Nieuw proza op DeRevisor.nl: lees Martijn van Liths ‘Het eiland’, een scène uit een jeugd. Zomers en droevig.

*

We dronken ananasbreezers, die eindeloze snikhete zomer dat Merel doodging. Elke dag fietsten we naar het eiland dat eigenlijk geen eiland was, maar met een smal bruggetje aan het vasteland vastzat. Zij altijd voorop, op die knalrode fiets met balletjes in de spaken. Handen los, tot aan het bruggetje altijd de handen los. Raoul en ik er een stukje achter – kletsend, lachend, kijkend. Het bandje van haar spaghettishirt, de moedervlekken die ik soms probeerde te tellen als Raoul met één hand aan zijn fiets een peuk uit zijn broekzak graaide. Van zijn broer gejat.
Op het eiland lieten we onze fietsen en onszelf in het gras vallen. Daar lagen we, te kijken naar de luchten, de koeien, het water. Merel praatte, wij luisterden. Gaven haar antwoord wanneer ze iets vroeg. Lachten wanneer ze een grap maakte. Bloosden wanneer ze wilde weten hoe vaak we ons aftrokken. Aan het eind van zo’n middag fietsten we elk onze eigen weg naar huis. We aten, sliepen en wachtten tot het weer tijd was om naar het eiland te gaan.

*

De laatste vrijdag van de vakantie, Raoul is er niet. Zijn moeder zegt dat hij morgen weer komt. Ik fiets door naar het huis van Merel.
‘Jammer’, zegt ze.
We fietsen naast elkaar. Op haar gezicht heeft ze geen moedervlekken.
‘Wat kijk je?’
Ik kijk weg.

We liggen al een tijdje in het gras als Merel opstaat. Zonder waarschuwing trekt ze haar T-shirt uit, dan haar broek.
‘Ik ga zwemmen. Ga je mee?’
Ik durf nauwelijks haar kant op te kijken. Een zwembroek heb ik niet bij me.
Ze lacht, trekt een sprint naar het strandje en loopt zo het water in. Even houdt ze haar pas in, dan stort ze zich voorover in de plas. Ze strijkt door haar blonde haar dat nu donkerder is en zwaait naar me. Merel, in haar ondergoed, zwaaiend naar mij. Wachtend op mij.
En ik blijf zitten.

Samen drinken we de breezers leeg die ze in een Albert Heijn-tas heeft meegenomen.
‘Ik ben een beetje verkouden,’ zeg ik. ‘En ik heb ook geen zwembroek bij me.’
Ze lacht. ‘Het is goed, hoor.’ Is ze vrolijker dan anders?
Na twee flesjes komt ze wat dichter bij me zitten. Haar T-shirt en broek heeft ze weer aangetrokken. Ze legt haar hoofd tegen mijn schouder, haar blonde haar is weer bijna blond. Ik strijk erdoorheen, zachtjes. Ze kijkt op en glimlacht. Dan sluit ze haar ogen.
Maandag begint het nieuwe schooljaar.

*

De volgende dag ben ik weer op het eiland, met Raoul. Merel is bij haar oma op de camping twee dorpen verder.
We liggen in het gras, nu met z’n tweeën. Raoul haalt een draagbare cd-speler uit zijn moeders fietstas. Pioneer, staat erop. We hebben één cd: Blink 182, Enema of the State. Een blonde verpleegster in een kort jurkje met een grote spuit in haar hand.
‘Lekker wijf, toch?’ Hij geeft me een stomp.
‘Zeker. Ja, man.’
Blink 182, heel die eindeloze stikhete zomerdag lang uit de boxen van die ouwe Pioneer, tot de ananas onze neuzen uitkomt en we rozig onze fietsen pakken.
Ik krijg de mijne niet van het slot, gooi hem boos op de grond en laat me opnieuw in het gras vallen. Raoul schudt zijn hoofd, pakt mijn fiets op en draait in een soepele beweging het slot open. Hij zet de fiets op de standaard en maakt een buiging. Ik knijp hem in zijn arm, die stevig aanvoelt.
Morgen begint het nieuwe schooljaar.

*

‘Heb je lekker geslapen?’ vraagt mijn moeder. Ik knik. Mijn vader is aan het bellen. Hij zegt dat ik er zal zijn, dat Raoul mee kan rijden. Zijn zinnen klinken ingestudeerd. Mijn moeder schenkt thee voor me in en vraagt nog een keer of ik goed heb geslapen.
‘Mam, is er iets?’
Ze kijkt naar buiten en blijft het zakje in mijn thee dompelen tot het koffie wordt.
‘Mam. Wat is er?’
Ze kijkt eerst naar mijn vader, die knikt, en dan naar mij.
‘Ga even zitten, schat. Er is iets gebeurd. Iets ergs.’

*

We komen op school aan, waar iedereen normaal doet. Alleen Raoul en ik weten er nog van. En Fieke waarschijnlijk, het enige meisje uit haar klas waar ze mee kan opschieten. Daar komt ze het plein op lopen. Raoul zegt dat haar tieten groter zijn geworden in de vakantie. Ik geef hem een stomp. We lopen het lokaal in, waar meneer Heinz al klaarstaat. Onze  mentor. Voor hem op het bureau staat een doos tissues van Euroshopper.
Heinz wipt heen en weer op zijn brede Mephisto-schoenen en plukt aan het zakje van zijn bruine geruite overhemd, dat aan het eind van iedere schooldag vol zit met krijtvlekken. Hij wacht tot iedereen een plek heeft gevonden en kucht. Naast hem staat een vrouw die hij voorstelt als ‘de vertrouwenspersoon’. Een vrouw met kort haar en een fleecetrui, die we weleens door school zien lopen. Om de een of andere reden noemen we haar altijd Wim. Ik kijk naar Raoul, maar hij zit met zijn hoofd naar beneden.
Heinz neemt het woord. Hij laat steeds een pauze vallen voor het woord ‘dood’, alsof hij nog op een beter te aanvaarden synoniem wacht. De klas is stilgevallen, leerlingen kijken elkaar verbaasd aan. Heinz kijkt rond en knikt naar Wim.
Ze doet een paar stappen naar voren. We moeten weten dat haar deur altijd voor ons openstaat. Dat het niet raar is om hulp te vragen. Haar trui, de haren die ik er vanaf de achterste rij op zie liggen, de serieuze blik: ze nodigen niet uit tot een warme omhelzing, maar misschien kan ze heel goed luisteren.
Heinz vraagt of er nog vragen zijn.
Stilte. Tranen.
Fieke loopt de klas uit, Wim erachteraan.
Raoul en ik kijken elkaar aan. Hij slaat zijn arm om mijn schouders en ik probeer te glimlachen.

*

Het kerkje propvol. Tot aan het hek met de leeuwen staan mensen onder paraplu’s. Ik zie Merels oma, bij wie we vroeger weleens pannenkoeken hebben gegeten. We maakten er een wedstrijd van en ik won. Een halve emmer kots en eeuwige roem. Oma heeft een doorzichtige paraplu in haar hand. Ze ziet me en glimlacht. Oma pannenkoek.
Haar moeder spreekt. Haar moeder breekt. Er klinkt trage, dromerige muziek die Merel ‘werkelijk prachtig had gevonden’. Ik kijk opzij, Raoul haalt zijn schouders op. Het kan. Bij ons luisterde ze naar Slipknot en Korn; riep ‘pussymuziek’ wanneer wij Green Day opzetten, maar natuurlijk, het kan.
Na een stukje Mahler dat Merel ook ‘schitterend had gevonden’, is het de beurt aan een meisje dat ik niet ken. Ze heet Sophie en wordt aangekondigd als Merels beste vriendin. Ze kennen elkaar van de vioolles waar Merel na een jaar mee was gestopt. Sophie leest een gedicht voor van Guido Gezelle. Dan kijkt ze plechtig de zaal in, neemt nog een slok water en loopt weer richting haar stoel. Onderweg omhelst ze Merels vader, de volgende spreker. Hij heeft het steeds over ‘mijn dochter’, alsof hij haar naam al is verloren.
Sophie speelt nog viool en daarna mag iedereen langs de kist lopen. Raoul en ik blijven even staan, naast elkaar. We buigen tegelijk ons hoofd alsof we het hebben geoefend.            

*

Pauze. Raoul en ik samen in de klas, ons mentorlokaal. Door de open ramen horen we horen onze klasgenoten voetballen. Buiten is het half oktober, binnen ruikt alles naar augustus. Ananas. Alcohol. Kokosijs. Jongenszweet en stilstaand water.
Merels foto hangt aan de muur, haar tafeltje is leeg, haar kaarsje brandt. Een engel die een vlam vasthoudt. Het brandt van acht uur ‘s ochtends tot iets na vieren. Heinz heeft een doos waxinelichtjes in zijn la liggen, de la die hij vorig schooljaar soms hard dichtgooide als het te rumoerig werd.
Gejuich van buiten, iemand heeft een doelpunt gemaakt. Raoul wrijft in zijn ogen, doet zijn mond langzaam open. ‘Was jij….’ Hij kijkt naar zijn tafeltje. ‘Was jij ook verliefd op haar?’
Ik kijk naar de etui in de hoek van mijn tafel en dan langzaam omhoog. Zijn bruine ogen, zijn mooie bruine ogen waar altijd iets zachts in ligt.
We kijken elkaar aan, ik schud mijn hoofd en kijk weer naar beneden, naar ons eiland van glanzend beukenhout. Een verdieping hoger verschuift iemand een tafel.
‘Nee, ik was niet verliefd op haar.’
De bel gaat en nog heel even is het stil in ons lokaal.

Ik bezoek mijn vader in Italië. Mijn oom haalt me op van het vliegveld; met een hand bestuurt hij zijn Hyundai, met de andere houdt hij zijn mobiel tegen zijn oor. Hij praat over werk. We rijden een heuvel af, draaien door haarspeldbochten. Ik zie groen op groen met hier en daar een rotspartij. Op de kammen van de heuvels staan windmolens; de grijze wieken draaien snel, alsof ze iets in te halen hebben.
‘Op vrijdag heb ik een congres, dan kan ik niet langskomen,’ zegt mijn oom als hij de telefoon heeft weggelegd, ‘maar ik ben er voor het dorpsfeest. Dat zal wel in het water vallen met dit weer. Bizar, deze lente.’
Vrijdag wordt papa achtentachtig. Toen ik hem aan de lijn had gisteren, hadden we het erover. Echt, zo oud al? vroeg hij.
In het huis van mijn vader is het koud. De cv-ketel werkt niet meer, maar aan de telefoon heeft papa er niets over gezegd. Ik trek een vestje aan en drink een glas wijn. Gelukkig heb ik afgelopen kerst, toen ik spullen weggooide, het elektrisch kacheltje bewaard. Ik zet het in de woonkamer. Wanneer ik mijn handkoffer uitpak klinkt uit de badkamer gestommel. Papa vloekt. Ik loop erheen. Hij staat met een schroevendraaier voor de cv-ketel.
‘Je krijgt nog een schok,’ zeg ik.
‘Dat weet ik allemaal wel. Sara.’ Hij spreekt mijn naam met nadruk uit, zoals hij deed toen ik klein was.
Op de wc-pot staat een kruk.
‘Wat doet die daar?’ vraag ik tegen beter weten in.
‘Ik moest ergens op klimmen om bovenop de ketel te kijken.’

‘Zullen we naar de doe-het-zelf zaak gaan,’ stel ik de volgende ochtend voor als ik hem overtuigd heb een nieuwe cv-ketel te kopen.
‘Welke? Die aan de hoofdweg? Daar hebben ze geen ketels.’
‘Ben je al gaan kijken?’ vraag ik en adem diep in.
‘Nee. Maar dat weet iedereen.’
‘Laten we dadelijk even binnenlopen.’
Bij de doe-het-zelf zaak hebben ze wel ketels. Ze staan op een laag schap: vierkante witte kasten die er allemaal hetzelfde uitzien. Ik wijs er een aan.
‘Wat vind je van deze?’ vraag ik.
Papa duwt zijn kin naar voren, een beweging die hij maakt als hij iets afkeurt: ‘Die zijn voor in de keuken.’
Ik wenk een medewerker. Hij vraagt ons hoeveel kilowatt vermogen de ketel moet hebben. Twintig kilowatt. Die van twintig, vertelt de medewerker, staan verpakt in de opslag.
‘Ik wil er een zien,’ zegt papa.
‘Ze zijn hetzelfde als deze van veertig,’ zegt de medewerker. Zijn schouders gaan omhoog en weer omlaag, alsof van boven aan touwtjes wordt getrokken.
‘Je zei net dat ze kleiner zijn,’ zegt papa.
We mogen mee naar de opslag. De medewerker maakt een doos voor ons open.
‘Plaatsen jullie ze ook?’ vraag ik.
‘Nee, maar ik kan jullie wel het telefoonnummer van een monteur geven.’ De medewerker schrijft het nummer van een zekere Alfredo op een papiertje. ‘Als hij niet kan, zijn er genoeg anderen. Iedereen zit zonder werk.’
Alfredo heeft tijd. Hij haalt de ketel op en brengt hem diezelfde middag langs. Hij is een kleine donkere man, met smalle bakkebaardjes. Mijn vader staat in de badkamer naast hem terwijl Alfredo werkt en vertelt over zijn schoonmoeder. Ze heeft keelkanker gehad. Ik ben met mijn laptop in de woonkamer gaan zitten, maar in plaats van aan een document te werken luister ik mee.
‘Als je goede zorg wilt, hoef je niet naar een openbaar ziekenhuis. Daar zijn de wachttijden lang en de lontjes kort,’ grinnikt Alfredo.
‘Ja,’ zegt papa.
‘De slimme jongeren die kunnen studeren, die gaan naar het buitenland. Daar zijn goede opleidingen en daar is werk. Het zal me niets verbazen als er hier universiteiten gaan sluiten.’
Mijn vader mompelt iets wat ik niet kan verstaan. Hij klinkt ongeïnteresseerd.
‘Wist u dat die kapitein, de lulhannes die zijn cruiseschip liet zinken en zijn passagiers liet verdrinken, les geeft? Aan de universiteit nog wel. Over hoe om te gaan in panieksituaties.’
Papa weet volgens mij niet waar Alfredo het over heeft. Als ik er ben, kijkt hij nooit naar het journaal. Ik kan me het incident wel herinneren; het haalde ook in Nederland de voorpagina’s. De kapitein, Schiettino heette hij, ging als een van de eersten van boord.
‘En de kustwachter die hem aanspoorde zijn plicht te doen is teruggezet naar een baantje bij de administratie,’ zegt Alfredo.

Het waait flink wanneer we later op de dag naar het strand fietsen. Papa zwiert over de weg, met de wind mee als een vlieger. Zo vrij stel ik me hem altijd voor: op de fiets naar het strand, of naar het bos om eekhoorntjesbrood en walnoten te zoeken. Ik fiets tussen hem en de voorbijrazende auto’s in. Na tien minuten klaagt hij dat hij het koud heeft, maar hij wilde geen jas aan. Op zijn onderarm heeft hij een korst; een schram die ik herken van toen hij met kerst tegen een kastje liep. Zijn huid is als vloeipapier.
‘Jij moet eigenlijk een fietshelm,’ zeg ik.
‘De kans dat ik val wanneer ik loop is groter.’
De boulevard is opgebroken. Op de enige parkeerplaats staat een handvol auto’s. Daarin zitten mensen, waarschijnlijk uit het dorp, naar de hoge golven te kijken. Een man is naast zijn vrouw in slaap gevallen.
Papa wil niet mee het strand op. Hij wil zich opwarmen in het café. We spreken af dat ik alleen ga en hij op me wacht.
‘Je zult niet lang blijven, dunkt me,’ zegt hij als ik begin te lopen. ‘Sara, ga maar niet te dicht bij de branding,’ roept hij erachteraan. ‘Ik wacht hier wel tot je beneden bent.’
Ik ga op een beschutte plek zitten van waaruit ik papa in de gaten houd. Ik zwaai naar hem. Als hij de boulevard overgestoken is richting het café, loop ik naar de vloedlijn. Ik sta vol in de wind, de zee stuurt wilde golven tot vlak voor mijn voeten. Voordat ik uit het dorp vertrok, vijfentwintig, bijna zesentwintig jaar geleden, keek ik uren achtereen naar de golven. Sinds een aantal jaren blijf ik maar kort, kijk ik wel, maar zie ze niet echt. Hoe vaak zal ik hier nog staan? Bij elk vertrek neem ik afscheid. Ik sluit mijn ogen en probeer aandachtig naar het beuken van de zee te luisteren. Wanneer ik ze open bij drie, zeg ik tegen mezelf, zie ik de golven weer. Een, twee, drie.
Als ik na een minuutje of twintig naar boven loop, wacht mijn vader me buiten het café op: ‘Je bent doorgelopen, hè. Toen ik weer keek was je weg.’
Ik tuit mijn mond en trommel met mijn vingers tegen mijn dij. Hij knipoogt snel naar me.
Terug naar huis fietsen we langs een eucalyptusbos. Volgens papa was het bosje net aangelegd toen hij een jongen was. Er wordt gezaagd. Als we dichterbij komen, zie ik dat veel bomen geveld zijn: er zijn meer parkeerplekken nodig voor toeristen in de zomer. Midden in een kaal veld is een ellips met overgebleven bomen, nog maar een stuk of tien.
‘Wat vind jij ervan?’ vraag ik papa.
‘De jeneverbesstruiken zijn ook weggehaald. Die bloeiden net.’

Op papa’s verjaardag glip ik naar de duinen om takjes van de jeneverbes te plukken. Ze hebben gele knopjes. Het lijkt me een leuk gebaar want een cadeau heb ik niet voor hem.
Als ik ze op tafel neerleg, staat daar een vaas met erin dezelfde takken. Papa komt de kamer binnen. Zoals hij naar me kijkt, met een twinkeling in zijn ogen, lijkt hij op een kind dat in de nacht onder de kerstboom is wezen snuffelen.
‘Van wie heb je die?’ vraag ik en wijs op de takken in de vaas.
‘Van wie denk je?’
‘Is iemand langsgekomen?’
‘Ik ben bij de duinen geweest!’
Die avond willen we uit eten gaan. We lopen door de regen naar de pizzeria. Papa heeft voor de zekerheid een wekker gezet, opdat we niet te laat komen, maar als we voor de deur staan blijkt het restaurant pas over drie kwartier open te gaan. We lopen naar een zaak waar je pizza’s kunt afhalen. Toen ik jonger was werkte ik voor een bakkerij in het pand. Vlak voor de ingang op de stoep ligt een kitten, de ogen nog dicht met smeersel. De kop ligt in een plasje bloed. Waarschijnlijk is het geraakt door een auto en de stoep op geslingerd. Ik meld aan de knul achter de toonbank dat er een dood dier buiten ligt. Hij lijkt er niet van onder de indruk te zijn, maar zegt dat hij het zal weghalen. Als we onze bestelling hebben, stel ik aan papa voor de achteruitgang te nemen. Hij volgt me naar de zijsteeg.
‘Waar zijn we?’ vraagt hij.
‘We hebben de achteruitgang genomen. Je weet wel, waar vroeger het meel geleverd werd.’
‘Je vergist je.’ Hij kijkt om zich heen, draait een rondje om zijn eigen as.
‘Loop nu maar mee.’ Ik neem hem bij de arm.
‘Ik was echt mijn kompas even kwijt,’ zegt hij even later.
‘Geen goed teken.’
‘Niet echt, nee.’
Thuis eten we de pizza’s en toosten op zijn volgende levensjaar.
‘Deze dag is een cadeautje,’ zegt hij.
Als we afruimen weet hij niet meer waar de afval heen moet. Hij loopt rond met de pizzadozen en legt ze uiteindelijk in het keukenkastje. Alles is zo’n ‘zooi’, bromt hij.

Zondag is het feest ter ere van de dorpspatroon. Naar de ochtendmis gaan we niet, wel naar de gezamenlijke lunch. Papa wil zijn nette kleren aan. Hij draagt een hemelsblauw overhemd, waarvan de mouwen met brede elastieken omhoog gehouden worden, een gilet en een stropdas.
‘Zo,’ zegt hij, ‘Netjes hè.’
‘Heel mooi.’
‘Waar gaan we ook al weer heen? Heb ik mijn paspoort nodig?’
Ik kijk naar hem, naar zijn verwarde blik. Papa drijft af, als een bootje, en ik heb geen touw, geen haak om hem terug te halen. Ik knipper vocht weg uit mijn ogen.
‘Ja,’ antwoord ik met geknepen stem, ‘en je vliegticket.’
Dan begint hij te lachen. Een lach die ik sinds mijn komst niet gehoord heb, eentje die van diep opborrelt en vervolgens zacht giert, die me herinnert aan grapjes die we maakten.
Het beeld van de heilige staat midden op het kerkplein, eromheen zijn tafels opgesteld. Kleine troepen mensen hebben zich erbij geschaard. We voegen ons bij mijn oom. Hij zit aan tafel met een aantal mannen uit het dorp. Ze vertellen over een voorval dat jaren geleden plaatsvond. Toen het maanden achterelkaar niet regende werd het beeld in zee gegooid. De mensen uit het dorp vonden dat de heilige zijn plicht niet volbracht. Omdat het van papier-maché was, zoog het zeewater op. Kijk, zeiden ze, onze heilige barst liever dan dat hij voor regen zorgt.
Wijnflessen gaan van hand tot hand, ingemaakte tuinbonen, kaas en gedroogde worst. Ik heb stukjes kaas en worst op papa’s bordje gelegd. Hij is altijd een langzame eter geweest; eerst bestudeert hij het voedsel nauwlettend, schuift het wat rond, alsof hij een openingszet overpeinst, dan kiest hij een eerste hap en kauwt er lang op. Zijn keuze valt nu op een stukje kaas, hij ruikt eraan en stopt hem in zijn mond. Als mijn oom het over de ochtendmis heeft, zegt de vrolijkste van de mannen: ‘Ik was tien toen ik voor het laatst een voet in de kerk zette.’
‘De bar is jouw geloof,’ zegt mijn oom.
De mannen schenken opnieuw wijn bij en zetten hun lijflied in: we gaan drinken in de bar, in de bar gaan we drinken! Papa neuriet mee, zo zoet, dat ik heel even een arm om zijn schouders sla.
Met z’n drieën wandelen we terug naar huis. We lopen door smalle straten. De luiken van de huizen zijn dicht omdat de huizen verlaten zijn. Langs de weg staat een zwart kippetje, ze lijkt te bibberen van de kou. Papa maakt geluidjes naar haar.
‘We zouden haar kunnen meenemen,’ zegt hij.
‘Wat moet je met een kip?’ vraagt mijn oom.
‘Zodat ze eieren voor hem kan leggen,’ antwoord ik.
Als we bijna de hoek om zijn, blijft mijn vader staan: ‘We nemen haar mee en geven haar iets te eten.’
‘Ze is van iemand,’ zeg ik. De zin galmt in de straat na als het hard dichtvallen van een deur. Plotseling verlang ik naar mijn eigen huis, naar Nederland, zelfs naar mijn werk. Papa lijkt me niet gehoord te hebben, hij loopt terug, maakt sussende geluiden en gebaren naar de kip.
‘Kijken of ze zich laat pakken,’ zegt hij. Maar de kip loopt van hem weg, rechts links, tokkelt luid en lang. Hij gaat gebukt achter haar aan.
‘Laat haar toch,’ zegt mijn oom, desondanks drijft papa de kip op tot in een hoek.
‘Papa, luister nou eens,’ roep ik. Ik loop naar hem toe en grijp naar zijn arm, krijg echter alleen de mouw van zijn overhemd te pakken. Hij trekt zich los, duikt voorover, tilt het hoopje donkere pluimen op en houdt het op ooghoogte voor zich.
‘We doen haar op ons balkon,’ zegt hij.
Mijn oom fronst zijn wenkbrauwen.
‘Ze klagen je aan voor diefstal,’ zeg ik.
We halen hem over de kip in het openbare plantsoen voor ons huis te laten. Papa haalt binnen wat brood, scheurt het in stukjes en staat erbij terwijl de kip eet.
‘Als de Albanese buurman haar ontdekt, gaat hij haar zeker plukken,’ zegt hij.
Mijn oom moet weg; hij heeft nog een afspraak. Ik loop een stukje met hem mee.
‘In het dorp is geen hulp voor je vader. Uiteindelijk zal hij in de stad moeten worden opgevangen,’ zegt hij bij ons afscheid.
Ik knik.

Op de laatste dag van mijn bezoek gaat papa mee tot op het strand. De zon schijnt, maar het strand is zo goed als verlaten. De zee is van een doorzichtig grijsgroen. Een bouwvakker freest of boort, ik hoor het verschil niet.
‘Je wilde gaan zwemmen,’ zeg ik op gegeven moment.
‘O ja. Moet ik mijn kleren uitdoen?’
‘Dat is geen slecht idee.’
Hij opperde eerst, een beetje baldadig, dat hij een frisse duik wilde nemen. Toen waren we al van huis weg zonder zwemspullen, maar papa is dol op zwemmen, dus herinner ik hem eraan. Hij begint zijn kleren al uit te doen. Het gilet, het hemelsblauwe overhemd; hij draagt hetzelfde als gisteren, alleen de das heeft hij niet omgedaan. Dan trekt hij zijn sandalen, zijn sokken, zijn broek uit. Een voor een legt hij ze met lange halen naast me neer.
‘Ik ga dan.’
Hij staat op en loopt richting de branding. Hij draait zich nog een keer om en zoekt mijn blik: ‘Het zal niet te koud zijn, toch?’
‘Maak je benen eerst een beetje nat,’ hoor ik mezelf zeggen.
Van achteren is hij een iele man in een te grote onderbroek en een ouderwets onderhemd. Als meisje wilde ik dat hij me leerde zwemmen. Hij kon helemaal niet goed zwemmen, want hij had het zichzelf geleerd net als alle kinderen uit het dorp. Maar elke keer als ik erover begon, sprong hij op en rende met me mee de zee in. Zo moet je het doen, riep hij dan en hield zijn hoofd krampachtig boven water terwijl hij met zijn voeten achter zich trapte.
Papa is het water ingegleden. Hij doet weer een brave schoolslag, zijn hoofd ruim boven de zeespiegel. Ik kijk naar de duinen rechts waar het licht nu zilverachtig is. De planten hebben een zachte pastelkleur. Ik hoor niets behalve het breken van de golven en de bouwvakker die aan het werk is. Alleen op de golfslag acht ik, nu vlak voor me, even niet op het diepe waar cruiseschepen vergaan en heiligen barsten.
Als ik weer focus op de plek waar papa was, zie ik een lege zee. Het is stil rondom me: de bouwvakker is gestopt met frezen of boren. Ik leg een hand op het hemelsblauwe overhemd en adem ijlere lucht in dan net, mijn lichaam lijkt weg te zinken in het zand. Ik sluit mijn ogen. Als ik ze weer zal openen, denk ik, zie ik zijn hoofd weer boven water komen. Een, twee, drie.

Beeld © Rosanna del Negro

Nieuw proza op Revisor.nl: ‘Nachtrit’. Liedewij Vogelzang roept een nachtelijke wereld op, om in te verdwalen.

*

Op de hoek van Washington Square Park houd ik een taxi aan. Ik groet de chauffeur en neem plaats op de bijrijdersstoel. De auto ruikt naar mandarijnen, ik voel de kou van het leer door mijn broek heen. 
‘Rijd maar wat,’ zeg ik, ‘kan dat, gewoon wat rijden?’ Het lijkt de chauffeur niet te interesseren. ‘Sure.’ Met of zonder bestemming; het komt op hetzelfde neer. Hij rijdt rond in de nacht, hij stelt geen vragen.

Zodra de auto optrekt licht mijn telefoon op in mijn schoot. Het scherm is fel in het donker. Ik open het bericht niet maar zie de eerste regel: Waar ga je heen? Ik heb[…] Ik zet de lichtsterkte zwakker, er komt nog een bericht binnen. Kom terug. We kunnen to[…]
In de donkere auto trekt het licht van het navigatiesysteem mijn aandacht. De wegen uiterst overzichtelijk op het scherm. Ik denk aan de benen van mijn moeder. Vroeger keek ik vanaf de badrand naar de spataderen die als een wegenkaart over haar huid liepen. Kleine, donkerpaars, roodblauwe wegen die steeds uit elkaar liepen en daarna weer verbinding zochten. ‘Waar kijk je naar?’ had ze gevraagd, terwijl ze haar korte haar met een kwast in een soort hanenkam streek. Ik legde mijn hand op haar kuit. De badkamer rook naar ammoniak. Ik weet nog dat ik dacht: als ik later groot ben, dan wil ik haar benen. Dan wil ik een lijf dat de weg kan wijzen. Alsof mijn moeder mijn gedachten las, schudde ze haar hoofd. ‘Je bent jaloers op de verkeerde dingen,’ zei ze, terwijl ze haar haar in plastic wikkelde. 
Ik kijk naar mijn eigen benen, waar mijn telefoon inmiddels tussen is gevallen. Het scherm licht opnieuw op. Ik draai de telefoon om, leg hem op mijn bovenbeen en kijk naar buiten, naar de lege maar verlichte winkels. 
De chauffeur zucht geïrriteerd omdat iemand vlak voor hem de weg opdraait. Ik glimlach naar hem zonder dat hij het ziet. 
Hij was 5th Avenue opgedraaid en reed sindsdien alleen rechtdoor. Ik geloof niet dat ik dat gekund zou hebben. Als de rollen omgedraaid waren en hij bij mij in de auto was gestapt en had gezegd: rijd maar wat, had ik waarschijnlijk gecirkeld, steeds opnieuw om hetzelfde blok met huizen gereden. 
Dat cirkelen zou ik vooral doen tegen het verdwalen. Ik heb me nooit weten te oriënteren. Of, sterker: vaak lukt het me niet om mezelf te plaatsen ten opzichte van de ruimte waarin ik me begeef. Als ik in de metro sta en mijn ogen sluit, kan ik niet meer voelen welke kant we op rijden. Soms word ik wakker en probeer ik, met mijn ogen nog dicht, te bedenken waar de muren in de kamer zich bevinden. 
Toen ik Beer vertelde over mijn gebrek aan oriëntatievermogen stelde hij voor dat ik altijd mijn locatie met hem zou delen. Zodat hij steeds zou weten waar ik was, en ik alleen al om die reden niet echt kwijt kon raken. Hij zette dezelfde functie aan op zijn telefoon. Vanaf dat moment had ik altijd toegang tot een plattegrond met niet één, maar twee bolletjes, kon ik op een scherm zien hoe wij ons bewogen ten opzichte van elkaar, werd de afstand tussen ons een doolhof in een puzzelboek, trok ik in gedachten lijnen door alle straten die tussen ons lagen. 
Beer heet niet echt Beer, maar hij staat het toe dat ik hem zo noem. 
‘Heb jij huisdieren?’ vraag ik aan de chauffeur. 
‘Nee,’ hij trekt snel op bij het stoplicht, alsof we haast hebben. ‘Ik woon in de stad.’ Hij vindt honden in de stad het toppunt van angst voor eenzaamheid, verklaart hij na een korte stilte. Mensen die achter een beest aanlopen, warme stront van de stoep oprapen, alleen maar om niet alleen te hoeven zijn. 
We rijden nog steeds rechtdoor op 5th Avenue. 
Vroeger mocht ik geen huisdier en liet ik om die reden de hond van mijn buren uit. Dan bepaalde niet ik de route, maar de hond. Ze leidde me altijd hetzelfde blokje om. Wist ze de weg, of kende ze het bestaan van andere wegen niet? 
De laatste keer dat ik verdwaalde was in het Museum of Natural History. Al bij binnenkomst overviel het me: de grootsheid van het gebouw. De verschillende gangen die me aan leken te kijken, het feit dat ik er een moest kiezen, de vraag waar ik in vredesnaam naartoe moest. Trappen op en af, gangen links en rechts met daarachter nog meer gangen en nog meer kruispunten. Ik liep door souvenirwinkels met knuffels, spellen, kleding en boeken uit alle werelddelen en daarbuiten, om uiteindelijk bij de Hall of Ocean Life uit te komen. De blauwe vinvis zweefde in het atrium. Het grootste dier ter wereld. Ik kon niet anders dan naar boven kijken. Ik ging liggen op de grond, tussen de lichtprojectie van zachtjes kabbelend water – een vloer zoals een plafond van een zwembad, de wereld op haar kop. En daar, onder de blauwe vinvis, waar toch al niks klopte, deed het er even niet toe dat ik verdwaald was. 
De chauffeur draait de radio aan. 
Ik ben naar Manhattan verhuisd omdat ik er mijn weg kan vinden, omdat de straten hier genummerd zijn en min of meer symmetrisch, als een visnet, over de stad liggen. 
Vlak voordat ik de vinvis verliet en terug de echte wereld in stapte, de wereld waarin ik op zoek was naar de uitgang, zag ik in de Hall of Ocean Life een video waarin een haai gechipt wordt. Het beest half uit het water getild en tegen de kant van de boot vastgehouden door drie mensen, spartelend, er wordt een chip in zijn vin gezet. 
Ik denk aan de haai. Als hij nog leeft, wordt hij nu nog gevolgd. 
‘Fuck.’ Ik gris mijn telefoon tevoorschijn, negeer de binnengekomen berichtjes en gemiste oproepen en open Maps. Het duurt even voor de kaart zichtbaar is. De twee bolletjes komen tevoorschijn op een volledig wit scherm, waar de straten nog geladen moeten worden, maar ik zie al wel dat ze naar elkaar toe bewegen. 
Ik zet de functie ‘locatie delen’ uit en legde de telefoon ónder mijn been dit keer. Ik krijg het warm. Zou hij me volgen? Is mijn route voorspelbaar, op deze weg waarop ik al kilometers lang geen bocht heb gemaakt? 
‘Ga hier maar rechts,’ zeg ik vlak voor de kruising met 118th Street. De chauffeur draait het stuur, hij doet het direct en zonder twijfel, alsof ik op de knop van een computer had gedrukt. Vlak daarna trapt hij keihard op de rem, er volgt een harde klap. Mijn bovenlijf schokt naar voren, waar ik word opgevangen door de strakgespannen gordel. Even staat alles stil. Dan zie ik het hoofd van een jongen, net boven de motorkap, gevolgd door de rest van zijn lijf. Het gaat traag, hoe hij daar verschijnt. Als een filmpersonage dat vanachter een heuvel de horizon ín komt lopen, er ineens is. De jongen slaat op de motorkap en kijkt kwaad de auto in. Ik druk mijn rug achterin de stoel. Hij bukt en trekt zijn fiets aan het stuur omhoog. Hij slaat nog een keer, steekt een middelvinger op en fietst weg. Ik staar hem na terwijl hij de nacht in slingert. 
Getoeter achter ons. De chauffeur vloekt. ‘Sorry’, zeg ik, ‘sorry.’ Ik had me niet met de route moeten bemoeien. 
Hij trekt langzaam op, sorteert voor op de volgende bocht naar rechts, en roept ondertussen verontwaardigd: ‘Klote fietsers, die horen hier niet. Dan vraag je toch om een fucking ongeluk.’ 
Ik denk aan het moment in een enge film waarop je je realiseert dat het telefoontje van binnenin het huis komt. Mijn schuld, denk ik. ‘Sorry,’ fluister ik een laatste keer. 
Ik pak mijn telefoon en op het scherm zie ik het bolletje van Beer. Hij is wel rechtdoor gereden bij de kruising. We bewegen in tegenovergestelde richting, steeds verder bij elkaar vandaan. 
Als het bedrag op de meter exact gelijk is aan het bedrag dat ik bij me heb vraag ik de chauffeur om te stoppen. Hij zet de auto stil. ‘Daar ben je ingestapt,’ hij wijst naar links. Ik knik zo nonchalant mogelijk. 
Ik bedank, laat het geld achter en stap uit. Aan de overkant van de straat zie ik mensen uit een metrostation naar boven komen. 
Op mijn telefoonscherm is het bolletje van Beer verdwenen. Nu ben ik echt kwijt. Ik kijk naar mijn benen en dan beginnen ze te lopen.

Beeld Eden, Janine and Jim via Wikimedia.

Voor De Revisor 21 schreef Viktor Frölke het verhaal ‘Drie dingen die ik met mijn vader heb gedaan.’ Frölke gaat door met ordenen en tellen, nu over negen manieren om te sterven als dichter, anders dan zelfmoord.

*

1. Het potloodje

De dichter, die net een kort onderhoud heeft gehad met zijn redacteur en publiciteitsmedewerker, op de derde verdieping van het grachtenpand waarin de uitgeverij zetelt die in het najaar zijn nieuwe bundel zal uitgeven, – althans dat is het plan, op het omslag zal een vogel prijken, een fitis, bekend van zijn merkwaardige, haast slobberachtige fluitje, alsof hij fluit met zijn snavel in een kom water –, die dichter dus, komt ten val op het overloopje van het imposante trappenhuis en belandt op een dusdanige manier op de marmeren vloer dat het potloodje, dat hij te allen tijde in de binnenzak van zijn jasje draagt, zich in zijn rechterlong boort. Tijdens de behandeling van de perforatie van de long wordt bij de dichter uitgezaaide longkanker vastgesteld. ‘Fitis’ verschijnt postuum, hetgeen de verkoop niet schaadt.

2. Vleugel

Een concertvleugel van transparant kunststof, die uit een op de eerste verdieping gelegen opnamestudio van een reclamebureau wordt getakeld, – de ochtendzon schittert dwars door het machtige instrument heen –, raakt in het ongerede en landt bovenop de dichter, die, tegen zijn gewoonte in, de wegversperring had genegeerd en onderlangs voorbij loopt, ietwat nerveus op weg naar zijn eerste tinderdate. Uit de klep van de vleugel alsook uit de keel van de dichter stijgt op het moment van impact een dissonant geluid op, dat, voor wie er oor voor heeft, met elkaar in overeenstemming lijkt.

3. Verliefd

Dromend over het eerste en enige meisje op wie zij ooit verliefd was, op de lagere school, een meisje uit China, met volmaakte huid, haardracht en tanden, een ontwapenende lach en een tong die nog het meest op een ijslolly leek, draaide de 91-jarige dichter zich om en viel uit bed. Vierenhalf uur later werd zij gevonden door de dienstdoende mantelzorger, die in het ongewisse was over haar dichterschap, aangezien zij sinds de bundel ‘Hu’, verschenen in de jaren zeventig, bij een obscure uitgeverij die allang ter ziele is, niets meer had gepubliceerd.

4. Bad trip

Terwijl de dichter onderzoek doet bij native Americans in Brazilië voor een lang episch gedicht, werktitel ‘Rooksignalen’, waarvoor hij van de Stichting Jan Hanlo vijfduizend euro subsidie heeft ontvangen, raakt hij na overmatig gebruik van ayahuasaca in een bad trip, hartfalen als gevolg hebbende. In de wijde omtrek blijkt niemand hem te kunnen of willen helpen. Het manuscript van het epische gedicht, bestaande uit een dozijn volgekraste schoolschriften, is overgedragen aan de Jan Hanlo-stichting, die het heeft opgeslagen in een kluis.

5. Kogelvis

Als hij de kans krijgt als groupie mee te reizen met de band van zijn beste vriend, een hitgevoelige popmuzikant, op diens tournee door Japan, overspeelt de dichter op een avond zijn hand door in het Tokyo’se restaurant fugu ofwel kogelvis te bestellen, een gerecht dat dodelijk kan zijn indien incorrect bereid. Diezelfde nacht nog, in de badkamer van de hotelkamer van het Peninsula Hotel, probeert hij vergeefs zijn maag leeg te kotsen, terwijl zijn vriend stomdronken op bed ligt, zijn kleren nog aan.

6. Scooter

Onderweg van de tramhalte naar het trottoir wordt de dichter, die pertinent weigert om met de fiets door de stad te gaan onder het motto ‘dichters fietsen niet’, geschept door de elektrische scooter van de geluidstechnicus van een cultureel podium dat veel aan spoken word doet.

7. Duel

De dichter heeft zijn aartsrivaal uitgedaagd voor een duel, uit te vechten met echte, werkende, achttiende-eeuwse pistolen, vriendelijk beschikbaar gesteld door een verzamelaar uit Gent. Het duel vindt plaats op een lome zaterdagmiddag aan de rand van een goed beschut veld in het Amsterdamse Bos, in het bijzijn van de Gentse verzamelaar, een sportarts (een vriend van de dichter) en een moeder met kinderwagen die toevallig kwam aan joggen. De rivaal, ook een dichter, had gewaagd het nieuwe kapsel van de dichter in een recensie van diens Verzameld Werk te omschrijven als ‘een coupe waarbij Hitlers konthaar nog gunstig afsteekt’. De dichter die om het duel had gevraagd wordt door een kogel geraakt in zijn maag. Hij begint hevig te bloeden. De sportarts staat machteloos, wil een ambulance bellen, maar de wapenhandelaar houdt hem tegen. De uitgedaagde dichter, slechts door een kogel geschampt aan zijn ongeschoren kaak, ziet een paar dagen later kans om in dezelfde krant een welwillende necrologie te schrijven waarin met geen woord wordt gerept over het duel of het voorafgaande conflict.

8. Lift

In een buitenwijk van Bologna, waar de dichter dankzij Poetry International, en toch ook wel haar ouders, die haar treinreis en nieuwe laptop financieren, een half jaar mag logeren in een leegstaand fabriekspand, blijft de dichter, vlak voordat ze weer naar huis zou gaan, hangen in de werklift tussen de vierde en de vijfde verdieping. Aanvankelijk kan ze de humor nog wel inzien van dit bedrijfsongeval, maar niet veel later, haar telefoon is dood en haar waterflesje leeg, schreeuwt ze haar stem schor om hulp. In het belendende klooster blijft het stil. Nota bene op de eerste dag van haar verblijf als poet in residence had ze er een keer belletje getrokken, uit balorigheid, en toch ook wel nieuwsgierigheid – melig deed ze er verslag van op social media – maar toen werd er dus ook niet opengedaan.

9. Kiri te Kanawa

De dichter had er zijn levensproject van gemaakt om Kiri te Kanawa te worden. Niet alleen had hij zijn naam veranderd in Kiri te Kanawa, hij had ook cosmetische chirurgie ondergaan om meer op Kiri te Kanawa te lijken, en zanglessen genomen om zijn stem, al was het maar een fractie, dichter in de buurt te brengen van het origineel. Toen hij genoeg geld had gespaard voor een geslachtsveranderende operatie, en hij zijn eerste dichtbundel, ‘Kiri te Kanawa’, in Nieuw Zeeland wilde lanceren, sleepte het management van Te Kanawa de dichter namens de familie voor de rechter. De dichter ging in hongerstaking tegen de uitspraak en bezweek na vijftien dagen in zijn AirBnB-appartement in Auckland.

Beeld © Anne Reinke

Lotte Lentes schreef een logboek. Over een eiland, over een dag, de laatste dag. Nu opgenomen in de reeks 500 à 1.000.

*

Voor de zoveelste keer verbiedt ze me de kaart van het eiland uit mijn rugzak te halen.
‘Dan lijken we net toeristen,’ zegt ze.
‘Maar we zijn toch ook toeristen?’ vraag ik.
Ze antwoordt niet, maar kijkt met samengetrokken wenkbrauwen naar het scherm van haar telefoon. Iemand raadde haar een app aan waarmee je kaarten van een specifiek gebied kunt downloaden zodat je ze offline kunt gebruiken. Omdat we de groene pijl op haar beeldscherm volgen die telkens verspringt als we halthouden en minutenlang stilstaat wanneer we lopen, dwalen we voor de zevende ochtend op rij door een van de buitenwijken van Cala D’Or.

Steeds vastberadener verandert ze van richting, maar Funroute ’69, een met mos overgroeide kartbaan half verscholen achter palmen, passeerden we zojuist voor de vierde keer. De huid op mijn schouders begint te verbranden en een onzichtbaar sloopkogeltje schoffelt al een tijdje onbehoorlijk hard tegen mijn linkerslaap, zoals iedere dag rond dit uur. Steeds meer lees ik er de waarschuwing in dat ik zo snel mogelijk van dit eiland weg moet.
‘Kom eens naast me lopen joh, waarom slenter je de hele tijd zo achter me aan?’
Ik zet twee grote passen en we gaan weer gelijk op. Meteen ben ik bang bij de volgende onverwachte koerswijziging tegen haar op te botsen.
‘Ik kan toch niet weten waar je heen gaat?’ zeg ik pinnig.
Ze gromt en versnelt haar pas. Ik mompel ‘sorry’ alsof de botsing die ik vreesde zojuist plaatsgevonden heeft.

De supermarkten heten hier geen supermercado, maar gewoon supermarket. Op de uithangborden prijken verschoten foto’s van bonen in tomatensaus, Franse kaasjes en bier. Hoog opgetrokken appartementencomplexen en hotels bepalen al zeven dagen ons uitzicht. Hun balkons net kennels vol opblaasbare orka’s, dolfijnen en krokodillen die geduldig wachten tot iemand ze weer meetorst naar strand of zwembad. We vallen uit de toon met onze versleten Nikes en wijdvallende bloesjes, onze haren in een warrige knot hoog op ons hoofd bijeengebracht. De meisjes hier zijn van een strakkere soort. Ze dragen lippenstift en grote, gouden ringen in hun oren wanneer ze naar het strand gaan. ’s Avonds hebben ze strapless jurkjes aan die hun billen net genoeg verbergen om hun vaders niet in verlegenheid te brengen.

Ik heb wel jurken bij me, maar ik draag ze niet. Liever vorm ik een front met haar. Dat is gezelliger, hou ik mezelf voor, maar eigenlijk bedoel ik: noodzakelijker. Het onderscheid tussen haar en mij zo klein mogelijk houden betekent het contrast tussen ons en alle andere aanwezigen op het eiland benadrukken. We halen plezier uit een gezamenlijke vijand, wijzen elkaar gniffelend op tatoeages van rozen en babyhoofdjes, op roodverbrande kuiten en schouderbladen, op gigantische Hello Kitty-telefoonhoesjes, op met strassstenen versierde teenslippers. Zo lang we kunnen definiëren wat we niet zijn, hoeft geen van ons zich bezig te houden met het tegenovergestelde.

In de drie jaar dat ik haar ken, heb ik haar precies één keer in een jurk gezien. Als een koppig geitje stond ze met haar schouders hoog opgetrokken in het pashokje van de V&D. Ze frunnikte aan de kanten zoom, de rits ging niet helemaal tot boven dicht. Ik probeerde haar te helpen maar ze wilde niet stil blijven staan.
‘Mag het uit,’ zei ze toen ik de ritssituatie goed probeerde te bekijken. ‘Ik wil het uit.’
Onhandig trok ze de satijnen stof van haar schouders, ergens knapte een stikseltje. Het zwarte jurkje belandde op de vloer als een afgedankte poetsdoek. Zij bleef over, in haar versleten behaatje. Ik ernaast, mijn winterjas nog aan.

Op het eiland voel ik me steeds vaker de jurk die ze aanheeft, maar niet aan wil. In bed draaien we iedere avond net zo lang tot we allebei een houding hebben gevonden die zowel comfortabel als acceptabel is. Ver genoeg uit elkaar om niet te intiem te zijn, dichtbij genoeg om nog voor geliefden door te kunnen. Eén keer probeerde ik haar aan te raken, zonder iets zachts aan haar te kunnen ontdekken. Ze lag erbij als een hoogspanningsmast. Haar onvermurwbaarheid maakte me strijdbaar, dus aaide ik, en wreef ik, en kneedde ik, en ze liet het toe maar er veranderde niets. Pas toen ik met mijn hand naar beneden ging, mijn vingers achter de zoom van haar slipje liet verdwijnen, slordig, ruw, waardoor ik een stukje huid openhaalde, vroeg ze me te stoppen.
Vroeger kropen we zo dicht bij elkaar dat alles, tot en met het laatste haar in onze paardenstaarten, met elkaar verstrengeld was. ‘Het past precies’, zeiden we dan, maar het past altijd precies. Totdat het alleen nog maar ongeveer past en daarna moeilijk past om uiteindelijk helemaal niet meer te passen.

Tijdens de lunch weigert ze opnieuw haar eten in een andere taal te bestellen dan in het Spaans. Dat heeft met respect te maken, zegt ze, respect voor de locals, maar als ik om me heen kijk heb ik geen idee wat local hier precies betekent en door wie haar geste op prijs zou kunnen worden gesteld. De ober van Churchill’s Tapasbar blijkt bovendien gewoon uit Helmond te komen en Joep te heten en vooral niet van plan het Spaanse geploeter in een andere taal te beantwoorden dan het Nederlands. Na twee keer proberen staakt ze haar pogingen. Ze leunt sip achterover en kijkt de barman na, die tijdens het lopen een nonchalante hand door zijn hoogblonde haren haalt.
Wat een eikel,’ zeg ik zacht.
Ze moet een klein beetje lachen maar verzet zich ertegen, kijkt stuurs naar de handen op haar bovenbenen als een verongelijkte peuter.
‘Jezus, wát een eikel.’ Ik zeg het harder nu, speel mijn verontwaardiging groots uit in de hoop haar een echte lach te kunnen ontfutselen en zie aan de tafel naast ons twee roodverbrande hoofden geërgerd onze kant op kijken. Wanneer Joep uit Helmond terugkomt draag ik hem op om ons twee Mojito’s te brengen por favor, daarna een fles wijn. Ik stel zoveel vragen als ik kan om haar op haar gemak te stellen, over haar norsheid heen te tillen. Steeds opgewekter begint ze te praten, met steeds meer gebaren ook. Een langverwachte opgetogenheid echoot ons gesprek binnen, als toetje bestellen we tiramisu én ijs.
Voordat ik ga betalen trek ik haar naar me toe. Ik kus haar lomp, waardoor onze voortanden op elkaar botsen, ze schaterlacht. We laten twintig euro fooi voor Joep achter en gieren gracias over het terras. De hele weg naar huis lopen we hand in hand. Pas wanneer we bij het hotel aankomen, waar een groep jongens tegen de gevel staat te roken, laat ik haar weer los. Ze loopt voor me de trap op, haar slanke, gebruinde benen steken onder haar strakke shorts vandaan. Ik wil in haar kuiten bijten.

In de lobby van het hotel ligt een meisje te slapen op een telefoon die aan de oplader hangt. Twee jongens van een jaar of tien staan lusteloos te pingpongen. Een vrouw sloft zuchtend richting de trappen, haar felgele sarong zo strak rond haar heupen geknoopt dat het vet er aan alle kanten overheen druipt. De dagen kleven traag en oneindig aan elkaar, wie ze per se van elkaar wil onderscheiden kijkt op het bord met het avondprogramma. Gisteren Latin party, vanavond karaoke, morgen pokernight.

In de baai staan we voor de laatste keer tot onze navels in het water. Op het oppervlak schittert een paarlemoeren glans van afgespoelde zonnebrandolie. Verder dan dit durft ze niet. Het water is minder helder verderop en ook plotseling veel dieper. Ze is de hele week al bang voor de glibberige visjes, schrikt van stukjes zeewier in haar knieholte. Ik heb mijn beide armen om haar middel geslagen, druk haar net zolang tegen me aan tot ze ontspant. Verderop hebben vijf roodverbrande mannen een drijvend vlot het water opgeduwd waar in twee compartimenten een koelkast en een stereotoren op zijn gebouwd. Ze schreeuwen uitgelaten en ik stel me voor hoe ze al joelend worden geëlektrocuteerd. Aan haar mondhoeken die voorzichtig omhoog krullen zie ik dat zij zich ongeveer hetzelfde scenario voorstelt.
We zwijgen en kijken uit over het open water. Er zijn mensen die in de verte zwemmen, zo ver dat ze dichter bij de boten zijn die buiten de baai traag voorbijschuiven dan bij ons. Op de eerste dag zwom ik daar ook. Ik voelde me vrij en helder toen ik met grote slagen de baai verliet, maar op open water sloeg die lichtheid plotseling om in de angst dat twee handen me bij mijn enkels vast zouden grijpen en me mee zouden sleuren de diepte in. Ik zwom zo snel als ik kon terug en toen ik buiten adem bij onze badlakens aankwam was ze boos. Ze was me uit het oog verloren, zei ze, had me in mijn donkerblauwe badpak niet meer kunnen onderscheiden van het water, ze was bezorgd geweest. Ik zei sorry en beloofde niet meer zo ver te gaan. Terwijl ik naast haar lag op te drogen bedacht ik me dat we allebei de neiging hebben te verlangen naar iets wat buiten ons bereik ligt. Zij vermoedt dat het open water iets bijzonders herbergt, maar ze durft er niet naartoe te zwemmen. Ik zoek het open water onbezonnen op tot een instinctieve angst me herinnert aan wat ik achterliet. Zo zijn we nooit op dezelfde plek.
De rest van de week trok ik baantjes precies aan de rand van haar zichtveld. Noch de lichtheid, noch de angst keerden terug.

Tijdens onze laatste nacht op het eiland droom ik dat haar vader me opbelt en zegt dat ze op weg naar huis verongelukt is. Ze reed in een auto waar een spookrijder frontaal tegenop botste. In mijn droom klapt een enorme paniek zo hard mijn borstkas binnen dat het voelt alsof mijn ribben een voor een verbrijzeld worden. Ik vergeet te vragen of ze nog leeft, ren op blote voeten het huis uit.
Verkrampt word ik wakker, maar ik ben onmiddellijk ontzettend tevreden over die paniek. Trots vertel ik aan het ontbijt over het telefoontje en mijn reactie. Wanneer ik het detail van de blote voeten poneer, mijn handen druk bewegend boven de eieren, moet ze lachen. Om de droom nog meer betekenis toe te kunnen kennen, zoek ik naar het lemma ‘auto-ongeluk’ op droominfo.nl, maar ik slik net op tijd in wat er staat – als je droomt dat een geliefde omkomt in een ongeluk suggereert dit een diep verlangen afscheid te willen nemen van deze persoon. Ik kijk op van het beeldscherm, zie hoe ze een witte boterham met aardbeienjam in vier stukken snijdt en zeg dat het thuis maar 19 graden is.

In het vliegtuig zitten we naast elkaar met het gangpad tussen ons in. Ik hou een boek vast zonder het te lezen. Vanuit mijn ooghoek zie ik hoe ze op het scherm in de hoofdsteun voor haar een bowlingbal richting een groep opgestelde kegels probeert te swipen. Verbeten tikt en veegt ze over het scherm, maar het lukt haar niet de bal in beweging te krijgen. Ze geeft het op en begint lusteloos door de films te bladeren.
Een paar rijen voor ons worstelt een stel met hun ontevreden baby. Uit het kleine lijfje klinkt gehik en gehuil. Door het geluid kantelt de sfeer in het vliegtuig, al is het onduidelijk of de overige inzittenden de gemoedstoestand van de baby aannemen of de baby juist uiting geeft aan de heersende vermoeidheid en verveling. We weten allemaal dat we er nog niet vanaf zijn als we geland zijn, dat we op het vliegveld eerst nog op onze bagage moeten wachten, naar huis moeten rijden, eenmaal aangekomen een stapel post van de deurmat af moeten vegen en dat voor de rest alles er precies zo bij zal liggen als we het achterlieten. Wat al stuk was werd ook tijdens de vakantie niet gemaakt. 
Mensen beginnen al gauw iets van het gehuil te vinden, zij ook. De vader staat op, werpt het kind over zijn schouders en begint beschaamd op en neer te lopen. Ze zucht de eerste paar keren dat hij passeert, maar al vlug gaat ze op in de film en vergeet ze hem. Ik heb haar altijd op haar mooist gevonden wanneer ze geconcentreerd was, maar hoe langer we samen zijn, hoe mooier ik haar begin te vinden wanneer ze geconcentreerd is op iets anders dan op mij.
Buiten valt de nacht. De laatste stralen zonlicht trekken zich terug achter de horizon. Af en toe kijkt ze op en dan glimlachen we naar elkaar. Mijn arm is lang genoeg om het smalle gangpad te overbruggen, de hare ook, toch houden we ze waar ze zijn.

*

Deze tekst kwam tot stand in het kader van CELA, een ontwikkeltraject voor opkomend Europees literair talent. 

Na een korte radiostilte vervolgen we onze reeks 500 à 1.000 met een verhaal van Lucia van den Brink: ‘RGB’.

*

Eindelijk mag ik de hoofdrolspeler op het doek schilderen. De achtergrond is af: het groen van de vijgenbomen en bramenstruiken, het blauw van de zee en de lucht. Ik doop mijn penseel in het rood, groen en blauw. Als je die kleuren in dezelfde hoeveelheid mengt, krijg je grijs. Ik zoek naar de ideale verhouding. Daarbij probeer ik me de kleur voor de geest te halen die ik zag als kind toen ik stiekem naar het circus fietste. Daar keek ik naar de grijze olifanten die in het gras van het park stonden. Het enige dat de dieren tegenhield was een gespannen touw om een paar palen. Ze vonden zichzelf niet groot of sterk genoeg om er doorheen te beuken. Ze lieten hun wereld eindigen waar het touw begon.

Het fascineerde me. Ik moest het beeld vastleggen. Het eerste schilderij dat ik maakte was van een olifant omringd door een touw. Een olifant in een park. Daarna ook op het strand, midden in de stad of waar dan ook, maar altijd dezelfde olifant.
Tot die ene dag tijdens onze vakantie. We hadden het er ’s ochtends al over gehad, Faraj en ik.
‘Het is toch vies of zo? Voor jou,’ had ik gezegd.
Hij haalde zijn schouders op. ‘Een bloederige hamburger vind ik ook lekker.’
‘Vergelijk je me met een hamburger?’ Ik sloeg hem op zijn bovenbeen.
‘Wat ik bedoel te zeggen is; het hoort erbij. Het is gewoon meer van jou.’
‘Dat is waar,’ mompelde ik. En daar had ik het bij gelaten.
Later die dag gingen we naar de zee. We wilden afdalen. Onze voeten in het koude water laten bungelen. Even afkoelen.
Maar het pad klom. Het leek alleen gebruikt te worden door spinnen. We braken door hun webben.
Faraj liep voorop. Iedere stap leek hem dichterbij zijn doel te brengen. Het was net of hij een dwaallicht volgde dat alleen voor hem bestond.
‘Kunnen we niet beter teruglopen?’ vroeg ik. Alles om ons heen was groen: struiken, bomen. Met mijn hand gleed ik over mijn broekzak. Ik zocht naar mijn telefoon, maar die lag nog in de auto. De auto die we een uur geleden achter hadden gelaten op het parkeerterrein. Of nou ja, iets wat op een uur leek. Mijn tijdsbesef was niet betrouwbaar meer, kwijtgeraakt. Net als mijn richtingsgevoel.
Er kwam een punt dat er meer blauw was dan groen. Meer zee en lucht. Een tint helderblauw die je in Nederland niet tegenkomt.
‘Wist je dat de lucht blauw is omdat het zonlicht verstrooit onderweg?’ vroeg ik aan Faraj. Ik wist dat het zijn lievelingskleur was.
‘Wat bedoel je met verstrooien, mijn kunstenares?’ Faraj draaide zich om en kneep in mijn zij.
‘Zoals ik het zeg; blauw bereikt je oog via een omweg. Dat komt door de korte golflengte.’
‘Dus blauw bestaat omdat het onderweg naar je oog verdwaalt?’
‘Zo zou je het kunnen zeggen.’
Hij glimlachte. ‘Zie je, de weg kwijtraken is goed. Als je verdwaalt, kun je tenminste iets vinden.’
‘Gebruik je daarom liever geen Google Maps?’
‘Na één keer rijden wil ik het uit mijn hoofd doen. En als het niet lukt, nou ja, van een omweg kun je leren. Of iets nieuws ontdekken.’
‘Ik kom het liefst direct waar ik wil zijn,’ zei ik, ‘en ik zou nu het liefst teruggaan.’
‘Waar is terug?’ Hij bleef vooruit kijken. Ik ging naast hem lopen. Het was laat in de middag, toch liet de zon onze huid gloeien.
Faraj pauzeerde bij een grote struik om aan de bladeren te ruiken. ‘Vijgen,’ zei hij. Toen ik beter keek, zag ik ze hangen: de groene vruchten die alleen in warme landen groeien. Hij kende dit klimaat beter dan ik. Hij plukte een blaadje en gaf het aan mij. Ik rook eraan. Vanaf dat moment herkende ik overal vijgenbomen. Ik zag ook bramenstruiken met gemene stekels. Af en toe klonk er een bijenkoor uit de bosjes.
Ik wilde de omgeving vastleggen. Ik stelde me voor hoe het penseel zou voelen tussen mijn vingers, hoe de verf zou ruiken als ik realiteit mengde met fantasie.
Met iedere stap had ik minder tegen Farajs ferme pas in te brengen. Het deed er niet toe. Ik liep. Natuurlijk wilde ik dwalen met hem, verdwijnen, alleen wij twee op de wereld.
Mijn pas kreeg een ander ritme. Een ritme dat onwennig voelde; het was niet de pas van het rennen naar de trein, niet van ongeduldig wachten in de rij bij de supermarkt en niet van de gretigheid waarmee ik dagelijks naar het koffieapparaat loop. Nee, dit was het ritme van lopen zonder doel. Het ritme van vijgenbomen, bramenstruiken en bijen.
Mijn nek zweette. Mijn voeten brandden.
De vijgengeur ging mijn neus in en vulde mijn longen met zuurstof. Het geluid van de bijen ging mijn oren in en zoemde door mijn lichaam. Ik was onderdeel van de omgeving en de omgeving was onderdeel van mij.
Ik was niet langer iemand met volgers op Instagram en vrienden op Facebook. Ik was niet mijn kledingsmaak. Ik was niet mijn stem, mijn haar, mijn huidskleur. Niet mijn opleiding, mijn werkervaring, mijn vaardigheden.
Ik was niet.
Ik liep.
Totdat we aan het einde van het pad waren. Bovenaan een diepe klif. Een klif die eindigde waar de zee begon.
‘Zoveel water…’ 
Faraj begon te lachen. ‘Dat zeker.’
‘Ik weet dat het grootste gedeelte van de wereld eruit bestaat, maar toch zie ik het bijna nooit.’
‘De stad beperkt je zicht.’ Faraj kwam achter me staan en sloeg zijn armen om me heen. Ik voelde zijn adem in mijn nek.
‘Ik denk dat je heel erg verdwaald kunt raken op zee.’ 
‘Ik ben verdwaald sinds ik jou ken,’ fluisterde hij in mijn oor.
Ik draaide me om, legde mijn hand in zijn nek en kuste hem.
We duwden onze lichamen tegen elkaar aan. We wilden zo dichtbij komen, dat er geen dichterbij meer was. Ik begon sneller te ademen. Probeerde ieder stukje van zijn huid aan te raken. We bewogen zoals we gedirigeerd werden door de omgeving.
Hij greep met zijn hand tussen mijn benen en wreef zachtjes.
‘Ik kan niet,’ mompelde ik. ‘Ik ben daar bezet.’ Ik gebruikte omslachtige woorden die de realiteit van mijn ongesteldheid moesten verzachten.  ‘Ik denk dat het wel kan.’ Zijn hand kroop, groef en manoeuvreerde zich tot in mijn bikini. Met zijn andere hand pakte hij die van mij en bracht die naar het touwtje. Uit automatisme pakte ik het vast. Hij keek me afwachtend aan.
Vanochtend koos ik een zwarte bikini, want vlekken voorkomen was onmogelijk, maar ze onzichtbaar houden zou nog net lukken. Geen jurkje, want daarin zaten geen broekzakken om de kleurige verpakking van maandverband te verstoppen. En mijn tas moest een vakje hebben om dicht te ritsen, zodat mijn dagvoorraad tampons er niet uit kon vallen.
Andere vrouwen gaan ook zo te werk, dat wist ik zeker. We zijn menstruatieninja’s, ieder met een eigen set technieken om het rood onzichtbaar te houden. Levenslang geperfectioneerd, altijd hopend op gratie.
Maakte ik al die keuzes omdat ik het zelf wilde? Als ik geen menstruatieninja zou zijn, zou ik de vlekken in mijn ondergoed trots kunnen dragen; een teken van een gezond lichaam dat klaar is voor een nieuw begin. Ik zou mijn armen laten zwieren als ik naar het toilet loop met maandverband in mijn hand. Ik zou tampons in een mooi glaasje op mijn toilet zetten als traktatie voor iedere vrouw die op bezoek komt, zoals vroeger sigaretten op tafel kwamen.
Het blauwe touwtje wikkelde ik om mijn vinger. De kleinste beweging zou de tampon lostrekken. Ik was benieuwd wat er zou gebeuren als ik het bloed liet gaan. Zou het netjes op zijn plek blijven? Zou het langs mijn benen lopen? Zou het op de grond spetteren?
Ik realiseerde me hoe groot mijn wereld eigenlijk was en hoe klein die was geworden in mijn hoofd. Ik had er een touwtje omheen gespannen, of laten spannen.
Het blauw voor ons was kalm; het water kabbelde, de hemel leek gladgestreken. Ik deed een stap naar de diepte, trok de tampon los en gooide die met een flinke zwier in het blauw onder ons.
Daarna liet ik mijn broek zakken en duwde mijn billen tegen Faraj aan. Hij kleedde zich uit, hinkelde even toen hij op een been stond en sjorde mijn bikinibroekje opzij. Zijn penis baande een weg langs mijn billen en gleed naar binnen. Alles voelde zachter en warmer dan normaal. Ik hapte naar adem. Hij was hebberig, zijn heup maakte een ketsend geluid tegen mijn billen. Ik steunde met mijn handen op mijn bovenbenen, net boven mijn knieën, sloot mijn ogen en voelde alleen maar. Zonder tijdsbesef, zonder uiterlijk, zonder innerlijk verdwaalde ik in het niet-zijn.
Tot mijn zweterige voet uit mijn teenslipper gleed. Ik wankelde, probeerde weer in mijn slipper te stappen en zag hoe het bloed op mijn benen als een rivier met kleine vertakkingen de snelste weg naar het laagste punt zocht. Onderweg vermengde het rood met zonnebrand en vormde een lichtere kleur. Mijn benen waren het doek, het palet aan rood een kunstwerk.
Faraj stopte, pakte mijn bovenarmen, draaide me om, kuste me en zakte voor me op zijn knieën. Ik twijfelde, ik wist waar dit naartoe ging, en dacht aan hoe hij had gezegd dat hij van een bloederige hamburger hield. Zodra hij me zachtjes begon te likken, wist ik dat het goed was. Het bloed was niet eng, deed geen pijn, hield ons niet tegen, was er gewoon.
Ik synchroniseerde met zijn bewegingen. En ik kwam klaar.
Vanuit mijn ooghoek zag ik hem snelle handbewegingen maken, hij volgde
en liet zich op de grond vallen.
Er zat bloed rondom zijn mond. Een donkerrode tint onder zijn neus, rode vlekken op zijn kin. Hij glimlachte toen hij mij zag kijken en likte zijn bovenlip af. Hij bromde tevreden.
Ik ging naast hem zitten.
De zon zakte langzaam. Het uitzicht werkte hypnotiserend. We staarden zwijgend. Ik vroeg me af of mensen uitzichten mooi vinden omdat ze de wereld zien, of juist omdat ze het einde van de wereld zien.
De lucht rondom de ondergaande zon veranderde van helderblauw naar rood.
‘De kleur rood verstrooit amper onderweg naar je oog,’ zei ik. ‘Dat zie je nu. Omdat de zon lager zakt, is de luchtlaag waar de zon doorheen moet dikker. Blauw redt dat niet vanwege de verstrooiing, maar rood komt er altijd doorheen. Daarom zijn mistlampen ook rood.’
Met mijn hand wreef ik over het bloed op mijn benen. Het was ingedikt en opgedroogd. Ik smeerde het uit, verstrooide het totdat er niets meer van te zien was, totdat er alleen nog een spatje op mijn enkel zat.
Ik keek ernaar. Liet het daar.
Het mocht er zijn. Niet alles hoeft te verdwalen.
Vandaag schilder ik geen touw om de olifant.

In de reeks 500-1.000 woorden vandaag het verhaal ‘Dieren die je niet op kunt tillen’ van Jordi Lammers, een verhaal dat ruim 1.700 woorden telt maar zoals het in deze reeks gaat: is een verhaal goed dan plaatsen we het, dan is lengte ondergeschikt. Update 29 juni 2020: Jordi Lammers wint de schrijfwedstrijd Write Now! 2020!

*

Chris kon zich niet voorstellen dat hij zich ooit gelukkiger zou voelen dan vandaag. De zon gloeide in de achteruitkijkspiegel, de airco woei in zijn gezicht en het jachtgeweer lag op de achterbank. Alles was goed.
Zijn vader reed met tachtig kilometer per uur door het bos terwijl het ene na het andere nummer van Tom Petty de revue passeerde. Zijn vader was fan van hem, groot fan, misschien wel de grootste ter wereld. Hij had alle platen en bootlegs en was op de dag van zijn overlijden helemaal van slag geweest. Met een fles whiskey en een pakje sigaretten had hij zich teruggetrokken op de veranda, waar hij om de zoveel tijd zijn naam mompelde alsof het om een oude vriend van hem ging. Daarna heeft hij er nooit meer een woord over gesproken en Chris gaf hem daar groot gelijk in. Dood is dood, daar valt geen reet meer aan te doen.
Chris liet zijn ogen over zijn vader glijden en was jaloers op zijn outfit: een spijkerbroek die naar kampvuur rook, een zwart shirt zonder mouwen en een versleten legerpet die hij zo nu en dan optilde om het zweet van zijn voorhoofd te vegen. Zijn vader was niet zomaar een man, hij was een man die in de twintig jaar dat ze in het dorp woonde nog nooit een potje armpje drukken had verloren, een legende in de ogen van de oude garde en een voorbeeld voor alle jongens die ook zo sterk wilde worden. En bovenal: zijn vader. Hij week van de weg af, reed een vergeelde grasvlakte op en parkeerde de wagen in de schaduw.
Eindelijk, dacht Chris, we kunnen beginnen.
Hij stapte uit de auto en nam de omgeving in zich op. Veel was er niet te zien. Een lantaarnpaal, een slipper en een dixie die een deur miste, dat was alles. Chris raapte de slipper op, trok het teenstukje uit het rubberen voetbed en besefte hoe ver ze van de bewoonde wereld verwijderd waren. Mocht de wagen straks niet meer opstarten, zouden ze hier in het beste scenario pas morgen ontdekt worden. Maar goed, dat waren zorgen voor later. Nu moest hij zich op de jacht focussen. Zijn verwachtingen waren gedurende de rit alleen maar gegroeid en het stelde hem daarom extra teleur dat zijn vader bij aankomst alles op zijn dode gemakje deed.
Zijn vader zette een koffiekan op de motorkap, legde een krant ernaast, en haalde een pak shag uit zijn broekzak. Langzaam, alsof de herten vanzelf naar hen toe zouden huppelen, liet hij het vloei tussen zijn vingers glijden en Chris wilde het liefst de hele handel uit zijn handen pakken om het zelf twee keer sneller te doen. Hij sloot zijn ogen, telde tot tien en snoof de dennengeur in zich op. Een paar seconde hielp het, maar toen hij zijn ogen weer opende werd zijn blik automatisch naar de achterbank gezogen. Het wapen lag er prachtig bij. De loop glinsterde in de zon en de houten hals leek gladder dat ooit tevoren. Hij ging op de hete motorkap zitten, in het zicht van zijn vader, en vroeg waarom het geweer nog in de auto lag.
Omdat we het nu nog niet nodig hebben, zei zijn vader zonder op te kijken.
Maar we wachten al zo lang, zei Chris.
Dan wacht je nog iets langer.
Zijn vader sloeg een bladzijde van de krant om en las schijnbaar onverstoord verder. Met grote, snelle passen liep Chris weg van de auto, terwijl het ene net het andere scheldwoord door zijn hoofd gierde. Hij tastte naar zijn broekzak, haalde een mes tevoorschijn, klapte het open en ramde het in de eerste boom die hij tegenkwam. In een keer gleed alle frustratie uit zijn lichaam: de jongens die zijn schooltas elke pauze in de prullenbak gooide, de puistjes die zich over zijn gezicht verspreidden en zijn moeder die sinds het ongeluk de hele dag achter de laptop patience speelde. Even was het allemaal weg, maar al snel troepten de boze gedachtes weer samen omdat hij het mes niet meer uit de boom kreeg. Hij trok en trok maar het mes bleef klemvast zitten. Nog een poging, besloot hij, daarna zou zijn vader hem een handje moeten helpen. Hij zette zijn rechtervoet tegen de boom, leunde met zijn hele gewicht naar achteren en trok zo hard als hij kon.
Het volgende moment lag hij met zijn rug op het gras. Hij raapte het mes op en zag aan de blik van zijn vader dat hij alles had meegekregen.
Je moet dat ding niet in de boom steken, zei hij met een frons tussen zijn ogen. Zijn stem, daarentegen, klonk nog even beheerst als altijd.
Sorry, zei Chris, maar ik wacht al uren tot we gaan jagen. Ik kan niet meer. 
Zijn vader zette de beker op de motorkap en sloeg zijn armen over elkaar.
Ik ben bang dat het vandaag niet gaat lukken, Chris.
Hoezo niet?
Het is er de juiste dag niet voor.
Maar wanneer is dan wel de juiste dag?
Dat is lastig uit te leggen aan mensen die niet jagen.
Chris keek met een verwarde blik om zich heen.
Maar, waarom zijn we hier dan?
Zijn vader krabde aan zijn bovenarm en staarde naar een willekeurig punt in de verte. 
Oké dan, we kunnen best een uurtje het bos ingaan. Maar blijf een meter achter me lopen. Begrepen?
Chris knikte en even later zag hij hoe het zonlicht vlekken maakte op het bospad. Op een normale dag had hij van deze wandeling genoten, maar nu lette hij vooral op het geritsel in de struiken. Af en toe stak er een konijntje over. Een prima prooi voor jagers die met weinig genoegen nemen, maar niet voor hem. Hij wilde alleen op grote dieren schieten. Dieren die je niet op kunt tillen.
Voor een open veld hield zijn vader halt. Hij draaide zich om en gebaarde dat ze zich klein moesten maken.
We zijn heel dichtbij nu, fluisterde hij, vanaf hier kunnen we ze goed bekijken.
Zijn vader verschuilde zich achter een struik, haalde een schietstok uit zijn tas en draaide onbeholpen aan wat schroefjes en boutjes om het ding op de juiste hoogte af te stellen. Toen hij klaar was, legde hij zijn jachtgeweer op het steunstuk. Nu kon het niet lang meer duren, dacht Chris, en terwijl zijn vader naar het veld tuurde, bracht het gezang van de vogels hem terug naar de middag dat hij een duif van de schutting had geschoten. Zijn vrienden waren erbij geweest en hadden het beestje even later achter de schutting gevonden, badend in een plasje bloed. Iedereen had het de rest van die dag over het schot gehad, behalve Chris zelf. Het enige dat hij gevoeld had was honger. Honger om elke vogel ter wereld uit de lucht te knallen.
Zie je al iets, vroeg hij aan zijn vader.
Nee, antwoordde hij, niks.
Zijn vader boog voorover om het veld te bekijken en op dat moment zag Chris iets vreemds aan hem. Tussen de plukken die onder zijn pet vandaan glipten zaten een paar grijze haren. Niet meer dan tien, maar toch, dit was het begin van het eind, vanaf nu zou het alleen maar erger worden. Hij deed een stap naar voren om de haartjes beter bekijken en dacht aan zijn opa die eerst grijs was geworden, daarna in een rolstoel was beland en op dit moment elke dag door een zuster werd verschoond. Zo snel kon het gaan.  
Chris zette het uit zijn hoofd en vroeg aan zijn vader of hij ook een keer mocht kijken. Omdat er geen reactie volgde, probeerde hij het nog een keer, nu minder geduldig: kom op pap, ik wil ook.
Zijn vader draaide zich om en in plaats van boos te worden, keek hij met grote ogen naar iets dat vlak achter zijn zoon stond. Daarna draaide ook Chris zich om een zag hij, nog geen vijf meter voor hem, de vijand staan, de prooi waar ze op gewacht hadden. Volledig bevroren, als een wassen beeld, staarde het in de loop van het jachtgeweer.
Schiet, siste Chris met zijn tanden op elkaar.
Wat zeg je?
Dat je moet schieten!
Nu?
Ja, riep Chris, nu!
Zijn vader zette een pas naar achter, keek naar zijn voeten, verloor zijn evenwicht en haalde in zijn val de trekker over.
Er klonk een knal door het bos, gevolgd door het gefladder van wat vogels. Het hert vluchtte de bosjes in en Chris strekte zijn hand uit om zijn vader overeind te helpen. De man die voor hem op de grond lag, was niet de spierbundel die afgelopen zomer met zijn blote handen een vis had gevangen. Integendeel. Dit was een oud mannetje dat in de hal van het bejaardenthuis op zijn bek was gegaan. Niet meer en niet minder.
Dat lukt zelf wel, zei zijn vader. Hij krabbelde op, raapte zijn pet van de grond en zette die scheef op zijn hoofd. Vervolgens liep hij in een rechte lijn naar de schietstok. Hij klapte het ding dicht en stopte het in de tas.
We zijn klaar voor vandaag.
Zonder om te kijken liep hij weg en Chris slenterde met tegenzin achter hem aan. Als ze straks thuiskwamen, zou alles nog hetzelfde zijn. De koeien zouden nog steeds met hun domme koppen in de wei staan, zijn broertjes zouden nog steeds de hele dag achter elkaar aan rennen en zijn moeder zou nog steeds met een chipszak voor de laptop zitten. Daar was geen zak aan veranderd.
Zijn vader zat al in de auto toen Chris bij de grasvlakte aankwam. Hij had zijn vingers om het stuur geklemd en richtte zijn blik op de bosrand die door de koplampen in een spotlight werden gezet. Chris stapte in en ging naast zijn vader zitten, die hem tot zijn verbazing een peuk aanbood. Chris schudde zijn hoofd. Zo makkelijk liet hij zich niet afkopen.
Je kan helemaal niet jagen, viel hij met de deur in huis.
Zijn vader knikte.
Maar waarom zei je dat dan?
Geen idee, zei zijn vader, soms zeg je iets en kun je het niet meer terugdraaien. Zo gaat dat.
Hij tilde zijn pet op waardoor er vlak onder zijn haargrens een witte streep tevoorschijn kwam. Pas nu zag Chris hoe verbrand de rest van zijn gezicht was. 
Ik snap het niet, zei Chris, waarom rijd je dan hierheen?
Rust, zei zijn vader, dat is alles. Thuis moet ik het eten koken, de afwas doen, jullie naar school brengen en ook nog de hele dag op het land werken. Soms ben ik zo moe dat ik niet eens meer een kopje koffie op kan tillen.
Zijn vader hield het vlammetje van de zippo onder zijn peuk en nam een flinke hijs. Chris snoof de rook op die zich door de auto verspreidde. Zo kon hij toch een beetje meedoen. 
Je lag er echt dom bij net, zei hij na een poosje.
Dat zal wel ja, antwoorde zijn vader.
Net een bejaarde.
Zijn vader glimlachte flauwtjes, tikte de peuk af en kneep Chris vervolgens in zijn bovenbeen.
Niet te lang boos zijn. Ik probeer er ook het beste van te maken.
Met die woorden sloot zijn vader het gesprek af. Hij startte de auto, reed de weg op en trommelde de rest van de rit ieder liedje van Tom Petty mee – zelfs de nummers waar geen drumpartij in voorkwam. Chris legde zijn hoofd op het raam en dacht aan zijn moeder die op dit moment in de woonkamer zat te wachten tot ze thuiskwamen. Straks zou zijn vader haar een kus geven en vragen hoe haar avond was, daarna zou hij haar uit de rolstoel tillen en op de traplift zetten die haar iedere avond met een brommend geluid naar boven bracht. Zo zou het de komende jaren gaan en het enige dat hij nu kon doen was stilzitten, zijn hand op het dashboard leggen en het ritme zachtjes meetikken.

Het is bijna donker, een zomeravond rond een uur of tien. Het water reflecteert gebroken licht, ik weet niet waar het vandaan komt, ik zie geen maan en er staan hier geen lantaarnpalen, alleen verderop, langs de weg. Het grindpad is ongeveer een halve meter breed, je kunt hier niet naast elkaar lopen, mijn vader loopt een meter of drie voor me uit. Hij heeft een kwartier geleden een auto tegen een boom geparkeerd. Een paarse Mercedes, de Mercedes van de vrouw van zijn beste vriend.

Ik zat ook in de auto. Nu loop ik achter hem, op het dunne pad langs de Vecht. Ik kijk naar mijn vader, hij loopt langzaam, hij heeft moeite met lopen. Hij is straalbezopen. De trefzekerheid die zijn woorden hebben als hij gedronken heeft, heeft zijn lichaam niet. Ik houd mijn passen in, ook als hij stilstaat zorg ik dat ik afstand bewaar.

Een verkeerde stap, een voet die wegglijdt, een rare draai met zijn lijf en hij flikkert het water in. En dan? Duik ik hem dan achterna? Probeer ik mijn armen om dat logge lijf te slaan om vervolgens samen met hem weer naar de kant te zwemmen? Ik kan beter het water niet ingaan maar op de kant blijven, door mijn knieën zakken of gaan liggen en proberen zijn hand, zijn onderarm te pakken te krijgen zodat ik hem weer op het gras kan hijsen. Ik zal de kraag van zijn overhemd grijpen, maar de stof zal scheuren en hij zal terug het water in vallen en ik zal daar zitten met dat stuk katoen in mijn hand. Ik moet de band van zijn spijkerbroek pakken. Of mijn handen onder zijn oksels duwen en hem zo de kant op sjorren. Hoe zwaar zal dit lichaam zijn als het niet meegeeft? Als ik hem, ons, niet boven water krijg en hij weigert los te laten? Wij gaan niet alle twee naar de bodem zinken. Ik kijk naar zijn benen, de schoenen die wankelend hun weg zoeken. Gewoon recht vooruit man, loop door.

We laten de hond uit. De hond van mijn vaders beste vriend. Mijn vader kent zijn verantwoordelijkheid, de hond van zijn vriend moet uitgelaten worden.

Ik zat naast mijn vader in de auto toen hij op de snelweg de vangrail schampte en een kwartier later de auto op de oprit van het huis tegen een boom aan reed.

De hond loopt voor ons uit, soms wacht ze tot mijn vader op gelijke hoogte met haar komt, om dan weer weg te springen. Ze rent vooruit, op het pad, en blaft. Ze heeft net geplast, tegen de eerste boom die ze zag, ze had op ons gewacht.

‘Het was een ongeluk,’ zei mijn vader toen hij de sleutel uit het slot haalde. De motor was afgeslagen door de klap.

ʻAls ze ernaar vragen, het was een ongeluk.ʼ

Ik zei niks, ik knikte niet, ik schudde mijn hoofd niet.

ʻGaat het?ʼ vroeg hij. Hij legde zijn hand op mijn knie. Ik duwde het portier open en stapte de auto uit.

Sommige verhalen zijn te groot voor één iemand. Wat er gebeurde in het leven van mijn vader was te groot voor hem. Was hij een schrijver geweest, had hij erover kunnen schrijven. Was hij een prater geweest, had hij erover kunnen praten. Maar mijn vader is geen schrijver en ook geen prater, mijn vader is een drinker.

Sommige verhalen kennen zo veel meer vertakkingen dan we vermoeden. Ze zijn niet te ontrafelen en daardoor niet deelbaar maar de wortels en vertakkingen zoeken hun eigen ongeleide weg naar buiten. Ze moeten ergens heen.

Mijn vader staat stil, heeft het pakje shag uit zijn borstzak gepakt. Deze verfijnde motoriek laat zich door geen enkele hoeveelheid alcohol belemmeren, zijn vingers plukken, verdelen, rollen gedachteloos. Hij steekt zijn sjekkie aan, even is er licht. Ik kijk weg, wil zijn gezicht niet zien.

We reden via omwegen van Loenen naar Amsterdam, de toeristische route, zei mijn vader. We hadden de ramen helemaal naar beneden gedraaid. Met acht vingers rolde hij zijn shag, zijn pinken hield hij voor de vorm tegen het stuur aan. Ik had hem een sigaret aangeboden maar die wilde hij niet. We reden veel langs water. Mijn vader wees zo nu en dan naar een boot. ʻToeristen,ʼ zei hij. We rookten, bliezen de rook door onze mondhoeken naar buiten. Hij roffelde met zijn rechterhand het ritme van het liedje op de radio op het stuur. De zon scheen op mijn arm die ik half naar buiten liet hangen. Zacht zong ik mee met de muziek.

Ik stond erbij en keek ernaar. De vrouw die een paar jaar zijn vrouw was geweest, was ook op het feest. Het huis was bij lange na niet groot genoeg voor deze twee mensen om elkaar een avond lang te ontwijken. En hé, we zijn volwassen, en laten we niet kinderachtig doen, laat onze vrienden zich niet in bochten hoeven te wringen.

Ik weet hoe ik mezelf in moet zetten als golfbreker, als pion, me schrap zetten en tegelijkertijd lichtvoetig door de ruimte bewegen. Glimlachen. Ik trok mijn oliejas aan, liet alles van me afglijden. Daar stond ik, een prachtige namiddag in juni, vierentwintig graden, zwetend in die veel te zware jas op dit feest, tussen al die volwassenen en hoewel ik al bijna geen kind meer ben voelde ik me wel zo.

ʻPap,ʼ zei ik toen hij zijn zesde biertje openmaakte. Daarna deed ik een zonnebril op en zette de kraag van de jas omhoog.

Mensen feliciteerden me met het havodiploma dat ik een paar weken daarvoor had gehaald. Mensen vroegen wat ik nu ging doen. Mensen vroegen of ik vakantieplannen had. Hoe het met mijn zusje ging. Waarom zei niemand iets toen deze man zich genadeloos vol liet lopen? Waarom legde niemand een hand op zijn schouder? Waarom was er niemand die de autosleutels afpakte? Waarom trok niemand mij uit die auto? Het is zijn leven, het is privé, wij zijn zijn beste vrienden maar bemoeien ons daar niet mee.

Iemand zei: ʻWees voorzichtig.ʼ

ʻZe heeft gepoept,ʼ zegt mijn vader. ʻWe kunnen terug.ʼ

Ik draai me om, nu loop ik voorop. Ik hoor de hond aan komen rennen, ze haalt me in, stopt, draait zich om, kijkt, wacht. Wat wil je beest, de roedel bij elkaar houden? Ik kijk naar de hond. Achter me hoor ik mijn vader zwaar ademen, af en toe hoesten.

Sommige verhalen dringen zich op. Bij sommige verhalen heeft het geen zin je handen tegen je oren te drukken omdat ze niet van buitenaf komen.

Als de hond nu blaft, nu een paar keer heel hard blaft, zal ik niet horen hoe het lichaam van mijn vader het water raakt. Het laatste licht is weg, ik zal niet kunnen zien waar precies hij viel. Alleen wat kleine golven in het water, vanaf een onzichtbaar centrum naar de kant.

Maar het beest houdt zich stil, en ik hou me stil, en mijn vader houdt zich stil en dan rochelt hij en spuugt in het water en ik schop tegen een steen en de steen schiet langs de hond en de hond blaft.

Dit verhaal werd afgelopen zaterdag voorgelezen op het Tilt-festival in Tilburg.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Laura Broekhuysen zich inspireren door een verhaal van W.F. Hermans.

*

‘En zie je dat verschil dan niet, heb je geen onderscheidingsvermogen.’
W.F. Hermans, uit ‘Cascaden en riolen’

De winkel is je vertrouwd, blind laveer je tussen de schappen. Je bent vergeten dat het een ander filiaal is. Alles ligt waar het hoort, maar centimeters uit het lood. Je blijft misgrijpen, zoals je valsspeelt op een viool met een afwijkende mensuur, je wankelt als de muur een fractie te laat, te vroeg op je afkomt, slaat hellend hoeken om die graden stomper, scherper zijn.
Of komt het door je haast?

De vrouw naast de vrieskist, levensgroot, is je achterop gekomen. Je herkent haar niet; het geluid van haar schoenzolen blijft stilstaan in je oren, als water in verstopte trechters. Kijk maar over je schouder, ze zal zeggen dat je niets veranderd bent – materiaal met een geheugen, dat terug zal floepen in de oorspronkelijke staat zodra zij het cellofaan eraf trekt, ratst – je schrikt als ze haar handen voor je ogen vouwt.
Ra-ra! Ze laat haar vingers dwarrelen. Mijn handen, hoor je haar zeggen, of je haar handen dan niet herkent?
Je hebt je die stem voor de geest gehaald, in ditzelfde register, hooguit een microtoon ernaast.
Ze stuurt haar boodschappenkar om je heen – je schuift in een tijdschaal waarin een uur een etmaal is, zoals men in slow motion botst. Nu kijkt ze je aan. De wereld draaide, om haar as, rond de zon, maar zelf ben je, snel als het licht, zeventien gebleven.
Ze zegt: Ik kom hier nooit. Ze heeft het kapsel van een tweelingzus, gespeeld door dezelfde actrice. Ze lijkt wat minder ruimte te beslaan, maar of het nu geldt van links naar rechts of van boven naar beneden?
Je zegt dat je hier dagelijks boodschappen doet, herinnert je dan dat dat niet zo is, maar rectificeert je uitspraak niet.
Ze zet een stap dichterbij en wil je omhelzen, je staat net iets verder van haar af dan ze dacht, of stond je juist wat dichterbij – je proeft haren.
Ze vraagt hoe het gaat.
Het gaat je goed. Je hebt kinderen. Je noemt ze op.
Haar filtrum herinner je je rimpelloos, de contouren van neusbrug en bovenlip scherp, gestift vermiljoen, de spatielengtes tussen haar woorden – je was vergeten
hoe minutieus je haar in kaart hebt gebracht. Ze laadt twee liter karnemelk in haar kar. Ze vertelt waar ze werkt.
Daar fiets je wel eens langs.
Ze vraagt nog, je staat al bij de kassa, of je zou afstappen als je haar zou zien.
Op straat herken je niets. Als je ter oriëntatie je hoofd in je nek legt, vang je een laatste glimp van een maan die afneemt, opraakt, een sikkel zo dun als een schrikkelseconde.

Anton Patrick zoekt zonder licht te maken naar het kladblok waarop hij zijn boekhouding bijhoudt, scheurt er een stuk papier af en schrijft in afhellende letters Uitzonderlijk gesloten wegens een gelukkig voorval. Hij buigt zich over de enorme pinguïn die voor de deur staat, maakt voorzichtig het portret van zijn grootvader los en plakt het papier op die plaats tegen het glas. 
De honderden beren, kalkoenen, marters en miereneters kijken hem na terwijl hij het portret naast de paraplubak op de grond legt.
Ici on remplace les mauvaises têtes.
Het komt uit een andere tijd. Niemand herstelt nog, iedereen koopt nieuw. Hij gaat er prat op de grootste biodiversiteit aan pluchen dieren te bezitten. Het komt zelden voor dat hij een kind moet teleurstellen. (Natuurlijk heeft hij niet iedereen blij kunnen maken in zijn leven en niet alles wat stuk is, valt te herstellen, maar) hij duwt die gedachte snel weg, neemt zijn jas en hoed van de kapstok en wanneer hij het geluid van de klingelende belletjes hoort wegvallen achter het dichtslaan van de deur, weet hij dat dit een goed idee is.

De gouden woorden kijken hem na. Pelucci d’Anton. Zijn grootvader noemde zijn zoon Anton en op zijn beurt gaf zijn vader de verwachting door, door hem dezelfde naam te geven. Anton diende ertoe om iets in stand te houden, hij kon niets anders worden dan een kopie van zijn vader. Een reproductie is zelden beter dan het origineel. (Even verwacht hij dat het verdriet nu de kop zal opsteken, zoals het de voorbije maanden steeds bij hem is geweest, met een overspoelende kracht maar het komt niet en) hij haalt adem, loopt de Rue Raymond Losserard verder in. Sinds 1903 is de sluitingsdag op zondag. Vandaag zal hij zijn eigen regels voor het eerst overtreden.

Zijn wijk ontvouwt zich in het leven zelf, niet in plekken van grote betekenis. Achter elke hoek kan een volkomen ander gezicht van de stad opduiken. Brede boulevards naast smalle gangetjes, statige gebouwen met onduidelijke functies naast met mos overgroeide overblijfselen van iets wat ooit statig was geweest. Wat er zich al van toeristische bezienswaardigheden bevindt, heeft te maken met de dood. Een kerkhof waar enkele beroemdheden liggen maar dat niet kan concurreren met Père Lachaîse. De ingang van de catacomben.
De kans om hier toeristen tegen het lijf te lopen, is kleiner dan elders in de stad. Hij wordt ongemakkelijk van ze. Ze zien iets wat hij niet ziet. Hoewel ze naast hem op dezelfde stoep lopen, wandelen ze toch in een andere straat dan hij. Een straat die beschreven staat in een gidsje dat heeft samengevat hoe de straat moet zijn. (Er valt natuurlijk helemaal niets vast te leggen, geluk is vaak het voorstadium van verlies, altijd dezelfde snijdende gedachte) schiet weer door zijn hoofd terwijl hij tussen de auto’s door de straat oversteekt. Hij mijdt oogcontact met de passanten, hij zou zichzelf te zeer vastgelegd zien in hun blik. Een deftig mannetje in een tabaksbruin pak met een hoed, meneer Patrick van het winkeltje, overblijfsel uit een andere tijd. Ziet er ouder uit dan hij is, wordt desondanks dikwijls als verkleinwoord aangesproken, niet waar meneertje Patrick?
Iemand die hij vandaag niet is, want het is dinsdag en toch is de winkel gesloten.

Vietnam ligt hier schouder aan schouder met Libanon, China en Algerije. Midden in zijn buurt ruikt het naar werelden die hij niet kent. Bij het zien van de opgeblazen pekingeenden, aan hun nek opgehangen en blinkend oranje, moet hij zijn blik afwenden.
Rul, kaal vlees.
Een koud lichaam, hangend hoofd.
Even lijkt het alsof hij op een hellend plateau staat. Hij concentreert zich om het beeld weg te krijgen (de onmogelijkheid om contact te maken met iemand die zo vaak haar armen rond zijn hals heeft geslagen, hem zoende op zijn slaap, het zou nooit anders zijn), tast dan naar zijn schoudertas.
Mensen lopen langs hem heen, een jonge vrouw stoot hem per ongeluk aan. Ze kijkt haastig om en hij ziet haar lippen een verontschuldiging vormen, meteen loopt ze verder, tussen alle andere lichamen op weg naar een andere plek. (Dat alleen hij het ziet: alles kan meteen ophouden, deze verzameling huid en water, er is niet veel nodig. Zijn schoudertas weegt licht, te licht voor het gewicht van zijn plan. Driehonderd gram, niet meer. Zelfs wie echt naar hem zou kijken zou alleen een man zien die zijn tas weegt.)
Hij loopt snel voorbij de eettentjes, slaat een zijstraat in, voelt hoe zijn ademhaling weer vertraagt.

Hij heeft zijn grootvader vaak helpen zoeken naar de juiste nieuwe huid, in de lade met verschillende velletjes. De bokalen met ogen stonden naast de bokalen met voorpoten. Hij raakte elke keer begeesterd door de concentratie waarmee de oude man de beren openlegde met een vlijmscherp mes, hen van een nieuwe vulling voorzag, hoe hij hen zorgvuldig weer dichtnaaide, steeds met de hand en zo onzichtbaar mogelijk. De zucht van tevredenheid wanneer zijn grootvader de nieuwe teddybeer tegen het licht hield, stond in schril contrast met de teleurstelling die vaak gepaard ging met het overhandigen van het genezen knuffeldier aan de kinderen. 
Ze hechtten vaker dan volwassenen dachten aan afgeknabbelde oren, aan ontbrekende ogen, aan kaalgestreelde buiken. Omdat Anton nauwelijks boven de toonbank uitkwam, keek hij recht in hun ogen en zag dat ze beseften dat iets wat verdwenen was, nooit meer terug kon komen.

Veel van wat hij in het leven heeft geleerd, heeft hij van klanten in de winkel. De grootste wijsheden komen op fluistertoon, tussen de zwijgende steenarenden en poolvossen. Ook het licht is gedempt, het gaat verloren tussen de bonobo’s en de wombats, tussen de nachtvlinders en de bidsprinkhanen. In zijn winkel houdt alles zijn adem in.
Een van de dingen die hij gehoord heeft en dat hem steeds bijgebleven is, is dat in het begin van een liefde al het einde besloten ligt. Bescherming kan verstikking worden, wie iemand redt wil eigenlijk zelf worden gered, hij had het moeten weten, hij heeft niet goed geluisterd. Langs de laan staan oude platanen, er zijn annonces in de stam geprikt. In internettijden zoekt Parijs nog steeds contact via de melancholie (en zelfs dat stemt hem niet meer hoopvol, wie elkaar per toeval vindt, verliest elkaar zo, per ongeluk. Alsof ook zij slechts toevallige passanten waren geweest die tegen beter weten in iets anders hadden geloofd en alleen getrouwd waren om het lot een pootje te lichten, hij had het moeten weten), hij wendt zich af van de stammen. Het portret van zijn grootvader herinnert aan de tijd waarin er werd geloofd in herstel, ici on remplace les mauvaises têtes. Nu verkoopt hij replica’s van de werkelijkheid. Een betere versie ervan. Vachten zonder schurft. Iets waarvoor gezorgd kan worden en dat bij verwaarlozing toch niet zal sterven.

Wat hem zo kwaad maakt weet hij niet. Er drukt iets op hem, iets wat ouder is dan hijzelf, alleen in de winkel wordt hij rustig. Het begint met een plek op zijn borstbeen dat begint te gloeien tot het schroeit wanneer hij de rij aan de catacomben nadert (het maakt hem van streek, zou hij willen vertellen aan iedereen die hij passeert. Hoe levens elkaar maar zijdelings raken, het is ondraaglijk, vindt u ook niet en uiteraard zwijgt hij want hun reacties zouden exact zijn wat hij bedoelde, dus) schuift hij niet aan, maar loopt een eindje verder. Focus op de straatstenen, focus op het zetten van de ene voet voor de andere, tot Parijs verkleint tot zijn eigen hartslag.

Naast de rij staan is de beste manier om jezelf iemand te voelen. Hij wacht een paar momenten. Ziet hoe niemand echt opschiet, iedereen is bereid desnoods eeuwig daar te blijven, het wachten op zich volstaat. Onder hen de schedels, de gangen, de knoken die de fundamenten vormen van de stad.
Terwijl hij het mes uit zijn tas haalt ziet hij zichzelf staan, hij wordt deel van de rij en toch weer niet, hij ziet zich verbaasd naar het ding in zijn handen kijken. Hier behoort het toe aan iemand die hij niet is. Dat moment duurt zo lang dat hij merkt dat er toch iets is veranderd, er is onrust, paniek, hij heeft nog steeds de tijd om traag te ademen, weer samen te vallen met zichzelf en het lemmet tegen zijn linkerpols te drukken (hij heeft de tijd om aan de dode dieren in de winkel te denken, aan het portret van zijn grootvader, hij heeft de tijd om eraan te denken dat hij zo erg op zijn grootvader lijkt dat het klanten verwart, hij heeft gewonnen van de tijd, hij heeft de tijd om op te kijken en alle hoofden te zien, en daarboven alle gedachten, alle intenties en alle herinneringen, ongrijpbaar, zoals waarom iemand op een ochtend die zo veilig begonnen was een beslissing neemt die het leven kantelt, hij heeft de tijd om daar allemaal aan te denken terwijl) hij naar het mes kijkt en voelt hoe vertrouwd het tegen zijn ader ligt, ook buiten de winkel.

Deze tekst ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.