Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na twee autoloze weken heeft buurvrouw Sineag me vanmorgen bij de Kennedy’s garage van Salen afgezet. De hydraulische cylinder van de koppeling moest worden vervangen. Veel dichter in de buurt bevindt zich de beruchte MacDougalls garage. Volgens de dorpelingen moet je nooit je wagen aan hen toevertrouwen, omdat terugkeer niet gegarandeerd is. Sommige mensen wachtten een half jaar op de reparatie of kregen na maanden te horen dat hun auto naar de sloop was gebracht. De monteurs uit Salen daarentegen handelen gebreken ogenblikkelijk af. Optredende vertraging wordt louter veroorzaakt door de aanvoer van vervangende onderdelen vanaf het vasteland.

Met Sineags blauwe Renault in de achteruitkijkspiegel verschijnend en verdwijnend rijd ik over de eenbaansweg terug naar Knockvologan. In sierlijke curves werken we het sporadische tegemoetkomende verkeer weg. We geven de passerende auto’s aan elkaar door als een estafettestokje. Aan elke inhaalmanoeuvre gaat een overleg via knipperlichten vooraf, zodat de passage in een vloeiende beweging plaats kan vinden. Er is altijd een van de twee weggebruikers die het voortouw neemt en halt houdt bij een daarvoor bestemde zwart-wit gemarkeerde inham. Hierop volgt dan steevast een vriendelijke zwaai van beide partijen of minutenlang gesprek, want heel vaak blijkt de tegenligger een bekende te zijn.

Voorbij Kinloch zie ik in de bocht iets op de weg liggen. De roodbruine-rode kleurstelling kan maar een ding betekenen. Ik minder vaart. Het blijkt inderdaad een fazantenhaan te zijn. Binnen luttele minuten ligt de grote vogel naast me op de bijrijdersstoel. Het dier is nog warm en heeft net de ogen gesloten. Vorige week meende buschauffeur Crìsdean dat fazantenmannetjes suïcidaal zijn. In de baltstijd heeft hij tijdens elke rit last van overstekend kleinwild. ‘Remmen heeft geen zin,’ beweerde hij, ‘ze doen het erom’. Sineag snapt onmiddellijk waarom ik stil sta en wiekt met beide handen.

In de eerstvolgende inham staat een wit busje geparkeerd met de vermoedelijke daders. Ik zie twee toeristen op leeftijd verbouwereerd voor zich uitkijken. Ze antwoorden niet als ik mijn raampje opendraai en vraag of alles goed is. Heb ik hun avondeten ontvreemd?

Met een ongekend gevoel van triomf zet ik me een half uur later aan het plukkarwei: het pluimen. Mijn korte rukjes zijn lang niet kort genoeg. Ik trek in de richting waarin de veren wijzen, maar ze komen slecht los. Beginnend bij de poten zit ik al gauw zelf onder de dons. Mijn handen bedekken zich en het kriebelt rondom mijn neus en mond. Een salvo van niezen volgt en alles stuift op.

De veren rond de buik en vleugels zitten iets losser en komen in trosjes naar buiten. Wat een prachtig spectrum aan bruintinten en markeringen. Volgens de vogelgids roesten fazanten op boomtakken. Roesten betekent hier het overnachten van vliegend wild, maar vanaf vandaag zal ik het roestkleurige verenkleed van de fazant daar altijd bij optellen.

Onder de borstveren en flanken vind ik fijnere egaal grijze donsveren. De kop met vuurrode lellen, die ook uit veren bestaan, is iriserend blauw van kleur en staat strak op een witte kraag.

Ik onderdruk de neiging om de gehele pluimage te willen bewaren en maak een selectie van elke veersoort, behalve voor de lange zwart bruin gestreepte staartveren. Die houd ik allebei. Dan strijk ik de getipte oren naar achteren en snijd de hals door, onder de krop, want als die holte in de keel opengaat, kan het vlees bederven.

Pas wanneer de fazant haast kaal geplukt is, schiet me het verhaal te binnen van Catriona, de archivaris uit Balevulin. Haar oom was jager. Elke herfst stuurde hij een deel van zijn buit naar familie elders in het land. Via de Royal Mail. Hij wikkelde het afgehangen vlees in bruin sack paper dat bij bezorging steevast doorweekt was. Na bijna twee weken kwam de hertenbout high aan; ‘op smaak’, verduidelijkte ze.

Mijn fazant ruikt naar brandnetels en aarde, een tintelende geur. Nog geen spoor van verwaaiing. Het verwijderen van de ingewanden is zo gepiept. In mijn handpalm rust het inmiddels niet meer zo warme dieprode hart. Het weegt zwaar.

Nicolien Mizee, Sander Kollaard: de redacteur las twee geestige, rijke boeken over een landgoed met hoog mortaliteitscijfer en levensvreugde in de derde levenshelft.

*

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Moord op de moestuin, en Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Ik heb net Nicolien Mizees Moord op de moestuin uit, en heb daar enorm goede zin aan over gehouden. Vlot geschreven, snel schakelend, met een verteller die af en toe Achterberg opdiept, grote waarheden (over leven en schrijven en eten) uittekent, en in een paar zinnen hele mensen weet op te roepen. En geestig.

Al vroeg in het boek merkt onze verteller op:

‘Thijs raakte zijn glas niet aan. Misschien ging hij wel dood. Dan zat ik alleen in dit grote huis. Hoe zou ik me Thijs herinneren? De dood werkt niet in ieders voordeel. Ik kon katholiek worden. Of een hond nemen. Of allebei. Gezellig met de hond naar de kerk, kroonluchters poetsen met andere weduwen.’

Die korte zinnetjes, telkens een andere kant op, die werken op mijn lachspieren. Thijs, de echtgenoot van de verteller, heeft na een hartoperatie, kort op hun huwelijk, een transformatie doorgegaan. De man waar ze verliefd op werd, is een kasplantje geworden. De remedie, die haar zus en zwager voorstellen: een boswachtershuisje, meteen acht weken lang. En terwijl Thijs herstelt, verstevigen de verteller en haar zus de band met de eigenaressen – jeugdvriendinnen van ze, zo blijkt, bewoners van het landhuis -, neemt de verteller een moestuin en wordt de verdwijning van de vader des landhuizes opgelost. ‘Voor een herstellingsoord heeft deze plek wel een hoog mortaliteitscijfer,’ merkt een goeddeels herstelde Thijs op op vijfzesde van de roman.

Humor is een ingewikkeld onderwerp, en ik ben blij dat anderen daarover schrijven, want toen Marja Pruis gisteren voorlas uit haar column ‘Opletten’ werd er om de paar zinnen gelachen, terwijl ik de dodelijke ernst voelde van Hanny Michaelis, Hitler, Wilders en terrorismedreiging. Jeroen Vullings roemde op de radio Eva Meijers humor in haar roman Voorwaarts – ik dúrf dat er niet eens in te lezen. Ik heb mezelf gisteravond maar humorloos genoemd, en vanuit dat uitgangspunt moeten de twee boeken van vandaag wel hilarisch zijn voor gewone mensen.

De humor bij Mizee zit hem in terzijdes als hierboven, onthecht van de emotie van het moment, laconiek en summier. De verdwenen vader van Moord op de moestuin was niet geliefd, maar hij rookte pijp. ‘Die pijp had erin gehakt. Daar had iedereen het over.’ Misschien helpt die onthechting sowieso, naast het drukkende van de dood is er van alles triviaals, er blijkt gewoon ook wat te genieten. Zoals Marja Pruis een pruimentaart bakt en er in Eva Meijers roman recepten zitten, worden er hier enorme feestmaaltijden bedacht en uitgevoerd.

*

Maar ik wilde teruggrijpen op het boek daarvoor: de prettige roman van Sander Kollaard, een dag uit het leven. ‘Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen,’ zijn de beginzinnen, en de toon is prettig laconiek. Henk van Doorn is IC-verpleegkundige, gescheiden, met een hond, ‘Schurk’, die niet in orde is. Dat zegt Kollaard al snel, en hij zegt het raak:

‘Hij is niet oud en moe, niet benauwd vanwege de warmte, hij heeft niets verkeerds gegeten, nee, hij is ziek. Dat is wat ziekte doet: het verjaagt ons uit de normale verhoudingen en reduceert ons aldus tot vreemdelingen. Het vernietigt de vanzelfsprekendheid van wie en wat we zijn. Het beschadigt de intimiteit. En zo staan ze aan de twee overzijden van een afgrond en kijken naar elkaar, Henk met een verlammende angst in de borstkas en Schurk met, enfin, dat weet Henk dus niet.’

Dat klinkt wat formeel (‘aldus’), maar ik geloof hem, en door die sympathieke laatste zin, iets te pathetisch en afgeblust met ‘enfin’ wil je het ook nog geloven.

Ook in zieke toestand brengt een hond zijn baasje in contact met anderen, en hoewel ook Henk niet lekker in zijn vel zit, worstelt hij zich door de wandeling met Schurk en een ontmoeting met een vrouw, een verjaardagstelefoongesprek met zijn broer (nichtje Rosa is jarig), boodschappen, het bezoek aan een oude, dementerende vriendin, het verjaardagsfeestje… Heel elegant weet Kollaard de gebeurtenissen van die dag te verstevigen met herinneringen en een enkele vooruitblik. Henk krijgt, in dat iets te dikke lijf van hem, een ziel, een geschiedenis. Een man met ergernissen, ongemakken, verdriet – en verlangens, wat hem zelf ook verrast. Uit het leven van een hond wordt een verhaal van jongensachtige levensvreugde in de derde levenshelft, terwijl het verlies tastbaar is. Warm, kloppend en doorbloed.

En hoewel ik hier ook hardop bij gelachen heb – mijn huisgenoten kijken verschrikt op, is hij ziek? – ligt de humor minder voor het oprapen. Ik blader en vind vooral subtiliteiten, goede observaties, die ook hier op het conto van de (nu alwetende, lichaamloze) verteller komen:

‘De zon is een paar graden opgeschoven en dus ook het patroon van licht en schaduw in Henks woonkamer. Het is een patroon dat Henk in de drie jaar dat hij hier woont goed heeft leren kennen en dat hem in staat stelt de tijd nauwkeurig te schatten, maar dat doet hij nu niet want hij is in slaap gevallen op de bank. Zijn lichaam is losgehaakt van zijn ik, zodat hij kan rusten, want dat is wat rusten kennelijk betekent – voor een paar uur verlost zijn van de nekklem van ons bewustzijn.’

Kennelijk. De nekklem van ons bewustzijn, dat is mooi. Meer een glimlach toch dan een schaterlach. Of: ‘Goed, doodsangst dus, maar dat zit Henk dwars. Hij is niet bang voor de dood. Eerlijk gezegd vindt hij doodsangst een tikje kinderachtig.’ Een grijns. Ja, ik heb van de schrik hardop gelachen bij de passage waarin Henk zich realiseert dat hij de vrouw die hij nu tweemaal die dag tegengekomen is, wil penetreren. Hij schrikt zelf ook: ‘Hij schuift pardoes zijn stoel naar achteren, van schrik, tegen het aanrecht aan waar kennelijk een paar glazen staan want hij hoort een zacht getinkel en even hangt er een bescheiden ongeluk in de lucht, glazen die vallen, hoofden die draaien, een praktische ziel die aankomt met veger en blik, maar dat gebeurt allemaal niet want die glazen blijven doodleuk staan.’

Fijn zo’n scène, je ziet het voor je. Dat moet je ook durven, woorden als ‘pardoes’ en ‘doodleuk’ gebruiken, en Kollaard doet dat. Alsof we terug zijn in Kees de Jongen, het boek dat als cadeau meereist met Henk naar Rosa. Maar ‘penetreren’! Dat technische woord, het wordt een soort running gag.

Minder dan bij Mizee zit de humor niet in de gebeurtenissen en het directe commentaar daarop, maar in de taal, die glans geeft, zinnen net optilt of uit het lood zet.

Moord op de moestuin verscheen bij Nijgh & Van Ditmar, er staat een fragment op Athenaeum.nlUit het leven van een hond bij Van Oorschot. Ook daarvan is een fragment.

Nicolien Mizee, Sander Kollaard: de redacteur las twee geestige, rijke boeken over een landgoed met hoog mortaliteitscijfer en levensvreugde in de derde levenshelft.

*

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Moord op de moestuin, en Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Ik heb net Nicolien Mizees Moord op de moestuin uit, en heb daar enorm goede zin aan over gehouden. Vlot geschreven, snel schakelend, met een verteller die af en toe Achterberg opdiept, grote waarheden (over leven en schrijven en eten) uittekent, en in een paar zinnen hele mensen weet op te roepen. En geestig.

Al vroeg in het boek merkt onze verteller op:

‘Thijs raakte zijn glas niet aan. Misschien ging hij wel dood. Dan zat ik alleen in dit grote huis. Hoe zou ik me Thijs herinneren? De dood werkt niet in ieders voordeel. Ik kon katholiek worden. Of een hond nemen. Of allebei. Gezellig met de hond naar de kerk, kroonluchters poetsen met andere weduwen.’

Die korte zinnetjes, telkens een andere kant op, die werken op mijn lachspieren. Thijs, de echtgenoot van de verteller, heeft na een hartoperatie, kort op hun huwelijk, een transformatie doorgegaan. De man waar ze verliefd op werd, is een kasplantje geworden. De remedie, die haar zus en zwager voorstellen: een boswachtershuisje, meteen acht weken lang. En terwijl Thijs herstelt, verstevigen de verteller en haar zus de band met de eigenaressen – jeugdvriendinnen van ze, zo blijkt, bewoners van het landhuis -, neemt de verteller een moestuin en wordt de verdwijning van de vader des landhuizes opgelost. ‘Voor een herstellingsoord heeft deze plek wel een hoog mortaliteitscijfer,’ merkt een goeddeels herstelde Thijs op op vijfzesde van de roman.

Humor is een ingewikkeld onderwerp, en ik ben blij dat anderen daarover schrijven, want toen Marja Pruis gisteren voorlas uit haar column ‘Opletten’ werd er om de paar zinnen gelachen, terwijl ik de dodelijke ernst voelde van Hanny Michaelis, Hitler, Wilders en terrorismedreiging. Jeroen Vullings roemde op de radio Eva Meijers humor in haar roman Voorwaarts – ik dúrf dat er niet eens in te lezen. Ik heb mezelf gisteravond maar humorloos genoemd, en vanuit dat uitgangspunt moeten de twee boeken van vandaag wel hilarisch zijn voor gewone mensen.

De humor bij Mizee zit hem in terzijdes als hierboven, onthecht van de emotie van het moment, laconiek en summier. De verdwenen vader van Moord op de moestuin was niet geliefd, maar hij rookte pijp. ‘Die pijp had erin gehakt. Daar had iedereen het over.’ Misschien helpt die onthechting sowieso, naast het drukkende van de dood is er van alles triviaals, er blijkt gewoon ook wat te genieten. Zoals Marja Pruis een pruimentaart bakt en er in Eva Meijers roman recepten zitten, worden er hier enorme feestmaaltijden bedacht en uitgevoerd.

*

Maar ik wilde teruggrijpen op het boek daarvoor: de prettige roman van Sander Kollaard, een dag uit het leven. ‘Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen,’ zijn de beginzinnen, en de toon is prettig laconiek. Henk van Doorn is IC-verpleegkundige, gescheiden, met een hond, ‘Schurk’, die niet in orde is. Dat zegt Kollaard al snel, en hij zegt het raak:

‘Hij is niet oud en moe, niet benauwd vanwege de warmte, hij heeft niets verkeerds gegeten, nee, hij is ziek. Dat is wat ziekte doet: het verjaagt ons uit de normale verhoudingen en reduceert ons aldus tot vreemdelingen. Het vernietigt de vanzelfsprekendheid van wie en wat we zijn. Het beschadigt de intimiteit. En zo staan ze aan de twee overzijden van een afgrond en kijken naar elkaar, Henk met een verlammende angst in de borstkas en Schurk met, enfin, dat weet Henk dus niet.’

Dat klinkt wat formeel (‘aldus’), maar ik geloof hem, en door die sympathieke laatste zin, iets te pathetisch en afgeblust met ‘enfin’ wil je het ook nog geloven.

Ook in zieke toestand brengt een hond zijn baasje in contact met anderen, en hoewel ook Henk niet lekker in zijn vel zit, worstelt hij zich door de wandeling met Schurk en een ontmoeting met een vrouw, een verjaardagstelefoongesprek met zijn broer (nichtje Rosa is jarig), boodschappen, het bezoek aan een oude, dementerende vriendin, het verjaardagsfeestje… Heel elegant weet Kollaard de gebeurtenissen van die dag te verstevigen met herinneringen en een enkele vooruitblik. Henk krijgt, in dat iets te dikke lijf van hem, een ziel, een geschiedenis. Een man met ergernissen, ongemakken, verdriet – en verlangens, wat hem zelf ook verrast. Uit het leven van een hond wordt een verhaal van jongensachtige levensvreugde in de derde levenshelft, terwijl het verlies tastbaar is. Warm, kloppend en doorbloed.

En hoewel ik hier ook hardop bij gelachen heb – mijn huisgenoten kijken verschrikt op, is hij ziek? – ligt de humor minder voor het oprapen. Ik blader en vind vooral subtiliteiten, goede observaties, die ook hier op het conto van de (nu alwetende, lichaamloze) verteller komen:

‘De zon is een paar graden opgeschoven en dus ook het patroon van licht en schaduw in Henks woonkamer. Het is een patroon dat Henk in de drie jaar dat hij hier woont goed heeft leren kennen en dat hem in staat stelt de tijd nauwkeurig te schatten, maar dat doet hij nu niet want hij is in slaap gevallen op de bank. Zijn lichaam is losgehaakt van zijn ik, zodat hij kan rusten, want dat is wat rusten kennelijk betekent – voor een paar uur verlost zijn van de nekklem van ons bewustzijn.’

Kennelijk. De nekklem van ons bewustzijn, dat is mooi. Meer een glimlach toch dan een schaterlach. Of: ‘Goed, doodsangst dus, maar dat zit Henk dwars. Hij is niet bang voor de dood. Eerlijk gezegd vindt hij doodsangst een tikje kinderachtig.’ Een grijns. Ja, ik heb van de schrik hardop gelachen bij de passage waarin Henk zich realiseert dat hij de vrouw die hij nu tweemaal die dag tegengekomen is, wil penetreren. Hij schrikt zelf ook: ‘Hij schuift pardoes zijn stoel naar achteren, van schrik, tegen het aanrecht aan waar kennelijk een paar glazen staan want hij hoort een zacht getinkel en even hangt er een bescheiden ongeluk in de lucht, glazen die vallen, hoofden die draaien, een praktische ziel die aankomt met veger en blik, maar dat gebeurt allemaal niet want die glazen blijven doodleuk staan.’

Fijn zo’n scène, je ziet het voor je. Dat moet je ook durven, woorden als ‘pardoes’ en ‘doodleuk’ gebruiken, en Kollaard doet dat. Alsof we terug zijn in Kees de Jongen, het boek dat als cadeau meereist met Henk naar Rosa. Maar ‘penetreren’! Dat technische woord, het wordt een soort running gag.

Minder dan bij Mizee zit de humor niet in de gebeurtenissen en het directe commentaar daarop, maar in de taal, die glans geeft, zinnen net optilt of uit het lood zet.

Moord op de moestuin verscheen bij Nijgh & Van Ditmar, er staat een fragment op Athenaeum.nl, Uit het leven van een hond bij Van Oorschot. Ook daarvan is een fragment.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na een dag werken in het reservaat snak ik naar een bank om op neer te ploffen. Ik heb er zelf een geïmproviseerd van drie rode viskratten en een reservematras die ik met tweed uit de plaatselijke weverij heb gestoffeerd. Een tweede matras tegen de muur biedt enig comfort, maar de verhoudingen zijn net niet ideaal, waardoor het zoeken blijft naar ontspanning voor een rug die krom is gaan staan van het bomen planten.

Mijn huisraad bestaat sinds ik uit huis ben vooral uit boeken. Ik heb in de loop der jaren meubels verzameld van straat toen er nog grof vuil aan de stoep gezet mocht worden. Vanmorgen spoelde er een stoelleuning aan. Bezorging via de zee gaat langzaam, maar op den duur zal ik wel een fauteuil compleet hebben. In de tussentijd vind ik op internet een schommelstoel van eikenhout, een strak ontwerp en ik ben op slag verkocht. Via de telefoon doe ik mijn bestelling, omdat de knop voor de keuze van de stoffering niet werkt door de trage verbinding.
De stoel kan niet naar Mull worden verscheept, dus schakel ik een koerier uit Glasgow in die het bouwpakket in Edinburgh ophaalt en in Oban zal afleveren. Daar handelt een tweede koerier de bezorging af, zodat ik eerdaags een beetje kan uitrusten.
Maandag heb ik een afspraak met de tandarts en steek met de veerboot The Firth of Lorn over naar het vasteland. Na een kortstondige röntgensessie rijd ik linea recta naar het depot en haal daar de bestelling op. ’s Avonds wanneer ik de grote doos open, blijkt de stoel niet compleet te zijn. De kussens ontbreken.
Dinsdagochtend bel ik naar de meubelzaak. De kussens staan op de bon. Het blauwe pakket is door de distributeur opgehaald. De bestelling is absoluut verzonden.
Ik bel naar het depot in Oban en krijg de man, die mij hielp met inladen, aan de lijn. Hij verzekert me dat er geen blauw pakket is afgeleverd. Hij heeft de vrachtwagen zelf uitgeladen.
Dan bel ik met de koeriersdienst om hen van het euvel te verwittigen, maar krijg geen respons.
Het blauwe pakket spookt de hele dag door mijn hoofd. Ik schrijf een mail naar de koerierdienst en de opslag in Oban. ‘Iedereen heeft overal gezocht,’ luidt het tweestemmige antwoord. Het pakket wordt als verloren beschouwd. Punt uit. De meubelzaak vergoedt de kussens en stuurt
een nieuw set op naar Knockvologan. Ik moet de verzendkosten zelf betalen.
Woensdagmiddag krijg ik bijval uit Oban. ‘Hi, it’s Ceiteac here. About the cushions mystery.’ Hij stuurt me ter bevestiging de videobeelden als bewijs dat hij het pakket echt niet aangeleverd heeft gekregen.
Ik bekijk de opnames van de sjouwende mannen, die alles zonder heftruck uit de vrachtwagen tillen. Ze zijn er haast een uur mee bezig. De dozen worden voorzichtig opgestapeld. Sommige links, sommige rechts. Het is zwaar werk. Bij de twee laatste pakketten verandert hun lichaamshouding. Ik kan de moeheid van hun schouders zien vallen. Begeleid door een treurig briefje (niet boos worden!) stuur ik de beelden door naar Edinburgh en hoor de verdere dag niets meer.

Zojuist, een week later, ontving ik een email van het transportbedrijf: de kussens zijn gevonden. Ze schoven in de vrachtwagen achter een wand en reden op en neer. Binnen drie minuten heb ik een opgetogen Grace van de distributie, een grinnikende Ceiteac in Oban, en een gillende Lisa in Edinburgh aan de lijn. Het voelt toch een beetje, of we verspreid door het land tot een ultieme samenwerking zijn gekomen.

Marja Pruis, Deon Meyer: de redactie las een superieure column-/essaybundel die een web van intieme en grote onderwerpen weeft en een interessante thriller die met recht literair genoemd mag worden.

*

Daan Stoffelsen: Marja Pruis, Oplossingen

Het zijn er te veel. En ze gaan allemaal over schrijven. Toen ik deze week met mijn Athenaeum-collega Bob sprak over het interview met Marja Pruis, was ik eerlijk. Ik wist het niet. Waarover moest ik praten? Oplossingen. Het leven, mijn handreiking (een geweldige titel, die zichzelf overschreeuwt en daarmee eigenlijk het tegenovergestelde suggereert: problemen, kleine problemen, levensproblemen. Maar ook: een handreiking, communicatie en aftasten ineen. En toch is het ook niet-ironisch: Pruis heeft niet zelden mijn problemen, ze schrijft invoelbaar en haar oplossingen (een ander probleem meestal) creëren een veilige samenhang. Oplossingen is een web van intieme en grote onderwerpen), die mooie nieuwe column-/essaybundel van Marja Pruis dus, is in vijf afdelingen opgedeeld – Over liegen, Werken aan mezelf en anderen, Over de kunst van het verliezen, Over liefde, Over ouder worden – maar gaat in op literatuur, leven, dood, ongemak. Op alles dus, maar vooral ongemak. Daarover schrijft Pruis soepel en superieur, en dan bedoel ik niet hoogmoedig, nee, heel goed, precies en passend.

Toen zei Bob: je moet kiezen. Kies drie stukken, laat haar ze voorlezen, pluis ze uit, bevraag haar daarover. (Marja, als je dit leest, ik mail je er nog over!) Maar welke drie? Niet te lang, dus niet het essay dat ze bijdroeg aan Revisor 17, of haar Marie Kondo-essay. Ook ‘De troost van vreemden’ is te lang, waarin Pruis schrijft: ‘Ik was ooit bij de lancering van Figuranten van Arnon Grunberg, hij was toen een stuk kleiner dan nu.’ En niet te specifiek, zodat ik net als bij Eva Meijer – die haar boek afgelopen dinsdag verdiepte en verbreedde tot een boek over liefde, vrijheid en de wereld, een herleesboek – boven mijn eigen kennis moet reiken en ik bij voorbaat zo onzeker ben als Pruis zelf in haar openingsstuk beweert te zijn: ‘Je bent een volwassen vrouw en dus moet je niet zo kinderachtig doen. In dit specifieke geval: dat hele idee dat je iets niet zou kunnen is allemaal angsthazerij en vrouwelijkheid, hou daar eens mee op en neem je verantwoordelijkheid.’

De ik kan een vrouw zijn, maar dan kun je er als man alsnog iets mee. Zo voelt het: het moet en het is interessant en geweldig en het is doodeng. Maar volgende week donderdag zitten we er gewoon allebei.

Goed. Hier ga ik uit kiezen, of moet ik een twitter-poll houden? Bob om nog een tip vragen? Of misschien, Marja, heb jij wel een beter idee.

  • ‘We naderen Wenen’, uit de eerste afdeling ‘Mijn lieveling, hoe kun je me zo afvallen? Over liegen’, over eerste en beginzinnen. De beginzinnen: ‘Waarom schatten we de liefde pas op waarde als we haar missen? Het is een van de beste openingszinnen van een roman die ik ken. Soms is het zo verleidelijk iets van een ander over te schrijven. Is het angst, of is het iets anders? Ik heb wel eens een heel boek overgeschreven, gewoon, om warm te draaien. Om erachter te komen dat andermans zinnen de mijne niet zijn.’
  • ‘Hier zijn we nu. Vermaak ons’ uit het tweede deel ‘Werken aan mezelf en anderen’, waarin ze Kuala Lumpur, haar zoon, Tim Krabbé en een brasserie in Noord-Brabant verbindt op een bewonderenswaardig natuurlijke manier. Een scène:
    ‘Ik zal je iets over mezelf uitleggen, zei mijn zoon laatst.
    Hij was er helemaal voor de trap op komen sloffen, naar mijn werkkamer. Hij keek er nogal ernstig bij en ik hield mijn hart vast.
    Waar het op neerkwam was dit: als hij uit school kwam moest ik hem met rust laten.
    Als ik op school ben, zei hij, dan sta ik aan.
    Ik knikte begripvol.
    En als ik thuiskom, dan zet ik mezelf uit.’
  • ‘Opletten’, geschaard onder ‘Rijmbehoefte. Over de kunst van het verliezen’. PVV, Hanny Michaelis, roadblocks, een zeldzaam stuk dat buiten de schrijfkamer komt – dat is geen diskwalificatie – en dat heel ontroerend eindigt: ‘Wat net nog het bekendste uitgaansplein van de stad was, is opeens een potentieel object voor terrorisme. De tram dendert voorbij, de winkelpuien blikkeren in het gele ochtendlicht. Ik kijk naar mijn collega, hij heeft zijn muts op gezet, het is een koude dag vandaag. Hij praat nog steeds tegen me, maar ik hoor niet wat hij zegt. Zolang ik oplet, kan niemand iets gebeuren.’
  • ‘Groot woord’, waarin ze tast naar perfectionisme, rouw, tranen, aan de hand van onder andere een interview met Ariane Schluter (waarom schrijven we vrouwennamen toch zo consequent helemaal uit? Het heeft iets ongelijks, maar Marja is te incrowd, Pruis is zo hard, misschien is dat het). Het begin: ‘Wanneer ik voor het laatst gehuild had bij een boek. Ik zat voor een literair televisieprogramma in een forum met twee collega-critici, en het ging over de kwestie of je persoonlijke gevoelens mee mocht laten spelen in een recensie. In mijn recensies is zelfs de punt die ik aan het einde van een zin zet hoogst persoonlijk. Maar dat zei ik niet. Ik was bezig mijn blouse recht te trekken, want die zat nogal frommelig volgens de opnameleider.’
  • Of ‘Het huwelijk’, een van die stukken waarin papiertjes een rol spelen. En ook dus rouw. ‘In de boekenkast van mijn moeder, op een stapeltje papieren, ligt een envelop waarop in een bekend handschrift iets gekrabbeld is: “een glimlach kwam voorbij”. Ik weet niet waarom mijn vader dit ooit opschreef. Maar als ik het stapeltje papieren doorneem, snap ik ’t een beetje.’
  • Of ‘Hey liefie’, uit ‘Aaidrift (2). Over liefde’, een verhaal vanuit bed met vogelgeluiden en een doodstille man, met een aanslag in het buitenland waar haar zoon is. ‘Ik vraag me wel eens af of je het zou merken, als er helemaal geen vogels meer zijn. Ik woonde hier nog niet zo lang toen iemand tegen me zei ook wel eens te hebben overwogen om in deze straat te gaan wonen, tot ze besefte dat je dan vlak bij het lawaai van de snelweg zit. Maar die hoor ik helemaal niet, had ik gezegd. Sindsdien hoor ik, als de vogels er niet zijn, de auto’s. Naast me in bed is het zo stil dat ik denk aan de vroegere buurvrouw die ’s ochtends wakker werd naast haar man die overleden bleek. Hoelang zou je dan blijven liggen, hopen dat het gewoon maar niet waar is?’
  • ‘Mrs Dalloway’ valt onder ‘Oplossingen. Over ouder worden’ en Woolf ontbreekt compleet. Ook dit stuk eindigt ontroerend, maar ook programmatisch bijna, en gaat over bloemen en bubbels, no-nonsense denkwijzers en intensiteit. ‘Ik vind het makkelijker om over mijn zus te schrijven dan over mezelf. Zozeer dat ik er soms al mee bezig ben zonder dat zij zich in de verste verte ook maar in mijn blikveld bevindt. Ik ben alleen nog maar bloemen voor haar aan het kopen en het komt al op gang in mijn hoofd, het verhaal dat ik over haar maak zonder dat ze het weet. Haar geest is bij me als ik in de bloemenzaak bij mij om de hoek sta, een zaak waar zij nooit een voet over de drempel zou zetten. Ik hoor haar tegen me praten zoals ze ook tegen me praat de zeldzame keren dat we samen in een supermarkt lopen, verontwaardigd dat ik standaard het duurste koop.’

En dan telkens in drie pagina’s, precies op maat. Ik schreef al dat Oplossingen dus alleen schijnbaar over ‘Probleempjes’ gaat, want door telkens het ene, tweede, derde, vierde, andere met elkaar te verbinden, weeft Pruis een web dat wel degelijk kaders schept, een wereld creëert waar onze onzekerheden en twijfels een plek krijgen. Een comfortabel, geestig en ontroerend hardop denkboek.

Oplossingen werd door Nijgh & Van Ditmar uitgegeven. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, Prooi

Deon Meyer schreef vorig jaar het geschenk bij de spannende boeken weken. Dit jaar leverde hij weer een deel in de Bennie Griessel-reeks: Prooi (vertaling Martine Vosmaer en Karina van Santen). Een interessante thriller die met recht literair genoemd mag worden.
Meyer vertelt twee verhalen: Griessel en zijn compagnon Cupido onderzoeken in Zuid-Afrika de dood van een man die bij een spoorlijn is gevonden en in Bordeaux probeert Daniel Darret een sober en rustig bestaan als meubelmaker op te bouwen. Uiteindelijk blijken de twee verstrengeld, natuurlijk, en ontvouwt zich een mooi en slim plot, het gaat mij meer op de scènes die erg sterk zijn, de dialogen die goed zijn, de karakters die mooi uitgewerkt zijn en de goed gedoseerde opbouw. Niks is hijgerig, iedere zin is goed, de informatie die je nodig hebt om de spanning van het verhaal op te voeren wordt in perfecte brokjes opgediend waardoor het lezen van deze thriller het volgen van een vertelling is waarbij Meyer volledige controle heeft.

Soms duurt het wat lang, zoals het gepieker van de politieman over hoe hij zijn meisje ten huwelijk zal vragen, maar ook die passages lezen goed en bieden rust. Dat is de kern: een spannend verhaal dat rust ademt. Dat is de belangrijkste verdienste van Meyer. Nergens expliciete opgefokte spanning. Geen hart dat klopt in een keel, niemand ploft neer in een stoel, geen adem die iemand ontnomen werd, niemand staat onverwachts achter een deur. Alleen een zaak, een onderzoek, door politiemensen die inderdaad mensen zijn.

Ook belangrijk: vaak schrijft Meyer zinnetjes die zo kort zijn en zo achter elkaar in een ritme getikt dat het proza daar doet denken aan het hypnotiserende proza van James Ellroy, zinnen van vier vijf woorden, bam bam bam, met informatie en handeling, duidelijk en zonder krulletjes, maar ijzersterk.

Vaak ook beeldend en beschrijvend zodat de couleur locale van Zuid-Afrika goed uit de verf komt. De bekende clichés van dat land worden ontweken. De mengeling van de bevolking is volstrekt natuurlijk over de personages uitgesmeerd. Geen enkele keer probeert Meyer je een moraal op te leggen die in Nederland lange tijd de gesprekken over Zuid-Afrika bepaald heeft, apartheid als basis voor moraal maar niet voor een ingewikkelde moderne samenleving.
In Prooi is niet het plot de grootste kracht, deze thriller gaat over menselijke spanning en motieven, waardoor de scènes invoelbaar zijn. Dat is de spanning die ik zoek in literaire thrillers.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorige week vroegen we de lijstenmaker alias pompbediende en zijn geletterde vrouw te eten. Het was een heel gemoedelijke avond waar veel mensen die we nog niet kenden over de tong gingen. Zo ook Sorcha en Ringean: volgens onze visite sturen ze gecodeerde berichten naar de maan. Deze kaatsen terug en worden door andere zenders opgevangen die vervolgens als bewijs een postkaart retourneren. Het maakte ons nieuwsgierig naar de mensen met de satelliet in de tuin en we zagen al voor ons hoe we gezamenlijk een project zouden kunnen opzetten. Al binnen een week werd een ontmoeting geregeld. Vrijdagavond zouden we met zijn vieren bij het ‘orbit’-echtpaar dineren. ‘Is er een dresscode,’ vroeg ik Seònaid toen we een tijd afspraken. Nee, was het antwoord en toen opeens: ‘Nou ja misschien, ja, meestal tutten we ons wel op.’

Er zijn niet veel gelegenheden meer waarbij ik iets anders aanschiet dan mijn werkkloffie. Het belangrijkste hier is warm te blijven en omdat we zo veel aan het klussen zijn, zitten we meestal onder het stof, aarde of verfspatten. Heel soms is er een barn dance of een bruiloft en dan halen we de koffers tevoorschijn met de opgeborgen feestpakken uit ons vorige leven.

R. zag er goed uit in zijn driedelige donkerbruine wollen maatpak met vers gestreken overhemd en bijpassende manchetknopen. Ik voelde me een beetje opgelaten in de glanzende donkerblauwe plooirok, maar de rok zwierde zo gewillig rond bij de kleinste beweging, dat ik me plots kon identificeren met het lot van een galatenue dat tot in de eeuwigheid moet wachten.

Op de tenen van onze gepoetste schoenen probeerden we door de modder de auto te bereiken.  Wat niet lukte natuurlijk.

Bij aankomst in het dorp stonden Seònaid en Ailean al op ons te wachten. We zagen hun silhouetten door het raam van het halletje schemeren en nog voor we aanklopten, zwaaide de deur open. Seònaid droeg een bordeauxrode victoriaanse japon met diep decolleté en een zwart hoedje met voile waarachter haar gerimpelde gezicht schuil ging. Achter haar dook Ailean op, in rokkostuum met een cilinder. Zijn zwarte das was dubbel geknoopt. ‘Faithfully Double Windsor.’ Wij werden even vluchtig gescand. Deftig genoeg! Blijkbaar schepten de stoffen die onder onze regenjassen uitpiepten, voldoende vertrouwen en we schikten ons op de achterbank tussen de ingepakte lijsten die op volgorde van route klaar stonden om te worden bezorgd.

Een halfuur later werden we verwelkomd door Sorcha die eveneens een victoriaanse japon droeg, nog dieper van kleur dan die van Seònaid. Een groen fluwelen tuniek zorgde als complementaire tegenhanger voor een optimaal contrast. Met nog twee haarspelden in haar mond verontschuldigde ze zich voor het slechte weer. ‘Ha, wij hebben al veel over jullie gehoord,’ klonk het vanachter de deur waar een heer met een duikbril van tandwielen op zijn voorhoofd in een hoogglanzend paars gilet verscheen.

We werden omhoog geleid naar de zolderkamer en moesten naast elkaar op de bank plaatsnemen. Ringean zette een antiek apparaat op tafel dat we absoluut niet mochten aanraken omdat dat het einde van ons leven zou kunnen betekenen. We wachten braaf af tot iedereen zich rond de salontafel had opgesteld. Ringean draaide aan een van de slingers en er begon een vonk heen en weer te springen tussen de twee koperen bollen in. Trots bracht hij zijn zelfgebouwde elektriseermachine op volle toeren. Daarna was Ailean met zijn papieren exemplaar aan de beurt.

Na de vonkenregen vroeg Sorcha langzaam: ‘Zijn jullie niet bekend met Steampunk?’ Ze glimlachte, maar haar stem klonk teleurgesteld. Wij bleken niet de langverwachte zielsverwanten te zijn. R.’s zelfgebouwde periscoop en cracklebox en mijn hang naar de negentiende eeuw waren totaal verkeerd geïnterpreteerd, ‘maar,’ zei Seònaid, ‘jullie kunnen je bekeren en met ons uitverkoren eilanders terug in de tijd reizen, klokken bouwen, spelen dat er geen stroom is, alleen stoom, en je samen met ons zo af en toe in brokaat hullen.’

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Vorig jaar hebben we twee opleggers met brandhout laten bezorgen uit Tiroran Wood, een van de vier productiebossen op Mull. Bij wet moeten gevelde bomen door nieuwe gemengde aanplant worden gecompenseerd. Naast het kaalgeslagen veld met stobben die nog uitgegraven moeten worden, is een deel van Tiroran al weer aan het verrijzen. Oranje kokers beschermen de iele twijgen de eerste jaren tegen vraat van herten en hazen en geven de locatie van de toekomstige bomen aan. Ze doen de kapvlakte iets minder onheilspellend ogen.

Onze boomstammen liggen tien hoog opgestapeld naast het huis. Er zit, als we niet al te kwistig zijn, zeker vijf winters warmte in de stapel. Elke maand breng ik een dag door achter de kliever. Bij droog weer installeer ik het apparaat in de tuin, maar vandaag zit ik in de schuur te midden van de nog te hakken houtblokken. Boven mijn hoofd tingelen hagelstenen op het golfplaten dak. Rechts tegen de muur groeit de stapel gespleten stammen. Het is een louterende bezigheid. De kliever moet met twee handen worden bediend, maar inmiddels werk ik met een hand en een knie, zodat het mes niet helemaal terug schuift en ik in de luttele seconde die ik daarbij win, net een nieuwe schijf kan neerleggen met mijn vrije hand. De meeste stammen kwartier ik, het grotere hout splijt ik in achten.

Genadeloos scheurt het kliefmes het hout middendoor. Het kraakt en knarst van jewelste. Op grote knoesten loopt de machine vast. Dan moet ik het vastgelopen blok hout met een moker losslaan. Tijdens het klieven komt heel soms uit het midden van de stam de jonge tak compleet met alle zijtakjes tevoorschijn waarvanuit de boom groeide. Het ontroert me steeds weer hoe een eerste aanzet tot boom zich bevrijdt uit nauwsluitende jaarringen.

De Italiaanse beeldhouwer Guiseppe Penone maakte een aantal sculpturen waarbij hij als het ware de begintak uit een volwassen boom pelde. Hij sneed het hout rondom de kern verticaal weg, maar liet de stam aan de buitenzijde intact, zodat er een doorzicht ontstond waarin de eerste groeifase door de oudere boom wordt ingelijst. Het zijn de meest tederste sculpturen die ik ooit heb gezien.

Een uur gaans van Knockvologan bevindt zich een eik die zich in de luwte heeft kunnen ontwikkelen tot magische afmetingen. Ik loop er regelmatig naartoe om even onder de boom te zitten en er een paar judasoortjes en galappels vanaf te plukken. De stam is net boven de grond in tweeën gespleten, maar houdt desondanks vier zware horizontale hoofdtakken in de lucht. De diepgegroefde schors is op sommige plekken totaal bemost en gonst van torretjes en kleine vliegen die eruit tevoorschijn komen als je er een paar minuten blijft kijken. Een van de takken raakt halverwege de mossige bosbodem en lijkt aan het vermolmen, maar meters verderop kruipt de tak omhoog tegen de granietwand en begint het blad al haast weer uit te lopen.

Rob Waumans, Eva Meijer: de redactie las een mooie kleine oorlogsgeschiedenis en een glanzende roman over twee communes, idealen en praktijk, en liefde.

*

Jan van Mersbergen: Rob Waumans, De solist

Romans over de Tweede Wereldoorlog hebben inmiddels iets sleets: de verhalen zijn belangrijk maar we kennen inmiddels de verhalen, we kennen de helden en de slachtoffers, we kennen het decor, alles is al verteld. Iedere hedendaagse schrijver die zich nog waagt aan een boek over de oorlog zal zich genoodzaakt voelen daar iets op te vinden. Hoe omzeil je de bekende beelden van de oorlog, de bekende verhalen, de clichés?

Rob Waumans schreef met De solist een opvallend klassiek oorlogsverhaal waarbij muziek een bepalende rol speelt. En geen Pearl Jam dit keer, zoals bekend de favoriet van Waumans. In deze roman kiest hij voor klassiek, en een mooi invoelbaar verhaal dat gaat over verlies en terugvinden.

Ieder oorlogsverhaal gaat over verlies, niet alle oorlogsverhalen gaan over terugvinden.

Hoofdpersoon Valentin is zijn Elise kwijt, in het Berlijn dat in 1944 door de Russen is ingenomen. Het einde van de oorlog nadert. Valentins oorlog is echter nog lang niet voorbij. Een gegeven dat de oorlog in feite voortstuwt, zoals de literatuur over de oorlog al decennia hetzelfde heeft gedaan.

Hoe omzeil je het sleetse? Door minitieus onderzoek te doen ter plekke, en dat heeft Waumans gedaan, dat voel je in iedere zin. Door tegelijk een persoonlijk verhaal op te voeren, in beelden. Dat heeft Waumans heel goed begrepen, want hij verliest zich niet in het onderzoek, in de overdonderende feiten die ook allemaal verhalen zijn. Waumans houdt zijn grote verhaal klein want hij koppelt alles aan zijn personages en hun geschiedenis. Dan leeft de lezer mee.

Voorbeelden genoeg, van persoonlijke oorlogsverhalen: van een jongen in een gestreepte pyjama, een vader en een zoontje in de film La vita è bella, een fabriek waar Joden te werk gesteld worden en tevens gered in Schindler’s List, een meisje dat Sarah heet, allemaal oorlogsverhalen die vooral klein zijn, te bevatten, menselijk.

Ook de rol van de muziek draagt bij aan die beelden. Klanken dringen harder door dan woorden.

Waumans schrijft zijn beelden in sobere afgemeten zinnen.

‘Daar rook hij de neerslag al uren voordat het ging regenen.’

‘Ze streelt zijn haar tot hij in slaap valt.’

‘Maar nu, als ze hier niet meer is, dringen deze waarnemingen zich een voor en aan de oppervlakte, als luchtbellen in een vijver, en Valentin neemt ze gretig tot zich.’

In al deze zinnetjes speelt bovendien de tijd een grote rol: uren voordat, tot hij in slaap valt, nu ze hier niet meer is. De tijd is de enige vaste waarde in de oorlog. Iedere oorlog heeft een begin en een einde, dacht ik toen ik De solist las. Het was een erg geruststellende gedachte.

Literatuur over de oorlog gaat nog wel even door. Soms wordt daar een eslaagd boek aan toegevoegd, zoals nu met De solist.

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, Voorwaarts

Dinsdag 16 april ga ik met Eva Meijer praten over haar nieuwe roman Voorwaarts. Ik kijk ernaar uit. De schrijfster van het bedaarde, fonkelende, wijze Het vogelhuis dook nu in de mechanismen van een commune, om de mechanismen van de commune te onderzoeken. In 1923 gaat een groep anarchisten buiten Parijs samenwonen, op basis van de idealen van veganisme, naturisme en gelijkheid tussen man en vrouw. Sophie Kaïzowski, die met haar vriend Georges erbij is, beschrijft hoe de idealen en de praktijk uiteenlopen. En hoe de verhoudingen tussen mensen de sfeer bepalen en de idealen ondermijnen: de stichter en eigenaar van het huis is dominant, zijn vrouw wordt Sophies geliefde…

Sophie is heel observerend en analytisch, ze denkt mee, ziet hoe haar huisgenoten op elkaar reageren en schrijft pamfletten, tot de verliefdheid haar te pakken krijgt. Vooral als ze afgewezen wordt, neemt iets koortsachtigs bezit van haar, alles wordt dof. Toch noteert Meijer dan glanzende zinnen als deze:

‘Winterwende, kleine holte voor het einde van het jaar, plek om je in te nestelen, je in op te krullen en het donker over je heen te laten glijden als de schaduw van iemand die voor je stond en nu wegloopt.
Het donker werd de afgelopen weken steeds dieper, alsof we verder ergens in afdaalden, of dat er iets zwaars om ons heen neerdaalde. Het claustrofobische gevoel van de zomer leek terug, misschien omdat het te koud was om lang buiten te zijn.’

Mijn Athenaeum-collega Martin Smit, zelf anarchist, ziet hoe in Voorwaarts een utopie in de praktijk moeilijk te verwezenlijken is. En inderdaad, Sophie schrijft: ‘Zelf vond ik het prettig om tijdens het werk in de tuin iets aan te hebben, omdat ik me dan beschermd voelde, het liefst droeg ik een broek met een overhemd.’ Een alinea later staat een hooggestemde lofrede op naturisme. En in het tweede deel van Voorwaarts, waarin Sam, studente politieke filosofie, geïnspireerd door Sophies dagboek zelf een commune opricht, botsen de noodzaak om inkomsten te verwerven (door coachingsessies bij het huis) met de behoefte aan privéruimte. En als Sam de vraag opwerkt of er bij meerderheid of unaniem besloten moet worden, ‘Wat vinden jullie rechtvaardig?’: ‘Ze kijken me aan. “Dat hangt ervan af,” zegt Jona.’

Al blijken ook hier Sams blogposts abstracter en idealistischer dan de harde werkelijkheid, in de commune van nu is vooral meer relatief, en is er meer te kiezen. De groep valt snel uit elkaar, Sams geliefde – die vrije liefde bedrijft – blijft achter in de stad, het huis waar ze oppassen, wordt verkocht. Maar dan ziet Sam een nieuw doel, een gericht onderwerp voor actie, en mobiliseert vrienden en bekenden – er is iets positiefs te peuren uit idealen. Hoop is ook houdbaar in de praktijk.

Meijer beschrijft de groepsprocessen, de botsing tussen naïef idealisme – in het tweede deel lijkt dat veel prominenter – en de weerbarstige praktijk, ze laat Sam anekdotes vertellen die zo uit Meijers Dierentalen of De soldaat was een dolfijn kunnen komen, en haar zinnen kloppen stuk voor stuk. Meijer doseert, en weet met weinig woorden hele scènes neer te zetten, met goedgetroffen beelden een wereld op te roepen buiten de commune. Maar wat de delen aaneensmeedt is de minst abstracte van alle idealen, het eigenlijk wat traditionele idee van exclusieve, romantische liefde. De liefdesroman die Voorwaarts ook is, brengt bovendien de wat minder gebruikelijke idealen – gelijkheid wordt door iedereen beleden, maar niet met dieren, veganisme is in opkomst, naturisme blijft marginaal – binnen bereik van doorsnee idealisten als ikzelf. Ik kan me tot deze mensen verhouden, al houd ik graag een broek en een overhemd aan in de tuin.

‘Missen maakt de ander groter, beter, belangrijker,’ laat Meijer Sophie ook schrijven. Heel waar, en goed gezegd, en dan concreter en paradoxaler nog: ‘Ik kon Clémence van een afstand niet beter zien – de ruimte tussen ons voegde zich alleen bij de leegte en ik had soms het gevoel dat ik niet moest vergeten te ademen. Van eerdere liefdes wist ik dat weggaan het enige was dat hielp. Maar ik kon niet weg. Ze trok aan me.’

Uitgeverij Cossee gaf Voorwaarts uit.

Miek Zwamborn woont sinds de zomer van 2016 op het eiland Mull aan de Schotse westkust waar ze samen met Rutger Emmelkamp aan een observatiepost op het meest zuidwestelijke puntje van het eiland bouwt, uitkijkend over de Atlantische Oceaan. Knockvologan Studies wordt een studieplek zonder muren, ontworpen als een levend archief en richt zich op de ruigte rondom. In ‘Gezonken Moer’ zoekt Zwamborn naar de details in die ruigte.

*

Na het doorkruisen van twee kilometer trilveen bereiken Sineag en ik halverwege de ochtend het meer van het eeuwige riet.  Aan de zompige oever steken we onze benen in groene waadbroeken en stropen we de jasmouwen op. In de veel te grote broeken zien we eruit als twee losgetrokken kroppen andijvie.

Sineag staat al verzonken en steekt de spade diep in het inktzwarte water. De steel verdwijnt tot aan het handvat onder het oppervlak. Mijn langzame groene voeten zakken weg in oerveen. Er komen bellen omhoog en een geur, nee… scent stijgt op. Geen smell. Smell is een werkwoord.

Sineag helpt het gereedschap. Zo lijkt het. Haar arm wordt spade nummer twee. Ze heeft een wortel vast, sjort de rizoom los en trekt tot ze struikelt. Ik pak haar vast aan de bretellen van haar pak en doe ook een poging de wortels te pakken te krijgen. Verderop langs de rand van het meer hebben we eerder deze maand de aanzetten van de bladeren van witte waterlelies gezien. Nabij de plek waar toen talloze huiden van kikkers lagen, leeggepikt door de blauwe reigers, hijst Sineag de eerste wortelstok omhoog van haast een meter lengte. We steken de spades dieper in het water en slingeren de wortels op de kant. Daar laten we ze even uitlekken. Als we zelf weer aan land staan, tellen we twaalf wortelslierten die ternauwernood plek in de twee meegebrachte vuilniszakken hebben.

Te zwaar beladen keren we terug. Het beekspringen gaat moeizaam. We worden gehinderd door het gewicht aan waterige wortels dat we op onze ruggen meetorsen en vallen allebei een paar keer achterover. We hijsen elkaar hoofdschuddend overeind. Met ieder een tas van de Tesco als knapzak bungelend aan de spade over onze schouder volgen we de hertenwissels tussen de gagel en heide door. Zie ons aankomen – de veldleeuwerik zingt hoog boven ons – alsof we het vaker doen, geen enkele moeite, het begin van het seizoen, de lente naakt.

Over twee dagen wordt het druk in onze vijver. Volgens de buurman die schapenfokker is gaan de kikkers hier overmorgen hun eitjes leggen. Dat doen ze al sinds hij het zich kan heugen op 14 februari. Vorig jaar vonden we inderdaad het eerste stipte dril op de voorspelde dag en hoewel het meeste bevroor, kwam er na een paar weken toch leven in de in gelei gevangen kommaatjes.

De vijver achterin de tuin is nog jong. Het is verbazingwekkend hoe snel de dieren het nieuwe water vonden. Soms met fatale afloop zoals voor een haas en een egel die erin verdronken. We hadden er niet bij stil gestaan dat we misschien wel een doorgaande route uitwisten met het graven van de poel. Een van de eerste bewoners was de bloedrode heidelibel. Vastgeklonken aan een mannetje dat stijf rechtop haar zat, vloog ze een paar rondjes rondom de vijver alsof ze de wateromtrek mat. Daarna boog ze haar achterlijfje en plakte met kleine schokjes langs de bladranden van de waterplanten een voor een haar nakomelingen.