Cynan Jones, Charlotte Van den Broeck: de redactie las een dwingend trage, beeldende roman met geconcentreerd uitgebeend indrukwekkend proza, en een charmante essaybundel over het maken en het falen.

*

Jan van Mersbergen: Cynan Jones, De wetten van water

Er zijn schrijvers die me direct een warm overwinningsgevoel geven zodra ik hun nieuwe boek in handen krijg. Een daarvan is Cynan Jones. Net verscheen van hem De wetten van water, een verzameling verhalen die afgelopen zomer als afzonderlijke delen op de BBC radio zijn voorgelezen en samen een roman vormen.

De bladspiegel met de kenmerkende witregels is onmiskenbaar Cynan Jones. Net als in De burcht en in het fenomenale Inham zorgt zijn manier van het opdienen van korte brokstukjes tekst ervoor dat mijn leestempo drastisch omlaag geschroefd moet worden. Iedere korte alinea van twee of drie regeltjes is even ademhalen. Opnieuw lezen. Langzaam een besef krijgen van de beschrijvingen, de handeling, stukjes verhaal, beelden. Dat is dwingend.
Dat werkt goed als de bladzijden opgebouwd zijn uit die beelden, uit flarden. Dat vormt het boek zich in het hoofd van de lezer.
Jones schrijft op bladzijde 25:

‘Het gaat altijd om het beeld van iets, in de meeste hoofden.’

Hij kent zijn eigen kracht, en de kracht van taal, met weinig woorden.
Als er te veel vergelijkingen gebruikt worden, zoals in het eerste cursief gedrukte hoofdstukje, dan worden de beelden inwisselbaar en herhalend. Dan ‘heerst er een stilte als na een hevige windvlaag’, dan ‘wordt het licht sterker, alsof het in volume toeneemt’, dan ‘knijpt ze in zijn hand, alsof ze de aarde tot stilte maant’, dan is de droom ‘als een droge mond’. Alles wordt vergeleken, en dat is wat veel. Het geeft de lezer het idee dat handeling en verhaal er niet meer toe doen en we poëzie aan het lezen zijn.
Nu spelen het verhaal en de personages geen traditionele rol in het werk van Jones. De tekst is geen film, het is een trage videoclip: veel beelden in korte tijd. Veel sfeer.
Dat werkt goed als iedere korte losstaande alinea ook beeld en sfeer heeft. Als er zinnetjes tussen staan die eigenlijk een dialoog zijn, zoals al snel in het boek gebeurt, dan lijkt het wit alleen de bladzijden op te rekken:

‘Ik kan wel komen,’ antwoordde Branner. Het was redelijk dichtbij. Aan de andere kant van het spoor.

‘Laat het geschut van de trein het pakken,’ zei de brigadier.

Branner voelde hoe het oude litteken op zijn kaak lichtjes aan de voering van zijn capuchon bleef haken.

‘Nee, ik ga wel.’

Het zal een dier zijn, dacht Branner. het hoeft niet onnodig te sterven.

Alleen de middelste alinea met het litteken en de voering biedt een beeld en een omschrijving en focus. Het vertraagt, het isolement van de zin legt nadruk op litteken, kaak, jas. De vorm is functioneel. De rest kan in elkaar geschoven worden zonder dat de tekst daar minder van wordt, sterker nog, het tempo mag in zo’n dialoog best omhoog.
Moeilijk uit te maken trouwens waar dit fragmentje van vijf korte stukjes over gaat, en dat doet er eigenlijk ook niet toe. Langzaam krijgt de lezer wel een idee van wat er speelt. Het gaat mij erom dat de stijl met die witregels soms ijzersterk is, zoals met die voering, die voel ik nu nog, maar soms ook een zwakte, zoals bij: ‘Nee, ik ga wel.’
Ik vertrouw Jones dusdanig dat ik verder lees, want ik weet dat de beelden en het gevoel de bovenhand zullen krijgen. Maar het lezen vraagt dus wel wat: rust, adem, geen afleiding.
Dan kom ik bij iets meer gevulde, iets beschrijvender dubbele pagina’s, en dan leef ik helemaal op.

Er hing een geur van nat metaal en steen.

Niet al te ver weg kokkerde een fazant, klapperde met zijn vleugels, zich gewaar van de naderende trilling in de lucht.

Opgaan in lucht, terwijl de regen zijn kortstondige beeltenis uiteendreef.

Met dank aan vertaler Jona Hoek voor het woordje ‘kokkerde,’ mij onbekend maar als ik aan een fazant denk weet ik precies wat hij bedoelt. Deze drie stukjes staan in een andere volgorde op bladzijde 19, en ik heb ze niet voor niets hier herhaald met de fazant in het midden. Soms lees ik de alinea’s op een bladzijde in een willekeurige volgorde. Bij beeldende kunst maakt het niet uit naar welke wand in de museumzaal je het eerst kijkt.

Het verhaal: zeer actueel. In het eerste hoofdstuk nadert een trein. Het verhaal gaat om water. Een trein moet water naar de stad vervoeren. Water is een schaars goed. De spoorlijn is kwetsbaar. Aanslagen dreigen. Daarom wordt er een enorm dok gebouwd waar een ijsschots in past. Huizen moeten wijken, een soort metrolijn zoals in de jaren zeventig in Amsterdam, maar dan een waterweg voor ijs.
Hadden klimaatactivisten maar de beeldende kracht van Cynan Jones. Konden ze in hun slogans (‘Liever groen dan poen’) hun zorg en angst verpakken zoals Jones dat doet, en toch met beide benen op de grond blijven, zoals een van de vertelstemmen, een man die aan het betonnen dok werkt en zegt dat er in iedere kubieke meter beton 150 liter water zit. Het beton dat het water moet vasthouden bestaat voor een deel uit water. Dat is de nuchterheid en de realiteitszin die vaak in het klimaatdebat ontbreekt.
Jones laat Londen leven, door schaarste op te voeren. De ijsberg is de oplossing. Het is klimaat-science fiction, en toch zeer aannemelijk. En gericht op kleine mensenlevens. Want hoe maak je een enorm ingrijpend maatschappelijk probleem behapbaar voor de lezer op een manier die de lezer raakt?

Jones zoomt in. Er is een tekort aan water, drinkwater, kraanwater. De man die aan de betonbak werkt ligt in bed met zijn vriendin en haar dochtertje. Buiten hebben kinderen de hoofdwaterleiding gekraakt. Het meisje speelt met zijn haar, dat droog en stoffig is. In een klein tussenzinnetje laat Jones deze verteller zeggen dat het meisje zijn haar ‘omwikkelt zoals mijn eigen kinderen deden’. Wordt even terloops gezegd, focus op een meisje en het haar van stiefvader, het beeld van het gezin wordt groter.
Buiten spettert het water. Er wordt gezegd dat ‘het stof aan de kant van de straat zo droog is dat het waterafstotend is’. Weer zo’n sterk beeld, weer de stad als onder een microscoop. Druppeltjes water in het stof.
Dan:

‘Zelfs met de extra watermuntjes die we hebben als deel van ons loon, wij arbeiders, is het onmogelijk om ons haar fatsoenlijk te wassen.’

Het systeem, de schaarste, het werk, het stof, het water, iemands kapsel, de handen van een stiefdochter. Alles komt terug op één enkele bladzijde in een stuk of zes korte alinea’s. Keer op keer ontneemt Jones de lezer de adem met zijn geconcentreerde uitgebeende indrukwekkende proza.
Het enige wat stoort is de diversiteit van de vertellers en hoofdpersonen die het moeilijk maken in deze veelheid van stemmen één roman te herkennen. De remedie: het leestempo nog verder omlaag brengen en herlezen, iedere bladzijde gewoon nog een keer lezen, om dit proza de kans te geven dit diep tot je door te dringen. Die poging wordt beloond.

Koppernik gaf De wetten van water uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Charlotte Van den Broeck, Waagstukken

Twee overeenkomsten, Jan, tussen jouw boek en het mijne van deze week: ik keek heel erg uit naar Waagstukken, waaruit we al een stuk in ons Periferienummer publiceerden, en water is het terugkerende element. Maar dan hebben we het wel gehad, geloof ik. Van den Broeck ging op zoek naar falende architecten die zelfmoord pleegden toen bleek hoe ze gefaald hadden. Een geweldig uitgangspunt, dat duurzame mislukking, niet zelden lachwekkend maar ook vaak tragisch, verbindt met bonte levensverhalen; dat geankerd in beton, baksteen en staal diep in de psychologie van kunstenaars kan reiken.
Een gewelddadig uitgangspunt ook; regelmatig wordt de jonge dichteres bezorgd toegesproken dat ze zelf niet ook de daad bij het onvolmaakte woord moet voegen. Dat 113-element geeft Waagstukken gewicht en ernst – en Van den Broeck ontsnapt daar niet volledig aan, waardoor ik dit boek in porties moest lezen, over enkele weken verspreid.

Dat gewicht, laat ik dat nu maar eerst benoemen voor ik bij de geweldige elementen van het boek kom, zit hem in het ronduit romantische wereldbeeld dat Van den Broeck tentoonspreidt, gecombineerd met een bloedserieuze benadering van de architectuur – waarbij het beeldmateriaal beperkt blijft tot vage polaroids – en een filosofisch doordenken van kunstenaarschap en zelfmoord. In een van de laatste essays schrijft ze:

‘Ik geloof dat dat schot een autonoom intentionele handeling was. Ik geloof dat Kempf de trekker overhaalde met de bedoeling om dood te gaan, meer dan dat het hem om de consequentie ervan, “het dood-zijn” te doen moet zijn geweest.
Eigenlijk voel ik ontzag voor de onverantwoorde manier waarop Kempf in het leven stond. Door een totaal op zichzelf gerichte houding lijkt hij nooit de gevolgen van wat dan ook te hebben gedragen, simpelweg omdat ze hem niet interesseerden.
Zelf probeer ik bij alles wat ik doe krampachtig de gevolgen te overzien.’

Dat krampachtige, maar ook het obsessieve en het streven naar iets volmaakts, komt regelmatig expliciet naar boven in het boek. Er staat dan: ‘Toen het schrijven aanving, of eigenlijk: toen wat ik schreef gelezen begon te worden en daardoor voorzichtig enig bestaansrecht kreeg, wist ik het heel precies: ik heb te veel. Het kan niet allebei, schrijven en een heel leven, er moet iets kapot.’ Ik vind dat eigenlijk minder interessant. Ik begrijp dat het gemeend is, maar ik vind ook dat het grote woorden zijn die, inderdaad, kapot moeten om menselijke, concrete literatuur te worden.

En die is er ook in Waagstukken. Want natuurlijk zijn sommige van die zelfmoorden mythevorming, architecten sterven ook in bed, vanzelfsprekend functioneren hun gebouwen soms gewoon ook, en blijkt de zoektocht overbodig. Maar ook de projecten zelf. Er is een Amerikaanse golfbaan, een perfecte golfbaan, die verboden is voor gewone stervelingen, en waarvan de maker zelfmoord pleegde omdat het gras telkens doodging. Tragisch, maar ook geestig. Het verhaal van een ingestorte filmzaal in Washington D.C. ontleent zijn kracht dan weer aan het perspectief van een passerend huisarts dat Van den Broeck leent: je bént in de fatale sneeuwstorm (het dak kon zoveel sneeuw niet aan), je ondergaat het rampweer.

En heel mooi verweeft Van den Broeck zwemscènes door het boek. Het opent met een zwembad in Turnhout dat meer dicht dan open is door allerlei mankementen, in Oostende is ze met Koen Peeters voor een heel ander gebouw en herinnert ze zich dat ze niet in zee konden zwemmen (te koud). ‘Vandaag gaan we van armoe dan maar binnen zwemmen in het zwembad aan de Koninginnelaan. Mijn broer zal hier een aanzienlijk grote lap huid van zijn rechterknie verliezen aan het uitsteeksel van de waterglijbaan.’
En in Napels bezoekt ze een strand dat een plaatselijke architect bedacht had voor een badplaats: ‘Als ik aankom in Bagnoli voelt het badpak onder mijn kleren dwaas. De lucht heeft een gestikte geur. De mengeling van polyester en lycra nijpt in mijn billen. Het strand, bezaaid met afval, ligt vlak aan het oude industrieterrein.’

Van den Broeck thematiseert niet zozeer de zelfmoord, alswel de mislukking. Haar onderzoek faalt, haar relatie faalt, de gebouwen falen, de architecten slagen er zelfs soms niet in heroïsch te sterven. Zelfs bij het zwemmen, wat toch vrijheid zou moeten geven, wordt ze gestuit. We kunnen wagen, maar het gaat maar al te vaak stuk. En dat levert een charmant boek op, geweldig vormgegeven ook met wat ik een open ruggetje zou willen noemen: de katernen zijn zichtbaar gebonden met blauwe, bruine en witte draden, er is geen kartonnen rug. Blijft fantastisch openliggen en wijst je op het productieproces. Een charmant boek dus over het maken en het falen.

De Arbeiderspers gaf Waagstukken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 7 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Hij zag hoe George en Marc de hinde naar de jeep sjouwden, ze hadden de voor- en achterpoten met touw aan elkaar vastgebonden en wiegden het dode dier heen en weer totdat ze het loslieten en het met een harde smak in de achterbak belandde. Hij dacht aan vroeger, aan het buitenzwembad aan de rand van het dorp waar de polders begonnen, de buurtvriendjes die hem bij handen en voeten hadden gepakt en in het water gooiden, hoe ze daarna op het grasveld annemarie koekoek speelden en hij om de paar seconden voor standbeeld speelde. De hitte van augustus die hij toen nog aangenaam vond; nu waren de zomermaanden hem een kwelling. Hij hield niet van korte broeken en mouwen.

Marc en George gaven hem en Marleen een hand toen de hinde in de jeep was geladen, alsof ze een transactie verzegelden – hulp bij een aanrijding in ruil voor zeventig kilo vlees.

Wat gaat er nu met het dier gebeuren, vroeg hij aan Marleen toen ze daarna stapvoets terugreden naar de AirBnB.

Volgens mij bewaren ze het. Om op te eten.

Een walgelijk idee: George die met een scherp jagersmes de hinde vilde, in stukken verdeelde en invroor.

Die nacht werd hij bezweet wakker. Hij droomde dat de hinde bij hem in bed lag. Nadat hij het deken had weggeslagen om te kijken of Marleen er nog was , duurde het even voordat hij zeker wist of hij echt wakker was. Dat overkwam hem vaker, wakker worden, een droom of nachtmerrie verwerken, om een moment later voor de tweede keer te ontwaken, dan pas echt. De rest van de nacht vroeg hij zich dan in halfslaap af of zijn werkelijkheid wel de werkelijkheid was.

De volgende ochtend deukte George in de garage van Sylvia de bumper van hun auto uit. Langzaam liet hij water dat net van de kook was over de grootste deuken stromen, met zijn vrije hand duwde hij zachtjes tot de deukjes met een zacht plopgeluid verdween. Over de grootste scheur smeerde hij een mysterieus wit goedje dat hij droogblies met een haarföhn. Man maakt auto. Ruben belde ondertussen met de verzekeringsmaatschappij.

Oek de Jong, Donald Ray Pollock: de redactie las een stuwende roman van vlucht en confrontatie en een boek van handeling en actie en beeldende taal, een boek om te voelen.

*

Daan Stoffelsen: Oek de Jong, Zwarte schuur

Stel: je bereikt het hoogtepunt van je carrière, en juist nu wordt de zwartste episode uit je verleden ontdekt en openbaard: een grote jeugdzonde. Tegelijk heb je een jaar hard gewerkt voor dat hoogtepunt en ben je vervreemd van je vrouw. Het gebeurt de schilder Maris Coppeelse, nog geen zestig, als er een groot overzicht van zijn werk tentoongesteld wordt in het Stedelijk Museum, en Oek de Jong – die hierover 24 oktober met Bob Kappen spreekt bij Athenaeum Boekhandel – zet zijn verhaal van vlucht vooruit en confrontatie overtuigend neer.

Én de persoon van deze kunstenaar:

‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd an hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voorouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen.’

Een personage uit één stuk, gekweld en getalenteerd. Hij denkt intuïtief en reageert impulsief. Maar het verhaal dus: de onthulling in een weekblad, van zijn betrokkenheid bij de dood van een meisje toen ze veertien waren, raakt hem, zijn vriendengroep, zijn familie; zijn stiefkinderen had hij het nooit verteld. Hij gaat de mensen ontwijken, zoekt herinneringen op. In vijf delen toont De Jong hoe Maris telkens weer geconfronteerd wordt met de geschiedenis, destijds, maar ook als jonge kunstenaar en nu, op een vakantie op Gomera. Dat stuwt het boek vooruit, terwijl zijn vrouw, Fran, hem ook op zijn plek houdt.

De psychologie is sterk, geloofwaardig, de beweging werkt, de decors zijn levendig, de roman hield me lang geboeid. Twee dingen vallen me sterk op aan deze roman. Het perspectief is personaal, derdepersoons, dicht op het personage – meestal op Maris, af en toe ook op Fran. We kennen hun gedachten, hun indrukken. Maar De Jong zoomt af en toe even uit, waardoor je denkt: óf dit personage is zeer zelfbewust, óf eigenlijk is hier stiekem een alwetende verteller aanwezig. Wéét Maris dat hij indruk maakt en zichtbaar een boerenachtergrond heeft? Of hier:

‘Fran aarzelde, maar toen pakte ze, zonder stil te staan, het sjaaltje vast, trok het met één beweging uit haar haren en stopte het in haar tas. Ze was een vrouw die zoiets onder de ogen van anderen kon doen zonder zichtbaar ongemak, luchtig. Ze schudde haar haren los. Het voelde als verraad aan Maris, als een breuk, als het voorteken van een breuk.’

Weet ze dat ze ‘zo’n vrouw’ is? Maar dan zijn we in twee zinnen weer bij haar gevoel. In die flitsen komt de god van de roman even naar voren, en dat doet aan als een stijlbreuk. Maar misschien ben ik spastisch geworden van het perspectiefdenken van Buwalda (en Luiselli en Schermer en Giphart), die de ik-perspectieven liefst laat overschieten bij fysiek contact tussen zijn personages.

Veel aanweziger is het fysieke. De Jong lijkt de bruuske beweging te willen onderzoeken, het duwen, het neuken, het schreeuwen. De woede en de lust boven begrip en tederheid. Een geweldige scène in dat verband is de nacht na de opening van de overzichtstentoonstelling.

‘In bed tastte Maris naar het lichaam van zijn vrouw. Hij schoof een hand onder haar nachthemd, in haar slip – sinds een jaar droeg ze een slip in bed – en liet hem rusten op haar buik. Het aanraken van haar lichaam kalmeerde hem. Bijna meteen duwde ze zijn hand weg.
Maris besefte dat ze klaarwakker was.’

Dat ‘klaarwakker’ is wat veel, en misschien wat volgt ook, maar het blijft hangen en echoën in het boek: ze blijkt te huilen, en bij een volgend teder gebaar pakt ze zijn onderarm en bijt. Bijt door.
Er wordt weinig gefluisterd, weinig gestreeld in deze roman. Als liefde goed is, is ze lichamelijk, snel binnen en snel bevredigend. Er wordt weinig geanalyseerd ook, veel beleefd en herinnerd. Eigenlijk dus eerder het bruuske ondergaan dan onderzoeken, en dat werkt goed, De Jongs opzet geeft een ouderwets gevoel van onderdompeling in iemands hoofd (lijf?).

‘Onder het genot,’ schrijft De Jong als het stel in een uiterste poging hun relatie te redden naar La Gomera vaart, ze zien dolfijnen, ‘lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’ Tussen het aanraken en het hard raken, het licht en de duisternis beweegt Zwarte schuur. En je beweegt als vanzelf mee.

AtlasContact gaf Zwarte schuur uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock, Al die tijd de duivel

Sinds de verhalenbundel Knockemstiff en zijn prachtige optreden op Crossing Border in Den Haag volg ik Donald Ray Pollock. Bij De Revisor publiceerden we een vertaald verhaal van hem. Nu herlas ik Al die tijd de duivel.
Ik las het opnieuw omdat ik een boek mee wilde nemen op reis. Ik ging een paar uur in een vliegtuig zitten. Ik wilde een boek bij me hebben dat een paar dingen in zich had: veel handeling en actie, vlotte beschrijvingen, mooie levendige personages, duidelijke gebeurtenissen en een verloop in het verhaal, en bovendien proza dat ik als een film tot me kan nemen: in beeldende taal. Als laatste, en dat is misschien voor lezen tijdens een vliegreis het belangrijkste: ik wilde een boek meenemen dat ik kon voelen. Denken in een vliegtuig, dat doe ik al voldoende. Het is zaak dat denken te verdrijven, en dat kan door een roman die je laat voelen.

Willard Russell, vader van de eigenlijke hoofdpersoon Arvin Eugene Russell, is getrouwd met een beeldschone vrouw die ziek wordt. Hij stelt alles in het werk om God aan te spreken; bidden, dieren offeren, bloed langs een oude gebedsstam laten lopen. Charlotte, de moeder van Arvin, sterft toch.
Met die uitzichtloze scène begint Pollock zijn verhaal dat speelt in de jaren tachtig in Ohio. Het leest alsof hij het Amerika van de jaren dertig van de vorige eeuw beschrijft, maar dit boek speelt dus vijftig jaar later, in een arm Amerika, een treurig Amerika, een hard gewelddadig Amerika.

Pollock spaart zijn personages en zijn lezers niet. Moord, geweld, oplichterij, ziekte, leed, alles komt voorbij. En toch zijn de personages aandoenlijk, vooral vader Willard in de eerste hoofdstukken als hij meedogenloos is voor mensen die hem ook maar zachtjes uitlachen, en later zoon Arvin, als zijn pa ook dood is, nog in het eerste deel.
De politieman komt in het bos bij de gebedsstam waar Willard zijn eigen keel heeft doorgesneden en vraagt aan de jongen wat die boomstam is.

‘“Het is een gebedsstam,” zei Arvin, met nauwelijks hoorbare stem.
“Wat? Een gebedsstam?”
Arvin knikte en staarde naar zijn vaders lichaam. “Maar hij doet het niet.”’

In deel twee nemen het moordende echtpaar Carl en Sandy het verhaal over, als de moderne en ranziger uitvoering van Bonnie en Clyde. Minstens zo heftig, en kleurrijk.
Ik ben al lang weer thuis en herlees verder. Soms zit ik met dit boek in handen en mijn leesbril op weer in een vliegtuigstoel, met de gordel vast.

Karaat gaf Al die tijd de duivel uit.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 6 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Op 27 augustus 2019 werd om iets over twee in de middag in het ziekenhuis van Rouen een meisje van drie opgenomen met hevige hoofdpijn en veertig graden koorts. Na vierentwintig uur ebde de koorts even weg, maar kwam in de nacht met hulptroepen terug. Het meisje, dat Juno Kortenaar heette en uit Breukelen kwam, kreeg een dag later last van hevige duizelingen en een stijve nek. Ze werd bovendien exteem gevoelig voor licht – toen de dienstdoende verpleger per ongeluk het gordijn opende in haar kamer, schreeuwde ze het uit alsof het licht haar lichaam verbrandde. Door een plotselinge toename van witte bloedcellen werd de kleine Juno per helicopter naar de intensive care van het kinderziekenhuis in Rouen overgebracht, waar ze twee dagen later na een korte coma overleed aan een herseninfarct.

Alexandre Boucher, een jonge arts uit Saint-Pierre-en-Pont, ontdekte postmortem dat het om een infectie van de naegleria fowleri ging, ook wel bekend als de hersenetende amoebe. Het eencellige organisme komt voor op plekken met chloorvrij, stilstaand zoetwater zoals meren, modderpoelen en slecht onderhouden zwembaden. Alleen als de amoebe het lichaam via de neus binnendringt, kan het schade aanrichten. Het baant zich via het zenuwstelsel naar de hersenen waar het de beschermlaag om het centrale zenuwstelsel opeet en zich daar verder vermedigvuldigt. Door een tegenaanval van het immuunsysteem raken de hersenen ontstoken en zwellen op. In vrijwel alle gevallen leidt een infiltratie van de amoebe tot de dood.

Bouchers ontdekking leidde tot een effectieve behandeling die wereldwijd honderden levens zou redden. Hij schreef er een paper over in the New England Journal of Medicine en mocht de jaren die volgden op allerlei symposia als keynotespreker vertellen over zijn vondst.

Hij werd er gek van. Van de op elkaar lijkende hotelkamers in verschillende steden, hetzelfde slechte ontbijt, zijn powerpoint met informatie over antischimmelmedicatie Amfotericine B, het opdreunen van de tekst, dezelfde vragen uit het publiek. Toen hij op de luchthaven van Lille was aangekomen na nog zo’n uitputtingsslag (ditmaal een seminar van drie dagen op de universiteit van Düsseldorf), en hij vanuit de auto onderweg naar huis belde met een collega uit het ziekenhuis om erover te klagen, werd hij op een landweg vlakbij zijn woning dodelijk aangereden door een dronken automobilist.

Ronald Giphart, Ivo Victoria: de redactie las een lekker, groepspsychologisch boek met een wij-perspectief en een persoonlijke, soepele en rake roman.

*

Daan Stoffelsen: Ronald Giphart, Alle tijd

Perspectief doet ertoe. Voor schrijvers is het een technische keuze die inhoudelijke achtergronden kan hebben, voor lezers kan een ander perspectief juist een intiemere betrokkenheid geven. Ik schreef vorige week aan jullie, en later aan Bart Koubaa zelf, dat ik nooit echt nabij zijn Jacob Querido kwam, en hij antwoordde me dat dat een bewuste keuze was. In de zeventiende eeuw was er geen psychologie, geen ik – alleen wij en zij en God. En daarom definieerde hij zijn personages door wat hij deed. Totaal anders, conventioneler ook, vergrootte Ronald Giphart in zijn boek over vriendschap de afstand tussen mij en zijn zestal personages, door te vertellen vanuit de eerste persoon meervoud.

Ronald Giphart en ik gaan ver terug, ik ben van de generatie die zijn puberteit doorbracht met Ik ook van jou en Giph, mijn oma zag grote uiterlijke overeenkomsten en een van zijn beste vrienden beschouw ik als een van mijn weinige vrienden onder de schrijvers. (Niet dat ik veel literaire vijanden heb, dat ik weet, op de beruchte HP|De Tijd-vraag zou ik geen antwoord hebben, zo sociaal ben ik simpelweg niet.)

Giphart en ik zijn elkaar wat uit het oog verloren, dacht ik, maar ik heb stiekem toch al zijn romans gelezen, hij schreef een tijd wat minder zie ik nu, maar mijn verhouding tot zijn werk blijft wat dubbel: is het niet té toegankelijk? Wordt zijn werk wel interessante literatuur? Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar literatuur verrast me idealiter, prikkelt, brengt me uit evenwicht, wekt ongemak op, raakt me. Een goede roman doet meer dan een verhaal zo goed mogelijk vertellen, hij geeft inzicht in de mens of de wereld of de taal of allemaal tegelijk, en die effecten ebben na nadat het boek uit is.

Kijk, Alle tijd is wel een zeer geslaagd boek. Giphart verbindt heel ingenieus de levens van een zestal mannen, jongens nog, met elkaar, die op gegeven moment een brouwerij opzetten. Het wordt, mede dankzij de financiering van hun moeders, een groot succes, terwijl de roerige liefdeslevens verweven raken. Er komt een proeflokaal, een nieuwe brouwzaal en nog een wordt ingericht, er komen kinderen, en de eerste van hen overlijden. Het is, en dat is Giphart toevertrouwd, een warmbloedig verhaal over vriendschap, dat rijmt met zijn eerdere boeken: er is liefde, seks, jacht, Utrecht, drank, drugs, Nick Cave, er zijn baby’s en moeders en een sterfbed, er is een acteur en een poëzieliefhebber, er is niet te veel gepsychologiseer, veel weetjes (‘Montaigne beschreef vriendschap als een relatie die losstaat van alle mogelijke belangen en waarin alles gemeenschappelijk is, of dat nu wensen, gedachten of meningen zijn. Wat we die nacht, die uren, meemaakten smeedde vooral ook onze vriendschap, al misten we Luciën.’ Research is altijd zichtbaar bij Giphart.) en citaatjes, goede grappen, handigheidjes met taal, een ontroerend sterfbed.

Ik val daarvoor.

Zo zijn vijf van de zes – ze zijn opvallend genoeg vaak niet compleet bij hun avonturen – bij de val van de Muur, en schrijft Giphart: ‘We kwamen vele nationaliteiten tegen en we voelden ons die nacht allemaal J.F. Kennedy.’ Geen Berliners, maar Kennedy’s, mooi. Zo parafraseert Giphart ook Nescio:

‘Nog steeds staan we bij elkaar, toevallig wederom in Duitsland, bij een rustig pisveld langs de snelweg. Er passeert een groep voetbalsupporters op weg naar de Raststätte, ze zijn een jaar of twintig jonger dan wij. Een van de jongens roept iets, maar het is onduidelijk wat of naar wie. Er wordt overdreven gelachen om de opmerking, die wellicht over ons ging. Een jongen laat in het voorbijgaan een harde wind, een onbeschaafdheid die door de wannabe-hooligans met infantiel gegiebel wordt ontvangen. Groepen gedragen zich vrijwel altijd onuitstaanbaar, elke groep, op elk moment. Ook wij, al waren we Titaantjes après la lettre en maakten we ons niet, of niet vaak, schuldig aan zinloos machogedrag of braggadocio, we hebben nimmer het interieur van een café verbouwd, geen straatmeubilair gesloopt, nooit gestolen, nimmer scheten gelaten als andere groepen mannen passeerden. Aardig without a cause.’

Misschien is dat waarover ik twijfel: is het niet té aardig?

Het probleem zou hem in het perspectief kunnen zitten. Net als bij Koubaa word ik nergens intiem met een van de personages, en net als bij Koubaa lijkt me dit een bewuste keus: Giphart beschrijft een groep, een roedel, en hoewel de leden wel eigen derdepersoons lijnen krijgen, is die ‘wij’ steeds op de achtergrond, zoals in: ‘Luciën, die het schouwspel met de Taunus vanaf onze plek gadeslaat, oppert dat we misschien moeten aanbieden om de reizigers in nood te helpen – hij is van onze groep degene die het meest oog heeft voor mensen die hulp behoeven. Niet dat hij verstand van auto’s heeft, maar het gaat om het gebaar. Cola oppert dat de vrouwen misschien verkeerd hebben getankt, waarop Jonas aan het gezelschap vraagt of ze soms assistentie nodig hebben.’

Het betekent ook een zekere gelijkmatigheid: de wij-stem is een gemiddelde stijl, en in een redelijk eerlijke verdeling van sores en pagina’s (ik heb dit niet uitgerekend, dit is een totaal onwetenschappelijke indruk) steekt er niet één of twee bovenuit. Ook niet qua stijl. Als ik bedenk welke romans ik recent heel goed vond, dan ging het telkens om enkele vertellers, individuën met een eigen geluid, een eigen geschiedenis, een eigen psychologie en monomanie. Echte mensen met een afwijkende stem.

Maar dat is dus, denk ik, een keuze. Giphart schreef een ánder boek, een groepspsychologisch portret, en daarin is het individu ondergeschikt, het gaat om de dynamiek. Hij schreef een overtuigend boek op plot en structuur (het boek begint met een pistool, en Tsjechovs plottip volledig negerend gaat het pistool nergens af), niet over de mens alleen maar over het leven samen, het samenleven. Een lekker boek ook. Lekker genoeg voor een gesprek met vrienden met een speciaalbiertje.

De Bezige Bij gaf Alle tijd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Ivo Victoria, Alles is oké

In de nieuwste roman van Ivo Victoria gebruikt de schrijver zijn eigen naam, zijn echte naam. Weliswaar tussen dubbele aanhalingstekens, terwijl hij in dialogen niet eens enkele aanhalingstekens gebruikt – iets wat ik heel prettig vind. Opeens staat er: “Hans”.

Nu is er over de roman Alles is oké op de site van De Revisor al een mooi stuk gepubliceerd, de toespraak die Thomas Heerma van Voss hield bij de presentatie van de roman in de Roode bioscoop in Amsterdam. Het was op de avond waarop Ajax de eerste groepswedstrijd in de Champions League speelde, tegen Lille. Een aantal mensen zat met spanning in het zaaltje. Thomas zorgde voor een pakkende toespraak. Geen dwepende woorden, maar het betoog van een oplettende lezer om het boek van Hans bij te staan.

Op de avond was er verwarring over Ivo en Hans. Het pseudoniem lijkt de schrijver steeds meer in de weg te zitten. Een leuk gekozen pornonaam die bestaat uit zijn doopnaam en de naam van de straat waarin hij geboren is (de Victoriastraat, Victorialaan…). Marius Hoogendorp zou op die manier mijn pseudoniem zijn. Ik ben blij dat ik die weg niet ingeslagen ben toen ze bij Meulenhoff vroegen welke naam er op de kaft van mijn debuut geplakt moest worden.
Hij heet dus Hans. Ik ken Hans al een tijdje. In de Roode bioscoop vierde hij zijn tienjarige schrijverschap dat begon met zijn eerste roman met de lange titel die ik hier niet zal herhalen, en zijn tweede boek, Gelukkig zijn we machteloos, dat het in 2012 schopte tot de shortlist van de Librisprijs, waar ik ook mocht aanschuiven en waar Adri van der Heijden met Tonio won. Toen noemde ik hem nog Ivo.

Als je af en toe samen aanschuift bij de schrijversborrel in de stad, elkaar op boekpresentaties en vertellersavonden tegenkomt, als je elkaar ziet met kinderen en partners erbij, als je samen lesgeeft in Arnhem, als je over Lowlands contact hebt, hij als programmeur en ik als schrijver met een show, dan wordt het langzaam Hans. En nu staat er plots Hans in de roman waar voorop nog steeds de naam Ivo prijkt.

Deze roman is persoonlijker, dat geeft die naam wel aan. Het gaat over zijn moeder, over zijn vrouw en kinderen, over zijn woonplaats (Amsterdam) die een eind weg is van de woonplaats van zijn moeder, het gaat over het aftakelen van zijn moeder, die langzaam dement wordt. Aangrijpend, erg goed geschreven, wat betreft taal ook veel meer Vlaams dan zijn vorige romans, persoonlijk dus.
Ivo wordt Hans.

Hij schrijft zintuigelijk, precies, swingend, over zijn moeder:

‘Een tandwiel dat net nog doelloos rondjes draaide in het luchtledige van haar gedachten en zich nu in de schakel van een ketting had weten te haken en dat tandwiel trok en trok, millimeter voor millimeter, die ketting voort totdat ook het volgende tandje haar schakeltje gevonden had. En daarna het volgende, en zo verder, totdat de mechaniek die haar woorden aandreef eindelijk opnieuw ordentelijk zou functioneren.’

Veel herhaling, en dat past bij de staat van zijn moeder. Heel mooi, het omzetten van gedachten in een mechaniek, om het verstoren van dit machientje te kunnen begrijpen.

Na de presentatie dronken we met een paar andere schrijvers biertjes in een café aan de Noordermarkt. Het was een huiskamer. Hans was moe, zag ik. Hij dronk als een vermoeide man die net een boek over zijn moeder had afgeleverd. Het boek was er, hij was er nog niet helemaal. Een persoonlijk boek staat dichtbij, het boek wordt nu de wereld ingeduwd, allerlei meningen waar je nog minder grip op hebt dan op de dementie van je moeder, zullen gaan komen. Dat is spannend, dat is dodelijk vermoeiend. Ik zag aan hem dat het schrijven hem veel had gekost en toen ik een paar weken later ging lezen herkende ik juist die vermoeidheid en machteloosheid in de tekst.

Die staat van de schrijver door laten schemeren in de vertelling, dat is genieten. Dan zegt de schrijver: dit boek had niet anders gekund. En dan bedoel ik niet alleen de mooie goedlopende zinnen en de rake beelden, ik bedoel dat dit het monument is dat Hans voor zijn moeder moest schrijven.

Lebowski geeft Alles is oké uit.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 5 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Rustig maar, rustig maar.

            Het was niet om aan te zien, dit stervende dier. De hinde staarde met wijdgesperde ogen naar Ruben en rochelde tijdens het in- en uitademen. Toen rolden haar ogen naar achter als van een pop. Je kunt een stervend, wild dier niet kalmeren, besefte Ruben: zijn aanraking en aanwezigheid maakten haar waarschijnlijk alleen maar angstiger. Het frustreerde hem dat de hinde zijn gefluisterde woorden niet begreep, en dat hij niet durfde om te doen wat nu nodig was, de handeling die het dier zou verlossen. Wat als hij te weinig kracht had of het verkeerd deed? Hij voelde zich zwak dat een of andere Fransman op weg was om het klusje te klaren, een man die er niet naar omkeek om de nekken van aangereden dieren om te draaien.

Geclaxonneer, knipperend groot licht in de verte. Hij zag hoe een zwarte jeep hem met hoge snelheid naderde – Ruben wist niet of hij weg moest duiken omdat de remmen van de jeep niet meer werkten, of dat dit een test van zijn mannelijkheid was; het kostte hem al zijn wilskracht om te blijven staan totdat de jeep een paar meter voor hem eindelijk remde en aan de kant van de weg werd geparkeerd.

            Er werden handen geschud, er werden namen uitgewisseld. De man heette George en zag er heel anders uit dan Ruben zich had voorgesteld. Ouder, klein en ingedeukt.

            George hurkte voor het dier neer en aaide het over haar hals.

            C’est dommage, c’est dommage. Marc, viens me aider, s’il vous plait.

            Hij zag hoe George de vacht van de hinde streelde. Daarna legde hij een hand op de snuit en de andere tussen haar oren. Marc hurkte naast hem neer en hield het spartelende lijf van de hinde in bedwang. Net voordat hij het geluid van de knak hoorde, sloot Ruben zijn ogen.

Euclides da Cunha, Bart Koubaa: de redactie las twee boeken over Brazilië, een episch, veelvormig boek over een land en een opstand, en een zowel magisch-realistische als gruwelijke V.O.C.-roman.

*

Jan van Mersbergen: Euclides da Cunha, De binnenlanden

Boeken vormen een reeks, betoogde ik een tijdje terug. Na het lezen van het eerste deel van De oorlog aan het einde van de wereld van Maria Vargas Llosa was er maar één boek dat ik met zekerheid moest lezen: De binnenlanden van Euclides da Cunha, vertaald door August Willemsen.

De binnenlanden is de non-fictie-leesaanvulling op de roman van Vargas Llosa. Wat betreft het schrijven was De binnenlanden de basis voor De oorlog aan het einde van de wereld. Soms kun je boeken lezen in de omgekeerde volgorde dan waarin ze geschreven zijn. Noem dat verdieping.

Ik wil nu eigenlijk al veelzeggende duidende woorden gebruiken om het boek neer te zetten: prachtig, ijzersterk, indrukwekkende, wreed, imponerend, uitgebreid, lijvig en beeldschoon, maar eigenlijk doen al die simpele typeringen de leeservaring tekort omdat dit boek een compleet land, zelfs een compleet continent bestrijkt. Het laat zien wat de volksaard van de mensen in dit uitgestrekte land is, door in te zoomen op een enkeling.
Dit boek is Brazilië.

Allereerst het verhaal. Aan het einde van de negentiende eeuw, dat lijkt al twee eeuwen geleden, krijgt een enkele man een ongekende faam toebedeeld. Over een periode van zeker dertig jaar ontpopt hij zich van een eenzame vreemde kluizenaar tot een goeroe die een enorm gevolg aan zich bindt, een eigen gemeenschap in het dorpje Canudos, vergelijkbaar met de vertelling van Gabriel García Márquez over de stad Macondo, in Honderd jaar eenzaamheid. Zonder toeval evenveel lettergrepen, Canudos en Macondo. Evenveel letters ook. En vijf van de zeven letters komen overeen. Echter, García Marquez verzon zijn stadje. Canudos lijkt in zijn echtheid en weidsheid meer fictie dan Macondo.

Aanvankelijk is hij een verstotene die de eenzaamheid van de sertão, de dorre vlakten in Brazilië, opzoekt. Lang haar en baard, paard versleten gewaad, wandelstok, het prototype van een verwilderde of verstotene die als enige basis het geloof heeft, in een uitgekamde vorm. De weg van die bijzondere figuur naar de gemeenschap die zich met hand en tand verzet tegen inmenging van buitenaf en dus ook tegen ingrijpen van de republiek, het bestuur, de politie en uiteindelijk het leger is lang en beslaat vele jaren.

De roman van Vargas Llosa laat naast de Raadgever, zoals Antônio Conselheiro al gauw genoemd werd, verschillende figuren zien die ieder hun eigen motieven hebben om hem te volgen: een vrouw die met een wiggelroede water op kan sporen, een bandiet, een priester die zich vergrijpt aan drank en vrouwen, andere verstotenen. In goed leesbare levendige taal trekt Vargas Llosa de lezer die gemeenschap in, met steeds de dreiging van buitenaf: het leger dat een einde wil maken een deze rebellie.

Vargas Llosa baseerde zijn roman op de feiten die Da Cunha aanvoerde, in het enige boek dat hij in zijn leven schreef: De binnenlanden. Het is een nauwgezet verslag van de grootste misdaad uit de Braziliaanse geschiedenis. Hoe zet je zo’n groots opgezet boek neer?

Het is als Congo van David Van Reybrouck, maar dan over Brazilië, en specifiek geconcentreerd op deze relatief kleine geschiedenis, waarbij land, natuur, antropologie, geschiedenis en alle mogelijke literaire middelen en stijlen (epos, poëzie, roman, essay) gebruikt worden.

Het is In Cold Blood van Truman Capote, maar dan vele maken groter en exotischer. Waarschijnlijk gaat die vergelijking mank, het geeft wel een klein idee van het allesomvattendheid en imponerende onderzoek dat in dit boek uitgewerkt is.

Ik moet zeggen: het begin, als Da Cunha het land met de vlakten, de droogte, de uitgestrektheid beschrijft, zet me aan tot bladeren, want wat Vargas Llosa direct lukt – het leven van die ene vreemde vogel schetsen – lukt Da Cunha pas na honderd bladzijden. Dan is hij aangekomen bij de eerste stappen van de Jomanda-achtige man en zijn leven en wegen. Vanaf daar leest het boek als een nauwgezet verslag van die ene man, een verhaal dat langzaam uitgroeit tot de oorlog uit de titel van de roman van Vargas Llosa, waarin duizenden mensen, aan de kant van de regeringstroepen en van de Raadgever, omkwamen. De opbouw van een gemeenschap die een staat op zich was, tot een slachting die twee jaar bestreek.

De taal van Da Cunha is verfijnd, duidelijk, beschrijvend en tegelijk zeer duidend, sfeervol en met een mooi ritme: ‘Zijn wonderlijke verschijning in de stad – het gezicht als van een dode, strak als een masker, zonder blik, zonder lach, de oogleden geloken, in die kassen, en zijn hoogst eigenaardige uitdossing, en zijn afstotelijke voorkomen van opgedolven lijk, in zijn lange tuniek die een zwart doodskleed leek, met stof bedekte haren die tot op de schouders hingen en zich verwarden met de stugge haren van de onverzorgde baard die tot zijn middel reikte – al die dingen prikkelden nieuwsgierigheid.’

Hier probeert een schrijver te beschrijven, verklaren, inkleuren, maar alleen om de geïnteresseerde lezer een zo volledig mogelijk beeld te geven van deze excentrieke man zodat je hem voor je ziet, zodat je voelt wat voor een man hij was.

Dat lukt prachtig. Iedere alinea is een aanvulling op dit beeld, lukraak gekozen onderaan pagina 129. En op deze manier beschrijft Da Cunha de andere mensen, het leger, het dorp, de streek en het land. Het is een beeldende poging om iets onuitputtelijk groots te omvatten.

Wat het boek in onze tijd wederom zo belangwekkend maakt is de actualiteit van geloofswaanzinnigen die er ook nu zijn. De manier waarop Antônio Conselheiro met beschuldigingen door de rechtbank omgaat – hij zou moorden hebben begaan – lijkt op de manier waarop de moslimextremist die in Utrecht mensen vermoordde in de tram, omgaat met zijn rechtzaak: hij erkent de rechtbank niet, heeft geen spijt, zou het zo weer doen en houdt vast aan zijn zelfgekozen stoïcijnse houding. Da Cunha laat zien dat het niet vreemd is dat dergelijke figuren uit bepaalde kring waardering krijgen. Verwerpelijkheid en waardering gaan hand in hand.

De mogelijkheid die Antônio Conselheiro had om, misschien zelfs zonder dat hij daar op uit was, met zijn volgelingen een fanatieke gemeenschap op te bouwen die jaren stand hield is tegenwoordig minder aanwezig, al gebeurt dit zeker nu nog. De opkomst en neergang van IS laat zich in eenzelfde verhaal vertellen, en ik hoop dat een journalist daar ooit toe in staat is.

Ik moet opeens denken aan Laura H., het boek over het meisje dat in Syrië was. Is dat boek onze versie van De binnenlanden? Daar ga ik de komende tijd achter zien te komen.

Meulenhoff gaf De binnenlanden uit. Het boek is op papier nog verkrijgbaar bij Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Bart Koubaa, Het leven en de dood van Jacob Querido

Er is iets eigenaardigs aan de nieuwe roman van Bart Koubaa – maar feitelijk kun je dat altijd zeggen van zijn boeken, hij bouwt al twee decennia aan een eigenzinnig, kronkelend oeuvre. Hij weet je niet zelden te betrekken bij ongewone personages in een universum dat logica lijkt te ontberen. Het leven en de dood van Jacob Querido is zijn eerste echte historische roman, te plaatsen in de korte periode dat de V.O.C. een deel van Brazilië (Ja! Nog een keer Brazilië!) veroverd had op de Portugezen om de suikerhandel over te nemen. Zijn hoofdpersoon, die de naam van Koubaa’s uitgeverij draagt, is een joodse Nederlander met Portugese wortels, was verliefd op het verkeerde meisje en wordt weggestuurd om de belangen van zijn vader in het Westen te behartigen. Daar slaagt hij in, hij steunt zijn oom en bouwt een succesvol bedrijf op, hervindt de liefde, of in ieder geval de bevrediging, maar met slecht nieuws uit Holland, de wraak van zijn slaven en ongelukkige jungle-ervaringen komt de dood van Jacob Querido met rasse schreden naderbij.

Dat is het verhaal, de roman is veel eigenzinniger. Wat nieuw voelt, is hoe Koubaa vertelt, hoe hij perspectief inzet. Neem de openingsscène, die op Athenaeum.nl iets ruimer is voorgepubliceerd:

‘Op 23 augustus 1630 stond Jacob Querido op het halfdek van De Gouden Salamander toe te kijken hoe een zwartbonte koe door vier matrozen vanuit een schuit aan boord van het schip werd gehesen, boven de kuil werd geduwd en er licht heen en weer slingerend in verdween. Op de schuit waarboven mantelmeeuwen in een zilvergrijze wolkenhemel opgewonden krijsten, stonden nog drie koeien zij aan zij te wachten om onder Hollandse aanmoedigingskreten in het ruim te worden geladen, terwijl in de verte, tussen een walvisvaarder en een ander compagnieschip dat ook deel uitmaakte van het kleine konvooi waarmee De Gouden Salamander naar Brazilië ging zeilen, een kloeke stier door twee aangeschoten Duitse en twee Deense soldaten in een sloep naar de driemaster werd geroeid. Vlak voor de sloep de ronde romp van het schip bereikte, wist de stier zich echter los te wringen van de twee Duitse soldaten die hem in bedwang hielden en sprong hij in het water, waarbij hij de dronken Duitsers meetrok in het paarlemoeren sop. De in paniek geraakte stier brulde onafgebroken en spartelde woest tussen de bevoorradingssloepen en de kleine bootjes van de zoetelaars die drank, tabak en suikerwaren aan de aangemonsterde bemanning probeerden te slijten. Een paar tellen ging hij kopje-onder en steeg direct daarna als een driftig zeemonster uit de zee op om naar adem te happen terwijl de twee Duitse soldaten zich vastklampten aan een roeispaan die hun werd aangereikt. ’

Ons startpunt is Jacob Querido zelf, maar vandaaruit schuift de camera uit naar een schouwspel dat bijna gelijktijdig (‘waarboven’, ‘terwijl’, ‘vlak voor’, ‘waarbij’, ‘direct daarna’) dronken soldaten, een stier en koeien en de hele omgeving erbij betrekt. Een chaotische werkelijkheid, en het is vast niet toevallig dat Koubaa even later vaststelt: ‘De hele rede was in rep en roer.’ Dit is de wereld van Jacob Querido, onrustig en onvoorspelbaar, waar verkrachting, dood, hoerenloperij, kannibalisme en drugs gegevens des levens zijn. Onze hoofdpersoon zelf ondergaat het, ziet het en maakt er deel van uit – zodat het bijna onthecht aandoet. Dat wil zeggen, in een van de meest dramatische gebeurtenissen van de roman, beschrijft Koubaa zijn gemoedstoestand wel, maar blijven we door het perspectief op afstand van.

‘De oude Jood werd een vierde, een vijfde en een zesde keer onder de kiel van De Gouden Salamander door gehaald, en ook al kwam hij daarbij steeds meer onder de wonden en het bloed naar boven, hij bleef leven, waar Swartehondt heimelijk op hoopte. “Naar boven!” De achtste keer dat de oude Jood voor Swartehondt werd geleid was zijn lid afgerukt en zakte hij in elkaar. Vrij snel daarna werd hij door de chirurgijn doodverklaard.
Jacob Querido bleef gechoqueerd en vervuld van een diep afgrijzen, en anderzijds gedreven door een duistere nieuwsgierigheid, het hele gebeuren in zich opnemen, zoals de rest van de bemanning, die, afgaande op de gezangen toen de oude Jood naar boven werd gehesen en de ophitsende kreten toen hij van de ra naar beneden viel, deels leek te genieten van de straf, maar ook de ogen dichtkneep of zich vloekend en walgend wegdraaide toen hij bloedend aan boord werd gehaald.’

Natuurlijk, het raakt hem: ‘Wat was dat verdriet dat hij voelde opkomen en dat werd versterkt door het beeld van Judith en zijn familie en de zilveren Hollandse luchten die met een klein briesje aan kwamen waaien?’ Maar zo makkelijk vervliegt dat: in een lange geschakelde zin die in een merkwaardige nevenschikking uitloopt, van ‘lucht in de longen’ ‘het woordje wind’ maar ook het hortende ‘het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten’.

‘De licht trillende veer op zijn hoed naast zich verdrong echter de opwelling van triestheid, en bevrijd door de kleine luchtverplaatsing, die hij niet alleen had gezien maar ook op zijn gezicht had gevoeld, liep hij naar het dek, waar niets meer van de strafuitvoering was te merken en waar ieder bemanningslid met lucht in de longen het woordje wind voortdurend als een schietgebedje afratelde in de hoop de langverwachte wind aan te wakkeren en het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten teniet te doen.’

De emotie is er, en dan is hij weg, alsof het witte poeder alles vlak maakt. De oude Jood met zijn oudtestamentische connotaties, zijn spookachtige flexibiliteit, reïncarneert in een rode kat die Jacob komt vergezellen, en overal zijn kleine flitsen van het magisch universum van Koubaa. Dat universum beschrijft hij even vanzelfsprekend als het ‘fijn wit poeder’, kitshaara, dat Jacob snuift, de gratis of gekochte liefde, en de gruwelen die de slavernij meebrengt.

De slavin met wie Jacob vrijt, is bij aankomst in de Nieuwe Wereld meermalen verkracht en tot slaaf gemaakt. Ja: ‘De zaterdagen met Musoke waren de gelukkigste in Jacob Querido’s jonge leven in Brazilië. Elke vrijdagavond zinderde zijn lijf bij de gedachte aan de zoete geur van haar donkere lichaam onder de sjofele witte jurk die ter hoogte van haar rijpe borsten schaamteloos openviel, en voelde hij met gesloten ogen haar warme schoot waarop zijn hoofd rustte terwijl ze zacht wiegend Afrikaanse liederen zong.’ Maar nee, dat is geen liefde, en ook al laat Jacob zijn slaven vrij, deze rekening blijft open staan. Bij haar bevrijding slaat Jacob haar in het gezicht, later komt ze wraak nemen. Zij gebrandmerkt, hij gebrandmerkt.

Onthecht registrerend, magisch-realistisch, realistisch, dat allemaal, maar de humor? Die is er minder. Het leven en de dood van Jacob Querido is een zwarter, serieuzer deel van Koubaa’s oeuvre, maatschappelijk als De leraar. We zien al snel dat Jacob Querido het geluk niet gegund is, dat hij zich met drugs en sluwheid weet af te schermen van een wereld van vuur, koloniale handelsoorlog en ongekende wreedheden, maar er toch deel vanuit maakt. De dood is een gegeven. Maar toch, toch is er de taal, de verwarrende nevenschikkingen, en een dialoog als deze:

‘“Het is gemakkelijker om een os te laten vliegen, wordt in de gelagkamers van Recife gezegd.”
“Die brug komt er,” zei Johan Maurits licht geïrriteerd, terwijl hij het zweet met een kanten doekje van zijn voorhoofd depte, “maar daarmee zijn we nog niet van die muizen verlost.”
“Katten,” zei Jacob Querido.’

Er komt een brug tussen Mauritsstad en Recife, maar die os vliegt ook nog menigmaal, en de katten redden Jacob van zijn eenzaamheid. Het leven en de dood van Jacob Querido is een roman die rijk is en vol, maar hij is niet onbezorgd, en als hij tot herlezen uitnodigt, dan vooral vanuit een duistere nieuwsgierigheid.

Querido gaf Het leven en de dood van Jacob Querido uit.