ‘Leeft hij nog?’ Rainer pakt mijn hand en trekt me in de richting van een kleine opening, niet groter dan een vuist. Een raam zonder glas.
‘Hier kun je kijken, dan zie je hem,’ zegt hij. Ik kijk door het gat, maar alles is zwart. Ik denk aan Sabor, in zijn grote zwarte overhemden. Ik had hem moeten vragen mee te gaan.
‘Ratten moest hij eten, muizen, aarde. De deur zit potdicht. Die klote-Amerikanen hebben alles verpest.’ Rainer komt naast me staan, ik ruik een scherpe zeepgeur. ‘Vati,’ zegt hij in het gat van het raam. ‘Ik heb iemand meegebracht. Een Blitzmädel. Ze bestaan nog, ze zijn er nog.’ Hij kijkt me aan, rukt dan het helmpje van mijn borst en duwt het door het gat. ‘Kijk maar!’ roept hij.
‘Hee!’ zeg ik. ‘Die is van mij.’
‘Die is niet van jou,’ fluistert Rainer. ‘Die is nooit van jou geweest. Net zoals dit uniform niet van mij is. Het is van hem, het is allemaal van hem. Hij was Hauptsturmführer.’
‘Waar was hij dat?’ fluister ik. Ik wil het ergste antwoord horen.
‘In Auschwitz,’ antwoordt Rainer. ‘Hij was de beste.’
‘Waar in Auschwitz?’ vraag ik.
‘Wat maakt dat uit, hij werkte daar en die hele plek is hem afgepakt. Kom, begroet hem eens.’
Mijn borst gaat op en neer, ik probeer mijn stem strak te houden. ‘Hoeveel mensen heeft hij vermoord?’
Rainers hoofd komt dicht bij het mijne. Hij tuurt me een paar seconden met een holle blik aan. ‘Wat vraag jij?’
Nu ben ik te ver gegaan. Nu zal hij niets meer zeggen.
‘Hee, wat vraag jij? Wat vraag jij?’
‘Ik….’
‘Wil jij hier wel zijn? Met ons? Jij wilt toch hier zijn, en niet daar bij je vrienden, oder? Jij wilt ons helpen, oder?’
‘Ik zou graag het verhaal…’
Rainer doet een stap achteruit. ‘Ach so,’ zegt hij. ‘Het verhaal.’
‘Nou kijk, ik zou graag uw vader beter willen leren… Hoe was het voor u, om met hem op te groeien?’
‘Ach so, ach so. Dorothee wil een verhaal, een interview.’ Rainer snuift. ‘Er is hier geen verhaal. Mijn vader zit al drieënzeventig jaar in deze bunker, dat is het verhaal. En jij vraagt hoeveel hij er vermoord heeft? Begroet hem eerst eens!’
‘Guten Abend,’ fluister ik in het gat, ‘Wie geht es Ihnen?
Rainer komt weer naar me toe en pakt mijn bovenarm. ‘Lieve Dorothee,’ zegt hij. Met zijn andere hand aait hij me weer over mijn wang. ‘Hij moet hier weg. Jij zou ons helpen, hij moet hier weg.’
‘Helpen? Rainer, ik zou niet weten hoe we…’
‘Jij zou ons helpen, maar je verhoort ons. Waarom verhoor je ons?’
Ik wil mijn arm wegtrekken, maar hij verstrakt zijn greep. Ik kijk weg, naar de nieuwe huisjes, de recreatiehal met paintballmogelijkheden, het restaurant met serre, de volledig ingerichte tenten, ver weg achter de bomen.
‘Waarom verhoor je ons? Ben je een verrader? Wat zoek je?’
Er komt geen geluid meer uit mijn mond.
‘Wat zoek je? Zoek je spannende verhalen? Of zoek je bescherming? Een warme familie? Wil je bij mij zijn? Heb je soms afluisterapparatuur in je broek?’ Hij grijpt naar mijn kruis. Ik hoor het ruisen van de Oostzee, het geluid van hondenpootjes op dode bladeren. Het bos maakt zich klaar voor de nacht. En hoewel ik op dat moment aan Ina denk, kom ik niet eens op het idee om te gillen.

In Revisor #19 staat naast heel veel ander moois het eerste deel van Iduna Paalmans minifeuilleton ‘Blitzmädel’. Op Revisor.nl staat het tweede deel ook. Dit is het derde deel.

*

Hitler heeft zich aan het begin van zijn regime meermaals uitgelaten over de jeugd. ‘Onze toekomstige jongens,’ riep hij in een toespraak in 1935, ‘moeten slank en rank zijn, behendig als windhonden, taai als leer en hard als Kruppstaal.’ Er was volgens de nationaalsocialisten een nieuwe opvoeding nodig, weg van het geestelijke en terug naar het fysieke. De mensen van de toekomst moesten hun volk kunnen beschermen tegen de ‘verwilderingen’ die in de maatschappij gaande waren, en tegelijkertijd moest frisse, kinderlijke, onbevangen reinheid worden behouden. Een intellectuele opvoeding paste niet in dat ideaal.

Nadat ik dat gelezen had wist ik dat ik me niet meer met joodse supergetto’s, maar met de verankering van het nationaalsocialisme in kinderen wilde bezighouden. Nachtenlang las ik boeken en keek ik documentaires over de Hitlerjugend, ‘de misbruikte generatie’ noemen ze die. Mijn interesse verplaatste zich naar kinderen van gezaghebbende nazi’s; hoe waren die door hun opvoeding beïnvloed? Ik stuurde wat brieven, uitnodigingen voor gesprekken, maar ik kreeg weinig respons, de meesten wilden niet meer met hun ouders geassocieerd worden. Kinderen die van weinig weten, dacht ik toen ik rondkeek op school, dat is een goed onderwerp. Eersteklassers bam, in Auschwitz neerzetten. Wat doet dat? Hoe reageren ze? Hoe draait hun wereldbeeld? Leo vond het geen goed idee, pedagogisch te aangrijpend. ‘Geen geld,’ zei hij ook, ‘helaas. We kunnen naar Westerbork?’

Toen ik de plannen voor mijn boek had laten varen, gestopt was met documentaires kijken en boeken lezen en me weer alleen bezighield met toetsen nakijken en rapportvergaderingen, ging het mis. Dat was afgelopen jaar. Sabor was de eerste die het merkte. ‘Je ziet eruit alsof je dood bent,’ zei hij. ‘Moet jij niet even een adempauze?’ Ik keek hem stil aan, wist dat hij zijn academische ambities lang geleden had laten varen en gelukkig was tussen die behoeftige, schreeuwende, onnozele kinderen.
De rest van de week bleef ik thuis, Sabor kwam bij me eten, ik werd zenuwachtig van hem. Hij hoorde op school, in mijn woonkamer leek hij te groot, te aanwezig, te echt. Ik ontdekte dat je geen ‘adempauze’ kunt nemen van de geschiedenis, dat dat het domste is wat je kunt doen. Ik begon weer met lezen, bestelde via eBay het miniatuurhelmpje, hing het in mijn auto om me er dagelijks aan te herinneren dat er meer was dan deze school, deze tijd, deze kinderen, dat er iets boven mijn hoofd rondzweefde dat nog in woorden moest worden gevangen, dat ik dat niet kwijt moest raken. Twee weken later was ik weer op school.

Ineens aaide Rainer me over mijn wang. Ik zat nog op het krukje, het was nog steeds vrijdagochtend, ik had hem gevraagd waar zijn vader zich dan ophield, hij had niet geantwoord en was weer lange tijd stil geweest. Toen aaide hij me over mijn wang, heel teder, en zei: ‘Du bist ja meine Helferin.’
Ik verstrakte. Helferinnen waren vrouwen die bij de Wehrmacht in dienst waren. Ik zei niets, keek hem aan en zag dat hij van oor tot oor lachte.
‘Ik kan je het laten zien. Morgenavond breng ik hem weer water, dan kun je mee.’ Hij aaide me nog eens, ergens in mijn lijf begon het te tintelen, het gevoel verspreidde zich snel. Dorothee wordt door een primaire bron geaaid. Dorothee staat het toe.
‘Kom je mee? Morgen? Zaterdagavond?’
‘Waar dan?’ Mijn stem was schor, ik moest mijn vraag twee keer stellen. ‘Waar zit hij dan?’
‘Hij zit in een bunker.’
‘Een bunker?’
‘Een totaal afgesloten bunker.’
‘Een totaal afgesloten bunker?’
‘Hier in het bos.’ Rainer straalde nog steeds. ‘Niet ver, het is niet ver. Een totaal afgesloten bunker. Maar het is niet ver.’
‘En jij brengt hem water?’
‘Ja, en soms ook een broodje, meer past niet door het raam. Ze laten hem gewoon doodhongeren anders.’
Het was even stil. Ik keek naar de geweren, ik dacht aan mijn boek. ‘Oké,’ zei ik.
‘Oké,’ zei Rainer. Hij pakte mijn hand, trok me omhoog en liet mijn hand weer los. We stonden nu tegenover elkaar, we grijnsden allebei. We spraken een tijd af, zaterdagavond, na het eten, in het bos, dichtbij het pad achter het terrein. ‘Ik vind je wel,’ zei hij. Hij stak zijn hand weer naar me uit. ‘Neem je helmpje mee. Dat zal hij fantastisch vinden.’