Wie wint de Libris Literatuurprijs 2020? In een shortlist met uiteenlopende stijlen en inzetten, maakt Oek de Jong nog kans met zijn nieuwe grote roman Zwarte schuur [we bespraken hem hier al]. Wat krijgt de overhand in de besluitvorming van de jury? De Jong formuleerde zelf in 1995 een antwoord op de vraag wat een goede roman is. We hernemen ‘Een klievende roman’.

*

I

Wat is voor mij de roman? Ondanks twee omvangrijke romans en een jarenlange arbeid als romanschrijver heb ik me dat eigenlijk nooit in koelen bloede afgevraagd. Ik heb veel nagedacht over de romantechniek: over de eerste zin, over het eind van de alinea, over de lengte van hoofdstukken en het ritme dat door die lengte in de roman ontstaat, over het personage – hoe het wordt opgebouwd en hoe de lezer het herkent – over de dialoog, over het laten verstrijken van de tijd in een roman, over het slot van de roman en over de slotzin, die het resultaat moet zijn van alle voorafgaande zinnen, de enig mogelijke laatste zin. En zelfs in de romantechniek zullen er nog wel zaken zijn waar ik niet over heb nagedacht, want een schrijver doet nu eenmaal veel op zijn gevoel. Ik beschik dus niet over een theorie van de roman.

Maar natuurlijk heb ik zo langzamerhand wel een beeld van de roman zoals ik hem graag zie. Ik weet zelfs heel goed hoe ik hem graag zie, zo moet ik constateren, want in mijn beoordeling van een roman voel ik nooit de geringste onzekerheid. Ik hanteer dus kennelijk en met stelligheid bepaalde criteria, ik heb kennelijk een beeld van de eigenschappen die een roman maken tot de roman zoals ik hem graag zie.

De roman is voor mij, allereerst, de stijl. Wanneer er over stijl gesproken wordt, beginnen sommige lezers zich ongemakkelijk te voelen, en dat zal wel komen omdat ze een stijl niet goed kunnen onderscheiden: ze horen wel de muziek van een roman, maar zien niet hoe die wordt gemaakt, en zijn er ook niet zo in geïnteresseerd. Ik vind dat vanzelfsprekend. Belang hechten aan de stijl getuigt in de ogen van sommigen ook van een afschrikwekkende gestrengheid. Stijl. Oh, de vorm dus… Ook dat vind ik een vanzelfsprekende reactie. Want wat heeft de lezer, uiteindlijk, te maken met de stijl van een schrijver, met de manier waarop hij zijn verhaal vertelt?

Maar voor mij is de stijl dus, eenvoudigweg, alles – alpha en omega van de roman. De stijl bepaalt of ik een roman ga lezen en zelfs of ik hem kán lezen, want als de stijl van een roman me tegenstaat, dan kan ik hem niet lezen – ik ga hem uit de weg, als een persoon die me tegenstaat. Na een paar alinea’s heb ik meestal een indruk van de stijl en op grond van die indruk besluit ik tot doorgaan of ophouden met lezen. De ontdekking van een schrijver is ook altijd de ontdekking van een stijl, en ik voel daarbij dezelfde opwinding als bij de ontdekking van nieuwe muziek: ik raak ervan bezeten en ik rust niet voordat ik weet waaruit die stijl bestaat. De stijl is voor mij het meest levende, ademende haast van een roman. Stijl is fysionomie van de geest, zo is door Schopenhauer vastgesteld, en dat was, lang geleden, een van de eerste opmerkingen over het schrijven die ik heb genoteerd.

Alle vreugde, alle genot die een roman me geeft, komt voort uit mijn beleving van de stijl, die dus een beleving is van de manier waarop de geest van een schrijver tot uitdrukking komt in taal en verhaal, van de manier waarop hij de dingen ziet, van een gevoeligheid. Toen ik de stijl van Maria Dermoût leerde kennen, was dat een absolute sensatie voor me, een groot genot. Ik wist gewoon niet wat me overkwam, en terwijl ik ervan genoot en ontroerd was, besefte ik ook dat ik haar stijl nooit meer zo intens zou beleven als in die uren. Toen ik voor de eerste maal de twee sonates voor piano en viool van Schumann hoorde, was ik op eenzelfde, extatische manier gegrepen. De stijl is het meest wezenlijke van een roman. Het ‘verhaal’ is van ondergeschikt belang. Als de roman maar iets is. En of hij iets is, dat wordt bepaald door de stijl.

Vervolgens is er de compositie van een roman, die ook wel beschouwd wordt als een onderdeel van de stijl. Van de compositie verlang ik een uiterste zorgvuldigheid. Nog maar nauwelijks heb ik het gezegd of ik verlang naar een fragmentarische en niet al te zeer kloppende roman, met duidelijk zichtbare inzinkingen van de schrijver, gevolgd door hoogtepunten, lyrische hoogtepunten uiteraard, die weer gevolgd worden door rommelige passages, waarin de schrijver, als had hij een kater, zoekende is naar de juiste voortzetting van zijn verhaal. Maar ik weet dat ik nooit zo’n roman zal schrijven, en wel omdat ik er niet in geloof, in een roman die woest en wisselvallig is als het leven zelf. Ik geloof in het gecomponeerde, waarmee dan desgewenst, op kunstvolle wijze, de chaos van het leven kan worden nagebootst. Zorgvuldigheid is een vorm van aandacht, het is de moeite die een schrijver neemt om zijn gevoelens en ideeën te verhelderen, en om de dynamiek en geladenheid van zijn werk tot het uiterste op te voeren.

Flaubert bewonder ik om zijn compositorisch vermogen, dat zich van zin tot zin, van alinea tot alinea manifesteert, en soms grenst aan onverholen krachtpatserij. De compositie in de romans van de Japanse schrijver Kawabata bewonder ik meer, omdat hij subtieler is, onnadrukkelijker, omdat er, om zo te zeggen, meer stilte in zit. In de Nederlandse literatuur is Elias of het gevecht met de nachtegalen van Maurice Gilliams een roman die volledig beantwoordt aan mijn gevoel voor compositie. Het is een volmaakt afgewerkte roman, zonder enige inzinking. En door de gaafheid van stijl en compositie is er geen roman in onze literatuur die zo sterk in me oproept hoe het was om kind te zijn, hoe het was om als kind een kamer met vreemde grote mensen binnen te gaan – hoe dat voelde. Hier komen dus, zoals Gerrit Krol zou zeggen, het ‘harde’ en het ‘zachte’ bijeen. Je zou kunnen zeggen dat het ‘harde’ van stijl en compositie bepalend zijn voor de mate waarin het ‘zachte’ zich kan manifesteren en voor de kracht die het heeft.

Naast stijl en compositie wil ik nog een derde element plaatsen. Het behoort tot het gebied van het ‘zachte’. Ik verlang van een roman dat hij door zijn verhaal en door de kracht van zijn vormgeving, door wat hij is, terugleidt naar iets dat, tja, moeilijk te benoemen is en dat ik maar een naaktheid noem, een echtheid, die ontroert en bevrijdt en het mogelijk maakt ‘opnieuw te beginnen met leven’ – zoals, aan het eind van Maria Dermoût’s De tienduizend dingen, mevrouw van Kleyntjes, na haar visioen van de Kokospalm van de Zee, opstaat uit haar stoel aan de nachtelijke baai en naar binnen gaat ‘om haar kopje koffie te drinken en opnieuw te proberen verder te leven’.
Maar dit, een katharsis, aan het slot van een roman – dat hoeft eigenlijk ook weer niet. Het is maar zelden mogelijk, het is veel gevraagd. Sterven als Don Fabrizio in De tijgerkat, deze enorme man die het leven uit zichzelf voelt, ja zelfs hoort wegstromen, sterven zoals Zeno doet in Het hermetisch zwart, of de huishoudster in Een simpele ziel, aan wie in haar laatste ogenblikken, dankzij Flaubert’s even meedogenloze als genadevolle ironie, de Heilige Geest verschijnt in de gedaante van haar geliefde papegaai, zo sterven nadat alles is onthuld – dat is maar zelden mogelijk in een roman. Het is ook niet voor elke romanschrijver weggelegd om zover te gaan en een dergelijk slot te schrijven. Velen willen het niet eens.
Katharsis is, zoals men weet, een effect van literatuur, en met name van de tragedie, dat door de oude Grieken werd nagestreefd. Het is gebaseerd op identificatie – met een personage, met een geschiedenis, maar het kan in feite door een enkele zin teweeg worden gebracht. Eén enkele zin kan je immers al een schop geven en je brengen waar je wezen moet. Een tijdlang heb ik de gewoonte gehad om op de bonnefooi Ecuador van Henri Michaux open te slaan – het dagboek dus, dat hij bijhield in 1921 tijdens zijn reis door het hoogstgelegen land ter wereld – en er even wat in te lezen. Ik deed dit omdat ik wist dat er, voor mij althans, van zulke schopzinnen in staan, dat er in de zinnen van dit boek een geest heerst die, door zijn recalcitrante somberheid en agressieve verveling en afkeer van het obligate, terugleidt naar die naaktheid, die echtheid die me inspireert. Michaux zakte de Amazone af, in een primitieve boot, de hele Amazone, duizenden kilometers Amazone, en aan deze tocht besteedt hij in zijn dagboek maar enkele bladzijden, want hij verveelt zich, hij is halfziek, hij heeft er genoeg van – daarom. Een schrijver van mindere rang zou dit gecamoufleerd hebben en toch minstens een bladzijde of vijftig hebben volgeschreven over zijn grote avontuur op de grootste rivier ter wereld. Michaux verdomt het. Hij schreef zijn dagboek dan ook mede, zo lijkt het, om zich te bevrijden van het obligate, van alles wat hij van zichzelf verwacht, om uit te komen bij hoe het werkelijk voor hem is, een naakte ervaring – en dat levert zinnen op, fragmenten, een geheel van zinnen en fragmenten dat echtheid uitstraalt en het gevecht toont dat nodig is om die echtheid te bereiken.
Het is veelzeggend dat ik me van een dagboek bedien om te verduidelijken wat ik zeggen wil. Kennelijk verwacht ik van de roman iets dat bij uitstek in een literair dagboek te vinden is: een naakheid, een echtheid die de lezer ontroert en verandert en hem terugleidt, of terugschópt, naar wat ik ook nog ‘essentie’ zou kunnen noemen. In de roman wordt dit meestal op een indirecte manier gedaan: via de personages bijvoorbeeld, door te laten zien hoe ze zich voordoen, wat ze zich wanen en hoe ze werkelijk zijn. In Het duel van Tsjechov gebeurt dit in bijna elke alinea, onophoudelijk is er het helder weten van de schrijver, die messcherp en met milde ironie de levens van zijn personages toont – een helder weten dat ongetwijfeld is ontstaan uit dat verlangen naar echtheid dat ook Michaux beheerste op de vulkanen van Ecuador, en Flaubert toen hij in bijna-telegramstijl de notities van zijn Egyptisch dagboek maakte en zich bevrijdde van zijn romantische dweepzucht, en Céline in zijn Reis naar het einde van de nacht, of Max Frisch in zijn Montauk, of Tomasi di Lampedusa in De tijgerkat, of W.F. Hermans in Nooit meer slapen, of Kellendonk in zijn Mystiek lichaam – allen auteurs die een naaktheid, een ‘laten zien hoe het is’ nastreven, de een, Céline, met woede en grof geweld, de ander, Lampedusa, met subtiele ironie en aristocratische distantie.
Maar, zo vraag ik me nu af, is dat niet wat elke romanschrijver eigenlijk wil: onthullen, aan het licht brengen, zeggen wat gewoonlijk niet gezegd kan worden, zichtbaar maken wat gewoonlijk verhuld aanwezig is? Ik denk het niet. Er zijn romanschrijvers voor wie de roman de mogelijkheid is om een droomwereld te creëren, of een stoer verhaal te vertellen, of een virtuoos spel te spelen en de lezer daarmee te amuseren en te verbluffen, of een tijdsbeeld te geven. Ik vind dergelijke romans alle de moeite waard en prachtig, op zijn tijd. Maar mijn voorkeur ligt bij de roman die klievend is, een roman die zich volgens waarschijnlijk oeroude patronen naar een onthulling en een katharsis beweegt, zoals al sedert mensenheugenis met de rituelen van het theater wordt gedaan.

II

En hoe staat het nu met de steeds weer aangekondigde ‘dood van de roman’? Wat betekent die al sedert bijna een eeuw steeds weer vernomen gedachte? Waarom wordt er nooit gesproken over de ‘dood van het gedicht’ of de ‘dood van het toneelstuk’? Is het een steeds weer herlevende intellectuele mode, uiting van vertwijfeling aangaande het leven in de moderne tijd en het literaire genre dat die tijd en dat leven zo voorbeeldig beschrijft? Is ‘de dood van de roman’ een metafoor? Zo ja, is de betekenis van die metafoor dan dat men het eenheid-scheppend vermogen van de romanschrijver ‘dood’ verklaart? Want om een roman te kunnen schrijven dient de schrijver immers een verbinding aan te brengen tussen tal van verschijnselen, mensen en dingen, en dat doet hij vanuit de een of andere bezieling, vanuit een vanzelfsprekendheid – een vanzelfsprekendheid die uiteraard het voorwerp kan zijn van een dodelijke twijfel.
Is de dood van de roman dus een filosofisch probleem? Is het voorteken van een steeds dichterbij komende apokalyps? De roman is van alle literaire genres zonder twijfel het meeste omvattende: het komt voort uit de geest van de poëzie en niet zelden is het ook in zijn taal poëzie, het is theater door zijn dialogen en scenische opbouw, het omvat het essay en het aforisme, het is psychologie, op een manier die voor de wetenschap niet is weggelegd, het is filosofie door het im- of expliciet aanwezige mensbeeld en door het model van de werkelijkheid dat het biedt, het is geschiedschrijving – en daarmee is een opsomming van aspecten van het genre nog niet ten einde. De roman in optima forma is het meest omvattende taalbouwsel dat onze cultuur voortbrengt. Is de metafoor van de dood van de roman dus vooral uitdrukking van de twijfel aan de mogelijkheid om een dergelijk – per definitie samenhang scheppend – bouwsel voort te brengen en geloofwaardig te laten zijn?

In zijn in 1993 gepubliceerde roman Bekentenissen van Zeno heeft de wijze en beminnelijke Italo Svevo, waarschijnlijk als eerste, een obsessie beschreven die veel inzicht biedt in de psychologie van onze cultuur. leder die deze roman gelezen heeft, herinnert zich waarschijnlijk het letterbeeld l.s. – twee letters die hier niet de afkorting zijn van ‘lectori salutem’ maar van de woorden ‘laatste sigaret’. Zeno is verslaafd aan het roken en steeds opnieuw probeert hij zijn laatste sigaret te roken. Belangrijke gebeurtenissen in zijn leven als het behalen van een examen, zijn trouwerij en de dood van zijn vader zijn aanleiding om eindelijk met het roken te kappen en triomfantelijk te noteren: laatste sigaret! Waar het allemaal voor staat, deze dans om de sigaret, dit tot een obsessie uitgegroeide verlangen naar gezondheid – dat is voer voor psychologen. Maar het is wezenlijk en het raakt aan vele snaren. Het is een gevecht, dat Svevo bijzonder geestig beschreven heeft en dat voor mij een van de metaforen van de eeuw is geworden.

Op dezelfde wijze is misschien de steeds weer aangekondigde ‘dood van de roman’ slechts een metafoor, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan een fundamentele onzekerheid van onze tijd, een onzekerheid die zo beklemmend kan worden dat er periodiek een verlangen ontstaat naar intellectuele zelfvernietiging.

III

Is het voorstelbaar dat de roman, deze schepping van generaties van schrijvers, in de komende eeuw te gronde gaat? Ik vind dat onvoorstelbaar. Nog nooit is de gedachte bij me opgekomen dat de roman geen vitaal genre meer zou zijn, dat het ‘veld der mogelijkheden’ zou zijn uitgeput. Ook wanneer ik me erop bezin en speurend rondkijk, zie ik geen tekenen die op een naderende ondergang zouden kunnen wijzen. Wel is er een aantal mogelijke bedreigingen van de romankunst. Laten we die eens in ogenschouw nemen.
Er wordt wel eens verondersteld dat de roman over enige tijd, als gevolg van de revolutionaire ontwikkelingen in de digitale technologie, een verouderd medium zou zijn. Ten onrechte, lijkt mij. De roman is niet zoiets anoniems als ‘een informatiedrager’ die door een andere en betere ‘informatiedrager’ vervangen zou kunnen worden. De geschiedenis van de moderne tijd leert ons bovendien dat nieuwe media in de kunst eenvoudigweg hun plaats krijgen náást de al bestaande: zo is de schilderkunst niet verdrongen door de fotografie, en is de roman niet weggevaagd door film en televisie. De beeldtaal van de film heeft op het romanschrijven zelfs een verrijkende invloed gehad, de schrijver heeft van de filmer geleerd.
In de vier eeuwen dat de Europese roman bestaat heeft de romantechniek zich voortdurend ontwikkeld. Een achttiende-eeuwse roman maakt in zijn vormgeving op de hedendaagse lezer een enigszins primitieve indruk. In de negentiende en de twintigste eeuw vooral is de romantechniek met steeds nieuwe vindingen verrijkt. Het tempo van de vertelling is hoger geworden, de compositietechniek verscherpt, de lezer eist van de zinnen in een roman een steeds groter geladenheid – kortom, de tijdgeest manifesteert zich ook in de vorm van de roman. Het is voorstelbaar dat er in de technische ontwikkeling een verzadigingspunt wordt bereikt, en dat er decadentie ontstaat. Voorstelbaar? Die verzadiging en decadentie zijn er al. Er bestaat al zoiets als de turbo-roman, de in technische zin opgeblazen roman. De herfst van de patriarch bijvoorbeeld, van Gabriel Garcia Marquez, heeft er de kenmerken van. Márquez had zijn Honderd jaar eenzaamheid geschreven, een schitterend boek, ook in technische zin een grote prestatie. De roman werd wereldwijd bejubeld. Wat moest daar op volgen? Iets dat technisch nog knapper, nog duizelingwekkender was, kennelijk – en dat werd De herfst van de patriarch, een gewoon Márquez-verhaal, maar in technisch opzicht verbluffender dan verbluffendst: de hele roman bestaat namelijk uit zo’n tien, vijftien eindeloos lange zinnen. Marquez is niet verder gegaan op die weg, en elke romanschrijver zal inzien dat een roman die knapper dan knapst is ook knap vervelend en knap onleesbaar is. De romankunst kan door het exces niet worden verpest. Het lijkt me heel wel mogelijk om met de bestaande techniek nog lange tijd voort te gaan en nieuwe werkelijkheden, nieuwe gevoelens, nieuwe innerlijkheid te exploreren. De roman is een uitvinding die niet veroudert, zoals ook de uitvindingen ‘gedicht’ en ‘toneelstuk’ in meer dan 2500 jaar niet zijn verouderd.
Een werkelijke bedreiging voor het voortbestaan van de roman, en van de literatuur, lijkt de steeds indringender aanwezigheid van massamedia en massacultuur. De massacultuur heeft het gewonnen van de elitecultuur, en J.H. Huizinga heeft zich blijvend omgedraaid in zijn graf. De suprematie van de massacultuur – dat is de suprematie van het cliché, dat is de suprematie van de jeugd en het nieuwe, dat is de suprematie van de uiterlijke perfectie, dat is de suprematie van de kortstondige, verslindende aandacht. So what? zeg ik dan, ietwat verveeld en geïrriteerd. Moeten we het daar nu wéér over hebben? Moeten we het daar nu nóg eens over hebben? De massacultuur heeft gewonnen, en zal nog meer terrein winnen, en natuurlijk is dat van invloed op het literair bedrijf: op de literaire journalistiek en kritiek, op de uitgeverijen, en op de schrijvers zelf. Maar hebben we inmiddels niet geleerd om er mee om te gaan? Het cultuurpessimisme, waartoe degene die elitecultuur tegenover massacultuur stelt wordt veroordeeld, is volslagen improduktief geworden. Wie de waarden van de oude elitecultuur als norm wil handhaven, raakt alleen maar verbitterd, verstard en geïsoleerd.
Er kan lang en breed over gesproken worden: de roman en de massacultuur. Mij interesseert het, eerlijk gezegd, maar weinig. Ik geloof dat een schrijver zich er niet om hoeft te bekommeren. Hij moet zijn werk doen, hij moet goed schrijven en steeds dieper wegzinken in zijn kunst. Wat mij interesseert dat is de bondigheid van Tsjechov, de beschrijvingskunst van Tolstoi, het handpalm-grote en in één beweging neergeschreven verhaal van Kafka; en ook de schilder Bacon die zijn technisch volmaakte kunnen vernielt door de verf met zijn hand op het doek te smijten, en Cézanne die zwoegend en steunend tot het uiterste gaat om een appel te schilderen, en Messiaen die het bos intrekt om de vogelenzang te noteren – deze mensen stellen het moderne exempel. En naast hen staat de zangeres Patty Brard, ster van de roddelbladen, die op het televisiescherm verschijnt om te vertellen dat ze, na rijp beraad, heeft besloten om haar borsten te laten vergroten en ook de randen van haar wulpse lippen onderhuids een ietsje te laten opspuiten – zodat ze, de middelbare leeftijd naderend, de karikatuur van een sexgodin zal zijn. Ook dat is interessant, ook zij stelt een exempel. Voor mij bestaan die voor Huizinga tegengestelde culturen naast elkaar, en in feite maak ik zelfs geen onderscheid – want wat is elite, wat is massa? Welke elite? Welke massa?
Ik bestudeer aandachtig de paginagrote advertentie in de krant, waarmee een nieuwe telefoonmaatschappij zichzelf bij het publiek introduceert, om te zien hoe ze dat doen, waar ze op mikken; en met dezelfde aandacht volg ik wat er zich voordoet op het televisiescherm, wat mensen er van zichzelf laten zien, en hoe televisiemakers ons de werkelijkheid tonen, hoe een oorlog er op televisie uit gaat zien; en met dezelfde aandacht bezie ik een alinea die Tolstoi schreef in het midden van de negentiende eeuw, een fantastisch mooie alinea waarin hij een nachtelijk landschap aan een rivier weet op te roepen door alleen maar de geluiden te beschrijven; en met dezelfde aandacht buig ik mij over de bloeiende lamsoor op de kwelder bij Moddergat, of volg ik het stierengevecht in de arena van de stad Málaga.
Voor de romanschrijver, zo wil ik maar zeggen, zijn de mogelijkheden groter dan ooit tevoren. Hij moet zijn werk doen, hij moet goed schrijven, en niet bang zijn om steeds dieper weg te zinken in zijn kunst.

In Amsterdam of in Somerset West bij Kaapstad: de wereld is nog niet van het virus af. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus nog steeds alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? We hebben een nieuw correspondentenduo: Bernke Klein Zandvoort herstelt van de ziekte, bij Alfred Schaffer is de vergrendeling net iets afgezwakt. Ze zijn de derde van drie duo’s, nummer vijf en zes van zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – die op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten kijken en elkaar Binnenpost schrijven, na Roos van Rijswijk en Sander Kollaard ( 1, 2, 3) , Neske Beks en Bernard Wesseling (1, 2, 3).

*

20 mei, Somerset West, Zuid-Afrika

Dag Bernke

Schrijf jij veel brieven? Ik kan de mensen, vrienden toch veelal, aan wie ik lange brieven heb geschreven, op één hand tellen. Misschien twee. Ik heb jaren terug eens geprobeerd om een dagboek te beginnen en daadwerkelijk bij te houden – geen idee of dat iets voor jou is, maar ik weet nog dat ik na een enerverend oud en nieuw in Amsterdam, ergens in de jaren negentig, heel ambitieus begon met het beschrijven van alles wat er gebeurd was op 31 december en 1 januari. Ik kwam geloof ik op twintig bladzijden uit. Nu had ik alles gezegd, ik kon de bodem van mijn geheugen zíen. De tijd die ik eraan kwijt was, het compulsief herinneren en verwoorden, stonden me na die twintig bladzijden echter zó tegen, dat het bij die ene dag gebleven is. Ik denk dat ik het gevoel had dat er voortdurend iemand over mijn schouder meekeek. Waarschijnlijk was ik dat zelf.

Ik moet aan dat dagboekproject denken nu ik bezig ben met deze brief aan jou. Waarom leek het me een goed idee om aan deze correspondentie mee te doen? Ik zit zo ver van mijn abstracte ‘stamland’. Ik weet niet hoe jij dat ziet of ervaart, maar mijn idee was en is nog altijd dat de werkelijke, dagelijkse belangstelling van Nederlanders voor wat niet Nederlands is, een beetje ophoudt bij de voormalige West-Europese grenzen. En dan is er natuurlijk de VS. We zijn allemaal Amerikaan, Trump is onze obsessie. Maar Afrika, Azië, Zuid-Amerika? De media berichten er uiteraard over, er worden gelukkig nog goeie documentaires gemaakt en achtergrondartikelen geschreven waardoor je meer te weten komt, maar hoofdnieuws? We zijn en blijven een ver-van-je-bedshow. Een grote greep. Vermoed ik, ik kan dat niet helemaal navoelen natuurlijk.

Met als gevolg dat ik, als vrienden in Nederland vragen ‘hoe gaat het’, en vooral ‘hoe is het daar’, niet weet waar ik moet beginnen. Wat is het referentiekader? Hoe moet ik uitleggen wat het is om hier te wonen, in een land aan de zuidpunt van het Afrikaanse continent?

Ik weet niet wat jouw overwegingen waren, maar ik denk dat het schrijven van een paar brieven, in deze context, in dit tijdperk, mij een manier leek om te proberen verwoorden wat deze tijd voor mij betekent. Al wordt er ook nu over mijn schouder meegekeken, en betreft het een ‘kunstmatig’ gesprek. Alles wat we doen heeft een vorm nodig, iedere vorm is kunstmatig, dus misschien moet ik me daar niet te druk om maken. Door het dagelijkse werk op de universiteit van Stellenbosch dat nu nagenoeg online verloopt, het gewone drukke leven hier in huis, met homeschooling bovendien – kom ik er niet aan toe écht na te denken, echt te duiden. Nadenken is een luxe, voorbehouden aan mensen met tijd die hun overdenkingen en ervaringen kwijt kunnen in slimme columns en gevatte opiniestukken – maar het is óók noodzakelijk. Eigenlijk jammer dat in de landen die langzaam de deur weer openzetten, zo hevig gesnakt wordt naar het oude normaal; dit zou een tijd kunnen zijn waarin het besef zou kunnen groeien dat er andere prioriteiten moeten worden gesteld. Aan hoe we samenleven, op de eerste plaats. Voor wie is wat het oude of nieuwe normaal?

Weken achtereen zaten we hier in de hoogste fase van gevangenschap, fase 5. Dat wil zeggen: alleen naar buiten om boodschappen te doen, of als je naar het ziekenhuis moet. Verder was het binnen blijven. Intussen zitten we in fase 4, en mogen we nu tussen 6.00 en 9.00 uur ’s ochtends naar buiten. Sinds de lockdown van kracht is, vanaf 26 maart, is de verkoop van sigaretten en alcohol verboden, dat mag pas weer in fase 3. Wanneer die fase precies aanbreekt, weten we nog niet. Als je dus iets wilt drinken of roken, word je gedwongen om de illegale handel op te zoeken. Dus hup, naar Nozamo, maar de sigaretten die ze daar voor het tien- of twintigvoudige verkopen, zitten natuurlijk vol troep. Nou ja, niet dat sigaretten doorgaans nou het toonbeeld van een vitamineboost zijn, maar er zit dus nóg meer troep in. Dat kan. Maar ben je verslaafd, dan ben je verslaafd. Of je moet opeens als een dolle gaan afkicken.

Het is een vreemde maatregel, die door minister Nkosazana Clarice Dlamini-Zuma werd verdedigd met de nu al legendarische uitspraak: ‘When people zol, they put saliva on the paper, and then they share that zol.’ Met andere woorden, als je een peuk rolt, dan komt er speeksel op en als je die peuk vervolgens doorgeeft, is dat een risico. Ik ben blij dat ik niet meer rook, en niet verslaafd ben aan roken, zoals mijn schoonmoeder. Je moet het maar eens googelen, ‘zol’ en ‘Dlamini-Zuma’, dan kom je vanzelf op het nummer dat er van gemaakt is, en dat hier viral ging. Je moet van alles de humor inzien, dat zijn we aan onszelf verplicht.

Erg veel te lachen is er echter niet. De discrepantie tussen de haves en havenots, die we nu wereldwijd zien, is uiteraard heel zichtbaar hier, waar de verschillen tussen arm en rijk gigantisch zijn. De ongelijkheid loopt dan ook nog eens grotendeels als een krijtlijn over de kleurgrens. Dus heb je in de gegoede buitenwijken en slaapsteden bij wijze van spreken mensen die klagen dat ze hun hond wel weer eens willen uitlaten, terwijl in de arme gebieden veel mensen hun baan verliezen (en hier geen UWV, of goeie pensioenregelingen voor de armsten). Er is een toename van huiselijk geweld. In sommige gebieden houden bendes de gemeenschap draaiende, zoals de maffia dat in Zuid-Italië doet – dat de lagere scholen binnenkort toch weer voorzichtig opengaan (terwijl de piek hier nog moet komen, met momenteel in totaal 18.000 besmettingen en 339 doden), is mede gemotiveerd door het feit dat thuisonderwijs voor veel schoolgaande kinderen uiterst moeilijk of onmogelijk is, omdat er thuis geen of nauwelijks faciliteiten zijn, bijvoorbeeld. Er is het risico van een toename in het aantal tienerzwangerschappen, je zit met kinderen die school alleen al nodig hebben omdat ze anders gewoon te weinig te eten binnen krijgen. Misschien chargeer ik, het ligt allemaal erg genuanceerd, maar als je woedend bent, is de nuance een grap.

Zo bewegen we allemaal langs elkaar heen. Terwijl deze crisis eigenlijk een kraakheldere spiegel zou moeten zijn voor dit land: zo kán het gewoon niet langer. Kijkt Nederland in de spiegel? Ik heb je debuut Uitzicht is een afstand die zich omkeert uit 2013 hier in de kast staan. Op de achterflap lees ik: ‘Hoe vind je houvast in een wereld waar alles caleidoscopisch beweegt? Waar huishoudelijke voorwerpen, land- en stadschappen, dieren en geluiden hun eigen gang blijven gaan? Door goed te kijken.’ Lukt dat nog, dat heel goed kijken? Wat is dat voor jou, in deze tijd, goed kijken? Zie je iets bewegen, of staat alles stil?

Een hartelijke groet

Alfred

*

                                                                                              21 mei, Amsterdam, Nederland

Beste Alfred,

Het is een warme Hemelvaartsdag en in de grachten kruisen eenvoudige en minder eenvoudige plezierboten elkaar. Vooruitlopend op de aangekondigde versoepeling testen schaarsgeklede mensen rond sappakken en champagnekoelers wat het betekent om weer met meer mensen in een ruimte te mogen zijn. De ruimte van een bootje. Ik kijk naar alles wat er weer mag en belichaamde zonder het te weten het contrast met jouw fase 4. Voor mij klinken die fases heel heftig. Hoe ervaar jij het?

Ik ben dankbaar dat we drie brieven hebben om te corresponderen, want je snijdt in de eerste al zoveel aan, dat ik niet gelijk overal op kan antwoorden. Waar te beginnen? Misschien bij het einde, bij je vraag wat in deze tijd ‘goed kijken’ betekent voor mij. Ik ben veel bezig met de blik, met dat woord dat klinkt als een voorwerp dat los van ons bestaat, alsof je zou kunnen besluiten om het op of af te zetten. Natuurlijk is ze juist enorm verbonden met onze omstandigheden, met dat wat we kennen en geleerd hebben te zien. Las je toevallig ook over hoe de nieuwste onderzoeken uitwijzen dat ons visuele brein eigenlijk de hele tijd voorspelt wat het verwacht te gaan zien? En dat we dus eigenlijk in een projectie leven, tot het moment (een milliseconde) waarin de voorspelling wordt vergeleken met de informatie die onze ogen binnenkomt? Ik dwaal af. Wat ik eigenlijk over goed kijken wilde zeggen is dat ik me blijf verbazen over de aanwezigheid en impact van het onzichtbare in deze tijd. Hoe een onzichtbaar virus ons elke cellofaanverpakking en onze eigen mouwen laat wantrouwen, ons (ook onzichtbare) anderhalvemeterhoepels laat aanmeten en een hele samenleving, ja, wereldorde kan opschudden. En dat in zo’n relatief korte tijd.

Zelf werd ik vrij vroeg ziek, begin maart al, toen ‘het coronavirus’ slechts een tussenkopje in de krant was. Mijn huisarts vond het overtrokken dat de inhuizige apotheek hoestende mensen weerde, en ook op de academie waar ik lesgeef werd er geen serieuze aandacht aan besteed. Een van mijn studenten kwam na de kerstvakantie nota bene ziek uit Wuhan terug, en omdat er geen protocol was besloot ze zelf om een week thuis te blijven. Samen met haar medestudenten maakte ik spookachtige ‘woeeeee-hoe’ geluiden waarmee we deden alsof we bang waren voor mogelijke besmetting, maar het ondertussen totaal niet als een relevante mogelijkheid zagen. Ik bleef uiteindelijk zeven weken ziek. Omdat ik in een woongroep woonde waar we de keuken en badkamer deelden, en nét zou verhuizen naar een nieuwe woongroep, bracht ik deze weken kamperend door in mijn werkruimte, waar ik me zo onzichtbaar mogelijk maakte om niemand in het gebouw te verontrusten. Ook mijn vriend werd ziek en samen wachtten we op de boodschappen die vrienden bij de deur achterlieten en die we pas ophaalden als ze het gebouw hadden verlaten. Het liep uiteindelijk allemaal goed af, denk ik. Ik kreeg een brief met een negatieve uitslag, wat me aan de vroege ‘vuilbrief’ en ‘schoonbrief’ deed denken, die na een lepratest van groot belang waren om weer terug te mogen keren in de samenleving. Ik hoest nog wel, waarvoor ik soms plotseling een steegje in moet duiken en ook een tactiek heb ontwikkeld waarmee ik mijn gehoest laat samenvallen met een langskomende auto of tram. Als er zich geen tram of steegje voordoet, wil ik op zo’n moment niets liever dan mijn schoonbrief op m’n shirt spelden, omdat de blikken me straffen alsof ik mijn lepraklepper ben vergeten. Toch is het allemaal heel goed te doen.

In die zeven weken was, behalve de boodschappen en telefoongesprekken met introverte vrienden die verzuchtten dat de stille stad nu eindelijk met hun binnenste resoneerde, de computer onze enige verbinding met de buitenwereld. Mijn vriend is Mexicaan, dus ik volg veel nieuws over Latijns-Amerika en ook hoe schrikbarend weinig daarvan uiteindelijk in de Nederlandse media terechtkomt. Ik vraag me af of Zuid-Afrika en Mexico te vergelijken zijn, in hoe je als je er bent de ongelijkheid niet uit je ogen gewreven krijgt en wat er in deze tijd naar buiten komt over de gevolgen van het virus. Het schijnt dat het aantal doden in Mexico minstens drie keer hoger ligt dan de cijfers vertellen, omdat er simpelweg geen infrastructuur is voor het bijhouden en intomen van besmettingen in sloppenwijken, omdat veel mensen nooit een dokter bereiken, of met de wegvallende daglonen omkomen van de honger. En dat allemaal ongezien, terwijl communicatiesatellieten banen om de aarde maken en internetkabels de oceaanbodem bedraden om ons te verbinden.

Ik herken dus wat je zegt over de matige belangstelling voor wat niet Nederlands is. Ook nu is het buitenland de VS, met een beetje China en wat korrels Zuid-Europa. In de afgelopen zaterdagkrant telde ik ingeklemd tussen vijftien pagina’s Vandaag/Nederland en drie pagina’s Economie, een dubbele pagina Buitenland. Eén. Niet dat ik het niet begrijp; er is in dit kleine land al zoveel gaande dat gedeeld moet worden en dat delen zorgt voor onderlinge verbondenheid. En het ís in onze kleine hoofden ook een getouwtrek om je tot verschillende landen en realiteiten te moeten verhouden. Maar er zit voor mij iets gevaarlijks aan hoe de rest van de wereld zo onzichtbaar kan blijven, zeker nu we met z’n allen dealen met dezelfde en toch heel andere crises.

Dus dacht ik aan de blik, en hoe we onze blik behalve apporteren en projecteren nieuwe dingen kunnen bijbrengen. En dus Alfred, zou ik je willen vragen om wél de vraag ‘hoe is het daar’ proberen te beantwoorden – ook al betwijfel ik hartgrondig of weten al een vorm van medemenselijkheid is. Hoe voelen die fases? Hoe ervaar je die ochtenduren? Wat is de sfeer op straat? Wat gebeurt er tussen mensen, wat doet langdurige woede met jou? En zou je zeggen dat er in Zuid-Afrika een grotere belangstelling is voor het buitenland?

Alle goeds,

Bernke

Over een maand, 22 juni, wordt de winnaar van de Libris Literatuurprijs 2020 bekendgemaakt. Saskia de Coster en Marijke Schermer zijn genomineerd, net als Sander Kollaard, die we vorige maand leerden kennen in Binnenpost, Manon Uphoff, Oek de Jong en Wessel te Gussinklo. Die laatste drie publiceerden ook meermalen in De Revisor. Vandaag hernemen we van Te Gussinklo zijn lange fragment ‘De opdracht’ uit het eerste nummer van 1991, een hoofdstuk in de gelijknamige roman (Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, ECI-prijs, F. Bordewijkprijs, genomineerd voor de Libris Literatuurprijs en De Gouden Uil). Het is proza dat aansluit bij De hoogstapelaar in toon en stijl, intens en intiem.

*

Boomgordels en de onverhoeds uitwaaierende diepten van door bos omsloten weiland wisselden elkaar met eentonige regelmaat af, voortschuivend in zijn ooghoeken en in hun hypnotiserende herhaling, detailloos, gereduceerd tot weinig meer dan geometrische vormen. Niet het bos, het laaggroeiende eikenonderhout en daar bovenuit dennen, maar de gewaarwording van verzadiging – volheid, een rond en mollig opdringen – of juist van droge warme stoffigheid, ijl en doorschoten met banen zonlicht, als de weg langs laag struikgewas voerde.
En dichterbij, vlak naast hem het langsschieten van bomen en takken, een streepachtig bewegen van vele kleine dingen. En dan, haast schokkend abrupt, de plotselinge vertraging die zijn voortgang leek te ondergaan als wei- en akkerland zich uit de nauwte van de bosweg voor zijn ogen ontvouwden. Een muur van ruimte die hij beklom, traag als een insect op een groot vel glanzend wit papier.
Het gevoel bijna stil te staan door de tegenwind van licht die hem uit de blinkende velden tegemoet woei. Of later die middag, toen nevels de zon bedekten, de stroeve hindering die hij ondervond van het glasachtig bleke iets, dat – niet echt zichtbaar, maar toch aanwezig – onbeweeglijk de open ruimte vulde tot waar de weg met een kleine zwenking weer in het bos verdween.
Het was dan of hij haast sprongsgewijs, van stilstand tot stilstand, de ruimte overwon, en toch steeds ergens in het midden bleef, daar vastgehouden werd, hoezeer hij zich ook voortspoedde over het streperige grijs van het wegdek. Een wegdek met af en toe een boomwortel die daar gedeeltelijk in vergroeid was, of een plaats waar het asfalt opgedrukt was, gebarsten en brokkelig, en hij dacht dan: oppassen, zonder zijn snelheid te verminderen. En hij zag de zwarte, inktachtige afgeronde vlekken van recente reparaties aan het asfalt, en hier en daar stukjes onregelmatige bestrating. Fijn met stof gemengd grind markeerde de zijkant van de tunnelachtig smalle bosweg, soms opgehoopt in de bochten, alsof het daar naar toe geveegd was, of half weggezonken in gras en berm als de weg door wei en akkerland voerde.
En voor zijn ogen, maar toch droomachtig vaag, teruggetreden achter het waas dat inspanning en vermoeidheid over de dingen legde, opgenomen in het grotere geheel van beweging, snelheid (en zijn verwachting en zijn angst – en bij elke beweging de gedachte: het moet, het moet) bijna iets ruimtelijks dat roerloos bleef ondanks zijn gejaagde voortgang en als een stolp over de dingen stond – zag hij de gele waterachtig bewegende fietsband, een beetje hellend bij elke pedaaltrap. En hij hoorde het ritselende en toch enigszins vochtig zuigende geluid van de banden op het asfalt als hij krachtig aanzette. De warmte in het windloze, stoffig-kruidig ruikende bos was verstikkend. Hij hijgde met half-open mond. Hij probeerde zijn snelheid voortdurend te vergroten, steeds opnieuw, ondanks het doffe trekkende gevoel in zijn kuiten en dijbenen, kracht zettend om elk verslappen te bestrijden, – maar zonder daarbij uit het zadel te komen. Ook moest hij elk overmatig wringen van zijn heupen vermijden of stampen op de pedalen – net als echte wielrenners. Hij moest de volle omwenteling door een constante druk van zijn hele voet op het pedaal handhaven: een elastisch en soepel kracht aanwenden dat maximale snelheid garandeerde en dat toch laconiek om zo te zeggen moeiteloos, haast professioneel zou zijn.
Hij zag een streng gebeuren voor zich: strak, onvertroebeld door bijzaken, en bijna hooghartig in zijn ongedetailleerdheid; alleen het fietsen, zijn snelheid, en de kokerachtige engte recht voor hem uit die naar de verte leidde. Die verte bereikte hij en liet hij achter zich. Dat was alles. Het was een gebeuren van een stalen veerkracht dat hem zeer vereenvoudigd en toch gesterkt naar een triomfantelijke apotheose zou voeren.
Maar ondanks zijn inspanning waren zijn vorderingen op de lintvormig-onoverzichtelijke en maar niet eindigende boswegen ontmoedigend. Het was al vijf uur. Hij was nu al te laat; het zou veel te laat worden. Alles zou voorbij zijn als hij aankwam. Bewolking, een egale nevelige vormloosheid, versluierde de zon. Er dreigde onweer. De warmte in de steeds kleinere windloze ruimte waarin hij zich voortspoedde onder de steeds lagere hemel, de benauwde engte van de boswegen, vermengde zich met de gloed van zijn ontmoediging, zijn angst: het zou allemaal verkeerd gaan. Hij zou het niet kunnen.

Het vlakke rivierlandschap van het begin van zijn tocht dat langzaam aan de assen van zijn sloten langswentelde, met hier en daar een verre boomgroep of rijen populieren die een weg of een vaart begeleidden, had spoedig plaats gemaakt voor stoffige, haast onmerkbaar stijgende boswegen. Het was de laatste weken warm geweest. Er was geen regen gevallen. Hij verdwaalde. Hij moest terug, opnieuw zoeken, een andere afslag, een zijweg… Het werd later, maar hij twijfelde niet. Niets zou hem onmogelijk zijn.
Na een onverwacht intermezzo van kaal vlakland, leeg tot aan de horizon, met bleke dorpjes – roerloos en schraal in het ononderbroken zonlicht – vingen de bossen weer aan, maar dichter nu, meer gesloten, donkere bossen met uitsluitend dennen en smalle overgroeide wegen die de indruk wekten nooit betreden te worden.
Die bleke dorpjes, hij kon zich niet herinneren daar door gekomen te zijn bij vorige tochten toen hij nog met de groep meereed. Hij moest verkeerd gereden zijn. Maar hij fietste verder, haastig, gejaagd, vrijwel zonder op of om te kijken. Het zou niet meer lukken als hij nu stopte, hij zou het dan niet meer kunnen. Achter hem, op zijn bagagedrager, het holle bonkende geluid van de oude bruinleren koffer, die zijn moeder, ondanks zijn protesten (het was niet nodig, hij zou belachelijk zijn met al die kleren) zorgvuldig voor hem gepakt had. Hol bonkend bij elke hobbel in het wegdek of doosachtig ratelend als het asfalt in de dorpskernen overging in bestrating.
De bleke dorpjes met hun onbeweeglijke zonlicht op asfalt en huizen had hij tenslotte achter zich gelaten. Voortjachtend langs de dorpsstraten waarin vrijwel niets bewoog en de enkele wandelaar, fietser of auto, omgeven door een ruimte van doodstil licht, geen beweging veroorzaakte maar juist de bevestiging van roerloosheid en matte benauwdheid leek te zijn (zonlicht dat zelfs midden op de dag de indruk wekte dat de avond al viel, en dat, niet getemperd door bomen of stuikgewas, schaduwloos afschampte op de gevels van de schuurachtige behuizingen, met hun kleine lichte stenen en dun voegwerk. De waterachtige weerspiegelingen in de ramen. De ongastvrije vitrages…) Daar te wonen, daar geboren te zijn. Niet beter weten, het vanzelfsprekend vinden te wonen in die hoge onbeweeglijke leegte waar alles voorgoed afzonderlijk was.
Toen al was een besef – eerder de gewaarwording van warmte en benauwdheid dan een helder beeld of een omlijnde zekerheid – in hem opgeweld. En gaandeweg waren de triomfantelijke visioenen die hij zo behoedzaam in zich opgeborgen had uit hem weggezakt. En tegelijk met hen de woorden, de gedragingen die deze visioenen begeleidden, of liever: die ze konden oproepen en als vanzelf met haast mathematische zekerheid in de werkelijkheid doen ontstaan – met hem als middelpunt. Als hij maar niets vergat. Hij had die woorden en die gedragingen zorgvuldig op een briefje geschreven om ze steeds beschikbaar te hebben en ze elke dag gerepeteerd. En ‘s avonds voor hij ging slapen bekeek hij ze en hij overdacht de gebeurtenissen die het mogelijk zouden maken dat hij zich zo bewonderenswaardig gedroeg en zich eindelijk zou kunnen tonen. En hij bekeek ze ‘s morgens als hij opstond, zodat de hele dag, elke handeling in die dag door hen bepaald zou zijn. Bijna onmogelijk dat er dan nog iets fout ging. En soms bekeek hij ze als hij alleen was in zijn kamertje, ongelukkig, bang, niets lukte, altijd zou dat zo blijven, de starre benauwdheid die van de dingen uitging. Wat moest hij beginnen. Ze hielden niet van hem. Ze bewonderden hem niet. Hij was niet aardig. Het was onbegrijpelijk, waarom was hij niet aardig? Wat moest hij dan doen… Hij bekeek het briefje met de woorden, de gebaren, bewegingen, antwoorden, die hij zo zorgzaam opgeschreven had en die stuk voor stuk een toegang betekenden, al was het nog maar een eerste begin. Meteen zag hij voor zich hoe hij die bijzondere dingen deed of zulke opmerkelijke woorden gebruikte (het woord ‘autark’ bijvoorbeeld of ‘inherent’, zomaar losjes in een of andere zin en natuurlijk ‘überhaupt’, of het woord ‘verdomme’ achteloos en haast onverschillig gebruikt bij kleine tegenslag), en hoe de andere jongens op zouden kijken, vrijwel terugdeinzen als hij zoiets indrukwekkends zei. Dit hadden ze niet van hem verwacht. Onmiddellijk zou hij dan met iets anders komen om het succes vast te houden. Het superieure gebaar bijvoorbeeld dat hij dagelijks voor de spiegel geoefend had. Glimlachend en waarschuwend zijn vinger op zijn lippen leggen als iemand iets vervelends zei… ssst… zou hij dan zeggen. Of die brede en superieure beweging van arm en geopende hand om ruiterlijk voorrang te verlenen of kameraadschappelijke sportiviteit uit te drukken – eveneens glimlachend. Ze stonden ervan te kijken. De volwassen manlijkheid van zijn houding en uitingen zou hen voor hem innemen. Dat zou blijvend zijn als hij maar eenmaal het eerste begin had. Het waren houdingen en gedragingen van een grote helderheid. Hij werd bijvoorbeeld op een fout betrapt. En glimlachend wendde hij zich tot de jongen die hem terecht wees, niet schuw of nijdig, maar met ogen warm van vriendschap. ‘Je hebt gelijk,’ zou hij zeggen. ‘Die is voor jou.’ ‘Eén-nul.’
En vrijwel onmiddellijk zou die jongen hem anders zien, als een vriend, als een kameraad, en andere jongens die erbij kwamen en het zagen…
En altijd glimlachen wat er ook gebeurde. Nooit somber kijken of blikken vermijden. Niet schuw zijn maar altijd wat terug zeggen, ook als ze scholden of hem uitlachten of belachelijk maakten – en meelachen, niet venijnig maar royaal en losjes, alsof hij erboven stond – onverschillig, maar sportief. En rustig praten omdat hij anders ging stotteren. En iedereen altijd recht aankijken. En zijn hoofd iets achterover houden, maar zó dat hij, hoewel zeer mannelijk, haast al volwassen, toch heel aardig leek, op een vriendschap en enthousiasme wekkende manier, zodat ze altijd bij hem wilden zijn. En als iemand boos werd moest hij niet schichtig worden of bang zijn. Een jongen zou bijvoorbeeld ‘klootzak’ zeggen, of ‘donder op lul’, en dan zou hij onverschillig glimlachen – glimachen was belangrijk – en er voor moeten zorgen dat hij niet wegkeek of geschrokken fronste en niets meer durfde te zeggen – en vooral zijn ogen beheersen.
Hij zou zeggen – net als alle andere jongens – ‘gooi niet met vleeswaren joh’ en hard lachen, zodat die jongen wel gedwongen was ook te lachen en elke schrik en gekwetstheid door lachen vervangen werd. En als die jongen toch doorging zou hij zeggen: ‘je bent zelf een lul’, ‘je bent zelf een klootzak’, koel, onverschillig en niet geschokt door de houding van die jongen of niet meer in staat naar die jongen te kijken, omdat die zijn ogen niet mocht zien: het trillen daarin, de geslagenheid, de tranen die soms in zijn ogen sprongen; want deze jongen had een hekel aan hem, hij vond hem niet aardig maar belachelijk, en hij durfde dat zomaar te zeggen, hij vond het zelfs niet belangrijk hem te vriend te houden. Hij moest glimlachen en terug kijken, onverschillig, ongeschokt. Dat zou niet meevallen. Iets in hem verstarde dan, kromp ineen. Onmogelijk nog te reageren. Hij zou gaan stotteren als hij dat deed. Maar het moest. Als hij maar hard lachte en niets liet merken. Het zou helpen: lachen. En af en toe zou het noodzakelijk zijn dat hij zelf een beetje kwaad werd, of op zijn minst koel en terughoudend, omdat ze anders zijn vriendelijkheid niet voldoende zouden waarderen… Ook moest hij als jongens bij elkaar stonden daar bij gaan staan en niet wachten tot ze het vroegen, – en gelijk meepraten, en altijd grappen maken, zodat ze zouden lachen en hem opmerken – Lachen was belangrijk. Hij moest ze altijd aan het lachen maken. En niet te veel en te snel praten. En steeds even wachten om te kijken of ze nog wel geïnteresseerd waren…
Hij had het briefje met al die voornemens, die superieure gedragingen, die slimme en gewiekste reacties in zijn kamertje met een punaise aan de muur geprikt, verborgen achter een langs de wand gedrapeerd kleed – en voor de zekerheid met de lege kant naar voren en dubbelgevouwen – zodat niemand het zou kunnen vinden en zou weten, zou vermoeden wat hem bezig hield, en hoe oneerlijk en vals hij was met al die berekening, al die trucjes – zo heel anders dan hij zich voordeed: zijn onechtheid, de beschamende smoezeligheid van zijn bestaan tussen die andere jongens die gewoon zichzelf waren, argeloos zonder valse heimelijkheid, en die aardig tegen hem zouden zijn omdat ze dit niet wisten. Maar deze voornemens waren een eerste begin, hoe beschamend ook, als hij ze maar goed onthield en niets vergat. Als dat eerste begin er was zou het vanzelf verder gaan. Het zou zich uitbreiden als een olievlek. En al het smoezelige van zijn bestaan, al die valsheid, de beschamende onechtheid van zijn gedrag, zou vanzelf verdwijnen, en daarmee de wereld waarin hij geplaagd werd en uitgelachen en al het andere – En wat had Churchill gezegd: ‘De tegenslagen in mijn leven, de rampen en vernederingen zijn nodig geweest, zie ik nu, om te worden die ik ben.’
Zo ging dat. Misschien had Churchill, hoewel hij er nooit over had gelezen en het haast ondenkbaar was, ook zulke problemen gehad.
Als glanzende fonkelende knopen lagen ze in zijn bewustzijn gereed, de woorden en gedragingen die hij dagenlang gerepeteerd had, en met hen de beelden, de triomfantelijke visioenen. Hij streek langs ze en betastte ze, ze waren er nog, helder en koel als kralen. Hij hoefde zich maar op ze te concentreren, en de wereld die in ze besloten lag zou zich vanzelf ontvouwen, beheerst en overzichtelijk, afgepast als een choreografie. Hij was veilig zolang zij er waren. Aan hen dankten de dingen hun kleur. Zij bepaalden de heldere zichtbaarheid tot de horizon.
En al die tijd – al die wegen en dwalingen, de kruidigruikende bospanden, de blinkende vlakten – had hij ze als een beschermende vertrouwdheid in zich gevoeld, en ze soms voorzichtig, heel terloops betast. Ze waren er nog. Niets zou voor hem onmogelijk zijn.
Maar tegelijk met zijn vermoeidheid, de doffe pijn in zijn lichaam, de niet-eindigende boswegen onder de steeds zwaardere, benauwde lucht, de warmte, het dreigende onweer – en zijn uitputting, zijn angst – waren ze één voor één uit zijn bewustzijn weggezakt, flets en krachteloos geworden. De opdracht zou te groot zijn. Hij zou het niet kunnen.
De in elk dorp en in elke stad toenemende groep jongens en meisjes die vriendschappen vernieuwend en luidruchtig kampliederen zingend zeer langzaam naar het Veluwedorp – in de omgeving waarvan het zomerkamp gehouden werd – fietste, had hij gemeden.
Jongens en meisjes die zelfs vanuit Rotterdam en nog wel verder per fiets met koffers en rugzakken naar het kamp gingen.
Er was al maanden van te voren overlegd en geschreven waar ze elkaar zouden ontmoeten en hoe laat, zodat ze ruim voor vijf uur, het tijdstip van het grote appèl, in het kamp aanwezig zouden zijn. Ook hem, Ewout, was gevraagd mee te rijden, maar hij had geweigerd; hij zou later gaan, op eigen gelegenheid. Het ging hem veel te langzaam. Hij moest nog veel doen voordat hij kon vertrekken. En hij had gedacht: ik ben veranderd, ze zullen opkijken. Met een schokje, alsof hij zijn adem inhield – omdat zelfs ademhalen de roerloze helderheid van dit beeld zou kunnen verstoren – zag hij het voor zich: onverwachts, zonder aankondiging of teken verscheen hij in hun midden: hun verrassing, hun geschokte verbazing. En ze zouden hem nauwelijks herkennen. In de stilte die na zijn aankomst viel zou hij ze één voor één toespreken, ieder op z’n beurt, hoffelijk, met vriendelijke maar kalme belangstelling – als een volwassene. Hoe ging het nu? Hoe was het afgelopen jaar geweest? Waren ze overgegaan…?
Hun gedempte bewegingen, de bleekheid van hun gezichten; en tussen hen, in de wijde kring van hun aandacht zijn langzame voortgaan. Hij zou zeggen: ‘Dit moet een geweldig zomerkamp worden, jongens, denk eraan’. ‘Laten we dat nu eens en vooral samen met elkaar afspreken…’ ‘Ik reken op jullie.’
Lichtheid en geluk. Hij moest dit beeld vasthouden. Hij moest het steeds blijven zien. Alleen het feit al dat hij zich zoiets kon voorstellen, met hemzelf als middelpunt, was een teken, betekende iets. En hij had gedacht: het zou niet zichtbaar zijn als het niet kon. Daarna dacht hij aan al die andere jongens die hij onbenullig vond of onbelangrijk, zijn beste vriend Bernard bijvoorbeeld. Onmiddellijk zag hij het verschil. Ze zouden die rol niet kunnen dragen, met die te bolle gezichten zonder kin en met zo’n brilletje, of met zo’n star en onbeweeglijk uiterlijk, of juist te beweeglijk met rare kinderachtige giechellachjes – of scheel of dik… Ze zouden zelfs al die aandacht niet krijgen. Er was iets fout in hun houding, hun uiterlijk maakte het onmogelijk, dat wist je zo als je ze in die situatie voorstelde. Hij zag hun dankbare lachjes voor zich, hun verlegenheid, hun zwijgen, ze zouden hulpeloos en bevangen wegkijken als iedereen zo op ze lette, of gek gaan doen. Maar hij niet, hij was anders – in ieder geval later, als hij precies wist hoe het moest, zou hij anders zijn. Niets in zijn houding of uiterlijk zou het dan verhinderen of onmogelijk maken. Later, maar ook nu al in het zomerkamp. Het zou moeilijk zijn, maar niet onmogelijk. Hij stelde zich voor hoe het zou zijn als hij daar zo rondliep omgeven door hun vriendschap en bewondering, en zich rustig en toch innemend van de een naar de ander wendde. ‘Gaat het goed met je?’ zou hij tegen het dankbare en aanhankelijke gezicht tegenover hem zeggen, ‘Hoe is het met je ouders…?’
Hij stelde zich voor hoe dat zou voelen, al die aandacht, hoe hijzelf dan zou zijn, niet bevend en dankbaar, maar koel onder een aandacht die nu niet meer in hem drong, die hem niet meer veranderde of bewoog, maar die hij zou ondergaan alsof het vanzelf sprak. En ook de ruimte om hem heen zou niet koortsachtig en flakkerend zijn, doorschoten met schrikwekkende aanwezigheden zodat hij steeds in de war raakte, maar kalm, rustig en als het ware stilgelegd om hem heen in dienstbaarheid; alsof hij door zijn glimlachende rust de ruimte zelf beheerste. Hij kon het nog niet helemaal zien. Zijn aankomst bij voorbeeld, of hoe hij al die aandacht en bewondering zo plotseling verworven had. Hij zag een gedrag voor zich, een uitwisseling tussen hem en die andere jongens als een breed rustig ademen. Verder geen details, geen echte bijzonderheden. Maar als ze nou helemaal niet op hem letten of maar even… Wat dan, wat moest hij dan doen? Of als ze hem uitlachten… Want al was het allemaal mogelijk, ja haast onontkoombaar, die triomfen, die successen, dat was zeker – het moest eerst zover komen. Hij moest iets doen, iets aan zichzelf veranderen, voordat hij zo indrukwekkend en geliefd zou zijn, maar wat? Hij dacht: ik zou een groter hoofd moeten hebben, onbeweeglijker en toch glimlachend… dat zou alles anders maken – of die dikke lippen, dat ene loensende oog. Er waren vreemde hinderingen en onmogelijkheden om het zover te brengen, maar dit beeld hielp. Hij zou veranderen, als hij het voor zich bleef zien. De kleur die het bezat, het superieure ritme en evenwicht zou zich aan alles wat hij deed – en aan de dingen om hem heen – meedelen: zoiets als een rails waarvan de wissel was omgezet. Met een solide wetmatige precisie zou het vanzelf van het een naar het ander voeren. Het zou niet meer anders kunnen, als hij dit beeld maar voor ogen hield.

De dagen voor zijn vertrek waren vol hoopvolle maar angstige verwachting geweest. Kon het zomerkamp maar uitgesteld worden, later plaats vinden, zodat hij eerst nog… maar ja, wat? hij wist het niet. Of nog beter: was het kamp maar vast voorbij, zodat hij er nu tevreden op terug kon kijken zonder angst of twijfel; een afgeronde voldragen vorm die achter hem lag, onaantastbaar in het verleden. Maar hij wist het al: ook dat zou niet definitief zijn, niet onveranderbaar, want zomaar iets, een woord of een gebaar, een lachje van een of andere jongen, smalend en laatdunkend, waar hij nooit meer aan gedacht had, zou hem toch nog te binnen schieten; een ontijdig afwenden dat hem toen niet was opgevallen, omdat het in de marge van iets anders plaats vond, als het ware in zijn ooghoeken: een knipoog, een blik, iets onbelangrijks, dat hem niet werkelijk aanging. En dat lachje, die knipoog, die blik schoot potseling in het centrum van het gebeurde, kleurde onafwendbaar alles wat voorgevallen was. Hij kon het niet meer tegenhouden, hij kon het niet meer terugdrijven naar de uithoeken waar het thuis hoorde. Want ook dit was gebeurd, ook dit telde mee. Alles was van belang, alles, ook dit. Die jongen die wat achteraf stond, op wie hij nauwelijks had gelet, die jongen had geknipoogd, hij had gelachen, een beetje smalend, een beetje alsof hij zijn schouders ophaalde. Hij had gelachen, terwijl dat niet de bedoeling was geweest.
Nu zag hij het opeens. Hij had het toen niet echt gemerkt. Hij lachte, hij knipoogde. Waarom? Waarom? Ze hielden niet genoeg van hem. De kramp van afschuw die hem doortrok. Wat moest hij dan doen? Wat moest hij doen… Leeg zijn, roerloos zijn, tot het voorbij was, tot het onschadelijk was geworden. Maar hij kon het niet meer, want met een soort ademende pulserende beweging in zijn bewustzijn schoof wat hij opeens zag over alle dingen heen, over een werkelijkheid, een wereld die zojuist nog hoopvol, haast doorschijnend in zijn benaderbaarheid, zijn kenbare eenvoud had geleken. Alles was walgelijk. Alles was ondraaglijk. Iedereen. Al die jongens, alles wat zij deden, die glimmende lachjes, dat gulzige opdringerige gegrinnik, hun kijken, het lawaai dat ze maakten en dat als een golf tegen hem aansloeg – ondraaglijk, want dat ene lachje, die ene knipoog… Wat moest hij beginnen? Kou, een kille stijfheid die het hem niet meer veroorloofde een beweging te maken, trok langs zijn huid en in zijn lichaam omhoog. Nooit zou hij aan de eisen, de verwachtingen kunnen voldoen. Er was geen einde aan de geboden, de opdrachten, de uitdagingen, de duizenden dingen. Kon hij maar weg zijn, niet meer bestaan, een ander worden. Het zou nooit meer goed komen. Nooit zou hij meer zichzelf kunnen zijn, helder, samenhangend met iets, zichzelf genoeg, zoals vroeger – want niets sprak meer vanzelf, geen beweging, geen woord, geen blik, niets, en nooit zou het meer vanzelf spreken. Het gewicht, de stroeve moeizaamheid van alles.

De ochtend voor zijn vertrek was hij bedrijvig in de weer. Hij had alle voorbereidingen naar die ochtend verschoven: kleine reparaties en verbeteringen aan zijn fiets, boodschappen die hij nog moest doen, een klein stukje proef-fietsen…
De ochtend zou van het begin tot het eind gevuld zijn. Hij zou misschien zelfs tijd tekort komen, zodat hij gehaast en zenuwachtig van het een naar het ander zou moeten gaan in een vrolijke, de wereld vullende geagiteerdheid die aan niets anders plaats bood dan aan angst dat hij iets zou vergeten, of bezorgdheid dat hij niet op tijd klaar zou zijn. Er zou geen moment stilstand zijn: de lege vormloosheid tussen twee handelingen die het onrustbarende een kans gaf. Hij moest nog bij iemand langs, hij wilde een boek kopen, hij moest nog dit doen en dát. Hij gunde zich geen tijd om na te denken. Hij zou gaan twijfelen als hij dat deed. Het was noodzakelijk zichzelf leeg te houden, zonder werkelijke gedachten of gevoelens, behalve gedachten aan al die kleine dingen, die boodschappen, die handelingen en reparaties die geen enkele bezorgdheid of angst bij hem wekten, hoe zenuwachtig hij ook deed. Want alles was op te lossen, en zelfs als hij iets vergat maakte dat niet uit, was dat niets.
En achter al die handelingen, die bezigheden, die bezorgde zenuwachtigheid om van alles en nog wat, de gewaarwording van iets hards, de gewaarwording van uiterste concentratie, van uiterste beheersing die als een strak gespannen boog over een ruimte stond vol schitterend licht – en dat was de toekomst, dat was hijzelf – maar geen détails daarin, of afleidende en angstwekkende bijzonderheden.

Het werd middag. De anderen die gezamenlijk fietsten moesten de provincieplaats waar hij woonde al gepasseerd zijn. Maar hij vertrok nog niet. Hij ging als voorbereiding op de tocht met zijn beste vriend Bernard, die hem het eerste stuk zou begeleiden, naar een ijssalon. Hij dronk een cola. En daarna at hij een sorbet. Hij rookte een sigaret, op zijn gemak achterover hangend in het doorbuigende metalen stoeltje. Hij had alle tijd. Moeiteloos zou hij in vijf uur de vijftig kilometer die hem van het kamp scheidden kunnen overbruggen. De anderen maakten omwegen naar dorpjes om daar kampgenoten op te halen. Ze stopten om te wachten en ze te begroeten. Hij zou geen tijd verliezen door omwegen of vertragingen. Als een soepele ononderbroken lijn beeldde de tocht van hier tot het zomerkamp zich in zijn geest af. Een vreugdevol gebeuren, zuiver door de eenvoud van deze het uiterste vergende krachtsinspanning. Hij voelde de minuten verstrijken met het langzame bonzen van zijn hart, het tikken van zijn linkervoet op de betegelde vloer, en daarna zijn rechtervoet. Het onverwacht opkomen van een trilling in de spieren van zijn kuiten en dan van zijn dijbenen. En onophoudelijk moest hij gapen, met rukkerige schokjes van houding veranderen, zich uitrekken. Het werd later, maar hij vertrok niet. Steeds onbeweeglijker en op den duur bijna zwijgend zat hij in de ijssalon met zijn beste vriend Bernard, een jongen die nog woorden als ‘potjemeknaatje’ en asjemenou’ gebruikte, en die gekleed ging in kinderachtig geblokte truitjes en afhangende plusfours, op zijn hoofd droeg hij bijna altijd een bruine alpinopet. Bernard was een beetje belachelijk. Wanneer iemand iets aan hem vroeg of zelfs maar naar hem keek begon zijn gezicht eigenaardig te bewegen, alsof hij reeds bij het eerste woord, de eerste blik, vrijwel bestormd werd door de behoefte goedwillendheid uit te drukken, gretige haast om te antwoorden, aangenaam en behulpzaam te zijn. Met kaarsrechte, zeer platte rug en ver naar achteren uitstekende billen helde hij voorover om toe te snellen. Zijn wenkbrauwen sprongen op en neer, hij keek scheel, hij werd rood. Het was een gedrag dat zowel schrik en onhandigheid als een overstelpend goede wil en explosieve bereidwilligheid uitdrukte. Al kon dat soms zomaar omslaan in norsheid en bleke koppigheid. Hij was een beetje belachelijk, hij was raar en kinderachtig. Hij wekte een gerustellend medelijden in Ewout op. Bernard had het nog niet begrepen, hij zou Bernard helpen.

Samen met Bernard zat hij in de ijssalon, loom en wijdbeens achterover hangend, een sigaret in zijn mondhoek. Vrijwel sprakeloos in plaats van praterig en druk zoals anders, en – het verbaasde hem – onverwacht traag, alsof elk gebaar, elke woord langzaam uit een diepe ruimte, een gewelf van stilte en roerloosheid opdoemde, hoorbaar werd.
Het was of de wereld om hem heen dichttrok, terwijl hij daar zat en wachtte en bijna niets meer zei en zijn vertrek steeds uitstelde. En of de dingen, de ijssalon, de huizen en winkels buiten en het harde licht daarop, zijn vriend Bernard naast hem, of al die dingen terugweken, wegdreven achter de dommelige, soezerige nevel die als een gordijn om hem heen geschoven was; wegdreven in een gewatteerd bestaan waar al hun kantige hardheid, hun schelle glanzerige directheid verdwenen was. En alsof hij in die leegte om hem heen, in de kokerachtige smalte van zijn geest bij elke ademhaling zich meer en meer volzoog met spanning, concentratie: een ronde volheid die hem steeds trager en roerlozer maakte – en met dat andere: en dat andere was het fietsen zelf, de handelingen die hij zou moeten verrichten, de snelheid die hij nu al bijna voelde (en ook zijn volharding, zijn moed en zijn vorderingen over wegen en straten. O, ongehoord. Ongehoord.) En eigenlijk vond dat allemaal nu al plaats, terwijl hij hier zat, nog wel niet echt zichtbaar, maar als een verschieten ergens vlakbij hem, zodat zijn spieren zich spanden en hij soms met een rukje een trappende beweging maakte, of hijgend voorover schoot en die beweging moest camoufleren door zich uit te rekken, te gapen. En wat hij zag was een koortsachtig en toch soepel, haast streepachtig snel bewegen, een uiterste krachtsontplooiing. En aan het eind daarvan tenslotte, na de tunnelachtige nauwte die deze inspanning, deze concentratie hem oplegde, als afronding van zijn uiterste inzet een visioen van het kamp, onverwacht zich openvouwend onder een zeer helder licht: de barakken, laag en langgerekt naast elkaar en haaks daarop de eetzaal. En daarvóór – reeds in slagorde opgesteld om hem te begroeten – de jongens en meisjes van het kamp, die bleek met ernstige gezichten van verwachting, zijn aankomst gadesloegen.
In tenten zouden ze slapen, hij en de andere jongens; hij kon bijna niet meer stil zitten als hij zich dat voorstelde: de tocht, zijn aankomst, de tenten en daarna, daarna… (Een ogenblik dacht hij eraan dat het misschien niet doorging, die tenten, en dat hij toch naar het grote kamp van de ouderen zou moeten. Maar Dick en de andere jongens, zijn vrienden, zouden dat niet toestaan… Dit was het, deze tocht en zijn aankomst, hun ernstige verwachtingsvolle gezichten, de tenten… hier moest hij zich op concentreren. Pas als hij dit goed zag, dit haarscherp voor ogen had, geheel van dit beeld vervuld, doordrongen was, pas dan, op dat moment van uiterste spanning, van uiterste zichtbaarheid, als het al bijna te laat zou zijn om nog te vertrekken, als het bijna niet meer kon, pas dán, juist dán, zou hij plotseling opstaan en zijn fiets pakken – licht en veerkrachtig – en wegrijden, onmiddellijk op snelheid, moeiteloos, alsof hij gelanceerd werd. En meteen zou Bernard, hoewel hij groter en sterker was, een stuk achter blijven. Hij zag het voor zich. Dat kwam ervan. Met een gevoel van medelijden, maar ook met voldoening keek hij naar Bernard. Nooit zou Bernard al die bewondering en populariteit die hem ten deel zouden vallen meemaken, daar was hij niet genoeg een persoonlijkheid voor. Hij zou raar gaan doen, met van die lachjes, en van die klapwiekende gebaren, en overgedienstig over zijn woorden struikelen. Dat werd niets. Of juist stil en bevangen van iedereen wegkijken, zoals nu, hier in de ijssalon, ergerniswekkend apathisch en onbenaderbaar, met zo’n grauw en lusteloos gezicht. Dat zou nog problemen geven bij het fietsen. Misschien zou Bernard hem echt niet bij kunnen houden als hij zo lusteloos en apathisch bleef. Maar dan zou hij toch bij Bernard in de buurt blijven, hij zou zijn snelheid verminderen zodat Bernard mee kon komen. Op een of andere manier vergrootte dit voornemen zijn gevoel van kracht en triomf nog.
Pas na vele kilometers, als Bernard ondanks hun geringe snelheid klagend achterbleef zou hij stoppen, verbaasd maar heel geduldig. ‘Dit wordt niets,’ zou hij zeggen, terwijl hij ernstig, zijn gezicht hooggeheven, in de verte keek (een jongen die belangrijke dingen aan zijn hoofd heeft, die moeilijkheden zal overwinnen en grote prestaties zal leveren). ‘Zo gaat het niet.’ ‘Ik geloof dat je nu maar beter terug kunt gaan,’ zou hij zeggen. En nog meer van dat soort zinnen. En daarna achteloos: ‘dan kan ik tenminste zelf opschieten.’ ‘Sorry, maar het is niet anders.’ Bernard zou verslagen naast zijn fiets blijven staan en hem een beetje verlangend, stelde hij zich voor, spijtig omdat hij niet verder meemocht, nakijken, terwijl hij bliksemsnel en zeer gesterkt wegfietste, op slag in de verte verdween. Op weg. Op weg.

Vrijwel onmiddellijk na hun begroeting, terwijl ze samen naar de ijssalon liepen, had hij Bernard gevraagd hoe het ging. ‘Is het al een beetje over?’ vroeg hij. Misschien vanwege de kinderachtige joligheid waarmee Bernard reeds van een straat ver naar hem riep en zwaaide toen hij hem zag: druk grimassend en heen en weer hopsend op het zadel van zijn fiets, een en al uitbundigheid en onbegrijpelijke ergerniswekkende voorpret. (Terwijl hij, Ewout, juist zo ernstig was, zo geconcentreerd.) Het was te uitbundig, het was te enthousiast. Dat scheel kijken, die opgewonden bewegingen. Alsof Bernard hem iets ontstal. Alsof hij hem iets afnam. Wrevel daarover, nijdigheid. ‘Hoe is het nu?’ vroeg hij, en het was of hij met een schokje in zichzelf opveerde bij die woorden. ‘Ik bedoel… eh gaat het al weer wat beter?’ En Bernard had ‘Hè?’ gezegd, ‘Hoezo?’ en verbaasd zijn passen ingehouden om naar Ewout te kijken, ‘Ja, natuurlijk,’ zei hij argeloos, ‘ik…’ Toen zag hij Ewouts gezicht en Ewouts ogen die meelevend, met veelbetekenende nadruk, op hem gericht waren, oplettend, buitengewoon aandachtig als een volwassene die zich niets zal laten ontgaan. Bernard verbleekte. Een trek van diepe ergernis schoot over zijn gezicht, terwijl hij stug en vijandig naast Ewout keek. Ter plekke was al zijn enthousiasme verdwenen. ‘O,’ zei hij alleen maar. ‘O.’ Hij keek niet meer naar Ewout.
Meteen voelde Ewout zich meer op zijn gemak, hoewel toch ook wat ongerust omdat Bernard nu misschien boos weg zou gaan. Maar Bernard ging niet weg. Hij liep mee naar de ijssalon, gedwee, zonder protest zijn fiets aan de hand. Hij zei niets. Hij wilde geen sorbet. Hij wilde niets drinken. Roken deed hij ook al niet. Maar Ewout had volgehouden. Hij begon voorzichtig opnieuw. En bij elk woord groeide zijn medeleven met Bernard; een gevoel van zachtheid, deernis haast, ondanks het walgelijke dat Bernard in zich borg. En ook een gevoel van warmte voor Bernard, en bezorgdheid omdat Bernard zich zo’n opmerking zo aantrok en er nu zo verslagen bij zat. Dat was heel erg, hoewel, aan de andere kant… En ook spijt over de kloof die hen nu voorgoed scheidde. Dat kon niet anders als je zoiets smerigs wilde met je beste vriend. ‘Nou,’ zei hij voorzichtig – hij keek hulpzoekend om zich heen – ‘ik heb er nog eens over nagedacht.’ Hij wierp een snelle blik op Bernard. Het was al de derde keer binnen een paar weken dat hij dit zei, en elke keer was Bernard even stug en even bleek geworden. Bernard reageerde niet bevredigend.
‘Ik vroeg me af,’ zei hij, ‘of je er nog steeds last van hebt. Of had je het alleen toen maar, toen ik… of eh… nou…’ Hij ging wat rechter zitten. Hij keek opnieuw naar Bernard, die bleek en lusteloos en machteloos geërgerd (en ergerniswekkend) voor zich uit keek en nauwelijks reageerde. ‘Daar moet je wat aan doen, joh,’ zei hij. ‘Dat is heel verkeerd. Daar word je ziek van.’ In zijn stem klonk het medeleven dat hij een ogenblik echt voelde. (Hij dacht: zal ik vragen of hij om meisjes geeft of aanbieden samen met hem en een meisje uit te gaan, zodat hij kan leren hoe het moet. Maar dat was al een keer gebeurd, en het meisje had, vreemd genoeg, alleen aandacht voor Bernard gehad, hoe leuk Ewout ook deed. Dat was de oplossing dus niet.) ‘Je moet ervan af zien te komen,’ zei hij. ‘Zoiets moet je onderdrukken. Daar moet je tegen vechten.’ Hij boog wat naar voren, oomachtig vertrouwelijk en begrijpend. ‘Bij mij geeft het niet als ik het weet, ik bedoel dat geeft niet, al vind ik zoiets natuurlijk… eh…’ Hij maakte een klein schetsend gebaartje in de ruimte voor hem… ‘maar als anderen het te weten komen… Daar moet je voor oppassen joh. Dan wil niemand meer iets met je te maken hebben.’ Hij keek strak naar Bernard. Hij wachtte even. Een gevoel van grote helderheid, van grote zekerheid was in hem opgeweld. Alles was hem duidelijk. Zijn minzame en nobele rol later in de toekomst bijvoorbeeld, en nu al, hier in de ijssalon en binnenkort in het kamp… zijn medelijden met Bernard, de behoefte hem te beschermen en te helpen, een zacht en vol gevoel dat ook hemzelf plotseling ontroerde: dat hij zoiets kon voelen, zoiets goeds, zoiets moois en nobels, en dat niemand dat van hem wist, ook Bernard niet.
(Het was bijna dezelfde ontroering als hij soms had bij muziek. Die keer dat het Leger des Heils speelde op een straathoek bij de brug over de gracht toen het stormde. En hij daar stond en met geen mogelijkheid weg kon komen, bijna schaterend temidden van het schrille krijsen om hem heen, de zweepslagen van geluid, die zomaar opeens halverwege een melodie in rafels en flarden weggleden en ijl om de hoek woeien, terwijl iedereen toch uit alle macht toeterde en blies en zijn uiterste best deed. En dan was het geluid terug. Opnieuw de overweldigende dreunen, het snerpende kabaal dat door de wind meegevoerd recht op hem afkwam. Het overstelpende gevoel toen van weidsheid waarin hij niet meer wist wat hij moest doen, alsof hijzelf, zijn lichaam en zijn bewegingen te klein waren, te nauw en roerloos om dit gevoel te verdragen. Hij zou moeten springen en rennen.
Alles was reusachtig, het bestaan, de wereld, het leven, het was prachtig en overweldigend. En tegelijk was het onherbergzaam, was het kil en meedogenloos. En dat was goed, dat was juist prachtig omdat het was zoals het was. In die kilte, die meedogenloosheid die hij nu opeens wist en besefte, zou hij worden, zou hij bestaan en leven, wat er ook gebeurde. En hij zou even kil, even meedogenloos zijn, maar toch anders, niet als medeplichtige, maar kil omdat hij dit wist, dit zag en begreep. Want niets zou te verlossen zijn: de handenwringende deernis die hij voelde.
Al zouden de vreselijkste dingen hem overkomen: ziekten, of dat hij geplaagd werd, of niet aardig werd gevonden: het zou toch niet erg zijn. Hij zou alles kunnen verdragen. Hij zou onvernietigbaar zijn. En tegelijk was er een gevoel van verdriet, maar zacht en troostend, verdriet om de verlorenheid van alle dingen, en omdat de dingen nu eenmaal zo waren en dat hij dat wist en begreep; zo waren de dingen nou eenmaal. Als anderen eens konden vermoeden dat hij zulke grootse en prachtige gevoelens in zich borg, ze zouden hem meteen heel anders zien.)
‘Je hebt er nog steeds last van hè?’ vroeg hij zachtjes aan Bernard. Hij had het gevoel dat hij zijn hand moest uitsteken om Bernard aan te raken en op die manier te overtuigen van zijn vriendschap en hartelijkheid, zodat Bernard niet meer zo lusteloos zou zijn, maar juist blij, omdat hij nu wist hoe aardig Ewout was, hoe nobel, hoe fijn zijn gevoelens waren.
Op hetzelfde moment deed hij dat ook bijna, maar Bernard dook ineen, maakte huiverende bewegingen met zijn schouders, en Ewout deed het niet. ‘Ik kan het voelen als je het weer hebt,’ zei hij. ‘Ik voel iets… tja…’ hij kantelde twijfelend zijn hand in de lucht. ‘Alsof ik iets zweterigs voel, iets klams, als je dicht bij mij in de buurt bent. Alsof je heel erg zweet of zoiets. Dat kan niet gezond zijn. Dat moeten anderen ook merken.’ Hij keek zoekend om zich heen. ‘Het is alsof ik het kan ruiken als je dichtbij komt,’ zei hij. Hij snoof een beetje om het te demonstreren. Meteen dacht hij aan iets nieuws. ‘Heb je dat ook bij andere jongens?’ vroeg hij met een gevoel van inzicht opeens, en ook deernis met Bernard, die het niet kon helpen dat hij zo was, en spijt: een gevoel dat toch ook glanzend en warm was. Want nooit zou hij Bernards verlangens kunnen vervullen, nooit! Hoewel Bernard smekend in zijn buurt verbleef, Bernards hoop zou vergeefs zijn. Zijn verdriet daarover. Zijn liefde, zijn hunkerende aanwezigheid, smachtend maar vergeefs. Hij zag het voor zich. Hij zou Bernard nooit in de steek laten. Hij zou vriendelijk voor Bernard zijn, het hem uitleggen. Nee, je moet begrijpen, zo ben ik niet…
‘Heb je dat ook bij andere jongens,’ vroeg hij, ‘of alleen bij mij?’ Maar Bernard reageerde niet. Ergerniswekkend, bleek en onbenaderbaar, en nog lustelozer, nog grauwer dan eerst hing hij achterover in zijn stoel. In een van de pijpen van zijn ouderwets lange en wijde korte broek was een testikel zichtbaar. Een onrustbarende bobbel toonde aan dat zijn lul weer recht overeind stond. Al bleef hij, Ewout, zitten en was hij van school gestuurd – de tweede keer al, en het internaat en het verdriet van zijn moeder, en de politie en al het andere, de afschuwelijke dingen die soms gebeurden en die niet meer mochten voorkomen – zo’n vieze neiging die zou verhinderen dat hij werd zoals hij moest zijn had hij in ieder geval niet.
Het was stil in de ijssalon. Ewout keek naar zijn glas cola en naar het lege vies-vlekkerige en nauwelijks doorzichtige sorbetglas daarnaast met de reusachtige lepel, en daarna opnieuw naar Bernard, onderzoekend en en beetje voorzichtig, maar Bernard reageerde niet. Dit werd niets. Hier had je niets aan. Het kwam door zijn ziekte, dat Bernard niet dankbaar kon zijn, en blij dat hij zo aardig was, zo meelevend en vol begrip – en toch maar zijn vriend bleef, en niets aan anderen zou vertellen. Je had er niets aan als je zo je best voor hem deed. Onmiddellijk begon Ewout weer aan het kamp te denken en zijn tocht er naar toe: nergens stoppen, want dan was het mogelijk dat hij niet meer in zijn ritme kwam; en in het begin niet te snel maar juist rustig, om zo te zeggen terughoudend wegfietsen – hoewel ook dan nog zeer snel. Daarvoor zou het goed zijn als Bernard meeging, zodat hij wel gedwongen was langzaam te rijden – Het zou eerst lijken of hij het niet haalde, of hij op het schema achterbleef, maar dan, gaandeweg, als hij merkte dat het ging, zou hij steeds sneller gaan, zodat hij tenslotte ongekend snel vorderend ruimschoots op tijd zou aankomen.

‘Meisjes versieren,’ had hij een paar weken geleden tegen Bernard gezegd. Hoewel Bernard eerst niet wilde was hij toch meegegaan. Bernards aanwezigheid was noodzakelijk. Het contrast tussen hen zou meisjes iets duidelijk maken. Maar al had hij voordat hij vertrok twee glazen van de door zijn moeder in de keukenkast achter pannen en emmers verborgen vruchtenwijn gedronken – en daarna nog een grote slok uit de fles – om niet schuw te zijn, alles te durven te midden van die gevaarlijke grote jongens, die bijna volwassen meisjes, toch was het niets geworden, hoe stralend en nadrukkelijk glimlachend hij ook naar al die meisjes keek die gearmd en samen giechelend in de straten van de binnenstad paradeerden – of in de verte veelbelovend om straathoeken verdwenen, zodat hij zeer snel wandelend de afstand probeerde te overbruggen. Naast hem Bernard, kinderachtig giechelend. ‘Asjemenou, wat een leuk grietje, potjandorie,’ zei hij vol verlekkerde verstandhouding, snel met kleine dribbelende huppelpasjes – belachelijk bij zijn lengte – en kaarsrechte rug voortlopend. Het meisje zei: ‘ga weg engerds’ of probeerde met een stug gezicht langs hen te glippen, wat Ewout ook zei: woorden gehoord van andere jongens (schoffies uit de achterbuurt die alles durfden): ‘Hé, lekker stuk!’ Of zelfs een keer: ‘Mag ik een eindje met je meelopen?’ Ook dat werd niets, want het meisje had heel gewoontjes en totaal niet geïntimideerd, maar ook niet gevleid of verheugd gezegd: ‘ja hoor, waarom niet! Het kan mij niet schelen.’ En voordat hij een van die magische zinnen – begeleid door het stimulerende gegiechel van Bernard – kon zeggen, zinnen die onontkoombaar het succes met zich moesten voeren, zoals: ‘waar ga je met die mooie benen naar toe?’ of: ‘een meisje als jij hoort toch niet alleen op straat te lopen…’ en daarbij een veelbetekenend lachje en bewonderende blikken van onder tot boven (de ruimte die zulke woorden bracht, de moed dat hij zich zo durfde gedragen zou al het andere plotseling mogelijk maken; door zijn superieure al haast volwassen houding werd het het meisje duidelijk dat hij niet de eerste de beste was), voordat hij zoiets bewonderenswaardigs vergezeld van brede demonstrerende gebaren had kunnen opmerken, zei ze al: ‘Ik begrijp niet wat je er aan vindt, maar als je het leuk vindt, de straat is vrij hoor’ – zo los en gewoontjes dat hij niets meer had kunnen bedenken. Ze deed of zijn gedrag geen betekenis had, alsof hij zo maar wat in de gang op school met een meisje uit een hogere klas opliep, smalletjes en bescheiden in plaats van zo boeiend, zo meeslepend als hij voor zich had gezien. Eigenlijk was het bij nader inzien toch niet zo’n leuk meisje. Ze had ook geen mooie kleren aan, met kant of zo. Even later, toen ze gehaast maar opgewekt – op platte schoenen ergens naar op weg – zonder in te houden om op hen te wachten de straat naar een buitenwijk insloeg – leeg en weinig veelbelovend op die stille zondagmiddag – had hij heel beleefd, haast schichtig afscheid genomen, want het was raar dat hij nu al wegging, na zich eerst zo opgedrongen te hebben; en ook het vreemde gevoel haar niet teleur te mogen stellen. Misschien zou ze denken dat hij haar niet leuk vond, dat ze hem, hoewel ze zo aardig en geduldig was, tegenviel nu hij even met haar gepraat had.
‘Het was heel prettig een eindje met je op te lopen,’ zei hij schuw. Hij stak een hand uit en probeerde de hare te drukken. Het meisje zei: ‘ja hoor,’ terwijl ze ferm armzwaaiend zonder in te houden of zijn hand op te merken doorliep: vriendelijk, onverschillig.
Ook dat was mogelijk: zo’n meisje dat niet schichtig werd, niet weg wilde glippen, maar vriendelijk en ongeïnteresseerd alles goed vond, wat hij ook zei, en zich niets van hem aantrok. Wat moest hij dan doen? Het was Bernards schuld dat ze geen succes hadden. Hij was te kinderachtig met dat dribbelen en giechelen, en dat taalgebruik… zoiets stootte meisjes af. Hij had dat ook tegen Bernard gezegd.
Overal was het stil in dit deel van de stad. Onbeweeglijk zonlicht stond scheef op de dorre korzelige muren en op de ene helft van de huizen en een gedeelte van de stoep van de lege straat voor hen. Een straat stenig en kaal tussen de hoge gevels – aan de schaduwkant donker alsof het daar geregend had. Verweg in die lege straat een kleine gele hond die zorglijk tegen een fiets waterde en daarna in een sukkeldrafje opzij en over zijn schouder kijkend om een hoek verdween. En dichterbij een paar jongens bij elkaar staand in een tunnelachtige gang die naar de gracht voerde. Nergens waren al die meisjes te bekennen, willig en bereid reeds naar hem uitkijkend, die hij in zijn verbeelding voor zich had gezien. Er viel niets te beginnen op deze stille zondagnamiddag, in deze lege straat. Ook in het centrum van de stad was het niets geworden. Wat nu? Er moesten ergens vrouwen zijn die bijna naakt in etalages zaten, en waar je alles mee mocht doen.
Naast hem was iets ontstaan, bewoog iets, drong iets op hem in, al was het nauwelijks echt bewegen of dichterbij komen. Het was iets anders, een heimelijk ademen, vlakbij hem, hijgen bijna: Bernard! Hij had niet meer op Bernard gelet. Samen hadden ze naar meisjes gekeken, naast elkaar kijkend in de verte, ver van henzelf weg, kijkend naar bewegingen en lachjes en reacties, en de dingen en de straten, schichtig, op hun hoede tussen die gevaarlijke, al grote jongens – schoffies die alles durfden -, die ervaren meisjes, kijkend naar blikken en bewegingen en opwaaiende rokken en het licht op de huizen, de flitsen in de ramen. En: ‘Zag je dat, die was boos, die wilde niet naar me kijken, die is vast verliefd op me.’ En: ‘Die met die dikke benen, die doet het vast vaak, daar krijgen ze van die dikke benen van’ – Samen hadden ze plannen gemaakt, lachend naar elkaar van verstandhouding en plezier over wat ze voor zich zagen: al die ideeën, al die mogelijkheden; en hun opwinding daarover, en over wat ze verwachten, overal meisjes, overal. Dat was het enige, zij zelf waren er niet.
Maar opeens bestond Bernard vlakbij hem, niet meer, zoals net nog, samen met hem op weg naar iets toe en over die afstand, die ruimte heen daar eigenlijk al aanwezig, maar vlakbij hem, onrustbarend dichtbij, alsof hij zich zwaar en log naar hem toe wendde en op hem afkwam, hoewel hij toch nauwelijks bewoog. Op hem, Ewout, afkwam die daar ook was, die daar stond, plotseling ondraaglijk zacht en vol, teruggevloeid in zichzelf. Zijn huid tintelde. Er flitste en trilde iets. Het was onbegrijpelijk. Het was niet te begrijpen. Van zijn hoofd tot zijn voeten was hij zichtbaar om aan te raken. Hij was zwaar en onbeweeglijk en heel alleen in een duizelingwekkend lege wijde ruimte. Wat was dit? Wat gebeurde er?
Meteen was het er niet meer, veranderde het toen Bernard zich naar hem omdraaide, zijn ogen scheel en fonkelend ergens midden op Ewouts borst gericht, verblind starend alsof hij niets zag, iets anders zag, iets… Vreemd en onrustbarend in plaats van zijn boezemvriend Bernard. De druk midden in hem, de onverwachte druk midden in zijn lichaam zodat hij opzij leek weg te vloeien, van die plaats weg – naar zijn armen en benen wegdreef, en toch juist daar bestond. Dat op hem indringen op heel andere plaatsen van hemzelf en zijn lichaam dan waarop hij verdacht was, en bij hun vriendschap hoorde. Alsof Bernard een vreemde was en niets nog vaststond en niets gold. En zomaar opeens. Hij was weerloos. Hij kon niets doen. De onbegrijpelijke vitaliteit die recht op hem gericht werd. ‘Zag je dat?’ zei Bernard, ‘zag je dat?’ Hij deed een struikelend stapje naar voren. Hij bewoog nu aan alle kanten, Bernard, overal: tastend, knedend in de lucht, de ruimte tussen hen in, zijn handen reusachtig en gummi-achtig openend en sluitend met knopvormige vingertoppen van het vele pianospelen. ‘Zag je dat! die jongens rotzooiden met elkaar.’ ‘Rotzooiden,’ zei hij. Hij likte langs zijn lippen. Een rond en gulzig woord. ‘Rotzooiden,’ zei hij nog een keer. Hij staarde. ‘Die jongen zat aan zijn piel, bij die andere jongen,’ zei hij. Ewout had niets gezien, ja twee jongens, maar verder niets. ‘Zullen wij dat ook doen?’ Meteen maakte Bernard lage scheppende bewegingen met zijn hand naar Ewouts kruis. Zijn gezicht, zijn mond, zijn ogen, alles opengesperd: starend, grijnzend. Zweet, een egale glanzende vochtigheid bedekte zijn huid.
Met een schreeuw sprong Ewout achteruit, weg van hem. ‘Gadverdamme joh, donder op, gadverdamme!’ Hij kon het niet begrijpen, ontzaglijk geschrokken. Of geschrokken, het was anders, eerder een gevoel van angst en hulpeloosheid dan schrik. Bernard was gevaarlijk. De blinde onweerstaanbare kracht die van hem uitging, het gevoel dat hij plotseling veel groter was geworden en niet meer tegen te houden, log en voor geen rede vatbaar als een dier. Iets reusachtigs. Niet Bernard. Een kracht die ver boven Bernard uitging. Een nat en opengesperd ding had zich naar hem toegewend, het zweette, het bestond, gezichtsloos, vettig en zacht en bovenal walgelijk.
Meteen stond hij kaarsrecht, streng, met onderwijzerachtige verontwaardiging. Alles was duidelijk. Het leek of hij plotseling ver weg was, op grote afstand van Bernard. Onmiddellijk was het verdwe-
[p. 38] nen, het koortsachtige, het opdringen, toen hij het begrepen had. ‘Dat is ontzaglijk smerig, joh!’ sprak hij koel. Alles was buitengewoon duidelijk. Bernard was ziek, hij was niet gevaarlijk, hij was ziek, hij was vies. Hij zou zich schamen als hij het zelf begreep.
‘Heb je dat wel vaker, zoiets smerigs, daar moet je tegen vechten joh, als andere jongens dat weten…’ zei hij vertrouwelijk, kalm al, wat om zich heen kijkend en nauwelijks meer naar Bernard. Want Bernard was niet gevaarlijk. Hij was niet dreigend of angstaanjagend. Hij was ziek. Bernard die voor hem stond. Stil, bleek en eigenaardig smal opeens, met slap langs zijn lichaam neerhangende armen. ‘Ik kan het ook ruiken,’ zei Ewout, ‘dat rook ik al die tijd al, iets zweterigs, ja hoe zal ik het zeggen, iets…’ Hij voelde zich zeer rechtvaardig. Hij begon op dreef te raken.

Het was alweer een tijdje geleden. Meestal dacht hij niet aan dat griezelige en onbegrijpelijke, dat ergens in Bernard verborgen zat, en dat hem tot een vreemde maakte, opdringerig en gevaarlijk.
Er was niets bijzonders aan hem te zien. Hij vergat het – hij dacht er niet meer aan. Hoewel soms… Misschien door een lachje of dat zweterige af en toe, maar mogelijk verbeeldde hij zich dat maar. Als Bernard opnieuw met zulke praatjes kwam, zou hij het hem geduldig uitleggen: kun je niet gewoon eens met een meisje uitgaan? Of een meisje schrijven. Je kent toch wel een aardig meisje…? Hij zou hem dat fotoboek met blote vrouwen laten zien dat hij in de loze ruimte onder de lade van het kastje in zijn kamer verborgen had. Bij elke foto zou hij Bernards commentaar vragen. En als het duidelijk werd dat hij het niet goed zag, zou hij hem in detail uitleggen waardoor vrouwen zo aantrekkelijk en begerenswaardig waren (maar hoezo aantrekkelijk? hoezo begerenswaardig? Zo’n lichaam met borsten en een gat erin – het was eerder vreemd dan aanlokkelijk daar later mee te moeten vrijen en paren en voor altijd mee samen te moeten leven. Als het er op aankwam was het eigenlijk angstaanjagend…! Maar dat moest je onder ogen zien als je ouder werd. Het was je lot nou eenmaal. En eigenlijk had zo’n lot iets moois en plechtigs in zich als je er beter over nadacht. Bijna of je je offerde. Gelukkig dat ze altijd zulke verleidelijke kleren aan hadden.)
Bernard, ach ja Bernard, het was niet zijn bedoeling geweest dat Bernard nu zo stilletjes was en zijn blikken vermeed en niets wilde drinken, geen cola, geen sorbet, niets. Hij had alleen maar vriendelijk willen zijn, hij had belangstellend willen informeren. Een klein, maar warm en nobel verdriet over Bernard vervulde hem – verdriet dat niet hinderde, eerder reliëf gaf aan het vertrouwen, de kalme bereidheid die de wereld hem toonde, de rustige brede adem die hij in de dingen om zich heen gewaar werd en in elke handeling die tussen hen plaats vond.
Hij neuriede, hij trappelde een beetje met zijn voet.

Het werd half twee en daarna twee uur. Hij wist niets meer te zeggen tegen zijn beste vriend Bernard, trouwens Bernard zei zelf niets. Hij keek op zijn horloge: kwart over twee. Minder dan drie uur om de tocht te volbrengen. Hij moest nu weg. Maar hij vertrok niet. Hij kon niet meer ophouden met uitstellen, wachten, zich tegenhouden en niet gaan – voortdrijvend op het gevoel van zekerheid, van harmonie dat zich aan alle dingen meegedeeld had. Zijn inzicht in Bernard bijvoorbeeld, zijn onmiskenbare overwicht… En die helderheid in alles, die onschokbare zekerheid over wie hij was en wat hij wilde en wie hij werd, en al het andere, zou zich voortzetten, de hele tocht naar het kamp toe en later in het kamp zelf, en daarna… het zou niet meer veranderen.
Hij kon nog niet vertrekken, en dit beeld loslaten, dit geluk, deze glanzende windstille helderheid, en zich verliezen in de inspanning die de tocht hem op zou leggen, de vermoeidheid en pijn, de twijfel die toch weer komen zou. Zich verliezen, ondergaan in al de details, al de verwarrende kleinigheden die zich voor zouden doen en die hem het zicht op wat hij wilde zijn zouden ontnemen: de belofte die zijn bestaan was.
Maar in plaats van helder, triomfantelijk en zeker werd hij plotseling vermoeid en zwaar. Het zou verkeerd gaan, het zou niet kunnen.
Iets gloeiends, een benauwde vochtige warmte die zowel uit zijn lichaam opkwam als op een of andere manier met de omgeving, de dingen rondom hem samenhing, nestelde zich om hem heen. En op dat moment, alsof hij hierop gewacht had, stond zijn beste vriend Bernard plotseling op, zomaar van het ene op het andere moment. Hij moest weg. Hij moest nog vóór drie uur ergens zijn, hij had geen tijd meer. Trouwens, Ewout vertrok toch nog niet, zodat het geen zin had om langer te wachten. Al had Bernard reeds enige tijd fronsend en schichtig om zich heen gekeken, dit had hij niet verwacht.
De schok was verschrikkelijk. Weliswaar moest je er altijd rekening mee houden dat Bernard plotseling naar huis moest, weg wilde en dan onmiddellijk zonder verdere uitleg vertrok, zomaar, Ewout wist nooit waarom – terwijl ze met iets bezig waren en hij zonder twijfel of voorbehoud op Bernard gerekend had. (Want Bernard was al die tijd zo toegewijd, zo meelevend en kameraadschappelijk geweest dat het haast was of Ewout zich verdubbeld had. Alles sprak vanzelf in deze moeiteloze ontspannenheid: hij hoefde Bernard nergens van te overtuigen, samen opgaand in plannen en bezigheden die hij, Ewout, bedacht had, die de zijne waren en waarvoor Bernard even enthousiast was als hij; plannen die hij haast onderdanig bewonderd en aangehoord had.) En plotseling moest hij weg, wilde hij niet meer. Het was onbegrijpelijk. Er was geen aanleiding, niets dat hem hierop voorbereid had. Tot dit moment, tot deze totale afwijzing had Bernard alles goed en mooi gevonden, wat Ewout ook voorstelde, en nu opeens, nu Ewout argeloos iets zei of vroeg was hij onbenaderbaar en vertrok onmiddellijk – niet voor rede vatbaar, door geen argumenten te bereiken – met een bleek en strak gezicht en ogen die wegkeken, alsof hij zich al verwijderd had. Het was onbegrijpelijk. Onder Bernards ogen waren blauwe vlekken.
Die vrije middagen dat hij hem ophaalde zoals altijd en Bernard kieskeurig en benepen aan de deur verscheen: Nee, hij was Arabisch aan het bestuderen. Hij oefende Bach of de sonates van Beethoven: van die ouderwetse muziek die niet meer meetelde. (Bernard had het nog niet begrepen.) Hij onderzocht schaakproblemen. Hij kon vandaag niet. Hij vond dit leuker. Hij bestudeerde de Chinese filosofie. Hij wenste daar zijn middag aan te besteden. Misschien een volgende keer. Niks ‘potjemeknaatje’ en ‘asjemenou’. Na wat zuinig wiebelen op de deurmat wendde hij zich af. Meteen, zonder nadere uitleg of poging tot verstandhouding sloot hij de deur, kortstondig een nuffige blik op Ewout werpend.
Het kwam niet vaak voor. En Ewout vergat het. Al lag een kieskeurig en truttig nee-zeggen dat voorzichtig maakte altijd in Bernards gedrag op de loer. Het zou geen zin hebben hem te bepraten of een poging te doen hem over te halen nog even te blijven, toch mee te fietsen.
Hij kon bijna zijn mond niet meer open doen van plotselinge wrok en teleurstelling, en nauwelijks nog naar Bernard kijken. Het gevoel afgewezen te zijn, in de steek gelaten – juist nu hij op hem rekende -, koel en terloops verworpen te worden.
Maar vrijwel onmiddellijk kwam iets anders in zijn gedachten, en het was of een kracht hem wegtrok: geheel alleen zou hij vertrekken, geheel alleen zou hij aankomen, door niemand begeleid, en in volstrekte verlatenheid zou hij de tocht volbrengen – ernstig, tot het uiterste toegewijd, overgeleverd aan dit eenzame, bijna noodlottige gebeuren, dat hem in zich op zou nemen en hem pas bij zijn aankomst zou bevrijden, zou loslaten. Een uiterste beproeving, die hij moest ondergaan en die door niets verzacht mocht worden of door verwarring en afleiding van zijn ernst mocht worden ontdaan.
Hij zag Bernard vertrekken en hij maakte geen beweging om hem tegen te houden. Hij zei niets. Terstond vreemd geworden leek zijn beste vriend Bernard zich al op grote afstand te bevinden, verweg in het verleden – alsof alleen zijn schim, een stripachtig kale en lege gestalte, zich nog een ogenblik bij hem ophield alvorens te verdwijnen, uit te doven. Voorbij.
Voorbij. Hij keek nauwelijks op. Hij knikte kort, en mompelde iets tegen hem toen Bernard zich uit de ijssalon verwijderde, stijfjes schuifelend en enigszins achteruit lopend met korte onharmonisch uitschietende bewegingen, haast kleine buiginkjes alsof hij zich verontschuldigde, en hoog opgetrokken wenkbrauwen boven geschrokken starende ogen (maar het was geen schrik, eerder onhandigheid, verwarring).
Hij lette niet meer op hem. Want voor zijn ogen doemde het op. En hij gonsde van genoegen. Met kleine schurkende wringende beweginkjes, alsof hijzichzelf omhelsde, dook hij steeds dieper weg in de stoel. In dodelijke eenzaamheid zou hij de tocht volbrengen – en in zo korte tijd – geheel alleen, door allen verlaten, aan niemand dan alleen zichzelf overgeleverd, zijn uiterste inzet, het gebruik van al zijn kracht en moed, zonder hulp of steun van anderen of de mogelijkheid zich op iemand te beroepen. Overgeleverd aan de tijd – die afgrond tussen nu en zijn aankomst.
Dit duizelingwekkende en toch bevrijdende besef, de bijna wreedaardige verlatenheid daarin, de roekeloosheid van deze, vrijwel onmogelijke, opgave die hij toch zou volbrengen – en zo snel, in zo korte tijd – overweldigden hem: van niemand afhankelijk, afhankelijk van niemand behalve zichzelf. Alles zou mogelijk zijn. Hij besloot nog een sorbet te nemen om zich opnieuw, nu ongestoord, voor te bereiden op de tocht. Drie uur was een mooi rond getal om te vertrekken. In twee uur zou hij de tocht voltooien. Vijfentwintig kilometer per uur. Of nee, wel dertig, want er zouden vertragingen zijn onderweg, afslagen en bochten die zijn snelheid zouden verminderen.

Hij was moe toen hij om drie uur vertrok. Zijn lichaam protesteerde. Het ijs was verkeerd gevallen. Hij was een beetje misselijk van de limonade. Het had zich niet hersteld, het gevoel van triomf en zekerheid waarin alles vaststond. Het was niet teruggekomen. Het was schril geworden. Hij zweette. Zijn huid was klam en kil.

Verstikkend de warmte, stilstaand en verzadigd de lucht waar hij zich moeizaam doorheen wrong op de steeds smallere, door dennen en eiken overhuifde boswegen. Eindeloos voortslingerend de paden die hem naar hun doel meevoerden, de compacte, monotone bossen.
De lucht die af en toe egaalgrijs tussen takken en bladeren zichtbaar was liet een enkele grote druppel los. Het eerste nog aarzelende begin van de onweersbui die het grootste deel van zijn tocht al dreigde.
Het schemerde. Een troosteloze verlatenheid, een kille onbewogenheid die het onweer al aankondigde leek uit al die bomen en struiken op te stijgen; een doodstil en weerbarstig om hem en de smalle asfaltweg heenstaan en wachten en in zichzelf verzinken en van hem afwenden, als door een keuze, een daad haast en daardoor des te nadrukkelijker: een bestaan alleen voor zichzelf dat hem buitensloot. Tegelijk met de eerste regendruppels kwam de kou, een kille grondnevel, uit de natte bossen. Het had hier blijkbaar al eerder geregend. Het was al over half zes, en hij was nog niet in het kamp aangekomen. Kilometers verder, ongekende kilometers verder, waren ze allemaal aanwezig, alle jongens en meisjes, bij het hijsen van de vlag, bij het gebed, bij het zingen, maar hij niet. Hij ontbrak.
En als hij aankwam tenslotte, doornat van de regen die nu steeds dichter viel, ontmoedigd en schuw door zijn falen, zijn vernedering en mislukking – onopgemerkt en gemeden – zou alles voorbij zijn, afgehandeld. Te laat. Te laat. Voltrokken zonder hem, hij die klem zat in deze steeds kleinere grauwe koepel van regen die met hem meeschoof alsof hij niet bewoog, niet meer vorderde; gevangen in de eindeloze boswegen, in de ruimte die hij niet kon overwinnen, die hij niet in één keer kon overbruggen – of gewoon overslaan, omdat hij in gedachten al in het kamp was, er al hoorde te zijn – maar die hij kilometer na kilometer moest verduren, geduldig moest dragen, die zich gestaag en onafwendbaar afwikkelde in de tijd. Hij jammerde zacht bij elk hijgend ademhalen, bij elk krachtig aanzetten. In zijn verbeelding zag hij ze staan voor de grote eetzaal – het algemene appèl – onder regenjassen, sommige jongens van de oudere groepen die al bijna student waren onder parapluies, lachend en alweer met elkaar vertrouwd. En hij was er niet bij. De ruimte voor zijn aanwezigheid werd niet gevuld of benut om zich te tonen. De plaats die hij zich toegedacht had en die gerechtvaardigd was zou hij niet kunnen innemen. En als hij aankwam zou het te laat zijn, die ruimte, die plaats zou verloren zijn gegaan in de dichtheid van hun aanwezigheden. Eén voor één zouden de namen afgeroepen worden en soms werd er gejuicht of geschreeuwd. En zijn naam kwam aan de beurt. En er viel een stilte. Daarna werden nieuwe namen afgeroepen. En misschien zou niemand iets vragen of iets zeggen.
Het geluid van de regen, het sliffende suizen van de natte fietsbanden op het beregende wegdek mengde zich met zijn kreunen. Zwaarte, een doffe zachtheid in zijn lichaam, begeleidde de wanhoop, de ontmoediging. Kil en klein in de regen, in de toenemende schemer, in het onafzienbaar grote vochtig-ademen-de lichaam van het bos. Van tijd tot tijd, verweg, klonk droog gerommel van het onweer, en daarbij het onzeker flakkeren van sterielbleek licht – oprijzend en weer dalend als kalkachtig zeer wit water tussen de ontkleurde takken van bomen en struiken, en niet verlichtend maar etsachtig vervreemdend, desoriënterend in zijn kortstondigheid.

In Amsterdam of in Mallorca: de wereld komt langzaam uit quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus nog steeds alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In mei: Neske Beks vanaf Mallorca en Bernard Wesseling vanuit Amsterdam. Dit is hun derde briefwisseling. (Lees hier de eerste brieven en de tweede set. En lees hier de brieven (1) van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard, en hier (2) en hier (3).)

*

Amsterdam, 14 mei 2020

Ha beste Neske,

De stad is niet langer aan het ontvolken. Er loopt weer van alles rond, werkzaamheden worden hervat. Mondjesmaat, maar toch. Het was een tijdje heerlijk om als fietskoerier door de stille straten te snorren, ja, ik waande me soms op de set van een film van Alex van Warmerdam. (Vooral als ik een ritje naar Aalsmeer had.) Het herinnerde aan het uitgaansleven vroeger, als je katjelam naar huis banjerde en de vogels de nieuwe dag aankondigden, iedereen sliep nog. De afgelopen tijd kreeg de stad even de zachte trekken van een dorp.

Al merkte ik dat de mensen er niet vriendelijker op werden. Nu contact besmettingsgevaar betekent, mijdt iedereen elkaar als de pest. En het noodzakelijke overdragen van – in mijn geval – documenten (apostilles, contracten en dergelijke) gaat gepaard met een haastig openen en sluiten van de deur, soms zelfs zonder dankjewel. Alsof het virus de schofterigheid, die er al dan niet sluimerend al was, gelegitimeerd heeft. De ander als potentieel gevaar. Ik zal je eerlijk zeggen, het is soms confronterend: het gemak waarmee onze medemenselijkheid het aflegt tegen zelfbehoud. (Ondertussen, om dit even af te maken, prijkt op elke reclamezuil de poster ‘De meeste mensen deugen’ – dan denk ik: dat bepaal ik zelf nog wel, en: benieuwd naar de onbesproken minderheid, en: wat is deugd eigenlijk, was het niet Plato die daar al geen sluitend antwoord op had? Jaja, de popwetenschap die weet wat, en het wordt gretig afgenomen door Jan en alleman, en het lijkt me, maar ik kan me vergissen, dat zo’n boodschap een kolfje naar de hand is van rijkies die zich rechtvaardigen met de draagkrachtredenering: ‘Hoe ik aan mijn geld kom doet er niet toe, want ik kan des te meer teruggeven’ – ziedaar het morele bankroet van de vrije markt –, einde van deze hetze.) Daar staat tegenover dat iedereen de zorg een warm hart toedraagt, hoopt op het einde van de pandemie, de huidhonger (ik heb die term niet bedacht, dat is zeker).

Laten we het erop houden dat ik prikkelbaar ben sinds ik minder drink. Binnenkort opent de horeca opnieuw zijn deuren. Kunnen we weer op café, goddank. Kan ik als een normaal, deugdzaam mens ’s ochtends de stad uit waggelen, zaterdags mijn roes uitslapen.

Wat anders: in je vorige – zeer openhartige – brief vertelde je dat allerlei mensen je zijn ontvallen, rap achter elkaar. Een kaalslag laat zoiets achter in je hart, ik weet ervan. Toen mijn vader plotseling ging hemelen, kon ik de gevolgen daarvan niet ramen. Ik had hem net een beetje leren kennen als mens, en nu werd ik weer teruggeworpen op mijn verbeelding die van hem een Meedogenloze Held had willen maken. Ik mis hem soms nog fel, de mens, niet de held. Nu, zo’n tien jaar later, weet ik ook hoe gul dit gemis is: mijn leven heeft aan diepgang gewonnen dankzij die verschrikkelijke episode, op een of andere manier heeft het me geleerd beter naar anderen te kijken: in het licht van hun sterfelijkheid.

Ik schuifel hier wat rond tussen de boeken momenteel. Hemelsbreed bestrijkt mijn kamer zo’n drie meter, waarin een grote chaos heerst (chaos is stabiliteit, las ik ergens). Er zit geen systeem in, ik lees hier en daar wat tot ik de juiste stem vind om mijn aandacht vast te houden. Zo zie ik al die boeken van me: als stemmen, fluisterend tussen hun kaften. Opvallend hoeveel er hetzelfde klinken, slechts een enkeling zingt. Bert Schierbeek is zo’n stem, en wel eentje die je door de jaren beter gaat horen, want toen ik hem voor het eerst las begreep ik er de ballen van. Te cryptisch, te vrijzinnig. Maar toen ik me later weer met hem inliet, kreeg ik schik in wat hij te zeggen had.

Dat heb ik met alle Vijftigers eigenlijk. Zo uiteenlopend in geluid, en toch hebben ze volgens mij dit gemeen: het vertrouwen in improvisatie, de durf te schrijven met niets dan vermoedens, te zien wat er komt. Orakelen of krakelen, zoals het zich aandient. Wat een vrijheid moeten die jongens hebben gevoeld! Zeker ook omdat ze elkaar opzochten, zich sterkten door elkaars werk en aanwezigheid.

In de tijd dat ik elke maand in Festina Lente, een dichterscafé in Amsterdam, op de planken stond, maakte ik kennis met een van hen: Simon Vinkenoog, misschien wel de bontste vogel. Nooit heb ik iemand gezien met zoveel geestdrift (en praatjes). Tot op hoge leeftijd zetelde hij in de jury van de dichtersconcoursen waar ik aan meedeed en die destijds mijn enige reden van bestaan waren. Toen die vent werd begraven – man, wat een manifestatie was dat! Stond heel excentriek Amsterdam op de Sint Barbara-begraafplaats te zingen, te dansen, te blowen, te zuipen, te trippen, te lachen, te huilen en meer over elkaar buitelende werkwoorden, precies in de trant van zijn ‘gedichten’, die eerder een soort levensbevestigende toespraken waren.

…en zo leven we binnenkamers met onze herinneringen. Het zal het virus wel zijn, waardoor ik momenteel meer naar het bedaarde van Bloem neig:

‘Het leven vliet gelijk het vlood,
En elk zijn is tot niet-zijn geschapen.’

Graag sluit ik af met een gedicht van eigen makelij:

‘Het einde van verlangen, vrezen we
als de dood

We kennen niets anders dan begeerte
om onze hulpeloze liefde voor het leven mee
uit te drukken

toch houdt het ons bezig:

wat als al dit streven ontkoombaar zou blijken?
wat zou het lichaam ons nog meer hebben in te geven?’

Amen en uit.

Het ga je goed, Neske,

Bernard

*

Lieve Bernard,

Lieve permitteer ik me pas bij de laatste brief.
Ha vind ik niks, Bernard. Het spijt me.
Ik merk dat het vaak gebruikt wordt om afstand te scheppen: Ha. 
Al voelt het niet alsof jij het zo bedoelt, juist in je laatste brief gaf je jezelf meer bloot dan eerder. Lieve ook omdat je laatste brief me raakte.
De boeken met de stemmen, je vader, het gedicht. Merci.
Bijna intiem ook, je zigzagloopje in de ochtend op de weg van het café terug naar huis. De begrafenis van Vinkenoog – ik kende hem via Ruigoord. Jinny was de ziener die me vertelde waarom ik niet in het Schierbeekhuis kon blijven wonen, maar dat verhaal vertel ik je een andere keer. Oh nee, dit is de laatste brief. Bijzonder toch hoe levens elkaar raken zonder dat je elkaar tegenkomt. The six degrees of separation intrigeren me altijd weer. In ons geval is er maar één persoon nodig via wie ik je in het echt had kunnen ontmoeten. In Festina Lente. Of op de uitgeverij. Maar misschien waren we dan nooit zover gekomen, had je me niet zo geraakt als met je brieven, want ook jij was openhartig.

De kunst van het langs-elkaar-heen-leven dat jij en je lief doen, daar moet ik vaak aan denken als ik sola door mijn casita dwaal te midden van de molens en de velden. Wekenlang met iemand samenzijn hier vind ik een uitdaging. ‘Bezoek en vis blijven drie dagen fris’ is op mijn lijf geschreven.
De energie en geur van een ander lijf tegenkomen in mijn keuken is prettig verrassend, maar dat zij de afwasmachine anders ingeladen heeft dan ik.
Of erger: dat hij na het uitladen de glazen bij de borden zet. Let wel: ik heb vaak enorme chaos, maar binnen mijn chaos heerst een strakke, haast rigide orde die enkel voor mij te ontwaren is. Niet zo erg dat het bestek rug aan rug ligt, lepeltje lepeltje, zoals bij Tuur. Maar de glazen wil ik hebben waar de glazen staan en pertinent niet in het kastje van de borden. Bezoek veroorzaakt dat ik opruim. Dat alleen al, ontdekte ik tijdens de opsluiting, is een prettige bij-functie van bezoek.
Maandag toen hier de wereld openging kwam Andrés op visite. Een goede vriend die aan de andere kant van het eiland woont. Hij had in de gaten dat ik het moeilijk had de laatste dagen en zei: ‘Ik kom de eerste dag meteen en ik knuffel je, als je dat fijn vindt.’
De eerste echte mens die ik dichtbij voelde na twee maanden eenzaamheid. En toen hij me omhelsde, nam ik dat volledig in. Bij het eten staarde ik naar het vlees van zijn armen, zoals we normaliter staren naar dieren in de zoölogie: een echt mens.
Ja, die opsluiting heeft me mijn zogenaamd zelfverkozen alleenzijn en benodigde individualiteit sterk doen bevragen. Er waren vele dagen dat ik me voornam dat ik na dit alles vaker ja ga zeggen.
En veel minder nee of no sé.  

Ken je dat verhaal van de ontmoeting tussen Yoko Ono en John Lennon? De trap naar het plafond en het vergrootglas. Daar het woordje ‘yes’ waardoor hij wist: dit is goed.

Ja, de wereld is weer open maar op een caféterras zitten met 100 mensen, die 2 meter niet zo nauw nemen, maakt me nu onzeker en overweldigt me vooral. Op het terras van mijn stamkroeg kies ik een eigen tafel, bestel een glas wijn en spreek op afstand met een groepje bekenden aan de tafel naast me. Martita kijkt om zich heen en zegt: ‘Wij Spanjaarden hebben die regels en boetes nodig, want wij zijn een warmbloedig omhelzend en kussend volk.’
Ik ook, denk ik, en ik voel het wild verlangen naar verbinding in mijn hart.
Maar ik hou me netjes aan de regels en ik chat op afstand met Carlos en Pau.
We bedenken een naam voor een nieuwe muziekgroep: 2 metros.

Jou heb ik enkel in deze briefwisseling aarzelend de hand geschud. En dat in de aanwezigheid van meelezend publiek. Ik drink nog een glas rode wijn op je welbevinden. Je brief maakte dat ik een traantje liet gaan.
De laatste duw die het huilen nodig had.
Het zat al dagen te schurken, maar wilde niet komen.
En toen lezend, werd het verlost.
Tot slot, ondanks dat het me ietwat verlegen maakt,
ook voor jou en de lezers een gedicht, ter afscheid. Het heet ‘Stilstand’.

‘De tijd van de kale takken is (bijna) voorbij.
Heb je wel goed genoeg gekeken?
En als je niet goed genoeg gekeken hebt, kijk je straks dan beter?
Hoe het licht valt op de met groene aanslag bedekte takken.
Hoe de winter en dus de dood in de boom gekropen was.
En ook hoe straks zal blijken dat daar,
waar je dacht dat de dood de overhand had,
nog altijd leven waart.
Het is heel koud nu, maar je wil toch nog even.
Heel even met je blote voeten woelen in de aarde
aan de randen van de stoepen op het Frederiksplein.
De handschoenen uit en met blote handen woelen in de aarde
en voelen aan de zwangere buiken van de bomen op het Frederiksplein.
De bomen zijn bezield, dat weet je zeker of:
tenminste, dat denk je zeker te weten én misschien.
Elke ochtend zie je ze, die bomen, 
als stokoude wijven naar je wuiven.
Hoezo heb je dat vroeger nooit gezien?
Zag jij vroeger niet dat de bomen altijd groeten?
Zag je niet dat ze zwaaien met hun takken?
Wou je het niet zien?
Zag je niet dat ze de ziende mensen van deze wereld toezingen,
als ze in het voorjaar zwoegen op de fiets?

Wij spreken af dat we zwijgen van de wijsheid
en de dingen
die zij bij lange na niet weten
de dingen die ik weet en die jij weet 
– en die heel diep in de bomen wonen.
We vertellen niet dat je aan de nerven in de stam
en aan het soort begroeiing het karakter van de boom ontwaren kan.
En ook vertellen we hen niet,
dat je je getroost voelt als je je armen om de stam heen slaat.’

Atentamente,

Neske

Christine Otten, Richard Yates: de redactie las een gevangenisroman met twee overtuigende vertelstemmen, en herwaardeert een roman met een sterke verhalende stijl én genuanceerde psychologie.

*

Jan van Mersbergen: Richard Yates, Revolutionary Road

Eerst zag ik de verfilmping, op de Vlaamse zender, zonder onderbrekingen, met Leonardo DiCaprio en Kate Winslet in de hoofdrollen: Revolutionary road. Mooie film over een schrijnende scheve relatie. Veel ruzie, veel zwijgen, wat mijn dochter van 12 moeilijk vond. Toen zocht ik in mijn boekenkast naar het boek. Dat had ik er ooit in staan, maar ik kon het niet meer vinden, dus bestelde ik een nieuw exemplaar (vertaald door Marijke Emeis), en afgelopen weken las ik de roman.
Her en der zei ik er al iets over, en de reacties waren allemaal zeer positief: geweldig boek, zo mooi, heerlijk.
Dat klopt allemaal, en steeds had ik het gevoel dat ik dit boek eerder had moeten lezen.
Andere reactie: Heb je dit nog niet gelezen?
Sommige boeken heb je dus simpelweg nog niet gelezen. Ik heb alleen dit jaar al zeker tien boeken gelezen die niemand kent en die minstens zo goed zijn, maar ik begrijp dat lezen geen wedstrijd is. het is wachten op het juiste moment.

Waarom kon ik Revolutionary road twintig jaar geleden niet lezen? Ik denk dat ik het te veel vond, te vol, te slim uitgelegd, te duidend. Nu denk ik er heel anders over en ben ik erg onder de indruk van de verhalende stijl van Yates die toch in iedere alinea de psychologie in duikt. Heel genuanceerd, heel precies, heel beeldend, want meestal duidt Yates niet in theorie maar in handeling gekoppeld aan gevoel.
Zoals in de volgende zin:

‘Hij maakte met zijn vrije hand zijn boord los, zowel om zijn hals af te koelen als geruststelling te ontlenen aan het volwassen gedistingeerde gevoel van een zijden das en een chic overhemd.’

De handeling is eenvoudig: boord los maken. In mijn favoriete proza, Amerikaans proza van buiten de steden, zou de zin hier opgehouden zijn. Yates voegt er nog wat aan toe, en dat is goed te volgen, hoewel het ver van mijn spreektaal af staat. Het gaat om de geruststelling. Dat brengt alles samen. Dat maakt de psychologie van een jasje en een dasje opeens meer dan alleen dat kakpak. Het geeft aan dat de man in dat pak onzeker is, en die kleding nodig heeft voor zijn vertrouwen. Het is duiden, en toch nog ruimte laten. Dat is bijzonder. Woordje als ‘het volwassen gedistingeerde gevoel’ zal ik niet gauw in een verhaal of roman opnemen, hier zijn die woordjes slechts een aanzetje tot net even wat meer, en die meerwaarde brengt Yates in bijna iedere alinea.
Yates beschrijft hoofdpersoon Frank en zijn mannelijkheid, als hij in de tuin stukken rots aan het uithakken is:

‘En als hij bij de ernst van deze gedachte zijn ogen neersloeg kon hij behagen scheppen in de aanblik van zijn eigen gebogen mannendijbeen, dat zich mager spande onder de oude olijfgroene soldatenbroek, en in zijn mannenonderarm die daar hing – die haalde het misschien niet bij de hand van zijn vader maar was toch nuttig en lang niet slecht – zodat zijn slapen nu pijn deden van geestdrift en triomf toen hij een stuk rots uit de zuiging van een holte vol witte wormen tilde en dat over de bevende bladaarde om en om naar beneden liet rollen, want hij was een man.’

Ook hier een heleboel uitleg en details, maar de basis is dat je de handeling net nog voor je ziet, en tegelijk is het getob van deze man volkomen helder. Hij worstelt met de stenen, met zijn vader, diens handen, met zijn eigen fysiek, zelfs met de aarde. Als ik zelf stenen uitgraaf of hout sta te zagen of ander fysiek werk doe – dat gebeurt soms – dan voel ik gelukkig nooit deze piekerige onstopbare gedachten. Als ik Yates lees weet ik: dat is mijn kracht. Er zijn blijkbaar een heleboel mannen in de middenklasse, met huizen en gezinnen, die zich bijzonder moeizaam verhouden tot zo ongeveer alles, en deze schrijver weet dat te vangen in sterk proza.

Dus wat ik ook steeds voel als ik Revolutionary road lees: medelijden. Met de personages en hun machteloosheid en verwrongenheid, maar ook met de schrijver die aan een eenvoudige handeling niet genoeg heeft. Yates kent geen personage dat gaat vissen. Hij zal de visser aan de waterkant laten twijfelen, tobben, nadenken, zwoegen. En dat terwijl vissen nou bij uitstek een moment is waarop mensen tot rust kunnen komen. Die rusteloosheid was het misschien wel die me ruim twintig jaar geleden dit boek weg deed leggen, en die me daar nu aan doet terugdenken. Ik kan deze roman nu goed lezen, ik vind het nog steeds proza dat pijnlijk veel biedt.
Proza dat zo precies en duidend is, dat ik er moe van wordt – is dat een kracht of een gebrek? Het antwoord is al gegeven: het is een gebrek van de lezer, want Yates pakt je met Revolutionary road helemaal in en imponeert op een dusdanig gemakkelijke manier dat het bijzonder is. Het is zoals Roger Federer een onmogelijke bal slaat: waar andere tennissers hijgend en zwetend net die bal zullen raken, ziet dat er bij Federer moeiteloos uit.

Frank en zijn vrouw zijn actuele personages. Als ze ruzie hebben sluit April een lange monoloog af met: ‘Val me niet in de rede.’
Dat zie je in onze tijd ook vaak in discussies gebeuren, vooral op tv: voordat de ander ook maar iets heeft gezegd, of zelfs maar overwogen heeft om iets te gaan zeggen, zegt de eerste al: ‘Laat me uitpraten.’
Dat soort types zijn Frank en April. Ze houden vast aan een betoog, ze trekken redenaties door en denken vooral aan zichzelf. Yates zet ze keihard neer. Alle details, alle kleine woordjes en speldenprikjes die een personage kan zenden weet hij te vangen. De kleinburgerlijke gedachten, het gemopper, de zelfoverschatting, het medelijden, het dromen en de machteloosheid, alles komt samen in een geweldige mix die samen het huwelijk van Frank en April vormen.
Yates houdt van zijn personages, maar hij haat ze net zo veel.
Als het net weer even goed lijkt te gaan tussen die twee, als ze plannen maken om naar Parijs te verkassen, beschrijft Yates de kinderen van Frank en April, in een paar prachtige levendige ritmische zinnen:

‘Er was één troost: ze konden gaan slapen zonder bang te zijn over een uur te worden gewekt door de abrupte, bonkende, hijgende, met deuren slaande geluiden van een ruzie; dat was kennelijk allemaal verleden tijd. Ze konden nu liggen soezen bij het geluid van vriendelijke stemmen in de woonkamer, een geluid waarvan het ingewikkeld ritmisch stijgen en dalen langzaam de vorm van hun dromen zou worden. En als ze later wakker werden en zich omdraaiden om met hun tenen een nieuw koel plekje tussen de lakens te zoeken wisten ze dat het geluid er nog zou zijn – één stem diep en zwaar en de ander zacht en bekoorlijk, die praatten en praatten, even werkelijk en geruststellend als een blauwe bergketen die je van verre ziet liggen.’

Dat is natuurlijk echt genieten: een alinea die aangeeft dat het huwelijk weer op orde lijkt te zijn, er weer plannen en dromen zijn, hoe onrealistisch ook, en waarin het zoeken van een koel plekje onder de lakens door een paar kindertenen verbonden wordt aan het schitterende decor van een blauw bergketen in de verte.
Hoe ver weg en groot, hoe dichtbij en klein dit proza ook is, in alles trekt het de lezer naar zich toe, en dat is een uitzonderlijke kracht die in feite iedere schrijver zoekt.
Redacteuren van literaire tijdschriften zullen in een passage uit Revolutionary road misschien niet vinden wat ze zoeken. Buurman Shep Campbell kreeg in de fabriek de reputatie een snob te zijn en hij maakte zijn eenvoudige vrouw bang ‘want hij was een slechtgehumeurde luisteraar van klassieke muziek en een chagrijnige lezer van literaire kwartaaltijdschriften geworden.’
Daar moest ik hardop om lachen.

De Arbeiderspers geeft Richard Yates uit.

Daan Stoffelsen: Christine Otten, Een van ons

Drie uur over perspectief: als Eva Meijers gemeenschapsmystery een in een groep wisselend perspectief heeft, en bijvoorbeeld Dido Michielsens droevige levensverhaal van een njai, Lichter dan ik, één derdepersoonsperspectief, dan heeft Christine Otten er in Een van ons twee. Twee stemmen, en ze verschillen duidelijk van elkaar, en dat vind ik goed werken.

Eén is Luc, een levenslang gevangene in de gevangenis bij Zutphen. Hij schrijft op momenten ademloos, en op andere momenten met een ruwe lyriek. Ademloos:

‘Wat de opdracht was werd me niet duidelijk, maar op een gegeven moment gingen ze voorlezen wat ze hadden geschreven en hoorde ik J, zijn stem herken ik uit duizenden, hij zit op de B1, die gast heeft een heel eigen stijl van praten, van formuleren, een beetje ingehouden, plechtig, alsof hij over ieder afzonderlijk woord nadenkt voor hij het uitspreekt, hij is een stuk jonger dan ik, hij traint de jonge jongens in de gym hierbeneden, kickboksen, het schijnt dat hij buiten een hele grote was, ik mag hem, maar daar gaat het niet om […]’

Geen nette afgebakende zinnen, maar in één ruk, niet te veel clichés (‘uit duizenden’), licht straattalig (‘die gast’), maar wel precies geformuleerd. En ruwe lyriek, in reactie op het verzoek van een schrijfdocente, Katrien, die in de gevangenis elke woensdagochtend een workshop geeft.

‘Ze wil dat ik mijn verhaal opschrijf. Ze heeft geen idee. […] Maar waarom in hemelsnaam zou ik haar vertellen dat haar uitnodiging aan mijn diepste angst raakt, namelijk: dat er wel degelijk tijd verstrijkt. Dat het alleen buiten mij om gaat. En dat de innerlijke rust waarop ik zo fier ben, het evenwicht dat ik denk gevonden te hebben in de herhaling, in iedere dag hetzelfde doen, in aaneengeregen monotone dagen en nachten als één langgerekte tegenwoordige tijd, berust op een vergissing.’

In die lyrische passages zit meteen een valkuil, of misschien moet ik het in hemelsnaam vanuit mezelf verwoorden: die raken een allergie van mij. Zo expliciet emoties verwoorden, zo’n diepgravende duiding, dat is me snel te sentimenteel en abstract. Onnatuurlijk. En daarmee ongeloofwaardig: wie schrijft dit zo op? Maar vaker is Luc simpelweg stug, beschrijft hij de spanning tussen hem, andere gevangenen, de schrijfdocente, de bewakers, en dat is heel knap gedaan, met een overtuigende toon.

In de alternerende hoofdstukken lezen we Katriens kant van het verhaal. Ze overtuigt Luc niet van deelname aan de workshops, maar krijgt andere gretige leerlingen, waaronder echte talenten, met goede verhalen. Ze lijkt ook te hopen op eigen inspiratie, goed materiaal, maar wordt ook geconfronteerd met haar eigen schuldgevoel.

‘Zeg niet dat hij makkelijk praten heeft, of dat mijn moeders gezondheid te broos is of dat ze gelukkig is in het huis waar ze woont, de kamer die we zo hebben ingericht dat het lijkt of ze in haar oude flat aan de IJssel is, thuis, of dat de zorg daar persoonlijk is, warm, de sfeer gemoedelijk, volks, precies waar mijn moeder van houdt of dat ik iedere week op bezoek ga twee uur heen van deur tot deur twee uur terug, dat ik geniet van iedere minuut dat we samen zijn en dat mijn moeder nooit klaagt en blij is met een verse bos bloemen een bezoekje een kus, dat ze een vechter is net als haar vader, die worstelaar was acrobaat een pistool had in de oorlog, dat ik hoop dat ik op hem lijk en op haar en zoveel van mijn moeder hou dat het soms is of mijn dagen geteld zijn niet de hare. Het boek. Niet mijn moeder, het boek.
“Je boek,” zegt ik.’

Eigenlijk komt Katrien hier net zo ademloos over als in die eerste passage van Luc. De taal is iets meer doorsnee, maar je mist ook bij haar komma’s en toch is het toch leesbaar, en het komt eerlijk over, die omgang met de clichés rond bejaarde ouders en het ongemak.

Otten bouwt een spanning op tussen de twee vertellers; Luc lijkt dwars door Katrien heen te kijken, te zien dat haar intenties niet zuiver zijn, en Katrien verwacht meer van hem. Het decor helpt daarbij, want zoals Luc zegt tegen Katrien: ‘In een bajes is niets vrijblijvend. Het lijkt soms of je dat niet helemaal snapt.’ De spanning zit hem ook in de plotlijn van het geslaagde manuscript van dat ene talent, ‘je boek’, waarover Katrien gemengde gevoelens heeft, en of Lucs geheime dagboek naarbuiten komt. Toch moet ik vaststellen, enkele dagen na lezing, dat het verhaal van Een van ons niet blijft hangen. Wel die vertelstem, en Luc is dan ook een personage dat ik wel een ruimer boek had gegund.

De Geus geeft Een van ons uit.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Emma van Hooff.


in mijn droom voelt de schepper zich niet gehoord

hij pakt de mensen op en legt er stenen voor in de plaats 

met de nauwkeurigheid van een orgaantransplantatie 

zo’n transplantatie vereist mens en steen

waarvan de een beter werkt dan de ander 

de overeenkomst tussen mens en steen

is dat ze beide onderdeel zijn van iets groters

en op cruciale momenten kunnen afbrokkelen 

het verschil tussen de twee is zichtbaar 

wanneer je ze kapotslaat en van de een 

niets overblijft terwijl de ander zich vermenigvuldigd 

de schepper roept dat het tijd is om te verdwijnen

maar een steen heeft geen oren 

met zweethanden raapt hij alle brokken op

legt de mensen terug op hun plek 

ik word opgerold wakker met het hoofd bij de tenen 

en mijn binnenste is koud 





Over de dichter:
Emma van Hooff (1997) studeert poëzie en toneel aan de Schrijversvakschool in Amsterdam.
Eerder stond ze in de finale van Write Now! en publiceerde ze gedichten in o.a. Het Liegend
Konijn, Kluger Hans, Ooteoote en Tijdschrift Terras. Momenteel werkt ze aan haar debuut-
bundel.


In Amsterdam of in Mallorca: de wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In mei: Neske Beks vanaf Mallorca en Bernard Wesseling vanuit Amsterdam. Dit is hun tweede briefwisseling. (Lees hier de eerste brieven. En lees hier de brieven (1) van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard, en hier (2) en hier (3).)

*

Amsterdam, 7 mei 2020

Beste Neske,

Wat je daar zag in dat filmpje is je reinste hybris, die ik in overvloed bezit, samen met de nodige onzekerheden. Je kent het vast wel als schrijver: omdat we geen tv-persoonlijkheden zijn, blijven we ons al te bewust van wat we zeggen en hoe we overkomen. Of misschien heb jij daar helemaal geen last van, dat kan natuurlijk.

Wat magie betreft: ik geloof daar schoorvoetend in, zoals het misschien een ‘noorderling’ typeert. Ja, ik sta ermee op gespannen voet. Al zou ik eerder van een ‘restcalvinisme’ willen spreken dat me parten speelt. Een cultureel erfgoed waarvan de invloed je mettertijd pas duidelijk wordt. Iets wat weinig avontuurlijk klinkt ook, maar me er soms voor behoedt me al te veel in mijn emoties te verlustigen, wat ik anders zeker zou doen (onmatigheid, denk ik vaak, is mijn duchtigste vijand).
Maar het vermogen tot magisch denken, zoals kinderen dat doen, hoop ik nooit te verliezen. Het maakt dat we zelfs ons leed een plek kunnen geven. Toch zit voor mij het plezier van schrijven ook – naast het verrast en overvallen worden – in de mate waarin ik het inzichtelijk kan maken voor mezelf en een ander, en dat vergt objectivering, afstand en ja, (zelf)relativering.

Iets anders: ik zie nu dat je ruim vertegenwoordigd bent op allerlei YouTube-kanalen! En een spoken-wordartiest bent bovendien. Ik reken mezelf ook tot dat gilde, en vind het mooi te horen dat je er een lans voor breekt als je zegt dat het de juiste vorm voor jou is (‘het had het allemaal, wat je niet kon vinden in gewoon dichten, acteren, toneelspelen of zingen’, ik parafraseer). Want daar raak je aan iets: spoken word is een aparte discipline, of liever een op de reguliere kunsten geënte discipline, die overigens niet altijd voor vol wordt aangezien. Geheel ten onrechte, want er gebeurt iets bijzonders als je met niets dan je woorden op een fruitkist gaat staan. Ik zie mezelf in die hoedanigheid altijd als een acteur met zijn eigen tekst. Iemand die na zelf zijn script te hebben geschreven, zich opnieuw die tekst eigen maakt alsof hij deze per spontane generatie ter plekke verzint, iemand die zijn eigen gedachtegang op de voet volgt en openbaar maakt. Natuurlijk is het bij jou net anders dan bij mij, bedenk ik nu, omdat je ook zang gebruikt en licht swingt voordat je begint met je voordracht, zie ik, als een soort levende stemvork.
In je totale lockdown zal het pittig zijn om het zo lang zonder publiek te stellen. Dat klinkt haast alsof je een aandachtszieke toneeldiva zou zijn, die snakt naar een gehoor. Maar ik bedoel natuurlijk dat je in een beroepsgroep zit – die van de uitvoerende kunsten – die afhankelijk is van een goedgevulde zaal. Of laat je online van je horen? Of gebruik je deze tijd juist voor het schrijven?

Ik heb net een roman uitgebracht die Midzomer, stadsmoe heet (dit is geen poging tot colportage) en waarop ik zeer trots ben (of, zoals een Vlaming zou zeggen: ‘fier’), maar ik kan er de boer niet mee op momenteel. De festivals zijn geschrapt, voordrachtavonden en lezingen idem. En dat nu ik net uit mijn zelfverkozen quarantaine wilde komen om de wereld te laten delen in mijn begeestering. Dat moet het boek dan maar in zijn eentje doen. En aan mijn trots valt niet te tornen; het voorrecht, tenslotte, van de kunstenaar die het hardst in zichzelf gelooft, met zijn zelfkritiek en al.

Ik zie dat je in Montuïri omringd bent door oude stenen molens, wat me doet denken aan de man van La Mancha, een van de eerste (en onsterfelijkste) romanpersonages uit de literatuur. Een figuur die nog altijd tot de verbeelding spreekt, dankzij de prachtige dwalingen die hij doormaakt. Zozeer zelfs dat de hedendaagse ‘held’ uit mijn boek gezegd kan worden een nazaat te zijn, worstelend met de geest van zíjn tijd.

Allerbeste groet, Neske, en blijf gezond (in de zin van: ik wens je gezondheid toe, niet als in: eet meer groenten, want ik houd je in de gaten),

Bernard

*

Beste Bernard,

Dus je boek liep in zijn eentje de wereld in? Gelukkig met een filmische trailer in de rug. Die maakte me hardop aan het lachen en dat is in coronatijd een zeldzaam geluk. Leve de onmatigheid. Objectiveren, Bernard, is dat weggelegd voor kunstenaars en schrijvers?

Je boektrailer herinnerde me aan het oeuvre van Bert – ook al zo’n onmatig mens – en aan de mensen in Nederland en Spanje waarover hij zo graag schreef. In de vorige Binnenpost schreef ik al dat ik misschien over Formentera vertellen wou. En nu ik je trailer zag, voelt dat als de logische link tussen jouw werk, het mijne en het zijne. Je fietswiel, Amsterdam, de Pool en je andere collega’s – alhoewel ik niet zeker weet of ze fictief zijn, dan wel echt bestaan. Het observerend perspectief dat me zo lief is.

Vlak nadat ik in de zomer van 2017 op Formentera aanspoelde ontmoette ik Valentin, een local. Hij keek naar de geelzwarte nummerplaat van mijn Volkswagenbus en vertelde – ongevraagd – dat een Nederlandse schrijver, die hij Xirnbeck noemde, hem lang geleden leerde dat er twee manieren zijn om de globe te bereizen: rondreizen of thuis blijven. Ik bedacht in stilte dat ik al bijna een leven lang geen echt thuis meer had. Alsof het eiland me hoorde sloeg ze haar armen om me heen en diezelfde zomer nog werd thuis Formentera en besloot ik een tijdje tevreden daar te blijven. Een zelfverkozen quarantaine van een lange winter schrijven op een winderig eiland dat alleen per boot bereikbaar is. Op een zonnige novemberdag betrok ik het huis van Bert en Thea Schierbeek, letterlijk te midden van de Middellandse Zee. Elke ochtend kroop ik op de kunstleren stoel achter Berts werktafel waar ik zijn oeuvre herlas en voortbouwde aan mijn eigen repertoire: een boek voor kleine mensen, een boek voor grote mensen en een film. Als een literaire groupie sliep ik in het Schierbeekbed met mijn hoofd op een Plinthoofdkussen met een dichtregel van Bert – ‘hoe als je je met zorgeloosheid kon omringen en dat dat je ruimte was’. En die eenzame winter hielp De deur me door een rouw die al twee jaar achter me aan sleepte: het sterven van te veel vrienden tegelijk en bovenal het doodgaan van Sylvia, mijn liefste vriendin, en Charl, haar man (22 jaar vriendschap met haar, 44 jaar als je de vriendschap met hen samen optelt).

Weerwerk affirmeerde me in mijn zoektocht naar genres mengen – ik ben multidisciplinair en in de eurocentrische kunsten stoppen ze de maker toch het liefste in één hokje. Hoewel mijn longen en lijf aan alle kanten protesteerden tegen het vocht van de omringende zee genas mijn verdriet en werd ik weer blij.

Heb je ooit het geluk gekend in het oeuvre van een lievelingsschrijver te leven? Op het feestje voor de 93-jarige verjaardag van Thea Schierbeek ontmoette ik Pilar, de dochter van Eulalia, die van Thea leerde lezen waarna naar ze zei de wereld voor haar openging. Performen voor publiek doe ik al zo’n dertien jaar niet meer: enkel nog op feesten en partijen en op Thea’s verjaardag beklom ik de kist en zong een lied. Leuk dat je me vergelijkt met een stemvork. En natuurlijk lees ik ook voor uit eigen werk, maar dat voelt niet als performen, meer als zijn. Tijdens de afwas werd ik voorzichtig bevriend met Sois, die ik enkel van lezen kende, welbepaald uit Weerwerk, pagina 120. Dat jaar op Formentera leefde ik het eilandleven dat ik enkel uit boeken en films had gekend. Zeker toen Sois in het echt een hartsvriend werd. Zoals Pepe van de Fonda en Bert elkaar gevonden hadden, dacht ik. Als Sois groentensoep voor me kookte, taart voor me bakte, Vlaams met me sprak en we samen rouwden: hij over zijn overleden vrouw Georgia en ik over mijn Sylvia, was het soms alsof ik eindelijk een vader had. Een zeldzaam intiem vriendschapsverbond waardoor ik door de vingers zag dat Sois een flat earth believer was en me fel bezwoer dat de maanlanding verzonnen was. Toen ik even in Nederland was ontmoette ik op een verjaardag Michiel Schierbeek, zoon van. Enkele dagen later vertelde een vriend dat in Sylvia’s tuin een beeld van diezelfde Michiel had gestaan. Ze had er niet van gehouden, het omvergeworpen en begraven in de tuin. Bijna teveel synchroniciteit om een goed verhaal over te schrijven. Het idee dat mijn liefste vriendin een kunstwerk meedogenloos in de aarde had gedolven. Maar de cirkel en de globe zijn rond. Onmiskenbaar rond, zoals de Beatles in ‘Because’ zingen. En toen ik terugkwam op het eiland en Sois per toeval mijn Thoth-tarotkaarten zag meende hij daarin een pact met de duivel te herkennen en verbrak hij meedogenloos ons vriendschapsverbond. Toen pas begreep ik de symboliek van de oude vogel met zwarte vlerken die Bert op pagina 120 zo raak beschreven had. Formentera zal voor altijd een thuis blijven waar ik immer naar terugkeren kan. Net als het oeuvre van Bert.
‘Schrijven is een vorm van mens-worden, schrijven is zelfrealisatie en je zelf zie je het best in verhouding met anderen,’ schreef Schierbeek ook.

Het regent hier vanochtend, op Mallorca.
Morgen is het maandag en gaat mijn wereld weer open.

Goeds,

Neske

Eva Meijer, David Vann: de redactie las een moordmysterie dat natuur en mens in gesprek brengt, en een roman die de balans zoekt tussen verbondenheid en op zichzelf staan.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De nieuwe rivier

Het staat er niet, maar ik dacht het wel: heeft Thomas nou drie uur aan één stuk over perspectiefwisselingen gepraat?

  • Schrijfopdracht 1 bij die column: verwerk er een perspectiefwisseling in, vanuit de kat (‘Waarom praat baard zoveel? Hallo baard! Hier ben ik! Kijk me aan, kijk me aan…’).
  • Schrijfopdracht 2: schrijf de hele column vanuit het perspectief van de kat. Maak hem niet dommer dan hij is.


Drie uur voor perspectief, dat is ook eigenlijk een goede tijdsinvestering; wie een verhaal vertelt, in wiens hoofd je bent, maakt alles uit. Thomas laat het zelf zien in zijn laatste roman, waarin hij van derde naar eerste persoon gaat, en het is vaak een van de eerste grote grepen die Jan voorstelt bij een ingezonden verhaal.

Ik zou mijn drie uur denk ik beginnen met: ik ben allergisch voor alwetende vertellers. En zelfs voor wisselende personale perspectieven, dat de derdepersoonsverteller telkens verandert. Om dat vervolgens af te zwakken: Marijke Schermer heeft een fantastische roman geschreven waarin het wél werkt, Valeria Luiselli ook, en Peter Buwalda heeft voor zijn perspectiefwisselingen een hele set regels opgesteld, en ondanks dat (of juist daardoor) komt het heel natuurlijk voor.

Eva Meijers nieuwe roman, De nieuwe rivier, is wat losser met die perspectiefwisseling. Na een paar hoofdstukken met één duidelijke verteller, beschrijft ze een ontmoeting:

‘ Janet wil net de grote weg op rijden als er een donkere man in een oude groene Volkswagen aankomt. Het is de geoloog die ze eergistermiddag in café De kleine onschuld over de rivier interviewde – iemand die Engels spreekt en met wie ze op een normale manier een gesprek kan voeren. Ze toetert.
Rafel remt af. Hij wrijft over zijn nek. Hij heeft gedroomd dat hij aangeraakt werd door de hand des doods.’

Onze verteller weet zowel over Janet iets als over Rafel (zo’n droom!). Terwijl we over sommige personages niets (of aanvankelijk niets) te weten komen. En van een enkeling komen we niet alles te weten! Perspectiefgevoelig als ik ben, zou ik dan liever van iedereen wat lezen – of van maar één persoon. Maar het verhaal van De nieuwe rivier is het verhaal van een groep mensen rondom een ecologische ramp, overstromingen en een mysterieuze moord, een groep die uitdunt met telkens weer een nieuwe mysterieuze moord, en het klopt: samen tasten ze in het duister.

Mijn aanvankelijke jeuk ebde weg, want Meijer weet dit groepsmysterie – zijn er criminelen aan het werk, of activisten, of is het de natuur zelf die (à la Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden) wraak neemt op de mensen die haar misbruiken? – uitstekend uit te bouwen. Het is vaag, maar het is raak, met flarden journalistiek (die Janet is een Britse journalist) en poëzie (de eerste dode bleek een dichter) en scherpe associaties:

‘Het land was niet bestand tegen de kracht van deze aanhoudende natheid na een lange periode van droogte. Lagen harde aarde waren zo droog dat ze het water tegenhielden dat ze goed konden gebruiken. Zo gaat het vaak. Je wenst iets en als het in je schoot valt kun je er niet mee omgaan, weiger je het te ontvangen, zodat alles blijft zoals het was, hooguit wat treuriger.’

Die laatste zin is prachtig, een vermenselijking van de natuur, of vice versa, en in die zin is haar nieuwe roman een mooie voortzetting van de strijd met een ander genre (de ecothriller, zegt Das Mag, die dit boek bij uitzondering uitgeeft) die ze met Dagpauwoog, Het vogelhuis, Dierentalen en De soldaat was een dolfijn al voerde. Voorwaarts past er ook goed bij: een doorgaand gesprek tussen mensen en de natuur.

Das Mag geeft De nieuwe Rivier uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: David Vann, Caribou Island

Als een echtpaar in de roman Caribou Island van David Vann (vertaald voor Arjaan van Nimwegen) naar een verlaten plek gaat om daar een hut te bouwen en daar te gaan leven, gaat alles mis. Typerend voor de hyper-modus waar de personages van Vann in verkeren. De man, Gary, had een wild plan, zijn vrouw Irene doet mee. Ze doet niet mee omdat ze een stel zijn dat gingen samen doet.

‘Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. En dat betekende: wacht maar af.’

Op het moment waarop Irene dat denkt laden ze een boot vol boomstammen om die naar een eiland ergens in een meer te brengen. Ze laden de boot vol als die op het strand ligt en door het gewicht krijgen ze de boot niet meer in het water geduwd. Gary besluit de boot met zijn auto een zetje te geven. Dat lukt, maar de boot raakt beschadigd. Het regent vreselijk, ze hebben het koud. Ze bereiken toch het eiland. Ze stuiten op een rotskust, veel te hard. Het blijft regenen, alles gaat mis. Toch blijft dit stel in de laatste fase van hun relatie bij elkaar. Ze ploeteren. Het verhaal is tragisch, duidelijk en grappig.

David Vann was de verrassingsgast bij de eerste editie van De Vertellers van Helmers, in november 2018. Hij logeerde bij vrienden. Ik had hem daarvoor al een keer ontmoet. Toen hij een jaar later weer bij de vrienden in Amsterdam op bezoek was zocht ik hem weer op en spraken we lang over schrijven, vertellen, vissen, over wonen aan het water, over boten. Vann is een vermakelijke verteller. Als je hem leert kennen dring je beter door tot de stem die in al zijn boeken zit: die wordt grappiger.
Als Irene zich schrap zet in de boot omdat ze al voorziet dat Gary in zijn onhandigheid veel te hard vaart en ze knallen op de rotsen, dan zegt ze alleen: Jezus, Gary.
Dat kenmerkt hun relatie. Vloeken, maar er toch in blijven hangen.
Het liefst wil Irene alles opgeven, of opnieuw beginnen, met Gary. Wat er gekozen wordt maakt niet zo veel uit, alsof er geen verschil is tussen het opgeven van een relatie of het opnieuw beginnen in een relatie. Dat herken ik van de gesprekken met Vann. Keuzes zijn er, maar de richting is altijd onzeker. Daarom ook een wild plan: een hut bouwen, ergens. Grond kopen, gaan jagen en vissen, ondanks de kou. Vuurtje stoken.

Ik trok Caribou Island uit de kast uit de kast omdat ik de laatste tijd veel lees over zelfgekozen eenzaamheid, misschien een thema van een nieuw boek. Deze roman vult die ideeën op een rijke manier aan. Alle personages zijn verbonden, maar ook op zichzelf. De balans daartussen, daar gaat het om.
Vann laat zien en verklaart, en doet dat is een treffende balans. Als er net wat informatie bij de handeling moet dan geeft hij uitleg, maar in een paar woorden. geen uitgebreide psychologie, alleen een aanvulling. Dan weer een bladzijde of twee met een scène die als een film laat zien wat de personages doen. Het echtpaar verstrikt in elkaar, met eigen motieven, de dochter die bedrogen wordt, haar broer die een slap figuur is. Om beurten komen de personages langs in mooie filmische scènes die allemaal voldoende ruimte laten om de beelden er zelf bij te laten ontstaan, in je hoofd.
Ik had deze roman al gelezen en denk nu weer: wat goed gedaan.
Een boek om op geschikte momenten uit de kast te halen, om rustig te lezen, om je eraan te herinneren hoe je proza doseert, hoe je verschillende personages net voldoende meegeeft om ze tot leven te wekken, hoe je tempo bepaalt en soms sprongen kunt maken, hoe het verhaal logisch blijft en alle motieven in elkaar grijpen.

De Bezige Bij gaf Caribou Island uit.

In Amsterdam of in Mallorca: de wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In mei: Neske Beks vanaf Mallorca en Bernard Wesseling vanuit Amsterdam. Dit zijn hun eerste brieven. (Lees hier de brieven (1) van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard, en hier (2) en hier (3).)

*

Amsterdam, 27 april 2020

Beste Neske Beks,

Je naam bekt lekker, die heb ik nu hardop gezegd. Dat doe ik steeds vaker, dat hardop praten, en dat kan als een teken van naderende waanzin of vervroegde aftakeling worden uitgelegd.  Ook weet ik dat je op Formentera woont, dat heb ik net gegoogeld. Het lijkt me uitgesproken arcadisch daar, zeker om een virus uit te zitten, doe je goed.

Hier hebben we ook niet te klagen, de lente speelt voor zomer. Bloesem overal, mijn vriendin heeft een tak in een pot gestopt en voor het raam geplaatst. Wij zijn al lang samen, mag je best weten. En verstaan dus de kunst van het langs-elkaar-heen-leven. Af en toe komen we elkaar tegen in keuken, badkamer of huiskamer, laten de ander voorgaan naar het volgende vertrek. Laatst zochten we samen naar de schaar. Het zijn de kleine dingen, wil ik maar zeggen.

Ik zal je meteen wat opbiechten: vroeger, nog voor ik haar kende, was ik een allemansvriend. Ik bedoel niet dat ik een overspelig mens was, maar ik maakte gauw vrienden. Er zat niets achter, voor zover ik doorhad, ik was niet behaagziek of benauwd om buitengesloten te worden.  Mijn enthousiasme over de medemens kende geen onderscheid, waardoor ik misschien niemand écht leerde kennen.  Ik hield van iedereen, leek het, zonder dat iedereen noodgedwongen van mij moest houden. Men voelde dat aan, men mocht mij.  Ik maak me wel eens zorgen over die filantropie van mij, waar is die gebleven? Of heeft mijn matiging me juist minder oppervlakkig gemaakt?

Maar nu klinkt het alsof ik in zielennood verkeer. En dat is niet zo, hoor. Want tegenwoordig hok ik op mijn zolderkamer (verder verdien ik bij als fietskoerier) en schrijf en voel me daar goed bij. Ik laat me door zo’n quarantaine niet kisten, hoewel ik me soms afvraag wanneer ik de kroeg weer in mag. Geld bespaart het wel, anderzijds. Maar goed, schrijven dus. Ik kan me geen betere bezigheid wensen en zal je daarom wat laten lezen, een kort verhaal dat ik net af heb. Het heet ‘Het meesterwerk’.

Nadat hij de laatste hand aan het meesterwerk had gelegd, er nog een keer indringend naar had gekeken, nadat hij de badkamer had betreden en in de spiegel dan ook nog zichzelf in de ogen zag, vol ongeloof over het feit dat hij nog leefde, alsof hij verwachtte, zover hij dit punt ooit had durven voorzien als door bliksem getroffen te zullen neervallen -, begon het te dagen dat er geen ruimte kon zijn voor beide: het was hij of het meesterwerk.

Want hoe was het mogelijk dat hij hierna nog verder zou werken? En om wat te doen dan precies? Om zichzelf af te vallen? Het was tenslotte overduidelijk dat hij nooit meer tot zulke hoogte zou stijgen, dat was onmogelijk. Godsonmogelijk. De indruk van het meesterwerk stond op zijn netvlies gebrand, vervaagde geen moment. Overdreef hij soms? Liet zijn perfectionisme hem in de steek? Snel rende hij de kamer in waar het meesterwerk zich ophield, alsof hij het kon betrappen – zoals hij zo vaak eigen werk had betrapt – op de nodige ontnuchtering. Ja, bijna hoopte hij de vertrouwde teleurstelling te ondergaan die hem zijn reden tot voortdoen teruggaf. 

Maar toen hij het meesterwerk bekeek, zelfs met al zijn verzamelde drang het te overleven, benam het hem de adem opnieuw, en hij sloeg zijn hand voor zijn mond. Hij kon niet anders dan toegeven: zoveel overtuiging sprak eruit, zoveel overgave lag erin besloten, zoveel schoonheid schrijnde daar – hij had zichzelf dusdanig overtroffen, iets geschapen wat zoveel hoogwaardiger was dan zijn hele leven samengevat in zijn karige pieken – dat er niets anders op zat dan nu de hand aan zichzelf te slaan. Tenzij hij het meesterwerk verwoestte, ontkende dat het er ooit was geweest, en dan maar te hopen dat zijn vermogen tot ontkenning groter was dan het spook en de verleiding tot herscheppen, wat tot niets kon leiden dan groteske parodieën (de kleinste afwijking zou al een belediging zijn).

Hij ging op een stoel zitten, verwilderd.

Of was hij bevangen door plankenkoorts? De angst om openbaar te moeten maken wat tenslotte niemand mocht worden onthouden? Het meesterwerk bloot te stellen aan zoiets als de schennis van misplaatste kritiek? Was het uit zelfbescherming dat hij de prestatie (die, ik herhaal, een leven lang geploeter meer dan rechtvaardigde) teniet wilde doen? En was hij zich niet al te bewust dat, zoals hij bij anderen had zien gebeuren, wanneer een kunstenaar eenmaal dood was zijn nalatenschap met zoveel meer zorgvuldigheid werd behandeld, zelfs met een zekere tederheid? Waar bij de levende kunstenaar (hij voelde hoe iets parelde in zijn neusgat, dacht even aan een bloedneus veroorzaakt door een aneurysma, maar het was slechts een loopneus) een perversie onder critici wilde dat ze het niet konden laten zijn eergevoel aan te vallen in plaats van het werk los te beschouwen, dus zonder de feilbare man en zijn monsterlijke alledaagse schaduw!

Nee, dacht hij in een moment van volstrekte eerlijkheid, die werd afgedwongen door de nabijheid van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd. Op dat moment kwam zijn vrouw binnen. ‘Wat is er met jou?’ vroeg ze. ‘Ik vrees,’ zei hij zonder naar haar op te zien, ‘dat ik een meesterwerk heb gemaakt.’

Tot zover. Ik ben erg benieuwd naar je stem, zie uit naar je brief vanaf het dromerige Formentera.

Alle goeds,

Bernard

*

Dag Bernard,

Ik zocht je. Online, zoals dat dezer dagen gaat.

Dwalend door de volle gangen van het internet, vond ik je bij een talkshow van het Letterenfonds.
De presentator noemde je naam, het publiek applaudisseerde en jij maakte een gebaar zoals overwinnaars maken, waarop de presentator je vroeg of je altijd zo opkomt.
In totale lockdown heb ik alle tijd om fragmenten drie, vier keer terug te kijken dus dat heb ik ook gedaan. Jij zei gevat dat je meestal schaduwboksend op komt. Het was een grapje, maar niemand lachte. Wellicht omdat je intonatie laveert tussen humor en ernst?
Ik werd nieuwsgierig toen je zei dat je het interessant vindt te kijken wat een gedicht het liefste zelf wil. ‘Maar dat klinkt misschien een beetje esoterisch,’ voegde je daar licht verontschuldigend aan toe. Dat herkende ik. Dat excuseren voor een bepaald soort sensitiviteit.

Schrijven ís magie. Waarom spelen we dan met zijn allen alsof we het allemaal zelf bedenken? En daarbovenop doen we alsof doorzitten en hard werken de essentie van het ambacht zijn.
Niet vaak wordt er gesproken over het vermogen jezelf open te stellen als kanaal voor het verhaal dat bij je aanklopt. Datgene wat zichzelf verteld wil zien.
Weer wat later zei je nog iets moois over de meerstemmigheid die je creëert binnen je werk: ‘De stemmen die je in jezelf herbergt en dat je die aan het woord kan laten.’ Vlak na deze – wat mij betreft – rake observering relativeerde je wederom met ‘nu klinkt het wel alsof ik krankjorum ben’.

Wijze, gelaagde dingen zeggen die je vervolgens haastig relativeren moet, want anders zou men kunnen denken dat je gek bent. Of erger nog: spiritueel en niet geheel geaard. Heel

Noordelijk is dat, besef ik nu, opgesloten in het verre Zuiden. Als ware Spanjofiel werk ik het liefste op de Balearen, waar ik me in de winter laaf aan zon en onderdompel in de taal, de cultuur, de mensen en hun manier van leven. Lucebert en Schierbeek deden het ook zo: zomers in Nederland, winters in Spanje. Niet dat ik hen bewust ging na-apen, maar het bevalt me zeer.
Wij leven meer op straat hier. Op straat en in het café. En als we thuis blijven doen we dat het liefste in een groepje met elkaar. De comida familial op zondag is heilig en ik – de sneue eenling – word uitgenodigd bij vrienden en hun families want alleen lunchen op zondag is sneu. Warme maaltijd en vaak in een restaurant.
Maar nu zijn we thuis. De kinderen van Spanje mogen sinds gisteren een uurtje per dag de deur uit. Ya’sta.
Andere koek dus dan jullie zogenaamde intelligente lockdown. Niet dat het hier beter is, maar Rutte en intelligent is een woordcombinatie die mij niet geheel overtuigt.

Ik vond het mooi wat je schreef over je vriendin en hoe jullie elkaar ontmoeten in de keukenla. Vanwege de schaar.
Ik vrees dat ik die la er nu zelf bij bedenk: de kronkelpaden van het geheugen. Zelf stopte ik met de dagen tellen want daar werd ik echt mesjogge van. Gek, van de rooie, van het padje en mesjogge heb ik tot me genomen, maar krankjorem is een woord dat ik na vijfentwintig jaar Nederland nog steeds niet gebruik. Het liefste zeg ik zot uit mijn eigen moedertaal.
Hier zeggen ze loca en volver loca. Yo vuelvo loca del confinamiento. Intrigerend, want volver is terugkeren: het impliceert dat iemand eerst zot was, toen even niet en daarna weer wel. El confinamiento – opsluiting in Castellano – heb ik ook pas op 13 maart aan mijn Spaanse woordenschat toegevoegd. Prachtig woord maar gekmakend om te leven, opgelegde opsluiting. Ook om bestwil.

Als een wilde zotte ben ik vanochtend van mijn tuinpad afgeweken – dat is verboden en patrouillewagens rijden rond – maar ik liep schuimbekkend tegen de muren op.
Een kilometer verderop werd ik aangesproken door een mij onbekende buurvrouw die toen ze me door haar veld zag lopen met mijn smartphone in mijn hand met aanschoot en zei: ‘Als je gaat wandelen moet je je mobiel thuis laten, want anders gaan ze je traceren en dan zien ze dat je op te grote afstand van je huis wandelt en krijg je 1000 euro boete, minstens,’ riep ze met een paniekerige stem.
‘Nou, dat wordt een veel hogere boete want mijn huis woont officieel in Nederland,’ snauwde ik terug. ‘En dat is hier minstens tweeduizend kilometer vandaan.’
Mijn lontje is korter sinds ik opgesloten ben en het was al niet zo lang.

De stilstand dwingt me ook meer dan eerst te contempleren en letterlijk stil te staan bij het feit dat ik in een voormalige dictatuur verblijf – en schrijf.
Franco ging in 1975 dood, de vader van de huidige koning is nog door hem persoonlijk aangesteld. De geest en het gedachtegoed van el general dwalen nog steeds door Spanje en angst wordt intergenerationeel doorgegeven.
De angst die me achterna rent in de velden en die zich verschanst in de rijen, op de schappen en tussen de opgestapelde vijfliterflessen drinkwater in de dorpssupermarkt is niet enkel in China geboren, maar is geworteld in de erfenis van de generaal.

De spookachtige gemaskerde verschijningen, die begin maart nog mijn vrolijke Mallorquín vrienden waren, lopen nu schichtig en gejaagd door de gangen van de supermarkt en steken angstig een hand op.
‘Wel of niet praten?’ is de onuitgesproken vraag.
Omdat ik alle energie absorbeer, wijk ik voor boodschappen uit naar een naburig stadje. Daarmee overtreed ik de wet, maar daar ken ik niemand en niemand kent er mij.
Helend voor mijn gemoedsrust.
Alhoewel, op de terugweg word ik gestopt door de staatspolitie, de Guardia Civil, die op de rotondes controleert. 
‘Waar ga je heen?’
‘Naar huis, naar Montuïri,’ antwoord ik met kloppend hart.
Montuïri, het hart van de Pla van Mallorca.
Formentera liet ik achter na een jaar.
Misschien iets voor een volgende brief.

Atentamente,

Geheel de uwe,

Neske