Annie Proulx, Maartje Wortel en Bregje Hofstede in Geïl, en Filosofie Magazine: de redactie las fysiek proza, voelende en voorbereidende verhalen en denkers over het lichaam.

*

Daan Stoffelsen: Geïl en Filosofie Magazine

Uiteindelijk bereidde ik geen welkomstwoord voor voor de presentatie van #24, ‘Huid’, waarin we, zoals we de auteurs schreven, het fysieke schrijven wilden onderzoeken. We wilden het hoofd uit, literatuur voelen, maar toen we alle bijdragen binnen hadden, zagen we dat de opdracht veel breder opgevat was: we onderzoeken nu het fysieke, schrijven fysieke literatuur, en literatuur waarin het fysieke een cruciale rol speelt. Zelf hadden we bovendien al gemerkt dat je overal ‘huid’ ziet (en daarna ‘de oversteek’, ons volgende thema), en ook dat je de kwaliteit uiteindelijk toch met je hoofd beoordeelt.

En zo is elk nummer, ook al hebben het thematisch nog zó ingekaderd, een verrassing. Ook voor ons.

Dat had ik maandag kunnen zeggen. Maf genoeg werd ik ook die avond weer verrast, want als een verhaal voorgelezen wordt, hoor je andere dingen. Er vielen me andere dingen op aan Ivo Victoria’s verhaal, en Daan Borrels essay, dat ik in vele redactierondes doodgeredigeerd heb alvorens het als deze brief aan Stella Bergsma reïncarneerde, bracht me plotseling in verlegenheid. Hadden we het nu opeens over masturbatie?

*

Vorige week ontdekte ik dat ons nummer, dat over het lichaam gaat, maar ook over masturbatie (een antwoord op Daans brief staat nu online), menstruatie, zelfmutilatie (online), discriminatie (deels online), aantrekkingskracht en kunstenaarschap, in goed gezelschap is van andere tijdschriften. Geïl wordt deze week gelanceerd, een vrolijk oversekst blaadje op initiatief van Mick Johan, die ook de illustraties maakte (‘you can’t spell geïllustreerd without Geïl’), met bijdragen van onder anderen Maartje Wortel, Alma Mathijsen, Pepijn Lanen, Elfie Tromp, Mick Johan zelf, Marten Mantel, Bregje Hofstede en Heere Heeresma (een oud, maar nog steeds sterk verhaal, facsimile gepubliceerd). Absurdisme en doelgerichte seks overheersen, afgewisseld met Johans geestige beeld.

Wortels openingsverhaal is sterk, een beetje ruw, maar ook met een goed verhaal over de aanloop: de verteller en haar minnares ontmoeten elkaar in de file.

‘Ik was onderweg naar zee. En zij naar huis. We stonden ongeveer twintig minuten in de file naast elkaar stil. En dan keken we naar elkaar. Als in: echt kijken. Ik wist nooit wat mensen daarmee bedoelden. Ik bedoel, je kijkt toch altijd echt? Maar nu zij en ik elkaar zo in de ogen keken dacht ik: echt kijken betekent simpelweg niet wegkijken.’

Simpele, doeltreffende zinnen, die door die overweging over ‘echt kijken’ even de druk afhalen van de geilheid van de vertelster. Ook in Geïl wordt er overigens vooral met elkaar gesekst, weinig zelfbeminning, Daan, sorry.

Wel geeft Bregje Hofstede nog een mooi voorbeeld van echt kijken, naar hoe de vagina voelt. Haar mannelijke verteller zegt:

‘Soms had ik het gevoel dat ik, ook al was het steeds met haar, telkens een ander neukte, niet alleen omdat ze veranderde als mens, maar ook gewoon vanwege haar kut die even veelvormig was als haar stemming. Soms drukte het zachte vel van haar schaamlippen zich in piepkleine blokjes door het raster van het kantwerk van haar favoriete string, vingertjes rond de tralies, grijpgraag, reikend. Soms moest ik diezelfde huid met moeite tevoorschijn lokken uit een grote zwarte slip. Of neem schaamhaar waar ik mijn vingertoppen over liet glijden, en dat nu eens de vorm had van krulletjes, nat nog van de douche, en dan weer stug was en in pieken overeind stond als het een dag lang opgesloten had – pet-haar.’

Dat raster van het kantwerk van haar favoriete string is me iets te langdradig, maar de opsomming van beelden – als voorbereiding op een date – is goed gevonden, een pleidooi voor voelen en het verschil voelen. En voor voorbereiding, voor verhaal, want hoe goed of slecht geschreven de bijdragen aan dit tijdschrift ook, seks heeft een verhaal nodig.

*

Aan het andere eind van het spectrum zit Filosofie Magazine, waar het hoofd overheerst. Ik lees het vooral voor de interviews. Aldo Houterman, auteur van Wij zijn ons lichaam, zegt bijvoorbeeld: ‘In mijn boek laat ik zien dat onze huid niet louter een omhulsel is zoals een handschoen, maar ons juist met de wereld in contact brengt. Onze huid is eigenlijk ons eerste zintuig of eerste brein, en is veel subtieler en fijnzinniger dan vaak gedacht wordt.’ En hij haalt Michel Serres aan: ‘Turners trainen volgens Serres hun ziel door zichzelf eromheen te buigten; hoogspringers gooien zich boven hun ziel uit.’ Mooie taal!

Het essay van Leon Heuts, over fitnessidealen, is me iets te stijf en rommelig, maar wijst me er wel op dat de ethische politiek van de afgelopen jaren, van euthanasie, donorregistratie en babysterftebeperking, over het lichaam gaat – en niet over de geest. Daar denk ik over door, en over Jenny Slatmans (Vreemd lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit) twijfel over hoe om te gaan met onduidelijke ziektebeelden. Interessant en relevant.

Plus naast de onvermijdelijke Descartes mooie leestips: Merleau-Ponty, Serres dus en de alomgeprezen Caroline Criado Perez. Misschien is 2020 een jaar voor (iets meer) filosofie naast de literatuur.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

Ik las maar weer eens het verhaal ‘55 mijl naar de benzinepomp’ voor, van Annie Proulx. Het was bij de presentatie van de nieuwe Revisor. Ik weet niet eens meer hoe vaak ik dat verhaal aangestipt heb, gebruikt in workshops, voorgelezen bij avonden, presentaties.
Nog steeds verandert het verhaal. In het begin vertelt Proulx over een mevrouw genaamd Croom, die steeds verandert naarmate de tijd verstrijkt en ik het verhaal vaker gelezen heb. Nu verruilt ze de zaag voor een beitel en een hamer. Eerder ontdekte ze de lichamen van meisjes op de zolder van haar man, die trouwens ook steeds verandert, want eerst was dat een vreselijk enge psycho en nu is hij een lichtvoetige danser, dat staat ook in het verhaal.
Hoe is dat mogelijk?
Dat twee personages in een verhaal van amper één bladzijde toch steeds groter worden, vervormen, veranderen?
En dat vervangen van die zaag? Ze heeft dus eerst gezaagd, en nu gaat ze beitelen. De eerste zin van het tweede deel van het verhaal is: ‘Mevrouw Croom die op het dak een gat in de zolder zaagt.’ Als je op het dak zit kun je niet zomaar beginnen met zagen, je moet een beginnetje hebben, en dat maak je met een beitel.
Ik ga dit verhaal nog voor het einde van het jaar nog een keer lezen, op een onbewaakt moment, misschien op de wc, en dan zal het weer anders zijn. De beste literatuur heeft dat in zich: het is als een veelvormige kameleon.

‘55 mijl naar de benzinepomp’ is opgenomen in Brokeback Mountain en andere verhalen, dat door De Geus uitgegeven is.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Martijn den Ouden (NL), Olga Stehlíková (CZ), Merlijn Huntjens (NL) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag: Martijn den Ouden met ‘het tentenkamp klappert in het dal’.

*

het tentenkamp klappert in het dal 
de balletdansertjes liggen doodstil 
op hun veldbedden te luisteren 
begint er een te fluisteren aapjes 
bijten elkaar vaak uit liefde – wij niet 
wij moeten zonder uitzondering 
knap voor de dag komen – het 
schept een wreed genoegen 
het rukken van de wind aan de 
dingen de bomen de struiken de 
kop van de zee het zeil der tenten – 
precies zo formuleren – de schichten 
de donder drie kiezelstoten van 
druppels van dof botsen van flets 
regengeroffel van onheilspellend 
hagelgeklater in modderplassen dat 
wordt de volgorde de 
balletdansertjes zullen liedjes 
zingen die naar zwemmende 
paarden ruiken – liedjes ruiken niet – 
en ze troosten elkaar door het 
angstzweet teder uit de nekjes te
likken

Martijn den Ouden (1983) is een Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar. Hij werd geboren als predikantszoon in Nieuw-Lekkerland. In 2009 studeerde hij af aan de Gerrit Rietveld Academie, waar hij de studierichting beeld en taal volgde. In 2010 verscheen zijn debuut Melktanden bij uitgeverij Querido, volgens de Stichting Poëzieclub ‘Het boeiendste debuut van het jaar’. In 2013 volgde zijn tweede bundel De beloofde dinsdag. In hetzelfde jaar verscheen ook beeldend werk van Den Ouden in HP/De Tijd. In 2017 kwam de korte film Denk maar aan iets blauws uit, gebaseerd op een gedicht van Den Ouden. Ook kwam de bundel Een kogelvrije zomer uit, dat het jaar daarop werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

In #24, ‘Huid’, richt Daan Borrel zich tot Stella Bergsma in een brief ‘Over zelfbeminnen’. ‘Laat ik maar met de deur in huis vallen. Ik wil het met je hebben over de armzalige staat van de masturberende vrouw in de literatuur.’ Dit is Bergsma’s antwoord.

*

Daan, you overthinking cat.

Deze woorden komen tot je vanuit de lucht. Op weg naar Qatar in een vliegtuig vol krijsende babies was het enige moment dat ik tijd had om je te schrijven. Ik heb geen internet, mijn telefoon met 4G is leeg en natuurlijk ben ik al mijn opladers vergeten. Ik wilde dingen opzoeken om je antwoord te geven; aan scènes en teksten refereren. Zo zag ik een artikel op internet met de intrigerende titel ‘Jane Austen and the masturbating girl’ dat ik van plan was te bestuderen. En mijn vriendin Clarice Gargard schreef een stuk dat ik uitgebreid wilde aanhalen. Het was voor Oh! magazine en ging over hoe zelfbevrediging voor vrouwen een daad van onafhankelijkheid en vrijheid is. Precies wat jij ook zegt in je brief. Van mijn eigen schrijf- en rukhand stond in datzelfde blad een verhaal waarin de hoofdpersoon in zee staat en onder het lauwwarme water zichzelf uitgebreid vingert, terwijl ze kijkt naar de bejaarde badgasten aan de kust. Overeenkomsten met de werkelijkheid berustten totáál niet op toeval.

Ook hield ik een tijdje geleden een lezing over geschreven porno voor het museum Meermanno, waar een collectie vieze boekjes tentoongesteld werd die onder het mom van ‘alle tekst moet bewaard blijven’ door de Koninklijke Bibliotheek waren aangekocht van een privéverzamelaar.  Daardoor weet ik dat veel eerder dan dat Van Deyssels scène van het blad afspoot, er ook al flink werd klaargekomen door vrouwen. In de 15de en 16de eeuw werd gesquirt, geëxperimenteerd en genoten dat het een lust was. Er werden objecten gebruikt als glazen dildo’s en vrijwel zeker was er ook sprake van masturbatie. Ik zeg vrijwel, ik meen me een masturbatiescène te herinneren, maar mijn geestesoog moet een poetsdoek en de pornolezing zit gevangen in mijn mail achter de tralies van een wifiloze wereld boven de wolken. Het kan ook een scène tussen twee vrouwen geweest zijn. Geil was het in ieder geval wel.

Wat ik me vooral goed herinner is dat de  meeste van die teksten zogenaamde bekentenissen waren van dames van plezier. Allerhande erotische escapades vaak heerlijk beschreven door heren die zich dan voordeden als die lichtekooien. Hoewel je dat ook weer niet helemaal zeker kunt weten. Het zouden stiekem echte vrouwen kunnen zijn geweest. Intiem onder hun pseudoniem. De toon van die boekjes was vaak vrij feministisch en onafhankelijk. Niet al te male gazerig, zoals jij zou zeggen. Maar is het ook weer een beetje te veel wensdenken om te beweren dat die dames echt aan hun eigen seksualiteit toekwamen? Het ging vaak over hoe ze hun klanten minachtten en stiekem uitlachten. Hoe konden die mannen denken dat ze het echt lekker vonden, dat ze echt klaarkwamen? De vrouwelijke seksualiteit als eeuwig verlengstuk van de mannelijke.

Hoe was dat  later bij Xaviera Hollander, vraag ik me ineens af. Een van de eerste  Nederlandse hoeren die daar openlijk voor uitkwam op schrift. Ze schreef in het boek The Happy Hooker volkomen schaamteloos over hoe geweldig ze haar vak vond en het zou mij niets verbazen als daar ook wat sappige masturbatiescènes bij kwamen kijken. Maar ik kan het hier vanuit de hoogte dus allemaal niet naspeuren. Mijn lijf geklemd tussen twee andere lichamen die ik bij ieder woord dat ik tik ritmisch raak met mijn ellenbogen. Louter mijn geest en mijn langzaam doodbloedende laptop. Maar misschien moet ik het zoeken sowieso aan jou overlaten en je alleen in de goede richting proberen te typen. De captain brabbelt gebroken engels door mijn gedachten en de man voor me doet zijn stoel zo ver naar achteren dat ik nu met schootcomputer en al in een soort V gevouwen zit. 
Als ik eerlijk ben denk ik dat de literatuur een te benepen en beperkt zoekgebied is voor de vrije, zichzelf explorerende vrouw. Een beklemmend, knellend, keurig keurslijf van letters. Hoewel porno op zich meer op mannen gericht is, kunnen ook vrouwen zich daar toch ongegeneerder laten gaan. Dat komt natuurlijk omdat het dan gewoon sletten zijn. Die hoer-madonna-dichotomie is vermoedelijk in alle aspecten van het leven door te voeren. Een vrouw heeft nou eenmaal maar een beperkt aantal rollen om uit te kiezen. De mogelijkheid tot menselijkheid is helaas minder voor haar. Een intellectuele vrouw is geen geile vrouw en vice versa. Laat je tieten zien en niemand neemt je meer serieus, maar zet een bril op en je seksualiteit moet meteen opschuiven. Male gaze is watching us en om daar onder vandaan te kruipen zal je soms je ramen pikzwart moeten afplakken. 

Mannen mogen wél een intellectueel en seksueel wezen tegelijk zijn. Dan is het menselijk, tenslotte. 
Terwijl Wolkers met Cremers in zijn kielzog de overstap van porno naar literatuur, de vermenging van het rauwe echte leven en de hoogstaande gedachten allang gemaakt heeft, zijn veel schrijfsters nog maagd in deze fusie. Voorzichtig proberen ze die voor de herenblik weggeborgen verlangens wat ruimte te geven, een klein kiertje licht door de afgeplakte ramen.  Maar de meeste vrouwen schrijven  nog met een condoom om. Een extra bewustzijn, voorzichtiger dan hun mannelijke collega’s. Dat verklaart ook dat tastende wat jij beschrijft, dat  geremde.

‘Snel, klein, ingehouden en aangespannen,’ geloof ik dat je schreef.  Niet als een beest tekeer gaan, niet ongeremd of uitgebreid graaien naar jezelf. Je mag wel klaarkomen, maar niet te gretig. Niet te uitgebreid genieten hoor, want het blijft uitkijken geblazen. Je krijgt als wijf geen Libris voor je lusten. We laten geen hoeren in het heiligdom van de literatuur, tenzij ze kunstig door Houellebecq zijn gebeft en beschreven.

Wanneer het object zelf de pen ter hand neemt, is het anders. Dan wordt het een subject en wat zijn haar motieven dan? Wil ze verleiden? Wil ze bekoren, mooi gevonden worden? Doet ze het voor de kijkcijfers, dat kan toch bijna niet anders? Want dat ze gewoon alleen voor haar eigen plezier doet  kunnen we ons moeilijk voorstellen. De vrouwelijke seksualiteit is nog altijd een verlengstuk van de mannelijke. Niet iets autonooms, onafhankelijks. Als je als vrouw over seks schrijft, verhoud je je nog altijd tot een maatschappij die grotendeels een mannelijke blik heeft. En ik denk dat dat zelfs zo ver gaat, dat dat niet alleen voor ons schrijven geldt, maar ook voor ons echte leven. Er zijn talloze vrouwen die niet masturberen, die zichzelf nooit met een spiegel bekijken. Die de ramen naar zichzelf ook hebben dichtgeplakt.

En wat is dan onze eigen seksualiteit zonder die mannenstaar waaronder we geboren zijn en gebukt gaan? Ik heb het idee dat het nu de tijd is waarin we daar voorzichtig naar op zoek gaan. Ik noem dat de sensuele revolutie. Veel schrijfsters zijn daar nu mee bezig. In Nederland de namen die je al noemde, Wortel, Fabias, Mathijssen. In het buitenland zal het niet anders zijn. Meestal gaat dit allemaal wel enigszins gelijk op. Op een paar pioniers na. Maar het schrijven is dus nog voorzichtig.  Ik zou bijna zeggen tuttig. Ik snap dus wel dat je boos bent. Op dat enorme gebrek aan voorbeelden. Ik was dat eigenlijk zelf ook en heb er daarom zo hard in willen beuken met mijn boek Pussy Album. Al die angstige bescheidenheid van vrouwen willen wegvegen met druipend kutsap. Maar, je hebt gelijk, ik bracht daarmee vooral agressie en destructie. Behalve aan het begin van mijn boek schreef ik heel weinig lekkere buffet-tussen-mijn benen-drie-gangengenot-neem-jezelf- met-grote-halen-literatuur. Misschien moet ik dat toch nog eens doen.

Ik heb altijd een zekere schaamteloosheid gehad betreffende nou ja… alles eigenlijk wel. Ik kan me nog herinneren dat ik uitvond hoe je jezelf ‘dat lekkere gevoel’ zo noemde ik het, kon geven. Ik was nog vrij jong er zo enthousiast over dat ik het al mijn vriendinnen vertelde. ‘Jij hebt mij leren masturberen,’ zei er laatst nog eentje, plechtig boven haar Pernod. Ik had pas door dat er misschien iets beschamends was aan de voor mij onschuldige, maar geniale ontdekking, toen ik het mijn moeder vertelde en ze vreemd reageerde. ‘O ja?’ zei ze, terwijl ze in de spiegel haar haren bleef kammen. ‘Nou, dat weet ik niet, zo, hoor.’ Nee? Wist ze dat echt niet? Ik begreep er niets van.

Ik weet ook nog hoe ik voor het eerst ontdekte dat je iets naar binnen kon brengen en dat dan heen en weer kon bewegen en hoe je met de douchekop jezelf kon beffen. Ik geloof dat ik daar in Pussy Album ook over heb geschreven. En jaren na mijn eerste masturbatie-revelatie vond ik pas echt de clitoris als direct punt om overheen te wrijven. Als het maar heel voorzichtig was, tot je heel geil werd, dan mocht het heftiger. Daarvoor deed ik het via via, mijn schaamlippen over dat speldenknopje bewegen, meer op die snelle De Bruyne-manier. Dit was nog intiemer, nog beter en zorgde voor extreem heftige sterrenspetterschietendeelectro-orgasmes. Ik was er uren mee bezig en vertelde er weer net zo begeesterd over aan mijn vriendinnen. Neem jezelf met grote halen, riep ik.

Toen ik zo kon klaarkomen kon ik ook beter aan mijn bedpartners vertellen wat ik wilde. Dat kan ik me nog heel goed voor de geest halen: de eerste keer dat ik een man vertelde dat ik er ‘op deze manier niet zoveel aan vond’. Hoe verbaasd hij was en hoe krachtig ik werd. Audre Lorde heeft gelijk en mijn laptop is leeg. Je seksualiteit vinden is je kracht vinden. Daarom lopen al die kerels natuurlijk zo fier rond de wereld. Als ik een stijve lul had zou ik dat ook doen. Het ligt er zo dik bovenop. Je bent als vent eigenlijk al geslaagd, met vlag en wimpel. Wij moeten meer zoeken. En worden daar nog in tegengewerkt ook. Zelf scheef ik ooit: pas als de kut bevrijd is, is de vrouw dat echt. Het licht op mijn scherm gaat uit, onderin knippert een rood waarschuwingsbolletje. De baby’s krijsen nog altijd, de lucht is paars. Ik ga een dubbele whisky bestellen.

Daan, poes. Blijf denken en over- en overdenken. Misschien schrijf jij zelf wel een keer precies datgene wat je zou willen lezen. Want zo gaat dat. Denken moet je, en lezen en schrijven. En vergeet nooit jezelf ook uitgebreid te nemen. Met grote halen.

Stella

In #24, ‘Huid’ publiceerden we het eerste deel van Lesley Nneka Arimahs met de Caine Prize bekroonde verhaal ‘Huid en linnen’ in de vertaling van Luc de Rooy. Online lees je verder.

*

Odinaka was haar verlosser. Ze troonde Ejem weg uit haar oude appartement, hielp haar de boete voor het opzeggen van haar huurcontract te betalen, en zorgde dat ze kon intrekken in een van haar eigen gebouwen in een van fijnste buurten van de stad.
Ejems nieuwe plek, een tweekamerappartement met een zeer ruime keuken, had zo’n spiksplinternieuwe frisheid, alsof het lang leeg had gestaan of nog zeer recent grondig was gereinigd en volledig ontdaan was van de geur en de persoonlijkheid van zijn vorige bewoner. De eenheid stond via een intercom rechtstreeks in verbinding met de Osu-vrouwen die de plek verzorgden. Ejem kon een verzoek indienen als er schoongemaakt moest worden of om boodschappen vragen die dan later opeens in haar koelkast lagen. Toen Ejem iets zei over de afstand van het appartement naar haar werk, liet Odinaka weten dat ze niet hoefde te werken als ze daar geen zin in had, en de keuze om niet naar de spa terug te keren was snel gemaakt. De vrije tijd stelde haar in staat de andere vrouwen in het gebouw beter te leren kennen.
Zo was daar Delilah, in haar manier van zich kleden en in haar maniertjes bijna een miniversie van Odinaka, met wel maar de helft van haar zelfvertrouwen. Doreen, een vrouw van tegen de veertig, werd Ejems favoriet. Ze was de eigenares van een boekhandel – een die voor een boekhandel goed liep – en had de air van iemand die precies wist wie ze was en dat fijn vond. Ze schuwde de mogelijkheid van zelfbedekking.
‘Laat ze maar staren,’ zei Doreen altijd na een paar glazen wijn. ‘Dit lichaam is een kunstwerk.’ Dan tilde ze met haar handen haar borsten op en liet Ejem en de andere vrouwen aangeschoten giechelen.
De overgebleven vrouwen – Morayo, Mukaso en Maryam – waren beleefd maar afstandelijk, net fatsoenlijk genoeg – maar ook maar nét – om elke beschuldiging van onbeschaafdheid terzijde te kunnen schuiven. Ejem en Doreen noemden hen ‘de drie M’s’ of, na een paar drankjes, ‘Mmm, nee’ vanwege hun weerbarstigheid. Soms schoven ze aan tijdens Odinaka’s bijna-nachtelijke cocktailuurtje, maar binnen een paar weken beperkte de kern zich tot Odinaka, Delilah, Doreen en Ejem.
Binnen deze groep vrouwen werden er geen hatelijke opmerkingen gemaakt over Ejems naaktheid, bood niemand achterbaks aan om haar te koppelen aan een man – welke man dan ook – die haar misschien haar onvolmaaktheden kon vergeven. Odinaka praatte over haar wijdvertakte bedrijf, Doreen over haar kleine zaak, en ze plaagden elkaar met vreselijke adviezen die ze nooit van elkaar zouden aannemen. Ejem praatte een beetje over de carrière die ze achter zich had gelaten, maar ze had in dit gesprek niet veel in te brengen. En voor het eerst was haar verlegenheid alleen maar verlegenheid, niet het bewijs van waarom ze nog ongeclaimd was, noch een uitnodiging om te worden doodgesmeten met advies over hoe ze zichzelf kon verbeteren.
Daarbij, Odinaka praatte meer dan genoeg voor iedereen, onderbrak hen vaak en voerde de boventoon bij elk onderwerp. Ejem vond het prima, want van iedereen had Odinaka het interessantste leven, een van een al sinds haar geboorte niet aflatende luxe. Ze had het linnenbedrijf van haar vader geërfd toen die met pensioen ging, bijna een decennium geleden, wat nogal wat opschudding had veroorzaakt. Maar als een van de rijkste dynastieën een vrouw aan het roer wilde, was dat een luxe die ze zich konden veroorloven. En als die vrouw zichzelf graag bedekte en andere vrouwen verzamelde en om hen gaf, wie had dan de macht om haar te stoppen?
‘Ik droom ervan een wereld te creëren,’ zei Odinaka vaak, ‘waar ontkleden iets is wat een vrouw alleen maar uit vrije keuze doet.’
Tijdens Ejems eerste nacht in het gebouw had Odinaka haar een stuk linnen gebracht, een geschenk, zei ze daarbij, dat Ejem kon dragen wanneer ze maar wilde. Ejem had urenlang naar het linnen gekeken. Zelfs binnen de muren van haar gebouw, in haar eigen wooneenheid, had ze niet de moed om het aan te trekken. Tijdens Odinaka’s cocktailuurtje kwam Doreen naast haar zitten en zei: ‘Wij staan tegenover deze bedeesde fuckers, Ejem,’ en luidde daarmee een avond in waarop ze op iedereen inhakte.
‘Ga je echt zo naar je zaak?’ vroeg Ejem Doreen op een middag. ‘Waarom bedek je jezelf niet? Niemand zal iets zeggen als ze weten dat je een van Odinaka’s vrouwen bent, toch?’ Ze probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat ook zij het linnen zou kunnen aantrekken en zonder enige angst in het openbaar verschijnen.
Doreen hield op met het doornemen van de facturen om Ejem alle aandacht te geven. ‘Kijk, we moeten hiermee leven. Ik werd op mijn tiende ontkleed. Weet je hoe het voelt om zo jong hieraan blootgesteld te worden? Ik verborg me bijna een decennium voor ik mezelf en mijn trots vond. Niemand zal me ooit meer ongemakkelijk doen voelen in mijn eigen huid. Ik ben van plan zo lang ik leef ongeclaimd en onbedekt te blijven, en niemand heeft daar verdomme iets over te zeggen. Odinaka rebelleert op haar manier, en ik op de mijne. Ik snak niet naar de veiligheid van het linnen. Als de wet me voorschrijft om naakt te zijn, zal ik naakt zijn. En dan zou ik godverdomme wel gek zijn als ik me ongemakkelijk voel om hun wet.’

De weken van het welkom, van het zich vrij voelen om zichzelf te kunnen zijn, begonnen vat op haar te krijgen en op een nacht, toen Ejem zich bij de andere vrouwen in Odinaka’s appartement voegde, deed ze dat bedekt, het linnen om haar heen gedrapeerd met een meisjesknoop, de enige knoop die ze kende. Doreen was de eerste die haar feliciteerde, en toen ze Ejem omhelsde zei ze: ‘Rebelleer op je eigen manier,’ maar haar glimlach was een beetje verdrietig.
Odinaka kraaide van plezier. ‘Alweer een! Dat vraagt om een feest.’
Ze mobiliseerde iedereen vlug, gaf via de intercom bevelen aan haar Osu-vrouwen. Ejem had nog geen van de Osu-vrouwen aan het werk gezien, maar steeds wanneer ze van Odinaka’s of Doreens appartement terugkeerde naar haar plek, was haar bed opgemaakt, de badkamerspiegel ontdaan van spatten, de korstjes tandpasta uit de wasbak geschrobd, en de kamers hielden een ondefinieerbaar gevoel net uitgeruimd te zijn.
Nog binnen het uur dat Ejem en de andere bewoonsters nodig hadden om zich voor het feest klaar te maken, was Odinaka’s appartement volgestroomd. Mannen en vrouwen, buiten Doreen allemaal gekleed, mengden zich onder elkaar en kletsten. Doreen hield hof op de bank, nipte wijn en glimlachte terughoudend.
Ejem probeerde zich in de drukte te begeven, maar zelfs met het zelflinnen voelde ze zich alleen maar als de onbedekte vrouw die ze haar hele volwassen leven was geweest. Odinaka probeerde Ejem in haar gesprekscirkel te betrekken, maar nadat Ejem alleen maar een paar stamelende replieken had uitgebracht, maakte ze zich voorzichtig uit de voeten en bespaarde zich zo dat ze nog verder in verlegenheid gebracht zou worden. Ejem ging maar in een hoekje staan, van waaruit ze de festiviteiten gadesloeg.
Ze was zich er niet van bewust dat ze zelf werd gadegeslagen, tot een man die ze theatraal voor Odinaka had zien buigen, tegen de muur vlak naast haar kwam leunen.
‘Dus jij bent de meest recente, is het niet?’
‘Ik neem aan dat ik dat ben.’
‘Je ziet er toch redelijk uit. Waarom ben je ongeclaimd?’
Ejem verstarde, behoedzaam.
‘Wat bedoel je in hemelsnaam met “redelijk”?’
Hij negeerde de vraag.
‘Weet je dat ik die vrouw al probeer op te eisen sinds ze een meisje was?’ Hij knikte in de richting van Odinaka. ‘Onze verbintenis zou legendarisch zijn geweest. De grootste linnenwever met de grootste katoenverbouwer. Wat denk je daarvan?’
Ejem haalde haar schouders op. Het ging haar echt niet aan.
‘In plaats daarvan is zij bezig met het verzamelen van puin.’
Verstomd door zijn brutaliteit draaide Ejem zich om, maar hij lachte alleen maar en riep iemand aan de andere kant van de kamer. Plotseling leek elk gelach tot haar gericht, elke glimlach een grijns om haar. Ze voelde zichzelf terugkeren tot het meisje dat Chidinma’s vaste hand nodig had voor ze met haar hoofd omhoog kon lopen. Ze dook weg, van plan om naar haar appartement terug te keren.
Ze stuitte op Delilah, die een kistje van bewerkt hout onder haar arm hield, een gewaardeerd familie-erfstuk dat Ejem herkende van hun vele bijeenkomsten. Het was een van de weinige voorwerpen waar Odinaka afgunstig om was, omdat ze er zelf niet een kon krijgen, niet in staat de oorsprong van het antiek te determineren. Ze vroeg Delilah constant het mee te nemen zodat ze het konden bewonderen, hoewel Delilah Odinaka niet toestond het te laten onderzoeken of taxeren, volkomen tevreden dat haar schat een mysterie bleef.
Ejem was niet bijzonder gesteld op Delilah. Ze had een mini-Odinaka kunnen zijn, maar anders dan Odinaka was Delilah pretentieus en pochte met haar goede afkomst. Ejems onrust was zichtbaar genoeg om Delilah te laten pauzeren, terwijl haar blik heen en weer ging tussen haar en de deur die het rumoer van de soiree binnensloot.
‘Is alles goed met je?’ vroeg ze.
Ejem knikte, maar haar strakke knikje zei het tegenovergestelde. Ze zag hoe Delilahs bezorgdheid streed met haar verlangen naar het plezier aan de andere kant van de deur. Delilahs bewegingen, een bepaalde draai in haar schouders, de manier waarop ze haar vuist balde, een bepaalde hoek waarin ze haar hoofd hield, maakte dat Ejem plots de Osu-vrouw in de bus voor zich zag. Iets moest op haar gezicht af te lezen zijn geweest, want Delilah bracht een heimelijke, zelfbewuste hand omhoog om haar haar op zijn plek te leggen – precies waar een identificatielitteken zou hebben gezeten als een regeringsverloskundige het in haar zesde maand in haar hoofd zou hebben gekrast, om het elke twee jaar, tot haar achttiende, bij ieder nieuw bezoek te verversen. Die praktijk was het enige wat Ejem over de Osu wist. Haar volk leefde samen met de Osu en toch wisten ze niets van elkaar.
Terwijl ze naar Delilahs doos keek kwam het in Ejem op dat een Osu-meisje – als ze slim en dapper genoeg was, in het bezit van onmogelijk dik haar – haar meest gewaardeerde bezit – laten we zeggen een mooi bewerkte houten doosje dat al vele generaties in de familie was – had kunnen pakken en midden in de nacht had kunnen wegglippen. Ze kon verder reizen dan ze ooit gereisd was, naar een stad waar niemand haar kende. En omdat ze slim was, kon ze naadloos opgaan in de wereld van de mensen die ze zo goed kende omdat ze hen haar hele leven had moeten bedienen.
Voor de gedachte vat kon krijgen, werd de onzekerheid in Delilahs gezicht vervangen door een kunstmatige zoetheid; ze klopte op Ejems schouder en zei: ‘Nou, rust dan goed uit’, voor ze zich uit de voeten maakte, het feestgedruis in.
Ejem werd ’s ochtends vroeg wakker van de laatste feestvierders die vertrokken. Ze bleef tot acht uur in haar appartement, maakte toen gebruik van Odinaka’s opendeurbeleid om het appartement van haar weldoener binnen te gaan. Als ze er niet zélf geweest zou zijn, had ze nooit geloofd dat het de hele nacht gevuld was geweest met feestgangers. In drie uur tijd had iemand, of verschillende iemanden, de schade van vijftig gasten – Ejem herinnerde zich ten minste twee omgestoten glazen wijn en een man die per se boven op een bijzettafeltje een speech wilde geven – terug te brengen tot de schone, moderne lijnen zoals een van rijkste vrouwen ter wereld die graag zag. Een vrouw die kennelijk puin verzamelde, waaronder zij. Ze wist niet helemaal zeker wat ze tegen Odinaka wilde zeggen – ze kon zich niet kinderlijk beklagen dat een van de gasten haar beledigd had – maar ze voelde zich gekwetst en was op zoek naar iets verzachtends.
Ze vond Odinaka loungend in haar bed, de dekens opgetrokken tot haar middel.
‘Heb je je vermaakt, Ejem? Ik zag dat je met Aju praatte. Hij is net weg, weet je.’ Ze trok haar wenkbrauwen op.
Toe maar. Nu kon Ejem hem niet beschuldigen. ‘We hadden een interessant gesprek,’ zei ze in plaats daarvan.
‘“Interessant,” zegt ze. Ik weet dat hij moeilijk kan zijn. Trek je niets van zijn woorden aan.’
Odinaka drukte op de intercom, vroeg om een dienblad met ontbijt en begon toen de nacht samen te vatten, lachend om die en deze gebeurtenis waarbij het niet tot haar doordrong dat Ejem niet aanwezig was geweest om het mee te maken.
Na tien minuten drukte ze opnieuw op de intercom. ‘Waar is mijn dienblad?’ eiste ze, bijna schreeuwend.
Toen ze de blik van Ejem opving, rolde ze met haar ogen.
‘Begin jij nu niet ook.’
Ejem opende haar mond om de Osu-vrouwen te verdedigen, maar sloot hem net zo snel, niet alleen beschaamd om de onaantrekkelijk revolutionaire insteek van wat ze bijna gezegd had, maar ook omdat het zo meer aanvoelde als een verdediging van haarzelf.
‘Je bent net als Doreen,’ ging Odinaka door. ‘Kijk, ik geef een leger van die vrouwen werk. Ze hebben een baan en die hebben ze nodig. Je weet nog wel hoe dat is, toch?’ Odinaka zette de televisie aan. Een reclame had het over een familie-uitje naar een textielmuseum waar kinderen konden leren hoe linnen gemaakt werd. Ejem herinnerde zich een documentaire die ze op school had gezien waarin de sombere slaapzalen werden getoond waarnaar ongeclaimde vrouwen werden verbannen, het gerantsoeneerde voedsel, het misbruik van de bewakers, de ‘bescherming’ die absoluut geen bescherming was. Het moest angst inboezemen om ooit op zulk soort plek te belanden, en het had gewerkt.
Toen het programma weer doorging, zette Odinaka het geluid harder tot het overduidelijk was voor Ejem dat ze geacht werd te vertrekken.

Ejem besloot dat ze als haar eerste uitstapje in het nieuwe linnen Doreens zaak zou bezoeken. Doreen zou wel iets weten te zeggen om de rusteloze pijn die binnenin haar broeide tot rust te brengen. Misschien wist ze zelfs genoeg van Delilahs geschiedenis om Ejems wegloopvermoedens te bevestigen. Doreen had haar vaak in de boekwinkel uitgenodigd – ‘Je kunt niet voor altijd binnen blijven. Kom. Kijk wat ik verwezenlijkt heb. Kijk wat een ongeclaimde vrouw in haar eentje kan opbouwen.’
Zelflinnen dragen in de veiligheid van Odinaka’s gebouw was één ding. Ejem treuzelde voor de spiegel, bestudeerde de zachtheid van haar buik, de flinke benen waar ze altijd zo trots op was, de druipende vorm van haar borsten. Ze pakte het linnen op en hield het omhoog. Veel beter. Ze bevestigde het op een eenvoudige manier, waarbij ze zo goed als ze kon het draperen en omgorden nadeed van de gesofisticeerde vrouwen die ze was tegengekomen.
Voor het eerst in haar volwassen leven staarde niemand naar haar. Toen ze de moed bijeen had geraapt om op de stoep oogcontact te maken met een man en hij zijn hoofd respectvol boog, struikelde ze bijna van de schok. Iedereen – mannen en vrouwen – behandelde haar anders, de meesten negeerden haar als zomaar het zoveelste lichaam op straat. Maar wanneer ze haar erkenden, waren hun reacties vriendelijk. Ejem voelde de beschermende verstijving van haar schouders zakken, alsof haar toestemming was verleend te ontspannen. Ze liep met een hupje in haar pas, elk deel van haar dat erdoor opveerde beschermd door het linnen. Ingepakt in linnen was ze vrijer dan ze zich ooit gevoeld had.
Ejem was zo blij verrast toen ze een bekend gezicht zag, ze glimlachte en zwaaide voor ze zich herinnerde dat de drager van het gezicht haar enkele maanden geleden haar vriendschap had ontzegd. Chidinma antwoordde met een aarzelend zwaaien voor ze Ejem glimlachend naderde.
‘Je bent bedekt! Je bent geclaimd! Draai je om; laat me zien. Je echtgenotenlinnen is zo mooi. Ik kan niet geloven dat je me niet hebt uitgenodigd voor je claimceremonie.’
De woorden waren vriendelijk maar de toon was geforceerd, hun laatste woordenwisseling hing nog in de lucht.
‘Er was geen ceremonie. Er was niets om je voor uit te nodigen.’
Chidinma’s glimlach betrok. ‘Je hoeft niet te liegen. Ik weet dat ik vreselijk tegen je deed; het spijt me.’
‘Nee, echt, er was geen ceremonie.’ Ejem leunde dichter naar haar toe, hunkerde ernaar het op te biechten, hun vroegere intimiteit te herstellen. ‘Het is zelflinnen. Ik heb mezelf bedekt.’
Chidinma had even nodig om dit tot zich te nemen. Toen ging ze erg overeind staan, trok elk laatste beetje genegenheid weg. Haar glimlach werd wasachtig en beleefd.
‘Je zult wel erg blij zijn met je echtgenoot.’
‘Chidinma, ik heb geen echtgenoot. Ik bedek mezelf.’
Chidinma’s blik werd zo kwaadaardig dat Ejem een stap naar achteren deed en tegen een man aan botste die zichzelf verontschuldigde.
‘O, echt? Zelflinnen, is dat het? Iemand uit een goede familie als de jouwe? Ik geloof het niet.’ In tegenstelling tot Ejem praatte Chidinma niet zachter, wat geschrokken blikken van voorbijgangers opleverde. Ejem suste haar.
‘O, nu ben je wel beschaamd? Heb je iets gedaan waar je niet helemaal trots op bent?’
Toen Ejem zich omdraaide om te vertrekken, greep Chidinma haar bij het linnen. Dit keer fluisterde ze: ‘Je denkt dat je bedekt bent, maar je bent nog steeds naakt. Nog geen stukje duur “zelflinnen” – hoe ridicuul! – zal daar iets aan veranderen.’
Het was een hatelijke en kwaadaardige opmerking, een die bedoeld was om pijn te doen, en dat deed hij ook. Ejem probeerde het linnen uit de vuist van haar oude vriendin te rukken, maar Chidinma liet niet los. Ze ging verder, haar stem brak door de tranen.
‘Je zult niet bedekt raken zonder iets op te geven; dat zal je niet. Het is niet eerlijk. Na alles wat ik voor je gedaan heb, het is niet eerlijk.’
Chidinma huilde nu open en bloot en Ejem maakte gebruik van de mogelijkheid van een verzwakte greep om zich los te wringen, zelf ook bijna in tranen.
Het was makkelijk geweest, dacht Ejem, in de weelde van Odinaka’s huis, te vergeten dat ze wetten braken. Makkelijk ook, om nacht op nacht met elkaar te proosten. Wat had een vrouw opgegeven zodat Ejem dit linnen kon hebben? Was ze uit vrije wil linnenwever geworden of was ze daar contractueel toe verplicht, gedoemd tot voorbij haar ‘prime’ en belast om de zorg van de staat te verdienen? Het linnen begon nu te prikken, alsof het gewoven was van ruw draad.
Ejem haastte zich terug langs waar ze vandaan was gekomen, naar de veiligheid van Odinaka’s gebouw. Bijna overmand door paniek morrelde ze met de sleutels van haar appartement en ging naar binnen. Toen ze daar eindelijk was, zakte ze tegen de deur naar de grond, hoofd tegen haar knieën, en probeerde haar ademhaling onder controle te krijgen. Ze voelde… iets, en dat maakte dat ze om zich heen keek, en toen zag ze de Osu-vrouw in de hoek staan. Haar huid was licht, ging bijna op in het schemerige beige van de muur, haar litteken een kraakbeenachtig, gezwollen massa aan de andere kant van haar hoofd. Ze leek van Ejems leeftijd of iets ouder. Ze hield een fles schoonmaakmiddel en een oude doek vast. Ze was naakt.
Het was duidelijk uit de verstijfheid van haar schouders en de omzichtige blik in haar oog dat het geen naaktheid was die ze fijn vond. Hoe lang was het geleden dat Ejem precies die blik op haar eigen gezicht had staan? Hoe lang geleden sinds ze schaamte had gevoeld die zo diep was dat ze er bijna in was verdronken?
De dag dat ze haar vaderlinnen was verloren had ze haar vader gesmeekt en bevocht hem terwijl hij pogingen deed het linnen van haar af te rukken. Haar moeder had tegen haar geschreeuwd dat ze deze last met iets van waardigheid moest dragen, maar Ejem was buiten zinnen. Toen haar vader uiteindelijk het hele linnen te pakken had, haar vingers loswrikkend die zich zelfs aan de gescheurde stroken probeerden vast te houden, had Ejem zich in zichzelf opgerold, haarzelf bedekt met haar ledematen. Sindsdien had ze elke dag moeten strijden om die paniek onder controle te houden, door het in te slikken, diep in haar buik, waar het niet tot uitbarsting kon komen.
De Osu-vrouw knikte naar Ejem en glipte toen weg door een paneel in de muur en verdween. Het paneel gleed geluidloos terug op zijn plek, en toen Ejem naar de muur liep was er helemaal geen naad te voelen. Ze klauwde ernaar, boog haar nagels dubbel en brak ze in een poging om binnen te komen. Toen ze vanaf haar kant geen ingang vond, bleef ze bonzen en roepen, op zoek naar een welkom.

Online luchtsteun bij ons 24ste nummer, ‘Huid’: Naomi Rebekka Boekwijts indringende verhaal ‘Psychiatrische dagen’, dat nu juist niet de liefde voor het lichaam bezingt.

*

I

We komen terug van de afdeling. Vandaag ben ik als een ouder die voor een dochter zorgt. Een dochter die moe en gemedicineerd naast mij in de auto zit. Er zijn nog geen bomen of struiken geplant, dus het zand veegt wild over de net aangelegde straat. Die sjaal staat mooi om je slanke hals en wappert wat kleur in je gezicht als je uitstapt en naar de voordeur loopt. Ik keek hoe je ‘m om deed toen ze je je jas en je spullen teruggaven. Ieder ander zou in de spiegel of in een raam kijken terwijl ze dat doet. Jij niet.

In het gangetje voel ik me nog wat verloren. We hebben onze kapstok opgehangen en wat foto’s. Toch is het nog niet echt thuiskomen. Je doet je sjaal af en hangt hem op, zonder dat je het door lijkt te hebben. Je ogen kijken alleen maar naar binnen. Wat daar gaande is, blijft voor mij onbekend.
Jij gaat op de bank liggen met de hond. Ik ga wat aan het huishouden doen. Het is half elf in de ochtend, net zo laat als je gisteren van huis moest naar je afspraak. Je durfde niet goed, je zag er al een week tegenop. 
De uren voor half elf zat je op de badkamervloer. Ik had dat niet door, tot ik me afvroeg waarom je fiets er nog stond. Ik vond je in de badkamer. De hond zat bij de deur. Hij kon je niet tegen jezelf beschermen, maar hij zou zijn best doen over je te waken. Je had jezelf weer beschadigd. De verzorging is inmiddels routine voor mij. Maar jou zo aantreffen, dat wordt nooit routine, dat is elke keer weer een schok. Hoe je daar dan zit, weggeraakt, verwilderd. Van de wereld afgevallen. Met je bloedende armen die je voor je uit strekt alsof je niet goed weet wat je nou hebt gedaan, en of dat wel jouw armen zijn. Soms leunend met je hoofd tegen de muur of op de vloer – daar waar het naartoe zakte, zwaar van de stoffen die vrijkwamen in je hersenen en je overspoelen met een koele rust. Ik wilde dat ik het eens voor kon zijn. Dat ik op tijd zou zijn. 
Ik doe maar wat. Ik modder maar wat aan. Ik ben hier maar met mijn zorg voor jou. Je was zo koud als de vloer waar je op zat. Je tranen waren eerst warm op je wangen, maar toen ze opdroogden prikten ze schroeierig op je huid. Je had daar ook niet moeten gaan zitten. Ik zei het je nog. Ga nou niet op die koude vloer zitten. Maar dat had ik niet moeten zeggen natuurlijk, want dan doe je het juist. Weet ik ook wel. Je zegt dat het moet. Dat je niet ons huis wilt verkloten, en daarom een plek kiest die vies mag worden. Weer een nieuwe wond op je lijf, die eigenlijk een oude wond is.

II

‘Is uw vriendin psychiatrische patiënt?’ kwam de buurvrouw laatst vragen. Ze deed duidelijk alsof ze wat aan het doen was in de voortuin, toen ik terugkwam van het rondje met de hond. Ik had haar nog nooit ontmoet, alleen vluchtig gezien toen ze een keer aan kwam fietsen. Haar huis werd twee weken na dat van ons opgeleverd. 
‘Waar leidt u dat uit af?’ vroeg ik rustig. 
‘Ik weet niet, hoe ze liep, hoe je haar de auto in hielp.’
Dat is snel, dat ik van u naar je ga . 
‘Maar is ze dat dan?’ vroeg ze.
‘Op sommige dagen wel,’ zei ik. 
Op ons en onze buurvrouw na is het nieuwe huizenblok nog erg leeg. Dat geeft niet, dat geeft wat rust, niet te veel auto’s, fietsers, schoolkinderen en ander dagelijks gedoe op die zanderige straat. Kunnen we rustig wennen. Althans, ik. Ik weet niet of jij wel aan het leven kunt wennen. 
Sommige dagen zijn eigenaardig met jou. Dat je tijdens het eten zomaar begint te huilen en uitroept: ‘Hoe DOEN mensen dat, LEVEN?!’ Of dat je in de keuken een half losgeraakte wondkorst staat af te knippen die je wat dagen daarvoor zelf hebt gemaakt. Toch heb ik zoveel liever dit, dan de dagen met een mens als de buurvrouw te delen, een mens dat nooit eens in zichzelf nagaat hoe het haar nou eigenlijk vergaat. En liever dit, omdat het het allemaal waard is voor die ene lach van jou, op die ene goeie dag.

III

Als je in ons huis op de tweede trap komt ruik je de geur van schone was. Dan sta ik altijd even stil, halverwege de trap, om dat te ruiken. Jouw geur mijn geur met wasmiddel en water. En dan loop ik verder omhoog, over de overloop het washok in, en geniet even van iets stoms als een droger die staat te draaien en warmte produceert.
Jij staat opeens op de overloop en fluistert. Je ogen draaien vreemd weg. Ik ga voor je staan om je fluister te horen. 
‘Zorg alsjeblieft – dat ik dit niet doe.’ 
Je zakt door je benen en ik moet heel hard trekken om dat ding in je hand af te pakken. Ik probeer je vast te houden maar dat lukt niet echt. Het ziet er vast heel raar uit als je ernaar zou kijken. Niet dat er iemand kijkt. Dit blijft tussen ons. Jouw pijn, de onhandige steun die ik probeer te zijn. Je armen blijven eerst slap hangen maar dan probeer je toch je handen ergens op m’n rug of schouders te houden. Je vindt steeds meer grip, steeds steviger houd je je vast. Jankt en schreeuwt. Tot het weer gaat, tot het weer gaat. Ik houd me groot. Haal maar even diep adem. Dat zeggen ze altijd terwijl je dan juist niet diep adem kunt halen. Al die goedbedoelde clichéadviezen. 
Ik help je naar beneden en zet je onder de douche. Ze zeiden dat ik dat met je kon proberen. Ik hoor de wind gieren door het ventilatiegangetje boven de douche. Jij wilt het water of ijskoud, of zo heet dat het je zal verbranden, maar ik houd je handen weg van de kraan. Ik stel me voor dat het is zoals wanneer je binnenkomt nadat je heel lang buiten in de kou hebt gelopen of gefietst. De kou lijkt in je botten te zitten, en dan is het zo moeilijk om warm te worden, ook al neem je een douche en stroomt het hete water over je lijf en trekken de rillingen langzaam weg.

De redactie redigeert en schrijft en leest kopij — maar ook tientallen, soms meer dan honderd boeken. Elke week rapporteerden we daarover. En in 2017 en 2018 kozen we dan vervolgens de beste boeken. Dit jaar schreven Manon Uphoff, Dore van Duivenbode, Olivier Guez, Robin Robertson, Siri Hustvedt, Ivo Victoria, Lesley Nneka Arimah, Valeria Luiselli, Stephan Enter, Geir Gulliksen, Iduna Paalman en Evelien Vos de beste boeken volgens de redactie.

*

Bernke Klein Zandvoort

Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt is het debuut van Lesley Nneka Arimah. Het omhelst twaalf verhalen, waarin hardvochtige realiteit en een soort magisch absurdisme elkaar afwisselen of in elkaar verstrikt raken. Zo zijn er hondsbrutale pubers, strenge regimes van tantes of grootvaders, is er de Biafra-oorlog, moeders die hun dochters via Skype proberen op te voeden, vaders die er alleen voor staan: ‘Toen Enebli Okwara zijn dochter de wijde wereld in stuurde, had hij geen idee wat de wijde wereld met dochters deed’.

Maar ook: verhalen waarin baby’s gemaakt van haarstrengen tot leven gewekt kunnen worden en wiskundigen die treurnis kunnen opeten (‘de vergelijking van een persoon kunnen oplossen’). Het sterkst vind ik de verhalen waarin de werkelijkheden in elkaar overlopen:

‘Bij de kassa droeg de jongen die haar boodschappen scande en in draagtasjes stopte een naamkaartje waar MARTIN opstond, wat misschien wel en niet zijn naam was. De Britten hadden het liefst dat hun dienstverleners namen droegen die ze konden uitspreken, en de meeste bedrvijven maakten het dragen van westerse namen tot hun beleid. De tatoeage op zijn pols gaf zijn nationaliteit weer – een oorspronkelijke Biafraan – en zijn klasse, de derde.’ 

Bijna alle verhalen spelen zich af in Nigeria of Amerika, bijna altijd is de hoofdpersoon een vrouw tussen de 12 en 35 jaar, bijna altijd mist er een ouder. En steeds opnieuw is het pijnlijk, bitter, wreed. Uitzichtloze situaties worden nooit uitzichtrijker, er zijn geen goede eindes.
Waarom dan toch doorlezen? vroeg ik me op een gegeven moment af. Het zit in Arimahs zinnen. Die zijn waanzinnig goed, zó sprankelend, gevat, grappig en onverwacht. Daarnaast experimenteert Arimah met vertelvormen, zoals in het openingsverhaal ‘De toekomst ziet er rooskleurig uit’, dat in zichzelf lijkt te verdwijnen. Het verhaal eindigt bij het slot. Letterlijk en figuurlijk, omdat we met hoofdpersoon Enzinma bij het slot van een deur staan. Voor ze die kan openen, gaan we steeds een stap terug in de tijd om haar familieleden te leren kennen:

‘Enzinma zoekt op de tast met de sleutel naar het slot en ziet niet wat haar van achteren nadert: haar vader als klein jongetje…’ waarna het verhaal van de vader, beknopt maar levendig, uit de doeken wordt gedaan tot het punt waarop hij zijn vrouw ontmoet: ‘… en dat is hoe zijn vrouw zal ontmoeten en waarom Enzinma, die met de sleutels op de tast naar het slot zoekt, niet ziet wat haar van achteren nadert: haar moeder op haar tweeëntwintigste, niet knap, maar met de frisse blik van iemand die nooit honger heeft gehad’ 

Alle terugblikken leiden uiteindelijk naar de laatste alinea, waarin we in het heden uitkomen, opnieuw bij het slot staan, en we door de ontmoetingen met haar naasten van een personage zijn gaan houden, dat helaas geen goed einde is gegund. 

*

Fluitsignaal: 
Schotklok tikt: 
Nummer 1:
De waarheid is: 
Het is makkelijk:
Dan komt het aanraken: 
Daarna begint het vertellen:
Voel:

Zinnen als vingerknippen, ben ik alert? Ik lees de gedichten van Iduna Paalman in De grom uit de hond halen als vellen die uit een typemachine worden getrokken en waarin steeds opnieuw de balans lijkt te worden opgemaakt. Verwoed, vel na vel, worden pogingen gedaan om iets in bedwang te houden, veilig te stellen, gecontroleerd te weten – met tegelijkertijd die vernuftige realisatie dat het allemaal maar lucht is, want hoe kan je grip krijgen als de wereld een plek is 

waar nattigheid wordt drooggedept/ met doorweekte doeken?

Paalman doet dat door heel secuur te zijn. Haar gedichten zijn fijnmazige bouwwerken waarin niets over het hoofd wordt gezien. Het ene moment lijk ik deel van iets manisch, waarin alles en iedereen veilig gehouden moet:  

mijn borstkas deel ik als het even kan/ 
met wie er adem vindt, mijn ribben
omklemmen alle troost, gevangen bal
tussen de palen

Op andere momenten mag ik even ontspannen in de schoonheid van de kleinste, vaak over het hoofd geziene dingen – een vermoeide middenberm, tondeuses als optrekkende legertanks, de zee op ruikafstand gelegd, een aanraking die tegelijk een huisvesting is – zolang ik •vingerknip!• mijn waakzaamheid maar niet verlies.

*

The Long Take is de oorspronkelijke titel van Robin Robertsons Hier maak ik mijn stad. Het origineel valt mooi samen met de vertelvorm: een langgerekte, poëtische vertelling die maar doordendert. De Nederlandse titel sluit goed aan bij mijn leeservaring, waarin ik als lezer, door de gefragmenteerde vertelvorm, zelf aan het maken werd gezet.  

Walker, een getraumatiseerde oorlogsveteraan, kan na de Tweede Wereldoorlog niet terug naar huis en belandt voor het eerst in zijn leven in de grootstad. In een serie grootsteden eigenlijk, waarin we met hem dagbaantjes aannemen, kamers huren, oorlogsbeelden verdringen en van daklozen tot penthouses, de gelaagdheid van het begrip ‘thuis’ in kaart proberen te brengen. En vooral is er de stad, de stad als wezen, waar Walker het hele boek grip op probeert te krijgen, vanaf de allereerste zin:

‘En daar verrees zij dan,/ glinsterend als een staande golf –  […] terwijl de wereld er op deze herfstochtend/ uiterst traag/ omheen draaide, in opperste verbazing.
Die focus op de stad wordt nog eens extra aangezet wanneer Walker, totaal onervaren, als journalist bij een krant gaat werken. De chef vraagt waar hij over wil schrijven.

‘Steden?’ 
‘Ja. Amerikaanse steden.’
‘Wat is er dan met Amerikaanse steden?’
‘Ze mislukken’. 

Het verhaal wordt verteld in een aanschakeling van fragmenten, door sterretjes gescheiden. Verschillende lettertypen duiden wisselingen in toon en tijd aan. Soms is er iemand aan het woord, soms praat de stad, dan vallen we weer midden in een dialoog of bestaat het fragment uit een zin die is blijven hangen, terwijl de rest van het gesprek lijkt te zijn weggewaaid. Cursieve stukken dienen niet alleen als terugblik, maar ook als een soort innerlijke dialoog van de tekst. Alsof de tekst in zichzelf praat, alsof ze denkt. Na twee bladzijden merkte ik dat ik me er al volledig bij had neergelegd, de gaten, het heen-en-weer-springen, de tekst die over zichzelf denkt. Prachtig hoe Robertson poëzie en vertelling heeft laten samenvallen. Ik hoop dat er een nieuw genre opstaat. 

Jan van Mersbergen

In 2019 las ik bijna iedere week een boek om op vrijdag een stukje over te schrijven. Wat er echt uit sprong, en in mijn ogen de beste Nederlandse roman van dit jaar: Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Persoonlijk, direct, beeldend en schrijnend, op een manier opgeschreven dat het tegelijk beklemt en ontroert. Echt een prestatie.

Een ander Nederlands boek dat opviel was van Dore van DuivenbodeMijn Poolse huis, voor mij het beste debuut maar non-fictie, dus niet het beste fictiedebuut van het jaar. In die categorie drie kanshebbers:

  • Irma Maria Achten, Augustus
  • Sacha Bronwasser, Niets is gelogen
  • Evelien Vos, Niemand keek omhoog

De eerste twee romans gaan over kunst, daar zal ik niks meer over zeggen. In ieder geval is Nederland twee sterke vrouwelijke schrijvers rijker, van Achten en Bronwasser gaan we nog veel moois lezen. Toch vond ik Niemand keek omhoog van Evelien Vos het beste debuut, vooral omdat de beelden sterk zijn, de toon dwingend en de zinnen eenvoudig. Een debuut dat eigenlijk al de schwung en doeltreffendheid van een ervaren schrijver heeft. Vertaalde literatuur was de hoofdmoot dit jaar, en daar zaten veel sterke romans tussen. De beste vijf:

  • Tommy Orange, Er is geen daar daar
  • Oliver Guez, De verdwijning van Josef Mengele
  • Cynan Jones, De wetten van water
  • Beppe Fenoglio, Dag van vuur
  • Euclides da Cunha, De binnenlanden

Dat laatste boek van Da Cunha biedt een onovertroffen leeservaring, maar is een oudje dat alleen nog in stoffige tweedehands zaakjes te vindenn is. Het mooie kleine boekje van Fenoglio is wel in druk, maar ook van een tijdje geleden. Het boek van Tommy Orange is indrukwekkend en schrijnend vanwege het onderwerp: de Natives in Amerika die alles afgepakt is, waaronder hun identiteit. Cynan Jones kwam met een erg sterke eco-roman, volgens de hem bekende witregelstructuur, en toch met een nieuwtje, want hij volgt in dit boek een flink aantal personages in losse verhalen die samen een geheel vormen. Het boek waar ik echt aan vastgezogen zat, vanwege het verhaal, het personage dat werkelijk bestaan heeft en gruwelijk was, de uitgebeende zakelijke stijl, het geweldige tempo en de vertelkeuze wat betreft de tijd waarin het verhaal speelt, was De verdwijning van Josef Mengele. Een bekend persoon met een vreselijke rol in het verleden enkel beschrijven in zijn periode in Zuid-Amerika, waar hij naartoe vluchtte en waar hij zijn daden probeerde te ontlopen. Uiteindelijk stierf Mengele in een treurige toestand in Brazilië. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn straf ontlopen is want veroordeeld is hij nooit. De angst die hij dagelijks voelde en zijn venijnige kinderachtige jaloerse blik op zijn collega nazi’s die gewoon in het Duitsland van na de oorlog arts konden zijn, doen de lezer wel voelen dat Mengele in feite iedere dag gestraft werd. Dat geeft de lezer genoegdoening.

Thomas Heerma van Voss

Het afgelopen jaar las ik veel en ongestructureerd. Tenminste, ik las nauwelijks nog zoals ik jaren geleden deed en misschien ook wel het allerliefst lees: helemaal afgaand op mijn eigen belangstelling, aangewakkerd door een enthousiaste recensie, het oeuvre van een auteur of ongegronde interesse, kortom: op intrinsieke zin om een boek te lezen. Dat kwam deels omdat ik in de jury zat voor de Bob den Uyl-prijs (bestaat die nu nog?) en de Europese Literatuurprijs, taken die me bevielen maar ook tijdrovender bleken dan gedacht. Ook besprak ik elf romans voor De Groene Amsterdammer: veelal eigen keuzes, maar hoe dan ook uitsluitend buitenlands werk, dat maar net recent in vertaling verschenen moest zijn. (Aan goede voornemens doe ik niet, hoewel ik me regelmatig van alles voorneem, ook nu ik dit stuk schrijf: volgend jaar meer boeken lezen waar niks mee moet, en zodoende ook vaker een bijdrage leveren aan onze wekelijkse leesrubriek – dat voelde vaak vreemd met boeken waar ik in een andere hoedanigheid al iets mee moest.) Een voordeel van zulk jurylezen is dat er interessante boeken op je radar komen die je anders vermoedelijk over het hoofd zou hebben gezien. Zo las ook ik Dore van Duivenbode’s Mijn poolse huis, en ik was ontzettend gecharmeerd van dit boek. Een grappige, ontluisterende mengeling van memoir, reisverhaal, levensgeschiedenis – van Duivenbode schetst de Poolse afkomst van haar familie, hoe ze zich als kind schaamde wanneer haar oma weer eens iets onbeschaamds Pools zei, de lange busreizen die ze vroeger naar Polen maakte, het afgebladderde huis van de familie dat daar nu over is, hoe ze zich noch in Nederland noch in Polen helemaal thuis voelde. Boeiende geschiedenis, vaardig geschreven, en knap opgebouwd: het feit dat ze nu terug moet naar Polen geeft het verhaal een dwingende, overkoepelende structuur en de nodige vaart, dit boek wordt allemaal nergens te uitgebreid of zwelgend. Een aanrader. (Al is het boek geloof ik strikt genomen al uit 2018, maar ja, het werd in 2019 bekroond, dus dan past het hierbij.) Een andere favoriet uit Nederland: Manon Uphoffs geweldige Vallen is als vliegen. Over die roman hebben twee mede-redacteuren in deze rubriek al veel moois geschreven, aan die woorden heb ik weinig toe te voegen, maar wat een knap geschreven, bijzondere roman. Andere favoriet: Ivo Victoria’s Alles is OKÉHierover schreef ikzelf al eerder in onze leesrubriek, en ik had het genoegen om tijdens de presentatie ook een woord te mogen zeggen. Wat ik vooral knap vind is Victoria’s stijl – die trouwens ook opvalt in ons laatste nummer van dit jaar, daarvoor schreef hij een prachtig kort verhaal: hij schrijft scherp, soms bijna laconiek, onderkoeld komisch, en ondanks de vele beelden nergens overdadig. Het zorgt ervoor dat dit verhaal over een dementerende moeder beklijft, schrijnt, en af en toe – een moeilijkheid in het genre moederboek – werkelijk verrast. Want Alles is OKÉ is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en haar naderende dood, het is zelfs niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans bijvoorbeeld heel terloops op: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ En dat verhaal is deze fraaie roman geworden. Vergelijkbare reflecties op schrijven zitten ook in Siri Husvedts Herinneringen aan de toekomst, een van mijn favoriete vertaalde romans van dit jaar, tevens het boek dat ik voor De Groene Amsterdammer heb aangedragen als favoriet van het jaar. Hoofdpersonage S.H., een 61-jarige Amerikaanse auteur, vindt in deze roman een oud dagboek van zichzelf terug en daarop ontvouwt zich een heel fraai, gelaagd verhaal: we krijgen sommige dagboekfragmenten zelf onder ogen, dus beschreven vanuit de jonge, ambitieuze S.H., en ook beschrijft Hustvedt de context van die fragmenten – waarbij we vanzelf merken hoe afstandelijk de hoofdpersone vanuit het heden op haar vroegere zelf terugblikt. En tussendoor wijst ze, à la Ivo Victoria zullen we maar zeggen, bijna nonchalant op haar macht als verteller: ‘Hier staat het me vrij om over decennia heen te wippen in de smalle witte ruimte tussen twee alinea’s’. En: ‘Ik heb beelden in mijn hoofd die beklijven, maar ik kan niet instaan voor hun betrouwbaarheid.’ Typisch een zinnetje waarmee Hustvedt haar vertelling onder extra spanning zet. Een boek dat niet gemaakt is om te pleasen, dit Herinneringen aan de toekomst, al lezende moet je je een beetje naar binnen vechten, door alle lagen heen, maar het loont zonder meer. Een andere vertaald werk dat me beviel, nee, zeg gerust die me overrompelde, was Geir Gulliksens Het verhaal van een huwelijkReeds verschenen in 2018, maar afgelopen jaar kwam de roman bovendrijven bij de Europese Literatuurprijs. Een geweldig boek, waarin een man van middelbare leeftijd het verval van zijn huwelijk ontleedt: precies, schrijnend, zonder verwijten of gescheld. Wat hij beschrijft voelt eerder als een onontkoombaar proces van twee geliefdes die uit elkaar groeien, en zoals de hoofdpersoon zelf jaren geleden wegging bij zijn toenmalige geliefde, geleidelijk en toen plotseling, verlaat zijn vrouw hem gedurende dit boek. Geweldig beschreven. Het was lang geleden dat ik zo opging in een roman – en er zo veel bij voelde. In al min enthousiasme raadde ik dit boek de afgelopen maanden overigens aan iedereen aan die het maar horen wilde en ik leende mijn exemplaar meerdere keren uit, maar inmiddels heb ik geen idee waar het gebleven is (gericht citeren gaat dus lastig) terwijl ik het eigenlijk alweer wil herlezen. Tips zijn welkom en worden beloond. Toch nog een voornemen voor het volgende jaar: dit prachtige boek opnieuw aanschaffen.

Daan Stoffelsen

Voor juryleden is het anders. Het voelt alsof ik mijn eindejaarslijstje al ingeleverd heb met de shortlistvergadering voor de Bookspot Literatuurprijs, en ik alweer bijna in de winterstop voor een nieuw seizoen zit. De Bookspot, of voorlopig Nederlandse Literatuurprijs, is net als de Booker Prize (het voorbeeld voor literaire prijzen in andere landen) en de Deutscher Buchpreis een zomerprijs. Zo kon mijn winterkampioen van vorig jaar, Marente de Moors Foon, op de shortlist belanden. Wat mij betreft mag die rijke roman over verhalen, vluchten en vergeten wel Europees door – maar het buitenland heeft nog niet gehapt, lijkt het. Wel bij Manon Uphoffs Vallen is als vliegen (Pushkin Press gaat het uitgeven!), dat voor mij net als bij Jan erboven uitsteekt dit jaar. Ik gun Jans warme puzzelroman wel de tweede plaats bij de NRC Lezersprijs, maar dan achter Uphoffs boschiaanse, Andersensprookje van misbreuk en overleving. Grimmige, oorspronkelijke beelden wisselen soberder beschrijvingen af – en dat is al bijzonder. Dit aspect neigt naar een buitenliteraire kwaliteit: in een conventionele geschiedenis van afkomst en jeugd, onconventioneel verteld, sluipt de misbruik binnen. Het knappe van Uphoffs roman is dat ze niet zwelgt in slachtofferschap, verklaart maar niet verontschuldigt, en dat ze meer doet dan een verhaal vertellen: ze onderzoekt de herinnering, de verdringing, het geweld en het overleven. Ik las veel meer dit jaar, en ook al in de tweede helft. Mijn buitenlandse uitstapjes uit een zee van verplicht Nederlands lezen waren traditionele favorieten: Sarah Hall en Valeria Luiselli. De een een koningin van het korte verhaal, de ander een telkens verrassende schrijfster, ditmaal van een uiterst intelligent én empathisch onderzoek naar migratie en scheiding. Luiselli brengt in Archief van verloren kinderen de stemmen van een moeder, haar kinderen, en een groep vluchtelingen in een schurende balans, roept emotie op en reflectie, en geeft op het slot nog een superieur lesje perspectiefwisseling in één enorme zin. Ik merk dat naast de technische kwaliteiten van zo’n roman, de betrokkenheid die ik krijg bij personages en verhaal, de maatschappelijke kant voor mij ook meetelt. Iets wat in de voortreffelijke essaybundels van Laura Broekhuysen (migratie en inburgering) en Charlotte Van den Broeck (kunst en zelfmoord) al ingebakken zit, maar wat Luiselli en Uphoff onderscheidt van andere geweldige romans van dit voorjaar, en wat ook mijn grotere enthousiasme bepaalt voor Stephan Enters bescheiden roman Pastorale boven het fysiekere Zwarte schuur van Oek de Jong. Enter heeft een rustige, subtiele roman geschreven die in karaktertekening, dialoog, enscenering en plot overtuigt, maar ondertussen de breuklijnen in een dorp blootlegt. Zijn de verschillen te overbruggen? Hoe dan? Het zijn relevante vragen, niet alleen voor een fictief Barneveld van enkele decennia terug.

Laura Esquivel, Sanneke van Hassel, Niels ‘t Hooft: de redactie las een klassieke roman met een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, een sterke verhalenbundel en een app waarin je je onderdompelt.

*

Daan Stoffelsen: Sanneke van Hassel, Nederzettingen, en Niels ‘t Hooft, Lotus

Het heeft iets gevaarlijks, dat heeft Jan hier ook vaak genoeg benadrukt, om een schrijver als hoofdpersoon op te voeren. Iets gemakkelijks ook, misschien. Maar in ‘In onze straat’, het openingsverhaal van haar nieuwe bundel Nederzettingen maakt Sanneke van Hassel er heel handig gebruik van. Sowieso zet de titel het decor en ook het thema van de bundel goed neer: we zijn in de stad, in onze stad, en ons leven strekt zich uit buiten ons huis naar onze straat.

Bijvoorbeeld als de scooter van een jongen om is gegaan door het balspel van twee buurjongetjes.

‘Nu ik dit opschrijf denk ik: een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan. En vervolgens dat ik eigenlijk zou moeten zeggen: een Nederlander, want zover zijn we inmiddels wel – wat het niet makkelijker maakt als je als schrijver even losjes een personage wilt neerzetten,’ denkt de ik. En even later over een van de buurjongetjes: ‘Nu denk ik: wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen? Maar voor de verwachtingen en het gedrag van de vrouwelijke hoofdpersoon deed het ertoe. En dit verhaal is character driven, wat betekent dat haar ontwikkeling in grote mate bepaalt hoe het verder gaat.’

Door dit soort overwegingen wordt de verteller méér dan een bezorgde buurvrouw, méér dan een personage dat toevallig een schrijver is; ze twijfelt over hoe ze zich verhoudt tot de ander én tot de lezer. Ze begeeft zich dubbel in de publieke ruimte. Het is een vorm van essayistiek binnenin een verhaal, dat deze vrouw diepte geeft, een bredere reikwijdte dan die van zomaar een buurvrouw. 
Verderop vraagt de vader van een van de buurjongetjes of zij het schadeformulier voor hem wil invullen:

‘”Ja hoor,” zei ik. “Ik weet niets van scooters, maar wat er allemaal gebeurd is opschrijven, dat kan ik wel.” Als ik straks zou gaan opschrijven wat er vlak bij mijn huis was voorgevallen, zou daar dan een verhaal in zitten? Wist ik genoeg van deze mensen om geloofwaardige personages van ze te maken en ze enige diepte te geven? En wat was precies het conflict?’

Misschien is het mijn literaire bubbel, maar ik vind zulke overwegingen niet alleen zinnig (zijn mensen in de dagelijkse omgang dan wel meer dan oppervlakkig, zijn ze geloofwaardig?) maar ook erg geestig. Want in deze fase van het verhaal weten we: dit zijn realistische personages, die voorbij de clichés van hun achtergronden treden, en dát is het conflict. Tussen de aannames van het dozijn personages (‘Als ik een schrijfcursus geef, adviseer ik om in een kort verhaal het aantal personages beperkt te houden.’) namelijk.

Wees gerust: in de rest van het zestiental verhalen (twee ervan werden, waaronder het titelverhaal, werden ook in De Revisor gepubliceerd) zijn ook niet-schrijvers de verteller. Al zit er een prachtig verhaal in waarin de ik over haar kind schrijft – en dat lijkt geen fictie te zijn, en zijn het overwegend vrouwen in de culturele hoek. Een Kaap-Verdiaanse buschauffeur, een advocate, een Amerikaanse toerist met Rotterdamse wortels, veel freelancers. Maar allemaal verblijven ze in die tussenwereld die we burgerlijk noemen: gebonden aan gezin en werk, half geworteld in een huis, in een straat, betrokken bij de wereld maar uiteindelijk stellen ze vast: ‘Maar ‘s avonds ben ik te moe, misschien omdat het eerder donker wordt.’ Ze willen verder reiken, ze zoeken vluchtmogelijkheden, maar eigenlijk is het ook gewoon wel goed.

Dat suggereert een bepaalde grijsheid, een middelmaat, maar het conflict in de verhalen van Van Hassel zit in de psychologie, in aannames en verwachtingen. (Lees dat titelverhaal!) Dat de werkelijkheid daar niet aan beantwoordt, is bijna een gegeven – maar de spanning is er niet minder om. 
Stiekem geloof ik – en dat geeft diepte aan de bundel – ook dat Van Hassel met de titel van haar openingsverhaal, en met een songtekst in het mozaïekachtige slotverhaal, speelt met twee liedjes waarvan ik de teksten vaak door elkaar haal: ‘Our House’ van Madness (‘in the middle of our street’), dat vrolijk is, maar vooral sociaal-realistisch is, en het romantische ‘Our House’ van Crosby, Stills, Nash & Young. Tussen het werkelijke huis, mooi maar ook vol (‘Mother’s tired, she needs a rest’), en het droomhuis. En daar dan – zoals in dat slotverhaal ‘Juni’ – op het randje van leven en dood uitgetakeld worden.

*

Het is dat volgende week niet ‘Deze week gelezen’ maar ‘Dit jaar gelezen’ op deze site komt te staan, anders had ik nog even de tijd genomen voor het nieuwe werk van Niels ‘t Hooft. Want je kunt Lotus in een avond in zijn geheel ervaren, lezen, beluisteren, het is een ‘meditatieve novelle’, het is een app met verschillende achtergrondkleuren en -geluiden en -muziek, waarin het verhaal in porties wordt opgediend, gemaakt door ‘t Hooft, kunstenaar Saskia Freeke, gamestudio Codeglue en audiostudio SonicPicnic. Dat is een ervaring, iets waar je in opgaat, zelfs als je, zoals ik, de app nog gefragmenteerder leest tijdens mijn forensenuurtjes naar Amsterdam. Maar daardoor vind ik het moeilijker er iets over te zeggen dan over een roman in folio.

Lotus is het verhaal van Luc Numan, een jonge programmeur die succes zoekt op een gamebeurs in L.A. Luc is het talent, zijn compaan Brent is de verkoper, maar allebei zijn ze niet erg goed in hun ideeën voor het voetlicht brengen. In negen korte hoofdstukken leidt ‘t Hooft je door de aanloop, het verloop en de afloop van hun kansloze missie. Want ze hebben ideeën, maar geen afspraken, plannen maar geen strategie – en hoewel ze onwaarschijnlijk interessante mensen ontmoeten, lukt niets.

Lotus is een soepele app, die het verhaal heel vloeiend brengt met mooie beeldeffecten (de bloembladeren van de lotus verbeelden de opbouw van het verhaal) maar geen beeld, en ‘t Hooft schrijft goed. Ik heb screenshots gemaakt: ‘Als pelgrims die weten dat ze morgen Mekka zullen bereiken vallen ze in slaap, verbroederd en vastberaden.’ Iets langer:

‘Er trekt een wolk voor de zon. Geritsel van jacks, truien, hoodies op het duinterras. Dan trekt de wolk verder en herhaalt de verkleedpartij zich, in omgekeerde richting. Een versleten luxaflex die ongelijkmatig opent en sluit, met Smith als roerloos middenpunt. Geen moment heeft hij overwogen zijn kabeltrui uit te trekken.’

Dat zie je voor je, toch? Geestig beeld. Maar het supermeisje Yumi roept een wat vergezocht beeld en een paar moeizame zinnen op:

‘Yumi duikt op. Felkleurig jurkje, strakke paardenstaart, felkleurige en strakke lipstick. Ze staat midden in het gewoel, het lijkt alsof iedereen met een boog om haar heen loopt, de toverboom op de open plek van het magische woud. Luc en zij maken oogcontact en Yumi komt haar belofte na om te kijken of ze iets kan doen. Sterker nog, ze doet iets.’

Die laatste twee zinnen zijn eigenaardig, daar wordt een hele scène veel te kort samengevat. En dit soort duidende opmerkingen – ‘Gepriegel met details om de kern niet te hoeven raken’ – terwijl we middenin de gebeurtenissen zitten, vind ik minder sterk. Die komen meer tot hun recht aan het einde van elk hoofdstuk, waar de vertellers met bijna essayistische opmerkingen over games, verhaal, simulatie en werkelijkheid de simpele handeling verdiepen: ‘Achteraf is alles helder, de bloem laat het in één oogopslag zien. Het is een naaf-en-spaaksysteem van herinneringen.’

Dat is mooi gezegd, al kan ik die ene oogopslag minder makkelijk reproduceren, het lezen in porties werkt wel – ik ga mee in het verhaal – en werkt niet – ik wil terugbladeren, ik mis overzicht. Ik stuit op mijn eigen beperkingen. Maar ‘t Hooft slaagt er dus wel in me onder te dompelen in het verhaal. Ik bén in deze even exotische als unheimliche nepwereld van zon en games, ik deel de fascinatie van Luc voor Yumi, en voor de Japanse programmeurstweeling, en ik baal ervan dat het klaar is.

Ja, misschien is dat mijn voornaamste bezwaar: Lotus is een geheel, het is af zonder alles prijs te geven, maar die personages verdienen meer, een Peter Buwalda-achtige opzet (Yumi heeft wat Isabelle Orthel-achtigs) en reikwijdte. Tegelijk: is dat niet wat literatuur vermag? De luxaflex openen en net genoeg zien van de werkelijkheid of een simulatie van de werkelijkheid.

De Bezige Bij gaf Nederzettingen uit. Lees daar ook een fragment (PDF). Immer geeft Lotus uit, met steun van het Letterenfonds.

Jan van Mersbergen: Laura Esquivel, Rode rozen en tortilla’s

Als de stapel nog te lezen boeken klein is en de ruggen me weinig aanspreken wil ik nog wel eens een boek uit de kast halen dat ik jarenlang bewaard heb, maar waarvan ik bijna vergeten ben hoe goed en waardevol dat boek eigenlijk is. Zo haalde ik afgelopen week de dunne gele Rainbowpocket van Laura Esquivels Rode rozen en tortilla’s uit de kast.
Tijd om te herlezen, want herlezen brengt nu eenmaal nog meer dan gewoon lezen. Niet de eerste ervaring, die gaat over de verrassing van het nieuwe, over meegezogen worden, over het leren kennen van personages, verhaal, verteltrant. Herlezen gaat over verdieping. Tijdens het herlezen ontdek je pas echt waarom een roman goed is.

De oorspronkelijke titel is Como agua para chocolate. Dat zou letterlijk ongeveer zijn: Als water voor chocolade. Mijn dochter heeft sinds kort Google Translate ontdekt en zocht het voor me op. Komt dichter in de buurt van het verhaal, maar toch koos destijds uitgeverij Arena, onderdeel van Meulenhoff, de grootste Latijns-Amerikaanse uitgever in Nederland, voor de rode rozen.
Mijn dochter vroeg: Waarom die titel?
Ik wist dat niet zeker maar vermoed dat een roman van een Mexicaanse schijfster bij de Nederlandse lezer het beste direct iets van Mexico op kan roepen. Dat weet de lezer: we gaan iets exotisch lezen. Dus ik vroeg mijn dochter: Waar denk je aan bij tortilla’s?
Lekker eten, zei ze. Mexicaans eten.
Dat is precies waar het boek over gaat. En die rode rozen dan? vroeg ik. Waar staan die voor?
Voor liefde, giechelde ze.

Al met al dus een perfect vertaalde titel, als een meisje van twaalf met behulp van een vertaalprogramma en een paar sturende vragen kan komen tot de eerste indrukken die een boek helpen om in de winkel van de plank gepakt te worden. In ieder geval beter dan: Als water voor chocolade. Dat klinkt eerder Hollands, of desnoods Frans, dan Mexicaans.
Slim dus, zoals dit hele dunne boek slim is opgezet en geschreven. Het familieverhaal is helder, omvangrijk, dwingend en maakt perfect onderscheid tussen de personages. Een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, dat toch ingewikkelde wendingen kent. En de recepten die de basis van de verschillende hoofdstukken vormen zijn speels en interessant.
Hoofdpersoon Tita is veroordeeld om ongehuwd te blijven, zoals de flaptekst meldt. Haar zus kan wel trouwen en wordt door de moeder uitgehuwelijkt aan de man waar Tita verliefd op is. Mooi simpel gegeven. Wat gebeurt er dan met zo’n vrouw, die verder in de keuken opgegroeid is en erg bedreven is in koken? Ze maakt de maaltijd voor de bruiloft, maar met zo’n verdriet dat haar tranen mengen met het eten. Dat heeft een bijzonder effect op de gasten van de bruiloft. Ze kan niet alleen eten bereiden, als haar zus een baby krijgt en er zelf zo slecht aan toe is dat ze het kindje niet kan voeden lukt Tita dat wel. Ze blijft contact houden met de man, Pedro, die Tita wel de liefde beloofd heeft maar ook klem zit in dit huwelijk.

Een voorbeeld van een andere dwingende gebeurtenis die logisch volgt uit hoe de personages verweven zijn: de moeder van Tita is streng en leidt de hacienda. Tita zorgt voor haar moeder en voor de baby van haar zusje die met haar geliefde getrouwd is. De dokter van het dorp is verliefd op Tita. De baby moet elders ondergebracht en komt zonder Tita om. Tita verzet zich eindelijk tegen haar moeder, die besluit dat haar dochter gek geworden is. De dokter brengt haar naar het gekkenhuis, maar houdt haar thuis. Alle wendingen kloppen precies en toch zijn ze als verhaal moeilijk te verzinnen. De gemeenschap is klein, de familie dominant, de motieven zijn liefde en dood.

Zo gebeurt er in ieder hoofdstuk voldoende om de aandacht vast te houden, om mee te gaan in de recepten die de basis van het verhaal vormen, en om over de soms wat expliciete uitdrukkingen en uitroepen met uitroeptekens heen te lezen die het gevoel van Tita moeten verwoorden. ‘Ze miste Nacha verschrikkelijk. Ze haatte iedereen.’ Bij deze roman duwt het verhaal me over die zinnetjes heen, min of meer omdat ik ook dertig jaar nadat dit boek verscheen nog denk: dat zal wel de Mexicaanse insteek zijn.
Dat is een mooi effect van goede vertaalde boeken (door Francine Mendelaar en Harriet Peteri): ze kunnen door hun bekendheid en manier van vertellen en het onderwerp staan voor een compleet land waar we in Nederland vrijwel niks van weten. Wonderlijke gebeurtenissen in dit verhaal neemt de Nederlandse lezer achteloos aan. Hopelijk werkt dat andersom ook, dat lezers in Mexico met een vertaald Nederlands boek in handen denken: dit is nou het echte Holland.

Boekerij geeft Rode rozen en tortilla’s uit.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Olga Stehlíková (CZ) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag: Willemijn Kranendonk met haar gedicht ‘De aankomst van de lente in Woldgate, East Yorkshire in 2011, David Hockney’.

*

De aankomst van de lente in Woldgate, East Yorkshire in 2011, David Hockney

De bomen als langgerekte vaders een pad
dat voorzichtig afbuigt elk blaadje
een ontstaansgeschiedenis
de takken hangen omhelzen de lucht proberen
me aan te raken om de warmte
die in mijn lichaam huist te begrijpen
de kleur van mijn huid aan te nemen ik wist niet
dat bomen paars zijn maar nu begrijp ik het

Ik zie flats geveltuintjes kozijnen
hier is nieuwe ruimte nieuw licht
iedere stronk stengel elke bloem ik zie je

In deze wereld zijn er geen dieren
die hun eigen leefomgeving kapotmaken
geen aanslagen in trams er zijn vaders
die hun armen uitstrekken niet bang zijn voor de lichamen
van hun dochters ik dwaal
verder het bos in
hoe ik iets achterlaat

Mijn stappen worden gedempt door mos en varens
armen dirigeren me naar het donkere hart
waar de oudste bomen staan het is hier stil
als ik omhoogkijk zie ik geen lucht
overkapping van boom

1110010011100000WIJ000000001111000010101010101000001110001110010010010010
1010101010101010ZIJN0000DE1000100101010101010101001101DATABOMEN1010101010
10101000000000WIJ1100000101010100101110001HEBBEN1110001101001101010101010
0000AL101001JOUW1000101110011UPDATES101001010101010OP11111SOCIALE111000NE
TWERKEN1100011BIJGEHOUDEN00EEN0000ALGORITME11100GECREËERD000OM111000JE110
100101GEDRAG11000TE111VOORSPELLEN111000111000ROZE000DILDO0001000101010101
010101010000TUINSET000PRULLENBAK000000001010100101111111100ALLE00001111ME
NSEN0101010110010111LEVEN00001000010101010011MET10100000EEN1110000SCHORPI
OEN0101010IN000HUN0000101010101HOOFD100010011JIJ000111000111BENT1110000EE
N000101011010111SCHOOLVOORBEELD000010100101010101010100000111100010100101
001000011000010101010001010101001011

Mag ik gaan liggen

0000WE100001010101LUISTEREN0000101101AL000JE0101001011GESPREKKEN00111AF00
111000111DE0000111WOORDEN11101010011011DIE100010101010JE1000111111HEBT111
000011111GEBRUIKT100100010101OPGESLAGEN1001010000000000110101010101010101
10IN000ONZE1111100000STAMMEN111100000011100010101001010101011111111WE0000
111WETEN000101010111WAT000111JE111DENKT1000101010100101001010101000000001
111000011100010101010101010101010100000101010110101010011
0111GEEN110000000011010100001011FOTO’S11111000MAKEN0000100100110100000STA
11000000OP1110101010101001011111VOLG1100000DEZELFDE1001010101010100WEG110
0000DIE111000100101JE1001010101GEKOMEN1010101010BENT11111111111

Willemijn Kranendonk (1994) schrijft proza en poëzie. Ze studeerde Creative Writing en schreef als afstudeerwerk een serie gedichten genaamd Spullen en lichamen. In 2017 stond ze in de finale van Write Now!, dit jaar werd ze derde bij de Turing Gedichten Wedstrijd. Ze publiceerde in Tirade en DW B, op De Optimist en Meander. Ze werkt momenteel aan haar debuutroman die zal verschijnen bij Uitgeverij Van Oorschot.

Ons voorjaarsnummer, ‘Periferie’, werd besloten door Jan van Mersbergens buitenwijkse verhaal ‘Pakjesavond’, een verhaal van alle seizoenen. Maar deze week past het precies. (Word abonnee en lees literaire Sinterklaasverhalen als eerste!)

*

Toen ik naar het westen van de stad verhuisde had ik nooit kunnen vermoeden dat ik onderdeel zou worden van een pakketdienst.
Andere verwachtingen werden direct ingelost. Het had veel weg van ruilen. De krappe etage in Zuid ruilden we in voor een dubbel zo groot huis in Nieuw-West; een drukke straat voor een autovrij hofje; mijn piepkleine bureautje in de hoek van de slaapkamer met uitzicht op een eveneens piepklein balkon ruilde ik in voor een aparte slaapkamer en een ruime werkkamer; de gehorige houten vloeren van honderd jaar voor degelijk beton; de levendigheid van een volkswijk voor een gezinswijk op afstand van het centrum.
Het was geen moeilijke keuze. Het merendeel van mijn dagen zit ik thuis stukjes te schrijven, dus dat ik nu een halfuur moet fietsen die paar keer per maand dat ik naar het centrum ga, neem ik op de koop toe.
We verhuisden in juni. Meteen in de eerste week stond er een vriendelijke Marokkaanse postbode voor de deur. Een pakje voor nummer 7, zei hij. Wilt u…
Ik begreep het. Natuurlijk wil ik dat.
Ik nam het doosje aan, zette het op de ladekast in de hal. Aan het einde van de middag werd het pakje opgehaald door een blonde vrouw die zich verontschuldigde voor de schort die ze om had. Ik ben eten aan het voorbereiden, zei ze. Sorry. Ze veegde haar hand af aan de schort, schudde mij de hand en zei: Straks hebben we een barbecue. Als jullie zin hebben…
Het was alsof niemand hier een zin afmaakte en dat voelde op de een of andere manier prettig. Je hebt hier aan een paar woorden genoeg.
Die avond dronken we bubbels in de tuin van nummer 7, speelde mijn dochter met de kinderen in hun zwembad dat daar opgesteld stond, liep mijn jongste zoon door de tuin alsof hij hier sinds zijn geboorte woonde.
Een paar dagen later meldde zich een bezorger in een geel shirt van DHL. Hij had een pakje voor onze buren rechts. Schoenen, aan het formaat van de doos te zien. De doos was bestemd voor een vrouw met een Poolse naam. Ze kwam de doos die avond ophalen en bedankte me vriendelijk.
Weer een dag later een plat pakketje voor de buren aan de andere kant, weer een moeilijke Oost-Europese naam. De buurman haalde het op. Hij is Engels. Thanks a lot, zei hij. And if you’re in for an evening drink…
Hij had iets meer woorden nodig maar ook zijn zin had een open einde en toch was de boodschap duidelijk.
Aan de hand van postorderbedrijven leerden we binnen een paar weken de nieuwe buurt kennen. Bewoners in deze buurt bestellen, zo leerden we. Bewoners in deze buurt komen werkelijk overal vandaan, zo leerden we: naast Engeland en Polen turfden we ook Suriname, Indonesië, Marokko, Korea en Servië als moederlanden.
Ook leerden we de bezorgers kennen, die vrijwel allemaal hier hun vaste wijk hebben. Wat deze bezorgers op hun beurt ook heel vlot doorhadden: die man op nummer 10 werkt thuis. Daar kun je de pakjes kwijt. De Marokkaanse bezorger van Post- NL belt soms niet eens aan bij het huis waar het pakketje naartoe moet, hij klopt direct bij ons aan, hij weet hoe het lopen zal.
De pakjes leg ik altijd op de ladekast in de hal en ze worden bijna altijd nog dezelfde dag opgehaald, meestal in de avond. Meestal ook met weinig woorden. Dank je wel. Graag gedaan. Tot gauw.
Maar één pakje bleef lang op de kast liggen.
Het was een groot plat wit pak, bestemd voor dhr. E. Brouwer. Een adres in de zijstraat waar wel auto’s rijden. Vanuit mijn werkkamer kan ik door het zijraampje net een glimp van de voordeur zien. Het was geen doos maar een soepel plastic pakket waar iets van stof in zat, zo te voelen. Het werd niet opgehaald, niet na een dag, niet na een week, niet na een maand.
Bij een andere borrel, met barbecue, in het hofje, vroeg ik of iemand de mensen van dat pakje misschien kende, maar niemand kende ze, ook niet hun Koreaanse overburen. Geen idee. Nooit gezien. Volgens mij zijn dat ook nieuwe mensen.
Ik wachtte een hele tijd en besloot toen maar eens aan te bellen bij het huis in de andere straat, met het pakje onder mijn arm. De eerste keer werd er niet opengedaan. Ik voelde me net een postbode, met als enig verschil dat ik het pakje niet bij de buren kon afgeven. Ik wilde niet een ander met dat pakje opzadelen. Ik moest van dat pakje af en ik moest er zelf van af.
De volgende dag zag ik bij toeval de voordeur het huis waar dat pakje naartoe moest dichtgaan. Ik wist niet of er iemand naar binnen of naar buiten was gegaan, maar ik besloot weer aan te bellen, met het grote pakket onder mijn arm.
Een man deed open. Hij zag er moe uit. Wat is er? vroeg hij.
Brouwer? zei ik.
Ja.
Ik heb denk ik een pakketje voor u. Het is een tijdje terug bij mij…
Nu maakte ik zelf mijn zin niet af en de man onderbrak me.
O.
Weer iemand van weinig woorden maar dit was anders. Er lag afkeer in zijn stem. Teleurstelling. Ik wist het op dat moment niet precies, maar blij met zijn pakje was hij in ieder geval niet.
Sorry dat het zo lang bij ons heeft gestaan, zei ik, want ik dacht dat hij misschien teleurgesteld was omdat hij lang op het pakje had moeten wachten. Het zat anders.
De man zei: Het is er toch.
Het was geen vraag, het was eerder berusting.
Ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik benadrukte: Ik wil het graag even afgeven.
Dat snap ik, zei de man, maar omdat hij geen aanstalten maakte het aan te pakken reikte ik het hem aan.
Ik keek langs de man de hal in. Langs de muur stonden een heleboel dozen opgestapeld. Geen pakjes, het waren verhuisdozen. Hij woonde hier nog maar net.
Eigenlijk wilde ik weer vertrekken, maar iets in zijn houding intrigeerde me, en ik zei op vrij neutrale toon: Je zit er niet echt op te wachten.
De man knikte. Hij had warrig krulhaar en hij droeg een joggingbroek. Hij zei: Ik hoopte eigenlijk dat het niet meer zou komen.
Dit pakje?
Ja.
Hij keek me aan. Knikte nog een keer. Ik hoopte dat het verdwenen was.
Nou, zei ik. Dat kan in de stad misschien, hier zorgen de mensen in de buurt beter voor elkaars spullen.
Dat merk ik, zei de man.
Hij stond met het witte pakje in zijn hand, kneep er even in, draaide het om. Hij wist ook niet goed wat hij moest doen en ik wachtte nog even tot hij zei: Wil je het zien?
Dat was nieuw. Geen enkel ander pakketje had ik samen met de ontvanger opengemaakt. Het was vreemd maar toch wilde ik dit wel zien, ook uit beleefdheid. Goed, zei ik.
Kom binnen, zei hij. Ik ben Erik.
Ik zei mijn naam en Erik liet me langs de verhuisdozen lopen, naar de woonkamer die ook bij dit huis aan de achterkant is. Hij legde het pak op tafel en haalde een schaar uit de keuken. Hij voelde aan de rand, voorzichtig, en begon te knippen. Er zat inderdaad kleding in. Ik zag eerst een jasje, opvallende kleur blauw, en toen had ik nog geen idee, maar vooral de muts die tussen het jasje en de opvallende pofbroek gevouwen zat verraadde alles: het was een pietenpak.
Hij keek naar het raam aan de voorkant van het huis, toen weer naar mij. Ssst, zei Erik. Weer keek hij naar het raam. Volgens mij kan dat niet, hier. 
Wat kan niet?
En toen vertelde hij dat hij pas net hier was komen wonen en dat hij een nieuw pietenpak had besteld, zijn oude was versleten en echt aan vervanging toe. Hij durfde het alleen niet meer aan. Hij durfde het zelfs niet meer in huis te hebben. Zo zei hij het: Je kunt dit hier niet aan.
Waarom niet? vroeg ik.
Ligt gevoelig, zei Erik. Waar ik vandaan kom is er niks aan de hand, maar hier word je gelyncht als je in zo’n pak over straat gaat, ook straks met de intocht of met sinterklaasavond.
Waar kom je dan vandaan? vroeg ik, alsof ook hij uit een ver en exotisch land kwam of uit het oosten van Europa, al weten ze daar waarschijnlijk niks van Sinterklaas.
Uit Friesland, zei Erik.
Nu wist ik wel dat de vorige sinterklaasintocht ergens in het noorden was en dat ze daar nog altijd Zwarte Pieten op laten draven, dat is inderdaad wel een verschil met Amsterdam. Voor de krant had ik er een paar artikelen over geschreven.
Erik herhaalde met zachte stem: Je kunt dit hier niet aan.
Het klonk vrij definitief. Toch vroeg ik: Weet je het zeker?
Ja, met al die nationaliteiten in de buurt. Ze komen overal vandaan, hebben alle kleuren. Dat wist ik wel, toen ik hier kwam wonen. Maar ik was Zwarte Piet vergeten. En ik had dat pak al besteld.
En toen heb je mij er maar mee laten zitten?
Dat klonk niet zo dreigend als het lijkt. Eerder wat direct.
Hij knikte.
Ik weet het niet, hoor, zei ik. In Friesland denken ze misschien dat pak en schmink en al die symbolen één zijn. Het moet zo, dus wij doen het zo. Maar dat verschuift dus. Pak een ander design, schmink wat vager, oorbelletjes weg. Maar jij durft je pak niet meer aan? Volgens mij tillen de mensen hier er niet zo zwaar aan. Wel aan wat je met zo’n stereotype uitdraagt, maar niet aan het verhaal.
Het verhaal? vroeg Erik.
Het verhaal van Sint en Piet. Dat leeft hier ook.
Denk je?
Ik denk het wel, zei ik. Wij wonen hier ook nog maar net en wij gaan straks zeker Sinterklaas vieren. Ik heb mijn pak al klaar hangen.
Jouw pak?
Nu kon ik even een stilte laten vallen. Toen zei ik: Om een feest goed te vieren moet je wel de juiste outfit hebben, toch?
Voorzichtig knikte hij.
Ik ben zo terug, zei ik, en ik stak de straat over, ging naar huis, naar zolder, en schoof de dozen met Limburgse carnavalskleren uit de stellingkast op de berging. In onze oude huuretage in Zuid stonden die dozen ver weggestopt achter een luik onder het schuine dak, hier staan ze netjes naast elkaar in het washok, warm en veilig en bereikbaar. Ik vond het pak dat ik zocht, nam het mee naar Erik. Hij liet me weer binnen. Ik legde de kledinghoes op tafel en ritste hem open.
Sint, zei Erik.
Het was mijn oude sinterklaaspak. Compleet met mijter en overhemd met mooie boordjes. Alleen de staf was verloren gegaan, niet tijdens de verhuizing maar bij een iets te wild uitgevallen sinterklaasviering bij mijn Amsterdamse voetbalclub.
Doen? vroeg ik.
Erik keek me nog even vragend aan. Op deze dag in oktober, een mooie rustige herfstdag, in deze rustige straat in Nieuw- West, tussen de betonnen nieuwbouwhuizen.
De straat op, zei ik, aan de slag.
Voor Erik zijn nieuwe pak aantrok haalde hij een grote zak pepernoten uit een keukenkastje. Ik heb ook nog chocoladenootjes, zei hij. Zijn toon was inmiddels redelijk enthousiast, tot hij nadacht over de schmink. Wat doen we met de kleur?
Dat hoeft niet meer zo precies als voorheen, zei ik. Een paar vegen en je bent er.
Dat stelde hem gerust. We kleedden ons om en op die vroege herfstavond gingen we samen langs de deuren. Eerst bij nummer 7, want ik wist wel dat de andere buren dan gauw genoeg zouden komen, en dat gebeurde. Sint en Piet dronken een biertje in de tuin met de Koreanen, de Engelsen en Polen van ons blok, op de plek waar die zomer het zwembad had gestaan, en de kinderen zwermden om ons heen en vingen de pepernoten op die Piet strooide, onze nieuwe buurman.