Denis Johnson, Arielle Veerman: de redactie las een zeer goed geschreven spionageboek dat speelt in Afrika, en een benauwende roman over scheiding en dood en Joost Zwagerman.

*

Jan van Mersbergen: Denis Johnson, De lachende monsters

Denis Johnson is bekend van Treindromen, een zeer dun boekje over een man die zijn vrouw en dochtertje verliest, en Een zuil van rook, een geweldig dik boek over de oorlog in Vietnam. Diversiteit, dat is zijn kenmerk. En dan bedoel ik niet de diversiteit die nu actueel is, maar de diversiteit die een schrijver met zijn werk kan laten zien.
Met De lachende monsters (vertaald door Peter Bergsma) voegt Denis Johnson daar een roman aan toe, want de roman die speelt in Sierra Leone, en sluit aan bij mijn voornemen om uit ieder land in Afrika een roman te lezen, een voornemen dat overigens dateert van half mei. Een voornemen dat niet begon bij diversiteit, maar bij interesse in een groot werelddeel dat ik wil leren kennen, liefst aan de hand van verhalen.
De lachende monsters is anders dan de boeken van de Afrikaanse schrijvers die ik al gelezen heb. Johnson, Amerikaan, schrijft vol humor en kleur over Sierra Leone, maar de stad is niet veel meer dan een decor en zijn hoofdpersoon Ronald Nair vertelt niet van binnenuit over Afrika. Hij kent Sierra Leones Freetown goed, maar blijft een bezoeker:
‘Elf jaar sinds mijn laatste bezoek en het vliegveld van Freetown was nog steeds een zooitje…’ luidt de eerste helft van de openingszin.

De stroom valt steeds uit, dat is wat we in Europa wel weten over Afrika. Reizigers vertellen daarover, en hoe irritant dat is. De verteller van Johnson doet hetzelfde, maar dit verhaal had dus evengoed in Zuid-Amerika of India kunnen spelen. Toch vult Johnson informatie over Afrika aan die vervlogen is. Als er gedroomd wordt van een eigen plekje, een groot stuk grond met beveiliging en eindeloos veel gedienstige vrouwen, zegt iemand: ‘Een man kan zijn vallei kiezen, eentje met nauwe – verdedigbare toegangen – en het tot zijn land uitroepen, net als Rhodes in Rhodesië.’
Ga me niet vertellen dat u wist dat de Britse diamantenhandelaar Cecil Rhodes, zijn eigen land oprichtte. Ik zocht het op:

‘De British South Africa Company, onder leiding van Cecil Rhodes, kreeg in 1895 ‘eigendomsrechten’ over het Koninkrijk Mthwakazi in het zuiden van Oost-Afrika en startte er met de ontginning van de ertsen. Het land werd veroverd tijdens de Eerste Matabele-oorlog. Hij noemde het gebied naar zichzelf: Rhodesië.’

Zoals vaker in deze reeks Afrikaanse romans kom ik aan informatie die iets extra’s vraagt. Ik lees romans met wikipedia ernaast. De moeilijke namen wennen langzaam, ze doen me nog steeds denken aan Suske en Wiske en Kuifje – ons sterkste referentiepunt. Een compleet werelddeel dat veroverd is, ingedeeld, uitgeput, dat is een deel van de geschiedenis van Afrika die – en dat is dubbel wrang – amper deel uitmaakt van onze Europese geschiedenis.
Alleen al zo’n naam, Mthwakazi levert veel op:

‘Het koninkrijk lag ten noorden van de Limpopo en werd in het zuiden begrensd door de Transvaal, in het oosten door Portugees-Oost-Afrika en in het westen door Beetsjoeanaland.’

Transvaal zal misschien nog een lichtje doen branden, naar de buurt in Amsterdam Oost. Limpopo was mij onbekend. Van die namen maak ik een oude realiteit, geen Kuifje-stripboek.
Johnson haalt in een enkel zinnetje een compleet onbekend land aan, en het is geen fictie, geen sprookjeswereld, het is belangrijke informatie die met ieders leven in het westen gelinkt is.

Nair zit verwikkeld in een spionageachtig verhaal. Toch is dat niet het belangrijkste, De lachende monsters is geen thriller of speurdersroman. In een van de eerste scènes is een Guinness-commercial op tv. Nair beschrijft het filmpje over twee broers. De oudste heeft een succesvol leven in de stad en keert terug naar de jongste broer in de rimboe, zoals Nair het noemt. Ze zitten Guinness te drinken in het licht van lampen ‘die ze niet echt bezitten.’ Dat is belangrijk. De oudste geeft de jongste een buskaartje en zegt: ‘Ben je klaar om aan de mannentafel te drinken?’ De jongste zegt dat hij klaar is. De voice-over zegt: ‘Streef naar het hoogst bereikbare.’
Verderop in de roman komt het filmpje terug, met uitleg: ‘Door de kracht die in deze drank wordt mee gebrouwen bevrijdt de grote broer zijn kleine broertje van een vloek die ze geen van beiden begrijpen, en zij aan zij gaan ze op weg naar het Koninkrijk van de Beschaving.’

Ik begrijp de vloek ook niet. Ik begrijp alleen het verschil tussen stad en platteland, een verschil dat in Afrika net zo bestaat als overal ter wereld. Dit verhaal maakt het leven van Afrikanen herkenbaar en tastbaar. Dat is wat Johnson doet. Of hij nu schrijft over Amerika, Vietnam of Sierra Leone, zijn personages hadden overal vandaan kunnen komen. Dit is juist iets wat Afrikaanse schrijvers niet kunnen: het duiden van een eenvoudige locale bierreclame die iets betekenen kan voor mensen op de gehele aardbol.

Het is zeker de moeite waard: een spionageverhaal dat in Afrika speelt. Johnson, geboren in München, woonachtig geweest op de Filipijnen en in Japan, later Washington, heeft lol gehad in het uiteenzetten van de fictieve spionagegesprekken, de locaties met uitvaldeurtjes, de onderlinge verhoudingen. Bovendien schrijft hij lekker, laat hij Nair lekker vertellen. Maar er is iets wat ik steeds mis: de voeten aan de grond. Aan het stof, zoals ik graag boeken lees die in Nederland spelen en die de klompen in de klei hebben steken. In De lachende monsters voel ik het stof niet, voel ik niet hoe het is om Afrikaan te zijn. Dat is niet zo gek, dat weet Johnson helemaal niet en is slim genoeg om geen poging daartoe te doen. Ik mis het omdat dit het beginsel van mijn leesopdracht was, een maand geleden.

Deze roman kan daar niks aan doen. Dus ik las een zeer goed geschreven spionageboek dat speelt in Afrika, van een sterke Amerikaanse schrijver. Punt.

De Bezige Bij gaf De lachende monsters uit, het boek is nog verkrijgbaar via Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Arielle Veerman, De langste adem

Het literaire wereldje is gesloten door corona, al zijn er literaire prijzen (die een ander nog meer gegund worden) en ongetwijfeld ontmoeten schrijvers elkaar weer. Even geleden alweer reageerde Jan in een uitgebreid blog op de geruchten rondom Arjan Peters. Hij beschreef een gezellige literaire wereld, waarin mensen elkaar beïnvloeden, en stukken gepubliceerd worden ondanks of juist omdat dat je elkaar kent. Dat is bij De Revisor niet anders: ik kom zelden bij een schrijver over de vloer, maar ik schrijf menig schrijver in mijn redactiemails aan met haar of zijn voornaam, en ik kan daarna alsnog over een boek van die schrijver iets schrijven. Twee weken na Jans blog deden hij en ik dat dan ook in deze rubriek. Dat is moeilijk te vermijden en kan heel goed, denk ik ook, als je daarover open kaart speelt, en je je argumentatie technisch houdt. Het is overigens niet vanzelfsprekend: met de meeste auteurs die hier langskomen heb ik nog nooit gesproken of gemaild, en omgekeerd schrijf ik ook niet over elk boek van een bekende.

Of die context de enige juiste is om Arielle Veermans De langste adem te lezen, weet ik niet helemaal zeker. Veerman is de ex van Joost Zwagerman, de moeder van drie van zijn kinderen, en niet lang na een vechtscheiding ontnam hij zich het leven. In dit boek (een roman, zegt het omslag, maar het voelt erg non-fictief aan) beschrijft ze de periode na zijn dood, en het verloop van hun relatie, een benauwend verhaal van advocaten, psychiaters, stalking, depressie. En van schrijvers met invloed, en schrijvers die een kant kiezen.

Veerman is geen literair schrijfster, ze beschrijft dingen vaak, ze toont niet, en dan worden het snel clichés. ‘Later, toen iedereen zich begon terug te trekken omdat mijn moeder steeds verdrietiger werd en vaak ziek op bed lag, werd de sfeer leeg en uitzichtloos.’ ‘Wanneer iemand ergens echt over inzat en bijvoorbeeld sombere gedachten had over zelfmoord of twijfels had over vriendschappen of verliefdheden, kwam dat meestal in een-op-eengesprekken ter sprake.’ ‘De goede jaren waren begonnen, we waren jong en sterk en stevenden af op de teleurstellingen die van ons de mensen zouden maken die we werkelijk zijn. Zoals oorlogen en andere rampen dat konden doen.’ ‘We waren door opgedane ervaringen uitgegroeid tot aanvallige, complete personen; een jonge gedaante om een oude kern, het voelde nieuw en het was ook vertrouwd.’

Het zijn allemaal passages uit de relatieverhaallijn, en misschien is het de neiging tot conclusies trekken die oorspronkelijke verwoording in de weg staat. En misschien zijn er juridische beperkingen om uit stalk-e-mailtjes te citeren, zodat we het nu met de samenvatting moeten doen. Ja, er staan geloofwaardige dialogen in, en scènes die beklijven (een jonge Zwagerman die op haar feestje iedereen aanschiet omdat hij voor het eerst gepubliceerd is, bijvoorbeeld, of een oudere Zwagerman die zijn echtgenote niet naast zich duldt op de rode loper van het Boekenbal. Het bezoek aan het lege huis van de overledene), maar literair is er te weinig te halen om dit boek uit te lezen.

Wel het indringende verhaal, de droevige nasleep waarin enkele vredes gesloten worden, maar waarin vooral blijkt dat bijna het hele kamp-Zwagerman de ex haat en haar de schuld geeft, naast de woelige aanloop naar en afloop van een gelijkwaardige liefdesrelatie waarin de echtgenote tot assistente en huismoeder wordt gedegradeerd. De aaneenschakeling van confrontaties. En misschien toch de bekendheid van Zwagerman.

Veerman schetst als outsider een literair wereldje waarin iedereen elkaar kent en waarin niemand kwaad wil spreken over de dode. Ze beperkt zich tot voornamen, maar ik herken ze, vooral van hun boeken of van mijn werk bij Athenaeum Boekhandel. Ze noemt de nieuwe vriendin van Zwagerman overigens niet bij naam, dat is heel chic, maar Bram Bakker, de schrijver en psychiater die een onduidelijke, zeg maar gerust kwalijke rol in de scheiding en de nasleep speelt, wordt voluit genoemd.

Misschien is De langste adem dus wel van secundair literair belang: we krijgen een inkijkje in een klef wereldje, en in hoe mensen omgaan met roem en het publieke domein. Want ja, mocht ik in een vechtscheiding belanden, dan krijg ik natuurlijk alle verloskundigen tegen me die ik tot dan toe tot mijn vriendenkring rekende, collega’s en oudste vrienden kiezen vanzelfsprekender partij, en het is verfrissend te spreken over schrijvers als mensen met een gewoon beroep, met collega-ZZP’ers, slechtbetalende opdrachtgevers en een jaarlijks netwerkevenement (het Boekenbal) – maar er is een flinke nuance. Schrijvers hebben een podium (Zwagerman had dat zeker, ook op tv), en een vaardigheid (goed met woorden – Veerman schrijft met bewondering over de essays die ze terugvindt) die ze een voordeel geeft, en een aanzien buiten de persoonlijke kring. Veermans relaas roept bij mij de vraag op of die omstandigheid, en het egoversterkende effect ervan, de tragische gebeurtenissen heeft versterkt.

Mijn eigen conclusies zijn vooralsnog: vermijd ongelijkheid in je relatie, mijd televisiepsychiaters en houd afstand. En blijf lezen.

Prometheus gaf De langste adem uit.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Ezra Hakze.




Platanen

Ik loop in mijn legeruniform door de stad, ik loop als een klok

zonder huid door de stad waar de mensen te laat komen

                sirenes snijden door de nacht

waar ik me traag uitstrek


met mijn wortels hobbels in de straat. Forens me een weg

naar huis zoals de mensen ritselen door de straat


waar iedereen te laat is en metro’s haastig, wormachtig

de mensen reizen met hun treinen langs mijn zenuwbanen


of krioelen als een houtwormkever om mijn benen

auto’s en kevers: parasitaire stedelingen, het vreten aan mijn huid


Heb je mij nog gezien? In mijn camouflagekleren? En naakt,

zonder mijn blad en veren? Of langs de gracht, toen het regende?


De stad lag voor me als een slakkenhuis

de stad lag voor me als een opengebarsten cocon, ik wierp mijn vleugels uit


en zag mijn spiegelbeeld in de gracht, bekeek de wortels en de regen,

hoe de tijd van mijn takken in het water drupt






Over de dichter:
Ezra Hakze (1993) werkt als freelance tekstschrijver en redacteur voor
uitgeverijen en online media. In 2017 studeerde ze af op moderne Nederlandse
letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. Naast journalistiek werk
schrijft ze essays, poëzie en korte verhalen, die onder meer gepubliceerd
werden op de website van De Groene Amsterdammer en dagblad Trouw.

In Amsterdam of in Somerset West bij Kaapstad: de wereld is nog niet van het virus af. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus nog steeds alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Ons derde correspondentenduo sluit af: Bernke Klein Zandvoort herstelt van de ziekte, bij Alfred Schaffer is de vergrendeling net iets afgezwakt. Ze zijn de derde van drie duo’s, nummer vijf en zes van zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – die op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten kijken en elkaar Binnenpost schrijven, na Roos van Rijswijk en Sander Kollaard ( 1, 2, 3) , Neske Beks en Bernard Wesseling (1, 2, 3). Lees hier de eerste brieven van Schaffer en Klein Zandvoort: 1, 2.

*

6 juni, Somerset West, Zuid-Afrika

Dag Bernke

Een schrale troost: het lezen van mijn brieven zou mij ook somber maken!

Of nee, waarschijnlijk niet. Het is tenslotte gewoon wat het is.

Het was de bedoeling dat ik eind mei naar Nederland was afgereisd (en intussen zouden we in Egypte hebben gezeten). Het contrast tussen hier en daar was mij vast meteen weer opgevallen: de alomtegenwoordige vanzelfsprekendheid van alles, die ik bespeur vanaf het moment dat ik op Schiphol aankom. De verworvenheden en het comfort zijn tot in de kleinste details zicht- en voelbaar, tot in de lenigheid van de infrastructuur.

Ik moet altijd een paar dagen met m’n ogen knipperen tegen het priemende licht van de goed geoliede, vrolijke machine die Nederland is, en vervolgens moet ik oppassen dat Zuid-Afrika niet van me wegdrijft. Nederland is klein en kent geen bergen die je het uitzicht benemen, je zou zó, hup, de wereld in moeten kunnen kijken, maar het tegendeel is waar. Dichter Antjie Krog had het daar eens over, ze sprak over haar eerste bezoek aan Nederland, nog tijdens de apartheidsjaren: ‘Ik had al die ideeën en fantasieën: als ik in Nederland land, ja, dan weet ik: hier hoor ik thuis. Maar ik voelde onmiddellijk een totale vervreemding met het landschap. Het contrast was enorm. […] De volgende ochtend, toen we koffie dronken op een terras, besefte ik: dis glad nie my mense nie. Ze zijn te vriendelijk, te fit, te effectief, te ironisch, ze zijn alles wat Afrikaners níet zijn. Het prioriteitsverschil is zó groot. Alles is er zo blasé: na een week of twee moest ik echt m’n agressie in toom houden. Na 1994 besefte ik: heel Nederland ruíkt naar bevoorrechting. Ook al hebben wij in Zuid-Afrika gelijke rechten, nooit zal het leven zijn zoals in Nederland.’

Je kunt het je hier niet veroorloven om in de pauzestand te staan. Natuurlijk zijn er wel mensen die dat doen, of proberen te doen, voornamelijk in de gegoede buitenwijken van de grote steden. Lieden die zich het liefst in Duitsland of Frankrijk wanen en op hun neighbourhood watch-groepen elkaar waarschuwen als er bijvoorbeeld een onbekende ‘bm’ (Black Man, wat kan slaan op zwart en bruin) door de straten loopt (‘mensen, ik heb een bm in de straat gesignaleerd, hij werkt bij niemand in de tuin, toch dwaalt hij door onze wijk, ik geef het maar even door, houd hem in de gaten’).

Soms vermoed je zelf zo’n bm te zijn.

De gemiddelde burger móet zich echter voortdurend bewust zijn van de opeenstapeling van totaal verschillende levens, er is niet aan te ontsnappen in een land met elf officiële talen. Dat iedereen hier in feite de ‘Ander’ is, of zou moeten zijn, is goed. Zo centrumloos zou het in elk geval moeten zijn. Het is niet zozeer naast je leven leven, maar je constant bewust blijven van je eigen toevalligheid.

Stel je voor, je stapt op de fiets. Bij het eerste verkeerslicht, waar de Ceintuurbaan en de Van Woustraat elkaar kruisen, vraagt een straatkind of je wat geld hebt, iets te eten. Je fietst door, stopt bij de Coffee Company, dan via Ferdinand Bol richting de Vijzelgracht, eerst even bij de Etos naar binnen, je ziet her en der een man of een vrouw in een vuilnisbak graaien, nog een paar bedelende kinderen, mensen die maar wat staan te staan. Je draait het Rokin op, moet je intussen tot nog een paar bedelaars verhouden, ter hoogte van het Spui is de vaste plaats waar werkloze mannen in groepen wachten in de hoop opgepikt te worden om ergens te gaan klussen, en intussen weet je dat achter het Paleis op de Dam, zeg maar vanaf de Prinsengracht, de sloppenwijken beginnen, daar zit men hutjemutje op elkaar, de openbare toiletten staan op de Keizersgracht. Eindeloze rijen zinken daken. Zoiets.

In zo’n werkelijkheid kun je jezelf als bevoorrechte burger (wit of zwart) niet afzetten. Vandaar dat ik het natuurlijk óók een verademing vind om af en toe weer even ‘thuis’ te zijn, een paar weken, gewoon met vrienden van vroeger in de kroeg, in het park, in Paradiso, onverstoorbaar in de relatief geluiddichte studio die Nederland is.

We zitten hier dan wel in fase 3, veel mogen we nog niet, strict genomen. ‘No recreational travel to meet friends or family’; ‘Stay at home, other than essential travel for work and to purchase essential goods’; ‘Cultural and social gatherings will not be allowed’; ‘Most sporting events will not be allowed’; ‘Cultural initiation practices are prohibited’; ‘Weddings are not allowed’; ‘Entertainment venues, including cinemas, theatres and concerts remain closed’. Et cetera.

Het strand, het park, de clubs, restaurants, theaters, musea – allemaal verboden terrein. Dus ben ik maar gelijk gaan fietsen. Doe ik als ik in Amsterdam ben ook altijd, een dag na aankomst. Door de binnenstad naar het Amsterdamse Bos, dan richting de Amsteldijk. Hier pak ik Steynrust Road, Old Stellenbosch Road, Helderberg College Road, Abelia Street. Geen grote afstand, maar met al die hoogteverschillen heb ik, met mijn conditie, dan al gauw een bergetappe afgelegd.

Vorige week reed ik voor het eerst in lange tijd weer over de R44, ik had eten afgehaald bij Punjab, in Jamestown. Op weg terug naar huis, dwars door de wijnlanderijen – rechts de ondergaande zon, links de imposante bergen – leek die schitterende wereld opeens iets uit het verleden, een projectie. Ik reed dan wel door die landelijke pracht maar ik had er niets te zoeken, omdat er niets te doen viel buiten de auto. Zo moet het dus zijn voor het overgrote deel van de landgenoten; werken in (luxe)winkels, fabrieken, op boerderijen, bij mensen thuis, in de plantsoenen – je rijdt door een aards paradijs (in de bus, de vrachtwagen, het taxibusje), maar wat je om je heen ziet schitteren is niet echt ‘van jou’, terwijl het gewoon jouw land is – je hebt geen toegang tot de luxe, je kunt er alleen in werken.

In je bundel Uitzicht is een afstand die zich omkeert lees ik duidelijk terug dat jij je zeer bewust bent van de duizelingwekkende gelijktijdigheid van levens. Het spreekt ook uit je brieven. Ik snap de vermoeidheid, dat het soms gewoon te veel wordt, al die nabijheden binnenlaten. Maar zoals je ergens heel mooi schrijft in je bundel: ‘een straat is altijd heel veel straten’. Dat is denk ik wat het verschil maakt: de uiteenlopende perspectieven behouden. Niet als een blinde achter mijn eigen particuliere luxe-wensen aan hollen zodra de kooi weer open mag, niet in mijn haast vergeten dat ik anderen daarmee kan vertrappen. Zo’n verschrikkelijke pandemie zou toch een páár blijvende positieve gevolgen moeten hebben? Anders is de ellende helemaal voor niets geweest.

Thelonious Monk die op het vliegveld even een rondje draait. Ter desoriëntatie. Wat gaaf dat jij dat beeld gebruikt! Ik zag die documentaire en was er door gefascineerd, zozeer dat ik er in mijn tweede bundel over schreef: ‘In een onbekende vertrekhal draait hij uitgelaten om zijn as / tot hij zich wankelend vastklampt aan voorbijgangers.’

Deze tijd is geen verleden tijd, maar een tijd om uitgelaten om de as te blijven draaien. Aanhou geraas maak!

Ik wens je beterschap, en hoop dat je over niet al te lange tijd minder zorgen hebt om je gezondheid. Dank je voor je openhartige woorden en je inzicht, blijf kalm en mentaal uitgerust, en kom eens langs als jullie in de buurt mochten zijn, ergens in de verre, ongetwijfeld betere toekomst.

Een hele hartelijke groet

Alfred

*

Amsterdam, 18 juni 2020

Beste Alfred,

Het is gek om een slotbrief te schrijven. Hoe rond je een gesprek af over een tijd waar je nog middenin zit?

We schreven over de impact die het virus op onze levens had, waarbij we iets probeerden over te brengen van wat we uit onze ramen zagen, uit onze ogen. Gisteren zag ik in de supermarkt twee meisjes in een omhelzing bij het koelvak staan. Ik weet niet precies wat het was, maar hoe die twee daar stonden had iets schilderachtigs, alsof ik naar een nabijheid keek uit een andere tijd. Alsof zo’n toevallige omhelzing nu al uit de gewoonte gevallen is. Daarom begrijp ik het wel, als mensen zeggen dat het virus een scheur getrokken heeft in de tijd. Dat we vanaf nu ons leven in voor en na zullen opdelen. Met de moord op George Floyd werd daar nog een scheur bij getrokken. Dat is tenminste wat ik hoop, een blijvende markering, die niet zoals in alle voorgaande gevallen uit het zicht, terug de geschiedenis wordt ingestreken. Zou tegen de achtergrond van een besmettelijk longvirus waarin we de ander op een afstand houden, de zin I can’t breathe ons eindelijk doen verenigen om toxisch racisme aan te pakken, om af te dwingen dat de ander voorgoed tot gelijke wordt gemaakt?

In Mexico werd een man door de politie vermoord omdat hij geen mondkapje droeg. Aanvankelijk was het een klein bericht: op 4 mei werd Giovanni López, een dertigjarige bouwvakker met een donkere huid, na zijn arrestatie zó mishandeld dat hij dezelfde dag aan zijn verwondingen overleed. Maar de gebeurtenissen in de VS brachten de moord terug naar boven. Samen met mijn vriend keek ik naar de beelden van de protesten die er ruw aan toegingen en we vroegen ons hardop af of het misschien soms wél geoorloofd is om Porsches in te slaan om een punt te maken. We hebben het vaak over de verschillende verschijningsvormen van racisme in onze thuislanden. Hoewel er een hyperfocus ligt op alles wat wit en Europees is, is het onderwerp in Mexico een groot taboe. Sinds de koloniale overheersing verlopen de huidskleuren van donkerbruin naar wit, een staalkaart die angstaanjagend parallel loopt met de hoogte van het inkomen. Het zijn nooit witte mensen op vijfbaanswegen die tussen uitlaatgassen staan te bedelen, het is nooit een wit kind voor wie je in het vakje onder de handrem munten vist, nooit een witte vrouw die op een aalmoes wacht als ze me na het handen wassen in een openbaar toilet een papieren handdoekje aanreikt. In het essay Rise of the Narco, Fall of the Vocho beschrijft de Mexicaan Álvaro Enrigue hoe hij als kind vaak naar speelplaatsen ver van huis werd gereden, omdat daar witte kinderen speelden. Ook mijn vriend speelde niet met de armere, donkere gezinnen in zijn straat.

It’s the greatest design flaw of the human mind that it is not trained to remember the future,’schrijft Álvaro verderop in hetzelfde essay. 

In de VS worden politieagenten getraind om het verleden en mogelijke toekomstscenario’s weg te denken, en alleen te focussen op het moment dat ze zich bedreigd voelen. Ik luisterde naar een Amerikaanse podcast over de moeilijkheid politiegeweld veroordeeld te krijgen, waarin de maker een training bijwoonde waar agenten leerden te reflecteren op hun handelingen. Het belangrijkste was dat ze hun angst op redelijkheid leerden te beoordelen, wat eerst hoopvol klonk, tot bleek dat ze die redelijkheidsvraag alleen in de split second horen toe te passen die hen doet besluiten hun wapen te trekken. Al het andere moet worden weggedacht, de ‘20/20 vision of hindsight’ moet achterwege worden gelaten. Alleen de close-up is van toepassing en in de rechtszaal wordt van de jury hetzelfde gevraagd. ‘Was het redelijk,’ wordt hun voorgelegd, ‘dat de agent [toen de man zich dronken gedroeg / niet uit zijn auto kwam / naar zijn broekzak / naar het dashboardkastje leek te reiken] zich bedreigd voelde?’

De 20/20 vision of hindsight, ik moest het even opzoeken en las dat het afkomstig is van oogmetingen: als je 20/20 ziet, betekent het dat je op een afstand van 20 voet kleine details nog met precisie kan herkennen. Voor ‘hindsight’ kon ik geen eenduidige vertaling vinden, het dichtstbij komt ‘terugblik’ of ‘achteraf gezien’. Achteraf weet je altijd meer dan op het moment zelf, wil de uitdrukking dus zeggen, omdat je dan pas de afstand hebt om het geheel te overzien. Maar door alleen te kijken naar het schoongesneden moment, waarop de agent voelde dat hij zich moest verdedigen, geven de jury’s agenten altijd gelijk. Zélfs als het object van bedreiging nooit wordt gevonden, een ander object blijkt of als openlijk wordt erkend dat er van bedreiging nooit sprake is geweest. Dat een groep nooit is gestopt met het vertrappen van een andere groep, dat een groep al eeuwen de gelijkwaardigheid van de andere met knuppels, tasers en geweerschoten bij zich weghoudt, dat het misschien eigen angst is die politieagenten tot bedreiging omzetten, wordt moeiteloos uit beeld gelaten.

Vaak heb ik het gevoel dat ook de Nederlandse omgang met dit onderwerp verenigd is met de close-up. Of is het onwetendheid? Als ik over mijn land nadenk, komt de door jou gelegde relatie met het landschap ook aan bod. Hoe het vlakke land, dat niets omhult en altijd overzicht biedt, in onze houding is geslopen. Wij zijn direct, open en weten wat waar is. Denken alles in het vizier te hebben en zijn beledigd als iets ons zou zijn ontgaan. Ook premier Rutte wist vorige week hoe het zat, toen hij zei dat ‘geschiedenis geschiedenis is’ en daarom maande de standbeelden met rust te laten. Maar past het verleden wel in zo’n statische vorm? Ik moest denken aan het essay dat historicus Karwan Fatah-Black schreef voor Decoding Dictatorial Statues, een boek waaraan ik vorig jaar werkte. Daarin haalt hij aan hoe een monument niet ‘de’ geschiedenis is, maar een moment dat geïnterpreteerd en gekozen werd door een specifieke groep mensen, die vonden dat dat moment geëerd moest worden. De overdreven verontwaardiging over het verwijderen van standbeelden, heeft volgens Fatah-Black daarom weinig met geschiedwetenschap te maken, maar alles met racistische denkbeelden over wie erbij hoort en wie niet.

Nederlander zijn. Wit zijn. Veilig over straat kunnen gaan, een bevoordeeld beroep mogen uitoefenen waarin mijn handen hele dagen mogen tolken voor mijn hoofd. Ongehinderd kunnen ademen. Een paar voorrechten die ik tijdens deze brieven weer grondig heb gevoeld. Dat hier wonen al een vorm van pauzestand is.

Ken je die film Mommy? Inhoudelijk heeft het niets te zoeken in deze brief, maar ik moest eraan denken omdat twee dikke zwarte balken het beeld tot een klein vierkant maken. De eerste minuten valt het je op, maar algauw ben je het kader vergeten, omdat je het aanneemt als een esthetische keuze. Tót er na zo’n vijfenveertig minuten loodzwaar drama een scène is waarin de jonge hoofdpersoon gracieus op een skateboard door een straat glijdt. Het is een scène van ontlading, en synchroon met dat gevoel drukt hij de zwarte balken weg uit het beeld. Het is pas dan dat je je realiseert hoe benauwend het kader al die tijd was geweest, hoe groot het psychologische effect. Het blijft een van de mooiste filmscènes die ik ken. Overigens duurt de opluchting niet lang, binnen een paar minuten klopt de grimmigheid weer aan en schuiven de balken weer terug.

Alfred, ik hoop zó dat de balken nu wegblijven. Ik weet, het klinkt futiel, wat is hoop nu eenmaal? We hebben actie nodig, voortvarendheid, aanhou geraas maak! Dank je wel voor die woorden, het is een prachtige mantra voor deze tijd, waarin er wellicht werkelijk iets kan veranderen, iedereen het gelijke recht op adem krijgt en de 20/20-terugblik juist in het nu wordt meegenomen. Hoe mooi zou het zijn als we 2020, een jaartal dat lang De Toekomst was, vandaag als een bril op kunnen zetten, waarmee de dingen met onontkoombare precisie in het gezichtsveld vallen? Niet meer teruggestreken worden de geschiedenis in. Ik hoop zó dat dat de tijd blijkt te zijn waarin wij leven.

Ik wil je bedanken voor je mooie en soms ongemakkelijke brieven, voor de kennismaking met Zuid-Afrika, voor het deelgenoot maken en voor je uitnodiging die ik zeker in mijn hoofd bewaar.

Tot die tijd: alle goeds!

Bernke

Wie wint vanavond de Libris Literatuurprijs 2020? Manon Uphoff is, getuige een paar vooruitblikken, favoriet. Voor het eerste (dubbel)nummer van 2006, thema ‘Kritiek’, schreef ze aan de meute critici een brief over literaire kritiek en de gedroomde lezer. Het heeft weinig aan actualiteit ingeboet, en desgevraagd zou de auteur alleen ‘echtgenote’ vervangen door ‘echtgeno(o)t(e)’. Lezen! (Vier van de zes genomineerden schreven voor De Revisor: lees Sander Kollaard in Binnenpost, Oek de Jongs’ essay ‘Een klievende roman’ en Wessel te Gussinklo’s ‘De opdracht’.)

*

Beste…,

Nou dat was een reuzefijne week waarin ik schreef aan een stuk dat moest gaan over u, mij, de literaire kritiek, over boeken en auteurs, terwijl er ondertussen voortdurend nieuwe en prikkelende en tot nadenken stemmende stukken van anderen in mijn mailbox belandden, in een artikel van Arjen Fortuin zo’n beetje alle Nederlandse auteurs door het afvalputje werden gespoeld onder de kop ‘De Belgen zijn beter’ en het verhaal dat ik voor het glossy damesblad Elegance had geschreven, geweigerd werd ‘omdat de lezers zich er niet bij thuis zouden voelen’:

Beste Manon,

Dank voor je korte verhaal. De hoofdredacteur en ik waren er zeer van onder de indruk en ik heb het ook met veel plezier gelezen. Het is van hoge kwaliteit en goede lengte, maar, je voelt de bui misschien al hangen, helaas: we kunnen het niet plaatsen.

De reden is dat de wereld die jij beschrijft (Manga, Tokioscène, Kill Bill, Tarantino, onthoofding op tv) niet refereert aan de wereld van de lezeres. Het staat gewoon te ver van haar af. We vinden het ontzettend jammer, want nogmaals, het verhaal is prima en het onderwerp ook razend interessant, maar de lezer moet er wel iets van zichzelf of de wereld om haar heen in herkennen.

Dus Manon, we keuren het niet af, maar plaatsen het niet. Toch zouden we dolgraag een kort verhaal van je willen plaatsen. Zie jij kans om een nieuw verhaal te schrijven, met bv 10 februari als uiterste inleverdatum?

Nogmaals Manon, ik vind het heel vervelend maar ik hoop toch dat je de tijd en de moeite nog wil nemen.

Ik hoor het graag!

Hartelijke groet

Godzijdank dat het verhaal in ieder geval ‘van hoge kwaliteit’ en vooral ook ‘van goede lengte’ was geweest. Verheugend ook dat ze het niet ‘afkeurden’, maar het gewoonweg niet plaatsten. Het omgekeerde, bleek ook, zou geen enkel probleem zijn geweest. Een ‘afgekeurd’ verhaal, beroerd geschreven maar naadloos aansluitend bij de kort te houden leefwereld van de lezeressen van de Elegance. Ik schreef terug – het stuk van Ilja Leonard Pfeijffer over het geweigerde gedicht van Harmens gonsde nog door mijn hoofd – dat het ‘jammer’ was, maar ‘geen enkel probleem’, te laf om na te vragen of er wel betaald ging worden.
‘Het verhaal loopt niet weg,’ mailde de redactrice nog geruststellend, ik vond er ‘vast nog wel een plaatsje voor’. Waarna dit stuk maar bleef steken in mijn pen, brief werd, beschouwing, van alles en nog wat, toen het begon uit te dijen als een gezwel, snoeide ik het bij, wilde ik nu eens echt hard uithalen, dan weer me hautain afzijdig houden, raakte ik volledig verstrikt, klaagde ik mijn nood bij collega Herman Franke die me het hele artikel nog eens uit handen sloeg met zijn column (zie zijn bijdrage in dit nummer) die kort, krachtig, scherp en oneindig veel indringender verwoordde wat ik maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag nu eens aarzelend en weifelend, dan weer koortsachtig verhit probeerde uit te drukken. Nee, voor polemiek ben ik niet in de wieg gelegd. Iets in mij trekt zich terug, zoekt niet de regelrechte aanval, maar het volgende boek. Soms zie ik u als geliefde, soms als vriend die over mijn schouder meekijkt. Soms als een vijand die stinkt uit de bek, druipend geel slijm tussen uw tanden. Soms schrik ik van u als u uit het donker naar voren komt en ik mijn hand wel uit wil steken, maar het koude glas raak, zoals de keer dat ik in een warenhuis schrok van mijn eigen spiegelbeeld dat op me af kwam lopen, ferm en fris als een onbekende, maar vastbesloten me te ontmoeten.

Veel dierbaarder dan het antwoord op of de speurtocht naar de vraag wat ik bedoel is me mijn eigen zoektocht in de duisternis, op zoek naar iets dat er is, maar dat zich nog niet laat grijpen. Het spoor dat een mot trekt in het donker. Het moment dat taal zich hecht aan iets, ermee samensmelt, er even onlosmakelijk mee verbonden raakt als de stem van Billy Holiday of Nina Simone met de muziek (‘lilac wine, is bitter and heavy, like my love – isn’t that he, coming to me’) of er gulzig op landt als een vlieg. In zijn voorwoord bij A Streetcar Named Desire zegt Tennessee Williams over het schrijven: ‘My back is to the wall and has been to the wall for so long that the pressure of my back on the wall has started to crumble the plaster that covers the bricks and mortar.’ En op de vraag of hij nooit te maken heeft met blokkades, is zijn onmiddellijke antwoord: ‘Oh, yes, I’ve always been blocked as a writer but my desire to write has been so strong that it has always broken down the block and gone past it.’ In dit proces zit voor een groot deel de eerste beloning van het schrijven. Het moment dat je de muur voelt verkruimelen.
Iedere schrijver is ook criticus van het eigen werk. Dat mag een schot voor open doel zijn, maar hij is dit meteen in veel sterkere mate dan de criticus ‘ook’ schrijver is van de boeken die hij haat of bewondert, die hem tergen, uitdagen, doen geeuwen van verveling en die hij door te lezen en te kritiseren tot eigen werk maakt. Of waarvan hij zich juist in scherpe bewoordingen distantieert. Het is onderdeel van het lezer zijn dat je het werk dat je leest heimelijk als je solitaire ontdekking beschouwt, het resultaat van eigen leeservaring, inzicht en grote gevoeligheid. Hoe armer het boek, hoe gekwetster de lezer. Hoe rijker het boek, hoe rijker de (bekwame) lezer zich voelt. Sommige van de schatten zijn zichtbaar voor de ergste bijzienden, andere meer verborgen, het lijkt wel of die alleen voor mij zijn, alleen door mij te vinden, o, wat een voortreffelijk, buitengewoon lekker mooi aangrijpend onthutsend overweldigend omverwerpend enzovoort boek is dit toch!
De beste werken smeden de beste lezers. En de beste recensenten, nog nagloeiend van het avontuur, weten dat als zij met hun lezing dit beste in het werk tot stand doen komen, dit toch altijd eerst de kwaliteit van het werk is.
Betekent dit dat als er in een werk geen rijkdom wordt waargenomen, die er ook niet in aanwezig is?
Dat hangt ook af van de kwaliteit van de waarneming.
Zoals jullie zoeken en hunkeren naar het beste en scherpste boek, zo hunkeren en zoeken wij ons hele schrijversleven naar iemand die lijkt op onze beste, gedroomde lezer. Anthony Burgess beschreef hem ironisch: ‘The ideal reader of my novels is a lapsed Catholic and failed musician, shortsighted, color-blind, auditorily biased, who has read the books that I have read.’ Waarmee hij meteen de vinger op de zere plek legt. De werkelijk ideale lezer zijn wij zelf, maar wij zijn op grond van verhouding en band met ons werk nogal verdacht.

Als een schrijver zijn manuscript eenmaal de publieke arena heeft ingezonden, doet hij er wijs aan zijn mond dicht te houden. Hij heeft immers al gesproken, langdurig, zonder dat iemand hem in de rede viel.
‘Schrijven doet het individu als het ware uit zichzelf treden en in contact komen met een gemeenschap van anderen. Schrijven gaat onvermijdelijk samen met zwijgen; schrijven, dat is in zekere zin “zich stil als een dode houden”, de mens worden aan wie de laatste repliek wordt ontzegd; schrijven, dat is van meet af aan de ander die laatste repliek gunnen,’ zegt Barthes in zijn Essais critiques.
Het is een ongeschreven wet dat een schrijver, nadat hij het boek heeft prijsgegeven aan de openbaarheid, aan andere ogen, andere geesten, zich niet meer opwerpt als verdediger van het werk waarvan hij, bij volle bewustzijn mag je hopen, ‘afstand’ heeft gedaan.

Zoals wij proberen te vergeten dat het pijnlijke oordeel gefundeerd kan zijn, gaan jullie (nu en dan zie ik jullie als een meute) soms te gretig voorbij aan de pijn van een onverdiende en voortijdige dood van een boek. Het jammerlijk besef dat alle vakbekwaamheid, inzet, eerlijkheid, gekte, waanzin, beheersing niet zijn gezien, niet goed zijn waargenomen en het boek is aangevallen of opzij geschoven op oneigenlijke gronden. Dat jullie hadden moeten zien, moeten weten, volledig voorbij zijn gegaan. Dat jullie hebben verzuimd die best mogelijke lezer te worden, niet noodzakelijk de lezer wiens eindoordeel het gunstigst uitvalt. Dan zouden we jullie het boek opnieuw willen aanbieden, het diep in de strot duwen desnoods. Dat is waarom we soms smeken, zachtjes jammeren, fluisteren, temen, flemen, rouwen en bijten in kussens of ons achteloos, koppig, overtuigd van de eigen prestatie koel van jullie proberen te distantiëren.

Nadat een tweetal lezers zich over het manuscript van Under the Volcano had gebogen en in het leesrapport hun bezwaren had geuit: het zou te traag zijn van opbouw, er zou te veel couleur locale in voorkomen, de karakters waren geen karakters, de helft kon wel weg en ga zo maar door, schreef Malcolm Lowry zijn beroemd geworden brief aan zijn uitgever. In die brief zien we een schrijver majestueus zijn werk ‘verdedigen’, nee, dat is het goede woord niet, een schrijver die zich opwerpt als die best mogelijke, bekwame lezer die tegelijk scherpe criticus is, een die zijn lezer opleidt en laat zien wat de lezer had moeten en kunnen doen. De brief is een krachtig en overtuigend pleidooi voor het recht van het literaire werk om gelezen te worden door de best mogelijke lezer. Omdat die er in dit geval niet was, kon de auteur niets anders dan reageren en zichzelf naar voren schuiven als die lezer én gids. Want die auteur is, hoewel verdacht, niet de minste lezer en kenner van het eigen werk. Pas als je als auteur ervan overtuigd bent dat de best mogelijke lezer zich over je boek heeft gebogen, ontstaat er rust. Kan je erop vertrouwen dat het boek onafhankelijk zijn weg zal gaan.
Lowry laat zien wat er gedaan had kunnen worden met het materiaal dat voorhanden is. Dat alles erin gezien en gelezen moet worden als het resultaat van een beslissing.

‘I venture to suggest finally that the book is (…) a great deal more carefully planned and executed than he suspects, and that if your reader is not at fault in not spotting some of its deeper meanings or in dismissing them as pretentious or irrelevant or uninteresting where they erupt on the surface of the book, that is at least partly because of what may be a virtue and not a fault on my side, namely that the top level of the book, for all its longeurs, has been by and large so compellingly designed that the reader does not want to take time off to stop and plunge beneath the surface.’

Dat het kunstmatig is, gewrocht, doorwrocht. Kunst.

Het verzet zich tegen zwakke, achteloze lezing. Roept om de best mogelijke lezer. Niet tegen de kritiek die dan alsnog kan worden gegeven, en is een van de krachtigste, ontroerendste en overtuigendste pleidooien voor herlezing die ik ooit ben tegengekomen.
‘I am pleading for a rereading of Under the Volcano in the light of certain aspects…’ en ‘poems often have to be read several times before their full meaning will reveal itself, explode in the mind, and it is precisely this poetical conception of the whole that I suggest has been, if understandably, missed.’
Daarbij trekt hij als gids vooruit, gaat op alle kritiekpunten in en toont aan hoe die na een intensievere, aandachtiger, zorgvuldiger lezing aan kracht verliezen. Stap voor stap toont hij met, door en voor zijn tekst nauwkeurig wat die herlezing kan opleveren en reikt de lezer het gereedschap aan waarmee die zichzelf als lezer kan verbeteren.
‘I am asking you for the moment to be generous enough to consider beside the point – if he were conditioned, I say, ever so slightly towards the acceptance of that slow beginning as inevitable, supposing I convince you it is – slow, but perhaps not necessarily so tedious after all – the results might be surprising.’
Het bijzondere en legitieme aan deze brief is niet alleen dat hij überhaupt geschreven is, maar dat hij is geschreven voorafgaand aan de publicatie van Under the Volcano. En dat wij er op een later moment inzage in krijgen. Nou lijkt het makkelijk voor een schrijver van alles en nog wat te bedenken en dit als geklopte room over een mislukt gerecht te spuiten.
‘Reading all this over I am struck among other things such as that writers can always grow fancy about their books and say almost anything at all,’ zegt Lowry dan ook. ‘This all does not of course matter two hoots in a hollow if the whole thing is not good art, and to make it such was the whole of my labour.’
In het geval van Lowry was het geen reactie op kritiek na verschijnen, maar voorafgaand aan publicatie – en dat maakt veel uit.

Achteraf op kritiek reageren is veel ingewikkelder. Een innerlijke stem houdt tegen. Niet doen, niet doen. Vooral niet de openbaarheid zoeken. Waarom niet? Is het omdat we al weten dat we zullen eindigen in de hoek van de mokkers en gekwetsten? Is het altijd een zwaktebod? Hangt er altijd de kwalijke reuk over van gekrenkt eergevoel, ziekelijke paranoia, gebrek aan zelfkennis? Wat is er tegen die publieke verdediging?
Er is geen schrijver ter wereld die er niet over droomt dat de criticus die zijn werk (onterecht) heeft gefileerd, zich op een dag gedwongen zal voelen van mening te veranderen. Of op zijn minst bereid is het werk een ‘herkansing’, een herlezing te gunnen.
‘Ik volg al jarenlang de giftige maar mislukte pogingen van mijn collega’s tot het schrijven van dit kleine onvergankelijke meesterwerk: een reactie op een slechte recensie die zowel recensent als recensie dodelijk treft. Ze stranden stuk voor stuk in rancuneus onmachtig proza. Het werkt niet. Per saldo heeft de schrijver zich op zijn pik getrapt betoond,’ schrijft Herman Franke. Wat hem er niet van weerhoudt ondertussen met duivels plezier zo’n onvergankelijk meesterwerkje te scheppen. Eenmaal bekritiseerd werk krijgt bij een-en-dezelfde criticus zelden een herkansing. Al moet ik dat een beetje nuanceren. Op Frankes Volkskrant-column, waarin hij Aleid Truijens en Arnold Heumakers aanspoorde Bernlefs Onzichtbare jongen te herlezen (een boek waarvan Aleid Truijens de eerste helft prachtig had gevonden, de tweede helft slecht, en Arnold Heumakers het eerste deel slecht en het tweede deel prachtig) kwam in ieder geval reactie van verschillende critici.
Lezen is een daad van overgave. Het kan niet altijd alleen maar de auteur zijn die wel eens een ‘zwakke’ periode kent, het ‘even niet meer weet’, ‘zoekende is’, ‘de weg kwijt’ of ‘gemakzuchtig’ is.

Ik ben op mijn hoede, leggen ze futloosheid van de criticus bloot? De vraag die ertoe doet: Is er kans dat het boek bij herlezing toeneemt in rijkdom en betekenis? Valide tegenvraag: Hoe groot is de kans dat het na een tweede blik juist platter wordt, aan diepte verliest? Kan het ene en het andere tegelijk waar zijn? De vraag stellen is hem beantwoorden. Bij twijfel verdient het boek opnieuw te worden opengeslagen.
Misschien door een ander. Daarom zijn jullie ook met velen, moeten jullie ook een horde zijn.

Toch houden we elkaar tegen, nemen het mobieltje zacht uit de hand. Drukken we elkaar en onszelf in dringende mailtjes op het hart na twaalven geen mailtjes meer te versturen. Niet naar de gehate recensent. Houden we elkaar voor dat we er om andere redenen dan wetten en praktische bezwaren van af moeten zien in de brievenbus te pissen, de echtgenote te verkrachten, de kinderen te ontvoeren.
Dat we door moeten naar het woord, het woord alleen. Een volgend boek.
We hebben jullie nodig.

Liever dan gelaten waardering, onverschilligheid of teveel aan ontzag, zie ik woede of grimmige ergernis. Opgelucht dat ik ze in ieder geval tijdig heb geschrapt, sla ik mezelf snoeihard om de oren met zwakke passages. Boos sla ik met mijn hand op tafel, valt het bouwwerk, dan is het te wankel. Geen schrijver die de ontzetting van Jeanette Winterson niet begrijpt, nadat bleek dat tekst die ze had gesnoeid, in Zwaarte was blijven staan. Probeer maar eens te ontschrijven wat al is prijsgegeven.
‘Hoe durft u te schrijven: “De charmante kerstboom, zo chatoyant met zijn lichtjes, leek hun een belofte van vreugde wonderbaar?”’ laat Nabokov in het korte verhaal ‘Spits van de admiraliteit’ een boze schrijver en criticus uitroepen als reactie op het flinterdunne romannetje van ene Solntsev, vermoedelijk het pseudoniem van ene Katja, met wie hij ooit een liefde heeft beleefd. ‘Uw adem heeft de hele boom al uitgeblazen, want één adjectief uit effectbejag achter het substantief geplaatst is genoeg om de mooiste herinnering kapot te maken. Voor de catastrofe, dus voor uw boek, was het bewegend geglinster van spikkeltjes licht in Katja’s ogen voor mij zo’n herinnering, en de kersrode weerkaatsing op haar wang van het poppenhuisje van geglansd plastiekpapier aan een van de takken, als zij het prikkelig groen uiteenboog en zich rekte om het vlammetje van een dol geworden kaars te doven. Wat heb ik daar nog van over? Niets – niets dan een weerzinwekkend literair brandluchtje.’

Wat als literair werk wordt gepresenteerd, schrijft ook Kees ‘t Hart in dit nummer, verdient het dat alles erin gezien wordt als opzettelijk en intentioneel. Ook als sommige woorden, passages de auteur lijken te zijn ontsnapt, als het hele boek lijkt te zijn ontsnapt. De schrijver is degene die kon herschrijven, overlezen, schrappen, toevoegen, kon besluiten van publicatie af te zien. Zodra de keuze is gemaakt, is er geen andere route meer dan alles wat is geschreven te zien als resultaat van een beslissing.
Dat maakt een frase als ‘natuurtalent’ ook zo strontvervelend, nietszeggend en beledigend. Het is niets meer dan een ander woord voor ‘lui’, zonder dit met voorbeelden uit het werk te willen staven. Laat zien.

Een van de kleine ontdekkingen die ik als auteur heb gedaan, nogal laat misschien, is dat het boek dat je maakt nooit zo autonoom is als je het zou willen hebben, en dat het ook zinloos is of onzinnig om daar als auteur mee bezig te zijn. Als wat je maakt goed is zal het nooit, nooit autonoom zijn. Hoe beter het is, hoe meer het streeft naar contact. Het kan alleen gekend worden in dit contact. Alleen zo bestaat het. Het roept en lokt en vraagt naar de lezers of speelt ‘hard to get’. Het wil die best mogelijke lezers, maar zal als het echt niet anders kan (een tijd) genoegen nemen met de mindere lezer. Het kan wachten, geduldig zijn, op de toekomst, op die ene lezer, voor het genoegen zal nemen met de gedachte dat die er nooit zal komen. Geen hond. Zelfs dan kan het zich nog verwarmen met de gedachte aan verleden lezers.
Soms is de komst van één lezer genoeg.

Nou ja, genoeg over kritiek. We zijn het – in de grond van de zaak – roerend met elkaar eens. We zijn het altijd met elkaar eens geweest, u en ik.

We zullen elkaar nog wel treffen. Bijna dagelijks. Voor lange tijd zal u mijn spiegelbeeld vormen, terwijl ik over fragmenten, passages en stukken dwaal, verbonden ben met de karakters, verwikkeld in schimmige liefdes, haat, walging, loyaliteit, verlangen, zoekend naar dat ene dat klopt omdat ik geen manier meer ken om het niet kloppend te maken, omdat het door mij niet meer onderuit gehaald kan worden, of alleen nog op gronden die me niet kunnen schelen. Het is de wereld die me dierbaar is en het wemelt er van de muren.

U moet wegen, vergelijken, beoordelen, in een tijdvak plaatsen, genres benoemen, overgangen waarnemen, veranderingen opmerken, proeven, testen, andere, meer of minder argeloze of verdwaald ronddolende lezers voorlichten, gidsen. U wilt ook dingen. Steeds weer nieuwe dingen. U bent gulzig. U wilt geen boeken lezen die u meteen met de vuilnis mee zou willen geven, die u onder in de kattenbak zou willen leggen, u zou wel weer vaker van uw sokken geblazen willen worden, wel eens echt onstuimig door een boek tot overgave en jankend op de knieën gedwongen willen worden. Heb ik enig, enig idee hoeveel rotzooi er is? Hoeveel schrijvers muurtjes van bordkarton neerzetten en één keer duwen met hun kippengewichtje en poef, daar is hun muurtje al gevallen en het boek klaar. Wat zou het niet verrukkelijk zijn om van tevoren eens beter ingelicht te worden over de ware inzet van de schrijver, over de werkelijke motieven en overwegingen, en dan het boek als onherleidbaar ‘gevolg’ van die inzet, motivatie en overweging te wegen. En zie ik niet dat dit, onder zware omstandigheden nog steeds gebeurt? U neemt hoestend een slok water uit het glas dat ik voor alle zekerheid maar vast voor ons allebei heb klaargezet. U verliest uw zelfbeheersing, sproeit in de rondte. Voortaan wenst u alleen het boek, en niet meer lastigvallen met de hele aanloop ernaartoe, die kop van die auteur op alle pagina’s, die auteur zo groot op posters dat je ‘s nachts in je slaap door het beeld wordt achtervolgd, die auteur als meningenspuit, die auteur met zijn of haar verleden, die auteur in een leuk outfitje in alweer een glamourblad, die auteur als bitterste criticus van werk van andere auteurs, die auteur in de kroeg, die auteur als narretje, die auteur als kwijnende spookverschijning met die blik van ik-klaag-aan, die auteur hier en daar en overal, als een klevende zwam.
Een krachtige overtuiging wenst u voortaan alleen nog uit de tekst te destilleren, niet er later als een kreukelige bijsluiter nog eens opgeplakt. Heb ik wel enig idee van uw inzet?
U heeft gelijk.
Zoals we ook niet overal in spelletjes, programmaatjes, quizjes, achterpagina’s, magazines geconfronteerd willen worden met elkaars lijfelijke aanwezigheid, hoofden, handen, haren, geur, verkeerde broeken, slobberige truien, mislukte kapsels. En we elkaars tientallen argumenten begrijpen waarom het toch niet erg is, juist wel goed, passend in deze tijd, en nou ja omdat we mensen… winkeltje… ijdelheid… moeten leven. En de onkreukbaren gaan maar ergens anders aan een andere tafel hun onbuigzame moraal bewieroken, dat wij als schrijvers, badend in aandacht en in het licht van een studiolamp moeten beseffen dat wij minder zijn, altijd zwakker, altijd stompzinniger, altijd noodzakelijk onbenulliger dan ons beste werk. Dat jullie als recensent, gevleid en trots op de bereikte positie, jullie mening glanzend uitvergroot op een opvallende plaats, moeten beseffen dat jullie altijd kleiner, altijd afgeleider, altijd pas echt belangrijk kunnen zijn als jullie stem er één is (misschien de zuiverste) in een koor van stemmen.
U weet net zo goed als ik dat de macht van auteurs en recensenten de laatste decennia is gegroeid, maar dat de macht van boek en kritiek is afgenomen. Daarom worden sommigen van u ook steeds agressiever prescriptiever, u leeft van en met ons. Vallen wij, dan valt u mee.
Het is niet onmogelijk of ondenkbaar dat boekverkopers, jury’s, commissies er op een dag werkelijk in slagen uw mening of oordeel uit de openbaarheid te drukken. Dat zou moord zijn, en alleen te verdragen als we er zeker van kunnen zijn dat daarmee niet onze best mogelijke lezers zijn omgebracht.
Alleen in die hoedanigheid hebben we u werkelijk nodig.

Jenny Offill (en ook Dik van der Meulen en Claudia Rankine, Deon Meyer: de redactie las een hyperactueel boek in flarden en spannend proza dat vertellend, beeldend, metaforisch en tegelijk spannend en eenvoudig is.

*

Daan Stoffelsen: Jenny Offill, Weersverwachting

Mijn leesplan in het kader van #withuiswerk is nog niet van de grond gekomen, door een eerdere leesverplichting: Dik van der Meulens Dr. Hendrik Muller, over zo’n eind-achttiende-eeuwse, vroeg-negentiende-eeuwse man die alles (zo’n beetje) kon: hij was zakenman en consul-generaal van Oranje-Vrijstaat net voor dat land ophield te bestaan, bereisde alle continenten en sprak met menig staatshoofd, schreef populaire reisboeken, werd ambassadeur – en daar ben ik nu, op zestig pagina’s van het einde. Van der Meulen, een van onze beste non-fictieschrijvers, heeft een mooie biografie geschreven, die van een kleurrijk historisch figuur een mooi personage heeft gemaakt, en een beeld geschetst van een wereld die niet meer bestaat. Ook is het vooral een degelijke biografie, die na een spannende tocht over de Zambezi gewoon begint bij Mullers familie en jeugd, en die zeker in het eerste deel af en toe gewoon saai is, en waarin ik veel minder dan in Van der Meulens wolvenboek de neiging had strepen te zetten en geeltjes te plakken. Wel als Van der Meulen zelf even van zich laat horen, tussen haakjes:

‘(Alsof de tijd stil had gestaan – wat bij Marie misschien ook wel het geval was, want in dezelfde brief klaagde ze over een werkmeisje dat haar pols had gebroken “en dus buiten gebruik” was.)’

Dat blijkt ook bij de vele antisemitische en racistische opmerkingen. Van der Meulen heeft er duidelijk moeite mee, hij licht ze er telkens uit, al tekent hij terecht aan dat Muller een kind van zijn tijd was. Als Muller eind 1938 in discutabel (zeg maar gerust: fascistisch) gezelschap zit met onder anderen Hendrikus Colijn, merkt hij op: ‘En toch, het is bijna ondoenlijk de kennis uit te schakelen van wat er later zou gebeuren.’

Daardoor geeft hij zijn biografie van een Kuifje met het ego van Kapitein Haddock een extra verdieping, en onderstreept hij dat hij een wereld beschrijft die allang niet meer bestaat – en dat dat niet alleen maar erg is.

*

Ik wilde dus alsnog wat schrijven over een van de weinige vertaalde romans die ik dit jaar las, Jenny Offills Weersverwachting (Weather, vertaald door Roos van de Wardt), toen ik op Twitter las over Claudia Rankines gelijknamige gedicht op de cover van de New York Times Book Review. Een geweldig statement: de bekroonde Jamaicaans-Amerikaanse schrijfster op de voorkant, geen beeld, slechts poëzie. ‘On a scrap of paper in the archive is written / I have forgotten my umbrella. Turns out / in a pandemic everyone, not just the philosopher, / is without,’ schrijft ze, en van het coronavirus gaat ze naar de details en de leuzen en de rellen rond George Floyd, om verderop het beeld op te pakken: ‘There’s an umbrella / by the door, not for yesterday but for the weather / that’s here.’ Het voelt wat slap om te zeggen, maar de beschrijving van de rellen is me iets te concreet, maar door de herhalingen in het gedicht wordt het zwart op wit meeslepender, luider, waarachtiger. Lezen dus, herlezen.

*

De voorvorige urgente situatie was de klimaatverandering, en met Offills roman zijn we terug bij een eindtijd veeleer dan een omwenteling. De titel wijst op iets wat niet te beïnvloeden is, iets wat je ondergaat, en dat is zowel fysiek (het klimaat) als politiek – in Rankines gedicht heet het ‘I say weather but I mean / a form of governing that deals out death / and names it living. I say weather but I mean / a November that won’t be held off.’

Maar ook je privéleven kan stormachtig zijn, en voor Lizzy, die een hechte band heeft met haar verslaafde broer (een vriendin zegt: ’emotionele verstrengeling’) geldt dat zeker. Eerder brak ze haar promotieonderzoek af om voor hem te zorgen, en nu lijkt het wonderbaarlijk genoeg goed met hem te gaan, én met haar. Ze werkt als bibliothecaris en als assistente van Sylvia, haar voormalige promotiebegeleidster, die wijze dingen zegt over mensen, milieu, economie – en hoe beroerd het allemaal gaat. Als Lizzie een lezing bezoekt, stelt ze vast: ‘Achter haar is een diagram te zien met de vorm van een hockeystick.’ De bizarre temperatuurstijging van de laatste eeuw dus – maar Sylvia kiest voor een menselijker beeldspraak.

‘”Wat het inhoudt om een goed mens te zijn, een fatsoenlijk mens, wordt in crisistijd anders berekend dan onder normale omstandigheden”, zegt ze. Ze klikt een slide tevoorschijn van mensen die aan een meertje zitten te picknicken. Blauwe luchten, groene bomen, witte mensen.’

In coronatijden begrijp je waar het naartoe gaat – afstand! -, maar nee:

‘”Stel, je gaat met een paar vrienden in het park picknicken. Deze handeling is in moreel opzicht natuurlijk neutraal, maar als je een groep kinderen in het meertje ziet verdrinken en je blijft gewoon zitten eten en kletsen, ben je op slag onmenselijk geworden.”‘

Niets is normaal meer, als je een ramp laat gebeuren. Maar wat dan? ‘Die avond zit er een deskundige in de podcast [die Sylvia presenteert – DS] die advies geeft over het overleven van rampen, zowel veroorzaakt door mensen als natuurrampen. Hij zegt dat het een verzinsel is dat mensen in noodgevallen in paniek raken. Tachtig procent verstart gewoon. De hersenen weigeren te registreren wat er gebeurt. Dat is de ongeloofreactie. “Maar degenen die in beweging komen blijven leven”, zegt hij.’

Weersverwachting is een uitwerking van iets wat tussen die twee reacties inzit: verstarring en beweging. Het is een boek in flarden, in fragmenten, anekdotes, inzichten, alinea’s van soms maar twee regels gescheiden door witregels, een verhaal dat af en toe enorme stappen zet (het is ruim tweehonderd pagina’s, maar er zitten geen tijdsaanduidingen in – al zit er een hele zwangerschapsperiode in) en ook af en toe gewoon blijft hangen. Het is een boek als een mens, en net als in Offills eerdere boeken, waar de ramp uitsluitend persoonlijk was, werkt dat geweldig goed. Je denkt: veel wit, lekker doorlezen. Maar zoals dat bij poëzie gaat, vergen Offills alinea’s concentratie.

Ze gaat alle kanten op, en hoewel de weersverwachting niet veel goeds beloofd, is ze soms licht, zelfs geestig, maar vaak raak.

  • Een anekdote, een gesprek met een Iraniër na 9-11: ‘Jouw volk is eindelijk in de geschiedenis beland, zei hij. De rest van ons is daar al.’ (Definieer geschiedenis – maar weinig (witte) Amerikanen zullen zich tot dat moment als slachtoffers hebben beschouwd.)
  • Een halfslachtige affaire met een oorlogscorrespondent die wilderniskampen organiseert.
  • Een zoektocht naar schuilplaatsen voor de apocalyps.
  • Analyses: ‘Na elke ramp volgt een periode waarin de meeste mensen maar wat rondlopen en proberen te achterhalen of het echt een ramp is. Rampenpsychologen gebruiken de term ronddarren [daarvoor]. Dat is wat we nu doen, zegt Sylvia.’
  • Angst voor de tandarts.
  • Weetjes uit de boeken die bij haar in de bibliotheek ingeleverd worden.
  • Twijfels: ‘Hoelang zou het duren voordat hij ontdekte dat ik niet kan houthakken, geen vuur kan maken? Ben is gewend aan mijn niet-poetsen-maar-lullenhouding, maar het heeft lang geduurd om al die welwillendheid bij elkaar te sprokkelen.’

Ik citeer ruimhartig, en ik merk dat dat veel te maken heeft met hoe scherp ik Offill vind, of hoe geestig, niet per se met de taal (‘niet-poetsen-maar-lullenhouding’ is wel een geweldige vondst (van Roos van de Wardt?), ik vraag me af wat daar in het Engels stond) maar wát ze zegt. En met hoe actueel het voelt. Het gaat over het klimaat, over familieverhoudingen, maar ook over de periode-Trump, en op een gegeven moment vraagt Lizzie aan die oorlogscorrespondent: ‘Voelt dit als een land in oorlogs- of in vredestijd. Ik bedoel het half als grapje,
maar hij geeft serieus antwoord. Hij zegt dat het voelt alsof het elk moment kan losbarsten.’

Verstarren we nu? Of darren we rond?

De Geus geeft Weersverwachting uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Ook uit Dr. Hendrik Muller trouwens (Querido).

Jan van Mersbergen: Deon Meyer, Feniks

In een van de eerste hoofdstukken van Feniks van Deon Meyer (vertaald door Jacqueline Caenberghs) gaat het over geïmporteerde spullen, uit Amerika. Ik vond het een rare zin want ik was er op dat moment van overtuigd dat het verhaal zich in Amerika afspeelt, dus waarom dan spullen uit datzelfde land importeren.
Feniks speelt in Zuid-Afrika, en daar heb je alleen erg in als je de Hollandse namen of plaatsnamen tegenkomt. Het boek is heel sterk geschreven en wat wel vaker bij politiethrillers gebeurt: dan maakt mijn lezershoofd de slag: dit moet wel in Amerika spelen.
Zuid-Afrika is niet alleen literair sterk, met Coetzee, Van Niekerk en Gordimer, ook worden er kwalitatief goede thrillers geschreven, met een van de bekendste vertegenwoordigers van dat genre Deon Meyer.
Al jaren laat Deon Meyer zien dat hij zorgvuldig een verhaal op kan bouwen, dat hij zijn karakters erg goed uitwerkt en dat hij overtuigend een puzzel bij elkaar weet te brengen. In dit boek is Mat Joubert de hoofdpersoon, collega van de andere hoofdpersoon die Meyer vaker op laat draven Bennie Griessel. Al op de achterflap staat dat Joubert levensmoe is, en daarin schuilt een groot gevaar. Lezers willen geen hoofdpersoon die niks meer wil. Zelfmoord, als dat het enige is wat een personage nog wil, dan blijft er geen verhaal over, laat staan een spannend verhaal.
Meyer begrijpt dat en laat Joubert nog net voldoende wil in zich hebben, in deze thriller wordt het ‘vuur’ genoemd. De vaak gebruikte term bij schrijflessen is: ‘een strevend personage’. Beginnende schrijvers zullen veelvuldig met die term geworsteld hebben, ervaren schrijvers gaan automatisch met dit gegeven aan de slag. Waar het op neerkomt: een personage moet willen leven.
Mat Joubert heeft twee jaar terug zijn vrouw verloren. Dat sloopt hem, nog steeds. Als hoofdofficier van politie behandelt hij moordzaken, maar hij is niet fit en weinig gemotiveerd. De nieuwe korpschef De Wit wil daar iets aan doen, stuurt erop aan dat Joubert bijvoorbeeld stopt met roken en gaat sporten. Daarnaast is de tienerdochter van de buurman verliefd op hem en vraagt Joubert zich af wat hij daarmee moet. Dat buurmeisje heeft ‘het tere vlammetje van lust aangestoken,’ waardoor Joubert merkt dat hij nog wel iets wil. Hij leeft.
En toch, de dood van zijn vrouw Lara draagt hij met zich mee, bijvoorbeeld als hij van het buurmeisje wegloopt. het is op oudjaarsdag en hij heeft een paar biertjes op.

‘Hij loopt als een vluchteling naar zijn huis, zijn gedachten op zijn bestemming geconcentreerd, niet op wat er achter hem ligt. Het gejuich van het nieuwe jaar klinkt op. Voetzoekers, zelfs een trompet.
Zijn huis. Hij loopt tussen de bomen en struiken, de perken die Lara heeft aangeplant, worstelt met de sleutel, loopt de gang door tot in de slaapkamer. Daar staat het bed waarin hij met Lara sliep. Daar is haar kleerkast, nu leeg. Daar hangt het schilderij dat zij op een vlooienmarkt in Groenpunt heeft gekocht.’

Dat zijn mooie zakelijke zinnetjes die heel secuur vertellen wat er met deze man aan de hand is. Soms is Meyer beeldender, bijvoorbeeld als Joubert in het mortuarium is om een slachtoffer van een moord te bekijken.

‘Lara’s dood heeft zijn muur neergehaald, want hij weet dat zij ook hier heeft gelegen. Beelden, opgediept uit zijn ervaring, hebben geholpen om de scène te reconstrueren. Naakt, op haar rug, schoon en steriel, haar slankheid voor de wereld ontbloot, maar zonder effect.’

Hier benoemt Meyer een beeld dat hoofdpersoon Joubert niet zelf heeft gezien maar dat hij zich voorstelt omdat hij dit wekelijks ziet, en Lara overkwam dit ook.
Weer iets verderop gebruikt Meyer een vergelijking.

‘Hij weet opeens dat hij de afgelopen twee jaar een drenkeling was. Hij dobberde aan het oppervlak van zijn bewustzijn, te bang om in het donkere water te duiken.’

Of het nou beschrijvend is, in gedachten of aan de hand van een vergelijking, Meyer weet het personage van Joubert op al deze manieren diepte te geven die je zelden in thrillers tegenkomt. Meestal hebben de personages een eigenschap, zien ze eruit zoals politiemensen in films eruit zien, de laatste jaren hebben ze vaak een gek trekje of een bizarre hobby, en dat is het dan wel. Joubert is een zeer geslaagd personage, en Meyer weet zijn geestestoestand zelfs expliciet te benoemen, zoals wanneer hij in therapie moet op last van de korpschef, want hij is al een tijde in de war en moet hier zelf over nadenken, en nog past dit in zijn sterke proza.

‘De hemel weet dat zijn hoofd in de war was. Was? Kan iemand zijn eigen geestestoestand correct beoordelen? Hoe normaal was hij toen hij bij Macassar naar drie verbrande lijken keek en hun stem in zijn oren kon horen? De hoge, schrille oergil die de geest uitschreeuwt wanneer hij het lichaam tegen zijn zin moet verlaten; zijn volume versterkt door de schreeuw van het vlees tegen de pijn van de vuurdood, van iedere pijnreceptor die door de intense hitte wordt verzwolgen.
Is dit normaal?’

En iedere lezer begrijpt zijn gemoedstoestand, die ver heen is, en toch invoelbaar en te begrijpen. Dus je leeft het gehele boek met Joubert mee.
Als Joubert gaat zwemmen, bij een zwemgroepje dat de businessclub wordt genoemd, laat Meyer subtiel zien dat hij wat dikker is geworden:

‘Hij is het enige lid van de businessclub die zaterdagochtend. De kleedkamer is stil en leeg. Hij kan het pompen van het zwembad buiten horen. Hij trekt zijn Speedo aan en merkt dat die te krap zit. Hij moet vanmorgen nog een andere gaan kopen. Hij loopt door het pierenbad en de geuren en geluiden woelen herinneringen los, brokstukken uit zijn jeugd. Het voelt goed aan om hier terug te zijn.
Het water strekt zich rimpelloos oor hem uit. Hij duikt erin en begint te zwemmen, vrije slag. Na dertig meter is hij uitgeput.’

Er zijn moorden, er zijn bankroven, maar ik lees een erg sterk boek over een man die toevallig politieman lijkt. Ik lees thrillers vaak niet om de spanning, om de angst, om de horror, dat zijn vaak erg opgeklopte elementen en ook vaak nog heel beroerd opgeschreven. De Vrij Nederland Detective & Thrillergids staat ook dit jaar weer vol thrillers waarin het om die lege spanning gaat, en waarin de lezer struikelt over erbarmelijke zinnen, platte personages en een hijgerige toon.
Feniks is een beetje thriller, het is veel meer een roman over verlies. Dat is al spannend genoeg.
Mat Joubert is een verliezer, hij weet het.

‘Misschien heeft De Wit het bij het rechte eind. Misschien is hij een verliezer. Het tegenwicht voor voorspoed. Misschien is hij een vuilnisbelt van de goden, waar alle donkere gedachten en ervaringen, tegenspoed en ongeluk als kernafval worden begraven. Geprogrammeerd om als een spons de schaduwen op te zuigen opdat er licht zou zijn. De Dood, dit grote roofdier, volgt het bloedspoor van Mat Joubert met kwijl dat van zijn slagtanden druipt en in de zwarte aarde verdwijnt. Opdat de mensheid vrij zal zijn.’

Ik hou van proza dat vertellend, beeldend, metaforisch en tegelijk spannend en eenvoudig is en toch lagen raakt die je als lezer niet zo snel voor je ziet maar wel opgeroepen worden. Cormac McCarthy kan dat, tijdens het lezen van deze thriller van Deon Meyer moest ik vaak aan McCarthy denken, die de beelden soms ook over elkaar heen laat tuimelen maar altijd controle houdt.
Na honderdvijftig bladzijden worden de moorden en bankroven aan elkaar gelinkt, komen er meer verdachten, kortere passages, en zoals dat in een thriller hoort gaat het tempo omhoog en wordt het raadsel opgelost. Ondertussen probeert Joubert aan zijn gezondheid te werken, eet hij groenten en fruit, gaat meer en meer baantjes zwemmen, bouwt hij een boekenkast voor de science-fictionpockets die hij leest en wordt hij verliefd. Hij ontdekt: hij wil nog heel graag leven.
Ontwikkeling van personage gaat samen met het oplossen van de misdaden. Bekenden van de slachtoffers maken een netwerk en de oplossing komt dichter en dichterbij.
Feniks is een voorbeeld van een geslaagde literaire thriller. Straks is het juli en zomervakantie, voor die tijd schaf ik alvast nog een paar Deon Meyers aan. Dan heb ik de zekerheid van een geslaagde leeszomer.

A.W. Bruna gaf Feniks uit.

Run the Jewels, Teju Cole, Chinua Achebe: de redactie las antiracistische en Afrikaanse literatuur, indringende hiphopteksen, pijnlijke vragen en wrange clichés, en een ijzersterke klassieker uit Nigeria.

*

Thomas Heerma van Voss: Run the Jewels, RTJ4

Elk genre heeft te maken met vooroordelen, binnen en buiten de muziek, maar rondom hiphop lijken de vooroordelen vaak net iets hardnekkiger dan elders. Dat valt deels te begrijpen: er verschijnt nu eenmaal veel nogal prominente én oppervlakkige hiphop, die hoofdzakelijk draait om geld, vrouwen en feesten en die ook nog eens tientallen miljoenen keren wordt gestreamd. Wie alleen gelikte snippers van Lil Kleine of van Drake hoort, zal het lastig vinden om in hiphop het genre te zien dat regelmatig ‘poëzie van de straat’ is genoemd en dat door de legendarische rapper Chuck D (van de groep Public Enemy) ‘the black CNN’ werd gedoopt.

In deze weken waarin Black Lives Matter prominenter is dan ooit tevoren, en waarin de beweging via de ene overtuigende demonstratie na de andere van zich laat horen, wordt voor mij de kracht van hiphop weer eens onderstreept. In Nederland is er veel te doen om Akwasi, al jaren een van de slimste, meest betrokken rappers die we hebben. Helaas wordt er meer gesproken over hoe hij zijn boodschap op de Dam verkondigde – en over één citaat dat al vaak genoeg is aangehaald – dan over het racistische systeem dat hij benoemde. (Waarom gaat het niet net zo veel of zelfs veel meer over de mensen die hem bij Veronica Inside herhaaldelijk de ‘verbindpiet’ noemden en juist een deel van het probleem illustreerden?) Te midden van alle commotie nam hij ook nog het half gezongen en half gerapte nummer Geen wedstrijd op, waarin hij sterk spreekt over zijn positie als achtergestelde zwarte jongere in Nederland: ‘We komen van een achterstand / En uit een achterstandswijk / Want ze willen dat die achterstand blijft.’

Nog meer indruk maakte het ook net verschenen album RTJ4 van Run the Jewels, een Amerikaans duo bestaande uit El-P en Killer Mike. Mike, een Afro-Amerikaanse veertiger uit Atlanta, zoon van een politieagent, laat zich vaak van zijn activistische kant zien. Zo spande hij zich actief in voor de Bernie Sanders-campagne en hield hij na de moord op George Floyd een aangrijpende, viral toespraak over zijn woede (Youtube) rondom het politiegeweld. Nog krachtiger is het nummer Walking through the snow, dat pal daarop verscheen en waarop hij ingaat op de kwalijke wijze waarop zenders als Fox News werken, op de geestdodende patronen van stelselmatige onderdrukking:

The way I see it, you’re probably freest from the ages one to four 
Around the age of five you’re shipped away for your body to be stored
They promise education, but really they give you tests and scores
And they predictin’ prison population by who scoring the lowest
And usually the lowest scores the poorest and they look like me
And every day on the evening news, they feed you fear for fre
And you so numb, you watch the cops choke out a man like me
Until my voice goes from a shriek to whisper, ‘I can’t breathe’

Het heeft altijd iets geks om rapteksten zo uit te schrijven, omdat ze zijn geschreven om hardop te horen, en omdat – zeker bij Killer Mike, een bijzonder bevlogen rapper – een deel van de kracht zit in de manier waarop ze worden uitgesproken. Maar ook op papier is dit een indringend fragment, des te meer omdat het niet geschreven is naar aanleiding van de actualiteit: het nummer was al ruim voor de dood van George Floyd opgenomen. Oftewel: dit is geen modieuze gril, maar een persoonlijke hartenkreet. Dat Floyds ‘I can’t breathe’ hier woordelijk terugkomt is geen gek toeval, maar dat komt omdat andere Afro-Amerikanen vóór hem al zijn gestorven bij het uitspreken van dat ene zinnetje (denk aan de dood van Eric Garner).

Natuurlijk ben ik zelf een buitenstaander bij veel van wat zich nu afspeelt, ik heb de luxe om weg te kunnen kijken wanneer ik wil, volgens sommigen zal ik als witte man al snel verdacht zijn. Maar via hiphopmuziek kom ik in deze weken, meer dan via romans of poëzie, wel enigszins in de buurt van wat zich allemaal afspeelt, en de pijn die daar achter schuilgaat.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, Open stad en Vertrouwde en vreemde dingen

De eerste reflex is herlezen. Een secundaire reflex. Maar een vertrouwde: ik heb in mijn leven zelden actie gevoerd, en als witte man heb ik geen eerste recht van spreken. Hierna komt het nieuwe lezen (Abdelkader Benali’s essay De vreemdeling ligt klaar, ik verwacht Mijn ontelbare identiteiten van Sinan Çankaya deze week met de post) en het alsnog lezen (Wekker, Essed, De Kom, Nzume). En daarna: wat kunnen we als tijdschrift betekenen.

Maar nu herlees ik stukken uit de romans en essays van Teju Cole. In 2012 schreef ik over Open stad (Open City, vertaling Paul van der Lecq), zijn Amerikaanse debuut (zijn Nigeriaanse debuut werd daarna heruitgebracht) voor NRC Handelsblad en ook voor De Revisor. Mijn herinneringen eraan waren vervaagd, maar het boek trok me aan door de stijl, met lange geschakelde zinnen, door de eruditie en de eenzaamheid van de hoofdpersoon, een jonge Afrikaanse arts-assistent psychiatrie, en door de thema’s die hij al wandelend en peinzend aansnijdt, de met bloed doortrokken geschiedenis van New York bijvoorbeeld. De depressie van de hoofdpersoon heeft een morele achtergrond, hij verzwijgt iets, hij zit met iets – dat is ook sterk. Maar ik was vergeten dat er een Brussels deel is, dat een Arabische component toevoegt aan de zwart-witte lijn in de roman, en er was één passage die ik maar niet kon terugvinden, maar die qua toon en sfeer heel treffend is. Ja, hier:

‘Die middag, waarin ik steeds in en uit mezelf glipte, waarin tijd een rekbaar begrip werd en stemmen uit het verleden doordrongen tot in het heden, leek het centrum van de stad in de greep van een oproer uit vroeger tijden. Ik was bang verzeild te raken in rellen die gericht leken tegen de dienstplicht. Ik zag alleen mannen en zij haastten zich onder kale bomen door, weken uit voor het omgevallen dranghek waar ik bij in de buurt stond en een eindje verder voor andere. Zo’n tweehonderd meter verderop in de straat vond een soort knokpartij plaats, vreemd genoeg ook al geruisloos, en toen het opeengepakte kluitje mannen uiteenging, kwamen twee ruziemakers in beeld die met elkaar op de vuist wilden, maar uit elkaar werden getrokken. Wat ik daarna zag, joeg me de stuipen op het lijf: verder weg, voorbij de apathische menigte, bungelde het lijk van een gelynchte man aan een boom. Het was een tengere gestalte die geen licht reflecteerde, van top tot teen in het zwart. Maar al snel veranderde hij in iets minder onheilspellends: een donkere doek aan een bouwsteiger, wervelend op de wind.’

Lange zinnen, vage emoties en observaties, geen geluid maar wel veel associatie – het roept rumoer op, en rellen, en duisternis. En toch begint het boek heel rustig, nieuwsgierig, met oog voor detail. Cole schreef ook essays en recensies, die samengebracht werden in Vertrouwde en vreemde dingen, in de vertaling van Ton Heuvelmans, René Kurpershoek, Van der Lecq, Hien Montijn en Menno Grootveld. In het kader van #withuiswerk is ‘Het zwarte lichaam’ (‘Black Body’ ook in The New Yorker), Coles essay over James Baldwin in Zwitserland en white supremacy en Afrikaanse kunst, een aanrader. Cole reist zelf naar Baldwins schrijfdorp toe, en bekijkt de Verenigde Staten vanuit een Europees en wit perspectief. Het is het openingsessay, en het eindigt zo:

‘“Mensen die hun ogen sluiten voor de werkelijkheid roepen hun eigen vernietiging over zich af, en iedereen die vasthoudt aan een staat van onwetendheid, lang nadat die onwetendheid dood is gegaan, maakt van zichzelf een monster.” Het nieuws van de dag (oud nieuws, maar rauw als een vleeswond) is dat het leven van zwarte Amerikanen vanuit het oogpunt van de politie, de rechterlijke macht, het economisch beleid en talloze vreselijke vormen van onachtzaamheid nog steeds niets waard is. Er wordt een beroep gedaan op onwetendheid, maar er is feitelijk geen onwetendheid meer mogelijk. De morele wijzer staat nog steeds zo ver in het rood dat we ons niet eens kunnen buigen over de kwestie van schadevergoeding. Baldwin schreef Stranger in the Village ruim zestig jaar geleden. Wat nu?’

Die slotwoorden zijn hamerslagen, een vraag na zoveel pijnlijke feitelijkheid. Wrang geestig daarnaast is ‘In plaats van te denken’ (‘In Place of Thought’), waarin Cole een alfabetische opsomming van clichés maakt. Wrang, geestig, raak:

‘afrika. Een land. Arm maar gelukkig. In ontwikkeling. amandel. Ogen zijn altijd amandelvormig. ambachtsman. Een timmerman uit Brooklyn. american. Met het voorvoegsel “all” verwijzend naar een blonde vrouw. […] chocolade. Term ter omschrijving van de huidskleur van een zwarte vrouw. Andere betekenissen onbekend. […] diversiteit. Lovenswaardig, natuurlijk, binnen zekere grenzen. Vertel over het werk dat je hebt verricht voor het Peace Corps. […] fascisme. Altijd laten voorafgaan door “sluipend”. feministen. Fantastisch, in principe. gemeenschap. Dient vooraf te worden gegaan door “zwarte”. Blanken moeten het bij gebrek aan gemeenschap van hun eigendommen hebben. […] karamel. Term ter omschrijving van de huidskleur van een zwarte vrouw. Andere betekenissen onbekend. kinderen. De enige rechtvaardiging voor welk beleid dan ook. Verwijs altijd naar “onze kinderen”. Mensen zonder kinderen hebben geen belang bij het verbeteren van de samenleving.’

Etcetera: een gentle reminder dat taal niet onschuldig is. Overigens geldt ook voor anti-racistische teksten, dat kinderen belangrijk zijn (Baldwin, Coates) – en niet onterecht, denk ik als ouder, maar misschien spreken ze me wel extra aan vanwege het mechanisme dat Cole beschrijft. Vertrouwde en vreemde dingen is veel meer dan deze twee stukken, het sterke is dat – net als in Open stad – kleur en antiracisme even vaak de kern als een bijkomstigheid zijn in mooie en doordachte essays over kunst en maatschappij. Dat zegt iets over Cole, een zwarte schrijver, maar net zozeer over kunst en maatschappij: systemisch racisme bestaat, en of het je raakt of niet, of je het dagelijks ziet of niet: blanco kun je niet meer zijn.

De Bezige Bij geeft de boeken van Teju Cole uit.

Jan van Mersbergen, Chinua Achebe, Een zoon van zijn volk

De afgelopen week heeft mijn voornemen om uit ieder Afrikaans land een roman te lezen een andere wending gekregen, een kleur vooral. Nu Black Lives Matter trending is zal ieder boek dat ik over Afrika lees gaan over de roots van zwarten. Voor het lezen maakt het niet veel uit. Proberen Afrika te begrijpen is geen trend, het is iets dat iedereen aan te raden is, om de kwaliteit van de boeken, om de diepte van het continent en de verdieping die het je schenkt.
In de jaren tachtig, een tijd die ik me nog wel herinner maar inmiddels steeds verder en verder weg is, gaf uitgeverij In de Knipscheer een uitgebreide reeks romans uit die de Afrikaanse bibliotheek heet, een uitkomst voor lezers die dit complete continent willen lezen.

Naast Wole Soyinka kende ik geen Nigeriaanse schrijvers, tot ik in de Afrikaanse bibliotheek een boek van Chinua Achebe tegenkwam dat overal veel waardering oogstte en door Anthony Burgess gerangschikt werd onder de 99 beste Engelse romans sinds 1939: Een zoon van zijn volk (vertaald door Paul Dirken). Het is een zeer soepel verteld verhaal over politiek en macht in Nigeria.
Aan het woord is Odili Samalu, die aanvankelijk nog leraar is, een onbeduidend baantje, tot een oud-leraar de school bezoekt die inmiddels opgeklommen is tot minister van Cultuur: Nanga. In cultuur heeft hij amper interesse, hij weet niks van de beroemdste roman die in Nigeria ooit verschenen is, The Song of the Black Bird, maar heeft wel voldoende charisma en handigheid om zich in de politiek staande te houden.
Manga nodigt Samalu uit op zijn verblijf, hij schijnt kans te maken op een studiebeurs, en zo kan de verteller me meenemen achter de schermen van de politiek in het Nigeria van de jaren zestig.
Achebe weet hoe je een verhaal moet vertellen en welke afstanden er tussen schrijver, verteller en lezer bestaan. Zo vertelt Samalu over Elsie:

‘Waar moet ik beginnen over haar te vertellen? De moeilijkheid met het schrijven van dit soort verhalen is dat de schrijver beschikt over alle mogelijke kennis achteraf, wat niet het geval was toen de oorspronkelijke gebeurtenissen plaatsvonden. Wanneer hij een figuur als bij voorbeeld Elsie introduceert, heeft hij is zijn achterhoofd al een totaalbeeld van haar; haar opkomst, haar rol en haar verdwijnen van het toneel. En dit heeft de neiging zelfs de eerste woorden die hij schrijft een bepaalde kleur te verlenen. Ik kan alleen maar hopen dat het bewustzijn van dit gevaar me erin heeft doen slagen het op een afstand te houden.’

Heel slim: een schrijver die geen schrijver opvoert die zit te dubben en piekeren over zijn boek, maar een schrijver die weet dat wanneer hij over een vrouw vertelt hij de gehele geschiedenis kent, en die ook weet dat hij moet doseren. De lezer kent Elsie nog niet. Daarom vertelt Samalu in het vervolg op zijn gemak over deze vrouw, het enige meisje waarmee hij nog dezelfde dag waarop hij haar leerde kennen naar bed is geweest – en wel binnen een uur.
Die informatie zegt meer over de mooie vertelwijze van Samalu dan de interessante beschouwing over schrijven, dus lezers hoeven niet bang te zijn dat dit een roman is over het schrijven van een roman. Slechts zelden komt Achebe daarop terug, zoals aan het begin van hoofdstuk zes: ‘Ieder die dit verhaal nauwkeurig heeft gevolgd, zal zich stellig afvragen wat er van Elsie geworden is…’
Af en toe een speldenprikje over hoe je vertelt, schrijft en leest, alleen als extraatje voor de schrijver die graag boeken leest waarin andere schrijvers daar bewust mee spelen.
Een zoon van zijn volk is vooral een roman die laat zien hoe in een Afrikaans land als Nigeria een andere modus heerst, hoe de logica anders is dan die bij ons, zonder dat tot een onoverbrugbare afstand of onderwerp te maken, en dat is knap.
Ik lees niet over folklore, ik lees op welke manier gedachten en cultuur het dagelijks leven bepalen.

‘Maar dat overkomt mij dikwijls: een erg onzinnige gedachte of een vulgair melodietjes, dat ik me gewoonlijk zou schamen te fluiten waar anderen bij zijn, zoals die radiodreun die een middel om lintwormen te verdwijnen aanprijst, komt in me op en blijft me achtervolgen.’

Ik denk dat iedereen zich zo’n liedje voor kan stellen, reclame werkt zo, maar reclame voor een anti-lintwormenmiddel vertelt net even wat meer over de plaats waar dit verhaal speelt. Bovendien is het grappig.
De minister vraagt een nieuwe kok of hij een beetje kan koken. Hij eet het liefst de Afrikaanse keuken, maar de nieuwe kok wil Europees koken: nierragoût, kippepuree en cake omelette. Daar zit een verfijnd idee achter dat terug gaat naar de basale man-vrouwverhoudingen, want koken is een beroep, maar:

‘Zolang een man zich beperkte tot het klaarmaken van buitenlandse hapjes, kon hij de behaaglijke illusie blijven koesteren dat hij zich niet echt inliet met een zo onmanlijke bezigheid als koken.’

De man-vrouwverhoudingen komen veelvuldig terug in de vermakelijke passages op het ministerie. Als er na een lange reis een nieuwe vrouw verschijnt:
‘Ik vond haar in onverfriste staat knap genoeg en dacht aan een grappig gezegde in mijn dorp over een bepaalde vrouw wier dochter om haar schoonheid geprezen werd en die zei: U hebt haar nog niet gezien; wacht maar tot ze in bad is geweest.’
De Amerikaanse vrouw kent de gebruiken van Afrika, want als ze met de verteller gaat dansen:
‘Onder het dansen deed ik snel wat psychologie op. Klaarblijkelijk was het Jean onder het praten aan tafel opgevallen dat ik met mijn benen zat te trillen, wat betekende dat ik dringend met een of andere vrouw naar bed wilde.’
Bijzonder geestige redenering, die vooral gemaakt wordt door de woordjes ‘dringend’ en ‘een of andere’, wat verraadt hoe hoog de nood is en hoe weinig kieskeurig een man met een trillend been nog hoeft te zijn.
Bij een boektentoonstelling, niemand weet precies wat dat is maar de minister van Cultuur moet de opening verrichten, is een opvallende man aanwezig, vanwege zijn kleren:
‘Zijn gewaad was gemaakt van een of ander duur uitziende, Europese wollen stof – wat in die dagen niet zo heel vreemd was. Maar wat me verbaasde was, dat de kleermaker de smalle, gele zelfkant van de stof had laten zitten, waarop de fabrikant onafgebroken met duidelijke zwarte letters adviseerde: 100% WOOL: MADE IN ENGLAND. Hij had deze reclame als extra versiering op beide mouwen gebruikt. Eens te meer trof het me hoe eindeloos vindingrijk men bij ons is, vooral waar het kleren betreft.’
Let wel, dit is bijna vijfenvijftig jaar geleden geschreven, toen er nog geen exposities in Europa waren die laten zien hoe vindingrijk ze in Afrika met kleding zijn. Achebe kijkt van binnenuit naar zijn land, en hij kijkt scherp, dat is alles.

Naast de grap en de schets laat Achebe ook een diepgravende Afrikaanse logica zien, zoals de passage over troost:

‘Als men bij ons een vrouw gaat troosten wier baby bij de geboorte of spoedig daarna is overleden, zegt men haar dat ze haar tranen moet drogen, omdat het beter is dat het water wegloopt dan dat de kan breekt. Dat is gebaseerd op de gedachte dat je met een kan weer naar de rivier terug kunt gaan.’

Zo duidelijk geredeneerd over verdriet, dat zie je in het Westen zelden. Daar is de basis van literatuur juist het onvermogen met verdriet om te gaan. Tranen worden gedroogd, maar alleen om weer verder te kunnen. De knop moet om. Achebe voedt zijn verhaal met een volstrekt natuurlijke en sterke gedachtegang, die voor mij bij de logica van Afrika hoort.
Op verschillende momenten bouwt Achebe dat uit. De staat van zijn land is pril, kwetsbaar, gevaarlijk kwetsbaar zelfs. Hij vindt een mooie metafoor:

‘Iemand die juist uit de regen is binnengekomen, zich gedroogd heeft en droge kleren heeft aangetrokken zal minder zin hebben om weer naar buiten te gaan dan iemand die steeds binnen is geweest. De moeilijkheid met onze nieuwe natie was – zoals ik het toen zag, liggend in bed – dat niemand van ons lang genoeg binnen had gezeten om te kunnen zeggen: Wat kan het mij ook verdommen.’

Opeens begrijpt de lezer Afrika.
Een Amerikaans echtpaar duikt op in de roman, een flirterige vrouw en een man die stelt dat Amerika niet volmaakt is, ‘maar vergeet niet dat wij het enige machtige land in de hele wereldgeschiedenis zijn, het enige dat de kracht had anderen te veroveren maar dit niet deed.’
Dat laat Achebe voelen: de macht van Amerika en hoe dat voor een doodgewone Nigeriaan is. Amerika, het land waar wit en zwart zo veel meer vermengd zijn, maar daar heeft Achebe het niet over. Amerika is een grootmacht die zich bekommert om staten in Afrika.
De man geeft in een heel klein tussenzinnetje nog even een beeld van de geschiedenis en de zwarte bevolking in Amerika. Hij ziet geen wanhoop en stelt dat we moeten doorzetten, niet verslappen:

‘We moeten niet weer slapend op de zweep worden aangetroffen.’

Natuurlijk is dat het zinnetje waar de hele buitenlandse verhoudingen om draaien, en tegelijk vertelt het dat deze Amerikaan zelf zwart is, dat hij zijn geschiedenis in Amerika kent, en dat hij een rol heeft in Nigeria.
Niet verslappen, niet gaan slapen op de schijnveiligheid van een werkloze zweep waarop je een dutje kunt doen. Een geweldig sterk beeld.

Halverwege de roman slaat de verteller een andere weg in. De minister heeft hem een poets gebakken, en wat nu?
De hoofdpersoon komt in verzet, maar op een subtiele manier.
Een zoon van zijn volk is niet voor niets een zeer goed gewaardeerde Afrikaanse roman, een boek dat verder uitnodigt om over Afrika te lezen, al is het wel moeilijk selecteren, want niet iedere roman kan zo goed zijn als deze – dat is het enige nadeel van een ijzersterk boek: alles wat daarna komt zal dit boek moeilijk overtreffen.

Een zoon van zijn volk is nog verkrijgbaar via Boekwinkeltjes.nl.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdag een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Daniël Vis.



1.

er is een worp waarmee het net zich

spreidt,

tot zijn volledige omvang spreidt

voor het 

het water raakt. een worp


die in het net besloten ligt,

in het woord dat we gebruiken.



2.

de betekenissen worden telkens weer geboren,

                incarneren,

deze biografieën dwingen ons – 

                in de vorm

is mijn geslacht een wapen, 

in de taal is dat van jou

de plek waar het wapen rust – 

rust het mes in de getroffene?

wat ik vraag is:

bedoelen we ‘een wond’?



3.

ons vlees wordt wakker

in de woorden,

onvolledig,

hoe vaak keren we hierop terug? 

dat de randen van het net

het water raken, even 

in het zicht, gespreid,

en zinken,

zich onder water naar elkaar bewegen. 




Over de dichter:
Daniël Vis (1988) woont in Utrecht, waar hij filosofie studeerde. Als dichter staat hij met
regelmaat op podia in binnen- en buitenland. In 2014 won hij het NK Poetry Slam.
Werk van hem werd gepubliceerd in onder meer Tirade, Het Liegend Konijn, Kluger
Hans en Das Magazin. Hij debuteerde met Crowdsurfen op laag water (2014), zijn tweede
bundel Insect Redux (2018) werd genomineerd voor de J.C. Bloempoëzieprijs.
Zijn meest recente bundel, Het weefsel, verscheen in 2020.

Wat is de rol van een literairt tijdschrift in de anti-racisme beweging? We zijn in gesprek en werken eraan. Misschien is het simpelweg: veel lezen, erkennen, schrijven en een podium bieden. Vandaag herlezen we Daan Stoffelsens stuk over Teju Cole.

*

Hij is geestig, intelligent, fel: de gedroomde publieke intellectueel. Ik schudde vrijdagmiddag in Spui25 Teju Cole’s hand, en luisterde. Over racisme, over de ondervertegenwoordiging van vrouwen, over smaak en cultuur, over hoe je over de tactics van zwarte activisten van mening kunt verschillen en over white privilege / supremacy. Interessant, maar ook ongemakkelijk. En ongemak leidde, bij mij althans, tot een gevoel van onmacht. Ik heb er al wel over geschreven, maar mijn macht is beperkt tot lezen, kijken, schrijven. Wel leerde ik, die middag en avond, dat verder kijken dan je neus lang is, kan helpen. Bij dezen: welke nieuwe (literaire) stemmen moet ik lezen, welke moeten een podium krijgen in De Revisor? [In 2016 werd voor de beste inzending de fles rode wijn in het vooruitzicht gesteld die Stoffelsen kreeg voor zijn praatje. – red.]

(Plus: mijn praatje en zeven aantekeningen.)

  1. Coles Spui25-lezing was ijzersterk (hij is hier terug te kijken en terug te lezen bij De Groene Amsterdammer). Hij gaf zijn eigen interpretatie bij een prachtig koningsmasker uit Ife (hedendaags Nigeria), beschreef de eurocentrische receptie ervan, Bellows uitspraken over de ‘Tolstoy of the Zulu’s’, diens uitspraken in zijn Nobelprijsrede, en toonde zich in het slot evenzeer activist als kunsthistoricus. Dat is de mildere Cole, die ook in Nooit meer slapen geïnterviewd werd. Deze week in De Groene Amsterdammer. Zie ook mijn recensies van Coles boeken, fragmenten en vertalerstoelichting bij Athenaeum.nl.
  2. Voor het gesprek met Stephan Sanders volstaat het mijn praatje hieronder en dat van Quinsy Gario na elkaar te lezen; het ging bij hem alleen over Coles essay ‘Black Body’ (alsof er geen lezing was geweest, alsof Vertrouwde en vreemde dingen niet vijftig essays bevat), en, na een ingreep van een goed geïnformeerde Cole, over racisme in Nederland.
  3. Gario’s kritiek is zinnig, en werd bevlogen uitgesproken, al geloof ik dat ik blij ben dat De Groene Amsterdammer het oneens met zichzelf kan zijn.
  4. Net als Gario werd ik niet betaald voor mijn verhaal, het was ‘free intellectual labor’ met de kans een idool te ontmoeten en zichtbaar te zijn in een relevant netwerk. Maar de kwestie dat de culturele en journalistieke infrastructuur jonge makers en stagiaires slecht of niet betaalt is hoogstens complementair aan Gario’s klacht dat zwarte makers geen plek krijgen in die infrastructuur – het doet er niet aan af. Het gaat niet om Gario of Stoffelsen, maar om het feit dat er al heel veel witte mannen beeld- en woordbepalend zijn.
  5. Inderdaad, mannen. Schuldig. Maar we werken eraan.

    Luister naar De Revisor

    Programma’s van De Revisor

    Archief