Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 4 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Marleen, Ruben, Freek en Kimiko; een etentje in Breukelen, het was bijna middernacht en er stond een wankele Jenga-toren en een halfvolle fles whiskey op tafel. In de hoek nog wat opgestapelde verhuisdozen. Het gesprek ging over filosofie, over empathie, over de inherente schaamte van geluk. Kimiko had wijsbegeerte gestudeerd en was al een paar jaar bezig met een boek over het nut van verveling voor de moderne mens. Ze werkte drie dagen in de week als serveerster in een Bagels & Beans. Ik vind dat we vaker parallel moeten denken, zei Ruben. Awee Prins propageert dat we vaker moeten denken aan ongelukkige mensen als we zelf juist gelukkig…
Hè, komt-ie weer met z’n Awee Prins, onderbrak Marleen hem, net voordat hij zijn punt wilde maken. Ze schonk een glas whiskey in en nam een grote slok. Drie vingers over in het glas.

Wat bedoel je?
Awee Prins, die noem je iedere keer als het over filosofie gaat.
Het is mijn favoriete filosoof. Hij heeft boeiende inzichten.
Je hebt niet eens een boek van hem. Hoe heet zijn laatste boek eigenlijk?
Hij wist het antwoord niet en voelde zijn gezicht rood worden. Hij begon te morrelen aan een blokje hout in het midden van de toren. Niemand zei wat, het leek wel minuten te duren.
Zijn longread in De Volkskrant vond ik erg interessant, zei Kimiko. Ze keek hem aan en glimlachte. Hij vond dat ze een mooie glimlach had.
Toen het haar beurt was liet Marleen de toren instorten. De katten die de hele avond vredig in de vensterbank hadden geslapen, sprongen op en renden de trap op. Ze gleden in de bocht met hun pootjes over de houten vloer als dieren in tekenfilms, als driftende rallywagens in de spelletjes die hij vroeger op de Playstation speelde. Een half uur later, toen Freek en Kimiko met de laatste bus naar Utrecht Centraal waren vertrokken en Ruben net klaar was met de afwas, twijfelde hij of hij Marleen moest aanspreken op haar gedrag – hoe ze hem in het bijzijn van hun vrienden belachelijk had gemaakt, hoe beschaamd hij zich voelde. Zou het een ruzie waard zijn? Vooral als Marleen veel gedronken had, groeide een kritische opmerking of kleine ergernis al snel uit tot geschreeuw en het dichtslaan van deuren – ze had zelfs een keer een volle theemok zijn kant op gegooid, de kamille had een vlek gemaakt in het dure vloerkleed, die Ruben pas na  uren voorzichtig wrijven en deppen eruit kreeg.

Met die gedachte in zijn achterhoofd besloot Ruben tijdens het poetsen van zijn tanden om
ook deze keer zijn mond te houden.

Dinsdag 1 oktober vanaf 19.30 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat onze Daan Stoffelsen in gesprek met Peter Buwalda over zijn roman Otmars zonen. Het is de elfde aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

Over Otmars zonen

Otmars zonen vertelt het verhaal van de jonge Shell-employé Ludwig Smit, die na een bezoek aan de illustere Johan Tromp op het Siberische eiland Sakhalin strandt in een sneeuwstorm. Juist nu, wanneer onderzoeksjournaliste Isabelle Orthel hem het deksel komt overhandigen van een beerput, begint Tromps daverende carrière in de oliebusiness te wankelen. Tromp – hedonist, alfaman, kroonprins van Shell, en in alles het tegenbeeld van Ludwig – schat zijn twee bezoekers volkomen verkeerd in.

Peter Buwalda verkent in zijn tweede roman Otmars zonen de grenzen van de epische wereld die hij al in Bonita Avenue schiep. In de nog te verschijnen delen van zijn roman fleuve, De jaknikker en Hysteria siberiana, geeft hij deze wereld verder vorm.

Lees op Athenaeum.nl een fragment uit Otmars zonen.

Peter Buwalda debuteerde in 2010 met Bonita Avenue. Het boek werd genomineerd voor twaalf literaire prijzen, waarvan hij er vijf won. De roman voerde de bestsellerlijsten aan, verkocht meer dan 350.000 exemplaren en werd wereldwijd vertaald en bejubeld.

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel, recensent en redacteur van De Revisor, daarnaast is hij jurylid voor de Bookspot Literatuurprijs.

Over De Revisor vs. Athenaeum:

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En jij kunt daarbij zijn.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 3 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Marleen overlegde in het Frans met de eigenaresse van de AirBnB waar ze sliepen, een Italiaanse vrouw van achter in de vijftig die Sylvia heette en twintig jaar geleden samen met haar man naar Normandië was geëmigreerd. Hij was vijf jaar geleden overleden, Sylvia was gebleven. De afgelopen dagen kregen Marleen en Ruben iedere ochtend naast chocoladebroodjes, goede espresso en verse pruimen uit de tuin ook advies over de omgeving, een grote kaart van het gebied op tafel opengeklapt terwijl ze alles met Google Maps deden. Parli Italiano? Si, un po. De krijtrotsen in Étretat, de militaire begraafplaats in Colleville-sur-mer, Omaha Beach, visrestaurants in Fécamp en Honfleur: Marleen luisterde, plande een route en reed hen dezelfde dag overal naartoe.

Qui, qui, sur la D33, direction á Limerville.
Marleen hing op en ging weer achter het stuur zitten. Een zucht.
En?
Er komt iemand aan.
Wie?
Een vriend van Sylvia met zijn broer. Die weten wat ze moeten doen.
Hij stelde zich Sylvia’s vriend voor, vast een grote, vriendelijke man boven de honderd kilo die de grootste tegenslag joviaal weg kan lachen. Grijze baard en blauwe tuinbroek. Iemand die iedere avond Calvados dronk na het avondeten. 
Hoe lang gaat het duren? vroeg Ruben.
Een half uur. Ze zei dat iemand bij het dier moet blijven om het te kalmeren.
Weer een zucht, langer deze keer.
Wat is er?
Wat denk je? Weet je hoeveel geld het kost om die auto te repareren? Hoe leg ik dit uit als we hem terugbrengen naar mijn moeder? En dan moeten we van jou hier ook nog eens wachten omdat het zogenaamd zo zielig is. Er worden hier om de haverklap dieren aangereden. Dat hoort er gewoon bij.
Voordat Ruben iets kon terugzeggen, werden ze allebei opgeschrikt door een harde klap tegen de bumper. De hinde gaf een teken van leven.

De redactie sprak deze week bemoedigende woorden bij een boekpresentatie, las de lijvige tweede van Buwalda en pakte er een oorlogsboek bij dat soms op een Hollywoordfilm lijkt.

*

Thomas Heerma van Voss: Ivo Victoria, Alles is oké

Afgelopen dinsdag presenteerde Ivo Victoria zijn nieuwe boek Alles is oké. Ik mocht dat boek alvast lezen, een voorrecht want de boeken van Victoria zijn altijd de moeite waard. Min of meer per toeval las ik ze allemaal. Of, nou ja, toeval, ik bedoel eigenlijk: omvangrijke oeuvres of reeksen van iemands boektitels kunnen soms afschrikken, het werk van, zeg, Vestdijk trekt mij bij voorbaat al minder aan omdat het zo veel is, omdat ik denk: daar krijg ik niet direct vat op, daar zitten anderen meer in – als Ivo al vijf boeken had geschreven toen ik begon met lezen, had ik ze vermoedelijk niet allemaal ingehaald, maar nu groei ik als lezer min of meer mee met zijn werk, ik lees elk nieuw boek belangstellend, ook omdat hij steeds iets anders probeert. En daar veelal in slaagt. Ook bij zijn nieuwe Alles is oké. Goed. Waarom mocht ik dit boek alvast lezen? Omdat Ivo me vroeg daar iets over te zeggen. Hieronder de toespraak.

Beste vrienden van Ivo, beste familie, beste Ivo,

Ik sta hier als een collega van Ivo. Collega’s, dat woord betekent in ons geval niet wat het in bijna elke andere beroepsgroep betekent. Ivo en ik treffen elkaar ’s ochtends nooit bij de koffieautomaat maar zien alleen zelfgefabriceerde flarden van elkaars leven via social media. We vergaderen nooit maar hebben soms kort contact via de mail, en de paar keer per jaar dat we elkaar zien zijn daar altijd anderen bij: tijdens boekpresentaties zoals dit, tijdens literaire festivals die altijd min of meer dezelfde auteurs uitnodigen, er wordt gegrabbeld in een iets te grote ballenbak met potentiële sprekers en als de grootste namen niet kunnen, komen organisatoren af en toe bij Ivo of mij of allebei uit. Dat is nu al een jaar of tien het geval – we debuteerden min of meer gelijktijdig, werden tijdens Manuscripta ooit zelfs achter een grote tafel gezet die vol lag met ambitieus ingekochte stapels van onze eigen boeken. Om te signeren, was het idee, maar minutenlang keken we naar langstrekkende stromen bezoekers die soms wat sceptisch terugkeken. Na een kwartier waren we klaar, ik verloor met 1-0: ik verkocht geen enkel exemplaar, Ivo één. Aan mijn vader.

Vaak praten we bij zulke plechtigheden, Ivo en ik, tussen optredentjes door, over muziek, over boeken, van elkaar of van anderen, over hoe-het-met-schrijven-gaat, ik vind dat altijd aangename gesprekken, ontspannen en toch niet niksig, serieus en nooit niet te zwaar – zo komen we elkaar al jaren tegen en ik heb het idee dat we daarin best naar elkaar toegroeien, elkaar zelfs als verre, moderne collega’s wel leren kennen, al las ik in Ivo’s nieuweling Alles is oké één zinnetje dat me, ik zeg het maar eerlijk, een beetje pijn deed. “Mij noemt iedereen Hans,” staat er, “behalve mensen die me niet werkelijk kennen.”

Tja. Het schept tenminste duidelijkheid: ik sta hier als buitenstaander, ik kijk al tien jaar naar Ivo’s schrijven als een buitenstaander, zoals we ooit samen keken naar die langstrekkende bezoekers bij Manuscripta. En als buitenstaander kwam ik hem een kleine twee jaar geleden, toen we tijdens het Haagse festival Crossing Border allebei mochten voorlezen. Ivo was, ik kan niet anders zeggen, euforisch. Hij zette zijn biertje op de grond greep me bij mijn schouders, zo herinner ik het me althans, en hij keek me aan met die typische Ivo Victoria-grijns, een vriendelijke, wat giechelige grijns, eentje die ik vaker heb gezien en waarvan ik nooit weet of die stoer is of toch een klein beetje sullig, of die grijns verraadt dat Ivo vroeger tot het kamp van de pesters zou hebben behoord of toch eerder gepest zou worden – met die glimlach, waar eigenlijk zijn hele gezicht uit leek te bestaan, ik zag niets anders dan omhoog gekrulde mondhoeken, tandvlees en tand, vertelde hij over zijn nieuwe boek. Of nee, hij vertelde niet, hij riep. ‘Ik heb het! Dé oplossing! Ik weet nu helemaal hoe ik mijn nieuwe boek moet vertellen. Ja, ik heb het!’

Goed, ik ben dan wel een buitenstaander, een verre collega met wie het contact zich per toeval of via een scherm voltrekt, maar toch: dit moment herkende ik door en door. Dat gelukzalige gevoel dat je verhaal ineens tot leven komt, de tekst waar je dagelijks alleen en niet te vergeten ongevraagd aan zit te ploeteren. En dan is daar ineens het moment: ja, zó ga ik het vertellen, dit is de oplossing en jááá, hiermee overtref ik alles wat ik eerder heb geschreven.

Wat zou er op die wat gure novemberavond door het hoofd van Ivo Victoria zijn gegaan? Omdat we elkaar sindsdien zelden hebben gezien – geen koffieautomaat, geen vergaderingen, geen afspraken – vroeg ik hem er nooit naar. Wel heb ik het me de afgelopen weken, tijdens het lezen van Alles is oké veelvuldig afgevraagd.

Misschien, dit zou kunnen, had Ivo toen op die avond net bedacht dat Alles is oké niet alleen het verhaal over een verdwijnende moeder moest worden, die zich steeds minder herinnert en geleidelijk oplost, maar ook over de zoon. Dat is knap: moederboeken worden er de laatste jaren volop geschreven in de Nederlandse letteren, maar in deze roman gaat het niet alleen over de wegkwijnende bejaarde, het gaat ook over het bestaan van de zoon, die België jaren geleden heeft ingeruild voor Nederland en intussen zelf ook al een ouder is geworden. Zijn gezinsleven raakt heel subtiel ontregeld door wat er met zijn moeder gebeurt, door de bezoekjes die hij een beetje beschaamd en vol schuldgevoel aan haar brengt. Wat heeft hij nog te bieden? Welke rol wordt hij geacht op zich te nemen? Over die vragen gaat Alles is oké, een roman waarvan de kwetsbaarheid iets teders heeft, nergens wordt dit proza zwelgend. Een citaat: ‘Daar, een paar honderd kilometer zuidwaarts aan dat vervreemdende thuisfront, voltrok zich iets waarbij ik verondersteld was aanwezig te zijn. Ik voelde me een acteur die een cruciale bijrol vervulde maar nu om redenen die hij zelf ook niet begreep verstek liet gaan.’

Een kind dat het gevoel heeft tekort te komen, daarover gaat Alles is oké ook, en het kind kómt natuurlijk tekort, dat kan nu eenmaal niet anders: zoals bekend kan geen kind zijn of haar ouder redden of in leven houden, niet fysiek althans – soms juist wél mentaal, met herinneringen, met verhalen, en het kan ook zijn dat dat de ingeving was van Ivo, op die gure novemberavond in Den Haag. Alles is oké gaat namelijk niet alleen over de zoon die naar de moeder kijkt en registreert, het gaat ook over de moeder zelf, althans, het verhaal van de moeder. Vrij bruusk wordt na enkele tientallen pagina´s het ik-perspectief van deze roman doorbroken en de camera verplaatst zich, er dienen zich minder dialogen aan, mevrouw Stevens verschijnt ten tonele, een strijdvaardige dame die in niets lijkt op de vegeterende moeder in het heden, een vrouw die in oorlogstijd opgroeit en op de school waar ze later werkt vervolgens haar eigen robbertje moet vechten met de rigide, zeg gerust afschuwelijke schooldirecteur Pauwels. Háár verhaal wordt verteld, afstandelijk en tegelijkertijd intiem, en daarmee krijgt de oude versie van mevrouw Stevens die roerloos thuis zit, in zekere zin wachtend op het einde, veel meer reliëf: het aftakelen wordt pas echt schrijnend als je, in de loop van deze roman, voelt wat er aftakelt. Anders gezegd, en Ivo Victoria heeft dit heel goed begrepen: iemands afsterven maakt pas echt indruk zodra je weet wat voor leven er allemaal verdwijnt.

Misschien is dit wat Ivo Victoria toen, op die novemberavond, had bedacht, misschien verzon hij ook wel heel iets anders. Als ik mijn geld ergens op moet inzetten denk ik eerlijk gezegd dat hij deze elementen van zijn verhaal al had: moeder jong, moeder oud, volwassen zoon die langskomt en van de weeromstuit thuis in Nederland niet veel verder komt dan biertjes drinken en sigaretten roken op zijn balkon. En ik denk dat hij toen op Crossing Border een ingreep bedacht waarmee Alles is oké extra gelaagd wordt. Ja, dit boek past bij zijn eerdere werk, er komen flarden van Ivo’s eerdere fictie terug in deze roman, die mengeling van heimwee en reconstructie, de volwassen man die hier spreekt kan zo voortkomen uit de jongen die in Hoe Ik Nimmer de Ronde van Frankrijk voor Min-twaalfjarigen Won zijn jeugd beschrijft, of uit de hoofdpersoon uit Dieven van vuur die in zijn melancholische herinneringen afdaalt naar één specifiek moment van de jaren negentig in Antwerpen – maar nooit eerder reflecteerde Ivo in zijn romans zo slim op de bezigheid van het schrijven zelf.

Alles is oké is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en de ontwrichting van haar naderende dood, dit is niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans – eindelijk mag ik die naam gebruiken – wanneer hij mevrouw Stevens beschrijft, heel terloops in een bijzin: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders in de roman staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ Even later vraagt de hoofdpersoon zich ook af of hij hier wel goed aan doet – hij heeft last van ‘een opstandigheid die wordt gevoed door de twijfel of het wel volstaat het allemaal op te schrijven, of dat niet te gemakkelijk is.’

Op die vraag, of alles gewoon maar opschrijven geen makkelijke, laffe oplossing is, staat geen eenduidig antwoord vast, maar ik denk wel: het is voor ons in elk geval een fijne oplossing geweest. Wat Ivo Victoria toen op die avond ook heeft bedacht: het heeft gewerkt, Alles is oké is een heel secuur, intelligent, ontroerend verhaal geworden, genoeg reden om euforisch over te zijn. Al las ik op Ivo’s eigen blog dat er van die euforie weinig resteert, vorige week schreef hij over zijn boek ‘dat de zaak totaal kansloos is en het maar beter zou zijn om met deze gekkigheid te stoppen. Nooit meer een boek schrijven – een heerlijk vooruitzicht.’ Wat is dat nou, Ivo? Doemgeluiden over het boekenvak kennen we nu wel, die gehekelde term ‘ontlezing’ natuurlijk, het feit dat er minder aandacht voor is en minder publiek en noem het maar op, maar juist dan moet je toch doorzetten – en juist dat moment voor verschijning, dat een boek af is en alles nog kan, dat het gelukt is en al je eurekamomenten en -momentjes ergens in hebben uitgemond, dient toch gevierd te worden? Als we dagelijkse collega’s waren geweest had ik dit ‘s ochtends bij de koffieautomaat tegen je gezegd: kop op, je hebt iets heel goeds gedaan, geniet er maar van. Nu zeg ik het hier, te midden van anderen: gefeliciteerd met je mooie boek.

Daan Stoffelsen: Peter Buwalda, Otmars zonen

Peter Buwalda schrijft in het groot: Otmars zonen, dat begint bij hoofdstuk 111 en eindigt bij 75, 607 pagina’s, is nog maar deel een van een trilogie. Otmars zonen, zijn echte zoon – een muzikaal wonderkind, figurant in dit deel – en zijn stiefzoon – een middelmatig Shellmedewerker met een vechthuwelijk -, diens biologische vader – een hoge baas bij Shell zonder scrupules en met bijzondere seksuele wensen – en een prachtige journaliste van Thaise afkomst. Zij woonde in hetzelfde studentenhuis als de een, en heeft sterke wraakgevoelens voor de ander. Er zijn overwegingen over familie en adoptie, er is liefde en ruzie, er zijn grote belangen, er is seks en heftige seks en ejaculatio praecox.

Het mooie is: het lukt. Er zijn momenten dat je denkt: dit kán niet, dit is té ongeloofwaardig (ja, natuurlijk: iedereen raakt ingesneeuwd op Sakhalin, natuurlijk moeten ze een hotelkamer delen), maar dan heeft Buwalda je weer in een nieuwe scène getrokken. Hij benauwt je met de ene verteller, Ludwig, zijn ongemak, zijn frustratie, zijn neiging tot ruzie, zijn fouten; hij bevrijdt je en lokt je in een andere val, met de andere, Isabelle, haar gebrek aan schroom, haar kille woede, haar lef; hij beloont je met de stem van een in het nauw gedreven Hans Tromp, de nemesis. Hij wisselt moeiteloos van perspectief, en hij rekt, rekt, rekt wat toch voelt als de prelude op een grote confrontatie – eerder dus een tantrisch voorspel dan een voortijdige ontmanteling.

De associatie met A.F.Th. van der Heijden ligt voor de hand: het reeksdenken, het rekken, maar ook het oog voor details. Zoals navelpluis voor eeuwig sexyer en betekenisvoller is geworden door Van der Heijdens Mooi doodliggen, zo heeft Buwalda nog wat kleine dingen heel groot gemaakt. Het lepeltje op de voorkant krijgt een geweldige invulling, bijna een persoonlijkheid, maar ik zal geen gele eierdopje meer kunnen zien zonder aan Buwalda te denken. En twee paar oordopjes spelen een cruciale rol in de hereniging van Ludwig en Isabelle. Zij ligt al in bed, hij zoekt zijn dopjes. Zonder die dopjes kan hij niet slapen. Waar zijn die dopjes?! ‘Ze is op haar rug gaan liggen – hij kijkt recht in haar kleine oor. Spontaan buigt hij naar voren: er zit iets in, een geel oordopje, het is dwars aangebracht, het hangt er half uit. Hij laat de ontdekking even op zich inwerken. Kan dit waar zijn? Heeft ze zíjn oordopjes ingedaan?’

Onderwijl terugdenkend aan een vorige confrontatie, waarin hij in het geheim iets van haar stal, begint de reconquista.

‘Hoewel hij van plan is een gestolen schuimpje uit een schuldig oor te pakken, heeft hij het gevoel de integriteit van haar lichaam te gaan schenden – de integriteit van een gehoorbuis, maak het niet te groot, het is een oor, maar het is al te laat: het oordopje is een kurk op een dure fles wijn, nee: het is de deksel van een urn, je staat op het punt haar graf te schenden. Hij gaat weer liggen, draait zich op zijn zij, opgelucht, onvoldaan.

Je kunt Buwalda enig bombast niet ontzeggen, ‘gestolen’ én ‘schuldig’, ‘integriteit’ bij zoiets kleins, maar het is erg geslaagd: een ‘schuldig oor’ is een geweldige vondst, de uit de hand lopende beeldspraak is erg geestig, en dan te eindigen met ‘opgelucht, onvoldaan’… Ja, het is vooral heel geestig, ik moet denken aan de pleisterscènes bij Kuifje, maar door Ludwigs perspectief (hier gebeurt iets heel spannends en fouts) ook benauwend.

We zitten nog midden in de oordopjesoorlog – voor hem bron van gêne, voor haar verwondering – als opeens het perspectief wisselt. Valeria Luiselli heeft dat fantastisch gedaan in Lost Children Archive, Marijke Schermer heeft dat overtuigend gedaan in Liefde, als dat het is, maar het is zo snel kunstmatig, een perspectiefwisseling. Hieronder gebeurt het, maar ik krijg mijn vinger er niet op. Goed onderwerp voor mijn gesprek met Buwalda, 1 oktober bij Athenaeum Boekhandel. Na het uitrekken? Heel mooi gedaan.

‘Vooruit maar. Hij perst de oordopjes in zijn oor, goed diep, een gelukzaligheid die kleiner blijft dan normaal. Toch moet de slaap nu maar eens komen, vindt hij.
Zo ligt hij een uur, malend over Isabelle in Enschede, over Otmar in Venlo, over Ulrike in Blerick, over Juliette in Overveen, over Tromp op Sakhalin, alles en iedereen komt voorbij – tot hij dwars door zijn doppen heen een onbekende telefoon hoort gaan. Wie belt haar midden in de nacht? Nee, het is nog geen nacht, bedenkt hij – het moet ongeveer halfelf lokale tijd zijn. Op het bureau straalt het ding op, het heuvelrugje naast hem beweegt. Zijn voet drukt zich kort in een kuit – ze rekken zich tegelijk uit. Het gevoel is benauwd en terneergeslagen – waar het vandaan komt, is niet meteen duidelijk. Misschien een droom te vluchtig voor het kortetermijngeheugen, een schijf die leeg is, ongeformatteerd. Wel resteert iets bodemloos, een emotie waarvan, als van een rouwboeket, de wortels zijn afgesneden. Ze voelt een sterke ontreddering. Ze wrijft door haar gezicht; haar huid is bezweet, behalve de punt van haar neus, die gevoelloos is van de kou. Een scherp gejengel dringt tot haar door, een nerveus melodietje dat er, beseft ze, al een tijd is, ook toen ze nog sliep: een telefoon. Háár telefoon. Meteen stopt het ding, betrapt, schuldbewust. In de stilte verdiept zich wat er al was: ruimtegebrek.’

Ruimtegebrek. 1 oktober verder!

De Bezige Bij gaf Otmars zonen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Rudolf Vrba, Ik ontsnapte uit Auschwitz

Boeken vormen een persoonlijke lijn die ontstaat door interesse, toevalligheden en logische schakels. Bij een uitgeversfeest kwam ik Jessica Durlacher tegen. We stonden op een strategische plek bij de wc, samen met Pieter Waterdrinker. Iedereen kwam langs, we hoefden daar alleen maar wat te staan kletsen, en ook dat ging vanzelf.

Toen ik de volgende dag voor mijn boekenkast stond om een nieuw boek te kiezen kwam ik al snel uit bij het verzamelde werk van GJ Durlacher, de vader van Jessica. Ik las een stukje in Strepen aan de hemel. Bijzonder boek, net zoals zijn andere werk heel erg helder en stellig, en sober geschreven, en daardoor maakt Durlacher de oorlog en de Jodenvervolging invoelbaar, iets wat alleen kan als er een zekere mate van afstand genomen wordt en het sentiment terzijde wordt geschoven.

Het boek van Durlacher stelt de vraag wanneer de vernietiging van de Joden in de oorlog bekend werd. Wat wist men? Een tragisch verhaal, want het mag duidelijk zijn dat al in 1942 in de Geallieerde landen bekend was dat in Duitsland op grote schaal Joden vernietigd werden, en dat hebben die landen met die informatie gedaan? Moeilijk om in detail deze geschiedenis uit te zoeken, wat Durlacher wel duidelijk stelt is dat het gevoel van verlatenheid bij de Joden in de kampen niet alleen met de kampen van doen had, maar ook met de manier waarop andere landen reageerden op informatie over de kampen. Ze reageerden niet. Dubbel pijnlijk.

Al gauw stuitte ik in Strepen aan de hemel op vijf namen van mannen die wisten te ontsnappen uit Auschwitz en die persoonlijk konden getuigen over wat er in die kampen gebeurde. Dat was in april 1944. De eerstgenoemde van die mannen: de Slowaak Rudolf Vrba. Ik zocht de naam op internet op. Samen met Alfréd Wetzler ontsnapte hij uit het kamp en in Slowakije werd aan de hand van hun getuigenis het Vrba-Wetzler-rapport opgesteld. Een jaar voor het einde van de oorlog. Het duurde lang voor het rapport serieus werd genomen, maar uiteindelijk stopte door het rapport de deportatie van Joden vanuit Hongarije naar de kampen.

Bij de informatie vond ik een boek dat Vrba geschreven heeft en dat in de jaren zestig verscheen. Direct bestelde ik de vertaling: Ik ontsnapte uit Auschwitz. Het verhaal van Vrba deed me denken aan Het 25e uur, van de Roemeen Virgil Gheorgiu, een vergeten boek dat een van de beste verslagen is van persoonlijk leven en leed in Oost-Europa tijdens de oorlog, naast natuurlijk De geverfde vogel van Jerzy Kosinski. Dit zijn boeken over gebeurtenissen die geen fictie kunnen verdragen. Een tijd die al ver achter ons ligt maar keer op keer weer dichtbij getrokken moet worden, omdat we de mens alleen kunnen begrijpen als we proberen die periode te begrijpen.

Zo werd ik de afgelopen week in de kampverhalen getrokken. Het ongelofelijke verhaal van Vrba is geen roman, het is zijn levensverhaal, door hemzelf opgetekend. Vrba leert dat ook, en hij leert snel. ‘Wat ik in feite leerde was de kunst van het overleven; en daarna kwam de kunst van het leven, van het beste maken van de afschuwelijke omstandigheden.’

Het boek moet het niet van de stijl hebben, want die mist de soberheid van Durlacher en er zit iets hijgerigs in. Dat heeft te maken met de rol van de verteller en het verteltempo. De gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat je er als lezer vanzelf buiten adem van raakt, terwijl het verhaal toch al dwingt tot doorlezen. Ik bedoel meer dat het een verhaal is dat geen trucs nodig heeft, en jammer genoeg past Vrba wel een aantal trucs toe.

Allereerst het gebruik van uitroeptekens. Dialogen bestaan bijna volledig uit uitroepen, en worden daarom ook afgesloten worden door uitroeptekens. Dat maakt een tekst opgefokt, alsof alle mensen vanaf de reis van Vrba naar Hongarije en verder, uiteindelijk naar Auschwitz, constant tegen elkaar schreeuwen. Dat kan perceptie zijn, het kan werkelijk zo zijn, op de lezer komt het 75 jaar na de oorlog vervelend over. Er zijn heel veel boeken over de oorlog waar geen enkel uitroepteken in staat. Durlacher begreep dat. Primo Levi begreep dat. Vrba zet zijn verhaal lekker dik aan, en dat is niet nodig. Wat een leesteken al niet kan doen.

Verder heeft dit verhaal geen gewiekste Hollywood-achtige opmerkingen nodig zoals de anekdote over de jampot die bij aankomst in het eerste kamp in zijn rugtas kapotgaat en zijn kleren vuil maakt: ‘Als ze mijn overhemden en sokken willen gebruiken, dan zullen zij ze eerst moeten laten wassen!’ Inderdaad: met uitroepteken. Het voelt alsof ik naar de verfilming van dit boek kijk, al tijdens het lezen, en Tom Cruise of Brad Pitt de hoofdrol vertolkt.

Het deed me denken aan het verhaal van De laatste getuige, van Frank Krake, over Wim Aloserij die zo veel meemaakt dat het bijna niet te geloven is, op een iets andere toon geschreven, in de derde persoon, en daardoor iets meer op afstand, maar ook soms aangedikt met gedachten die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen van Vrba. Als Aloserij van de kampbewaarders zijn bed netjes op moet maken denkt hij: ‘Wat een onzin.’ Ik begrijp de onzinnigheid van de handeling in het kamp, ik begrijp de weerstand van de gevangenen om zoiets te doen binnen deze waanzinnige kaders, maar in een vertelling over een man die gedachte prominent terug laten komen kleurt het verhaal deels in en zet de hoofpersoon bijna buiten het verhaal en buiten de andere gevangenen. De lezer kent de onzinnigheid van het opmaken van een bed in een concentratiekamp, dat koppelen aan een man die alles overleefde maakt hem anders dan de anderen in het kamp. Dat doet deze manier van vertellen.

Nog een punt: Vrba’s motief om te ontsnappen. Dat ontsnappen zit in de titel, het zit in de reis naar het kamp, het zit in de periode in het kamp. Steeds herhaalt Vrba dat hij wil ontsnappen en daar al wringt het boek, want niemand weet of hij werkelijk wilde ontsnappen, maar iedereen weet – zie de titel en de flaptekst – dat dit het verhaal is van de man die uit Auschwitz ontsnapte. Het is de vraag: lees ik het verhaal van iemand die ontsnapt of iemand die zichzelf deels boven het kamp en de omstandigheden plaatst door te willen ontsnappen en dat ook nog voor elkaar krijgt. Wanneer begon het willen?

Vanuit de luxepositie van de lezer zo lang na de oorlog is het moeilijk oordelen over de werkelijke motieven, ik kan alleen aangeven wat deze opzet met de lezer doet. Als Vrba nog maar net in het eerste kamp, Majdanek, is schrijft hij: ‘Als ik zou kunnen ontsnappen en op een of andere manier terug zou kunnen gaan naar Slowakije, dan zou ik wellicht duizenden levens kunnen redden.’

Zijn ontsnappingsmotief en de gebeurtenissen die daarna nog zullen komen lopen wel erg één op één gelijk. Ik weet, dat heb ik na het lezen van Durlacher opgezocht, dat Vrba ontsnapt is en met belangrijke informatie over de kampen in Slowakije kwam, maar wat was er eerder? Waar begon zijn plan?

Een eindje verderop, als Vrba op weg is naar Auschwitz, als ze net in de wagons geklommen zijn en de grote deuren dicht zijn: ‘Ik bekeek de tachtig mannen in mijn wagon, speurend naar iemand met wie ik een ontsnappingspoging zou kunnen wagen.’

Net een regel daarvoor heeft een SS-er de gevangenen verteld dat het zinloos is om te te ontsnappen en toch houdt Vrba zich bij zijn plan, als hij dit verhaal terughaalt. Het is alsof Clint Eastwood van Alcatraz overgeplaatst is naar Auschwitz.

Wanneer Vrba de poort van Auschwitz binnengaat, en lang daarvoor al een ontsnappingsplan had om mensen van de dood te kunnen redden, moet hij plots weer langzaam het besef krijgen wat dit voor een plek is. ‘Een van mijn belangrijkste redenen van mijn vertrek naar Auschwitz was immers geweest om te kunnen ontsnappen.’ Echter, hij ziet de wachttorens, de luchten, de hakken onder hoogspanning, en is enigszins ontmoedigd. Ook vraagt hij zich af waarom dit kamp zo streng bewaakt is. Dit moet wel een doodsfabriek zijn.

Wederom is het moeilijk oordelen, maar het voelt alsof een oorlogsheld zijn verhaal net even iets slimmer en volledig bewust uitgedacht maakt om dat verhaal nog iets op te poetsen. Het invullen van motieven en het gebruik van het woord motief is moeilijk, vanuit deze verteller. Als ze in een kamp kleding krijgen voor de treinreis naar Auschwitz, waaronder een pet: ‘Het enige waar ze (de Duitsers) zich om bekommerden was om onze kaalgeschoren hoofden te bedekken voor het oog van de buitenwereld. Maar het maakte mij niet uit wat hun motief was. Door die pet voelde ik me alsof ik naar een bruiloft ging!’

Opeens weet deze gevangene precies wat de nazi’s willen en wat hun motief is, die invulling maakt het verhaal gekleurd, het gebruik van het woord ‘motief’ is dubbel want zijn eigen motief voelt wrang, en hij denkt volledig vanuit zichzelf en vergelijkt zijn gevoel wanneer hij een pet krijgt met een bruiloft, met het onvermijdelijke uitroepteken. In deze ene alinea komen alle bezwaren tegen dit boek samen, net als bij de uitspraak ‘ik voelde me net een toerist’ als Vrba voor het eerst in Auschwitz rondgeleid wordt. Het is allemaal net te veel, alsof een zwart-wit wereld die ik ken opeens in kleur wordt uitgezonden, in rare kleuren.

Niemand weet of dat zo is, een redacteur had moeten weten dat je juist dit gevoel bij de lezer direct moet verbannen, en dat kan door uitroeptekens, gevatte opmerkingen, en tijd en plaats van mogelijke motieven naar de achtergrond te drukken. Er blijft genoeg over van dit bijzondere verhaal, en het komt beter aan bij de lezer.

Net als bij De laatste getuige wordt één man gevolgd, en is de heldenrol evident. Het is wel de vraag hoe je die rol, en de geluksfactor wordt niet overgeslagen, afzet tegen alle andere gevangenen die niet in beeld komen en die geen ontsnappingsplan hadden. Ook dat doet de vertelling. Vrba maakt van zichzelf de uitzondering, en dat hij het overleefde is niet enkel een kwestie van geluk geweest. Het was zijn wil om te overleven. Op die manier beland je in een Disney-verhaal.

Dit verhaal verdient een sobere vertelling en een mooie ingetogen toon die Vrba soms weet op te pakken maar grotendeels is hij in dit boek een verwarde verteller die zichzelf een rol toebedeelt die gezien de geschiedenis misschien klopt maar die voor de lezer toch wel vreemd voelt. Hoe dan ook: er valt weinig van te zeggen. Ik probeer over deze bezwaren heen te lezen, ik probeer het verhaal te zien zonder uitroeptekens, zoals Durlacher dat kon, en Primo Levi.

Ergens weet Vrba wel wat zijn verhaal sterk maakt, want hij vertelt niet voor niets: ‘Het feit dat Josef en ik erin slaagden het zo lang te overleven was niet iets waarvoor wij onszelf op de borst konden kloppen. Integendeel…’ De geluksfactor is zeer aannemelijk, en dat maakt de verteller nederig en tevens respectvol naar degene die het niet haalden. Het schipperen tussen een persoonlijk heldenverslag, slachtofferrol en feiten brengt dit boek in beweging.

Als Vrba over twee pagina’s een SS-er aan het woord laat met zijn verslag over het einde van het eerste kamp waar hij zat, zijn de feiten dominant. Die feiten zijn onvoorstelbaar, maar helaas de werkelijkheid. Zonder extra aan te zetten zegt Vrba dat hij geluk heeft gehad, hij ging naar Auschwitz, en dan voegt hij toch toe: ‘Aan de andere kant was Auschwitz ook geen vakantiekamp.’ Hij probeert lucht in zijn vertelling te blazen. Dat is een optie om over de kampen te kunnen vertellen. La vita e bella is een geweldig voorbeeld van een film waarin fictie de werking van de kampen en het fascisme duidelijk maken en overbrengen. De toon van Vrba wankelt, want soms weet hij niet wat hem te wachten staat terwijl hij pagina’s eerder al een plan heeft deze doodsfabrieken te ontglippen.

Ik zocht veel op tijdens het lezen. Ik keek naar fragmenten van Son of Saul, de film waarbij een man in het kamp van heel dichtbij door een camera gevolgd wordt. Zonder uitleg, zonder afstand in decor, alleen de zintuiglijke waarneming van die ene man, in geluid en beeld. Er is bijna niet naar te kijken, zo hard komt die wereld binnen.

Dichtbij de mensen komen die in Auschwitz waren, dat wil ik als lezer. Vrba lukt het wel om me daar te krijgen, maar het is zoeken en vooral in de passages die niet over hemzelf gaan lukt dat, zoals het verhaal over Franz die jam smokkelde uit de voorraadkast van de SS-ers: ‘Franz was zeker een van de opmerkelijkste figuren die ik in Auschwitz tegengekomen ben. Hij heeft het kamp overleefd en in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij een hotel bezit, staat hij tot op de dag van vandaag bekend als Franz Marmelade.’

Dat is een goed verteld verhaal. De feiten spreken voor zich, geen uitroepteken of overdrijving, en daardoor voor iedereen invoelbaar. Een beeld kan dan zo goed werken in zo’n bijzonder verhaal: zoals een ijzersterk beeld na een beschrijving van het werk dat Vrba moest doen – met zakken cement heen en weer rennen: ‘…ik wist dat ik een onderdeel van een machine was, een radertje dat weggegooid zou worden als het kapotging.’

Of de aangrijpende passage over een verrader die omkomt in het kamp en wiens kleren verdeeld werden. Rudi Vrba kiest alleen de riem. Als hij het boek schrijft draagt hij de riem nog steeds en later schenkt hij de riem aan het Imperial war Museum in Londen. De ontsnapping zelf is zo meeslepend dat je vanzelf mee gaat met Vrba en zijn plan om via een losse plank in het perron waar hij werkt als bagagesjouwer te ontsnappen. Hier geen vooruitlopend motief en ook geen idee om anderen te redden. Hij wil zelf ontsnappen.

Dat lukt. Hoofdstuk 15 heet De ontsnapping. Het is een triomf. Op internet is een kaartje te vinden met daarop de route die Vrba en Wetzel na hun ontsnapping lopend aflegden. Zo’n kaartje geeft houvast. Met het kaartje naast me las ik de laatste hoofdstukken. Die boden me de leeservaring die ik zocht toen ik dit boek bestelde: het meeleven met gevangenen die ontsnappen. Ondanks dat je weet hoe het gaat aflopen hoop je steeds dat het lukt. Dat is geweldig lezen.

Na de ontsnapping van Vrba pakte ik er nog een paar andere oorlogs- en kampboeken bij. Die lees ik nu.

De redactie sprak deze week bemoedigende woorden bij een boekpresentatie, las de lijvige tweede van Buwalda en pakte er een oorlogsboek bij dat soms op een Hollywoordfilm lijkt.

*

Thomas Heerma van Voss: Ivo Victoria, Alles is oké

Afgelopen dinsdag presenteerde Ivo Victoria zijn nieuwe boek Alles is oké. Ik mocht dat boek alvast lezen, een voorrecht want de boeken van Victoria zijn altijd de moeite waard. Min of meer per toeval las ik ze allemaal. Of, nou ja, toeval, ik bedoel eigenlijk: omvangrijke oeuvres of reeksen van iemands boektitels kunnen soms afschrikken, het werk van, zeg, Vestdijk trekt mij bij voorbaat al minder aan omdat het zo veel is, omdat ik denk: daar krijg ik niet direct vat op, daar zitten anderen meer in – als Ivo al vijf boeken had geschreven toen ik begon met lezen, had ik ze vermoedelijk niet allemaal ingehaald, maar nu groei ik als lezer min of meer mee met zijn werk, ik lees elk nieuw boek belangstellend, ook omdat hij steeds iets anders probeert. En daar veelal in slaagt. Ook bij zijn nieuwe Alles is oké. Goed. Waarom mocht ik dit boek alvast lezen? Omdat Ivo me vroeg daar iets over te zeggen. Hieronder de toespraak.

Beste vrienden van Ivo, beste familie, beste Ivo,

Ik sta hier als een collega van Ivo. Collega’s, dat woord betekent in ons geval niet wat het in bijna elke andere beroepsgroep betekent. Ivo en ik treffen elkaar ’s ochtends nooit bij de koffieautomaat maar zien alleen zelfgefabriceerde flarden van elkaars leven via social media. We vergaderen nooit maar hebben soms kort contact via de mail, en de paar keer per jaar dat we elkaar zien zijn daar altijd anderen bij: tijdens boekpresentaties zoals dit, tijdens literaire festivals die altijd min of meer dezelfde auteurs uitnodigen, er wordt gegrabbeld in een iets te grote ballenbak met potentiële sprekers en als de grootste namen niet kunnen, komen organisatoren af en toe bij Ivo of mij of allebei uit. Dat is nu al een jaar of tien het geval – we debuteerden min of meer gelijktijdig, werden tijdens Manuscripta ooit zelfs achter een grote tafel gezet die vol lag met ambitieus ingekochte stapels van onze eigen boeken. Om te signeren, was het idee, maar minutenlang keken we naar langstrekkende stromen bezoekers die soms wat sceptisch terugkeken. Na een kwartier waren we klaar, ik verloor met 1-0: ik verkocht geen enkel exemplaar, Ivo één. Aan mijn vader.

Vaak praten we bij zulke plechtigheden, Ivo en ik, tussen optredentjes door, over muziek, over boeken, van elkaar of van anderen, over hoe-het-met-schrijven-gaat, ik vind dat altijd aangename gesprekken, ontspannen en toch niet niksig, serieus en nooit niet te zwaar – zo komen we elkaar al jaren tegen en ik heb het idee dat we daarin best naar elkaar toegroeien, elkaar zelfs als verre, moderne collega’s wel leren kennen, al las ik in Ivo’s nieuweling Alles is oké één zinnetje dat me, ik zeg het maar eerlijk, een beetje pijn deed. “Mij noemt iedereen Hans,” staat er, “behalve mensen die me niet werkelijk kennen.”

Tja. Het schept tenminste duidelijkheid: ik sta hier als buitenstaander, ik kijk al tien jaar naar Ivo’s schrijven als een buitenstaander, zoals we ooit samen keken naar die langstrekkende bezoekers bij Manuscripta. En als buitenstaander kwam ik hem een kleine twee jaar geleden, toen we tijdens het Haagse festival Crossing Border allebei mochten voorlezen. Ivo was, ik kan niet anders zeggen, euforisch. Hij zette zijn biertje op de grond greep me bij mijn schouders, zo herinner ik het me althans, en hij keek me aan met die typische Ivo Victoria-grijns, een vriendelijke, wat giechelige grijns, eentje die ik vaker heb gezien en waarvan ik nooit weet of die stoer is of toch een klein beetje sullig, of die grijns verraadt dat Ivo vroeger tot het kamp van de pesters zou hebben behoord of toch eerder gepest zou worden – met die glimlach, waar eigenlijk zijn hele gezicht uit leek te bestaan, ik zag niets anders dan omhoog gekrulde mondhoeken, tandvlees en tand, vertelde hij over zijn nieuwe boek. Of nee, hij vertelde niet, hij riep. ‘Ik heb het! Dé oplossing! Ik weet nu helemaal hoe ik mijn nieuwe boek moet vertellen. Ja, ik heb het!’

Goed, ik ben dan wel een buitenstaander, een verre collega met wie het contact zich per toeval of via een scherm voltrekt, maar toch: dit moment herkende ik door en door. Dat gelukzalige gevoel dat je verhaal ineens tot leven komt, de tekst waar je dagelijks alleen en niet te vergeten ongevraagd aan zit te ploeteren. En dan is daar ineens het moment: ja, zó ga ik het vertellen, dit is de oplossing en jááá, hiermee overtref ik alles wat ik eerder heb geschreven.

Wat zou er op die wat gure novemberavond door het hoofd van Ivo Victoria zijn gegaan? Omdat we elkaar sindsdien zelden hebben gezien – geen koffieautomaat, geen vergaderingen, geen afspraken – vroeg ik hem er nooit naar. Wel heb ik het me de afgelopen weken, tijdens het lezen van Alles is oké veelvuldig afgevraagd.

Misschien, dit zou kunnen, had Ivo toen op die avond net bedacht dat Alles is oké niet alleen het verhaal over een verdwijnende moeder moest worden, die zich steeds minder herinnert en geleidelijk oplost, maar ook over de zoon. Dat is knap: moederboeken worden er de laatste jaren volop geschreven in de Nederlandse letteren, maar in deze roman gaat het niet alleen over de wegkwijnende bejaarde, het gaat ook over het bestaan van de zoon, die België jaren geleden heeft ingeruild voor Nederland en intussen zelf ook al een ouder is geworden. Zijn gezinsleven raakt heel subtiel ontregeld door wat er met zijn moeder gebeurt, door de bezoekjes die hij een beetje beschaamd en vol schuldgevoel aan haar brengt. Wat heeft hij nog te bieden? Welke rol wordt hij geacht op zich te nemen? Over die vragen gaat Alles is oké, een roman waarvan de kwetsbaarheid iets teders heeft, nergens wordt dit proza zwelgend. Een citaat: ‘Daar, een paar honderd kilometer zuidwaarts aan dat vervreemdende thuisfront, voltrok zich iets waarbij ik verondersteld was aanwezig te zijn. Ik voelde me een acteur die een cruciale bijrol vervulde maar nu om redenen die hij zelf ook niet begreep verstek liet gaan.’

Een kind dat het gevoel heeft tekort te komen, daarover gaat Alles is oké ook, en het kind kómt natuurlijk tekort, dat kan nu eenmaal niet anders: zoals bekend kan geen kind zijn of haar ouder redden of in leven houden, niet fysiek althans – soms juist wél mentaal, met herinneringen, met verhalen, en het kan ook zijn dat dat de ingeving was van Ivo, op die gure novemberavond in Den Haag. Alles is oké gaat namelijk niet alleen over de zoon die naar de moeder kijkt en registreert, het gaat ook over de moeder zelf, althans, het verhaal van de moeder. Vrij bruusk wordt na enkele tientallen pagina´s het ik-perspectief van deze roman doorbroken en de camera verplaatst zich, er dienen zich minder dialogen aan, mevrouw Stevens verschijnt ten tonele, een strijdvaardige dame die in niets lijkt op de vegeterende moeder in het heden, een vrouw die in oorlogstijd opgroeit en op de school waar ze later werkt vervolgens haar eigen robbertje moet vechten met de rigide, zeg gerust afschuwelijke schooldirecteur Pauwels. Háár verhaal wordt verteld, afstandelijk en tegelijkertijd intiem, en daarmee krijgt de oude versie van mevrouw Stevens die roerloos thuis zit, in zekere zin wachtend op het einde, veel meer reliëf: het aftakelen wordt pas echt schrijnend als je, in de loop van deze roman, voelt wat er aftakelt. Anders gezegd, en Ivo Victoria heeft dit heel goed begrepen: iemands afsterven maakt pas echt indruk zodra je weet wat voor leven er allemaal verdwijnt.

Misschien is dit wat Ivo Victoria toen, op die novemberavond, had bedacht, misschien verzon hij ook wel heel iets anders. Als ik mijn geld ergens op moet inzetten denk ik eerlijk gezegd dat hij deze elementen van zijn verhaal al had: moeder jong, moeder oud, volwassen zoon die langskomt en van de weeromstuit thuis in Nederland niet veel verder komt dan biertjes drinken en sigaretten roken op zijn balkon. En ik denk dat hij toen op Crossing Border een ingreep bedacht waarmee Alles is oké extra gelaagd wordt. Ja, dit boek past bij zijn eerdere werk, er komen flarden van Ivo’s eerdere fictie terug in deze roman, die mengeling van heimwee en reconstructie, de volwassen man die hier spreekt kan zo voortkomen uit de jongen die in Hoe Ik Nimmer de Ronde van Frankrijk voor Min-twaalfjarigen Won zijn jeugd beschrijft, of uit de hoofdpersoon uit Dieven van vuur die in zijn melancholische herinneringen afdaalt naar één specifiek moment van de jaren negentig in Antwerpen – maar nooit eerder reflecteerde Ivo in zijn romans zo slim op de bezigheid van het schrijven zelf.

Alles is oké is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en de ontwrichting van haar naderende dood, dit is niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans – eindelijk mag ik die naam gebruiken – wanneer hij mevrouw Stevens beschrijft, heel terloops in een bijzin: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders in de roman staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ Even later vraagt de hoofdpersoon zich ook af of hij hier wel goed aan doet – hij heeft last van ‘een opstandigheid die wordt gevoed door de twijfel of het wel volstaat het allemaal op te schrijven, of dat niet te gemakkelijk is.’

Op die vraag, of alles gewoon maar opschrijven geen makkelijke, laffe oplossing is, staat geen eenduidig antwoord vast, maar ik denk wel: het is voor ons in elk geval een fijne oplossing geweest. Wat Ivo Victoria toen op die avond ook heeft bedacht: het heeft gewerkt, Alles is oké is een heel secuur, intelligent, ontroerend verhaal geworden, genoeg reden om euforisch over te zijn. Al las ik op Ivo’s eigen blog dat er van die euforie weinig resteert, vorige week schreef hij over zijn boek ‘dat de zaak totaal kansloos is en het maar beter zou zijn om met deze gekkigheid te stoppen. Nooit meer een boek schrijven – een heerlijk vooruitzicht.’ Wat is dat nou, Ivo? Doemgeluiden over het boekenvak kennen we nu wel, die gehekelde term ‘ontlezing’ natuurlijk, het feit dat er minder aandacht voor is en minder publiek en noem het maar op, maar juist dan moet je toch doorzetten – en juist dat moment voor verschijning, dat een boek af is en alles nog kan, dat het gelukt is en al je eurekamomenten en -momentjes ergens in hebben uitgemond, dient toch gevierd te worden? Als we dagelijkse collega’s waren geweest had ik dit ‘s ochtends bij de koffieautomaat tegen je gezegd: kop op, je hebt iets heel goeds gedaan, geniet er maar van. Nu zeg ik het hier, te midden van anderen: gefeliciteerd met je mooie boek.

Daan Stoffelsen: Peter Buwalda, Otmars zonen

Peter Buwalda schrijft in het groot: Otmars zonen, dat begint bij hoofdstuk 111 en eindigt bij 75, 607 pagina’s, is nog maar deel een van een trilogie. Otmars zonen, zijn echte zoon – een muzikaal wonderkind, figurant in dit deel – en zijn stiefzoon – een middelmatig Shellmedewerker met een vechthuwelijk -, diens biologische vader – een hoge baas bij Shell zonder scrupules en met bijzondere seksuele wensen – en een prachtige journaliste van Thaise afkomst. Zij woonde in hetzelfde studentenhuis als de een, en heeft sterke wraakgevoelens voor de ander. Er zijn overwegingen over familie en adoptie, er is liefde en ruzie, er zijn grote belangen, er is seks en heftige seks en ejaculatio praecox.

Het mooie is: het lukt. Er zijn momenten dat je denkt: dit kán niet, dit is té ongeloofwaardig (ja, natuurlijk: iedereen raakt ingesneeuwd op Sakhalin, natuurlijk moeten ze een hotelkamer delen), maar dan heeft Buwalda je weer in een nieuwe scène getrokken. Hij benauwt je met de ene verteller, Ludwig, zijn ongemak, zijn frustratie, zijn neiging tot ruzie, zijn fouten; hij bevrijdt je en lokt je in een andere val, met de andere, Isabelle, haar gebrek aan schroom, haar kille woede, haar lef; hij beloont je met de stem van een in het nauw gedreven Hans Tromp, de nemesis. Hij wisselt moeiteloos van perspectief, en hij rekt, rekt, rekt wat toch voelt als de prelude op een grote confrontatie – eerder dus een tantrisch voorspel dan een voortijdige ontmanteling.

De associatie met A.F.Th. van der Heijden ligt voor de hand: het reeksdenken, het rekken, maar ook het oog voor details. Zoals navelpluis voor eeuwig sexyer en betekenisvoller is geworden door Van der Heijdens Mooi doodliggen, zo heeft Buwalda nog wat kleine dingen heel groot gemaakt. Het lepeltje op de voorkant krijgt een geweldige invulling, bijna een persoonlijkheid, maar ik zal geen gele eierdopje meer kunnen zien zonder aan Buwalda te denken. En twee paar oordopjes spelen een cruciale rol in de hereniging van Ludwig en Isabelle. Zij ligt al in bed, hij zoekt zijn dopjes. Zonder die dopjes kan hij niet slapen. Waar zijn die dopjes?! ‘Ze is op haar rug gaan liggen – hij kijkt recht in haar kleine oor. Spontaan buigt hij naar voren: er zit iets in, een geel oordopje, het is dwars aangebracht, het hangt er half uit. Hij laat de ontdekking even op zich inwerken. Kan dit waar zijn? Heeft ze zíjn oordopjes ingedaan?’

Onderwijl terugdenkend aan een vorige confrontatie, waarin hij in het geheim iets van haar stal, begint de reconquista.

‘Hoewel hij van plan is een gestolen schuimpje uit een schuldig oor te pakken, heeft hij het gevoel de integriteit van haar lichaam te gaan schenden – de integriteit van een gehoorbuis, maak het niet te groot, het is een oor, maar het is al te laat: het oordopje is een kurk op een dure fles wijn, nee: het is de deksel van een urn, je staat op het punt haar graf te schenden. Hij gaat weer liggen, draait zich op zijn zij, opgelucht, onvoldaan.

Je kunt Buwalda enig bombast niet ontzeggen, ‘gestolen’ én ‘schuldig’, ‘integriteit’ bij zoiets kleins, maar het is erg geslaagd: een ‘schuldig oor’ is een geweldige vondst, de uit de hand lopende beeldspraak is erg geestig, en dan te eindigen met ‘opgelucht, onvoldaan’… Ja, het is vooral heel geestig, ik moet denken aan de pleisterscènes bij Kuifje, maar door Ludwigs perspectief (hier gebeurt iets heel spannends en fouts) ook benauwend.

We zitten nog midden in de oordopjesoorlog – voor hem bron van gêne, voor haar verwondering – als opeens het perspectief wisselt. Valeria Luiselli heeft dat fantastisch gedaan in Lost Children Archive, Marijke Schermer heeft dat overtuigend gedaan in Liefde, als dat het is, maar het is zo snel kunstmatig, een perspectiefwisseling. Hieronder gebeurt het, maar ik krijg mijn vinger er niet op. Goed onderwerp voor mijn gesprek met Buwalda, 1 oktober bij Athenaeum Boekhandel. Na het uitrekken? Heel mooi gedaan.

‘Vooruit maar. Hij perst de oordopjes in zijn oor, goed diep, een gelukzaligheid die kleiner blijft dan normaal. Toch moet de slaap nu maar eens komen, vindt hij.
Zo ligt hij een uur, malend over Isabelle in Enschede, over Otmar in Venlo, over Ulrike in Blerick, over Juliette in Overveen, over Tromp op Sakhalin, alles en iedereen komt voorbij – tot hij dwars door zijn doppen heen een onbekende telefoon hoort gaan. Wie belt haar midden in de nacht? Nee, het is nog geen nacht, bedenkt hij – het moet ongeveer halfelf lokale tijd zijn. Op het bureau straalt het ding op, het heuvelrugje naast hem beweegt. Zijn voet drukt zich kort in een kuit – ze rekken zich tegelijk uit. Het gevoel is benauwd en terneergeslagen – waar het vandaan komt, is niet meteen duidelijk. Misschien een droom te vluchtig voor het kortetermijngeheugen, een schijf die leeg is, ongeformatteerd. Wel resteert iets bodemloos, een emotie waarvan, als van een rouwboeket, de wortels zijn afgesneden. Ze voelt een sterke ontreddering. Ze wrijft door haar gezicht; haar huid is bezweet, behalve de punt van haar neus, die gevoelloos is van de kou. Een scherp gejengel dringt tot haar door, een nerveus melodietje dat er, beseft ze, al een tijd is, ook toen ze nog sliep: een telefoon. Háár telefoon. Meteen stopt het ding, betrapt, schuldbewust. In de stilte verdiept zich wat er al was: ruimtegebrek.’

Ruimtegebrek. 1 oktober verder!

De Bezige Bij gaf Otmars zonen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Rudolf Vrba, Ik ontsnapte uit Auschwitz

Boeken vormen een persoonlijke lijn die ontstaat door interesse, toevalligheden en logische schakels. Bij een uitgeversfeest kwam ik Jessica Durlacher tegen. We stonden op een strategische plek bij de wc, samen met Pieter Waterdrinker. Iedereen kwam langs, we hoefden daar alleen maar wat te staan kletsen, en ook dat ging vanzelf.

Toen ik de volgende dag voor mijn boekenkast stond om een nieuw boek te kiezen kwam ik al snel uit bij het verzamelde werk van GJ Durlacher, de vader van Jessica. Ik las een stukje in Strepen aan de hemel. Bijzonder boek, net zoals zijn andere werk heel erg helder en stellig, en sober geschreven, en daardoor maakt Durlacher de oorlog en de Jodenvervolging invoelbaar, iets wat alleen kan als er een zekere mate van afstand genomen wordt en het sentiment terzijde wordt geschoven.

Het boek van Durlacher stelt de vraag wanneer de vernietiging van de Joden in de oorlog bekend werd. Wat wist men? Een tragisch verhaal, want het mag duidelijk zijn dat al in 1942 in de Geallieerde landen bekend was dat in Duitsland op grote schaal Joden vernietigd werden, en dat hebben die landen met die informatie gedaan? Moeilijk om in detail deze geschiedenis uit te zoeken, wat Durlacher wel duidelijk stelt is dat het gevoel van verlatenheid bij de Joden in de kampen niet alleen met de kampen van doen had, maar ook met de manier waarop andere landen reageerden op informatie over de kampen. Ze reageerden niet. Dubbel pijnlijk.

Al gauw stuitte ik in Strepen aan de hemel op vijf namen van mannen die wisten te ontsnappen uit Auschwitz en die persoonlijk konden getuigen over wat er in die kampen gebeurde. Dat was in april 1944. De eerstgenoemde van die mannen: de Slowaak Rudolf Vrba. Ik zocht de naam op internet op. Samen met Alfréd Wetzler ontsnapte hij uit het kamp en in Slowakije werd aan de hand van hun getuigenis het Vrba-Wetzler-rapport opgesteld. Een jaar voor het einde van de oorlog. Het duurde lang voor het rapport serieus werd genomen, maar uiteindelijk stopte door het rapport de deportatie van Joden vanuit Hongarije naar de kampen.

Bij de informatie vond ik een boek dat Vrba geschreven heeft en dat in de jaren zestig verscheen. Direct bestelde ik de vertaling: Ik ontsnapte uit Auschwitz. Het verhaal van Vrba deed me denken aan Het 25e uur, van de Roemeen Virgil Gheorgiu, een vergeten boek dat een van de beste verslagen is van persoonlijk leven en leed in Oost-Europa tijdens de oorlog, naast natuurlijk De geverfde vogel van Jerzy Kosinski. Dit zijn boeken over gebeurtenissen die geen fictie kunnen verdragen. Een tijd die al ver achter ons ligt maar keer op keer weer dichtbij getrokken moet worden, omdat we de mens alleen kunnen begrijpen als we proberen die periode te begrijpen.

Zo werd ik de afgelopen week in de kampverhalen getrokken. Het ongelofelijke verhaal van Vrba is geen roman, het is zijn levensverhaal, door hemzelf opgetekend. Vrba leert dat ook, en hij leert snel. ‘Wat ik in feite leerde was de kunst van het overleven; en daarna kwam de kunst van het leven, van het beste maken van de afschuwelijke omstandigheden.’

Het boek moet het niet van de stijl hebben, want die mist de soberheid van Durlacher en er zit iets hijgerigs in. Dat heeft te maken met de rol van de verteller en het verteltempo. De gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat je er als lezer vanzelf buiten adem van raakt, terwijl het verhaal toch al dwingt tot doorlezen. Ik bedoel meer dat het een verhaal is dat geen trucs nodig heeft, en jammer genoeg past Vrba wel een aantal trucs toe.

Allereerst het gebruik van uitroeptekens. Dialogen bestaan bijna volledig uit uitroepen, en worden daarom ook afgesloten worden door uitroeptekens. Dat maakt een tekst opgefokt, alsof alle mensen vanaf de reis van Vrba naar Hongarije en verder, uiteindelijk naar Auschwitz, constant tegen elkaar schreeuwen. Dat kan perceptie zijn, het kan werkelijk zo zijn, op de lezer komt het 75 jaar na de oorlog vervelend over. Er zijn heel veel boeken over de oorlog waar geen enkel uitroepteken in staat. Durlacher begreep dat. Primo Levi begreep dat. Vrba zet zijn verhaal lekker dik aan, en dat is niet nodig. Wat een leesteken al niet kan doen.

Verder heeft dit verhaal geen gewiekste Hollywood-achtige opmerkingen nodig zoals de anekdote over de jampot die bij aankomst in het eerste kamp in zijn rugtas kapotgaat en zijn kleren vuil maakt: ‘Als ze mijn overhemden en sokken willen gebruiken, dan zullen zij ze eerst moeten laten wassen!’ Inderdaad: met uitroepteken. Het voelt alsof ik naar de verfilming van dit boek kijk, al tijdens het lezen, en Tom Cruise of Brad Pitt de hoofdrol vertolkt.

Het deed me denken aan het verhaal van De laatste getuige, van Frank Krake, over Wim Aloserij die zo veel meemaakt dat het bijna niet te geloven is, op een iets andere toon geschreven, in de derde persoon, en daardoor iets meer op afstand, maar ook soms aangedikt met gedachten die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen van Vrba. Als Aloserij van de kampbewaarders zijn bed netjes op moet maken denkt hij: ‘Wat een onzin.’ Ik begrijp de onzinnigheid van de handeling in het kamp, ik begrijp de weerstand van de gevangenen om zoiets te doen binnen deze waanzinnige kaders, maar in een vertelling over een man die gedachte prominent terug laten komen kleurt het verhaal deels in en zet de hoofpersoon bijna buiten het verhaal en buiten de andere gevangenen. De lezer kent de onzinnigheid van het opmaken van een bed in een concentratiekamp, dat koppelen aan een man die alles overleefde maakt hem anders dan de anderen in het kamp. Dat doet deze manier van vertellen.

Nog een punt: Vrba’s motief om te ontsnappen. Dat ontsnappen zit in de titel, het zit in de reis naar het kamp, het zit in de periode in het kamp. Steeds herhaalt Vrba dat hij wil ontsnappen en daar al wringt het boek, want niemand weet of hij werkelijk wilde ontsnappen, maar iedereen weet – zie de titel en de flaptekst – dat dit het verhaal is van de man die uit Auschwitz ontsnapte. Het is de vraag: lees ik het verhaal van iemand die ontsnapt of iemand die zichzelf deels boven het kamp en de omstandigheden plaatst door te willen ontsnappen en dat ook nog voor elkaar krijgt. Wanneer begon het willen?

Vanuit de luxepositie van de lezer zo lang na de oorlog is het moeilijk oordelen over de werkelijke motieven, ik kan alleen aangeven wat deze opzet met de lezer doet. Als Vrba nog maar net in het eerste kamp, Majdanek, is schrijft hij: ‘Als ik zou kunnen ontsnappen en op een of andere manier terug zou kunnen gaan naar Slowakije, dan zou ik wellicht duizenden levens kunnen redden.’

Zijn ontsnappingsmotief en de gebeurtenissen die daarna nog zullen komen lopen wel erg één op één gelijk. Ik weet, dat heb ik na het lezen van Durlacher opgezocht, dat Vrba ontsnapt is en met belangrijke informatie over de kampen in Slowakije kwam, maar wat was er eerder? Waar begon zijn plan?

Een eindje verderop, als Vrba op weg is naar Auschwitz, als ze net in de wagons geklommen zijn en de grote deuren dicht zijn: ‘Ik bekeek de tachtig mannen in mijn wagon, speurend naar iemand met wie ik een ontsnappingspoging zou kunnen wagen.’

Net een regel daarvoor heeft een SS-er de gevangenen verteld dat het zinloos is om te te ontsnappen en toch houdt Vrba zich bij zijn plan, als hij dit verhaal terughaalt. Het is alsof Clint Eastwood van Alcatraz overgeplaatst is naar Auschwitz.

Wanneer Vrba de poort van Auschwitz binnengaat, en lang daarvoor al een ontsnappingsplan had om mensen van de dood te kunnen redden, moet hij plots weer langzaam het besef krijgen wat dit voor een plek is. ‘Een van mijn belangrijkste redenen van mijn vertrek naar Auschwitz was immers geweest om te kunnen ontsnappen.’ Echter, hij ziet de wachttorens, de luchten, de hakken onder hoogspanning, en is enigszins ontmoedigd. Ook vraagt hij zich af waarom dit kamp zo streng bewaakt is. Dit moet wel een doodsfabriek zijn.

Wederom is het moeilijk oordelen, maar het voelt alsof een oorlogsheld zijn verhaal net even iets slimmer en volledig bewust uitgedacht maakt om dat verhaal nog iets op te poetsen. Het invullen van motieven en het gebruik van het woord motief is moeilijk, vanuit deze verteller. Als ze in een kamp kleding krijgen voor de treinreis naar Auschwitz, waaronder een pet: ‘Het enige waar ze (de Duitsers) zich om bekommerden was om onze kaalgeschoren hoofden te bedekken voor het oog van de buitenwereld. Maar het maakte mij niet uit wat hun motief was. Door die pet voelde ik me alsof ik naar een bruiloft ging!’

Opeens weet deze gevangene precies wat de nazi’s willen en wat hun motief is, die invulling maakt het verhaal gekleurd, het gebruik van het woord ‘motief’ is dubbel want zijn eigen motief voelt wrang, en hij denkt volledig vanuit zichzelf en vergelijkt zijn gevoel wanneer hij een pet krijgt met een bruiloft, met het onvermijdelijke uitroepteken. In deze ene alinea komen alle bezwaren tegen dit boek samen, net als bij de uitspraak ‘ik voelde me net een toerist’ als Vrba voor het eerst in Auschwitz rondgeleid wordt. Het is allemaal net te veel, alsof een zwart-wit wereld die ik ken opeens in kleur wordt uitgezonden, in rare kleuren.

Niemand weet of dat zo is, een redacteur had moeten weten dat je juist dit gevoel bij de lezer direct moet verbannen, en dat kan door uitroeptekens, gevatte opmerkingen, en tijd en plaats van mogelijke motieven naar de achtergrond te drukken. Er blijft genoeg over van dit bijzondere verhaal, en het komt beter aan bij de lezer.

Net als bij De laatste getuige wordt één man gevolgd, en is de heldenrol evident. Het is wel de vraag hoe je die rol, en de geluksfactor wordt niet overgeslagen, afzet tegen alle andere gevangenen die niet in beeld komen en die geen ontsnappingsplan hadden. Ook dat doet de vertelling. Vrba maakt van zichzelf de uitzondering, en dat hij het overleefde is niet enkel een kwestie van geluk geweest. Het was zijn wil om te overleven. Op die manier beland je in een Disney-verhaal.

Dit verhaal verdient een sobere vertelling en een mooie ingetogen toon die Vrba soms weet op te pakken maar grotendeels is hij in dit boek een verwarde verteller die zichzelf een rol toebedeelt die gezien de geschiedenis misschien klopt maar die voor de lezer toch wel vreemd voelt. Hoe dan ook: er valt weinig van te zeggen. Ik probeer over deze bezwaren heen te lezen, ik probeer het verhaal te zien zonder uitroeptekens, zoals Durlacher dat kon, en Primo Levi.

Ergens weet Vrba wel wat zijn verhaal sterk maakt, want hij vertelt niet voor niets: ‘Het feit dat Josef en ik erin slaagden het zo lang te overleven was niet iets waarvoor wij onszelf op de borst konden kloppen. Integendeel…’ De geluksfactor is zeer aannemelijk, en dat maakt de verteller nederig en tevens respectvol naar degene die het niet haalden. Het schipperen tussen een persoonlijk heldenverslag, slachtofferrol en feiten brengt dit boek in beweging.

Als Vrba over twee pagina’s een SS-er aan het woord laat met zijn verslag over het einde van het eerste kamp waar hij zat, zijn de feiten dominant. Die feiten zijn onvoorstelbaar, maar helaas de werkelijkheid. Zonder extra aan te zetten zegt Vrba dat hij geluk heeft gehad, hij ging naar Auschwitz, en dan voegt hij toch toe: ‘Aan de andere kant was Auschwitz ook geen vakantiekamp.’ Hij probeert lucht in zijn vertelling te blazen. Dat is een optie om over de kampen te kunnen vertellen. La vita e bella is een geweldig voorbeeld van een film waarin fictie de werking van de kampen en het fascisme duidelijk maken en overbrengen. De toon van Vrba wankelt, want soms weet hij niet wat hem te wachten staat terwijl hij pagina’s eerder al een plan heeft deze doodsfabrieken te ontglippen.

Ik zocht veel op tijdens het lezen. Ik keek naar fragmenten van Son of Saul, de film waarbij een man in het kamp van heel dichtbij door een camera gevolgd wordt. Zonder uitleg, zonder afstand in decor, alleen de zintuiglijke waarneming van die ene man, in geluid en beeld. Er is bijna niet naar te kijken, zo hard komt die wereld binnen.

Dichtbij de mensen komen die in Auschwitz waren, dat wil ik als lezer. Vrba lukt het wel om me daar te krijgen, maar het is zoeken en vooral in de passages die niet over hemzelf gaan lukt dat, zoals het verhaal over Franz die jam smokkelde uit de voorraadkast van de SS-ers: ‘Franz was zeker een van de opmerkelijkste figuren die ik in Auschwitz tegengekomen ben. Hij heeft het kamp overleefd en in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij een hotel bezit, staat hij tot op de dag van vandaag bekend als Franz Marmelade.’

Dat is een goed verteld verhaal. De feiten spreken voor zich, geen uitroepteken of overdrijving, en daardoor voor iedereen invoelbaar. Een beeld kan dan zo goed werken in zo’n bijzonder verhaal: zoals een ijzersterk beeld na een beschrijving van het werk dat Vrba moest doen – met zakken cement heen en weer rennen: ‘…ik wist dat ik een onderdeel van een machine was, een radertje dat weggegooid zou worden als het kapotging.’

Of de aangrijpende passage over een verrader die omkomt in het kamp en wiens kleren verdeeld werden. Rudi Vrba kiest alleen de riem. Als hij het boek schrijft draagt hij de riem nog steeds en later schenkt hij de riem aan het Imperial war Museum in Londen. De ontsnapping zelf is zo meeslepend dat je vanzelf mee gaat met Vrba en zijn plan om via een losse plank in het perron waar hij werkt als bagagesjouwer te ontsnappen. Hier geen vooruitlopend motief en ook geen idee om anderen te redden. Hij wil zelf ontsnappen.

Dat lukt. Hoofdstuk 15 heet De ontsnapping. Het is een triomf. Op internet is een kaartje te vinden met daarop de route die Vrba en Wetzel na hun ontsnapping lopend aflegden. Zo’n kaartje geeft houvast. Met het kaartje naast me las ik de laatste hoofdstukken. Die boden me de leeservaring die ik zocht toen ik dit boek bestelde: het meeleven met gevangenen die ontsnappen. Ondanks dat je weet hoe het gaat aflopen hoop je steeds dat het lukt. Dat is geweldig lezen.

Na de ontsnapping van Vrba pakte ik er nog een paar andere oorlogs- en kampboeken bij. Die lees ik nu.

Irma Maria Achten, Herman Van Goethem: de redactie las een debuut met een dwingende verhaallijn en een oorspronkelijke vertelstem en overtuigende, aangrijpende non-fictie over Antwerpen in de oorlog.

*

Jan van Mersbergen: Irma Maria Achten, Augustus

Augustus, het debuut van Irma Maria Achten, begint overdonderend met een erg slim opgebouwde actiescène waarin David, een jongen van zestien, een charismatische mooie Chileense vrouw ontmoet die veel ouder is dan hij. Nou ja, ontmoeten, het is een ongeluk.

David wil een record vestigen hoe lang hij zijn adem in kan houden. Hij zit aan de vijf minuten, zijn streven is zes. Bij een van zijn duikpogingen treft hij een auto aan in het water. Er zitten twee mensen in, waaronder Marcè, de Chileense vrouw. Mede dankzij David worden ze gered. De ouders van David kennen het stel van het kunstprogramma dat de man van Mercè presenteerde en waar de vrouw op een gegeven moment in opdook. Om de heldendaad van David te eren organiseren ze een etentje: David en Mercè vinden elkaar. In een volgende scène gaat David zwemmen. Mercè kijkt toe. Ze is erg bang want ze denkt dat hij verdronken is. Ze durft echter niet het water in te gaan. Achten schetst in hoog tempo de gebeurtenissen, vanuit de jongen. Mooie beschrijvingen die passen bij zijn leeftijd – zijn kader, logische opeenvolging van gebeurtenissen en een constante spanning omdat David direct verliefd is en de lezer ook direct weet dat die liefde onmogelijk is.

In deze perfecte eerste hoofdstukjes bewijst Achten dat je een verteller in hoog tempo handelingen kan laten terughalen die een verhaal vormen waarbij de lezer volledig meeleeft met de hoofdpersoon, die jongen. Dat is wat ik zoek in een roman: een dwingende verhaallijn, een interessant vertrekpunt, een helder vervolg en personages die in elkaar verstrengeld komen te zitten. Achten gebruikt alle literaire middelen, behalve het gebruikelijke en vandaag de dag zeer gewaardeerde lyrische twijfelachtige gepieker. Ze laat David niet tobben en nadenken. Alles wordt opgezet in actie. David is dol op die Chileense vrouw, en de lezer weet direct: dit gaat spannend worden.

Dan neemt na een bladzijden of veertig tekst opeens Mercè het woord.
Dat wordt niet aangekondigd. Dat hoeft ook niet, maar het is even zoeken: de stijl is anders, de man van Mercè heet opeens JW en ze heeft Nederlands geleerd aan de hand van de liedjes van Annie M.G. Schmidt. Dat moet die vrouw zijn. Ook zij vertelt wat er gebeurd is vanuit haar gezichtspunt, in de tegenwoordige tijd. Twee verschillen dus: andere verteller, andere tijd. Maar wat wel hetzelfde is: een herhaling van scènes. Het insmeren van haar rug door David, met zonnebrand, dat heb ik net allemaal gelezen.
Ik vind die vrouw ook interessant en spannend, maar niet zo dat ik dit boek twee keer wil lezen. Waarom het stokje niet doorgeven en de tijd voort laten razen, net als de emoties, zoals David dat voor elkaar kreeg? En waarom niet die eerste scène, in de auto die verdrinkt, niet vanuit haar beschreven? Dan was de afwisseling meteen duidelijk. Ik had er wat moeite mee, vooral na dat ijzersterke begin met die mooie verteller, die ik wil blijven volgen.

Dat gebeurt later wel, bijvoorbeeld als David vertelt dat Mercè naar Corsica zal gaan en als zij weer aan het woord komt ze samen met haar man op Corsica is. Wat er ook gebeurt: de scènes worden groter en de tragiek groeit ook, want David en Mercè komen dichter bij elkaar maar dat kan natuurlijk niet goed gaan.
Bijzonder goed gedaan: de lichte verwijzingen naar de tijd waarin de roman speelt. Dat is zeker dertig jaar geleden, misschien veertig, en alleen op te maken uit de context. Muziek, Thatcher, een dictator in Chili die net weggejaagd is.

Het nadeel van twee vertellers die verliefd op elkaar zijn: ook hun beleving herhaalt zich. Ze kunnen allebei aan niets anders denken dan aan elkaar. Dat maakt het proza benauwend en in zichzelf gekeerd, heel anders dan die eerste scènes, en bovendien voel je je als lezer een gluurder die meekijkt maar dat eigenlijk niet mag.
Neemt niet weg dat Augustus een erg sterke roman is. Debuutprijzen gegarandeerd, al weet je het tegenwoordig met literaire jury’s nooit. Misschien wordt ook aan debuten die overdreven declamerende schmierende stijl die de Bookspotprijs domineerde gevraagd, met sleetse vergelijkingen en uitroepen die beginnen met ‘O…’

Achten bouwt rustig verder aan haar koppel. Die stem van David beviel me zo goed. Die is heel anders dan de oudere bewuste Chileense vrouw, die meer afstand neemt in wat ze vertelt, alsof ze erboven zweeft. Dat doet ze ook. David vertelt niet dat regent, hij beschrijft de ‘massieve loodgrijze wol boven de stad’, en daarna: ‘Er viel een vracht water uit.’ Dat is een vertelstem die me direct zonder omwegen of overdreven metaforen en aanstellerij laat zien wat er uit die wolk komt, en toch is het kleurrijk en beeldend. Mooi, dat deze taal bij Van Oorschot nog uitgegeven wordt, een uitgeverij die overigens niet vies is van een potje ouderwets gezwemel en romantisch geklaag. Dit is anders, dit is meesterlijk, dit is mijn taal.
Even later perst Achten er nog een beeld uit: ‘Het haar als een badmuts om haar gezicht.’ Dat is een ogenschijnlijke simpele constatering, maar ook deze woorden van David zijn zonder drama of zelfgenoegzaamheid, alleen een beschrijving, want het regent nog steeds en die arme Chileense is drijfnat, en toch is de beschrijving precies, is badmuts het juiste woord en ligt het haar om haar gezicht, en niet erop of ertegenaan. Precies, eenvoudig, overdrachtelijk. In weinig debuten kom je dit tegen.

Het samenzijn wordt uitgebouwd, en die stukjes met gesprekken en soms passages over Chili zeggen me niet zo veel, het is precies wat ik verwacht bij een roman met al op de flap ‘mysterieuze Chileense vrouw’. Dat moet dus wel aan bod komen. Ik vind de combinatie mysterieus en Chileens voor lezers ongepast, vanuit David begrijp ik het heel goed, zij is zijn mysterie en ze komt toevallig uit Chili. Ze had overal vandaan kunnen komen.

Wat ik me afvraag aan het einde van deel één: Davids oefenen om zo lang mogelijk je adem in te kunnen houden, om zo lang mogelijk onder water te kunnen blijven, komt dat op een of andere manier nog terug in deze roman? Of was het alleen de start? Het was niet alleen een vraag, ik hoopte dat het een rol ging spelen in het verhaal. Natuurlijk verklap ik niet of Achtens roman mijn vraag beantwoordde, maar als de twee werkelijk één bladzijde na mijn vraag in Griekenland aan zee in een huisje zitten begint het me te dagen.
Een ander ding met deze twee vertellers is dat wanneer de Chileense vrouw vertelt over haar land, in een lange passage, die letterlijk wordt herhaald door David. Dat wreekt zich. In het betoog laat Mercè ook nog haar moeder aan het woord. Dat is dubbele afstand. Let op: een jongen vertelt dat zijn oudere Chileense minnares vertelt over vroeger toen haar moeder vertelde dat ze ‘in lastige omstandigheden verkeerde’. Het verhaal is aandoenlijk, de dubbele aanhalingstekens verraden de afstand. De ik-verteller die juist zo goed in vorm was, verdwijnt. Achten doet dat nog een keer, als de moeder van David lange zinnen zegt na de dood van de vader van David. De lezer heeft die informatie nodig, maar waarom duwt Achten de verteller naar de achtergrond?

Als Davids vader overleden is probeert hij dichter bij die man te komen. Dat werkt bijzonder goed. Hij wilde zijn vader aanraken, hij wilde hem kussen. David blijft de verteller, het gevoel ligt bij hem. Dat zijn de beste stukken van Augustus. Na verloop van tijd wordt de roman schokkeriger, worden er tijdsprongen gemaakt en alsof het niks is verschillende landen en steden aangedaan (Griekenland, Rome, Cambridge, de woestijn in Chili), dat geeft de personages iets van luxe en ongebondenheid maar ook gebrek aan basis, en ontwikkelt vooral Mercè zich tot een personage dat ik het liefst zou schrappen.
Als ze tegen David zegt: ‘Bedenk goed, alles wat naar geluk ruikt, ruikt naar jou, al het andere naar mij,’ dan is de toon bedacht en afstandelijk, hautain bijna, destructief, zielig. De geur van geluk. Het is een type gedachte en redenatie die bij schrijfopleidingen populair is: grootste literatuur willen schrijven en op de proppen komen met een verfromfraaide zintuiglijke zin, uitgesproken in een dialoog, zonder dat degene die dit hoort de kans krijgt weg te vluchten. Het zijn zinnetjes die bedoeld zijn het drama aan te zwengelen, maar die mij doen verlangen naar de stem van die jongen. Zo wordt Augustus een gesleten boek.
Griekenland wordt even diffuus als het leven van David en Mercè, als ze getrouwd zijn, de tijd vliegt. ‘Naar eigen zeggen was Goethe in zijn lange leven maar twee weken gelukkig.’ De personages slepen zich door de dag en het gemis van bezigheid, werk, interesse en andere vastigheid wordt zo gekmakend dat ze Goethe er bij pakken. Dromen, hotels, gepieker, misschien kon deze roman geen andere kant opgaan. Een zwangerschap biedt geen uitkomst, dat verhoogt de stress. De lezer voelt: deze mensen moeten weer uit elkaar getrokken worden. Liefde, het einde van liefde.

Mercè wordt gek en neemt nog een laatste keer het woord, een paar bladzijden. Aan het einde van die passage gebruikt Achten een beeld: dit personage heeft ‘een hoofd dat leegloopt als een band’. Mooi beeld, maar een vertelster opvoeren die tegelijk ook leegloopt als een band is een minder goed idee.
Dus her en der zwabbert het perspectief en door de opbouw glijdt het verhaal af en tegelijk waaiert de roman uit. Het begint met een samenkomst van twee mensen op een gecentreerde plek en dan gaan ze de wereld over en groeien ze juist uit elkaar, dat is de opbouw. Een omgekeerde volgorde, was dat een optie geweest? Deze vervreemdende mensen naar elkaar toe laten groeien, terug in de tijd. Een ouwe truc die deze roman wellicht een hoopvollere opbouw zou geven.
Mijn gemopper heeft te maken met de vrouw, die steeds maffer wordt, een gekte die ik genoeg gezien heb en waar ik liefst gauw doorheen blader. Komt ook door Chili, dat land is vast interessant maar niet als een sympathieke jonge Hollandse verteller daar rondgeleid wordt door die irritante vrouw die ruimte nodig heeft, die in een geestelijk proces zit.
Ga lekker naar huis, David, denk ik dan. Ik gun hem rust.

Dus neem mijn kritiek voor lief en lees zelf dit bijzondere debuut, want dergelijke vertelstemmen heeft de Nederlandse literatuur echt hard nodig.

Van Oorschot gaf Augustus uit.

Daan Stoffelsen: Herman Van Goethem, 1942

De interessantste boeken zijn de mengboeken. Ja, er zijn geweldige monomane boeken, introvert en gedreven die klotsen over de paginamarges en het gemoed bezwaren of bevrijden ver na de laatste pagina. Ze komen het hoofd of de kamer niet uit. Romans. Dichtbundels. Essays. Ze dwingen je je tot de personages te verhouden. Je wordt verliefd op ze, of snakt naar een andere stem, of naar één stem, maar ondertussen krijg je de vinger niet op wat je dwars zit.
Die boeken uit één stuk zijn voor mij bij uitstek literair. De meeste literaire non-fictie moet het van andere kwaliteiten hebben, maar de beste is verhalend, brengt mensen tot leven, schuurt en klaagt aan.

Alleen De Groene Amsterdammer schreef er vooralsnog over, en uitgesproken positief, maar Herman Van Goethems 1942. Het jaar van de stilte doet dat. Van Goethem is inmiddels rector van de Antwerpse universiteit, maar was ook adviseur van Jeroen Olyslaegers bij het schrijven van diens prijswinnende roman Wil.
Eerst de keuze van het onderwerp. 1942 was het jaar van de grootste razzia’s in Antwerpen, maar ook het jaar dat de oorlogskansen veranderden: Duitsland was nog aan de winnende kant, een compromisvrede was nog een optie. De Belgische overheden van hoog tot laag hielden zich op de vlakte, en collaboreerden waar nodig, en vaak (bewijst Van Goethem) zelfs een stuk meer dan noodzakelijk. Eind 1942 leek het toch mogelijk dat Nazi-Duitsland verslagen kon worden, en koos de Belgische regering in ballingschap, en ook veel lokale overheden toch partij voor de geallieerden.

Die spanning en ontwikkeling laat zich het best zien bij de laagste overheden. Van Goethem spitte politiearchieven door, vond twee dagboeken van Antwerpenaren, interviewde overlevenden en zocht de achtergronden van de slachtoffers op. Hij noteert dag voor dag wat er gebeurt in Antwerpen, en maakt de geschiedenis concreet en persoonlijk. Het weer. Een diefstal. Een nieuwe maatregel van de bezetter.

Maandag 1 juni 1942

Ook in België wordt de Jodenster ingevoerd. Het Verordnungsblatt publiceert een verordening die in België de Joden vanaf de leeftijd van zes jaar verplicht de zespuntige gele ster te dragen. […] Max Gevers [een van de dagboekschrijvers – DS] pent zijn verontwaardiging neer. Deze publieke vernedering zal veel protest uitlokken. De Jood krijgt een gelaat. […] In Café Blum in de Vestingstraat valt Feldgendarm Sander binnen terwijl er om geld wordt gekaart. Sander zondert acht Joden af en pakt hun identiteitskaarten af. Hij eist 50.000 frank, onmiddellijk te betalen. […] De Joodse Raad zal Sander aanklagen bij de Feldkommandantur.

Sander wordt ter verantwoording geroepen voor buitensporig geweld. Een zelfmoord. In de joodse zesde wijk worden er meer ‘zwarte’ agenten geplaatst. Het bevel voor medewerking aan een razzia.

‘De opgevorderde agenten komen druppelsgewijs aan en weldra kan de razzia beginnen. Het is volle maan en broeierig heet. Dit wordt de langste nacht van het jaar.

In Berchem drijft de politie 250 Joden samen in de school aan de Heilig Hartstraat. Alle officieren en inspecteurs werken mee.’

Het wordt van kwaad tot erger, tot de meeste joodse migranten weggevoerd zijn (de Belgische joden zouden pas in 1943 volgen). Dan keren de oorlogskansen, en bekeren ook agenten die meewerkten aan de razzia’s zich tot de ‘witten’. Uiteindelijk zullen hun daden uit 1942 vergeten worden, en worden zij als helden herdenkt – en niet de weggevoerde joden. Van Goethem maakt dat pijnlijk duidelijk.

Dat is dus de mengvorm. ‘Is dit een roman,’ vraagt Van Goethem zit op pagina 59 plots af. ‘De dagboekvorm [sleept] me mee, als in een draaikolk, gelokt door sirenen uit een ver verleden. Elke auteur heeft taal en tekst als tegenstrever, maar in dit boek neemt ook de vorm bezit van mij. Door de tegenwoordige tijd verlies ik mijn greep op het genre. Het legt zich op aan mij. Alsof dat nog niet genoeg is, kom ik in de documenten veel bekenden van mijn ouders en grootouders tegen.’
Het is geen roman. Het is geen fictie. Maar er is een grote betrokkenheid – Van Goethems grootouders waren diep-zwart, maar de portretfoto’s van de slachtoffers (en hun sterfdata of vluchtroutes achterin), mooie mensen, echte mensen, wekken grote empathie op. Er ontstaat een gemankeerd, complex verhaal, dat voert van het alledaagse (‘Vandaag sneeuwt het opnieuw.’) naar het allergruwelijkste (‘Samuel Gelman, zesenveertig jaar, wordt met zijn vrouw en twee kinderen naar de vrachtwagens in de Lentestraat gedreven en zakt daar plots in elkaar. Hij ligt op de grond en lijkt wel dood te zijn. Er zijn Duitsers die de man schoppen geven.’), van rustig samenleven naar de rust van een kerkhof. Er zijn personages. Er zijn essayistische beschouwingen. De stijl past: korte, kale zinnen onderstrepen het drama, heel af en toe een lichte dramatische toets (‘Dit wordt de langste nacht van het jaar.’), en verder sober, feitelijk.

En er is die aanklacht. Veel agenten móésten, maar de burgemeester koos ervoor om weg te kijken, en vooral: na de oorlog werd het zwartste van 1942 ‘vergeten’. 1942. Het jaar van de stilte corrigeert dat, brengt de geschiedenis tot leven. In de tegenwoordige tijd, stap voor stap, met alle vrijheid die het materiaal biedt, is dit een actueel en literair boek dat raakt en naijlt.

Cossee gaf samen met Polis 1942 uit.