Annie Proulx, Maartje Wortel en Bregje Hofstede in Geïl, en Filosofie Magazine: de redactie las fysiek proza, voelende en voorbereidende verhalen en denkers over het lichaam.

*

Daan Stoffelsen: Geïl en Filosofie Magazine

Uiteindelijk bereidde ik geen welkomstwoord voor voor de presentatie van #24, ‘Huid’, waarin we, zoals we de auteurs schreven, het fysieke schrijven wilden onderzoeken. We wilden het hoofd uit, literatuur voelen, maar toen we alle bijdragen binnen hadden, zagen we dat de opdracht veel breder opgevat was: we onderzoeken nu het fysieke, schrijven fysieke literatuur, en literatuur waarin het fysieke een cruciale rol speelt. Zelf hadden we bovendien al gemerkt dat je overal ‘huid’ ziet (en daarna ‘de oversteek’, ons volgende thema), en ook dat je de kwaliteit uiteindelijk toch met je hoofd beoordeelt.

En zo is elk nummer, ook al hebben het thematisch nog zó ingekaderd, een verrassing. Ook voor ons.

Dat had ik maandag kunnen zeggen. Maf genoeg werd ik ook die avond weer verrast, want als een verhaal voorgelezen wordt, hoor je andere dingen. Er vielen me andere dingen op aan Ivo Victoria’s verhaal, en Daan Borrels essay, dat ik in vele redactierondes doodgeredigeerd heb alvorens het als deze brief aan Stella Bergsma reïncarneerde, bracht me plotseling in verlegenheid. Hadden we het nu opeens over masturbatie?

*

Vorige week ontdekte ik dat ons nummer, dat over het lichaam gaat, maar ook over masturbatie (een antwoord op Daans brief staat nu online), menstruatie, zelfmutilatie (online), discriminatie (deels online), aantrekkingskracht en kunstenaarschap, in goed gezelschap is van andere tijdschriften. Geïl wordt deze week gelanceerd, een vrolijk oversekst blaadje op initiatief van Mick Johan, die ook de illustraties maakte (‘you can’t spell geïllustreerd without Geïl’), met bijdragen van onder anderen Maartje Wortel, Alma Mathijsen, Pepijn Lanen, Elfie Tromp, Mick Johan zelf, Marten Mantel, Bregje Hofstede en Heere Heeresma (een oud, maar nog steeds sterk verhaal, facsimile gepubliceerd). Absurdisme en doelgerichte seks overheersen, afgewisseld met Johans geestige beeld.

Wortels openingsverhaal is sterk, een beetje ruw, maar ook met een goed verhaal over de aanloop: de verteller en haar minnares ontmoeten elkaar in de file.

‘Ik was onderweg naar zee. En zij naar huis. We stonden ongeveer twintig minuten in de file naast elkaar stil. En dan keken we naar elkaar. Als in: echt kijken. Ik wist nooit wat mensen daarmee bedoelden. Ik bedoel, je kijkt toch altijd echt? Maar nu zij en ik elkaar zo in de ogen keken dacht ik: echt kijken betekent simpelweg niet wegkijken.’

Simpele, doeltreffende zinnen, die door die overweging over ‘echt kijken’ even de druk afhalen van de geilheid van de vertelster. Ook in Geïl wordt er overigens vooral met elkaar gesekst, weinig zelfbeminning, Daan, sorry.

Wel geeft Bregje Hofstede nog een mooi voorbeeld van echt kijken, naar hoe de vagina voelt. Haar mannelijke verteller zegt:

‘Soms had ik het gevoel dat ik, ook al was het steeds met haar, telkens een ander neukte, niet alleen omdat ze veranderde als mens, maar ook gewoon vanwege haar kut die even veelvormig was als haar stemming. Soms drukte het zachte vel van haar schaamlippen zich in piepkleine blokjes door het raster van het kantwerk van haar favoriete string, vingertjes rond de tralies, grijpgraag, reikend. Soms moest ik diezelfde huid met moeite tevoorschijn lokken uit een grote zwarte slip. Of neem schaamhaar waar ik mijn vingertoppen over liet glijden, en dat nu eens de vorm had van krulletjes, nat nog van de douche, en dan weer stug was en in pieken overeind stond als het een dag lang opgesloten had – pet-haar.’

Dat raster van het kantwerk van haar favoriete string is me iets te langdradig, maar de opsomming van beelden – als voorbereiding op een date – is goed gevonden, een pleidooi voor voelen en het verschil voelen. En voor voorbereiding, voor verhaal, want hoe goed of slecht geschreven de bijdragen aan dit tijdschrift ook, seks heeft een verhaal nodig.

*

Aan het andere eind van het spectrum zit Filosofie Magazine, waar het hoofd overheerst. Ik lees het vooral voor de interviews. Aldo Houterman, auteur van Wij zijn ons lichaam, zegt bijvoorbeeld: ‘In mijn boek laat ik zien dat onze huid niet louter een omhulsel is zoals een handschoen, maar ons juist met de wereld in contact brengt. Onze huid is eigenlijk ons eerste zintuig of eerste brein, en is veel subtieler en fijnzinniger dan vaak gedacht wordt.’ En hij haalt Michel Serres aan: ‘Turners trainen volgens Serres hun ziel door zichzelf eromheen te buigten; hoogspringers gooien zich boven hun ziel uit.’ Mooie taal!

Het essay van Leon Heuts, over fitnessidealen, is me iets te stijf en rommelig, maar wijst me er wel op dat de ethische politiek van de afgelopen jaren, van euthanasie, donorregistratie en babysterftebeperking, over het lichaam gaat – en niet over de geest. Daar denk ik over door, en over Jenny Slatmans (Vreemd lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit) twijfel over hoe om te gaan met onduidelijke ziektebeelden. Interessant en relevant.

Plus naast de onvermijdelijke Descartes mooie leestips: Merleau-Ponty, Serres dus en de alomgeprezen Caroline Criado Perez. Misschien is 2020 een jaar voor (iets meer) filosofie naast de literatuur.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

Ik las maar weer eens het verhaal ‘55 mijl naar de benzinepomp’ voor, van Annie Proulx. Het was bij de presentatie van de nieuwe Revisor. Ik weet niet eens meer hoe vaak ik dat verhaal aangestipt heb, gebruikt in workshops, voorgelezen bij avonden, presentaties.
Nog steeds verandert het verhaal. In het begin vertelt Proulx over een mevrouw genaamd Croom, die steeds verandert naarmate de tijd verstrijkt en ik het verhaal vaker gelezen heb. Nu verruilt ze de zaag voor een beitel en een hamer. Eerder ontdekte ze de lichamen van meisjes op de zolder van haar man, die trouwens ook steeds verandert, want eerst was dat een vreselijk enge psycho en nu is hij een lichtvoetige danser, dat staat ook in het verhaal.
Hoe is dat mogelijk?
Dat twee personages in een verhaal van amper één bladzijde toch steeds groter worden, vervormen, veranderen?
En dat vervangen van die zaag? Ze heeft dus eerst gezaagd, en nu gaat ze beitelen. De eerste zin van het tweede deel van het verhaal is: ‘Mevrouw Croom die op het dak een gat in de zolder zaagt.’ Als je op het dak zit kun je niet zomaar beginnen met zagen, je moet een beginnetje hebben, en dat maak je met een beitel.
Ik ga dit verhaal nog voor het einde van het jaar nog een keer lezen, op een onbewaakt moment, misschien op de wc, en dan zal het weer anders zijn. De beste literatuur heeft dat in zich: het is als een veelvormige kameleon.

‘55 mijl naar de benzinepomp’ is opgenomen in Brokeback Mountain en andere verhalen, dat door De Geus uitgegeven is.

Laura Esquivel, Sanneke van Hassel, Niels ‘t Hooft: de redactie las een klassieke roman met een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, een sterke verhalenbundel en een app waarin je je onderdompelt.

*

Daan Stoffelsen: Sanneke van Hassel, Nederzettingen, en Niels ‘t Hooft, Lotus

Het heeft iets gevaarlijks, dat heeft Jan hier ook vaak genoeg benadrukt, om een schrijver als hoofdpersoon op te voeren. Iets gemakkelijks ook, misschien. Maar in ‘In onze straat’, het openingsverhaal van haar nieuwe bundel Nederzettingen maakt Sanneke van Hassel er heel handig gebruik van. Sowieso zet de titel het decor en ook het thema van de bundel goed neer: we zijn in de stad, in onze stad, en ons leven strekt zich uit buiten ons huis naar onze straat.

Bijvoorbeeld als de scooter van een jongen om is gegaan door het balspel van twee buurjongetjes.

‘Nu ik dit opschrijf denk ik: een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan. En vervolgens dat ik eigenlijk zou moeten zeggen: een Nederlander, want zover zijn we inmiddels wel – wat het niet makkelijker maakt als je als schrijver even losjes een personage wilt neerzetten,’ denkt de ik. En even later over een van de buurjongetjes: ‘Nu denk ik: wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen? Maar voor de verwachtingen en het gedrag van de vrouwelijke hoofdpersoon deed het ertoe. En dit verhaal is character driven, wat betekent dat haar ontwikkeling in grote mate bepaalt hoe het verder gaat.’

Door dit soort overwegingen wordt de verteller méér dan een bezorgde buurvrouw, méér dan een personage dat toevallig een schrijver is; ze twijfelt over hoe ze zich verhoudt tot de ander én tot de lezer. Ze begeeft zich dubbel in de publieke ruimte. Het is een vorm van essayistiek binnenin een verhaal, dat deze vrouw diepte geeft, een bredere reikwijdte dan die van zomaar een buurvrouw. 
Verderop vraagt de vader van een van de buurjongetjes of zij het schadeformulier voor hem wil invullen:

‘”Ja hoor,” zei ik. “Ik weet niets van scooters, maar wat er allemaal gebeurd is opschrijven, dat kan ik wel.” Als ik straks zou gaan opschrijven wat er vlak bij mijn huis was voorgevallen, zou daar dan een verhaal in zitten? Wist ik genoeg van deze mensen om geloofwaardige personages van ze te maken en ze enige diepte te geven? En wat was precies het conflict?’

Misschien is het mijn literaire bubbel, maar ik vind zulke overwegingen niet alleen zinnig (zijn mensen in de dagelijkse omgang dan wel meer dan oppervlakkig, zijn ze geloofwaardig?) maar ook erg geestig. Want in deze fase van het verhaal weten we: dit zijn realistische personages, die voorbij de clichés van hun achtergronden treden, en dát is het conflict. Tussen de aannames van het dozijn personages (‘Als ik een schrijfcursus geef, adviseer ik om in een kort verhaal het aantal personages beperkt te houden.’) namelijk.

Wees gerust: in de rest van het zestiental verhalen (twee ervan werden, waaronder het titelverhaal, werden ook in De Revisor gepubliceerd) zijn ook niet-schrijvers de verteller. Al zit er een prachtig verhaal in waarin de ik over haar kind schrijft – en dat lijkt geen fictie te zijn, en zijn het overwegend vrouwen in de culturele hoek. Een Kaap-Verdiaanse buschauffeur, een advocate, een Amerikaanse toerist met Rotterdamse wortels, veel freelancers. Maar allemaal verblijven ze in die tussenwereld die we burgerlijk noemen: gebonden aan gezin en werk, half geworteld in een huis, in een straat, betrokken bij de wereld maar uiteindelijk stellen ze vast: ‘Maar ‘s avonds ben ik te moe, misschien omdat het eerder donker wordt.’ Ze willen verder reiken, ze zoeken vluchtmogelijkheden, maar eigenlijk is het ook gewoon wel goed.

Dat suggereert een bepaalde grijsheid, een middelmaat, maar het conflict in de verhalen van Van Hassel zit in de psychologie, in aannames en verwachtingen. (Lees dat titelverhaal!) Dat de werkelijkheid daar niet aan beantwoordt, is bijna een gegeven – maar de spanning is er niet minder om. 
Stiekem geloof ik – en dat geeft diepte aan de bundel – ook dat Van Hassel met de titel van haar openingsverhaal, en met een songtekst in het mozaïekachtige slotverhaal, speelt met twee liedjes waarvan ik de teksten vaak door elkaar haal: ‘Our House’ van Madness (‘in the middle of our street’), dat vrolijk is, maar vooral sociaal-realistisch is, en het romantische ‘Our House’ van Crosby, Stills, Nash & Young. Tussen het werkelijke huis, mooi maar ook vol (‘Mother’s tired, she needs a rest’), en het droomhuis. En daar dan – zoals in dat slotverhaal ‘Juni’ – op het randje van leven en dood uitgetakeld worden.

*

Het is dat volgende week niet ‘Deze week gelezen’ maar ‘Dit jaar gelezen’ op deze site komt te staan, anders had ik nog even de tijd genomen voor het nieuwe werk van Niels ‘t Hooft. Want je kunt Lotus in een avond in zijn geheel ervaren, lezen, beluisteren, het is een ‘meditatieve novelle’, het is een app met verschillende achtergrondkleuren en -geluiden en -muziek, waarin het verhaal in porties wordt opgediend, gemaakt door ‘t Hooft, kunstenaar Saskia Freeke, gamestudio Codeglue en audiostudio SonicPicnic. Dat is een ervaring, iets waar je in opgaat, zelfs als je, zoals ik, de app nog gefragmenteerder leest tijdens mijn forensenuurtjes naar Amsterdam. Maar daardoor vind ik het moeilijker er iets over te zeggen dan over een roman in folio.

Lotus is het verhaal van Luc Numan, een jonge programmeur die succes zoekt op een gamebeurs in L.A. Luc is het talent, zijn compaan Brent is de verkoper, maar allebei zijn ze niet erg goed in hun ideeën voor het voetlicht brengen. In negen korte hoofdstukken leidt ‘t Hooft je door de aanloop, het verloop en de afloop van hun kansloze missie. Want ze hebben ideeën, maar geen afspraken, plannen maar geen strategie – en hoewel ze onwaarschijnlijk interessante mensen ontmoeten, lukt niets.

Lotus is een soepele app, die het verhaal heel vloeiend brengt met mooie beeldeffecten (de bloembladeren van de lotus verbeelden de opbouw van het verhaal) maar geen beeld, en ‘t Hooft schrijft goed. Ik heb screenshots gemaakt: ‘Als pelgrims die weten dat ze morgen Mekka zullen bereiken vallen ze in slaap, verbroederd en vastberaden.’ Iets langer:

‘Er trekt een wolk voor de zon. Geritsel van jacks, truien, hoodies op het duinterras. Dan trekt de wolk verder en herhaalt de verkleedpartij zich, in omgekeerde richting. Een versleten luxaflex die ongelijkmatig opent en sluit, met Smith als roerloos middenpunt. Geen moment heeft hij overwogen zijn kabeltrui uit te trekken.’

Dat zie je voor je, toch? Geestig beeld. Maar het supermeisje Yumi roept een wat vergezocht beeld en een paar moeizame zinnen op:

‘Yumi duikt op. Felkleurig jurkje, strakke paardenstaart, felkleurige en strakke lipstick. Ze staat midden in het gewoel, het lijkt alsof iedereen met een boog om haar heen loopt, de toverboom op de open plek van het magische woud. Luc en zij maken oogcontact en Yumi komt haar belofte na om te kijken of ze iets kan doen. Sterker nog, ze doet iets.’

Die laatste twee zinnen zijn eigenaardig, daar wordt een hele scène veel te kort samengevat. En dit soort duidende opmerkingen – ‘Gepriegel met details om de kern niet te hoeven raken’ – terwijl we middenin de gebeurtenissen zitten, vind ik minder sterk. Die komen meer tot hun recht aan het einde van elk hoofdstuk, waar de vertellers met bijna essayistische opmerkingen over games, verhaal, simulatie en werkelijkheid de simpele handeling verdiepen: ‘Achteraf is alles helder, de bloem laat het in één oogopslag zien. Het is een naaf-en-spaaksysteem van herinneringen.’

Dat is mooi gezegd, al kan ik die ene oogopslag minder makkelijk reproduceren, het lezen in porties werkt wel – ik ga mee in het verhaal – en werkt niet – ik wil terugbladeren, ik mis overzicht. Ik stuit op mijn eigen beperkingen. Maar ‘t Hooft slaagt er dus wel in me onder te dompelen in het verhaal. Ik bén in deze even exotische als unheimliche nepwereld van zon en games, ik deel de fascinatie van Luc voor Yumi, en voor de Japanse programmeurstweeling, en ik baal ervan dat het klaar is.

Ja, misschien is dat mijn voornaamste bezwaar: Lotus is een geheel, het is af zonder alles prijs te geven, maar die personages verdienen meer, een Peter Buwalda-achtige opzet (Yumi heeft wat Isabelle Orthel-achtigs) en reikwijdte. Tegelijk: is dat niet wat literatuur vermag? De luxaflex openen en net genoeg zien van de werkelijkheid of een simulatie van de werkelijkheid.

De Bezige Bij gaf Nederzettingen uit. Lees daar ook een fragment (PDF). Immer geeft Lotus uit, met steun van het Letterenfonds.

Jan van Mersbergen: Laura Esquivel, Rode rozen en tortilla’s

Als de stapel nog te lezen boeken klein is en de ruggen me weinig aanspreken wil ik nog wel eens een boek uit de kast halen dat ik jarenlang bewaard heb, maar waarvan ik bijna vergeten ben hoe goed en waardevol dat boek eigenlijk is. Zo haalde ik afgelopen week de dunne gele Rainbowpocket van Laura Esquivels Rode rozen en tortilla’s uit de kast.
Tijd om te herlezen, want herlezen brengt nu eenmaal nog meer dan gewoon lezen. Niet de eerste ervaring, die gaat over de verrassing van het nieuwe, over meegezogen worden, over het leren kennen van personages, verhaal, verteltrant. Herlezen gaat over verdieping. Tijdens het herlezen ontdek je pas echt waarom een roman goed is.

De oorspronkelijke titel is Como agua para chocolate. Dat zou letterlijk ongeveer zijn: Als water voor chocolade. Mijn dochter heeft sinds kort Google Translate ontdekt en zocht het voor me op. Komt dichter in de buurt van het verhaal, maar toch koos destijds uitgeverij Arena, onderdeel van Meulenhoff, de grootste Latijns-Amerikaanse uitgever in Nederland, voor de rode rozen.
Mijn dochter vroeg: Waarom die titel?
Ik wist dat niet zeker maar vermoed dat een roman van een Mexicaanse schijfster bij de Nederlandse lezer het beste direct iets van Mexico op kan roepen. Dat weet de lezer: we gaan iets exotisch lezen. Dus ik vroeg mijn dochter: Waar denk je aan bij tortilla’s?
Lekker eten, zei ze. Mexicaans eten.
Dat is precies waar het boek over gaat. En die rode rozen dan? vroeg ik. Waar staan die voor?
Voor liefde, giechelde ze.

Al met al dus een perfect vertaalde titel, als een meisje van twaalf met behulp van een vertaalprogramma en een paar sturende vragen kan komen tot de eerste indrukken die een boek helpen om in de winkel van de plank gepakt te worden. In ieder geval beter dan: Als water voor chocolade. Dat klinkt eerder Hollands, of desnoods Frans, dan Mexicaans.
Slim dus, zoals dit hele dunne boek slim is opgezet en geschreven. Het familieverhaal is helder, omvangrijk, dwingend en maakt perfect onderscheid tussen de personages. Een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, dat toch ingewikkelde wendingen kent. En de recepten die de basis van de verschillende hoofdstukken vormen zijn speels en interessant.
Hoofdpersoon Tita is veroordeeld om ongehuwd te blijven, zoals de flaptekst meldt. Haar zus kan wel trouwen en wordt door de moeder uitgehuwelijkt aan de man waar Tita verliefd op is. Mooi simpel gegeven. Wat gebeurt er dan met zo’n vrouw, die verder in de keuken opgegroeid is en erg bedreven is in koken? Ze maakt de maaltijd voor de bruiloft, maar met zo’n verdriet dat haar tranen mengen met het eten. Dat heeft een bijzonder effect op de gasten van de bruiloft. Ze kan niet alleen eten bereiden, als haar zus een baby krijgt en er zelf zo slecht aan toe is dat ze het kindje niet kan voeden lukt Tita dat wel. Ze blijft contact houden met de man, Pedro, die Tita wel de liefde beloofd heeft maar ook klem zit in dit huwelijk.

Een voorbeeld van een andere dwingende gebeurtenis die logisch volgt uit hoe de personages verweven zijn: de moeder van Tita is streng en leidt de hacienda. Tita zorgt voor haar moeder en voor de baby van haar zusje die met haar geliefde getrouwd is. De dokter van het dorp is verliefd op Tita. De baby moet elders ondergebracht en komt zonder Tita om. Tita verzet zich eindelijk tegen haar moeder, die besluit dat haar dochter gek geworden is. De dokter brengt haar naar het gekkenhuis, maar houdt haar thuis. Alle wendingen kloppen precies en toch zijn ze als verhaal moeilijk te verzinnen. De gemeenschap is klein, de familie dominant, de motieven zijn liefde en dood.

Zo gebeurt er in ieder hoofdstuk voldoende om de aandacht vast te houden, om mee te gaan in de recepten die de basis van het verhaal vormen, en om over de soms wat expliciete uitdrukkingen en uitroepen met uitroeptekens heen te lezen die het gevoel van Tita moeten verwoorden. ‘Ze miste Nacha verschrikkelijk. Ze haatte iedereen.’ Bij deze roman duwt het verhaal me over die zinnetjes heen, min of meer omdat ik ook dertig jaar nadat dit boek verscheen nog denk: dat zal wel de Mexicaanse insteek zijn.
Dat is een mooi effect van goede vertaalde boeken (door Francine Mendelaar en Harriet Peteri): ze kunnen door hun bekendheid en manier van vertellen en het onderwerp staan voor een compleet land waar we in Nederland vrijwel niks van weten. Wonderlijke gebeurtenissen in dit verhaal neemt de Nederlandse lezer achteloos aan. Hopelijk werkt dat andersom ook, dat lezers in Mexico met een vertaald Nederlands boek in handen denken: dit is nou het echte Holland.

Boekerij geeft Rode rozen en tortilla’s uit.

Stephan Enter, Richard Osinga: de redactie las een mooie, broeierige roman die subtiel grote verschillen aanraakt, en een mozaïekroman met mindere en ijzersterke verhalen.

*

Daan Stoffelsen: Stephan Enter, Pastorale

Het was de ochtend na de winnaarsvergadering in Leeuwarden, mijn ontbijtgezelschap was nog niet op, maar ik was al buiten geweest, het was al licht en vijf graden. Dus ik schoof de lekkere stoel naar het raam en pakte mijn boek. Ik begon aan Stephan Enters roman Pastorale, een zomer ontplooide zich. De vijfde, weer een titel van één woord, en net als bij zijn vorige romans deed hij er ongeveer vier jaar over. Uit zulke termijnen spreekt al een zekere ambachtelijkheid, en misschien impliceert dat saaiheid – dat is in Enters geval onterecht. Hij schept sfeer, creëert heel precieze scènes, natuurlijke dialogen, maar ook drama, een wereld van conflicten, die in Pastorale althans van de hoofdpersonen afglijdt. Een erg mooi en goed boek.

Zo begint het: ‘Oscar liet de woorden van de leraar los – hij wist alles al. De hele klas wist het al, van het ongeluk.’

*

Het lijkt alsof ik hier een voorschot neem op de Bookspot Literatuurprijs 2020. Dat is niet helemaal zo. In de eerste plaats: wat in de jury gezegd wordt, blijft in de jury. Zo hoort het. Je kunt hier gissen naar mijn smaak (een afgrijselijk woord, een gevoel dat suggereert dat argumenten ontbreken) en poëtica (iets vergelijkbaars, maar dan iets wat schrijvers én lezers kunnen hebben, iets waar je wel over kunt praten), maar wat hier staat, is slechts een beginpunt, en een van de zeven – een jurylid is nooit alleen. 
En ten tweede: de organisatie is helemaal niet mijn zaak. Ik ben even een jurylid zonder literaire prijs, althans een prijs zonder prijzengeld en naam (mijn voorstel: de Boekprijs, parallel aan beroemde najaarsprijzen als de Buchpreis en de Booker. Misschien de Losse Boekprijs, om het onderscheid met de Vaste Boekenprijs te onderstrepen), en dat voelt vertrouwd, als een recensent zonder krant, misschien is dat mijn functieomschrijving.
Maar wat mij opviel, afgelopen week bij de uitreiking, een week na de eerste zin van Pastorale, was dat 1. de schrijvers net als hun boeken heel aardig en slim waren, wat mij betreft zetten we ze vaker bij elkaar, voor langere gesprekken, en 2. het jurywerk als een corvee werd benoemd. Dat is onzin. Honderden boeken beoordelen is een klus, vooral omdat de paar mooiste en beste boeken de vele mindere boeken wel erg veel minder laten lijken, en dat kost tijd en ruimte (ca. twintig dozen boeken zoeken een andere plek). Maar een winnaar is nooit alleen, je treft auteurs die je niet eerder las, proeft debuten en leest je in in onderwerpen die nooit op je pad kwamen. Ik ben een ontdekker zonder Nieuwe Wereld, en dat voelt heel comfortabel.

Ook in die zin is Enter lezen geen jurywerk, net als mijn andere leeservaringen van de afgelopen weken, zijn boeken zijn van het Oude Continent, gekende kwaliteit. Maar ongetwijfeld gaat dit boek mee, als de jury weer aan de slag gaat.

*

Die eerste zinnen van de roman zijn al erg sterk: we leren meteen Oscar kennen als een goede, afwezige leerling (5-VWO), en het verhaal begint. Dat ongeluk is de katalysator van de roman, van Oscars deel van de roman, dan. Want zijn zus, Louise, een overtuigd atheïst en studente Engels die besloten heeft te stoppen met haar minnaar en haar studie, volgen we in de andere helft. Ze spreken elkaar amper, ze leven deze hele landerige zomer langs elkaar heen in Brevendal, het dorp waarin dat sowieso de standaard is.

Want Jonkie heeft een ongeluk gekregen, en Jonkie is een Molukker, en die gemeenschap leeft totaal gescheiden van de Nederlanders in Brevendal (Enter groeide op in Barneveld, ik herken als streekgenoot een aantal locaties). En Brevendal wás al gesegregeerd langs de lijnen van kerkgenootschappen. ‘Er werd gegroet en begroet, zij het vooral naar leden van gelijke gemeente – ten opzichte van andersgezinden werden blikken discreet ontweken; naar de al te gehaaste fietser en de te frivool gekleden werd wel weer gekeken maar met afkeuring,’ schrijft Enter. 
In dat dorp is het wonderbaarlijk dat Oscar bevriend raakt met Jonkie – hij moet hem zijn huiswerk thuisbrengen – en verliefd raakt op diens zus, en dat Louise vriendschap sluit met Maarten, de zoon van de nieuwe dominee. Maar het gebeurt, en het levert mooie scènes op, confrontaties die geen pijn doen maar wel broeien – de ontmoeting met die Molukse zus, een etentje daar, Louises roeitochtje met Maarten, de familiemomenten in het versleten landhuis waar ze wonen. En in toenemende mate pijnlijke scènes die Enter bijna zakelijk afhandelt, het is helemaal niet zo’n pastorale, dat Brevendal.

Enter doet dat heel knap, in afwisselende hoofdstukken. Broeien is wel het juiste woord, al heeft een goed verstaander genoeg aan een half beeld. Direct na de eerste twee zinnen lijkt de in geloofs- en dorpsgemeenschap gevangen Brevendaller in beeld te komen:

‘Zijn aandacht zwenkte – via de formules op het krijtbord, de reikende vinger van een jongen links vooraan – en kwam tot stilstand bij de uit zonlicht gegoten vensterbank naast hem, waar een bromvlieg zich woedend stukvloog op het raam. Oscar hoorde zichzelf zuchten; er was een groot verschil tussen hem en het insect – want dat was onvermoeibaar, het stortte zich keer op keer met blinde haat op de transparante barrière die het van de vrijheid scheidde.’

‘De uit zonlicht gegoten vensterbank’, ja. Het loopt niet goed af met deze vlieg. En er zijn meer momenten dat je Pastorale symbolisch kan lezen. De roeiscène is een pure idylle:

‘Hij knikte, scheen zich nu op zijn gemak te voelen. Ze bracht de sigaret naar haar mond, hield hem daar, voelde zich opgaan in de trage voortgang van de boot en van het landschap dat haar steeds opnieuw omsloot en dan opeens weer achter haar wegdreef. Het bos trok zich terug, de hemel spande zich weids en leeg boven haar. Aan weerszijden schoven de oevers kalm voorbij, vol gezoem en vlinders en bloeiende kruiden en zo dichtbegroeid dat alles wat zich erachter bevond verborgen bleef. Ze sloot haar ogen even. Luisterde naar het zachte ritmische geklok en geplons van de riemen en ver in de hoogte het ijle gegil van gierzwaluwen. Het leek lang geleden dat ze dit had ervaren – dat de wereld nergens zo vredig was als op een boot in het water. De zon drong met een karmozijnen gloed door haar gesloten oogleden; soms veranderde de tint – als ze door de koele schaduw onder overhangende takken schoven.’

Verfijnde natuurlyriek, waarin het gesprek kabbelt en langzaam de wind opsteekt. ‘De zon verdween achter een wolk.’ En dan: ‘Aan de horizon welden blauwgrijze wolken. Daarboven leek de zon weg te zinken in een parelmoeren holte.’ Ik twijfel, Jan, of karmozijn en parelmoer in jouw categorie van zilverig en theegroen passen, maar het klopt wel, Enter schept hier een onbezorgde sfeer, ver van de omgeving die Louise en haar nieuwe vriend beklemt. Heel makkelijk kan Louise hem zeggen dat ze stopt met haar studie. Moeizamer gaat het als Louise hem wat vraagt:

‘“Geloof je nog?” vroeg ze.
Hij lachte, schudde kort zijn hoofd zonder zijn roeibeweging te onderbreken.
“Heb ik iets geks gezegd?”
“Nou – dat nog verraadt al alles.”
“Zoals?”
“Dat jij het normaal vindt om niet te geloven.”’

(Een heel natuurlijke dialoog, tussen gelijken.) En dan zet het onweer in, bij de terugtocht komen ze vast te zitten, drijfnat komen ze thuis. Het lijkt dus even met elkaar op te gaan: het oneens zijn en het verslechterende weer. Maar het is eigenlijk een boek lang bijna uitsluitend lekker weer. En wat verwacht je anders in een Pastorale dan dit idyllische landleven? Alleen dwalen de schaapjes af. De idylle is bedrieglijk, als je de zon volgt (24 x in het boek, 11 x zonlicht) stuit je op het gewelddadige dieptepunt van het boek: ‘Op dat moment stompte iemand hem vol in zijn gezicht en werd alles om hem heen helwit – alsof hij op een mooie middag achterover in het gras lag en in de zon staarde.’

Het is ook de laatste zin van een hoofdstuk, punt, waarna Enter Oscar wat tijd gunt om te herstellen. Het gaat daarna amper over de pijn, en zowel broer als zus blijken in de roman ijzersterk in het wegredeneren van moeilijke episodes, en over de vervelende dingen heenpraten, wat een bedrieglijke oppervlakkigheid geeft. (Tegelijk spreken ze elkaar amper, wat nog tot nieuwe misverstanden en een laatste ongemakkelijke confrontatie lijkt, en waarna alles weer terug lijkt in zijn oude groeven.) Bedrieglijk, want juist door de verbroedering tussen Oscar en Jonkie en tussen Louise en Maarten zie je de grote verschillen, de onmogelijkheid die te overbruggen, de eindigheid van deze zomer die op zich al in al die scènes het einde in zich herbergde. Op pagina één, Oscar: ‘En hij wist, met grote innerlijke zekerheid, dat het leven dan iets wonderbaarlijks voor hem in petto had – dat ergens in de toekomst, op een onbekende plek, een heel bijzonder geluk op hem wachtte.’

En halverwege, Louise: ‘Maar je kon nog zo veel terughalen – en ze doorzag opeens dat dit het was, dat dit het wezenlijke was waardoor die herinneringen haar vanochtend ontoereikend en armzalig hadden toegeschenen: er zou altijd iets aan ontbreken en dat was de verwachting, de eindeloze mogelijkheden naar de toekomst die elk moment in zich had meegedragen. Herinnering had geen hoop, geen fantasie, geen spanning. Zelfs al lukte het je alles weer voor de geest te krijgen, elke beweging, kleur en geluid en elke geur van een bepaalde situatie, dat ene, de verwachting, was er voorgoed uit verdwenen – dat zou je, behalve misschien soms in een droom, nooit meer terugkrijgen.’

Maar is er überhaupt een toekomst? Deze broer en zus denken na over het open einde waarmee Enter dreigt – maar ze hebben geen antwoord. Dat is even hoopvol als droevig.

Van Oorschot gaf Pastorale uit.

Jan van Mersbergen: Richard Osinga, Wie de rechtvaardigen zoekt

Aan de basis van de nieuwe roman van Richard Osinga — Wie de rechtvaardigen zoekt — staat het idee van de rechtvaardigen, zesendertig mensen die door de eeuwen heen op aarde zijn en zonder wie de aarde vergaat. Of zoals Alexander Süßkind het in de dertiende eeuw verwoordde: ‘Die personen, die elkaar niet kennen, houden de wereld in stand.’
Loopt er nog een rechtvaardige rond, dan zitten we goed. Schitterend idee, want wie zijn die rechtvaardigen? Osinga zoekt ze op, in zesendertig hoofdstukken die terugtellen naar één.

Rechtvaardig, dat ben je door kleine dingen.
Borges beschreef ze: wie een slapend dier aait, wie met plezier de wortel van de boom ontdekt, de pottenbakker die een kleur en vorm bedenkt. Heel mooi idee.
Helaas is de laatste rechtvaardige in Auschwitz vermoord. Of zijn er nog rechtvaardigen?

In een sterke beschrijvende derde persoon vertelt Osinga over de verschillende personages, en over de linken die zij wellicht hebben met elkaar, als rechtvaardigen.
Opvallend aan de manier van vertellen zijn de uitgebreide gesproken dialogen, die Osinga volledig weergeeft, en de lengte van de gesproken tekst. In het eerste stukje wordt ene Xin gevolgd die met haar vriendje Vasili een gesprek voert over slimme algoritmes en over technische manieren om het aantal kliks die een krantenkop gaan krijgen te voorspellen. In het gesprek neemt Xin zestien regels het woord, zonder dat de ander reageert, iets vraagt, knikt of afhaakt, en ze is nog niet klaar, want: ‘Ze kijkt naar haar gelakte nagels en vervolgt voordat Vasili weer iets vriendelijks kan zeggen.’ En weer praat ze zes regels.
Dat is een monoloog van ruim tweehonderd woorden, over een interessant onderwerp, zeker voor de lezer, maar de dynamiek die een gesprek tussen twee personages kan hebben is ver te zoeken. Bovendien is het heden waarin het gesprekje plaatsvindt op die gelakte nagels na onzichtbaar. Veel informatie dus, en zelfs de personages lijkt dit te beseffen:

‘De conclusie is het dat niet werkt, zegt Vasili droog.’

De jongen met Oost-Europese roots heeft wel door dat Xin doorratelt, en gelukkig weet Osinga het ook. Hij schakelt snel verder, terug naar de rechtvaardigen en Borges, waar Xin van op de hoogte is. Xin gaat zoeken. Ook heeft ze nog een plan uitstaan waarbij alle informatie die in boeken aanwezig is op een Google Translate-achtige manier wordt bijeengeraapt. Spannend inventief idee, dat ver van mij en van het personage afstaat. Ik wil die rechtvaardigen zien die een slapend dier aaien of een pot bakken. Maar dat is natuurlijk wat Xin doet, in onze tijd. Even nadenken, en het cirkeltje is rond.

In het tweede stukje komt Terzin Kamilov in beeld. Hij gaat direct dood en zijn zoon stoort zich aan de gebrekkige internetverbinding. In vier korte alinea’s zet Osinga weergaloos de wereld van deze vader en zoon neer. Verder in dit mooie hoofdstuk wordt iedere paragraaf begonnen met dezelfde eerste zin: Terzin die zijn laatste adem uitblaast. Die truc maakt het verhaal wat op zichzelf staand en vormelijk, het vraagt wel iets om door te lezen. Toch is het verhaal van deze mannen helder, strak en aangrijpend. Ook afstandelijk, en juist dat is mooi gedaan. Koel vertellen brengt meer over op de lezer dan het invullen van de emoties van Xin in het vorige hoofdstuk.
Het teruggrijpen op een verleden werkt minder soepel. Ik wil die vader zijn laatste adem uit zien blazen, en wellicht is het een kapstok om zijn verleden en dat van zijn zoon aan op te hangen, wanneer er nog verder terug in de tijd gekeken wordt, en scènes grotendeels in de voltooid verleden tijd geschreven zijn, moet de lezer te ver terug. Dat is te ver weg. De adem van Terzin was zijn laatste, een adem zo ver weg is niet voelbaar.
Vertellen over een handeling in 1307 is geen probleem: ‘Hij stierf op Yom Kipoer in 1307.’ Prima, maar in het hoofdstukje over de Russen wordt net het moment voor zo’n gebeurtenis verteld: ‘De jongen had de kamer verlaten voor Terzin zijn uitleg had kunnen geven.’ Had verlaten en had kunnen geven, dat zijn vijf werkwoordvormen, terwijl drie voldoende zijn: ‘De jongen verliet de kamer voor Terzin zijn uitleg kon geven.’ Gezien de tijd klopt het wel, het leest alleen zo stroperig.

Heerlijk, als Osinga in het volgende hoofdstukje de tegenwoordige tijd aanhoudt. In ieder geval de eerste bladzijde. Dan lees ik de film van wat er nu gebeurt, en dat is een mooie film. Dan sla ik de bladzijde om en is daar weer het verleden van de opgevoerde Mirza, en na een witregel schuif ik weer verder weg in de voltooid verleden tijd. Ik wil die Mirza nu volgen. Het is dus even zoeken naar het nu, dat verderop weer terug komt. Het geschuif met tijden maakt het wel moeilijk constant mee te leven met deze mensen. Het is Back to the future, maar dan op iedere bladzijde heen en weer terug.
Jammer, want de beelden en verhalen en de verteltrant in het nu zijn heel goed. ‘Ze kijken naar de sneeuw,’ sluit een passage af. En verderop wordt een stukje beëindigd met: ‘Ze slenteren verder door de sneeuw.’ Laat me lekker met die mensen naar de sneeuw kijken en slenteren. Dat is voldoende, dan leef ik mee, dan voel ik mee. De lading die het verleden moet geven doet de sneeuw vervagen en leidt mij als lezer naar mijn hoofd. Naar Zwitserland, de herfst, een concern met een deeltjesversneller. Sneeuw, dat zijn voldoende deeltjes.

Die lange monologen, verpakt als dialogen, past Osinga vaker toe. Dat leest stroef. Neemt niet weg dat er ook erg sterk geschreven stukken in staan, die kernachtig zijn en een eenvoudig idee omvatten, zoals het verhaal van de dronken tangodanser in Bangkok, een mooie combinatie van plaats, tijd en personage, en het verhaal van de man die voor Buitenlandse Zaken moet beoordelen of asielaanvragen in orde zijn.
Hij verzint een bepaald kenmerk van een geloof, zoals dat het verboden is om krukjes met drie poten te fabriceren, en als er dan in Nederland een man asiel aanvraagt omdat hij in zijn thuis land dat soort krukjes maakte, dan is direct duidelijk dat het verhaal onzin is. Het verspreiden van verzinsels om de waarheid te achterhalen. Het verzinsel is ter plekke een geloof geworden, want zonder dat de gelovigen weten waarom bidden ze richting Jeruzalem. Het is gebaseerd op een oud verhaal. Het verzinsel heeft de realiteit achterhaald. Bijzonder mooi verhaal, en bovendien strak opgeschreven en verweven met de gezinsvorming van deze man, die gezien de achtergrond van Osinga (diplomatiek) sterk op de schrijver zelf lijkt.

Zo wisselen sterke passages en hoofdstukken die erg op afstand zijn en die vooral opgebouwd zijn volgens de stugge vertelvorm waarin een van de personages uitgebreid het woord neemt, als een monoloog of preek, elkaar af. De derde persoon werkt goed als het verhaal klein, persoonlijk en kernachtig is. Niet als personages de ruimte nemen bladzijden lang te vullen met hun ideeën. Een hoofdstuk over revolutionairen zit vol theorie over geloof en het verlies van God en vertrouwen, en wordt afgesloten met een zin over een vader en een zoon: ‘Hij leidt hem naar de moestuin en legt de hand van zijn zoon op de bloesem van de komkommer.’
Dat voelen en het contact tussen vader en zoon vertelt meer dan de eindeloze monoloog die de vader daarvoor afstak over het bestaan van God, de Koran, moslimjongeren en bloesem. Een monoloog is moeilijk te voelen.

Op deze manier, met deze vertelvormen en de op het eerste oog lukraak gevonden personages die over de hele wereld opduiken – een Zweedse, een Serviër, eentje met een moeilijke Arabische naam, personages op Calabrië, Japan, in Ethiopië waar opeens een ik-verteller het woord neemt, in India – is het moeilijk mee te leven. De lezer weet dat er een verband moet zijn, en de afzonderlijke hoofdstukjes geven sporadisch aanwijzingen, ze nemen niet weg dat de lezer ze inwisselbaar vindt. Zesendertig personages met hun plaats, tijd, verhaal, dat gaat op elkaar lijken.
En dus bladert de lezer door de pagina’s op zoek naar een bondig kernachtig stukje proza dat zo klein en persoonlijk is dat het wel medeleven oproept, dat groter is dan het kleine verhaaltje. En aan het einde, terug in de tijd, vindt de lezer wellicht de missende link en komt de lezer tevens uit bij het mooiste hoofdstuk waarin ook herhalende beginzinnen voor komen: over Söyembikä, een van de vele moeilijke namen uit de roman, die afstand suggereren, en iets werelds. Maar deze vrouw is groots en innemend. Ze is de Penelope van Kazan. Osinga beschrijft haar leven en haar liefdes in bondige alinea’s, ijzersterke flarden. Söyembikä. Ze springt de dood tegemoet. Ze kan de stad overzien. Zij is elke vrouw.

Wereldbibliotheek gaf Wie de rechtvaardigen zoekt uit.

Sacha Bronwasser, Marcel Möring: de redactie las een debuut over kunst dat toch een onmiskenbare kracht heeft, en een lyrisch-archeologische rouwroman in een geloofwaardige disbalans.

*

Jan van Mersbergen: Sacha Bronwasser, Niets is gelogen

Tijdens het lezen van het debuut van Sacha Bronwasser borrelde bij mij een bijzondere vraag op: hoe kan een roman die werkelijk imponerend is bij mij zo veel weerstand oproepen?
Stijl, vertelstem en gegeven zijn allemaal dik in orde, maar Niets is gelogen gaat over een onderwerp dat mij totaal kriegel maakt: kunst. En dat onderwerp vervormde iedere goed geschreven zin, ieder beeld, iedere alinea. Daarnaast bijt de verteller zich zo vast in het onderwerp dat ze in haar vertelling grip verliest, en dat vind ik erg jammer.

Onthoud dus dat dit boek werkelijk unaniem geprezen zal gaan worden en dat mijn lezersreactie volstrekt persoonlijk is.

Wat is dat toch met kunst? Ik heb jaren in de theatersector gewerkt, kunst en cultuur gestudeerd, me verdiept in beeldende kunst, film, dans, en ik schrijf zelf al een behoorlijke tijd, en toch komen romans over beeldende kunst mijn neus uit.
Al jaren hoop ik bij ieder boek dat verschijnt dat het een kernachtig sterk verhaal is dat juist zonder kunst zelf kunst wordt. Al jaren verschijnt het ene na het andere boek over kunst waarin literatuur slaafs achter beeldende kunst aanhobbelt. Het is bijna een stroming op zich. Romans van Niña Weijers, Persis Bekkering, Bregje Hofstede, Irma Maria Achten en Emily Kocken gaan allemaal over kunst, en dat is nog maar een kleine greep uit alleen de Nederlandse romans van de laatste jaren.
Schrijven alleen vrouwen over kunst?

O nee, Oek de Jongs laatste roman gaat ook over een kunstenaar, maar op een compleet andere manier. Het verschil: in Zwarte schuur voel je vanaf de allereerste bladzijde dat succesvol kunstenaar Maris tot mens wordt teruggebracht, ondanks de kunst. Hij wordt gestript. Geknipt en geschoren.
Of zoals bij Willem Jan Otten, die in 2004 met Specht en Zoon kwam, over een overleden jongen die op een schildersdoek weer tot leven gewekt werd, verteld door het doek. Ook daar bleef de kunstenaar uiteindelijk als gevallen mens over.

In de andere boeken die ik noemde, en ook in Niets is gelogen, ontlenen de personages hun waarde juist aan de kunst. Het onderwerp laat de personages meer lijken dan ze zijn, en dat is voor levensechte personages nu eenmaal te weinig. Grip verliezen en mens worden, dat is de verdienste van Oek de Jongs roman, en dat is iets anders dan een roman over kunst waarin personages rondlopen die, omdat ze geen grip op het leven hebben, eerder een kunstperformance zijn dan mens.
Allemaal persoonlijke invulling, die voortkomt uit de weerstand tegen het onderwerp. Kunst duwt me van het leven vandaan, en als ik lees wil ik het leven ingetrokken worden.

Het begint al bij het omslag. De opvallende kleur blauw van Niets is gelogen herken ik: Yves Klein. Die kleur vertelt me direct: een roman over kunst. Ik hoop op een roman die beeldend zo sterk is dat het blauw van Yves Klein verbleekt. Dat is dit boek, maar ik moet er wel naar zoeken.
De achterflap bevestigt mijn idee. Niña Weijers stelt: ‘Wat een wonderlijk poëtisch en filosofisch boek, dat zich verademend weinig aantrekt van de romanconventies.’
Even tussen ons: Die conventies bestaan wel hoor, maar alleen tussen boek en lezer. Het is de afspraak: we gaan iets meemaken, de verteller gaat ons iets vertellen, ga maar lekker zitten, zoals de afspraak bij een theatervoorstelling als het licht uitgaat en de voorstelling begint en we iets gaan volgen dat anders is dan de zaal waar we in zitten.

De drie delen van Niets is gelogen zijn genoemd naar andere officiële romanconventies, tevens theaterwetten: eenheid van plaats en tijd, van denken en handelen, van oorzaak en gevolg. Bronwasser voert een vertelster op die zoekende is naar wat er op een specifieke avond in het verleden gebeurd is. Mooi gegeven, maar dat zoeken naar houvast gecombineerd met kunst maakt de roman dubbel kunstzinnig. Op een paar nuchtere momenten na schuift de vertelster steeds naar het onderwerp toe, alsof ze in haar eigen act ronddoolt.
Natuurlijk is het in een roman over kunst zaak het belang van kunst en de werking van kunst te accepteren, samen met de vertelling. Voor mij zijn hier onderwerp en vertelling een irritant geheel. Het voelt alsof er een aanname is dat een roman over kunst vanzelfsprekend wel even de romanconventies naast zich neerlegt. Door het onderwerp. Ik word toegesproken door een vertelster die weinig afstand heeft tot haar onderwerp. Dat is vlek op vlek.

Ook in deze roman blijven alle mogelijke conventies fier overeind. Plaats, tijd, perspectief, vorm, taal, wat geschuif met tijden en een ik-verteller die zich soms over anderen uitlaat als een derde persoon, en die vooral een interessante rol op zich neemt door juist de lezer heel conventioneel aan de hand mee te voeren de roman in.
De enige conventie die gebroken wordt is de onuitgesproken belofte dat de lezer op een of andere manier voldoende mee moet krijgen van wat er allemaal verteld is, omdat de zoekende vertelster het zelf ook niet weet.
De basis van deze roman: kunst is belangrijker dan een verhaal waarbij een lezer op gevoelsniveau bediend wordt. Daar word ik helemaal dol van.

Verder werpt de kunst die hier aangedragen wordt me terug op mijn studie. Cindy Sherman wordt genoemd. Marina Abramovic. Ergens staat over Marina Abramovic: ‘- daar is ze weer, altijd kom ik haar tegen’.
Ik kom haar nooit ergens tegen, behalve in romans, en ik ben helemaal klaar met de performances van Abramovic, zeker als ze in een roman een duidende rol moeten hebben, of het verhaal moeten opluisteren. Haar optredens waren intens, confronterend, schokkend, meedogenloos. Kunst die de kijker kapot maakt. Bekentenis: daar heb ik totaal geen zin in. Echter, de personages in deze roman smullen van Abramovic, die in een museum een geladen pistool tegen haar hoofd houdt.
Wat is sommige literatuur toch heerlijk pretentieloos, en wat is deze roman, door de onderwerpkeuze en de personages die verbonden zijn met dit onderwerp, opeens heel pretentieus.

Genoeg over kunst in romans, genoeg over mijn nekharen die als overeind staan. Daar kan dit proza op zich niks aan doen. Ik zal proberen aan te geven wat de kracht is van dit debuut, want die kracht is onmiskenbaar. Dat komt vooral door de sterke verteller, die weliswaar een kunstachtergrond heeft en erg zoekende is, maar die vooral deze vertelling vlot en speels maakt, met op iedere bladzijde mooie beeldende zinnen.
De vertelster heet Gala. Nog voor ik iets over dit personage kan zeggen voert ook haar naam me direct terug naar… kunst. Je moet er iets vanaf weten, zoals met alle moderne kunst, maar bij het horen van de naam Gala veren kunstliefhebbers, of mensen die dwepen met kunst, direct iedereen op. De geliefde en muze van Salvador Dalí heette Gala, dat kan geen toeval zijn. Gala was een Russische die in Zwitserland een Franse dichter leerde kennen, met hem trouwde, ze kregen een dochter. Meestal doen muze-verhalen me erg weinig, maar als een personage in een roman duidelijk vernoemd wordt verdiep ik me een beetje in die persoon. Dat ze haar dochter verwaarloosde en meer in kunstenaars geïnteresseerd was – een graadje erger dan mensen die in kunst geïnteresseerd zijn – vind ik interessant, en ook haar verhouding met jongere mannen tijdens haar huwelijk met Dali, waaronder kwetsbare drugsverslaafden, maar het blijft in deze roman bij vernoemen: het aanhalen van de mythe zonder de keerzijde te benoemen. Gala was een muze, de naam aanstippen volstaat om deze naam mythisch te houden en de roman lading te geven die misschien niet helemaal op zijn plaats is.
Ik bedoel: waarom heet ze niet Ans of Linda?

In ieder geval neemt de vertelster Gala je bij de hand, staat ze soms boven de vertelling, alsof ze je in een museum rondleidt. In een uiterst heldere taal, met sterke vergelijkingen en metaforen, neemt ze de lezer mee naar… Kortrijk.
Dat is dan weer een erg goeie keuze. Eindelijk eens geen Brussel of Parijs.
Kortrijk! De stad die beroemd werd door het eerbetoon van Johny Turbo:

’t Zat vroeger vis in de Leie
moa ’t zwem nu gin mjee
Oal da wil leven da vluch noa de zjee

Bronwasser slaat Johny Turbo over en concentreert zich op de vraag wat er gebeurt als je een onbekende stad binnenkomt. Leuke vraag, al kun je ook eerst even de lokale muziek opzoeken. Kan een verrijking zijn.
Waarom is het eerste het beste koffietentje achter het station van Hamburg prima en is in Amsterdam een café zelden goed genoeg? Daarmee begint de roman, dat is de opmaat naar de ontmoeting met de kunstmecenas die zeker niet goed genoeg is, maar waar de vertelster wel voor valt.
Echter, Gala weet kunst niet op afstand te zetten. Dat is haar worsteling. Dat is mijn worsteling als lezer, want ik hoop steeds dat haar visie bijdraait. Dat ze even een pasje achteruit doet.
Zo zegt ze: ‘Bijna alles wat ik weet, weet ik van kunstwerken waarover ik eens heb moeten schrijven of iets heb moeten zeggen.’
Is ze werkelijk zo verweven met kunst? Arme dame. Of gaat deze roman over leegte? Dat is voor mij de enige overgebleven optie.

Gala schrijft over kunst, bezoekt in Kortrijk een tentoonstelling, houdt daar een praatje, ontmoet een paar mensen. Na een monoloog van de mannelijke hoofdpersoon (vreselijke man), waarin bijvoorbeeld ‘het gevecht tegen fake en nep, tegen illusie en pose en de leugen van de online wereld’ terugkomt en hij de spiegel noemt die de kijker voorgehouden wordt, stelt Gala: ‘De spiegelmetafoor, een uitgekauwd kunstkauwgompje.’
Dat is even een verademing. Hier spreekt een verteller uit de wereld van kunst, die zelf ook het tegen het opgeklopte van dat wereldje aanloopt. Yes!

Natuurlijk zet ze zich daar snel overeen. Kunst is haar bestaansrecht. Als Gala werkelijk weerstand heeft tegen het door Bronwasser geschapen kunstwereldje dan zou ze al snel uit het verhaal weggelopen en direct naar de Ierse pub gegaan waar ze na de opening van de tentoonstelling wat gaan drinken.
Gala zegt over zo’n kroeg dat het de laatste plaats is waar je wilt zijn. Ik veerde op bij het uitgekauwde kauwgompje en die Ierse pub, het dedain over deze bijzondere pubcultuur wierp me weer terug op mijn kriegelige leeservaring. Dit boek zegt: als jij zo’n pub wel leuk vindt ben je een sukkelaar.

De vervelende man – Pé – noemt de Hollanders in de kroeg ‘ongecompliceerde Noorderlingen’. Daar herkende ik me in. Ik beschouw het als een compliment. Ik zoek romanpersonages die vanuit hun eenvoud dezelfde zoektocht maken als deze Gala, maar dan zonder die elitaire houding.
Terug naar de roman en de kwaliteit van deze roman. Die zit hem in de mooie taal. Dat zijn lichtpuntjes die me vertellen: als je zo goed kunt schrijven waren er ook zonder kunst genoeg prachtige beelden overgebleven.
Bronwasser noemt ergens zeewier in de branding, in een vergelijking met haar dat lang niet afgeknipte is. Heel mooi. Haar dat lang niet geknipt is. Dat voelt ‘zo gewichtloos als de avondlucht’.
Hier worden beelden opgeroepen in plaats van dat er geheuld wordt met het museumwerk van anderen. Hier gaat Gala leven, zie ik die haren onder water bewegen, hier krijg ik de ruimte om dit personage voor me te zien zonder dat ze een hoorcollege kunstgeschiedenis herhaalt. Hier toont de roman haar kwaliteit, iets wat andere lezers hoogstwaarschijnlijk in alle andere zinnetjes, en in de combinatie van zinnen, ook zullen zien.
Het probleem van Gala is dat ze de beelden zelf niet vertrouwt. Dat is het gebrek aan grip op plaats, op tijd, op haar herinneringen. Vanzelfsprekend is grip moeilijk en soms zelf amper te krijgen, en een personage dat zoekt naar grip is interessanter dan een personage met misplaatste controle, toch zijn opmerkingen als ‘deze avond bestaat eigenlijk niet,’ te zeer gericht op het vluchtige en ongrijpbare. Een verteller die een gedegen en beeldend verhaal maakt hoeft niet te benadrukken dat het wellicht allemaal niet echt is.

De vertelling is echt. Dat is mijn houvast. Dat brengt de lezer verder.
Als ze in de stad een sleutel moet gaan ophalen, met ene Fatima, stelt Gala: ‘Nu past er helemaal niets meer bij elkaar. Niets klopt. Ik ben niet op bezoek in Kortrijk, nee, ik dwaal door een plaats zonder naambord.’
Tekst kan ook een performance worden.
Fatima kijkt op haar beurt uit naar een vollemaanmeditatie in Tibet, waarna Gala zegt: ‘Maar je bent niet in Tibet, je bent hier.’
Dat is een heldere opmerking die toch vreemd voelt. Net nog dwaalde de vertelster rond in een stad zonder dat ze daarvan de naam wist, op een avond die eigenlijk niet bestond, nu geeft ze een ander personage mee dat ze in ieder geval niet in Tibet zijn. Ze weet dus nog wel iets van plaats en tijd.
Tijdens het lezen van Niets is gelogen wordt weerstand gevolgd door weerstand. Kijk daar alstublieft doorheen. Laat je meevoeren in deze zoektocht naar herinneringen, want dat is deze roman. Dan kom je vanzelf werkelijk bijzondere zinnetjes tegen die vol beweging zijn, en kleur:

‘Langs de kade waait het nu, richtingloos wervelend. Het jaagt over de theegroene golfjes in de Leie. De gele zijden rok van Fatima wappert om haar benen.’

Raak raak raak.
En verderop, bij Gala’s terugkeer in Kortrijk:

‘De gevels zijn gezandstraald.
De kades langs de Leie zijn vernieuwd en verbreed.
Daar lopen plukjes wandelaars als in een artist’s impression.
Er is een nieuwe brug.’

Over die artist’s impression zal ik nu verder zwijgen. In plaats van mopperen herhaal ik alleen de slotzin van dit stukje: ‘Er is een nieuwe brug.’
En dan een witregel om het beeld ruimte te geven, zoals een brug ruimte nodig heeft. Dat is schrijven in beelden en recht doet aan die opgeroepen beelden. Het water aan die kade langs de Leie is het blauw van Bronwasser, niet dat van Yves Klein.
Daar zocht ik naar. Dat maakt dit proza tot beeldende kunst.

Ambo|Anthos geeft Niets is gelogen uit.

Daan Stoffelsen: Marcel Möring, Amen

Ik volg Marcel Möring ongeveer net zo lang als ik Ronald Giphart volg, vanaf mijn puberteit, met Bulkboeken van Mendels erfenis (en Ik ook van jou), en ik heb weinig overgeslagen sindsdien. Een rode draad is die van mensen (mannen) alleen en een sterke betrokkenheid bij de joodse geschiedenis, van Genesis tot Holocaust. In Amen, genoemd naar het dorp bij Westerbork, zien we dat terug, maar ook een aantal afscheidsverhalen: een terminaal Rote Armee Fraktion-lid dat een zachte dood zoekt, een spoorloos verdwenen meisje, maar vooral de geschiedenis van een man die verlaten wordt.

Het oordeel over Amen valt en staat dan ook met wat je vindt van hoe die geschiedenis in snippers, aanvankelijk in een klaagzang van enorme zinnen, overgeleverd wordt. De ik is verlaten, hij begrijpt er niets van. De eerste zin:

Dat er een begin is dat begint en een einde dat eindigt en dat het einde begint en het begin eindigt en dat het tij van de tijd aanspoelt en zich terugtrekt en het wrakhout achterlaat van wat was kom zaterdag de laatste doos halen oké? en jij die zegt dat dat oké is, dat alles oké is, jij bent oké, ik ben oké, dat je weg bent is oké, dat ik het niet snap is oké, het is oké dat het einde hier begint of het begin hier eindigt, er is helemaal niets dat niet oké is, oké scheelt een boel gelul waar we niets mee opschieten, want er verandert nooit iets, tussen ons niet, de wereld niet, de geschiedenis niet, alles stroomt en je kunt er alleen maar naar kijken en denken: alles stroomt.

Een boel gelul, en dan een zin van bijna duizend woorden (dit hele begin is te lezen op Athenaeum.nl), waaruit we opmaken dat midden in de seks ze opeens weg leek te zijn, haar interesse was verdwenen, waarin het Songfestivallied van Teach In, Lucky Luck, het Hooglied langskomen en die Möring besluit met: ‘hoe het was als jullie het deden, dat vroeg je, en ze zei zoiets als nou, gewoon en je denkt gewoon? gewoon dat is als een katholiek die de heilige communie omschrijft als “een stukje brood en een slok wijn”‘.

Dat vind ik heel erg geestig. Maar het is dus lang en herhalend en repetitief en herhalend en telkens weer dat begin en dat einde en leegte, en ergens is het heel herkenbaar hoe de ik – Samuel Hagenau heet hij – voor het voldongen feit van verloren gevoel komt te staan. Hoe hij dat nota bene heeft uitgelokt door deze wijze woorden uit te spreken: ‘Geluk is niet zoiets als het weer, het is niet iets dat je overkomt, het is een verantwoordelijkheid, je bent verantwoordelijk voor je geluk, voor dat van je geliefden, voor het geluk in je relatie, je kunt het niet afdwingen, maar je kunt er ook niet op zitten wachten.’ Tja, dan onderneemt ze actie.

We treffen Samuel Hagenau dolend op de heide nabij zijn werkplek, een archeologische opgraving van kamp Westerbork. Daar treft hij een uitgebrande auto aan. ‘Waarom? Waarom hier? […] Ik pak de telefoon, buig mij voorover, op de knieën, en schijn met het lichtje van de telefoon onder de wagen. Kut.’ Erg kernachtig, en na een meditatie op de stilte om hem heen en een telefoontje, na pas twee pagina’s expliciteert een rechercheur wat hij daaronder vond.

‘“Waarom keek u onder die wagen?’
“Ik ben archeoloog.’
Ze besluit die opmerking te negeren.
“U kon toch niet weten dat er iemand onder die wagen lag?’
Nee, dat kon ik niet weten. Ga ik nu uitleggen dat het onzichtbare de essentie is van archeologie?’

Mooie dialoog…

(… en een wat zweverige uitleg van deze wetenschappelijke discipline. Ik ben classicus, en er zijn natuurlijk zweverige archeologen, maar de meeste die ik ken hebben een voorkeur voor het concrete, het aanwezige, het zichtbare. ‘Ik vraag mij af, terwijl ik daar op mijn buik lig en de droge aarde ruik, of mijn beslissing om archeoloog te worden is genomen uit een onbewust maar diepgevoeld verlangen naar het afwezige, dat wat er niet is en pas zichtbaar wordt als het gemis wordt gevoeld, als je ernaar begint te graven. En wat dat betekent,’ schrijft Möring, en: ‘De vraag waarom je jezelf als archeoloog definieert als je spreekt over de liefde. Een archeoloog die door de knieën gaat en met het ledje van zijn telefoon onder de auto schijnt en hoort hoe de wereld zijn adem inhoudt.’ Net zoals Oek de Jongs kunstenaar – hierover moeten we het nog eens hebben, Jan – net zo goed een schrijver of een diplomaat of een zakenman had kunnen zijn, is de archeologie bijkomstig, en de rouw, het gemis, de liefde essentieel voor Samuel Hagenau. Ik geloof dat hij zich dat zelf gedurende de roman ook gaat realiseren.)

Maar die moordzaak wordt het plotje van de roman: Samuel verdiept zich in de zaak, reikt de politie theorieën aan; het lijkt wel erg op een rituele verbranding uit oude tijden, ook als je naar de houding van de dode kijkt. Er is een relatie tussen het kamp en de R.A.F., tussen de vindplaats en de omgeving. Het voelt als een vlucht voorwaarts uit de rouw, zoals er ook een vlucht terug is, naar die eerdere spoorloze verdwijning, van een buurmeisje in Zwitserland. ‘Vroeger is een scheur die begint in Zwitserland, onzichtbaar nog, zo dun, maar allengs groter, een scheur die zich vertakt, zoals ijs breekt en blijft breken, tot de oever is bereikt,’ schrijft Möring.

Het oordeel dus. Möring verwerkt in Amen die herinneringen, gesprekken en nagesprekken (je weet wel, dat je achteraf bedenkt wat je had moeten zeggen) met zijn ex, het nu van de zaak van de auto, zijn werk, af en toe heel kaal, dan weer lyrisch, en ik vind het goed werken. Möring is een van onze interessantste plotbouwers, met een Mulischiaans grote greep, maar een betere stijl dan die schrijver in zijn laatste romans. Hij heeft mooie beelden, goede observaties, en er zit een ontwikkeling in die lyriek, het deel dat ik ook minder waardeer door de herhaling van juist die grote woorden, en dat Thomas de Veen als ‘vaag’ benoemt in NRC. Kees ‘t Hart beschrijft die ontwikkeling, dat groeiende inzicht mooi in De Groene: ‘De ik verheft zich boven iedereen, kijkt neer, twijfelt nergens aan, weet alles. Hij is verloren in inzicht. Lost in vision. Als dit niet tragisch is, weet ik het ook niet meer en Möring schreef er een mooie, emotionele roman over.’

En zo kloppen dus ook de lyrischer delen. Amen is een rouwroman en daar zit een geloofwaardige disbalans in (iets soortgelijks kun je zeggen over Manon Uphoffs heel andere roman Vallen is als vliegen), die binnen de lijntjes blijft. En een boek dat ruimte biedt voor introspectie en gesprek – wat wil je meer van literatuur?

De Bezige Bij gaf Amen uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Cynan Jones, Charlotte Van den Broeck: de redactie las een dwingend trage, beeldende roman met geconcentreerd uitgebeend indrukwekkend proza, en een charmante essaybundel over het maken en het falen.

*

Jan van Mersbergen: Cynan Jones, De wetten van water

Er zijn schrijvers die me direct een warm overwinningsgevoel geven zodra ik hun nieuwe boek in handen krijg. Een daarvan is Cynan Jones. Net verscheen van hem De wetten van water, een verzameling verhalen die afgelopen zomer als afzonderlijke delen op de BBC radio zijn voorgelezen en samen een roman vormen.

De bladspiegel met de kenmerkende witregels is onmiskenbaar Cynan Jones. Net als in De burcht en in het fenomenale Inham zorgt zijn manier van het opdienen van korte brokstukjes tekst ervoor dat mijn leestempo drastisch omlaag geschroefd moet worden. Iedere korte alinea van twee of drie regeltjes is even ademhalen. Opnieuw lezen. Langzaam een besef krijgen van de beschrijvingen, de handeling, stukjes verhaal, beelden. Dat is dwingend.
Dat werkt goed als de bladzijden opgebouwd zijn uit die beelden, uit flarden. Dat vormt het boek zich in het hoofd van de lezer.
Jones schrijft op bladzijde 25:

‘Het gaat altijd om het beeld van iets, in de meeste hoofden.’

Hij kent zijn eigen kracht, en de kracht van taal, met weinig woorden.
Als er te veel vergelijkingen gebruikt worden, zoals in het eerste cursief gedrukte hoofdstukje, dan worden de beelden inwisselbaar en herhalend. Dan ‘heerst er een stilte als na een hevige windvlaag’, dan ‘wordt het licht sterker, alsof het in volume toeneemt’, dan ‘knijpt ze in zijn hand, alsof ze de aarde tot stilte maant’, dan is de droom ‘als een droge mond’. Alles wordt vergeleken, en dat is wat veel. Het geeft de lezer het idee dat handeling en verhaal er niet meer toe doen en we poëzie aan het lezen zijn.
Nu spelen het verhaal en de personages geen traditionele rol in het werk van Jones. De tekst is geen film, het is een trage videoclip: veel beelden in korte tijd. Veel sfeer.
Dat werkt goed als iedere korte losstaande alinea ook beeld en sfeer heeft. Als er zinnetjes tussen staan die eigenlijk een dialoog zijn, zoals al snel in het boek gebeurt, dan lijkt het wit alleen de bladzijden op te rekken:

‘Ik kan wel komen,’ antwoordde Branner. Het was redelijk dichtbij. Aan de andere kant van het spoor.

‘Laat het geschut van de trein het pakken,’ zei de brigadier.

Branner voelde hoe het oude litteken op zijn kaak lichtjes aan de voering van zijn capuchon bleef haken.

‘Nee, ik ga wel.’

Het zal een dier zijn, dacht Branner. het hoeft niet onnodig te sterven.

Alleen de middelste alinea met het litteken en de voering biedt een beeld en een omschrijving en focus. Het vertraagt, het isolement van de zin legt nadruk op litteken, kaak, jas. De vorm is functioneel. De rest kan in elkaar geschoven worden zonder dat de tekst daar minder van wordt, sterker nog, het tempo mag in zo’n dialoog best omhoog.
Moeilijk uit te maken trouwens waar dit fragmentje van vijf korte stukjes over gaat, en dat doet er eigenlijk ook niet toe. Langzaam krijgt de lezer wel een idee van wat er speelt. Het gaat mij erom dat de stijl met die witregels soms ijzersterk is, zoals met die voering, die voel ik nu nog, maar soms ook een zwakte, zoals bij: ‘Nee, ik ga wel.’
Ik vertrouw Jones dusdanig dat ik verder lees, want ik weet dat de beelden en het gevoel de bovenhand zullen krijgen. Maar het lezen vraagt dus wel wat: rust, adem, geen afleiding.
Dan kom ik bij iets meer gevulde, iets beschrijvender dubbele pagina’s, en dan leef ik helemaal op.

Er hing een geur van nat metaal en steen.

Niet al te ver weg kokkerde een fazant, klapperde met zijn vleugels, zich gewaar van de naderende trilling in de lucht.

Opgaan in lucht, terwijl de regen zijn kortstondige beeltenis uiteendreef.

Met dank aan vertaler Jona Hoek voor het woordje ‘kokkerde,’ mij onbekend maar als ik aan een fazant denk weet ik precies wat hij bedoelt. Deze drie stukjes staan in een andere volgorde op bladzijde 19, en ik heb ze niet voor niets hier herhaald met de fazant in het midden. Soms lees ik de alinea’s op een bladzijde in een willekeurige volgorde. Bij beeldende kunst maakt het niet uit naar welke wand in de museumzaal je het eerst kijkt.

Het verhaal: zeer actueel. In het eerste hoofdstuk nadert een trein. Het verhaal gaat om water. Een trein moet water naar de stad vervoeren. Water is een schaars goed. De spoorlijn is kwetsbaar. Aanslagen dreigen. Daarom wordt er een enorm dok gebouwd waar een ijsschots in past. Huizen moeten wijken, een soort metrolijn zoals in de jaren zeventig in Amsterdam, maar dan een waterweg voor ijs.
Hadden klimaatactivisten maar de beeldende kracht van Cynan Jones. Konden ze in hun slogans (‘Liever groen dan poen’) hun zorg en angst verpakken zoals Jones dat doet, en toch met beide benen op de grond blijven, zoals een van de vertelstemmen, een man die aan het betonnen dok werkt en zegt dat er in iedere kubieke meter beton 150 liter water zit. Het beton dat het water moet vasthouden bestaat voor een deel uit water. Dat is de nuchterheid en de realiteitszin die vaak in het klimaatdebat ontbreekt.
Jones laat Londen leven, door schaarste op te voeren. De ijsberg is de oplossing. Het is klimaat-science fiction, en toch zeer aannemelijk. En gericht op kleine mensenlevens. Want hoe maak je een enorm ingrijpend maatschappelijk probleem behapbaar voor de lezer op een manier die de lezer raakt?

Jones zoomt in. Er is een tekort aan water, drinkwater, kraanwater. De man die aan de betonbak werkt ligt in bed met zijn vriendin en haar dochtertje. Buiten hebben kinderen de hoofdwaterleiding gekraakt. Het meisje speelt met zijn haar, dat droog en stoffig is. In een klein tussenzinnetje laat Jones deze verteller zeggen dat het meisje zijn haar ‘omwikkelt zoals mijn eigen kinderen deden’. Wordt even terloops gezegd, focus op een meisje en het haar van stiefvader, het beeld van het gezin wordt groter.
Buiten spettert het water. Er wordt gezegd dat ‘het stof aan de kant van de straat zo droog is dat het waterafstotend is’. Weer zo’n sterk beeld, weer de stad als onder een microscoop. Druppeltjes water in het stof.
Dan:

‘Zelfs met de extra watermuntjes die we hebben als deel van ons loon, wij arbeiders, is het onmogelijk om ons haar fatsoenlijk te wassen.’

Het systeem, de schaarste, het werk, het stof, het water, iemands kapsel, de handen van een stiefdochter. Alles komt terug op één enkele bladzijde in een stuk of zes korte alinea’s. Keer op keer ontneemt Jones de lezer de adem met zijn geconcentreerde uitgebeende indrukwekkende proza.
Het enige wat stoort is de diversiteit van de vertellers en hoofdpersonen die het moeilijk maken in deze veelheid van stemmen één roman te herkennen. De remedie: het leestempo nog verder omlaag brengen en herlezen, iedere bladzijde gewoon nog een keer lezen, om dit proza de kans te geven dit diep tot je door te dringen. Die poging wordt beloond.

Koppernik gaf De wetten van water uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Charlotte Van den Broeck, Waagstukken

Twee overeenkomsten, Jan, tussen jouw boek en het mijne van deze week: ik keek heel erg uit naar Waagstukken, waaruit we al een stuk in ons Periferienummer publiceerden, en water is het terugkerende element. Maar dan hebben we het wel gehad, geloof ik. Van den Broeck ging op zoek naar falende architecten die zelfmoord pleegden toen bleek hoe ze gefaald hadden. Een geweldig uitgangspunt, dat duurzame mislukking, niet zelden lachwekkend maar ook vaak tragisch, verbindt met bonte levensverhalen; dat geankerd in beton, baksteen en staal diep in de psychologie van kunstenaars kan reiken.
Een gewelddadig uitgangspunt ook; regelmatig wordt de jonge dichteres bezorgd toegesproken dat ze zelf niet ook de daad bij het onvolmaakte woord moet voegen. Dat 113-element geeft Waagstukken gewicht en ernst – en Van den Broeck ontsnapt daar niet volledig aan, waardoor ik dit boek in porties moest lezen, over enkele weken verspreid.

Dat gewicht, laat ik dat nu maar eerst benoemen voor ik bij de geweldige elementen van het boek kom, zit hem in het ronduit romantische wereldbeeld dat Van den Broeck tentoonspreidt, gecombineerd met een bloedserieuze benadering van de architectuur – waarbij het beeldmateriaal beperkt blijft tot vage polaroids – en een filosofisch doordenken van kunstenaarschap en zelfmoord. In een van de laatste essays schrijft ze:

‘Ik geloof dat dat schot een autonoom intentionele handeling was. Ik geloof dat Kempf de trekker overhaalde met de bedoeling om dood te gaan, meer dan dat het hem om de consequentie ervan, “het dood-zijn” te doen moet zijn geweest.
Eigenlijk voel ik ontzag voor de onverantwoorde manier waarop Kempf in het leven stond. Door een totaal op zichzelf gerichte houding lijkt hij nooit de gevolgen van wat dan ook te hebben gedragen, simpelweg omdat ze hem niet interesseerden.
Zelf probeer ik bij alles wat ik doe krampachtig de gevolgen te overzien.’

Dat krampachtige, maar ook het obsessieve en het streven naar iets volmaakts, komt regelmatig expliciet naar boven in het boek. Er staat dan: ‘Toen het schrijven aanving, of eigenlijk: toen wat ik schreef gelezen begon te worden en daardoor voorzichtig enig bestaansrecht kreeg, wist ik het heel precies: ik heb te veel. Het kan niet allebei, schrijven en een heel leven, er moet iets kapot.’ Ik vind dat eigenlijk minder interessant. Ik begrijp dat het gemeend is, maar ik vind ook dat het grote woorden zijn die, inderdaad, kapot moeten om menselijke, concrete literatuur te worden.

En die is er ook in Waagstukken. Want natuurlijk zijn sommige van die zelfmoorden mythevorming, architecten sterven ook in bed, vanzelfsprekend functioneren hun gebouwen soms gewoon ook, en blijkt de zoektocht overbodig. Maar ook de projecten zelf. Er is een Amerikaanse golfbaan, een perfecte golfbaan, die verboden is voor gewone stervelingen, en waarvan de maker zelfmoord pleegde omdat het gras telkens doodging. Tragisch, maar ook geestig. Het verhaal van een ingestorte filmzaal in Washington D.C. ontleent zijn kracht dan weer aan het perspectief van een passerend huisarts dat Van den Broeck leent: je bént in de fatale sneeuwstorm (het dak kon zoveel sneeuw niet aan), je ondergaat het rampweer.

En heel mooi verweeft Van den Broeck zwemscènes door het boek. Het opent met een zwembad in Turnhout dat meer dicht dan open is door allerlei mankementen, in Oostende is ze met Koen Peeters voor een heel ander gebouw en herinnert ze zich dat ze niet in zee konden zwemmen (te koud). ‘Vandaag gaan we van armoe dan maar binnen zwemmen in het zwembad aan de Koninginnelaan. Mijn broer zal hier een aanzienlijk grote lap huid van zijn rechterknie verliezen aan het uitsteeksel van de waterglijbaan.’
En in Napels bezoekt ze een strand dat een plaatselijke architect bedacht had voor een badplaats: ‘Als ik aankom in Bagnoli voelt het badpak onder mijn kleren dwaas. De lucht heeft een gestikte geur. De mengeling van polyester en lycra nijpt in mijn billen. Het strand, bezaaid met afval, ligt vlak aan het oude industrieterrein.’

Van den Broeck thematiseert niet zozeer de zelfmoord, alswel de mislukking. Haar onderzoek faalt, haar relatie faalt, de gebouwen falen, de architecten slagen er zelfs soms niet in heroïsch te sterven. Zelfs bij het zwemmen, wat toch vrijheid zou moeten geven, wordt ze gestuit. We kunnen wagen, maar het gaat maar al te vaak stuk. En dat levert een charmant boek op, geweldig vormgegeven ook met wat ik een open ruggetje zou willen noemen: de katernen zijn zichtbaar gebonden met blauwe, bruine en witte draden, er is geen kartonnen rug. Blijft fantastisch openliggen en wijst je op het productieproces. Een charmant boek dus over het maken en het falen.

De Arbeiderspers gaf Waagstukken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Oek de Jong, Donald Ray Pollock: de redactie las een stuwende roman van vlucht en confrontatie en een boek van handeling en actie en beeldende taal, een boek om te voelen.

*

Daan Stoffelsen: Oek de Jong, Zwarte schuur

Stel: je bereikt het hoogtepunt van je carrière, en juist nu wordt de zwartste episode uit je verleden ontdekt en openbaard: een grote jeugdzonde. Tegelijk heb je een jaar hard gewerkt voor dat hoogtepunt en ben je vervreemd van je vrouw. Het gebeurt de schilder Maris Coppeelse, nog geen zestig, als er een groot overzicht van zijn werk tentoongesteld wordt in het Stedelijk Museum, en Oek de Jong – die hierover 24 oktober met Bob Kappen spreekt bij Athenaeum Boekhandel – zet zijn verhaal van vlucht vooruit en confrontatie overtuigend neer.

Én de persoon van deze kunstenaar:

‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd an hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voorouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen.’

Een personage uit één stuk, gekweld en getalenteerd. Hij denkt intuïtief en reageert impulsief. Maar het verhaal dus: de onthulling in een weekblad, van zijn betrokkenheid bij de dood van een meisje toen ze veertien waren, raakt hem, zijn vriendengroep, zijn familie; zijn stiefkinderen had hij het nooit verteld. Hij gaat de mensen ontwijken, zoekt herinneringen op. In vijf delen toont De Jong hoe Maris telkens weer geconfronteerd wordt met de geschiedenis, destijds, maar ook als jonge kunstenaar en nu, op een vakantie op Gomera. Dat stuwt het boek vooruit, terwijl zijn vrouw, Fran, hem ook op zijn plek houdt.

De psychologie is sterk, geloofwaardig, de beweging werkt, de decors zijn levendig, de roman hield me lang geboeid. Twee dingen vallen me sterk op aan deze roman. Het perspectief is personaal, derdepersoons, dicht op het personage – meestal op Maris, af en toe ook op Fran. We kennen hun gedachten, hun indrukken. Maar De Jong zoomt af en toe even uit, waardoor je denkt: óf dit personage is zeer zelfbewust, óf eigenlijk is hier stiekem een alwetende verteller aanwezig. Wéét Maris dat hij indruk maakt en zichtbaar een boerenachtergrond heeft? Of hier:

‘Fran aarzelde, maar toen pakte ze, zonder stil te staan, het sjaaltje vast, trok het met één beweging uit haar haren en stopte het in haar tas. Ze was een vrouw die zoiets onder de ogen van anderen kon doen zonder zichtbaar ongemak, luchtig. Ze schudde haar haren los. Het voelde als verraad aan Maris, als een breuk, als het voorteken van een breuk.’

Weet ze dat ze ‘zo’n vrouw’ is? Maar dan zijn we in twee zinnen weer bij haar gevoel. In die flitsen komt de god van de roman even naar voren, en dat doet aan als een stijlbreuk. Maar misschien ben ik spastisch geworden van het perspectiefdenken van Buwalda (en Luiselli en Schermer en Giphart), die de ik-perspectieven liefst laat overschieten bij fysiek contact tussen zijn personages.

Veel aanweziger is het fysieke. De Jong lijkt de bruuske beweging te willen onderzoeken, het duwen, het neuken, het schreeuwen. De woede en de lust boven begrip en tederheid. Een geweldige scène in dat verband is de nacht na de opening van de overzichtstentoonstelling.

‘In bed tastte Maris naar het lichaam van zijn vrouw. Hij schoof een hand onder haar nachthemd, in haar slip – sinds een jaar droeg ze een slip in bed – en liet hem rusten op haar buik. Het aanraken van haar lichaam kalmeerde hem. Bijna meteen duwde ze zijn hand weg.
Maris besefte dat ze klaarwakker was.’

Dat ‘klaarwakker’ is wat veel, en misschien wat volgt ook, maar het blijft hangen en echoën in het boek: ze blijkt te huilen, en bij een volgend teder gebaar pakt ze zijn onderarm en bijt. Bijt door.
Er wordt weinig gefluisterd, weinig gestreeld in deze roman. Als liefde goed is, is ze lichamelijk, snel binnen en snel bevredigend. Er wordt weinig geanalyseerd ook, veel beleefd en herinnerd. Eigenlijk dus eerder het bruuske ondergaan dan onderzoeken, en dat werkt goed, De Jongs opzet geeft een ouderwets gevoel van onderdompeling in iemands hoofd (lijf?).

‘Onder het genot,’ schrijft De Jong als het stel in een uiterste poging hun relatie te redden naar La Gomera vaart, ze zien dolfijnen, ‘lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’ Tussen het aanraken en het hard raken, het licht en de duisternis beweegt Zwarte schuur. En je beweegt als vanzelf mee.

AtlasContact gaf Zwarte schuur uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock, Al die tijd de duivel

Sinds de verhalenbundel Knockemstiff en zijn prachtige optreden op Crossing Border in Den Haag volg ik Donald Ray Pollock. Bij De Revisor publiceerden we een vertaald verhaal van hem. Nu herlas ik Al die tijd de duivel.
Ik las het opnieuw omdat ik een boek mee wilde nemen op reis. Ik ging een paar uur in een vliegtuig zitten. Ik wilde een boek bij me hebben dat een paar dingen in zich had: veel handeling en actie, vlotte beschrijvingen, mooie levendige personages, duidelijke gebeurtenissen en een verloop in het verhaal, en bovendien proza dat ik als een film tot me kan nemen: in beeldende taal. Als laatste, en dat is misschien voor lezen tijdens een vliegreis het belangrijkste: ik wilde een boek meenemen dat ik kon voelen. Denken in een vliegtuig, dat doe ik al voldoende. Het is zaak dat denken te verdrijven, en dat kan door een roman die je laat voelen.

Willard Russell, vader van de eigenlijke hoofdpersoon Arvin Eugene Russell, is getrouwd met een beeldschone vrouw die ziek wordt. Hij stelt alles in het werk om God aan te spreken; bidden, dieren offeren, bloed langs een oude gebedsstam laten lopen. Charlotte, de moeder van Arvin, sterft toch.
Met die uitzichtloze scène begint Pollock zijn verhaal dat speelt in de jaren tachtig in Ohio. Het leest alsof hij het Amerika van de jaren dertig van de vorige eeuw beschrijft, maar dit boek speelt dus vijftig jaar later, in een arm Amerika, een treurig Amerika, een hard gewelddadig Amerika.

Pollock spaart zijn personages en zijn lezers niet. Moord, geweld, oplichterij, ziekte, leed, alles komt voorbij. En toch zijn de personages aandoenlijk, vooral vader Willard in de eerste hoofdstukken als hij meedogenloos is voor mensen die hem ook maar zachtjes uitlachen, en later zoon Arvin, als zijn pa ook dood is, nog in het eerste deel.
De politieman komt in het bos bij de gebedsstam waar Willard zijn eigen keel heeft doorgesneden en vraagt aan de jongen wat die boomstam is.

‘“Het is een gebedsstam,” zei Arvin, met nauwelijks hoorbare stem.
“Wat? Een gebedsstam?”
Arvin knikte en staarde naar zijn vaders lichaam. “Maar hij doet het niet.”’

In deel twee nemen het moordende echtpaar Carl en Sandy het verhaal over, als de moderne en ranziger uitvoering van Bonnie en Clyde. Minstens zo heftig, en kleurrijk.
Ik ben al lang weer thuis en herlees verder. Soms zit ik met dit boek in handen en mijn leesbril op weer in een vliegtuigstoel, met de gordel vast.

Karaat gaf Al die tijd de duivel uit.

Ronald Giphart, Ivo Victoria: de redactie las een lekker, groepspsychologisch boek met een wij-perspectief en een persoonlijke, soepele en rake roman.

*

Daan Stoffelsen: Ronald Giphart, Alle tijd

Perspectief doet ertoe. Voor schrijvers is het een technische keuze die inhoudelijke achtergronden kan hebben, voor lezers kan een ander perspectief juist een intiemere betrokkenheid geven. Ik schreef vorige week aan jullie, en later aan Bart Koubaa zelf, dat ik nooit echt nabij zijn Jacob Querido kwam, en hij antwoordde me dat dat een bewuste keuze was. In de zeventiende eeuw was er geen psychologie, geen ik – alleen wij en zij en God. En daarom definieerde hij zijn personages door wat hij deed. Totaal anders, conventioneler ook, vergrootte Ronald Giphart in zijn boek over vriendschap de afstand tussen mij en zijn zestal personages, door te vertellen vanuit de eerste persoon meervoud.

Ronald Giphart en ik gaan ver terug, ik ben van de generatie die zijn puberteit doorbracht met Ik ook van jou en Giph, mijn oma zag grote uiterlijke overeenkomsten en een van zijn beste vrienden beschouw ik als een van mijn weinige vrienden onder de schrijvers. (Niet dat ik veel literaire vijanden heb, dat ik weet, op de beruchte HP|De Tijd-vraag zou ik geen antwoord hebben, zo sociaal ben ik simpelweg niet.)

Giphart en ik zijn elkaar wat uit het oog verloren, dacht ik, maar ik heb stiekem toch al zijn romans gelezen, hij schreef een tijd wat minder zie ik nu, maar mijn verhouding tot zijn werk blijft wat dubbel: is het niet té toegankelijk? Wordt zijn werk wel interessante literatuur? Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar literatuur verrast me idealiter, prikkelt, brengt me uit evenwicht, wekt ongemak op, raakt me. Een goede roman doet meer dan een verhaal zo goed mogelijk vertellen, hij geeft inzicht in de mens of de wereld of de taal of allemaal tegelijk, en die effecten ebben na nadat het boek uit is.

Kijk, Alle tijd is wel een zeer geslaagd boek. Giphart verbindt heel ingenieus de levens van een zestal mannen, jongens nog, met elkaar, die op gegeven moment een brouwerij opzetten. Het wordt, mede dankzij de financiering van hun moeders, een groot succes, terwijl de roerige liefdeslevens verweven raken. Er komt een proeflokaal, een nieuwe brouwzaal en nog een wordt ingericht, er komen kinderen, en de eerste van hen overlijden. Het is, en dat is Giphart toevertrouwd, een warmbloedig verhaal over vriendschap, dat rijmt met zijn eerdere boeken: er is liefde, seks, jacht, Utrecht, drank, drugs, Nick Cave, er zijn baby’s en moeders en een sterfbed, er is een acteur en een poëzieliefhebber, er is niet te veel gepsychologiseer, veel weetjes (‘Montaigne beschreef vriendschap als een relatie die losstaat van alle mogelijke belangen en waarin alles gemeenschappelijk is, of dat nu wensen, gedachten of meningen zijn. Wat we die nacht, die uren, meemaakten smeedde vooral ook onze vriendschap, al misten we Luciën.’ Research is altijd zichtbaar bij Giphart.) en citaatjes, goede grappen, handigheidjes met taal, een ontroerend sterfbed.

Ik val daarvoor.

Zo zijn vijf van de zes – ze zijn opvallend genoeg vaak niet compleet bij hun avonturen – bij de val van de Muur, en schrijft Giphart: ‘We kwamen vele nationaliteiten tegen en we voelden ons die nacht allemaal J.F. Kennedy.’ Geen Berliners, maar Kennedy’s, mooi. Zo parafraseert Giphart ook Nescio:

‘Nog steeds staan we bij elkaar, toevallig wederom in Duitsland, bij een rustig pisveld langs de snelweg. Er passeert een groep voetbalsupporters op weg naar de Raststätte, ze zijn een jaar of twintig jonger dan wij. Een van de jongens roept iets, maar het is onduidelijk wat of naar wie. Er wordt overdreven gelachen om de opmerking, die wellicht over ons ging. Een jongen laat in het voorbijgaan een harde wind, een onbeschaafdheid die door de wannabe-hooligans met infantiel gegiebel wordt ontvangen. Groepen gedragen zich vrijwel altijd onuitstaanbaar, elke groep, op elk moment. Ook wij, al waren we Titaantjes après la lettre en maakten we ons niet, of niet vaak, schuldig aan zinloos machogedrag of braggadocio, we hebben nimmer het interieur van een café verbouwd, geen straatmeubilair gesloopt, nooit gestolen, nimmer scheten gelaten als andere groepen mannen passeerden. Aardig without a cause.’

Misschien is dat waarover ik twijfel: is het niet té aardig?

Het probleem zou hem in het perspectief kunnen zitten. Net als bij Koubaa word ik nergens intiem met een van de personages, en net als bij Koubaa lijkt me dit een bewuste keus: Giphart beschrijft een groep, een roedel, en hoewel de leden wel eigen derdepersoons lijnen krijgen, is die ‘wij’ steeds op de achtergrond, zoals in: ‘Luciën, die het schouwspel met de Taunus vanaf onze plek gadeslaat, oppert dat we misschien moeten aanbieden om de reizigers in nood te helpen – hij is van onze groep degene die het meest oog heeft voor mensen die hulp behoeven. Niet dat hij verstand van auto’s heeft, maar het gaat om het gebaar. Cola oppert dat de vrouwen misschien verkeerd hebben getankt, waarop Jonas aan het gezelschap vraagt of ze soms assistentie nodig hebben.’

Het betekent ook een zekere gelijkmatigheid: de wij-stem is een gemiddelde stijl, en in een redelijk eerlijke verdeling van sores en pagina’s (ik heb dit niet uitgerekend, dit is een totaal onwetenschappelijke indruk) steekt er niet één of twee bovenuit. Ook niet qua stijl. Als ik bedenk welke romans ik recent heel goed vond, dan ging het telkens om enkele vertellers, individuën met een eigen geluid, een eigen geschiedenis, een eigen psychologie en monomanie. Echte mensen met een afwijkende stem.

Maar dat is dus, denk ik, een keuze. Giphart schreef een ánder boek, een groepspsychologisch portret, en daarin is het individu ondergeschikt, het gaat om de dynamiek. Hij schreef een overtuigend boek op plot en structuur (het boek begint met een pistool, en Tsjechovs plottip volledig negerend gaat het pistool nergens af), niet over de mens alleen maar over het leven samen, het samenleven. Een lekker boek ook. Lekker genoeg voor een gesprek met vrienden met een speciaalbiertje.

De Bezige Bij gaf Alle tijd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Ivo Victoria, Alles is oké

In de nieuwste roman van Ivo Victoria gebruikt de schrijver zijn eigen naam, zijn echte naam. Weliswaar tussen dubbele aanhalingstekens, terwijl hij in dialogen niet eens enkele aanhalingstekens gebruikt – iets wat ik heel prettig vind. Opeens staat er: “Hans”.

Nu is er over de roman Alles is oké op de site van De Revisor al een mooi stuk gepubliceerd, de toespraak die Thomas Heerma van Voss hield bij de presentatie van de roman in de Roode bioscoop in Amsterdam. Het was op de avond waarop Ajax de eerste groepswedstrijd in de Champions League speelde, tegen Lille. Een aantal mensen zat met spanning in het zaaltje. Thomas zorgde voor een pakkende toespraak. Geen dwepende woorden, maar het betoog van een oplettende lezer om het boek van Hans bij te staan.

Op de avond was er verwarring over Ivo en Hans. Het pseudoniem lijkt de schrijver steeds meer in de weg te zitten. Een leuk gekozen pornonaam die bestaat uit zijn doopnaam en de naam van de straat waarin hij geboren is (de Victoriastraat, Victorialaan…). Marius Hoogendorp zou op die manier mijn pseudoniem zijn. Ik ben blij dat ik die weg niet ingeslagen ben toen ze bij Meulenhoff vroegen welke naam er op de kaft van mijn debuut geplakt moest worden.
Hij heet dus Hans. Ik ken Hans al een tijdje. In de Roode bioscoop vierde hij zijn tienjarige schrijverschap dat begon met zijn eerste roman met de lange titel die ik hier niet zal herhalen, en zijn tweede boek, Gelukkig zijn we machteloos, dat het in 2012 schopte tot de shortlist van de Librisprijs, waar ik ook mocht aanschuiven en waar Adri van der Heijden met Tonio won. Toen noemde ik hem nog Ivo.

Als je af en toe samen aanschuift bij de schrijversborrel in de stad, elkaar op boekpresentaties en vertellersavonden tegenkomt, als je elkaar ziet met kinderen en partners erbij, als je samen lesgeeft in Arnhem, als je over Lowlands contact hebt, hij als programmeur en ik als schrijver met een show, dan wordt het langzaam Hans. En nu staat er plots Hans in de roman waar voorop nog steeds de naam Ivo prijkt.

Deze roman is persoonlijker, dat geeft die naam wel aan. Het gaat over zijn moeder, over zijn vrouw en kinderen, over zijn woonplaats (Amsterdam) die een eind weg is van de woonplaats van zijn moeder, het gaat over het aftakelen van zijn moeder, die langzaam dement wordt. Aangrijpend, erg goed geschreven, wat betreft taal ook veel meer Vlaams dan zijn vorige romans, persoonlijk dus.
Ivo wordt Hans.

Hij schrijft zintuigelijk, precies, swingend, over zijn moeder:

‘Een tandwiel dat net nog doelloos rondjes draaide in het luchtledige van haar gedachten en zich nu in de schakel van een ketting had weten te haken en dat tandwiel trok en trok, millimeter voor millimeter, die ketting voort totdat ook het volgende tandje haar schakeltje gevonden had. En daarna het volgende, en zo verder, totdat de mechaniek die haar woorden aandreef eindelijk opnieuw ordentelijk zou functioneren.’

Veel herhaling, en dat past bij de staat van zijn moeder. Heel mooi, het omzetten van gedachten in een mechaniek, om het verstoren van dit machientje te kunnen begrijpen.

Na de presentatie dronken we met een paar andere schrijvers biertjes in een café aan de Noordermarkt. Het was een huiskamer. Hans was moe, zag ik. Hij dronk als een vermoeide man die net een boek over zijn moeder had afgeleverd. Het boek was er, hij was er nog niet helemaal. Een persoonlijk boek staat dichtbij, het boek wordt nu de wereld ingeduwd, allerlei meningen waar je nog minder grip op hebt dan op de dementie van je moeder, zullen gaan komen. Dat is spannend, dat is dodelijk vermoeiend. Ik zag aan hem dat het schrijven hem veel had gekost en toen ik een paar weken later ging lezen herkende ik juist die vermoeidheid en machteloosheid in de tekst.

Die staat van de schrijver door laten schemeren in de vertelling, dat is genieten. Dan zegt de schrijver: dit boek had niet anders gekund. En dan bedoel ik niet alleen de mooie goedlopende zinnen en de rake beelden, ik bedoel dat dit het monument is dat Hans voor zijn moeder moest schrijven.

Lebowski geeft Alles is oké uit.

Euclides da Cunha, Bart Koubaa: de redactie las twee boeken over Brazilië, een episch, veelvormig boek over een land en een opstand, en een zowel magisch-realistische als gruwelijke V.O.C.-roman.

*

Jan van Mersbergen: Euclides da Cunha, De binnenlanden

Boeken vormen een reeks, betoogde ik een tijdje terug. Na het lezen van het eerste deel van De oorlog aan het einde van de wereld van Maria Vargas Llosa was er maar één boek dat ik met zekerheid moest lezen: De binnenlanden van Euclides da Cunha, vertaald door August Willemsen.

De binnenlanden is de non-fictie-leesaanvulling op de roman van Vargas Llosa. Wat betreft het schrijven was De binnenlanden de basis voor De oorlog aan het einde van de wereld. Soms kun je boeken lezen in de omgekeerde volgorde dan waarin ze geschreven zijn. Noem dat verdieping.

Ik wil nu eigenlijk al veelzeggende duidende woorden gebruiken om het boek neer te zetten: prachtig, ijzersterk, indrukwekkende, wreed, imponerend, uitgebreid, lijvig en beeldschoon, maar eigenlijk doen al die simpele typeringen de leeservaring tekort omdat dit boek een compleet land, zelfs een compleet continent bestrijkt. Het laat zien wat de volksaard van de mensen in dit uitgestrekte land is, door in te zoomen op een enkeling.
Dit boek is Brazilië.

Allereerst het verhaal. Aan het einde van de negentiende eeuw, dat lijkt al twee eeuwen geleden, krijgt een enkele man een ongekende faam toebedeeld. Over een periode van zeker dertig jaar ontpopt hij zich van een eenzame vreemde kluizenaar tot een goeroe die een enorm gevolg aan zich bindt, een eigen gemeenschap in het dorpje Canudos, vergelijkbaar met de vertelling van Gabriel García Márquez over de stad Macondo, in Honderd jaar eenzaamheid. Zonder toeval evenveel lettergrepen, Canudos en Macondo. Evenveel letters ook. En vijf van de zeven letters komen overeen. Echter, García Marquez verzon zijn stadje. Canudos lijkt in zijn echtheid en weidsheid meer fictie dan Macondo.

Aanvankelijk is hij een verstotene die de eenzaamheid van de sertão, de dorre vlakten in Brazilië, opzoekt. Lang haar en baard, paard versleten gewaad, wandelstok, het prototype van een verwilderde of verstotene die als enige basis het geloof heeft, in een uitgekamde vorm. De weg van die bijzondere figuur naar de gemeenschap die zich met hand en tand verzet tegen inmenging van buitenaf en dus ook tegen ingrijpen van de republiek, het bestuur, de politie en uiteindelijk het leger is lang en beslaat vele jaren.

De roman van Vargas Llosa laat naast de Raadgever, zoals Antônio Conselheiro al gauw genoemd werd, verschillende figuren zien die ieder hun eigen motieven hebben om hem te volgen: een vrouw die met een wiggelroede water op kan sporen, een bandiet, een priester die zich vergrijpt aan drank en vrouwen, andere verstotenen. In goed leesbare levendige taal trekt Vargas Llosa de lezer die gemeenschap in, met steeds de dreiging van buitenaf: het leger dat een einde wil maken een deze rebellie.

Vargas Llosa baseerde zijn roman op de feiten die Da Cunha aanvoerde, in het enige boek dat hij in zijn leven schreef: De binnenlanden. Het is een nauwgezet verslag van de grootste misdaad uit de Braziliaanse geschiedenis. Hoe zet je zo’n groots opgezet boek neer?

Het is als Congo van David Van Reybrouck, maar dan over Brazilië, en specifiek geconcentreerd op deze relatief kleine geschiedenis, waarbij land, natuur, antropologie, geschiedenis en alle mogelijke literaire middelen en stijlen (epos, poëzie, roman, essay) gebruikt worden.

Het is In Cold Blood van Truman Capote, maar dan vele maken groter en exotischer. Waarschijnlijk gaat die vergelijking mank, het geeft wel een klein idee van het allesomvattendheid en imponerende onderzoek dat in dit boek uitgewerkt is.

Ik moet zeggen: het begin, als Da Cunha het land met de vlakten, de droogte, de uitgestrektheid beschrijft, zet me aan tot bladeren, want wat Vargas Llosa direct lukt – het leven van die ene vreemde vogel schetsen – lukt Da Cunha pas na honderd bladzijden. Dan is hij aangekomen bij de eerste stappen van de Jomanda-achtige man en zijn leven en wegen. Vanaf daar leest het boek als een nauwgezet verslag van die ene man, een verhaal dat langzaam uitgroeit tot de oorlog uit de titel van de roman van Vargas Llosa, waarin duizenden mensen, aan de kant van de regeringstroepen en van de Raadgever, omkwamen. De opbouw van een gemeenschap die een staat op zich was, tot een slachting die twee jaar bestreek.

De taal van Da Cunha is verfijnd, duidelijk, beschrijvend en tegelijk zeer duidend, sfeervol en met een mooi ritme: ‘Zijn wonderlijke verschijning in de stad – het gezicht als van een dode, strak als een masker, zonder blik, zonder lach, de oogleden geloken, in die kassen, en zijn hoogst eigenaardige uitdossing, en zijn afstotelijke voorkomen van opgedolven lijk, in zijn lange tuniek die een zwart doodskleed leek, met stof bedekte haren die tot op de schouders hingen en zich verwarden met de stugge haren van de onverzorgde baard die tot zijn middel reikte – al die dingen prikkelden nieuwsgierigheid.’

Hier probeert een schrijver te beschrijven, verklaren, inkleuren, maar alleen om de geïnteresseerde lezer een zo volledig mogelijk beeld te geven van deze excentrieke man zodat je hem voor je ziet, zodat je voelt wat voor een man hij was.

Dat lukt prachtig. Iedere alinea is een aanvulling op dit beeld, lukraak gekozen onderaan pagina 129. En op deze manier beschrijft Da Cunha de andere mensen, het leger, het dorp, de streek en het land. Het is een beeldende poging om iets onuitputtelijk groots te omvatten.

Wat het boek in onze tijd wederom zo belangwekkend maakt is de actualiteit van geloofswaanzinnigen die er ook nu zijn. De manier waarop Antônio Conselheiro met beschuldigingen door de rechtbank omgaat – hij zou moorden hebben begaan – lijkt op de manier waarop de moslimextremist die in Utrecht mensen vermoordde in de tram, omgaat met zijn rechtzaak: hij erkent de rechtbank niet, heeft geen spijt, zou het zo weer doen en houdt vast aan zijn zelfgekozen stoïcijnse houding. Da Cunha laat zien dat het niet vreemd is dat dergelijke figuren uit bepaalde kring waardering krijgen. Verwerpelijkheid en waardering gaan hand in hand.

De mogelijkheid die Antônio Conselheiro had om, misschien zelfs zonder dat hij daar op uit was, met zijn volgelingen een fanatieke gemeenschap op te bouwen die jaren stand hield is tegenwoordig minder aanwezig, al gebeurt dit zeker nu nog. De opkomst en neergang van IS laat zich in eenzelfde verhaal vertellen, en ik hoop dat een journalist daar ooit toe in staat is.

Ik moet opeens denken aan Laura H., het boek over het meisje dat in Syrië was. Is dat boek onze versie van De binnenlanden? Daar ga ik de komende tijd achter zien te komen.

Meulenhoff gaf De binnenlanden uit. Het boek is op papier nog verkrijgbaar bij Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Bart Koubaa, Het leven en de dood van Jacob Querido

Er is iets eigenaardigs aan de nieuwe roman van Bart Koubaa – maar feitelijk kun je dat altijd zeggen van zijn boeken, hij bouwt al twee decennia aan een eigenzinnig, kronkelend oeuvre. Hij weet je niet zelden te betrekken bij ongewone personages in een universum dat logica lijkt te ontberen. Het leven en de dood van Jacob Querido is zijn eerste echte historische roman, te plaatsen in de korte periode dat de V.O.C. een deel van Brazilië (Ja! Nog een keer Brazilië!) veroverd had op de Portugezen om de suikerhandel over te nemen. Zijn hoofdpersoon, die de naam van Koubaa’s uitgeverij draagt, is een joodse Nederlander met Portugese wortels, was verliefd op het verkeerde meisje en wordt weggestuurd om de belangen van zijn vader in het Westen te behartigen. Daar slaagt hij in, hij steunt zijn oom en bouwt een succesvol bedrijf op, hervindt de liefde, of in ieder geval de bevrediging, maar met slecht nieuws uit Holland, de wraak van zijn slaven en ongelukkige jungle-ervaringen komt de dood van Jacob Querido met rasse schreden naderbij.

Dat is het verhaal, de roman is veel eigenzinniger. Wat nieuw voelt, is hoe Koubaa vertelt, hoe hij perspectief inzet. Neem de openingsscène, die op Athenaeum.nl iets ruimer is voorgepubliceerd:

‘Op 23 augustus 1630 stond Jacob Querido op het halfdek van De Gouden Salamander toe te kijken hoe een zwartbonte koe door vier matrozen vanuit een schuit aan boord van het schip werd gehesen, boven de kuil werd geduwd en er licht heen en weer slingerend in verdween. Op de schuit waarboven mantelmeeuwen in een zilvergrijze wolkenhemel opgewonden krijsten, stonden nog drie koeien zij aan zij te wachten om onder Hollandse aanmoedigingskreten in het ruim te worden geladen, terwijl in de verte, tussen een walvisvaarder en een ander compagnieschip dat ook deel uitmaakte van het kleine konvooi waarmee De Gouden Salamander naar Brazilië ging zeilen, een kloeke stier door twee aangeschoten Duitse en twee Deense soldaten in een sloep naar de driemaster werd geroeid. Vlak voor de sloep de ronde romp van het schip bereikte, wist de stier zich echter los te wringen van de twee Duitse soldaten die hem in bedwang hielden en sprong hij in het water, waarbij hij de dronken Duitsers meetrok in het paarlemoeren sop. De in paniek geraakte stier brulde onafgebroken en spartelde woest tussen de bevoorradingssloepen en de kleine bootjes van de zoetelaars die drank, tabak en suikerwaren aan de aangemonsterde bemanning probeerden te slijten. Een paar tellen ging hij kopje-onder en steeg direct daarna als een driftig zeemonster uit de zee op om naar adem te happen terwijl de twee Duitse soldaten zich vastklampten aan een roeispaan die hun werd aangereikt. ’

Ons startpunt is Jacob Querido zelf, maar vandaaruit schuift de camera uit naar een schouwspel dat bijna gelijktijdig (‘waarboven’, ‘terwijl’, ‘vlak voor’, ‘waarbij’, ‘direct daarna’) dronken soldaten, een stier en koeien en de hele omgeving erbij betrekt. Een chaotische werkelijkheid, en het is vast niet toevallig dat Koubaa even later vaststelt: ‘De hele rede was in rep en roer.’ Dit is de wereld van Jacob Querido, onrustig en onvoorspelbaar, waar verkrachting, dood, hoerenloperij, kannibalisme en drugs gegevens des levens zijn. Onze hoofdpersoon zelf ondergaat het, ziet het en maakt er deel van uit – zodat het bijna onthecht aandoet. Dat wil zeggen, in een van de meest dramatische gebeurtenissen van de roman, beschrijft Koubaa zijn gemoedstoestand wel, maar blijven we door het perspectief op afstand van.

‘De oude Jood werd een vierde, een vijfde en een zesde keer onder de kiel van De Gouden Salamander door gehaald, en ook al kwam hij daarbij steeds meer onder de wonden en het bloed naar boven, hij bleef leven, waar Swartehondt heimelijk op hoopte. “Naar boven!” De achtste keer dat de oude Jood voor Swartehondt werd geleid was zijn lid afgerukt en zakte hij in elkaar. Vrij snel daarna werd hij door de chirurgijn doodverklaard.
Jacob Querido bleef gechoqueerd en vervuld van een diep afgrijzen, en anderzijds gedreven door een duistere nieuwsgierigheid, het hele gebeuren in zich opnemen, zoals de rest van de bemanning, die, afgaande op de gezangen toen de oude Jood naar boven werd gehesen en de ophitsende kreten toen hij van de ra naar beneden viel, deels leek te genieten van de straf, maar ook de ogen dichtkneep of zich vloekend en walgend wegdraaide toen hij bloedend aan boord werd gehaald.’

Natuurlijk, het raakt hem: ‘Wat was dat verdriet dat hij voelde opkomen en dat werd versterkt door het beeld van Judith en zijn familie en de zilveren Hollandse luchten die met een klein briesje aan kwamen waaien?’ Maar zo makkelijk vervliegt dat: in een lange geschakelde zin die in een merkwaardige nevenschikking uitloopt, van ‘lucht in de longen’ ‘het woordje wind’ maar ook het hortende ‘het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten’.

‘De licht trillende veer op zijn hoed naast zich verdrong echter de opwelling van triestheid, en bevrijd door de kleine luchtverplaatsing, die hij niet alleen had gezien maar ook op zijn gezicht had gevoeld, liep hij naar het dek, waar niets meer van de strafuitvoering was te merken en waar ieder bemanningslid met lucht in de longen het woordje wind voortdurend als een schietgebedje afratelde in de hoop de langverwachte wind aan te wakkeren en het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten teniet te doen.’

De emotie is er, en dan is hij weg, alsof het witte poeder alles vlak maakt. De oude Jood met zijn oudtestamentische connotaties, zijn spookachtige flexibiliteit, reïncarneert in een rode kat die Jacob komt vergezellen, en overal zijn kleine flitsen van het magisch universum van Koubaa. Dat universum beschrijft hij even vanzelfsprekend als het ‘fijn wit poeder’, kitshaara, dat Jacob snuift, de gratis of gekochte liefde, en de gruwelen die de slavernij meebrengt.

De slavin met wie Jacob vrijt, is bij aankomst in de Nieuwe Wereld meermalen verkracht en tot slaaf gemaakt. Ja: ‘De zaterdagen met Musoke waren de gelukkigste in Jacob Querido’s jonge leven in Brazilië. Elke vrijdagavond zinderde zijn lijf bij de gedachte aan de zoete geur van haar donkere lichaam onder de sjofele witte jurk die ter hoogte van haar rijpe borsten schaamteloos openviel, en voelde hij met gesloten ogen haar warme schoot waarop zijn hoofd rustte terwijl ze zacht wiegend Afrikaanse liederen zong.’ Maar nee, dat is geen liefde, en ook al laat Jacob zijn slaven vrij, deze rekening blijft open staan. Bij haar bevrijding slaat Jacob haar in het gezicht, later komt ze wraak nemen. Zij gebrandmerkt, hij gebrandmerkt.

Onthecht registrerend, magisch-realistisch, realistisch, dat allemaal, maar de humor? Die is er minder. Het leven en de dood van Jacob Querido is een zwarter, serieuzer deel van Koubaa’s oeuvre, maatschappelijk als De leraar. We zien al snel dat Jacob Querido het geluk niet gegund is, dat hij zich met drugs en sluwheid weet af te schermen van een wereld van vuur, koloniale handelsoorlog en ongekende wreedheden, maar er toch deel vanuit maakt. De dood is een gegeven. Maar toch, toch is er de taal, de verwarrende nevenschikkingen, en een dialoog als deze:

‘“Het is gemakkelijker om een os te laten vliegen, wordt in de gelagkamers van Recife gezegd.”
“Die brug komt er,” zei Johan Maurits licht geïrriteerd, terwijl hij het zweet met een kanten doekje van zijn voorhoofd depte, “maar daarmee zijn we nog niet van die muizen verlost.”
“Katten,” zei Jacob Querido.’

Er komt een brug tussen Mauritsstad en Recife, maar die os vliegt ook nog menigmaal, en de katten redden Jacob van zijn eenzaamheid. Het leven en de dood van Jacob Querido is een roman die rijk is en vol, maar hij is niet onbezorgd, en als hij tot herlezen uitnodigt, dan vooral vanuit een duistere nieuwsgierigheid.

Querido gaf Het leven en de dood van Jacob Querido uit.

Dinsdag 1 oktober vanaf 19.30 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat onze Daan Stoffelsen in gesprek met Peter Buwalda over zijn roman Otmars zonen. Het is de elfde aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

Over Otmars zonen

Otmars zonen vertelt het verhaal van de jonge Shell-employé Ludwig Smit, die na een bezoek aan de illustere Johan Tromp op het Siberische eiland Sakhalin strandt in een sneeuwstorm. Juist nu, wanneer onderzoeksjournaliste Isabelle Orthel hem het deksel komt overhandigen van een beerput, begint Tromps daverende carrière in de oliebusiness te wankelen. Tromp – hedonist, alfaman, kroonprins van Shell, en in alles het tegenbeeld van Ludwig – schat zijn twee bezoekers volkomen verkeerd in.

Peter Buwalda verkent in zijn tweede roman Otmars zonen de grenzen van de epische wereld die hij al in Bonita Avenue schiep. In de nog te verschijnen delen van zijn roman fleuve, De jaknikker en Hysteria siberiana, geeft hij deze wereld verder vorm.

Lees op Athenaeum.nl een fragment uit Otmars zonen.

Peter Buwalda debuteerde in 2010 met Bonita Avenue. Het boek werd genomineerd voor twaalf literaire prijzen, waarvan hij er vijf won. De roman voerde de bestsellerlijsten aan, verkocht meer dan 350.000 exemplaren en werd wereldwijd vertaald en bejubeld.

Daan Stoffelsen is webboekverkoper bij Athenaeum Boekhandel, recensent en redacteur van De Revisor, daarnaast is hij jurylid voor de Bookspot Literatuurprijs.

Over De Revisor vs. Athenaeum:

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En jij kunt daarbij zijn.

De redactie sprak deze week bemoedigende woorden bij een boekpresentatie, las de lijvige tweede van Buwalda en pakte er een oorlogsboek bij dat soms op een Hollywoordfilm lijkt.

*

Thomas Heerma van Voss: Ivo Victoria, Alles is oké

Afgelopen dinsdag presenteerde Ivo Victoria zijn nieuwe boek Alles is oké. Ik mocht dat boek alvast lezen, een voorrecht want de boeken van Victoria zijn altijd de moeite waard. Min of meer per toeval las ik ze allemaal. Of, nou ja, toeval, ik bedoel eigenlijk: omvangrijke oeuvres of reeksen van iemands boektitels kunnen soms afschrikken, het werk van, zeg, Vestdijk trekt mij bij voorbaat al minder aan omdat het zo veel is, omdat ik denk: daar krijg ik niet direct vat op, daar zitten anderen meer in – als Ivo al vijf boeken had geschreven toen ik begon met lezen, had ik ze vermoedelijk niet allemaal ingehaald, maar nu groei ik als lezer min of meer mee met zijn werk, ik lees elk nieuw boek belangstellend, ook omdat hij steeds iets anders probeert. En daar veelal in slaagt. Ook bij zijn nieuwe Alles is oké. Goed. Waarom mocht ik dit boek alvast lezen? Omdat Ivo me vroeg daar iets over te zeggen. Hieronder de toespraak.

Beste vrienden van Ivo, beste familie, beste Ivo,

Ik sta hier als een collega van Ivo. Collega’s, dat woord betekent in ons geval niet wat het in bijna elke andere beroepsgroep betekent. Ivo en ik treffen elkaar ’s ochtends nooit bij de koffieautomaat maar zien alleen zelfgefabriceerde flarden van elkaars leven via social media. We vergaderen nooit maar hebben soms kort contact via de mail, en de paar keer per jaar dat we elkaar zien zijn daar altijd anderen bij: tijdens boekpresentaties zoals dit, tijdens literaire festivals die altijd min of meer dezelfde auteurs uitnodigen, er wordt gegrabbeld in een iets te grote ballenbak met potentiële sprekers en als de grootste namen niet kunnen, komen organisatoren af en toe bij Ivo of mij of allebei uit. Dat is nu al een jaar of tien het geval – we debuteerden min of meer gelijktijdig, werden tijdens Manuscripta ooit zelfs achter een grote tafel gezet die vol lag met ambitieus ingekochte stapels van onze eigen boeken. Om te signeren, was het idee, maar minutenlang keken we naar langstrekkende stromen bezoekers die soms wat sceptisch terugkeken. Na een kwartier waren we klaar, ik verloor met 1-0: ik verkocht geen enkel exemplaar, Ivo één. Aan mijn vader.

Vaak praten we bij zulke plechtigheden, Ivo en ik, tussen optredentjes door, over muziek, over boeken, van elkaar of van anderen, over hoe-het-met-schrijven-gaat, ik vind dat altijd aangename gesprekken, ontspannen en toch niet niksig, serieus en nooit niet te zwaar – zo komen we elkaar al jaren tegen en ik heb het idee dat we daarin best naar elkaar toegroeien, elkaar zelfs als verre, moderne collega’s wel leren kennen, al las ik in Ivo’s nieuweling Alles is oké één zinnetje dat me, ik zeg het maar eerlijk, een beetje pijn deed. “Mij noemt iedereen Hans,” staat er, “behalve mensen die me niet werkelijk kennen.”

Tja. Het schept tenminste duidelijkheid: ik sta hier als buitenstaander, ik kijk al tien jaar naar Ivo’s schrijven als een buitenstaander, zoals we ooit samen keken naar die langstrekkende bezoekers bij Manuscripta. En als buitenstaander kwam ik hem een kleine twee jaar geleden, toen we tijdens het Haagse festival Crossing Border allebei mochten voorlezen. Ivo was, ik kan niet anders zeggen, euforisch. Hij zette zijn biertje op de grond greep me bij mijn schouders, zo herinner ik het me althans, en hij keek me aan met die typische Ivo Victoria-grijns, een vriendelijke, wat giechelige grijns, eentje die ik vaker heb gezien en waarvan ik nooit weet of die stoer is of toch een klein beetje sullig, of die grijns verraadt dat Ivo vroeger tot het kamp van de pesters zou hebben behoord of toch eerder gepest zou worden – met die glimlach, waar eigenlijk zijn hele gezicht uit leek te bestaan, ik zag niets anders dan omhoog gekrulde mondhoeken, tandvlees en tand, vertelde hij over zijn nieuwe boek. Of nee, hij vertelde niet, hij riep. ‘Ik heb het! Dé oplossing! Ik weet nu helemaal hoe ik mijn nieuwe boek moet vertellen. Ja, ik heb het!’

Goed, ik ben dan wel een buitenstaander, een verre collega met wie het contact zich per toeval of via een scherm voltrekt, maar toch: dit moment herkende ik door en door. Dat gelukzalige gevoel dat je verhaal ineens tot leven komt, de tekst waar je dagelijks alleen en niet te vergeten ongevraagd aan zit te ploeteren. En dan is daar ineens het moment: ja, zó ga ik het vertellen, dit is de oplossing en jááá, hiermee overtref ik alles wat ik eerder heb geschreven.

Wat zou er op die wat gure novemberavond door het hoofd van Ivo Victoria zijn gegaan? Omdat we elkaar sindsdien zelden hebben gezien – geen koffieautomaat, geen vergaderingen, geen afspraken – vroeg ik hem er nooit naar. Wel heb ik het me de afgelopen weken, tijdens het lezen van Alles is oké veelvuldig afgevraagd.

Misschien, dit zou kunnen, had Ivo toen op die avond net bedacht dat Alles is oké niet alleen het verhaal over een verdwijnende moeder moest worden, die zich steeds minder herinnert en geleidelijk oplost, maar ook over de zoon. Dat is knap: moederboeken worden er de laatste jaren volop geschreven in de Nederlandse letteren, maar in deze roman gaat het niet alleen over de wegkwijnende bejaarde, het gaat ook over het bestaan van de zoon, die België jaren geleden heeft ingeruild voor Nederland en intussen zelf ook al een ouder is geworden. Zijn gezinsleven raakt heel subtiel ontregeld door wat er met zijn moeder gebeurt, door de bezoekjes die hij een beetje beschaamd en vol schuldgevoel aan haar brengt. Wat heeft hij nog te bieden? Welke rol wordt hij geacht op zich te nemen? Over die vragen gaat Alles is oké, een roman waarvan de kwetsbaarheid iets teders heeft, nergens wordt dit proza zwelgend. Een citaat: ‘Daar, een paar honderd kilometer zuidwaarts aan dat vervreemdende thuisfront, voltrok zich iets waarbij ik verondersteld was aanwezig te zijn. Ik voelde me een acteur die een cruciale bijrol vervulde maar nu om redenen die hij zelf ook niet begreep verstek liet gaan.’

Een kind dat het gevoel heeft tekort te komen, daarover gaat Alles is oké ook, en het kind kómt natuurlijk tekort, dat kan nu eenmaal niet anders: zoals bekend kan geen kind zijn of haar ouder redden of in leven houden, niet fysiek althans – soms juist wél mentaal, met herinneringen, met verhalen, en het kan ook zijn dat dat de ingeving was van Ivo, op die gure novemberavond in Den Haag. Alles is oké gaat namelijk niet alleen over de zoon die naar de moeder kijkt en registreert, het gaat ook over de moeder zelf, althans, het verhaal van de moeder. Vrij bruusk wordt na enkele tientallen pagina´s het ik-perspectief van deze roman doorbroken en de camera verplaatst zich, er dienen zich minder dialogen aan, mevrouw Stevens verschijnt ten tonele, een strijdvaardige dame die in niets lijkt op de vegeterende moeder in het heden, een vrouw die in oorlogstijd opgroeit en op de school waar ze later werkt vervolgens haar eigen robbertje moet vechten met de rigide, zeg gerust afschuwelijke schooldirecteur Pauwels. Háár verhaal wordt verteld, afstandelijk en tegelijkertijd intiem, en daarmee krijgt de oude versie van mevrouw Stevens die roerloos thuis zit, in zekere zin wachtend op het einde, veel meer reliëf: het aftakelen wordt pas echt schrijnend als je, in de loop van deze roman, voelt wat er aftakelt. Anders gezegd, en Ivo Victoria heeft dit heel goed begrepen: iemands afsterven maakt pas echt indruk zodra je weet wat voor leven er allemaal verdwijnt.

Misschien is dit wat Ivo Victoria toen, op die novemberavond, had bedacht, misschien verzon hij ook wel heel iets anders. Als ik mijn geld ergens op moet inzetten denk ik eerlijk gezegd dat hij deze elementen van zijn verhaal al had: moeder jong, moeder oud, volwassen zoon die langskomt en van de weeromstuit thuis in Nederland niet veel verder komt dan biertjes drinken en sigaretten roken op zijn balkon. En ik denk dat hij toen op Crossing Border een ingreep bedacht waarmee Alles is oké extra gelaagd wordt. Ja, dit boek past bij zijn eerdere werk, er komen flarden van Ivo’s eerdere fictie terug in deze roman, die mengeling van heimwee en reconstructie, de volwassen man die hier spreekt kan zo voortkomen uit de jongen die in Hoe Ik Nimmer de Ronde van Frankrijk voor Min-twaalfjarigen Won zijn jeugd beschrijft, of uit de hoofdpersoon uit Dieven van vuur die in zijn melancholische herinneringen afdaalt naar één specifiek moment van de jaren negentig in Antwerpen – maar nooit eerder reflecteerde Ivo in zijn romans zo slim op de bezigheid van het schrijven zelf.

Alles is oké is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en de ontwrichting van haar naderende dood, dit is niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans – eindelijk mag ik die naam gebruiken – wanneer hij mevrouw Stevens beschrijft, heel terloops in een bijzin: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders in de roman staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ Even later vraagt de hoofdpersoon zich ook af of hij hier wel goed aan doet – hij heeft last van ‘een opstandigheid die wordt gevoed door de twijfel of het wel volstaat het allemaal op te schrijven, of dat niet te gemakkelijk is.’

Op die vraag, of alles gewoon maar opschrijven geen makkelijke, laffe oplossing is, staat geen eenduidig antwoord vast, maar ik denk wel: het is voor ons in elk geval een fijne oplossing geweest. Wat Ivo Victoria toen op die avond ook heeft bedacht: het heeft gewerkt, Alles is oké is een heel secuur, intelligent, ontroerend verhaal geworden, genoeg reden om euforisch over te zijn. Al las ik op Ivo’s eigen blog dat er van die euforie weinig resteert, vorige week schreef hij over zijn boek ‘dat de zaak totaal kansloos is en het maar beter zou zijn om met deze gekkigheid te stoppen. Nooit meer een boek schrijven – een heerlijk vooruitzicht.’ Wat is dat nou, Ivo? Doemgeluiden over het boekenvak kennen we nu wel, die gehekelde term ‘ontlezing’ natuurlijk, het feit dat er minder aandacht voor is en minder publiek en noem het maar op, maar juist dan moet je toch doorzetten – en juist dat moment voor verschijning, dat een boek af is en alles nog kan, dat het gelukt is en al je eurekamomenten en -momentjes ergens in hebben uitgemond, dient toch gevierd te worden? Als we dagelijkse collega’s waren geweest had ik dit ‘s ochtends bij de koffieautomaat tegen je gezegd: kop op, je hebt iets heel goeds gedaan, geniet er maar van. Nu zeg ik het hier, te midden van anderen: gefeliciteerd met je mooie boek.

Daan Stoffelsen: Peter Buwalda, Otmars zonen

Peter Buwalda schrijft in het groot: Otmars zonen, dat begint bij hoofdstuk 111 en eindigt bij 75, 607 pagina’s, is nog maar deel een van een trilogie. Otmars zonen, zijn echte zoon – een muzikaal wonderkind, figurant in dit deel – en zijn stiefzoon – een middelmatig Shellmedewerker met een vechthuwelijk -, diens biologische vader – een hoge baas bij Shell zonder scrupules en met bijzondere seksuele wensen – en een prachtige journaliste van Thaise afkomst. Zij woonde in hetzelfde studentenhuis als de een, en heeft sterke wraakgevoelens voor de ander. Er zijn overwegingen over familie en adoptie, er is liefde en ruzie, er zijn grote belangen, er is seks en heftige seks en ejaculatio praecox.

Het mooie is: het lukt. Er zijn momenten dat je denkt: dit kán niet, dit is té ongeloofwaardig (ja, natuurlijk: iedereen raakt ingesneeuwd op Sakhalin, natuurlijk moeten ze een hotelkamer delen), maar dan heeft Buwalda je weer in een nieuwe scène getrokken. Hij benauwt je met de ene verteller, Ludwig, zijn ongemak, zijn frustratie, zijn neiging tot ruzie, zijn fouten; hij bevrijdt je en lokt je in een andere val, met de andere, Isabelle, haar gebrek aan schroom, haar kille woede, haar lef; hij beloont je met de stem van een in het nauw gedreven Hans Tromp, de nemesis. Hij wisselt moeiteloos van perspectief, en hij rekt, rekt, rekt wat toch voelt als de prelude op een grote confrontatie – eerder dus een tantrisch voorspel dan een voortijdige ontmanteling.

De associatie met A.F.Th. van der Heijden ligt voor de hand: het reeksdenken, het rekken, maar ook het oog voor details. Zoals navelpluis voor eeuwig sexyer en betekenisvoller is geworden door Van der Heijdens Mooi doodliggen, zo heeft Buwalda nog wat kleine dingen heel groot gemaakt. Het lepeltje op de voorkant krijgt een geweldige invulling, bijna een persoonlijkheid, maar ik zal geen gele eierdopje meer kunnen zien zonder aan Buwalda te denken. En twee paar oordopjes spelen een cruciale rol in de hereniging van Ludwig en Isabelle. Zij ligt al in bed, hij zoekt zijn dopjes. Zonder die dopjes kan hij niet slapen. Waar zijn die dopjes?! ‘Ze is op haar rug gaan liggen – hij kijkt recht in haar kleine oor. Spontaan buigt hij naar voren: er zit iets in, een geel oordopje, het is dwars aangebracht, het hangt er half uit. Hij laat de ontdekking even op zich inwerken. Kan dit waar zijn? Heeft ze zíjn oordopjes ingedaan?’

Onderwijl terugdenkend aan een vorige confrontatie, waarin hij in het geheim iets van haar stal, begint de reconquista.

‘Hoewel hij van plan is een gestolen schuimpje uit een schuldig oor te pakken, heeft hij het gevoel de integriteit van haar lichaam te gaan schenden – de integriteit van een gehoorbuis, maak het niet te groot, het is een oor, maar het is al te laat: het oordopje is een kurk op een dure fles wijn, nee: het is de deksel van een urn, je staat op het punt haar graf te schenden. Hij gaat weer liggen, draait zich op zijn zij, opgelucht, onvoldaan.

Je kunt Buwalda enig bombast niet ontzeggen, ‘gestolen’ én ‘schuldig’, ‘integriteit’ bij zoiets kleins, maar het is erg geslaagd: een ‘schuldig oor’ is een geweldige vondst, de uit de hand lopende beeldspraak is erg geestig, en dan te eindigen met ‘opgelucht, onvoldaan’… Ja, het is vooral heel geestig, ik moet denken aan de pleisterscènes bij Kuifje, maar door Ludwigs perspectief (hier gebeurt iets heel spannends en fouts) ook benauwend.

We zitten nog midden in de oordopjesoorlog – voor hem bron van gêne, voor haar verwondering – als opeens het perspectief wisselt. Valeria Luiselli heeft dat fantastisch gedaan in Lost Children Archive, Marijke Schermer heeft dat overtuigend gedaan in Liefde, als dat het is, maar het is zo snel kunstmatig, een perspectiefwisseling. Hieronder gebeurt het, maar ik krijg mijn vinger er niet op. Goed onderwerp voor mijn gesprek met Buwalda, 1 oktober bij Athenaeum Boekhandel. Na het uitrekken? Heel mooi gedaan.

‘Vooruit maar. Hij perst de oordopjes in zijn oor, goed diep, een gelukzaligheid die kleiner blijft dan normaal. Toch moet de slaap nu maar eens komen, vindt hij.
Zo ligt hij een uur, malend over Isabelle in Enschede, over Otmar in Venlo, over Ulrike in Blerick, over Juliette in Overveen, over Tromp op Sakhalin, alles en iedereen komt voorbij – tot hij dwars door zijn doppen heen een onbekende telefoon hoort gaan. Wie belt haar midden in de nacht? Nee, het is nog geen nacht, bedenkt hij – het moet ongeveer halfelf lokale tijd zijn. Op het bureau straalt het ding op, het heuvelrugje naast hem beweegt. Zijn voet drukt zich kort in een kuit – ze rekken zich tegelijk uit. Het gevoel is benauwd en terneergeslagen – waar het vandaan komt, is niet meteen duidelijk. Misschien een droom te vluchtig voor het kortetermijngeheugen, een schijf die leeg is, ongeformatteerd. Wel resteert iets bodemloos, een emotie waarvan, als van een rouwboeket, de wortels zijn afgesneden. Ze voelt een sterke ontreddering. Ze wrijft door haar gezicht; haar huid is bezweet, behalve de punt van haar neus, die gevoelloos is van de kou. Een scherp gejengel dringt tot haar door, een nerveus melodietje dat er, beseft ze, al een tijd is, ook toen ze nog sliep: een telefoon. Háár telefoon. Meteen stopt het ding, betrapt, schuldbewust. In de stilte verdiept zich wat er al was: ruimtegebrek.’

Ruimtegebrek. 1 oktober verder!

De Bezige Bij gaf Otmars zonen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Rudolf Vrba, Ik ontsnapte uit Auschwitz

Boeken vormen een persoonlijke lijn die ontstaat door interesse, toevalligheden en logische schakels. Bij een uitgeversfeest kwam ik Jessica Durlacher tegen. We stonden op een strategische plek bij de wc, samen met Pieter Waterdrinker. Iedereen kwam langs, we hoefden daar alleen maar wat te staan kletsen, en ook dat ging vanzelf.

Toen ik de volgende dag voor mijn boekenkast stond om een nieuw boek te kiezen kwam ik al snel uit bij het verzamelde werk van GJ Durlacher, de vader van Jessica. Ik las een stukje in Strepen aan de hemel. Bijzonder boek, net zoals zijn andere werk heel erg helder en stellig, en sober geschreven, en daardoor maakt Durlacher de oorlog en de Jodenvervolging invoelbaar, iets wat alleen kan als er een zekere mate van afstand genomen wordt en het sentiment terzijde wordt geschoven.

Het boek van Durlacher stelt de vraag wanneer de vernietiging van de Joden in de oorlog bekend werd. Wat wist men? Een tragisch verhaal, want het mag duidelijk zijn dat al in 1942 in de Geallieerde landen bekend was dat in Duitsland op grote schaal Joden vernietigd werden, en dat hebben die landen met die informatie gedaan? Moeilijk om in detail deze geschiedenis uit te zoeken, wat Durlacher wel duidelijk stelt is dat het gevoel van verlatenheid bij de Joden in de kampen niet alleen met de kampen van doen had, maar ook met de manier waarop andere landen reageerden op informatie over de kampen. Ze reageerden niet. Dubbel pijnlijk.

Al gauw stuitte ik in Strepen aan de hemel op vijf namen van mannen die wisten te ontsnappen uit Auschwitz en die persoonlijk konden getuigen over wat er in die kampen gebeurde. Dat was in april 1944. De eerstgenoemde van die mannen: de Slowaak Rudolf Vrba. Ik zocht de naam op internet op. Samen met Alfréd Wetzler ontsnapte hij uit het kamp en in Slowakije werd aan de hand van hun getuigenis het Vrba-Wetzler-rapport opgesteld. Een jaar voor het einde van de oorlog. Het duurde lang voor het rapport serieus werd genomen, maar uiteindelijk stopte door het rapport de deportatie van Joden vanuit Hongarije naar de kampen.

Bij de informatie vond ik een boek dat Vrba geschreven heeft en dat in de jaren zestig verscheen. Direct bestelde ik de vertaling: Ik ontsnapte uit Auschwitz. Het verhaal van Vrba deed me denken aan Het 25e uur, van de Roemeen Virgil Gheorgiu, een vergeten boek dat een van de beste verslagen is van persoonlijk leven en leed in Oost-Europa tijdens de oorlog, naast natuurlijk De geverfde vogel van Jerzy Kosinski. Dit zijn boeken over gebeurtenissen die geen fictie kunnen verdragen. Een tijd die al ver achter ons ligt maar keer op keer weer dichtbij getrokken moet worden, omdat we de mens alleen kunnen begrijpen als we proberen die periode te begrijpen.

Zo werd ik de afgelopen week in de kampverhalen getrokken. Het ongelofelijke verhaal van Vrba is geen roman, het is zijn levensverhaal, door hemzelf opgetekend. Vrba leert dat ook, en hij leert snel. ‘Wat ik in feite leerde was de kunst van het overleven; en daarna kwam de kunst van het leven, van het beste maken van de afschuwelijke omstandigheden.’

Het boek moet het niet van de stijl hebben, want die mist de soberheid van Durlacher en er zit iets hijgerigs in. Dat heeft te maken met de rol van de verteller en het verteltempo. De gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat je er als lezer vanzelf buiten adem van raakt, terwijl het verhaal toch al dwingt tot doorlezen. Ik bedoel meer dat het een verhaal is dat geen trucs nodig heeft, en jammer genoeg past Vrba wel een aantal trucs toe.

Allereerst het gebruik van uitroeptekens. Dialogen bestaan bijna volledig uit uitroepen, en worden daarom ook afgesloten worden door uitroeptekens. Dat maakt een tekst opgefokt, alsof alle mensen vanaf de reis van Vrba naar Hongarije en verder, uiteindelijk naar Auschwitz, constant tegen elkaar schreeuwen. Dat kan perceptie zijn, het kan werkelijk zo zijn, op de lezer komt het 75 jaar na de oorlog vervelend over. Er zijn heel veel boeken over de oorlog waar geen enkel uitroepteken in staat. Durlacher begreep dat. Primo Levi begreep dat. Vrba zet zijn verhaal lekker dik aan, en dat is niet nodig. Wat een leesteken al niet kan doen.

Verder heeft dit verhaal geen gewiekste Hollywood-achtige opmerkingen nodig zoals de anekdote over de jampot die bij aankomst in het eerste kamp in zijn rugtas kapotgaat en zijn kleren vuil maakt: ‘Als ze mijn overhemden en sokken willen gebruiken, dan zullen zij ze eerst moeten laten wassen!’ Inderdaad: met uitroepteken. Het voelt alsof ik naar de verfilming van dit boek kijk, al tijdens het lezen, en Tom Cruise of Brad Pitt de hoofdrol vertolkt.

Het deed me denken aan het verhaal van De laatste getuige, van Frank Krake, over Wim Aloserij die zo veel meemaakt dat het bijna niet te geloven is, op een iets andere toon geschreven, in de derde persoon, en daardoor iets meer op afstand, maar ook soms aangedikt met gedachten die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen van Vrba. Als Aloserij van de kampbewaarders zijn bed netjes op moet maken denkt hij: ‘Wat een onzin.’ Ik begrijp de onzinnigheid van de handeling in het kamp, ik begrijp de weerstand van de gevangenen om zoiets te doen binnen deze waanzinnige kaders, maar in een vertelling over een man die gedachte prominent terug laten komen kleurt het verhaal deels in en zet de hoofpersoon bijna buiten het verhaal en buiten de andere gevangenen. De lezer kent de onzinnigheid van het opmaken van een bed in een concentratiekamp, dat koppelen aan een man die alles overleefde maakt hem anders dan de anderen in het kamp. Dat doet deze manier van vertellen.

Nog een punt: Vrba’s motief om te ontsnappen. Dat ontsnappen zit in de titel, het zit in de reis naar het kamp, het zit in de periode in het kamp. Steeds herhaalt Vrba dat hij wil ontsnappen en daar al wringt het boek, want niemand weet of hij werkelijk wilde ontsnappen, maar iedereen weet – zie de titel en de flaptekst – dat dit het verhaal is van de man die uit Auschwitz ontsnapte. Het is de vraag: lees ik het verhaal van iemand die ontsnapt of iemand die zichzelf deels boven het kamp en de omstandigheden plaatst door te willen ontsnappen en dat ook nog voor elkaar krijgt. Wanneer begon het willen?

Vanuit de luxepositie van de lezer zo lang na de oorlog is het moeilijk oordelen over de werkelijke motieven, ik kan alleen aangeven wat deze opzet met de lezer doet. Als Vrba nog maar net in het eerste kamp, Majdanek, is schrijft hij: ‘Als ik zou kunnen ontsnappen en op een of andere manier terug zou kunnen gaan naar Slowakije, dan zou ik wellicht duizenden levens kunnen redden.’

Zijn ontsnappingsmotief en de gebeurtenissen die daarna nog zullen komen lopen wel erg één op één gelijk. Ik weet, dat heb ik na het lezen van Durlacher opgezocht, dat Vrba ontsnapt is en met belangrijke informatie over de kampen in Slowakije kwam, maar wat was er eerder? Waar begon zijn plan?

Een eindje verderop, als Vrba op weg is naar Auschwitz, als ze net in de wagons geklommen zijn en de grote deuren dicht zijn: ‘Ik bekeek de tachtig mannen in mijn wagon, speurend naar iemand met wie ik een ontsnappingspoging zou kunnen wagen.’

Net een regel daarvoor heeft een SS-er de gevangenen verteld dat het zinloos is om te te ontsnappen en toch houdt Vrba zich bij zijn plan, als hij dit verhaal terughaalt. Het is alsof Clint Eastwood van Alcatraz overgeplaatst is naar Auschwitz.

Wanneer Vrba de poort van Auschwitz binnengaat, en lang daarvoor al een ontsnappingsplan had om mensen van de dood te kunnen redden, moet hij plots weer langzaam het besef krijgen wat dit voor een plek is. ‘Een van mijn belangrijkste redenen van mijn vertrek naar Auschwitz was immers geweest om te kunnen ontsnappen.’ Echter, hij ziet de wachttorens, de luchten, de hakken onder hoogspanning, en is enigszins ontmoedigd. Ook vraagt hij zich af waarom dit kamp zo streng bewaakt is. Dit moet wel een doodsfabriek zijn.

Wederom is het moeilijk oordelen, maar het voelt alsof een oorlogsheld zijn verhaal net even iets slimmer en volledig bewust uitgedacht maakt om dat verhaal nog iets op te poetsen. Het invullen van motieven en het gebruik van het woord motief is moeilijk, vanuit deze verteller. Als ze in een kamp kleding krijgen voor de treinreis naar Auschwitz, waaronder een pet: ‘Het enige waar ze (de Duitsers) zich om bekommerden was om onze kaalgeschoren hoofden te bedekken voor het oog van de buitenwereld. Maar het maakte mij niet uit wat hun motief was. Door die pet voelde ik me alsof ik naar een bruiloft ging!’

Opeens weet deze gevangene precies wat de nazi’s willen en wat hun motief is, die invulling maakt het verhaal gekleurd, het gebruik van het woord ‘motief’ is dubbel want zijn eigen motief voelt wrang, en hij denkt volledig vanuit zichzelf en vergelijkt zijn gevoel wanneer hij een pet krijgt met een bruiloft, met het onvermijdelijke uitroepteken. In deze ene alinea komen alle bezwaren tegen dit boek samen, net als bij de uitspraak ‘ik voelde me net een toerist’ als Vrba voor het eerst in Auschwitz rondgeleid wordt. Het is allemaal net te veel, alsof een zwart-wit wereld die ik ken opeens in kleur wordt uitgezonden, in rare kleuren.

Niemand weet of dat zo is, een redacteur had moeten weten dat je juist dit gevoel bij de lezer direct moet verbannen, en dat kan door uitroeptekens, gevatte opmerkingen, en tijd en plaats van mogelijke motieven naar de achtergrond te drukken. Er blijft genoeg over van dit bijzondere verhaal, en het komt beter aan bij de lezer.

Net als bij De laatste getuige wordt één man gevolgd, en is de heldenrol evident. Het is wel de vraag hoe je die rol, en de geluksfactor wordt niet overgeslagen, afzet tegen alle andere gevangenen die niet in beeld komen en die geen ontsnappingsplan hadden. Ook dat doet de vertelling. Vrba maakt van zichzelf de uitzondering, en dat hij het overleefde is niet enkel een kwestie van geluk geweest. Het was zijn wil om te overleven. Op die manier beland je in een Disney-verhaal.

Dit verhaal verdient een sobere vertelling en een mooie ingetogen toon die Vrba soms weet op te pakken maar grotendeels is hij in dit boek een verwarde verteller die zichzelf een rol toebedeelt die gezien de geschiedenis misschien klopt maar die voor de lezer toch wel vreemd voelt. Hoe dan ook: er valt weinig van te zeggen. Ik probeer over deze bezwaren heen te lezen, ik probeer het verhaal te zien zonder uitroeptekens, zoals Durlacher dat kon, en Primo Levi.

Ergens weet Vrba wel wat zijn verhaal sterk maakt, want hij vertelt niet voor niets: ‘Het feit dat Josef en ik erin slaagden het zo lang te overleven was niet iets waarvoor wij onszelf op de borst konden kloppen. Integendeel…’ De geluksfactor is zeer aannemelijk, en dat maakt de verteller nederig en tevens respectvol naar degene die het niet haalden. Het schipperen tussen een persoonlijk heldenverslag, slachtofferrol en feiten brengt dit boek in beweging.

Als Vrba over twee pagina’s een SS-er aan het woord laat met zijn verslag over het einde van het eerste kamp waar hij zat, zijn de feiten dominant. Die feiten zijn onvoorstelbaar, maar helaas de werkelijkheid. Zonder extra aan te zetten zegt Vrba dat hij geluk heeft gehad, hij ging naar Auschwitz, en dan voegt hij toch toe: ‘Aan de andere kant was Auschwitz ook geen vakantiekamp.’ Hij probeert lucht in zijn vertelling te blazen. Dat is een optie om over de kampen te kunnen vertellen. La vita e bella is een geweldig voorbeeld van een film waarin fictie de werking van de kampen en het fascisme duidelijk maken en overbrengen. De toon van Vrba wankelt, want soms weet hij niet wat hem te wachten staat terwijl hij pagina’s eerder al een plan heeft deze doodsfabrieken te ontglippen.

Ik zocht veel op tijdens het lezen. Ik keek naar fragmenten van Son of Saul, de film waarbij een man in het kamp van heel dichtbij door een camera gevolgd wordt. Zonder uitleg, zonder afstand in decor, alleen de zintuiglijke waarneming van die ene man, in geluid en beeld. Er is bijna niet naar te kijken, zo hard komt die wereld binnen.

Dichtbij de mensen komen die in Auschwitz waren, dat wil ik als lezer. Vrba lukt het wel om me daar te krijgen, maar het is zoeken en vooral in de passages die niet over hemzelf gaan lukt dat, zoals het verhaal over Franz die jam smokkelde uit de voorraadkast van de SS-ers: ‘Franz was zeker een van de opmerkelijkste figuren die ik in Auschwitz tegengekomen ben. Hij heeft het kamp overleefd en in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij een hotel bezit, staat hij tot op de dag van vandaag bekend als Franz Marmelade.’

Dat is een goed verteld verhaal. De feiten spreken voor zich, geen uitroepteken of overdrijving, en daardoor voor iedereen invoelbaar. Een beeld kan dan zo goed werken in zo’n bijzonder verhaal: zoals een ijzersterk beeld na een beschrijving van het werk dat Vrba moest doen – met zakken cement heen en weer rennen: ‘…ik wist dat ik een onderdeel van een machine was, een radertje dat weggegooid zou worden als het kapotging.’

Of de aangrijpende passage over een verrader die omkomt in het kamp en wiens kleren verdeeld werden. Rudi Vrba kiest alleen de riem. Als hij het boek schrijft draagt hij de riem nog steeds en later schenkt hij de riem aan het Imperial war Museum in Londen. De ontsnapping zelf is zo meeslepend dat je vanzelf mee gaat met Vrba en zijn plan om via een losse plank in het perron waar hij werkt als bagagesjouwer te ontsnappen. Hier geen vooruitlopend motief en ook geen idee om anderen te redden. Hij wil zelf ontsnappen.

Dat lukt. Hoofdstuk 15 heet De ontsnapping. Het is een triomf. Op internet is een kaartje te vinden met daarop de route die Vrba en Wetzel na hun ontsnapping lopend aflegden. Zo’n kaartje geeft houvast. Met het kaartje naast me las ik de laatste hoofdstukken. Die boden me de leeservaring die ik zocht toen ik dit boek bestelde: het meeleven met gevangenen die ontsnappen. Ondanks dat je weet hoe het gaat aflopen hoop je steeds dat het lukt. Dat is geweldig lezen.

Na de ontsnapping van Vrba pakte ik er nog een paar andere oorlogs- en kampboeken bij. Die lees ik nu.