Nico Walker, Jeroen van Kan: de redactie las een goed vertelde, levendige, harde oorlogsroman en een verhalenbundel die het literaire spel viert.

*

Daan Stoffelsen: Jeroen van Kan, Hoe Matt een dode vis werd

Het prozadebuut van Jeroen van Kan is een voorbeeldige tweede stap in de literatuur, een bundel experimenten, een poging de mogelijkheden van fictie te onderzoeken en uit te breiden. Een bundel bovendien, die een zekere thematische hechtheid heeft: Van Kans personages veranderen – en niet ten goede. Een van de motto’s is niet voor niets van Ovidius (Metamorfosen) – maar ik moest ook aan Kafka denken, en aan Belcampo.

Twee verhalen vallen op door hun novellelengte van bijna honderd pagina’s: ‘Kwispelen met de ketting’, waarin een autobiografisch schrijver van marginale literatuur met grote L afwijkt van zijn patroon, door seskuele aberraties en een zelfmoord te beschrijven. Het verhaal is afwisselend geschreven vanuit die auteur en zijn echtgenote, een succesvolle theater- en tv-schrijfster, en het is aardig dat allerlei opvattingen over literatuur langskomen, over feit en fictie, herkenbaarheid en exotisme; ik moest aan de poëticale verschillen tussen Arie Storm en Arthur Japin denken. ‘Je moet je juist op terreinen begeven die je niet kent. Gebruik je verbeelding. Daar is fictie voor bedoeld,’ schrijft de echtgenote, om meteen het alternatief te beschrijven: ‘Je moet juist schrijven vanuit onmiddellijke ervaring en die fictionaliseren.’
De familie heeft Van der Heijden-achtig ongewone voornamen, en de schrijver vindt ‘zijn innerlijke Arthur Japin’ in titelkeuzes, en als hij het eerste boek van de Japinachtige Michiel Saquelle leest: ‘Al na dertig bladzijden wenste Michalis [het schrijverspersonage – DS] het hoofdpersonage […] dood. Helaas moest hij op dat uiterst tragische, bij zijn familie tot overvloedig en overdadig en uitvoerig en uitzinnig betraande wangen leidende en bij zijn vriendin radeloos voortrazend verdriet opwekkende moment nog ruim tweehonderd bladzijden wachten.’ Herkenbaar.

Het wrange gebied waarop schrijver Calix van Gestel een compromis zoekt, is zelfmoord. Dat blijft nog wat nadrukkelijk een literair spel (ik las kort hiervoor het onevenwichtige, schrijnende en ernstige Kleinzeer van Nadia de Vries, een essay dat twee zelfmoordpogingen beschrijft, in een trein die een ‘aanrijding met persoon’ had gehad. Dat (toegegeven, niet beoogde) gewicht mist dit verhaal). Het spel voelt meer op zijn plek in het andere grote verhaal, het titelverhaal.

Daarin staat een ‘metamorfoseur’ centraal. (Nee, Jan, ook in dit boek komt geen gewoon mens voor. Wel een gewone dode vis.) Matt is iemand die zich op afroep kan veranderen in wat je maar wil, en de hele bijna-honderd-paginalange geschiedenis is wat er vooorafging aan ‘Hoe Matt een dode vis werd’. Veel sterker dan in ‘Kwispelen met de ketting’ haalt Van Kan alles uit de kast: een circusgeschiedenis, een meeslepend obscuur Italiaans sprookje met een transformerende prins, een tragische schipbreuk en, ten slotte, een speciaal optreden voor een gezelschap van Haagse vissers. (En u weet, dat is geen zachtzinnig volk.)

Ook hier alternerende hoofdstukken: ‘Hoe hij eindigt’ (het eerste hoofdstuk eindigt omineus met ‘De badkamer, de ochtendjas, de wekker, het ontwaken. Bij die eerste stap uit bed – eerst op een stoofje, toen pas op de grond – had hij het al gevoeld. Het was er vanaf het eerste moment. Een dwerg met zeemansbenen.’) en ‘Hoe het zo kwam’ (in het tweede hoofdstuk is de vader van Matt in het circus: ‘Hij kon er niet van genieten, voelde zich misplaatst als een vis in een bloembed.’). Van Kan bespeelt ook stilistisch alle registers: bovenstaande sobere zinnen, die absurde beeldspraak, en deze bloemrijke beschrijving van een essentieel moment is weer heel anders:

‘Het moment dat Giancarlo naar boven keek, naar het meisje dat verlegen een buiging maakte voor ze haar geringe gewicht aan de trapeze toevertrouwde en inderdaad door het luchtruim suisde alsof geen enkele natuurwet haar leek te deren, werd hij door de bliksem getroffen. De schok verlamde hem. Niets leek nog te bestaan, alleen dat sierlijk zwevende wezen boven zijn hoofd, fragiel, roomblank, omspoeld door een golf blonde lokken, alsof Venus was losgekomen van haar schelp en nu hier door de tent zweefde, alsof de frêle gestalte van Botticelli door Zephyros tot hier was voortgeblazen en haar nu toestond op de golven van zijn adem vrijelijk in de lucht rond te zwieren.’

Sierlijk, fragiel, roomblank, omspoeld?! Van Kan speelt met ons! En dat doet hij virtuoos. In deze bundel zit ook nog een dubbelganger, en een zelfmutilatie-door-roken (Belcampo dus, al is Van Kan echt een betere stilist), een uit de hand lopende tandartsgeschiedenis, een restaurantscène (die ik niet helemaal doorgrond: hoe verhouden de ik en het te jonge meisje zich tot elkaar?), en een klassiek verhaal van orde-en-vernietiging. Heerlijk absurd, amusant collegemateriaal voor literatuurwetenschappers in spe, spel dat ook literatuur mag zijn – een opvatting die los van vragen naar fictie en werkelijkheid zeer verfrissend is.

Querido gaf Hoe Matt een dode vis werd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Nico Walker, Cherry

Van een vriend kreeg ik een leestip. Hij stuurde me een lijstje van de beste boeken die hij las afgelopen jaar en daar sprongen drie boeken uit die ik nog niet gelezen had. Direct bestelde ik een van die boeken, omdat ik zijn leestips vertrouw. Het was een roman van een jonge Amerikaan die nog tot november in de gevangenis moet zitten omdat hij aan de heroïne verslaafd was en een aantal bankovervallen had gepleegd. Ook had hij in Irak gevochten. De titel, ook in vertaling: Cherry.
Wat een verhaal, denk ik dan. En direct daarachteraan: Oppassen: dat kan een opgeklopt verhaal zijn.
Totaal niet terecht, die angst. Cherry is een geweldig boek en allerminst opgeklopt. Eerder koeltjes en geinig.
Pas in het laatste deel, als hij daadwerkelijk die bankovervallen gaat plegen omdat hij geld nodig heeft om drugs te kunnen kopen, wordt het een beetje een vervelend verhaal, maar dat is vooral omdat ik een hekel heb aan junkenverhalen. Ze zijn eentonig en uitzichtloos, terwijl ik hoop dat het nog wel goed gaat komen. Met deze Nico Walker kwam het niet meer goed. Hij raakte verstrikt in zijn verslaving, belandde in de bak en schreef daar Cherry.
Mooi nawoord trouwens, waarin Walker vertelt hoe het boek na lange tijd ploeteren gepubliceerd werd. Het kostte hem jaren en de redactie verliep via een paar schijven.
Met Walker kwam het niet goed, met het boek op zich kwam het zeker wel goed. Het is heel goed verteld, levendig, hard, die verteller is echt een vreselijk mannetje. De roman geeft een beeld van de tweede Irakoorlog dat je alleen in goeie oorlogsromans kunt treffen (zoals bij Phil Klay en Kevin C. Powers), en het is bovendien erg grappig. Dat laatste is belangrijk: Walkers toon geeft lucht aan de vreselijke gebeurtenissen zonder ze af te zwakken, en bepaalt veelal het verteltempo. Walker vertelt kort, sterk en geestig, onverschillig soms.
Als Walker in zijn ballen is getrapt door een andere soldaat, geintje, op de eerste hulp is beland komt hij daar een kletsende moeder tegen:

‘Op de spoedeisende hulp legden ze me op zo’n brancard op wielen, en toen reed het ziekenhuispersoneel een vent naar binnen die van de straat was geplukt. Hij was behoorlijk toegetakeld en snotterde. Ze legden hem naast mij neer. Ik hoorde de verpleegsters achter het gordijn praten. Ze zeiden dat de man een hersenschudding had, een paar tanden had ingeslikt en een paar gebroken ribben had, en dat iemand bleekmiddel in zijn ogen had gegoten.
Ze belden zijn moeder.
Zijn moeder kwam langs.
Ze bleef maar praten.
‘Wie heeft je dit aangedaan, lieverd?… Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?… Hebben ze je portefeuille gestolen? Nou? Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?’
Jezus.’

In een paar heldere zinnetjes vertelt Walker hoe hij daar ligt. Je ziet hem daar liggen. De zinnen maken ook direct duidelijk hoe hij zich voelt. Lamgeslagen, afwachtend, rustig. Het hele boek door heeft hij die toon. Onverschillig. En dan komt daar de moeder van zo’n arme kerel en die begint te mekkeren omdat misschien zijn geld gejat is. Het ‘Jezus’ is een mooie afsluiting. Het is oordelend, maar ook grappig van onverschilligheid.
Op die manier komen het junkenleven van Walker en de oorlog in Irak op dezelfde manier dichtbij. Het is allemaal onzinnig. Een heleboel mensen doen erg gewichtig, maar het is een grote grap, die tegelijk over leven en dood gaat.
In Irak heeft Walker een gesprekje met een officier waarbij hij ‘of zo’ gebruikt, precies wat deze jongen zou zeggen in zo’n gesprekje, en houdt de boel een beetje in de gaten:

‘Sergeant-majoor Castro vroeg of ik een rijkeluiszoontje was.
Niet echt, zei ik, maar we kwamen nooit om van de honger of zo.
De volgende ochtend zat ik in de achtertuin, waar ik zoals wel vaker de boel in de gaten hield. Het werd al later in de ochtend, want er vlogen strontvliegen rond. De strontvliegen landden op je lippen en liepen daar een beetje rond. Vervolgens vertrokken ze voor wat nieuwe stront aan hun poten. Overal lag stront, dus dat was geen probleem, en dan kwamen ze terug en liepen ze nog een beetje heen en weer over je lippen. Op een gegeven moment merkte je het alleen nog maar als ze er niet waren.’

Een oorlog in een ver land terugbrengen tot strontvliegen die over je lippen lopen en soms nog even wat nieuwe stront gaan halen. Dat verstrijken van de ochtend. Dat is Cherry.

De Bezige Bij gaf Cherry uit.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Martijn den Ouden (NL), Olga Stehlíková (CZ), Merlijn Huntjens (NL) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag:  Olga Stehlíková met ‘Reeën’, in de vertaling van Kees Mercks.

Vandaag heeft zich eindelijk
het beeld aangemeld
dat ik steevast maar vergeefs terug wilde halen
al enkele dagen

Om precies te zijn…

Reeën staan roerloos in de nevel als uitheemse stronken.
Reeën staan roerloos in een vore als exotische stronken.
Reeën verrijzen roerloos uit de nevel als stroken.
Reeën staan stijfjes in een vore als stronken.
Reeën staan in de nevel als stronken.
Reeën staan daar in een vore te staan als stronken.

Reeën staan daar te staan…
Reeën staan daar stokstijf in de nevel te staan als stronken.

Dat was het beeld dat ik bedoelde

Olga Stehlíková (1977, Tsjechië) is redactrice en literair critica, schrijft poëzie en sinds kort ook kinderverhalen. Ze debuteerde met de dichtbundel Týdny (Weken, 2014), waarvoor ze de Magnesia Litera Book Prize for poetry kreeg, een belangrijke Tsjechische poëzieprijs. Met musicus Tomáš Braun maakte ze experimentele klankpoëzie vejce/eggs (2017), tweeregelige coupletten in een mengvorm van Tsjechisch, Engels en muziek. Het gedicht Reeën komt uit haar dichtbundel Een uitroepteken als een vlaggenmast (2018). Stehlíková woont in Praag en heeft twee dochters.