Colum McCann: de redactie las een indrukwekkende roman over een onderwerp waar je beter niet over kunt schrijven en dat leverde een geweldig boek op.

*

Jan van Mersbergen: Colum McCann, Apeirogon

Er zijn onderwerpen waar je maar beter niet over kunt schrijven. Ze zijn te ver weg of juist te bekend, er is al genoeg over geschreven, ze zijn te moeilijk, je kunt er geen partij in kiezen, het conflict is onmogelijk en onoplosbaar, als je erover schrijft verandert het leed bij ieder woord in sentiment. Onderwerpen waar je ver vandaan moet blijven.
De Tweede Wereldoorlog is erg moeilijk, want hoe voeg je daar vijfenzeventig jaar en duizenden romans later nog iets aan toe? Onderwerpen waar moraal aan kleeft zijn moeilijk: activisme, politieke achtergronden, de hippietijd. De beste boeken gaan hierover, maar een nieuw goed boek hierover maken lijkt een onmogelijke opgave.
De Palestijns-Israëlische kwestie is misschien wel het allermoeilijkste onderwerp, want daar komen moraal, partijdigheid, keuzes, politiek, onoplosbaarheid en onmogelijkheid, blinde koppigheid en idiote vastheid samen. Colum McCann schreef er toch een boek over: Apeirogon (vertaald door Frans van der Wiel), een onmogelijke titel maar wel een schitterend gelaagd, fragmentarisch en raak boek. Een prestatie van formaat.

Schrijven over twee personages, de een Palestijn, de ander Israëli, die vrienden worden. Mijn eerste gedachte is: Neem je moeder in de maling. Het verhaal is echter waargebeurd, en het leed van deze twee werkelijk bestaande figuren is ook echt. Dan blijft nog steeds de vraag over hoe je dat leed, dat inmiddels al in vele kranten is beschreven, in een roman verpakt.
McCann begrijpt hoe dat moet. Met lef. Met beelden. Met woorden die langs het sentiment schuren. Met ruimte die doorgaans in het conflict ontbreekt omdat het conflict totaal dichtgetimmerd is, iets wat bij een roman wel kan maar wat een vreselijk boek oplevert.
Hij begint met trekvogels. Doet denken aan het liedje van Klein orkest. Alleen de vogels vliegen van Oost naar West-Berlijn. Het is allemaal bekend, maar gesitueerd in Israël zijn de vogels anders, massaler in aantal, kleurrijker, lichter, blinkend in de zon.
Een jongen moet de gevangen vogel ringen en besluit twee ringen aan een ketting om zijn hals te hangen. Twee ringen, twee mannen van verschillende afkomst, aan een ketting, bij elkaar. Daar loert het sentiment.
McCann sluit dit korte hoofdstukje over Tarek, de jongen, echter af met: ‘Tarek voelde de ringen tegen zijn keel tikken toen hij twee maanden later met zijn oudere broer naar de Maagd Mariastraat ging om stenen te gooien.’
Dan volgt een witregel.

Het volgende korte hoofdstukje komt gauw, maar eerst kan de lezer tijdens die witregel nog even genieten van die mooie heldere zin waarin McCann vertelt wie die jongen is, een Palestijn, een stenengooier, met een broer, waarin hij de locatie aangeeft, het conflict nergens benoemt, maar klein maakt als een ring aan een ketting, als twee ringen samen aan een ketting. Die witregel was nodig. De lezer kan op adem komen.
Alles staat er, en toch is het proza bondig, zit er handeling en richting in de zin, wordt het personage groter, wordt Israël kleiner. Precies wat het conflict nodig heeft.
En dit is nog maar het begin. Deze zin staat op bladzijde 18, en ik weet nu al: McCann gaat niet alleen het complete Palestijns-Israëlische conflict slopen, hij gaat mij ook slopen, met deze krachtige woorden.
Ik leg het boek even weg. Duizend-en-één hoofdstukjes, dat heb ik al gezien. Van 1 naar 500, en dan 1001, en dan terugtellen van 499 naar 1. Lieve hemel, ik ben pas bij 10.
Even daarvoor heeft hij beschreven hoe kleine zangvogeltjes trekken, hoe ze kwetsbaar zijn, hoe ze in Frankrijk gegeten worden, zoals door François Mitterrand, de oud-president die volgens een bizar ritueel dat doet denken aan de Zonnekoning, die een vogeltje met botjes en al opeet, een ortolaan, en anderhalf jaar daarna sterft.
Ik ben nog maar bij het vijftiende hoofdstukje en McCann pakt direct uit op een manier die William Faulkner toepaste in As I Lay Dying, door korte fragmentjes onderling te koppelen, want er iets echt wel iets aan de hand met die mensen in Israël, met de trekvogels, met de snelweg en de tijd die verspringt van zomer- naar wintertijd zodat Israël en Palestina voor een paar dagen een uur ongelijk lopen, ik heb gelezen over een man op de snelweg, over vliegende vogels en eetbare vogels, over kogels die in Noord-Ierland knieën verbrijzelden, over Mitterrand die een vogeltje at, de andere aanwezigen hoorden de botjes kraken, en dan volgt bikkelhard hoofdstuk 15:

‘De kogel die Abir doodde, reisde vijftien meter door de lucht voor hij in haar achterhoofd sloeg en haar schedelbot kraakte alsof het een kleine ortolaan was.
Ze was naar de kruidenier gegaan om snoep te kopen.’

Ik heb hier zelf weer een witregel nodig. Ik zit nu al stuk. De samengeraapte beelden doen hun werk. Het sentiment was nergens te bekennen, het zit nu wel in mijn hoofd en lijf. Ik tril ervan. Het leed van een vader die zijn dochter verloren heeft, daar kunnen geen woorden tegenop, dat kan alleen op papier gezet worden in een verzameling beelden die in het hoofd van de lezer moeiteloos aan elkaar gekoppeld worden.
Krakende botjes. Een kogel die doel treft. Verlies. Een meisje dat naar de kruidenier loopt om snoep te kopen.
McCann laat me voor het eerst voelen hoe het Palestijns-Israëlische conflict in elkaar zit. Ik begrijp er nog steeds helemaal niks van, maar ik moet wel bijna huilen.

Ik wil weten hoe hij dat doet. Hoe hij een ingewikkeld, oneindig, wereldlijk probleem persoonlijk maakt en het leed van dat probleem bij de lezer neerlegt, niet als beklag of statement of als manifest, enkel en alleen het leed.
Ik weet al lang hoe je dat kunt doen, in mijn eigen romans pas ik dezelfde technieken toe, maar ik ging een dergelijk onderwerp uit de weg. McCann niet. Hij dook in een oneindige verzameling beelden en persoonlijke verhalen en voert die op met losse draadjes en hij geeft de lezer de kans deze gewelddadige wereld te ontvouwen zodat die wereld verandert in een wonder.
Dat is de kracht van literatuur. Dit is de grootste taak die een schrijver op zich kan nemen.
Dat is wat Colum McCann aangegaan is, en hij laat zien dat het kan. Na dit begin gaat deze anekdotische verbindende roman nog heel lang door. Ik weet nu al: dit is goud.
Geen wollige blatende metaforen opdreunen die niks meer dan leegte overbrengen, maar de zwaarst mogelijke materie omtoveren tot een ballon, zoals die van kunstenaar Banksy op het omslag van Apeirogon.
Ik zou wil alleen nog maar verder lezen, ademloos, want ik weet dat er nog heel veel moois gaat komen en dat ik niet moet proberen dat allemaal in een stuk over deze roman moet zien te pakken. Deze aanzet is genoeg. Ik sluit af met een witregel.

Ik haal adem en lees verder, een eindeloze rij korte hoofdstukjes die pauzes nodig hebben en samen toch een in elkaar gedrukt verhaal vormen dat je bang maakt, want dit wereldlijke onoplosbare probleem voel je opeens tot in je tenen.

Jeanine Cummins, Sandro Veronesi: de redactie las de heisa en vervolgens de middelmatige roman waarover de heisa ging, en een kochiaanse klassieker van twintig jaar gelezen.

*

Thomas Heerma van Voss: Jeanine Cummins, Wie omkijkt

Nee, ik las American Dirt niet wegens de commotie, waar veel anderen al zinnige dingen over hebben geschreven, ook in Nederland – Arjen van Veelen voerde de roman op in zijn mooie essay over de dreiging van literaire zuivering. Toch was het boek zonder die commotie vermoedelijk niet onder mijn aandacht gekomen. Ik las het afgelopen weken in de Nederlandse vertaling (door Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer) met de weinig geslaagde titel Wie omkijkt; dat haalt het niet bij hoe Cummins het boek zelf heeft genoemd. Ook vreemd: de ondertitel die op het omslag van de Nederlandse editie is gezet door uitgeverij Mozaïek: ‘Een wanhopige moeder en haar zoontje op de vlucht voor de wraak van het drugskartel.’

Die zin dekt de lading wel van dit verhaal van een kleine vijfhonderd pagina’s, dat van begin tot eind draait om die vlucht. Ook klinkt het nogal thrillerachtig: wanhoop, op de vlucht, wraak, een drugskartel. Van zulk groot taalgebruik bedient Cummins zich in dit romandebuut ook steeds. Op zich is er niets tegen een beetje een voortrazend verhaal, er is zelfs niets mis met af en toe een thrillerelement in een roman, alleen vinkt American Dirt wel nagenoeg elk thrillercliché af in dit rommelige, weliswaar vlot lezende maar uiteindelijk vreemd lege geheel.

Voortdurend wordt er in American Dirt van perspectief gewisseld, niet alleen van die inderdaad wanhopige moeder Lydia (al word ik geen moment echt onderdeel van haar wanhoop) naar haar ongeloofwaardig wijze zoontje Luca (hoe oud is die jongen? ik kreeg er maar geen beeld bij), maar ook naar passanten door heel Mexico; iemand op een vliegveld, mensen met wie ze samen door Mexico vluchten en bovenop een trein springen. Sowieso heeft Cummins de neiging om alles uit te leggen over de drugsoorlogen in Mexico: hoe de onderlinge verhoudingen liggen, wie er allemaal corrupt zijn, hoe gevaarlijk het is, wanneer het geweld verhevigt. Vaak bedient ze zich daarbij van de taal van een journalist, die passages invoegt om de lezer op de hoogte te stellen; het is niet de taal van een romanschrijver die zich inleeft in haar romanpersonages, en zeker niet van een personage dat op de vlucht is.

Zo worden voortdurend dingen uitgelegd: ‘Omdat het in hun cultuur heel gebruikelijk is dat volwassen kinderen voor hun bejaarde ouders zorgen, is het überhaupt al redelijk ongewoon dat Lydia’s moeder een spaarrekening had.’ Alle Mexicaanse tekstjes die in het boek voorkomen, worden vervolgens vertaald. De peso’s waarmee Lydia betaalt worden keurig omgerekend in dollars. Alsof Lydia en Luca zulke zaken eens rustig overdenken terwijl ze opgejaagd worden. Alsof alle informatie over drugsoorlogen niet vanzelfsprekend is voor de personages, aangezien ze er al jaren door wordt omringd.

Interessant zou het juist worden als je dingen – gewoontes, geweldsuitbarstingen – te lezen krijgt die als gewoon worden gezien waarvan je als lezer denkt: dit ben ik helemaal niet gewend, dan creëer je spanning. Maar Cummins lijkt zich hebben voorgenomen niks verwarrend of dubbelzinnig te maken voor de lezer. En dan is er ook nog de rest van haar stijl. Die had veel goed kunnen maken: niet alles qua perspectief of informatiedosering hoeft immers helemaal te kloppen als je dit boek gewoon beschouwt als een spannende easy read, en niet als een fijnbesnaarde, psychologisch afgewogen karakterstudie of iets dergelijks. Maar stilistisch rammelt American Dirt: ik zette voortdurend streepjes in de kantlijn, het ene moment geïrriteerd en het andere vooral verbaasd, want Cummins had toch, meldde de achterflap, tien jaar in de uitgeverswereld gewerkt, ze zat bij een agentschap en er was een miljoen dollar voorschot voor dit boek betaald, dan had er toch wel fatsoenlijke redactie op losgelaten kunnen worden?

Een paar voorbeelden. Lydia voelt iemands ergens ‘bezorgdheid als een vloek in de ruimte hangen’ (wat betekent dat?), waardoor haar hart ‘als een razende tekeer’ gaat én ze zich opgejaagd voelt; angst ‘slaat haar om het hart’; een paar regels later ‘treft [iets] haar als een donderslag bij heldere hemel’. Elders treft iets haar ‘als een mokerslag’; er klinkt ‘oorverdovende stilte’, als ze rondrijden, ziet Luca een rij huizen ‘langs flitsen als kaarten in een kaartspel’ (hoe werkt dat?), vlak daarna registreert hij ‘een baldakijn van schaduwrijke bomen [die] de straat overwelft’ (welk kind praat of denkt in hemelsnaam zo?). En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van de eerste honderd bladzijdes, waarna Cummins overigens zelf eens opmerkt: ‘Hoeveel ze ook houdt van taal, in sommige gevallen is geen enkel woord toereikend.’ 

Je kunt zeggen: het is flauw om zulke zinnen te citeren, iedereen formuleert weleens ongelukkig. Maar deze taal is niet alleen clichématig, hij onderstreept ook hoe Cummins haar verhaal heeft opgebouwd: alles voor de nadrukkelijke emotie en het grote gebaar, alles voor de thrillerachtige vaart, alles voor de begrijpelijkheid. Rondom alle commotie was ik nog wel geneigd haar bij te vallen, of tenminste om te denken: iedereen moet over alles kunnen schrijven. (Wat overigens ook niet echt werd betwist, zelfs niet door criticasters.) Maar nu ik American Dirt heb gelezen denk ik vooral: dit is een erg middelmatige roman, geen enkele heisa waard.

Jan van Mersbergen: Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader

Het zal voor de Nederlandse markt een beter titel zijn: In de ban van mijn vader (vertaald door Rob Gerritsen), maar de originele Italiaanse titel van de roman van Sandro Veronesi was: La forza del passato, en voor zover ik weet is forza Italiaans is voor kracht en passato staat voor passé, voor het verleden. De kracht van het verleden is de titel die ik dit keer bij het herlezen van deze roman in mijn hoofd had. Die titel past goed.
De manier van vertellen van Gianni Orzan, de hoofdpersoon die Veronesi opvoert, deed me denken aan hoe Herman Koch zijn verhalen vertelt: in duidelijke strakke zinnen maar wel met de nodige twijfel, zonder dat het ergens twijfelachtig wordt. Dat is een belangrijk verschil. Sommige vertellers zijn warrig, andere vertellers zoeken maar laten zich niet door de mogelijkheden en keuzes tijdens dat zoeken overmeesteren waardoor de vertelling strak blijft. Zoals bijvoorbeeld de scène waarin Gianni op aandringen van een van zijn gasten beneden bij de voordeur aan de intercom luistert wat de anderen die nog boven zijn over hem zeggen, nu hij het huis uit is. Een typische Kochiaanse scène, trouwens. Gianni besluit te luisteren, en wat hij opvangt doet hem geen goed:
‘Het valt me moeilijk dit te vertellen, zwaar zelfs, maar ik geloof dat het belangrijkste is: die twee waren vrienden van me, en het feit dat ze zo over mij, mijn vrouw, mijn huis en mijn gasten konden spreken heeft me zeer geschokt.’
Het is moeilijk te vertellen, valt hem zwaar, hij gelooft iets, het belangrijkste… Je hoort deze verteller een zin in elkaar zetten die zijn twijfel laat zien, maar het is wel een zin die de vertwijfeling van de vertelling voor is. Het blijft helder en te volgen. Nergens heb ik het idee dat deze verteller meer weet dat wat hij vertelt of boven zijn zoektocht in woorden staat. Zijn twijfel wordt ook geen pose.
Hij is wel expliciet, want even verderop staat: ‘Het zijn dingen die je uit het lood slaan.’ Hij weet wat er gebeurt, hij volgt de stapjes. Hij laat de lezer echter niet vertwijfeld achter, hij maakt de lezer alleen deelgenoot van zijn verhaal.
Dus met veel plezier luisterde ik naar Gianni, die erachter komt dat zijn vader, die net overleden is, geen gewone Italiaanse conservatief was maar een Russische contraspion. In vlotte scènes brengt een taxichauffeur hem dit nieuws, nadat de taxirit in een angstrit overging omdat Gianni een pistool zag, als de chauffeur hem de tas later terug komt brengen maakt het nieuws hem minder bang maar zet het wel zijn leven op zijn kop. Die flaptekstzin uit de jaren negentig staat ook op deze flap: ‘Gianni’s wereldbeeld begint te wankelen.’
Dat kleine verhaal pakt natuurlijk groot uit, zit verstopt in mooie persoonlijke verhalen, met een overzichtelijk tijdsbesef en een slim schakelen tussen verteltijd en de tijd die geweest is, zoals de eerste zinnen van de roman na de vraag of Gianni een droevig mens is: ‘Dat vroeg ze aan me, die journaliste. Het is de laatste vraag.’
Met de vraag begint het boek, wie de vraag stelde staat in de verleden tijd, Gianni geeft zelf aan dat het de laatste vraag is waarna hij over de prijsuitreiking vertelt en het hoofdstuk afsluit met het antwoord op de vraag: ‘Niet meer.’
Bijzonder slim en speels gedaan. Dat doet Veronesi steeds: het verhaal zijn beloop laten maar daar wel af en toe van afwijken, een zijpad zoeken, soepel weer terugkeren naar het hoofdverhaal. Het levert levendig proza op. Het duurt even voor ik de zinnen die de hoofdstukjes aaneenrijgen kan laten varen en meer ga voor de zinnen die de sfeer neerzetten, die de verteltoon van Gianni markeren: ‘Hij steekt een sigaret op, de ellendeling,’ is een korte alinea die los in een lang betoog van de taxichauffeur staat als ze in een restaurant een enorme hoeveelheid spaghetti eten die door een meisje op rolschaatsen voor hen op tafel is gezet.
Ik weet: Gianni is negen maanden gestopt met roken. En die man rookt. Die sigaret doet me meer dan het verhaal dat de tafel over gaat, over de vader van Gianni. Hij moet dat verhaal horen, het is een verrassende wending, maar zijn stoppen met roken is zijn eigen korte verleden dat ook een rol speelt.
Daarom: De kracht van het verleden, in plaats van de vader. En het fijne aan boeken waarin alles samenkomt is dat, wanneer je ze leest, alles ook daadwerkelijk samenkomt. Net als in de restaurantscène een Kochiaanse vraag opdoemt omdat hij de rolschaatsende ober slecht behandelde – hoeveel spuug van obers zullen we in ons leven gegeten hebben? – komt de titel letterlijk terug aan het einde van die scène, als Gianni vertelt dat de schrijver Giorgio Bassani ooit de stem van Orson Welles deed in een film, waarna een gedicht van Bassani aangehaald wordt: De kracht van het verleden. Niks vader, al gaat het gedicht wel over geboren worden, maar volstrekt indirect.
Het vervolg van deze roman waaiert uit. Gianni ziet zijn zekerheden hem ontglippen. Ergens jammer dat hij kinderboekenschrijver is en dat hij de gebeurtenissen gebruikt in zijn nieuw te schrijven kinderboek over Pizzano Pizza, zijn kinderboekenheld, die stukken kan ik missen. Wel mooi dat de vertwijfeling in zijn leven groter wordt maar het proza helder blijft. Dat was de opdracht die Veronesi zichzelf opgelegd heeft, en daarin is hij zeer goed geslaagd. Altijd fijn om een boek dat inmiddels al weer twintig jaar oud is te herlezen en te zien dat de klassieke status die het boek destijds is toegedicht terecht is.

Sebastian Barry, Wytske Versteeg: de redactie las een rustige roman met een soepele, sobere verteller, en een indringend essay over misbruik, kwetsbaarheid en taal.

*

Jan van Mersbergen: Sebastian Barry, Duizend manen

Een samengesteld gezin in een tijd waarin je dat niet verwacht, op een plek waar je dat niet verwacht. Sebastian Barry combineert in zijn nieuwe roman Duizend manen, vertaald door Jan Willem Reitsma, een gezinssituatie die je verwacht bij een hedendaagse sitcom zoals Modern family of Two and a Half Men met het wilde westen. Het werkt goed, vooral omdat hij Winona, de hoofdpersoon van Indiaanse afkomst, heel soepel laat vertellen.

‘Nou, ik barste gewoon in tranen uit toen ik hem zag aanrijden want zo was de toestand waarin ik verkeerde.

Winona vertelt. In de zin staan geen komma’s. Ze vertelt wat ze voelt. Het is expliciet. Ze is duidelijk. Ze probeert te beschrijven wat ze voelt, en het aangeven dat ze tranen had helpt.

De laatste weken heb ik mopperende reacties gekregen op de manier waarop ik op mijn site over boeken schrijf. Abdelkader Benali noemde het ‘close reading’, en hij gaf aan dat hij daar erg van houdt. Hij is een schrijver, en eigenlijk pluis ik proza na voor lezers die de technische kant van het schrijven interessant vinden, en schrijvers vinden dat interessant, daar zijn ze dagelijks mee bezig.
Een boekverkoper vond dat ik erg veel woorden nodig had om te zeggen dat het een kutboek is. Dat is nou precies het verschil tussen een kwalificatie en een analyse met daarbij hopelijk een uitleg die aangeeft waarom het boek een kutboek is, zonder die term natuurlijk te gebruiken. Schrijvers vinden kwalificaties niet prettig. Lezersreacties die aangeven wat het boek met de lezer doet kunnen ze over het algemeen wel waarderen. Die doen, als het goed is, recht aan het werk van de schrijver, omdat het lezen daarna ook gezien wordt als werk.
Een andere typische reactie was dat ik enkele zinnen uit een boek haal, uit de context, en aan de hand van die zinnen een heel boek kwalificeer. Dat doe ik wel, zinnen als voorbeeld gebruiken, want enkel roepen dat het hele boek geweldig is heeft voor mij minder waarde dan die ene zin die geweldig is, of juist niet geweldig. Het gaat echter niet om het complete boek, het gaat om de stijl, om de toon, om de vertelling, om de stelligheid, om de kracht van de vertelling, om de keuzes die een schrijver maakt, om de afstand tussen ik-verteller en lezer, tussen schrijver en personages, tussen schrijver en lezer. Dat spel, dat beschrijf ik.

De verteller van Barry heeft een groot minderwaardigheidscomplex. Interessante tegenstelling. Haar is van jongs af aan, als Indianenwees, duidelijk gemaakt dat ze niks is. Ze telt niet mee. Ze weet het. Ze is nog minder dan de slaven die nu weliswaar vrij zijn maar nog niks te zeggen hebben. Oud-slaven worden in de stad in elkaar geslagen. Nu ze bij twee mannen woont, een landlord, en twee oud-slaven, is Winona nog altijd de laagste in de rangorde. Ze weet het, ze kent haar positie.

Winona overkomt hetzelfde, ze wordt mishandeld en verkracht. Daar vertelt ze over. Niet in beschouwende passages, niet aan de hand van filosofische referenties, want die heeft ze niet. Ze vertelt hoe ze van onder vernield is.

Als in een roman een verteller opgevoerd wordt, en dat is een keuze van de schrijver, die totaal twijfelachtig is, zoals Johan Harstad doet in Max, Mischa & het Tet-offensief dan is iedere zin die hij formuleert op die keuzes terug te voeren. Zijn verteller twijfelt en houdt de lezer aan een lijntje. Hij is vertwijfeld, maar dat hoeft de vertelling nog niet twijfelachtig te maken. Een verteller kan heel goed iets stelligs zeggen, vanuit vertwijfeling, op een manier die de lezer doet geloven dat hij juist twijfelt. Die gradaties schuilen in een enkel woordje. Dat doseren is wat een schrijver doet, zodat de lezers iets voelen wat aansluit bij het verhaal, de personages, de leeservaring op zich.

Winona twijfelt niet, ze weet echter tegelijk niet wat er precies met haar gebeurd is. Dat is een ander soort twijfel dan het geharrewar van Harstad, dat bladzijden duurt. Barry kiest ervoor een Indianendochter het heft in eigen handen te laten nemen. Nu doet het verhaal er weinig toe, de vertelling is het belangrijkste, daarmee brengt Barry de lezer bij het gevoel dat verstopt zit in deze mooie roman. Mooi, omdat de lezer de kans krijgt iets te voelen.

Barry laat zijn hoofdpersoon vertellen over de slavenhutten, via het oud-slavenmeisje. ‘Er waren drie dozijn geweest. Daarbinnen, zei ze, was de mensheid een boek zonder omslag.’
De alinea houdt hier op. Geen sentiment, alleen het beeld van een boek zonder omslag. Dat is fladderig, dat valt uit elkaar, dat is kwetsbaar, dat is naamloos. De lezer heeft hier eigenlijk een witregel nodig om dit beeld even in te laten werken. Om zelf het beeld af te kunnen maken in je hoofd. Het is niet helemaal duidelijk, maar ergens in je hersenen ontstaat iets wat Barry vaag voor ogen heeft.
Geen losse vertelling die maar doordramt en de lezer overdondert met lege zinnetjes, zoals Harstad doet. Sla het vuistdikke boek maar open en je vindt altijd zo’n zinnetje.

Wacht even, dat doe ik.

‘Omdat ik hoe dan ook een spoor wilde achterlaten, rookte ik een laatste sigaret terwijl ik rondjes door de kamer liep en ik blies uit alle macht de rook tegen de muren, probeerde met mijn hand de nicotine voor eeuwig en altijd in het behang te wrijven.’

Daar hebben we Max weer, de verteller van Harstads opgehemelde roman. Lukraak een zinnetje. Scrollen door het boek op internet, stoppen, cursor stil. Daar istie. Een zonde, maar wel weer een zin die me direct duidelijk maakt dat ik te maken heb met een acteur die een pose aanneemt, die effect wil, van zijn eigen handelen. Ik verzin het niet hoor, het staat er. Een ik-verteller die een sigaret opsteekt omdat hij een spoor wilde achterlaten. Het is geen roker, hij wil iets bereiken met het roken van een sigaret. Terwijl hij rondjes door de kamer liep blies hij de rook uit. Uit alle macht, ook nog. Tegen de muren. Ik zie hem draven. Blazen. Een scène, jawel. Hij zet het nog even aan door de nicotine, niet de rook, het behang in te wrijven. Doe je best maar. lastig om de nicotine van de rook te scheiden, maar dat terzijde.

Ik bedoel maar, de ene schrijver brengt zijn beelden op een andere manier dan de andere schrijver. Het mannetje dat Harstad opvoert brengt iets anders over als de verteller van Barry. Mijn voorkeuren geef ik graag aan. Niet om lezers op een of ander spoor te zetten. Lezen is altijd lezen, maar wel hoop ik dat de technieken achter een boek, achter een hoofdstuk, zelfs achter een enkel zinnetje, op een of andere manier meegenomen worden in een analyse van het boek.

Laatst werd een recensent geïnterviewd. Hij zei dat het objectief analyseren van een boek onzin is. Nu heeft hij zeer sprekende persoonlijke voorkeuren, vooral voor vrouwelijke schrijvers, zelfs zo sterk dat wanneer er een nieuw boek verschijnt van een vrouw en je weet dat hij het gaat bespreken, het bijna mogelijk is die recensie al te schrijven voor hij verschenen is. Toch spreekt het idee van persoonlijk over boeken schrijven me erg aan.
Waarom bevalt dit boek van Sebastian Barry me zo goed, en dat van Harstad niet? Waarom denk ik bij de ene verteller: stel je niet aan, en neemt de andere verteller mij moeiteloos mee haar verhaal in? Dat is het verhaal dat ik als lezer en als schrijver hier graag wil vertellen.
Vanzelfsprekend heeft dat te maken met wie ik ben, met wat ik kan waarderen, met de manier waarop er vroeger in de polder tegen me gepraat werd, welke waarden daar belangrijk waren, welke waarden me naar de stad dreven, waarom ik wel voor schrijven kon kiezen en niet voor muziek maken. Het heeft te maken met mijn reactie om mijn omgeving, want een roman is een zelfgekozen andere omgeving die ik op bepaalde momenten binnenlaat. Is dat in de winter en de dagen zijn kort en donker, dan leest een boek al anders dan in de schaduw op een zonnige dag met een koud drankje naast je. Dat speelt ook mee. Maar vooral kunnen romans en vertellingen aangeven wie je bent, als lezer, als mens.
Dat ontdekken, dat uitpluizen, dat is een andere manier van lezen dan enkel vluchten voor wie je bent door te verdrinken in een dik boek. Dat sla je dicht, onder de indruk, maar over jezelf heb je niks geleerd.

Terug naar Duizend manen, en dat andere boek.
De stellige manier van vertellen van Winona, die op geen enkel moment een pose aanneemt of vreemde handelingen verzint om haar gevoel over te brengen, die zeg maar geen nicotine in het belang wrijft om wanhopig aan anderen, die er op dat moment niet eens bij zijn, maar die pas later als toehoorders / lezers de pineut zijn, te laten zien welke gevoelens er in haar borrelen, neemt het heft in eigen handen.
Dat doet ze. Direct. Ze kronkelt niet honderd bladzijden met dat besluit in haar hoofd en reacties in haar lijf, al vertelt ze wel dat ze nadat ze verkracht was over haar hele lichaam trilde. Dat trillen draagt bij aan het overbrengen van wat haar overkomen is zonder toneel te spelen, dat voelt de lezer meteen. Ze schaamt zich bijna dat ze trilde, zo vertelt ze het. Als de jongen op wie ze misschien een oogje had bij de boerderij komt aanrijden en Winona hem niet wil zien, dan beschrijft ze het trillende oude paard waar hij op zit. Dat trillen is precies hetzelfde beschreven.
Ik blijf denken aan de verteller van Harstad die nicotine in het behang wrijft. Sorry hoor, maar wat zou Barry van zo’n personage en zo’n handeling gemaakt hebben?

‘Je kunt niet je hele leven een tranenfontein zijn,’ zegt Winona.
Winona is zo veel sterker, de vertelling is zo veel sterker. Ondanks die tranen, ondanks dat trillen in haar beschadigde lijf. Wat Duizend manen zo veel sterker maakt is de overdrachtelijkheid. Waar Harstad zijn verteller schreeuwend en poserend voor je zet laat Barry zijn vertelster onder je huid kruipen. De ene wil je het liefst wegsturen, als een verkoper die aan de deur staat, deze Winona wil ik vasthouden en beschermen. Een romanpersonage waar je voor wilt zorgen, als lezer. Is dat niet het mooiste compliment? Is dat niet wat schrijvers moeten zien te bereiken?

Soms is het taalgebruik van Winona erg formeel, overdreven formeel. Zo noemt ze advocaat Briscoe steeds ‘de advocaat Briscoe’, en formuleert ze: ‘Ik had de indruk dat de advocaat Briscoe vanaf zijn eerste verschijning vreugde in hem schepte.’ Briscoe vond iemand leuk, maar ze zegt het wat stijfjes. Een manier van spreken die me in De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead erg tegenstond, niet ontoevallig ook een boek over slaven in Amerika, maar hier begrijp ik het wel, voel ik het wel, past het bij de verteller. Het grote verschil: Barry laat een ik-verteller dit zeggen, van binnenuit. Whitehead vertelt zelf zo.

‘Ze spraken over hun opleiding aan de jongensacademie in Paris die ze allebei in verschillende jaren hadden bijgewoond.’

Dat zijn geen vertaalfoutjes, dat is de stem van Winona zoals Barry hem bedacht heeft, de stem van een Indianenmeisje tussen slaven. Die volgen geen opleiding, in hun beleving woon je een opleiding bij. Die afstand tot opleiding zit compleet in haar stem. Mooi.

Had ik al verteld dat in deze roman, Duizend manen, de twee oude mannelijke personages die voor Winona zorgen dezelfde mannen zijn als die in Dagen zonder eind, de roman van Barry die in drie jaar geleden las? Ik kwam er pas achter toen ik al zestig pagina’s op weg was in deze nieuwste. Barry legt niet de nadruk op die mannen, op hun verleden, op hun relatie die duidelijk homoseksueel is, maar dus niet dusdanig benoemd.
Het verschil tussen de vertellers is zo opvallend en eenvoudig, en een gevoelskwestie. Dat kan iedereen. Over het vertellen en opschrijven zeggen beide vertellers iets. Vergelijk de Max van Johan Harstad met de Winona van Sebastian Barry.
Max: ‘Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mezelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet.’
Winona: ‘Ik weet die dingen dus ik schrijf ze op.’
Bepaal zelf maar welke insteek, toon en zegswijze je voorkeur heeft.

Duizend manen vraagt wel iets van de lezer. Het vraagt niet achterover te leunen en je te laten overrompelen, het vraagt een traag leestempo, aandacht voor zinnetjes, een pauze, en weer verder op pad met Winona.
Ze weet: alle rivieren komen uit in de zee. Ze had de sheriff kunnen doodschieten, maar ze deed het niet. ‘Maar net als de rivier, later, kwam het allemaal op hetzelfde neer.’ Daarmee sluit ze het zesde hoofdstuk af nadat ze verteld heeft dat ze de sheriff dood had kunnen schieten en ‘dan een verhaal had gehad dat door een plotse wending was geraakt.’
Dat heeft het boek wel, maar dat weet ze zelf niet.
Ik besteed weer erg veel woorden, ruim tweeduizend, aan een roman die waarschijnlijk de zestigduizend woorden maar net haalt. De verhouding bespreking : roman is één op dertig. Dat zou een eis voor boekbesprekingen in kranten moeten zijn, in plaats van driehonderd lovende woorden over een boek van duizend maal zoveel woorden.
Dat zijn de Duizend manen uit de titel.
Mocht je niks te doen hebben, deze weken, thuis, lees dan dit boek. Lees het heel rustig, dit boek, want het zit vol indringend gevoel.

Querido gaf Duizend manen uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Wytske Versteeg, Verdwijnpunt

Het nieuwe boek van Wytske Versteeg, een essay, Verdwijnpunt, begint prachtig, met een beeldspraak die duisternis en kwetsbaarheid oproept:

‘Misschien zou dit boek stekels moeten hebben. En ook een kaft niet van gewoon karton, maar van een materiaal met het soort rotsachtige hardheid waaraan je je kunt stoten en bezeren. Of ik zou het in waterverf moeten maken in een huidkleur die bijna doorzichtig is, of anders van glas dat breekt als je het aanraakt.’

En dat klopt, dit boek is openhartig en hard, gegroeid vanuit een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen. De autobiografische gegevens die Versteeg aanreikt, hakken erin of schrijnen, ze raken je. De feiten zijn verschrikkelijk. Maar Versteeg mijdt sentiment (‘niet zonder me af te vragen of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld’), ze zoekt naar taal die past, naar hoe het schrijverschap bij haar past ook. Ze bevraagt taal. Wat is ‘trauma’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af:

‘Een traumatische gebeurtenis doorboort de huid – de grens tussen mijzelf en de wereld buiten mij – en verstoort de samenhang van levend weefsel. Het is een moment als een klap of een snee of een schok, waardoor een plotselinge scheiding ontstaat. Als ik mezelf tijdens het koken per ongeluk in mijn duim snijd, zal ik mijn beweging staken zodra ik de pijn van de snee voel. […] Een onhandige beweging met een keukenmes beschadigt de huid van mijn vinger, maar er zijn ook ongerechtigheden die schade toebrengen aan mijn “tweede huid”: mijn reputatie, waardigheid of zelfbesef.’

Wat een grote woorden, dacht ik: waardigheid, zelfbesef. Maar Versteeg illustreert het overtuigend. Ze verdiept de metafoor die ‘trauma’ is in psychische zin, en laat zien hoe het een mens kan beïnvloeden, en deel is van een maatschappij. Of de lichamelijkheid van ons ik, daar schrijft ze ook over: ‘Stay in touch, zeggen de Engelsen, keep in touch, blijf zo dicht bij mij dat ik je kan aanraken, dat ik mijn arm kan uitstrekken om de contouren van je lichaam af te tasten, er zeker van te zijn dat jij het nog steeds bent, al liggen er jaren en kilometers tussen ons in. […] Out of touch, dat ben ik, niet meer in staat om aangeraakt te worden, ook niet als de fysieke afstand opgeheven wordt en we weer in dezelfde kamer zijn.’

Minder dan Manon Uphoff, die met Vallen is als vliegen een monument oprichtte voor het misbruikte kind én een geweldige roman schreef, tast Versteeg de gebeurtenissen zelf amper af – nu doe ik het ook, het ontwijken (‘Waar ik vermeed, en nog altijd vermijd, een naam te geven aan wat er gebeurd was, zocht ik wel naar de meest passende woorden om de pijn te beschrijven die ermee samenhing.’) – maar kijkt ze naar de tijd daarna. Hoe het tussen jou en de omstanders (haar ouders) komt te staan, hoe het je zelfvertrouwen beschadigt, je vertrouwen in anderen, hoe het je schokt en doet wankelen en omver werpt. Hoe uiteindelijk één persoon je kan helpen, misschien zelfs helen (waarom die term passend is, weet ze ook overtuigend te zeggen).

Maar dat dit boek niet per se de afsluiting is. (‘We willen niet dat iemand uit de afgrond terugkeert zonder iets voor ons mee te nemen; we willen helemaal niet horen dat het er gewoon alleen maar zwart is. Maar als er al iets is wat je kunt meenemen, als er iets is wat je kunt leren van ervaringen die je net niet doden, dan is dat niet in woorden uit te drukken, niet zonder onmiddellijk te verschrompelen tot een cliché, iets wat duizenden mensen al duizenden keren eerder hebben gezegd.’)

Dit alleen al, beschreven in een zuivere stijl, is een prestatie. Maar Verdwijnpunt is, in de persoonlijke, zoekende vorm die ik het liefst zie, ook een essay. Versteeg heeft zich ingelezen, en verwerkt soepel citaten uit de wetenschappelijke literatuur en de filosofie, uit romans, gedichten en memoires. Ik moest denken aan Manon Uphoff dus, maar ook aan Eva Meijer, die in De grenzen van mijn taal haar depressies onderzocht, en dat verbond met literatuur, taal, filosofie, psychologie.
Verdwijnpunt is net als dat essay literaire non-fictie: niet de plot, die is triest genoeg een verhaal van velen, maar de verwerking doet ertoe: die is gevoelig en intelligent. En prachtig geschreven. Ik heb veel geleerd en hoop meer te leren na herlezing over pijn, geweld, verdriet, kwetsbaarheid, taal.

Querido gaf Verdwijnpunt uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Henry Roth, Teju Cole: de redactie las een roman van 85 jaar geleden met trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen, en een essay over vertalers en hulpverleners aan de grens – en hoe ze beide groepen De oversteek verzorgen.

*

Jan van Mersbergen: Henry Roth, Noem het slaap

Ruim vijfentachtig jaar oud is Noem het slaap, de oorspronkelijke titel Call it sleep klinkt een stuk beter, de bildungsroman van Henry Roth, en nog steeds leest het boek ontzettend goed. We volgen David, een jonge Pools-Oostenrijkse immigrant die in 1907 als tweejarige in New York aankomt. Zijn Joodse familie bestaat uit zijn liefdevolle moeder en geschifte vader.
Meteen in een van de eerste scènes moet de jongen als hij een jaar of zeven is het kantoor binnengaan waar de vader gewerkt heeft om diens spullen op te halen: wat kleren en het geld dat hij nog tegoed heeft. De jongen wordt vriendelijk ontvangen, krijgt de spullen vrij soepel mee, wat de vader later erg tevreden stemt, maar de jongen komt er ook achter dat zijn vader in het kantoor mensen met een hamer heeft bedreigd. Hij verzwijgt het incident, draagt het vervolgens als een last met zich mee.
Dat zal David vaker doen. Als een meisje dat hij hem in het gebouw in een ander appartement woont hem in een kast duwt en kust en aan hem wil zitten, een MeToo-scène van bijna honderd jaar oud met een meisje als dader en een jongen als slachtoffer, probeert hij het meisje voortaan te ontlopen. Hij denkt er wel heel vaak aan.

Een bildungsroman, dan weet je: dat verhaal begint in de jongste jeugd en de schrijver gaat de tijd nemen. Dat gebeurt in Noem het slaap ook. Roth – geen familie van de bekendere Philip Roth – schrijft trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen.
Als de vader de jongen naar zijn voormalige kantoor stuurt en de jongen hetgeen hij moet zeggen herhaalt en probeert te onthouden zegt de vader: ‘Zeg het in het Engels, idioot.’
Als de moeder vertelt over haar jeugd in Oost-Europa blijkt ze uit een zeer welgestelde familie te komen. Ze hadden wel vijf bedienden. Ook vertelt de moeder over mensen die dood gaan: ‘Ze sluiten hun ogen voor een slaap van eeuwige jaren.’ Die mensen worden begraven, en het is voor altijd. Alles wat de moeder daarna vertelt dringt niet meer echt tot David door. Hij blijft in zijn hoofd maar herhalen: ‘Donker. In het gras. Eeuwige jaren…’

Pijnlijk is het als David zich niet lekker voelt en zijn vader hem tijdens het eten beschimpt. Er is een huisvriend op bezoek. Een vreemde man, Luter. De jongen is misselijk, zegt iets geks, de vader zegt dat hij de soep moet eten: ‘Nou komt er nog wat van?’
En verderop: ‘Gedurende de rest van de maaltijd at David heel voorzichtig, zo nu en dan heimelijk opkijkend om te zien of hij soms iets deed wat zijn vader mishaagde. Naar Luter waagde hij het geen moment te kijken, uit angst dat alleen het zien al van die man hem zo in verwarring zou brengen dat hij nog meer blunders zou begaan. Toen zijn moeder het dessert voor hem neerzette, was hij al met zichzelf aan het overleggen of er niet een manier was om zich terug te trekken, een plekje waar hij zich verstoppen kon terwijl ze toch dachten dat hij er was, of tenminste niet anders verwachtten.’

Die arme jongen. Roth beschrijft precies zijn gedachten en overwegingen, in een huiselijke scène die levendig en rustig tegelijk is. Roth vertelt erg veel, doet niet aan show, don’t tell, maar schenkt je wel een beeld van deze jongen met genoeg informatie en tempo zodat je zelf dat beeld kunt vormen. Het laatste stukje, inleving, laat hij aan de lezer over. Dat lukt hem erg goed.
Zijn vader is een ellendeling, de vriend van zijn vader een waardeloos figuur, jongens in de buurt pesten hem, jagen hem op. Je hoopt steeds dat David iemand vindt die aardig voor hem is, zo simpel is de emotionele lading van dit boek. De verwachting en de hoop die Henry Roth bij de lezer dumpt komt neer op mededogen. Een klein menselijk omzien naar deze jongen. Het is een harde manier van schrijven en een verhaal vertellen: zo’n ventje allerlei ellende mee laten maken zodat de lezer op dat spoor gezet wordt.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, ‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’

Alsnog was ik op het Boekenbal, om mensen handen te geven en te zoenen en te spreken en mee te dansen (ik zit nu in provinciale quarantaine, op advies van de overheid), en als illustratiemateriaal bij Gilles van der Loo‘s blog bij Tirade. Dank daarvoor aan onze uitgeverij! Natuurlijk zette het gesprek zich voort over het Boekenweekessay, en op het nippertje liep ik Arie Storm tegen het lijf, die vond dat ik vier dingen veel explicieter en zwaarder had moeten zeggen, en zijn laatste punt heeft duurzame waarde voor elk Boekenweekessay: maar het ís helemaal geen essay!

Nu is die genreaanduiding swoieso sterk gedevalueerd (Sjoerd de Jong merkte afgelopen weekend op dat het ‘zo langzamerhand een parapluterm voor alle stukken waarin de pen wat losjes wordt gevoerd’ is), maar ik denk dat Arie en ik het wel eens zouden worden over dat een persoonlijk perspectief, een onderzoekende geest (en blijk van onderzoek) en twijfel als basis horen bij het essay. Rancune, een oppervlakkige overtuiging en belediging zijn dan een wat beperkte invulling.

Je zou, in lijn met Gerwin van der Werfs pleidooi voor betere, bijzonderder Boekenweekgeschenken met meer experiment – ‘Sta toe dat het mislukt (dat doet het nu ook, vaak zelfs) -, hopen op échte essayisten, die hebben we toch nog wel, de Hanlo Essayprijs kan elk tweede jaar weer een mooie shortlist samenstellen, en we hebben waardige P.C. Hooftprijswinnaars in dat genre.

Maar ik vrees dat dit een stap te ver is: de Boekenweek is voor elk boek en elke lezer (en niet-lezer), en de wendbaarheid op tv van iemand als Akyol lijkt voor het bereik onontbeerlijk. Daarom stel ik voor dat De Revisor volgend jaar het thema volgt en opdracht geeft tot twee of drie essays. Dit speciale themanummer – ik hoop op ‘Mijn beste vriend. Boeken over honden’ of ‘Kedengedeng. Literatuur en seks’, maar democratie, Scandinavië en de Noordzee mogen ook – vullen we verder met vertaalde literatuur en de tien grootste ongepubliceerde talenten van de Nederlandse literatuur. We laten het nummer de dag voor de Boekenweek verschijnen en maken het € 15,-, je krijgt het bij aankoop het Boekenweekgeschenk, en de redactie verzorgt in het voorprogramma van het Boekenbal een mimevoorstelling.

(Noot aan de redactie: niet alles in bovenstaande alinea is een grap.)

Nu is de Boekenweek bijna klaar, en dan komt het volgende hoogtepunt: ons nieuwe nummer! ‘De oversteek‘ is ‘een nummer over water en land, eiland en overkant, beweging en isolatie, standpunt en migratie’, met Jeroen van Kan, Mathijs Deen, A.L. Snijders, Jan van Mersbergen, Emily Kocken, Marjolijn van Heemstra, Cynan Jones, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Roberta Petzoldt, Iduna Paalman, Ocean Vuong, Bart Koubaa en Erik Lindner. Mooie line-up, vind ik, maar zoals bij elk nummer kwam op het laatste moment iets langs wat zó goed had gepast… Vorig nummer, ‘Huid’, was dat Naomi Rebekka Boekwijts verhaal ‘Psychiatrische dagen‘, dat we toen online hebben gepubliceerd.

Nu is het een essay van Teju Cole. Teju Cole is een van mijn favoriete schrijvers, een stilist, een sombere romancier, met oog voor schoonheid en onrecht – ik heb zijn Open stad als een van de vijf beste romans van de afgelopen twee decennia genoemd. Dit stuk, een bewerking van een ‘keynote address’ bij het Haus der Kulturen der Welt, Berlijn, 18 juni 2019, trekt vertaling in ons thema: ‘The translator, then, is the ferry operator, carrying meaning from words on that shore to words on this shore.’

Jona Hoek (voor Cynan Jones) en Astrid Staartjes (voor Ocean Vuong) deden dat natuurlijk ook al impliciet, maar Cole wijst op de inventiviteit van vertalers. Het persoonlijke perspectief: zijn Italiaanse vertaalster heeft een woord verzonnen, ‘nerità’, om de volle betekenis van ‘blackness’ recht te doen in zijn essay, zijn Duitse worstelde met een eerste zin van Open City. Ik vind dat geweldige verhalen, ik verzamel ze niet voor niets op Athenaeum.nl, ze wijzen je op de beweeglijkheid en starheid tegelijk van taal, en Cole doet nog meer. Hij stapt over naar veermannen en -vrouwen in een concretere zin van het woord: de reddingswerkers in de Middellandse Zee en aan de Mexicaanse grens. (Het is bemoedigend dat de aanklacht tegen Scott Warren, vanwege zijn hulp aan de Amerikaanse grens, is ingetrokken – dat haalde deze publicatie niet.) En dan stelt hij een verrassende vraag:

‘Can we draw a link between the intricate and often modest work of writers and translators, and the bold and costly actions of people like Pia Klemp and Scott Warren? Is the work of literature connected to the risks some people undertake to save others? I believe so—because acts of language can themselves be acts of courage, just as both literature and activism alert us to the arbitrary and essentially conventional nature of borders.’

Een voorbeeld is een Turkse filmmaker en hoogleraar die protesteerde tegen het geweld tegen de Koerden, en nu door de overheid aangeklaagd is. Hier gaat een intellectueel standpunt over in een levensbedreigende, of althans een-leven-in-vrijheid-bedreigende situatie. En: ‘My friend finds herself in great danger for her stand, and so now it is her turn to be ferried to greater safety, because she did the right thing, and we must, too.’

‘What we can go to literature for is both larger and smaller than any cliché about how it makes us more empathetic.’ Nee: ‘Literature does not stop the persecution of humans or the prosecution of humanitarians. It does not stop bombs.’ Maar: ‘I offer this: literature can save a life. Just one life at a time.’

Is dat zo? Coles intentie is zuiver (maar ja, dat beweerde Akyol ook, nadat hij alle kleine kinderen van het literaire schoolplein had weggepest), dat is evident, en intentie en de langere-termijngevolgen zijn denk ik ook wat de oversteek mogelijk maakt tussen het schrijven en vertalen op je thuiswerkplek en het levensgevaarlijke werk bij de grenzen. ‘Contrary to the general noise of the culture around us, writing has reminded me in some modest but essential way of things that people don’t want to be reminded of. Inside this modest thing called literature, I have found reminders to myself to negate frontiers and carry others across, and reminders of others who carry me, too.’

We hebben mensen nodig om ons te redden, te dragen, en mensen om ons eraan te herinneren dat er mensen gered moeten worden – dit essay is zo’n herinnering.

‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’ verscheen bij The New York Review of Books.

Özcan Akyol, Arnon Grunberg: de redactie las, solo ditmaal, het Boekenweekessay dat ondanks mooie idealen pesterig leest, en een roman die ergens over gáát maar de conflicten iets te gekunsteld opzoekt.

*

Daan Stoffelsen: Özcan Akyol, Generaal zonder leger, en Arnon Grunberg, Bezette gebieden

Vanaf morgen Boekenweek! Vandaag dus de nieuwe Arnon Grunberg, en vooruit, vast het Boekenweekessay. Dat deed wat stof opwaaien, en dat begrijp ik, want Özcan Akyol zegt zinnige dingen: het boekenvak, de literatuur, schrijvers en lezers zouden beter af zijn met een bredere blik. Minder gericht zijn op hoge literatuur en academische analyse. Minder zeuren over bestseller-verhalenvertellers, minder elitair, minder incestueus, minder conservatief. Bevlogen schrijvers voor de klas. Mediatraining? Meer engagement! Akyol denkt dwars, rebelleert.

Het thema is ‘Rebellen en dwarsdenkers’, en het valt op dat niet alleen de essayist, maar ook de Boekenweekgeschenkauteur lijken aan te haken bij dat thema. Alleen is de toonzetting heel anders: Annejet van der Zijl schreef een warme liefdesgeschiedenis over een stel dat elkaar vindt in hardcore slavernijgebied en het ontvlucht. Zij, een geboren slavin, hij een Nederlandse burgemeesterszoon en internationale zakenman. Ze worden gelukkig in de onderduik. Hun verhaal is een voetnoot bij de slavernijgeschiedenis van Charlottesville, en die naam zou een alternatieve titel voor Leon en Juliette kunnen zijn, zo belangrijk is dit steeds sterker radicaliserende decor voor het persoonlijke verhaal, zoveel ook weet Van der Zijl erover te vertellen. Maar ze maakt die voetnoot menselijk, waardig, een verrassend verhaal.

Akyol verrast niet: al decennia zijn er mensen binnen de elite die vooruitstrevender zijn dan de rest, zoals Baudet en Wilders tegen de politieke elite strijden. De elite is avantgarde. En hoewel zijn punten dus zinnig zijn – als mijn samenvatting inderdaad Akyols boodschap is, schaar ik me achter deze generaal -, zijn ze niet nieuw. Maar hoe stellig Akyol in Generaal zonder leger (een mooi beeld! ‘Schrijvers zonder lezers. Desondanks blijven ze met veel aplomb anderen uitleggen hoe het allemaal moet.’) ook is, hij roept nog vragen op. Het essayistische, de twijfel is aan de lezer: is Akyol zelf nu een lezer of een niet-lezer, wanneer komt Akyols eigen grote geëngageerde roman, heeft iedere schrijver wel Akyols talenten als literair ambasseur op tv en voor de klas? Maar vooral, een vraag die me het meest dwars zit:

Valt Akyol de juiste mensen aan? Bestaat ‘het boekenvak’, incestueus en conservatief als hij het noemt, uit boekhandelaren uit de provincie, oude en jonge schrijvers die niet van hun werk kunnen leven, juryleden, een klein links tijdschrift, een professor uit Groningen? Zijn zij representatief? Heerst daar echt het dédain dat hij beschrijft? Gaat hij ze vanavond treffen op het Boekenbal, tussen de concerndirecteuren, boekenchefs van grote kranten, bestsellerauteurs, Prometheus-collega’s en mediamensen? Waarom maakt Akyol hen zo belangrijk, waarom schopt hij naar beneden?

(Voor ‘hen’ mag je ook ‘ons’ lezen, ik woon ook in de provincie en oordeel over literatuur.)
(Oh, en ik vroeg me ook nog af wie buiten de grachtengordel, buiten het boekenvak deze kwestie interessant vindt, maar de vraagstelling moet dus eigenlijk omgekeerd zijn: wie buiten de provincie? Behalve De Groene Amsterdammer zit geen van Akyols zondebokken aan de gracht.)

Kijk, het is lullig dat hij bekritiseerd wordt omdat hij een mediapersoonlijkheid is, en ook lullig voor Lucinda Riley, maar hoe zuiver zijn intenties ook zijn, door de manier waarop hij zijn idealen uitdraagt, wordt hij een Greta Thunberg die Trump-tweets verstuurt. Een draai aan het thema: ‘Pestkoppen en plaaggeesten’.

(De vrijdag voor de Boekenweek is te laat om echt iets nieuws te zeggen, maar ik las met instemming Jamal Ouariachi’s stuk in NRC, de systeemkritische reacties van jonge schrijvers in de Volkskrant, en reacties van Joost Baars en Jan-Willem Anker op Twitter.)

*

Voordat ik boos werd over het Boekenweekpamflet, wilde ik het dus over Arnon Grunberg hebben, een schrijver die plagen in zijn poëtica heeft staan, maar minder op de man. Hij zet de menselijke waanzin nét iets aan, draait het conflict op, gooit er paradoxen in waarbij je stil moet blijven staan. Bezette gebieden is een bizarre achtbaan van Amsterdam via Zeeland en retour hoofdstad naar een illegale nederzetting op de Westelijke Jordaanoever naar Jeruzalem, van grensoverschrijdend professioneel gedrag tot doodswens van vader, literaire toeëigening van andermans verhalen, de mediadynamiek rond vermeende schandalen, politieke discussie over de bezette gebieden, antisemitisme en erotiek, religie, tot dat alles en de liefde.

Als mijn samenvatting enigszins klopt, dan is het een wonder dat dit boek leesbaar is. En dat is het – zelfs als je, zoals ik, niet goed bent in ironisch lezen. Ik ben geen fan van Grunbergs oeuvre, en daarin werd ik óók bevestigd, maar het werkt, en dat is interessant.

Hoofdpersoon Kadoke (bekend van Moedervlekken), psychiater, wordt uit zijn ambt gezet na een beschuldiging van werken buiten de protocollen (dat kan hij uitleggen) en seksueel misbruik (dat betwist hij). Tegelijk wordt die beschuldiging verwerkt in een roman van de nieuwe geliefde van zijn vermeende slachtoffer, en belandt hij in een trial-by-media, inclusief stuntelig tv-optreden, meningen en opiniestukken van mensen die het boek niet hebben gelezen en zelfs een eenpersoonsdemonstratie bij de uitreiking van de literaire prijs waar de roman voor genomineerd is.

(Ik las Bezette gebieden parallel aan Thomas Heerma van Voss’ boek, die een soortgelijke dynamiek beschrijft, maar dan rond autobiografisch schrijven, en wat levensechter. En natuurlijk moest ik bij het lezen van Akyols boek hieraan denken, dat is eigenlijk zo’n opiniestuk van iemand die zijn slachtoffer niet leest of zich in hem verdiept, ditmaal voorafgaand aan het tv-optreden.)

Kadoke wordt een paria. Hij valt. ‘Het vallen maakt hem duizelig, vaag kan hij zich een gevoel van duizeligheid herinneren als hij aan zijn eerste verliefdheid denkt. Alsof de maatschappelijke val en de verliefdheid iets gemeen hebben, de sensatie van vrijheid.’ (Bizarre associatie, maar toch ga je denken: zit er iets in?) Dan dient zich een ver familielid aan uit Israël, die rabiate dingen zegt over de Joodse zaak, en met wie Kadoke opeens seks heeft. Wordt hij verliefd op haar?

‘Maar Kadoke heeft even geen oog voor vader, hij is een verliefde ezel, verliefd op zijn eigen projecties, maar was het ooit anders? Anat heeft alweer teruggeschreven: “Je bent onuitstaanbaar, Kadoke, je vertoont alle onuitstaanbare trekken van een zelfhatende geassimileerde Jood, maar ik zal ophouden met die hoofdletters, belangrijk is namelijk dat je hierheen komt. De rest doet er niet toe. Al zou ik het op prijs stellen dat je de Eeuwige met hoofdletters schrijft of het gewoon over Hasjem hebt, De Naam. Wij weten wat wij bedoelen als wij ‘De Naam’ schrijven.”’

Allemachtig. Maar Kadoke gaat, met zijn vader die het liefste dood wil, naar deze verre achternicht Anat toe. Hij wordt onthaald als een verlosser, iemand die haar eindelijk kinderen kan bezorgen, er is een huwelijk, er is bizarre seks, er komen geen kinderen maar wel een affaire. Telkens accepteert Kadoke de situatie snel – al kan hij de viesheid bij zijn schoonfamilie moeilijk niet zien – en schijnbaar zonder overgang is er weer een nieuw conflict, en hoewel het in zekere zin rond is op de laatste pagina, had weer een nieuwe confrontatie me niet verrast.

Want dat is het interessante: telkens roept Grunberg tegenstellingen op. Zo is Kadoke een tegenstander van de Israëlische annexatie, maar hij woont tussen de kolonisten, Anat wil een Joodse man, maar kickt op de Holocaust, en ze streeft naar een liefdeloos huwelijk.

‘Met haar hand, haar zachte hand, in de zijne blijft hij zitten, luisterend naar het gesnurk van vader en eindelijk zegt hij: “Anat, laat me meer zijn in jouw leven dan een dekhengst. Ik verlang naar jouw liefde en je zult me nu vast weer ervan beschuldigen dat ik te lang onder de christenen heb geleefd, en ik begrijp jouw bezwaren tegen de liefde, voor zover het doordachte, weloverwogen bezwaren zijn, voor zover ze meer zijn dan intuïtieve afkeer, maar ik verlang naar je begeerte, dat is wat ik bedoel, ik verlang naar iets wat jij me misschien niet kunt geven, maar is dat niet de kern van de liefde, of je dat nu liefdeloosheid noemt of niet, dat je altijd verlangt naar iets wat de ander niet te geven heeft?
[…]
Ik weet waar ik ben, in een religieuze nederzetting, en toch vraag ik het je, want alles wat verboden is gebeurt, ik vraag het je omdat ik mezelf zou vervloeken als ik het niet zou vragen: begeer mij, dan zal ik jou begeren. Wat kunnen we elkaar anders geven? Behalve de liefdeloosheid, laat het de tederste liefdeloosheid zijn die mensen zich kunnen voorstellen.” Anat ondersteunt haar hoofd met haar vrije hand en zegt: “Woorden, woorden, woorden, wat een woorden. Heb je ook zoveel gesproken met je patiënten? Geen wonder dat je geen psychiater meer mag zijn.”’

Kadoke tekent zelf voor de tegenstellingen, Anat gaat er hard tegenin, en vervolgens hebben ze seks. Je probeert zijn gedachten te volgen: ‘Hij hoopte op liefde, hij kreeg een huwelijk, dat overkomt wel meer mensen. Het is niet zozeer spijt die hem overvalt als wel toch twijfel: kan liefde echt een noodsprong zijn? Of blijft de noodsprong altijd door de liefde heen kieren?’ En niet zelden denk je: eh, nee, maar het tempo is hoog, en ik heb regelmatig gelachen. En dan kan Grunberg ook nog teder zijn – vooral in het laatste deel van de roman.

Toch ben ik nog geen fan. Ja, het is spannend wat Grunberg doet, de slagvelden in zijn boeken doen ertoe, het gaat over liefde en dood, over overgave en de dingen waarvoor je vecht, en het decor is niet alleen maatschappelijk relevant, het kiert overal doorheen. Het gáát ergens over. Grunberg is geëngageerd – iets wat Özcan Akyol vast fantastisch vindt – en niet per se partijdig, en bovendien: zijn engagement strekt zich uit van het kwaad tot de liefde, en van het intiemste tot het grootste. Plus: Grunbergs gegoochel met abstracties geeft een begrip als liefde een veel grotere reikwijdte. Maar de seksscènes, toch een aspect van liefde zou je zeggen, zijn plat en kil, en de roman als geheel is zichtbaar geconstrueerd, je ziet de poppenspeler aan de touwtjes trekken, nergens vergeet je dat dit spel is. Beslissingen lijken lukraak, verliefdheden zijn plotseling, de confrontatie is gezocht, en de aforismen of sofismen van Kadoke zijn niet zelden precies wat sofismen zijn: leeg taalspel.

Moeten we dit aan Özcan Akyol aanraden voor ná Lucinda Riley’s zesde, Zon? Liever misschien onze eindejaarsfavorieten – je krijgt er bij de boekhandel een mooi geschenk bij.

Generaal zonder leger is een uitgave van de CPNB, Bezette gebieden van Lebowski. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Grunberg heeft in de Boekenweek een bescheiden tournee, waarbij hij ook Athenaeum aandoet.

Thomas Heerma van Voss en het korte verhaal: de redactie las een geslaagde roman over de menselijke conditie en de discussie over een ondergewaardeerd mooi genre.

*

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Condities

‘“De arts is net weggeroepen voor een spoedje, voorlopig moet je het met mij doen. Ik heb begrepen dat je erge buikpijn hebt. Ellendig. Wat voel je nu?”
“Zwakte,” fluister ik. “En gêne.”’

Het is in de slotfase van Condities, de nieuwe roman van Thomas Heerma van Voss – onze collega hier, maar om enige afstand te creëren noem ik hem Heerma van Voss, zijn personage heet Vincent Pek, die noemen we Vincent, en Vincent Peks personage heet Gregor -, het is in de slotfase dus dat Vincent zijn bepalende conditie kernachtig samenvat. Erge buikpijn, dat is het feit, maar het gevoel is er een van zwakte en gêne. Je zou zeggen dat je die pijn ook voelt, maar dat is een minder subjectieve ervaring, en in het geval van Vincent Pek kun je het beter een toestand noemen, een zeurende achtergrondsituatie. Vincent lijdt aan de Ziekte van Crohn, een chronische darmziekte waarmee goed te leven valt maar die in extreme varianten of fases alles lam kan leggen – behalve je stoelgang.

De menselijke conditie is, in het geval van Vincent Pek en zijn personage, dat hij veel van hemzelf meegeeft, die van de patiënt: leven met een lichaam dat niet functioneert. Het helpt Vincent dat hij schrijver is, zijn werkplek thuis heeft privacy en een toilet nabij, maar zelfs voor zijn vriendin probeert hij zoveel mogelijk te verbergen. Seks is geen vanzelfsprekendheid. Sport evenmin. En dan lukt het ook nog niet met zijn nieuwe boek.

Dat Vincent Pek schrijver is – het element dat Haro Kraak er voor de Volkskrant uitpikte en dat Lucas Zandberg zonder blijk te geven iets gelezen te hebben in een opiniestuk in dezelfde krant ‘creatiefloos’ noemde -, is volgens mij dan weer minder essentieel voor deze roman. Maar het drijft wel het verhaal: Vincent besluit, op aanmoediging van zijn uitgever, een autobiografisch verhaal rond Gregor uit te bouwen tot een roman. Maar wat vertel je? Dik je aan, laat je dingen weg, voeg je dingen toe? Alles mag in de literatuur, maar dit is de voorwaarde: als er maar iets van jezelf in je roman zit, dan wordt je op alles aangesproken alsof het jouw leven is – of dat van anderen. In een tv-interview zeker:

‘“En voelt het dan niet gek om dat donorschap, de praktijk op die afdeling, te verwerken naast de ziekte die je door en door kent? Eigen je je dan niet iets toe waar je niets van weet en wat voor sommige mensen juist héél belangrijk is, net zoals die Crohn voor jou?”
Ik eigen me niks toe, zou ik eerlijk kunnen antwoorden. Maar heeft ze recht op die waarheid? Ik gun het haar niet. En daarmee zou ik het mezelf alleen maar moeilijker maken, een tv-studio is de slechtst denkbare plaats voor zo’n ontboezeming. “Tja, ik heb natuurlijk research gedaan.” Een waardeloze zin. Onvaste stem, zoekende toon.’

Die paradox van de mediacultuur – of eigenlijk de hele complexe tegenstelling tussen wat eigen is, wat privé, en wat publiek mag of moet zijn – licht Heerma van Voss pijnlijk scherp toe (levensechter dan Grunberg overigens, die een vergelijkbare dynamiek beschrijft in Bezette gebieden). Natuurlijk volgen er opiniestukken van mensen met een mening die geen boeken lezen, natuurlijk lezen ook dierbaren mee – Vincents boek legt een vergrootglas op wat hij verborgen wilde houden. En juist dan speelt zijn ziekte op.

Dat is meer plot dan ik wilde weggeven, maar die plot illustreert wel het punt dat ik wil maken: Condities gaat over een mens, een patiënt, een schrijver, in die volgorde, en verbindt lichamelijkheid, eenzaamheid, zwakte en gêne. Zo’n psychosomatisch samenspel van thema’s zie ik amper (Hanna Bervoets’ roman is een positieve uitzondering), en juist doordat deze ziekte niet extreem of dodelijk is, dringt de conclusie zich op dat dit niet iets particuliers is, iets van (Crohn-)patiënten. Dit gaat over ons allemaal.

Maar daarnaast is Condities ook gewoon een geslaagde roman. Natuurlijke dialogen, sterke scènes, en een vanzelfsprekendheid in de relaties tussen Vincent en zijn vriendin, ouders, schoonouders. Staat zijn persoonlijkheid echte verbinding in de weg, zijn werk, of zijn ziekte? En dan die technische ingreep: Heerma van Voss neemt in de eerste driekwart van de roman de ruimte, uitgebreid terugblikt op een eerdere relatie en op zijn ziekteverloop. Daar is alles normaal, leefbaar, bijna vlak, hoewel het wel onderhoudend en interessant is, en zelfs even extatisch als een medicijn aanslaat. Daar hanteert Heerma van Voss ook een derde persoonsperspectief. Afstand.
Iets na pagina driehonderd gaat hij over op een ‘ik’, in deel 2, ‘De verlossing’, en wordt alles scherper. De pijn, de betrokkenheid bij de hoofdpersoon, de conflicten die sluimerden: mokerslagen volgen elkaar dan op. Nabijheid.

Je kunt je afvragen, zoals Vincents uitgever ook doet bij De diagnose, of die eerste persoon niet de hele roman lang had kunnen mokeren – maar wellicht had je dan een Grunbergachtig boek gehad, immer intens – en waren de pijn, zwakte en gêne niet zo invoelbaar geweest.

Das Mag geeft Condities uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Zondag 15 maart wordt Heerma van Voss geïnterviewd bij het Martyrium, de enige boekhandel die in de roman voorkomt.

Jan van Mersbergen: het korte verhaal

De week van het korte verhaal is alweer voorbij. Het kreeg bij DWDD en in de geschreven media een beetje aandacht. Ieder jaar moet het korte verhaal opgekrikt worden in aanzien. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, dat de week van het korte verhaal precies in de week voor Carnaval gehouden wordt zegt genoeg. Dan zijn erg veel mensen met de voorbereidingen op dit immense religieuze openluchtfeest bezig en heeft niemand tijd om te lezen, ook niet het korte werk. Maar Carnaval is weer voorbij, tijd om een beetje bij te lezen, de treinreis terug duurt twee uur.

In de Volkskrant, de krant die recensies steeds korter maakt, schreven Annelies Verbeke en Mohammed Benzakour een betoog waarin herhaaldelijk het belang van het korte verhaal aan bod kwam.
In Nederland wordt raar naar het korte verhaal gekeken, daar begint het stuk mee. Wie er raar kijkt buiten Carnaval om, is onduidelijk. Verderop beweren kwade tongen dat ‘korte verhalen als vingeroefeningen, opstapjes naar het ware werk: de roman. Wat een onnozelheid.’ Wie dat beweert wordt niet benoemd. In Japan is het korte verhaal groter dan de roman, in Amerika ook, hier verschijnen amper bundels en de korte verhalenprijs waarvan ik de naam niet eens wil noemen werd niet uitgereikt.
Zorgelijke vragen, onduidelijke antwoorden; het slaat allemaal de plank mis. Roepen dat het korte verhaal belang heeft zonder te laten zien wat de kracht van een kort verhaal heeft geen zin, het benadrukt alleen maar dat het korte verhaal niks voorstelt. Zoals met die prijs, het signaal dat nu gegeven wordt is: de meeste verhalen zijn niet te pruimen.
Laatst bij een literaire avond werd de gast van de volgende editie tot twee maal toe aangekondigd als ‘onderschatte schrijver’. Daar komt die schrijver op deze manier dus nooit vanaf.
Een zinnetje in het betoog van Verbeke en Benzakour gaf aan wat het probleem van korte verhalen is:

‘Verhalenbundels verwachten van de lezer dat deze telkens weer onvoorbereid plaatsneemt in de huid van een nieuw personage, openstaat voor een narratief of stijlexperiment en op zoek gaat naar een doortimmerde eenheid in de ogenschijnlijke fragmentatie. Met die manier van lezen zijn blijkbaar weinigen vertrouwd. Een situatie van onbekend maakt onbemind? Of hebben auteurs hier zelf schuld aan?’

Dat eerste klopt precies. Onvoorbereid gaan lezen, steeds nieuwe personages die je niet kent, snippers. Korte verhalen lezen is vermoeiend. Schrijvers hebben daar geen schuld aan, lezers hebben daar geen zin in. Lezers willen langere tijd meeleven met een personage. Een roman van bijna vierhonderd bladzijden verzekert je geen kwaliteit, maar biedt wel het vooruitzicht dat je met dit verhaal en deze personages een weekje onder de pannen bent en niet steeds opnieuw hoeft te beginnen.
Waarom stelt niemand in de week van het korte verhaal de vraag: Hoeveel verhalen kun je lezen in een week?
Je zou zeggen: Een stuk of twintig, drie per dag, dat moet zeker lukken. Maar dat lukt dus niet.
En dat is tevens het sterke punt van een kort verhaal: een goed kort verhaal voelt alsof je een complete roman gelezen hebt. Na een goed kort verhaal moet je even uitrusten. Even juist niks meer lezen. Belangrijke eigenschap van het genre, dat in deze promotionele week vergeten wordt, want het zegt lezers: doe maar niet.

*

Mooi genre hoor, ook in Amerika gewaardeerd en op waarde geschat, maar je moet er wel bij vertellen wat het doet.
In de Volkskrant proberen Verbeke en Benzakour het:

‘Een goed kort verhaal is een vak apart. Het omvat de puurste vorm van vertelkunst. Elke zin vereist perfectie en efficiëntie. Hakmes en slijpsteen dienen, in alle bloemrijkheid, streng gehanteerd. Elke zin wordt minutieus afgewogen, vaak minutieuzer dan bij romans, om de simpele reden dat bij een geringe lengte onvolkomenheden sterker opvallen. De plot moet, zoals James Joyce al opmerkte, in een kort tijdsbestek vloeien naar een epifanie.’

Dat effect is heftig door de afwisseling, dat effect is veelvormig door de variatie. Een kleine wereld die opeens volledig en enorm is, en dan weer verdwenen. daar moet de lezer het mee doen.
Avond aan avond aardappelen, vlees en groente, dat is een roman. Een passage wat appelmoes erbij, maar verderop weer terug naar de basis. Een kort verhaal is een bijzonder gerecht, zoals bijvoorbeeld de inktvis die ik maanden terug in Kiev at. Daarna heb ik geen inktvis meer gegeten.

*

Ik hou van het korte verhaal, maar dwepen met het genre hoeft niet. Dat werkt eerder averechts.
Er zijn tijdschriften [waaronder dit tijdschrift, Tirade, De Gids, Hollands Maandblad, Terras – red.] die bijzonder sterke verhalen publiceren. Die tijdschriften hebben amper lezers, maar in de week van het korte verhaal hoor je bij DWDD, waar een uitgever aan mocht schuiven die af en toe nog een verhalenbundel publiceert, niemand over de plaatsen waar verhalen te lezen zijn, en in het artikel in de Volkskrant, door twee schrijvers, ook niet. De betogen zijn preken voor eigen parochie, zeker als er uit de tv-stal ook nog een bekende opgetrommeld worden om een verhaal van Herman Pieter de Boer voor te lezen.
Aardig verhaaltje, maar wel erg kort, met een minieme spanningsboog, wat ouderwets geformuleerd, en vooral expliciet anekdotisch; een vrouw komt verschikt uit de keuken, brokken roet ploffen omlaag, iemand roept gesmoord of schreeuwt, een emmer water wordt leeg gesmeten. De essentie van het korte verhaal waaraan maanden aan gewerkt en geschaafd is tonen aan de hand van een enkele pagina die in een uurtje toch echt wel op papier staat. Exemplarisch voor DWDD. Het is hetzelfde als aandacht vragen voor werkelijk bijzondere liedcultuur en een oudje van Herman van Veen laten horen:

Spetter, pieter, pater
Lekker in het water
Ga maar vast naar huis
Ik kom een druppel later

Juichen om een genre, maar alleen een behapbaar lollig stukje laten horen, waarschijnlijk uit angst voor het effect van een echt goed verhaal op tv.
Na een echt goed verhaal moet de tv een tijdje uit op om adem te kunnen komen. Even niks.
Leuk verhaaltje voor je gaat slapen? Na een goed kort verhaal kun je helemaal niet slapen.
Niemand bekommert trouwens zich om de lezers, behalve dat die wat verwijten krijgen: in andere landen kopen lezers dit wel! Dat de leescultuur daar totaal anders is wordt voor het gemak vergeten. Het blijft een intellectueel verwijt aan lezers, en eigenlijk ook aan schrijvers, uitgevers, literaire prijzen: niemand ziet ons staan.
Nogmaals: dit gaat van Calimero geen vette kip maken.

*

Verhalen moeten geschreven maar ook gepubliceerd worden. De uitgeverij waar mijn romans verschijnen geeft amper verhalenbundels uit. Dat is de markt. Als je een betoog houdt over een kleine niche in die markt, laat dat zien wat daar voor moois in ronddobbert. Geef de mensen de kans ze te lezen maar niet zonder waarschuwing: dit is top, maar het is vermoeiend. Dit zijn geen snacks. Soms moet je even kauwen.
Show, don’t tell, met een klein voorbehoud.
Bij de vertellersavonden in café Helmers laten Gilles van der Loo en ik iedere editie vijf gasten een verhaal voorlezen dat ze echt goed vinden zonder dat er zes herhaald wordt dat het goed is, of geweldig, of zo mooi, zo mooi. Soms zegt wel iemand dat het verhaal mooi is, meestal na afloop van een verhaal, soms alleen door een korte hoofdknik.
De opzet is: we laten zien hoe een goed verhaal een minuut of zeven een kroeg stil krijgt. Dat gebeurt, terwijl de bar gewoon open is. Tot achterin café Helmers hangt een concentratie en de oorzaak is een verhaal en het spel tussen schrijver en lezers, of toehoorders. Op zo’n moment voelt iedere aanwezige hoe bijzonder een verhaal kan zijn.

Nicolien Mizee, Anneleen van Offel: de redactie las deze week de lichte, scherpe faxen van een vakvrouw en een erg sterk debuut.

*

Jan van Mersbergen: Anneleen van Offel, Hier is alles veilig

Ik voorspel dat in veel recensies over van Hier is alles veilig, van de Vlaamse Anneleen van Offel, terug zal komen: ‘Schitterend van taal.’
Dat klopt en is heel mooi, maar tegelijk is het een leeg oordeel dat niet meer zegt over het proza dan: het is mooi. Mooi van taal. Dat is een kwalificatie, maar evengoed kan een ander zeggen: ‘Dit is niet mooi van taal.’
In recensies, die tegenwoordig vaak maar 300 woorden beslaan, zal zo’n leeg zinnetje niet misstaan, als aanvulling op deze voorspelling wil ik graag laten zien waarin de schoonheid van dit proza schuilt, wat er gebeurt met de lezer, meteen op de tweede pagina:

‘De schemer verzacht de contouren van het bed, van het roltafeltje ernaast en het boek op het tafelblad. Hij vaagt de vlekken in de vloertegels weg, het stof op de vensterbank, de afbladderende verf op het houten kozijnen, de weerschijn op de ramen. Daarachter zakt Haifa weg in de avond.
Ik neem een foto van hem. De flits gaat per ongeluk af. Uitgelicht ligt hij op het bed. In de kamer hiernaast begint het te stortregenen. Iemand roept iets, het klinkt als in een badkamer, iemand anders antwoordt. Gelach.’

We zijn in een ziekenhuis, en geen florissant ziekenhuis. Precies het ziekenhuis dat ik me voorstel bij een ziekenhuis in Haifa. Bij heel Haifa, dat ligt in Israël. Iedere zin heeft handeling. De zon gaat niet onder, Haifa zakt weg in de avond. Mooie omkering. Bijna zintuiglijk hoe die kamer beschreven wordt. Het woordje ‘ziekenhuis’ staat nergens, maar ik voel: ziekenhuis. Bijzonder. Een gebouw voelen zonder dat te benoemen, alleen details oprakelen. Een roltafeltje met een boek, dat is een ziekenhuis. De geluiden vanuit een andere kamer, misschien in een andere taal, onpersoonlijk, behalve het gelach. Een foto nemen is opeens heel persoonlijk, en dan een flits, per ongeluk.
Er gebeurt veel. Mijn leestempo moet omlaag, want ik moet al deze beelden zien te plaatsen, zien te linken met mijn eigen beelden, van ziekenhuizen die ik helaas maar al te goed ken, maar nu in een land ver weg. Een eng en afstandelijk politiek gekleurd land waar wel veel over bekend is, maar niet hoe de ziekenhuizen daar zijn. Daar zijn ook die roltafeltjes. Net als hier dus. Overal zijn mensen ziek, overal liggen overleden mensen in ziekenhuisbedjes, maar voor hoe lang?
Van Offel schudt de beelden uit haar pen. Achter elkaar, in zinnen die verband hebben, die in elkaar grijpen als stenen in visgraat.
‘In de kamer hiernaast begint het te stortregenen.’ Ik denk: er begint iemand te huilen, maar ik weet niet zeker of dat klopt. Dus ik lees verder op zoek naar de bevestiging van mijn waarheid, en die komt niet. Ik moet het als lezer doen met de beelden die in mijn hoofd allerlei wendingen nemen, vervormen, in de hoop ergens weer bij elkaar te komen.
Dit is niet alleen schitterend van taal, dit is proza dat erg beeldend is, spannend, weinig duiding geeft en toch je zin na zin voortstuwt het verhaal door, want er is ook een locatie en af en toe handeling, net voldoende, dus die beelden komen uiteindelijk wel ergens binnen, in mijn hoofd.
Meteen na deze passage een witregel, en dan een zin waarin het licht niet aangaat, maar ‘De tl-lampen schieten bliksemend aan.’
Wat mooi, het aanflikkeren van een tl-buis als de bliksem. Ik knik. Ja.
En dan een verpleegster, het verhaal wordt weer persoonlijk.
Zo lees ik Hier is alles veilig. Iedere zin brengt me verder Israël in, dichterbij deze vrouw, Lydia, want haar volgen we op deze trip door het beloofde land: Israël.
Dat is meteen een moeilijk deel van deze roman: de locatie en het immense probleem dat daaraan kleeft.
Jeroen Olyslaegers stelt in een quote op de cover al dat Van Offel ‘met haar zinnen en gedachten door de complexiteit van een conflict snijdt en toont zo wat het betekent om alsnog een mens te blijven’.
Ik weet niet of dit een verwijzing is naar Is dit een mens, van Primo Levi. Ik weet wel dat ik veel weerstand heb tegen dit land, het conflict, beide partijen, de onoplosbaarheid ervan. Wat gaat een roman daaraan toevoegen, of veranderen? Dat laatste zal nooit het doel of streven van een roman zijn, het eerste is gezien de keuze voor deze locatie wel de bedoeling. ‘Van Offel sprak tientallen Israëli’s, soldaten en hun families,’ meldt de achterflap. Waarom zou je dat doen? Sprak ze ook Palestijnen? Waarom zou je al die mensen eigenlijk gaan spreken?
Dat is mijn persoonlijke weerstand. Ik sta zo ver buiten dit conflict dat ieder woord erover me vreemd aandoet. Dus als Van Offel al in het eerste hoofdstukje, dat zo mooi van taal begint, schrijft over de Gazastrook en de woestijn en Hebron, dan blader ik gauw door de zinnen heen op zoek naar de hoofdpersoon die mij misschien enig houvast in dit dorre gebied kan geven. En dan bedoel ik dor in de zin van: zo ver weg dat ik er geen enkele voorstelling bij heb. Ik ga op zoek naar het roltafeltje.
Dat komt snel, een vriendschapsverzoek via facebook van de moeder aan haar overleden zoon na zijn dood, en dat verzoek wordt geaccepteerd. Op zo’n moment vergeet ik Israël en wordt het verhaal universeel menselijk, zoals facebook universeel is en de gebruikers tot elkaar komen, soms zelfs nu de dood.
Wat er, zoals gezegd, daarna gebeurt: de vertelster gaat op pad om het verhaal van haar zoon Immanuel te zoeken, maar ze verschuilt zich soms achter de vreemde gebeurtenissen, personages en locatie van de vertelling.
Ze zegt niet: ‘Ik zocht zijn vriendin op.’
Een vriendin die zij als moeder niet eens kende, dus de vreemde ontmoeting spreekt voor zich. Lydia begint vanuit het niets aan het begin van een hoofdstuk ene Ofra te beschrijven. De woonkamer van Ofra, het licht in die kamer. Foto’s. ‘Ofra omringd door schattige Aziatische kinderen. Ofra op een olifant…’
Ik heb geen idee wie Ofra is. Dat bedoel ik met een verteller die zich verstopt.
Waarom vertelt Lydia niet wat ze gaat doen, maar geeft ze achter elkaar beelden, zelfs van mensen die de lezer niet kent? Dat is iets anders dan een ziekenhuis.
Op die momenten botsen schrijfster Van Offel met de vertelster van haar verhaal. Die laatste is ondergeschikt want Lydia praat in de mooie taal van Van Offel. Terwijl de zoektocht een soort dagboek is, beschrijvingen van de mensen die haar zoon kende. Plaatsen waar hij was.
Ook in dialogen heeft deze Lydia de neiging zich te verstoppen als vertelster.

‘IJs op?’
‘Nee hoor, gaat wel.’

Hier is geen verteller aan het woord die mij direct haar verhaal vertelt, dat is Van Offel die in een uitgebeende show, don’t tell laat zien wat Lydia allemaal meemaakt in dat verre vreemde land waar haar zoon omgekomen is.
Het beste is Van Offel op dreef als ze Lydia werkelijk aan het woord laat en haar de tijd geeft voor een beschouwing of analyse, want dat heeft een vertelster die op reis is. Alle tijd om na te denken. Als ze bijvoorbeeld een truc benoemt die haar uit haar lichaam doet stappen, iets wat soms werkte, en daarbij het bewustzijn: ‘Het was maar een trucje en het trucje is uitgewerkt.’ Dat is een mooie analyse. Bewust, vanuit zichzelf, relativerend.
Tijdens het lezen moest ik denken aan de toneelschool. Mijn ex bracht daar een jaartje door. Achttien of negentien jarige meisjes moesten Medea spelen, een vrouw die haar twee kinderen heeft verloren. Dat spelen is voor een meisje van die leeftijd erg moeilijk, want ze delen die ervaring niet.
Nu hoef je niet alles wat je in kunst omzet zelf meegemaakt te hebben, het is wel handig de lading van de gebeurtenis om te kunnen zetten in beelden die bij de toehoorder of lezer aan kunnen komen.
Actrices kunnen geen gebruik maken van de beeldende kracht van woorden waar Anneleen van Offel wel gebruik van maakt. In die zin voelt dit boek dubbel: een debutante die zich opscheept met de enorme lading van dit personage, dat is al gauw hoog gegrepen en tegelijk bewonderenswaardig, want Van Offel verschuilt zich wat dat betreft niet.
Lydia worstelt met de Pools-Joodse achtergrond van haar man, de vader van Immanuel, en met de mensen in Israël. Dat zit in kleine dingen: met Joodse kinderen in een speeltuin kun je maar beter niet spelen, ‘dat hebben ze niet graag’. Die afstand is voelbaar, een afstand die iedereen buiten Israël zal herkennen en voelen. Als Van Offel dat haar vertelster laat benoemen kom ik juist dichter bij die vrouw. Dan begrijp ik haar, en indirect begrijp ik Van Offel.
In een begeleidend mailtje dat ik kreeg over dit boek, van de uitgeverij, stond: ‘Een debuut dat zich afspeelt in Israël en dat níet over haarzelf gaat.’
Die nadruk op ‘níet’ geeft houvast en vertelt me het voornemen van de schrijfster om juist die afstand te gebruiken.
Na een bladzijde of vijftig schrijft Van Offel: ‘En zo verdwijnt hij weer in een leven waar ik niet bij kan.’
Dat is het leed van de vertelster, hoofdpersoon, moeder, maar ook de moeilijkheid van de roman, want de lezer krijgt het gevoel dat de tocht door Israël zinloos is: deze vrouw kan daar nooit dichtbij komen.
Lydia aan het bed bij haar overleden zoon was prachtig, schrijnend en aandoenlijk, als Lydia op onderzoek uit gaat komt er een component bij: de wens van de lezer om haar aan dat bed te houden en vanuit gedachten te vertellen.
De vertelster, en dat is misschien wel het lastigste van de romanopzet, heeft haar zoon verloren en komt om in haar verdriet. Tegelijk vertelt ze. Van Offel laat Lydia verzinken in haar leed, natuurlijk, de vrouw heeft geen andere optie, maar wil de lezer ook daarin verzinken? Ik lees en wil het verdriet voelen. Dat kan aan de hand van de beelden, zoals die in het ziekenhuis in Haifa. Een derde persoonsverteller met meer afstand tot het leed kan die beelden misschien beter oproepen dan de vrouw die het leed zelf draagt.
Dat gevoel bekroop me steeds tijdens het lezen, en ik denk dat Van Offel daar zeker over nagedacht heeft en voor deze vertelster heeft gekozen omdat de derde persoon ook zijn nadelen heeft. In ieder geval miste ik soms die beeldende afstandelijke verteller die onzichtbaar is, in tegenstelling tot de hoofdpersoon nu.
‘Kiezels snerpen onder de poten van zijn tuinstoel.’
Zintuiglijk mooi zinnetje – ik hoor het geluid, dat me evengoed door de schrijfster verteld kan worden. Zo’n zin heeft geen ik-verteller nodig.
Dit zijn allemaal kritische punten die alleen bij me opkomen omdat Hier is alles veilig een erg sterk debuut is maar dat door mijn persoonlijke afstand tot de locatie en sommige vertelkeuzes een negen en een half is, en net geen tien. Vergeleken met de boeken die een krappe voldoende scoren, die met stapels tegelijk verschijnen, heeft dit debuut als het over ambitie, techniek, daadkracht en sfeer gaat een enorme voorsprong.
Dus is het uitkijken naar het vervolg van Van Offels schrijverschap, en dat belooft veel moois.

Lebowski gaf Hier is alles veilig uit. Lees op Athenaeum.nl een fragment.

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Allesverpletterende

Trilogieën, reeksen in het algemeen, zijn lastig: wat valt er te zeggen over deel 3 als je deel 1 en 2 gemist hebt? Nicolien Mizees faxenboeken zijn stilletjes aan me voorbijgegaan, tót ze tot mijn grote genoegen – en verbazing van anderen – de shortlist van de Bookspot Literatuurprijs behaalde. Sindsdien ben ik fan, en het liefst zou ik dit oeuvre nu gaan teruglezen. (Dat gaat niet, twee dozen juryboeken staren me verwijtend aan vanuit een hoek.) Wat een fijne, lichte toon, een scherpe pen en grote inzichten. Een vakvrouw.

Die faxenboeken, die sinds 2017 bij Van Oorschot verschijnen, laten zien hoe ze die vakvrouw is geworden, ze gaan vooraf aan haar romandebuut. Mizee kreeg les in scenarioschrijven van Ger Beukenkamp, en haar ontzag voor de man ontsteeg de normale omgang. Haar scenarioschrijfgod werd de standaard-geadresseerde van haar faxen: haar platonische ‘allesverpletterende’, ‘mijn speelkwartier van het leven’, die zelden antwoordt maar wel degelijk met haar samenwerkt – althans, dat vermoedt de lezer. Die faxen vormen een dagboek, een aaneenschakeling observaties, anekdotes en analyses, dat in dit derde deel Mizees debuut, Voor God en de Sociale Dienst aankondigt.

Mizee heeft scherpe analyses (‘We rotzooien maar wat aan, we denken rationele beslissingen te nemen maar dat is alleen om onze groeiende onzekerheid en paniek te beheersen. Pas later overzien we wat we gedaan hebben. En dan nóg zullen de meningen daarover verschillen.’), geestige inzichten (‘Wat is het toch eigenaardig dat mannen nooit menstrueren! Zoiets als landen die geen seizoenen kennen, je mist de pieken en de dalen.’ Ook op andere vlakken moest ik aan Daan Borrel denken, zij het wat gedoseerder openhartig), en ze komt naar voren als iemand buiten de orde, die begrijpt waarom:

‘Volstrekt onmachtige mensen. Maar ik voelde me er als kind altijd erg bij op m’n gemak.
En nu, op de begrafenis, zag ik ook waarom.
Omdat ik iets herken: die onmacht om aan enigerlei verwachting te voldoen. Nee, ik zou mijn kind net niet ergens achterlaten, maar ik zou de hele dag moeten vechten tegen de gedachte daaraan – die mij dan ook totaal niet vreemd voorkomt. Voor mij is het onbegrijpelijk dat iemand die permanente zorg aan zou kunnen. Ik ben bang voor alle mensen, omdat ze zoveel kunnen.’

Zeer menselijk dit, maar de Nicolien uit deze faxen is consequent menselijk, en kan niet anders dan strijden tegen de maatschappelijke verwachtingen. Maakt dat haar gek? Onaangepast wellicht, en arbeidsongeschikt blijkbaar. Die ongeschiktheid is een achtergrond bij haar verhalen, maar ze kan liefhebben, vriendschappen onderhouden, haar nichtjes bemoederen, haar ouders afweren, oordelen over theater en tv-drama – en schrijven. En dat doet ze heel precies. Ze overdrijft met smaak en mate:

‘Met groot ontzag bezie ik hoe je er telkens opnieuw in slaagt me die kopieën niet te sturen. ’t Is duidelijk: de enige oplossing is bij je aan te bellen, je een kaakslag te verkopen, naar boven te rennen, ze van je bureau te ratsen en dan door het raam te ontsnappen terwijl jij op de achtergrond roept: “Hier komen! Mag niet! Van mij!”
Duizend kussen, zie je morgen, verheug me zeer.’

De overdrijving klopt precies. Groot ontzag, een kaakslag, uitroeptekens, maar de scène gaat niet buiten de kaders van een stripgrapje.

Ik heb me zeer vermaakt met dit slotdeel van de Faxen aan Ger, met die aantekening dat het ongemak dat brievenboeken brengen (je krijgt vaak de tegenbrieven niet te lezen) versterkt wordt door de vervreemding dat al deze personages nog onbekenden zijn. Mijn advies aan de lezer zou dus mijn eigen voornemen zijn: begin bij het begin, want dit oeuvre is de moeite waard.

Van Oorschot gaf Allesverpletterende uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen.

Alex Boogers, twee tweets over de Libris Literatuurprijslonglist: de redactie zocht dromen, afkomst, zonen, schrijven en Bruces, en legde een identiteitslijstje op de longlist van de Libris Literatuurprijs.

*

Jan van Mersbergen: Alex Boogers, De zonen van Bruce Lee

Bij de boekpresentatie van De zonen van Bruce Lee van Alex Boogers sprak ik een paar woorden:

Ik las De zonen van Bruce Lee nog niet helemaal uit. Geeft niet. Bij Alex weet je: ze gaan op een gegeven moment kickboxen.
Ik zocht vooral overeenkomsten. Als schrijver zoek ik overeenkomsten, zeker met een schrijver met wie ik me verwant voel, zoals Alex Boogers.
Ik vond er zes:

  • Droom
  • Afkomst
  • Zoon
  • Schrijven
  • Bruce

In willekeurige volgorde ga ik ze langs.
Bruce. We hebben allebei bewondering voor een Bruce. Alex voor de vechter Bruce Lee, ik voor de verteller Bruce Springsteen.
Frans Pollux vertaalde Born to Run. Een stukje daaruit:

We renne weg van ut bestaon
Dus doot dien auge toe,
en druim um d’r vandoor te gaon!

Er vandoor gaan. Ontsnappen. Vastzitten en toch willen ontsnappen. Daarmee heb ik meteen het schrijven en de droom te pakken. ik weet zeker dat jij, Alex, heel vaak je ogen dicht hebt gedaan en gedroomd hebt van net even iets anders dan waar je in zat.

‘Elke week werd ik door een oom of een tante wel uitgemaakt voor een werkeloze, een lui varken, een dwaas, of een raar ventje, ook al kon ik na de brugklas naar de havo. Ik zou nooit de dokter, nooit de advocaat, nooit een Belangrijke Meneer worden. Ik kon dat soort waanideeën maar beter uit mijn hoofd zetten. Ik wist nooit goed wat ik erop moest zeggen, want ik koesterde zulke dromen niet, maar ook dat zei ik maar niet. Ik wist dat ze dan zouden willen weten wat ik later dacht te worden, en daar durfde ik mij niet over uit te laten.
Ik heb nooit echt nagedacht over wat ik wilde worden. Ik wist wie ik wilde worden…’

En daar is-ie weer: Bruce.

‘Ik wist wie ik wilde worden toen ik Bruce Lee zag. Ik wilde worden zoals hij. Natuurlijk imiteerde ik hem, maar het ging me niet alleen om wie hij was, maar ook om wat hij deed. Hij kon vechten en pikte van niemand iets. Hij geloofde in wat hij deed, en hij liet zich niet van de wijs brengen. Ik wist dat ik het op zo’n manier moest aanpakken, maar ik wist ook dat ik het daar met niemand over kon hebben, en al helemaal niet met mijn familie.’

Je hoeft niks speciaals te dromen, je afkomst houdt je wel op je plek.
Dat wil je niet doorgeven. Dat brengt me bij de zoon. Als jij tekeningen op Facebook post van je zoon Kai dan voel ik in alles: Alex wil die jongen de kans geven zich te ontwikkelen, zichzelf te zijn, niets zal hem tegenhouden, en zeker ikzelf niet.
Dat hebben wij ook gemeen. Afkomstig uit families waar het niet normaal is te schrijven, bij uitgeverijen naar binnen te lopen, aan tafel te zitten in een tv-studio, mee te praten over Belangrijke Zaken, collega te zijn van Echte Schrijvers.
Het is nu eenmaal zo. Ik laat alleen mijn kinderen denken dat dit wel normaal is.

In De zonen van Bruce Lee schrijft Alex verder: ‘Er was geen kwade opzet in het spel…’
Dat klopt. Het is verwrongen liefde, en aan jou zie ik liefde voor je zoon.

Bruce zong, Frans Pollux vertaalde Born to run, en dat past bij jou en jouw Bruce.
Dit is dialect, je moet alleen weten dat luimen slapen is.

De tunnels toé en alle helden die gevluch zien zitte vas
Ut is of idderein juus vannach vertrok en noow neet door die tunnels pas
Weej blieven achter met un bed vol druime
Al kin ik vannach neet luime
Ik druim door.

Ik ben heel blij dat dit boek er is. Het laat zien dat Alex Boogers verder droomt.

Inside gaf De zonen van Bruce Lee uit.

Daan Stoffelsen: een tweet van Ger Groot

Dit is een onmogelijke fase: ik lees een handvol boeken tegelijk. Ik lees Mizee, Heerma van Voss en Grunberg (op de Grunberg-app, met Canto Ostinato op de achtergrond) door elkaar en dan ligt er ook nog een mooi boek over zwemmen van een Brit, Charles Sprawson, en af en toe lees ik over een vergeten voetballer van Frank Heinen. Maar ook een uitstekend antwoord op de vraag Wat lezen jullie zoal, is: Twitter.

Toen ik namens Athenaeum – zo onafhankelijk dat we zelfs geen Librisboekhandel zijn – twitterde over de Libris Literatuurprijs, tekende ik enthousiast aan dat de helft van de genomineerden vrouw was. Het leverde me twee geërgerde reacties op. Eén was dat we daarmee suggereerden dat er niet zuiver op literaire kwaliteit geselecteerd zou zijn, en daarmee de genomineerden onrecht deden.

Ik ging er al voor mijn bestaan als jurylid vanuit dat longlists niet alleen uit winnaars bestaan. Het is niet voor niets dat zulke lijsten, die vaak tussen de 15 en 25 titels bevatten (ik heb het hier niet over de Dublin Literary Award, op hun longlist staan al snel 150 titels), in het verleden ook wel ‘tiplijst’ werden genoemd: behalve de echte kanshebbers staan er boeken op die bijna net zo goed zijn, maar toch mooi genoeg zijn om aan te raden. De jury tipt.

(Tussen haakjes: de vraag is natuurlijk of een shortlist dan wel altijd alleen maar absolute kanshebbers bevat, en zelfs of er elk jaar een absolute winnaar is – de oefening om van elk van de afgelopen twintig jaar het beste boek te noemen of überhaupt een goed boek, een variant op de vraag van De Groene Amsterdammer, is een frustrerende, kan ik je zeggen. Maar dat terzijde.)

Nu wil het geval, ik ben nog steeds bij tweet één, dat de literaire productie in Nederland eigenaardig genoeg voor eenderde door vrouwen, en tweederde door mannen wordt geschreven. Dat is iets verschoven, als je de groslijst van de Librisprijs bekijkt; ik kom op 41% vrouw (waarbij de twee duo’s voor de helft meegerekend worden, als je dat voor de longlist doet, kom je op 9,5 vrouw en 8,5 man). Dat is eigenaardig, ook omdat het bij literaire debuten nog fifty-fifty is. Er zijn allerlei verklaringen voor te bedenken, die variëren van de standaardverklaringen voor de relatieve minderheid voltijds werkende vrouwen tot vooringenomenheid bij de gatekeepers: de uitgevers. Of ze zijn bevooroordeeld jegens het andere geslacht. Je kunt je voorstellen dat bepaalde thema’s of motieven – ouderschap, intieme relaties, psychologie – minder interessant zijn voor zulke poortwachters dan andere – leven en dood, vijandschappen, morele kwesties – en dat dat ook voor juryleden geldt. Vaak genoeg immers volgden longlists de eenderde-tweederde verhouding (vorig jaar nog, en de Bookspotjury deed het ook), terwijl je toch mag aannemen dat je zonder piemel ook goede kunst kunt maken. Ik vind dat vanzelfsprekend, althans.

(Je kunt bijvoorbeeld een ijzersterke 50-50-shortlist maken met de romans van Manon Uphoff, Marijke Schermer, Niña Weijers en Oek de Jong, Stephan Enter, Peter Buwalda. Totaal verschillende boeken, maar stuk voor stuk erg goed.)

Deze jury besloot anders dan haar voorgangers, en trakteerde ons op meer tips van vrouwelijke auteurs. Of kanshebbers!

Veel interessanter vond ik de reactie van Ger Groot, criticus, columnist, schrijver, filosoof.

Daarmee stelt hij deze verdeling – die inderdaad eigenlijk doodnormaal is en niets zegt over de inhoud of kwaliteit van de boeken – gelijk aan allerlei identiteitspolitieke versnipperingen. Maar interessanter dan de schrijvers zijn de boeken, en misschien valt met dit lijstje iets te zeggen over de Nederlandse literatuur nu. Er zitten boeken namelijk tussen die inderdaad dat soort scheidingslijnen onderzoeken. LGBTIQ+ bijvoorbeeld: Niña Weijers en Saskia de Coster schreven elk een roman waarin (onder veel andere zaken) lesbische liefde naast heteroseksuele, en het vrije leven naast het ouderschap staat. Op literaire wijze onderzoeken zij de grenzen en overeenkomsten in gender en seksuele voorkeur. Dat is interessant en relevant – en goed gedaan. In de T is voorzien door debutant Thomas van der Meer, met een zachte, soepele roman over een jonge vrouw die een man wordt.

‘De huisarts had er net zoveel zin in als ik. “Zullen we dan maar?”
[…]
Dit was het begin, het lentepunt. De zon kruiste de evenaar van mijn wereld, hierna werden de dagen langer.
De huisarts drukte de spuit leeg in mijn been. “Nu gaan we het beleven,” zei hij.’

Soepele dialogen, niet te veel pogingen tot literair doen (maar dat lentepunt is mooi), ietwat groteske kantoorscènes en een chronologisch verhaal, heel overzichtelijk. Je vermoedt enige autobiografie (de hoofdpersoon gaat Thomas heten), en je denkt dat het boek geslaagd is in zijn doel: subtiel een duidelijk beeld te geven van een transitie vanbinnenuit. Welkom in de club zou het begin van een oeuvre kunnen worden, een mooie tip. Ja, er zijn in deze rubriek genoeg spannender, interessantere, diepgravender romans van mannen langsgekomen – en de geweldige Nicolien Mizee, van wie met Herman Brusselmans als enige twee boeken werden ingezonden, ontbreekt ook. Dat is zonde, maar elke jury maakt goddank zijn eigen afwegingen.

Identiteiten, ik kan er een lijstje van maken: Stephan Enter over gelovigen, Sander Kollaard over ouderen, Wessel te Gussinklo over een naoorlogse jongere, Ronald Giphart over jongeren (die ouder worden) en Niña Weijers over vroeg-dertigers, Hanna Bervoets over zieken, Elvis Peeters en Oek de Jong over de niet-randstedeling? Ik kan wijzen op de Surinaamse roman van Astrid Roemer en de Nederlands-Indische van Dido Michielsen. En ik kan vaststellen dat de boeken van Buwalda en De Jong zich niet aan Groots lijstje lijken te houden, en dat Uphoffs roman de schema’s overstijgt. Althans, tenzij je de verborgen aanname bij zulke identiteitslijstjes expliciteert: die mensen voelen zich een minderheid, slachtoffers. Uphoffs roman onderstreept dat je slachtoffer én overlever kan zijn, haar boek is een veelzijdige triomf.

Vrouwen, Vlamingen, debutanten: dat zegt weinig over de inhoud of de stijl of de kwaliteit. Eigenlijk zou je, heel merlynistisch, moeten stellen: dat geldt ook voor die andere categorieën auteurs. Maar als je de rest van Groots snipperlijstje samenneemt voor hun personages – en niet zelden lijken die op hun auteurs -, kun je wel vaststellen dat de Nederlandse literatuur breder is geworden, diverser. Ik zou hier graag de longlist van de eerste Librisprijs uit 1994 naast leggen, maar behalve dat ik die zeker niet allemaal gelezen heb, vind ik die nergens. Dus je moet het met mijn aanname doen dat het vroeger alleen maar over jeugd, geloof en Nederlands-Indië ging.

Oh en liefde en seks – en dat is niet veranderd. Literatuur blijft over intimiteit gaan – hoe oud of jong, vrij of zuur je ook bent.

Daan Borrel, Carlo Groot: de redactie las deze week een charmant, rafelig boek over intimiteit en relaties en een verhaal dat iedere lezer stil maakt.

*

Daan Stoffelsen: Daan Borrel, Jaar van het nieuwe verhaal

Het voelt wat als mosterd na de maaltijd, om dit stukje te schrijven ná Athenaeum vs. De Revisor: Daan Borrel vs. Thomas Heerma van Voss, maar het is zonde om niet te schrijven over dit frisse, openhartige boek. Kort het uitgangspunt: Borrel schrijft over het jaar ná de breuk met de Ex waarin ze aan zelfonderzoek deed, zich vragen stelde over liefde, vriendschap, seksualiteit en intimiteit, binnen één maand van haar cyclus, en dus zegt ze ook dingen over het vrouwelijk lichaam, energie en emotie, kinderwens en dochterszorgen. En over wat we (wij mannen, zij moeders, wijzelf) allemaal verwachten van vrouwen. Dat is heel veel, en af en toe mis je focus, denk je: dit dagboekfragment had ook samengevat of: moet dit interview integraal, maar Borrel verbindt haar overwegingen, scènes uit dat ‘tussenjaar’, seksscènes en menstruatietwijfels soepel met elkaar. Eén jaar vertelde tijd, één maand verteltijd, één vrouw, één boek, dat werkt wel.

Ze geeft handreikingen (ja, laten we praten over wat we fijn vinden – in de omgang, het gesprek, de seks, en wat aardig, om de cyclus in vier seizoenen op te delen) en werpt vragen op (wie verwacht dat eigenlijk allemaal van vrouwen? En wat kunnen mannen dan doen? En hebben we wel een verhaal nodig om onze gevoelens te begrijpen). Ze is geestig (de eerste zin van het eerste echte hoofdstuk is: ‘Het is nog geeneens half negen en ik heb nu al zin om iemand neer te knuppelen.’), en verderop, de stemming zit er nog niet helemaal in: ‘Buiten is de lucht al de hele dag blauw. De eenden voor mijn deur schateren hard, ze lachen me uit. Wij zitten buiten, en jij binnen. Sukkel. Je bent zo’n sukkel.’

Ze raakt (denk ik) universele verwachtingspatronen:

‘Mijn hele leven is mij al verteld welk leven ik moet leiden om intimiteit te krijgen: dat van een “goede” vrouw:

  • dienstbaar maar opgewekt,
  • mysterieus maar bereikbaar,
  • bereikbaar maar niet direct,
  • gevoelig maar niet irrationeel of boos,
  • heteroseksueel maar wel in voor een ‘geintje’; onderdanig maar niet té,
  • aantrekkelijk maar niet té,
  • kritisch maar niet té,
  • monogaam en trouw maar niet saai of afgesloten,
  • lichamelijk zolang het begrijpelijk en nuttig lichamelijk is.

Erotisch zolang het íets pornografisch heeft, zichtbaar en uitgesproken maar wel vriendelijk of verontschuldigend. Intiem maar niet met onbekenden of mijzelf. Familiaal maar alleen met de bloedband. Sportief maar niet sterk, passief maar niet lijdzaam. Aanwezig maar niet actief. Ik weet niet wie de samenhang van dit gezapige construct bedacht heeft en waarom de mensen er zoveel baat bij hebben dat ik dit narratief dagelijks naleef, ik weet alleen dat het voor een flinke portie maandelijkse zelfhaat zorgt. En ik wil dat niet meer. Dus volgens mij is het tijd dat ik nu eens flink mag doordouwen. Ik ga graag door de modder voor een nieuw verhaal dat geen zelfhaat meer als consequentie heeft.’

Ze schrijft sexy (‘De gedachte dat alles mogelijk is vandaag, windt me op. Diep in mijn vagina trekt iets om aandacht. Als ik met de vingers van mijn niet-schrijvende hand tegen de zijkant van mijn schaamheuvel aanduw, voel ik daar een hard staafje, mijn ochtenderectie.’) en is dus openhartig, soms op het exhibitionistische af. Dat schrikt misschien af, en dinsdag bleek ook wel dat Borrel zich wel realiseerde dat het wel heel erg over haar ging. Maar we hebben concrete verhalen nodig om het gesprek te voeren, en Daan Borrels verhaal roept ongetwijfeld reacties op. Laten we praten over patronen en verwachtingen, over gevoel en gedachten, en laten we dit charmante, rafelige boek als uitgangspunt nemen.

De Bezige Bij gaf Jaar van het nieuwe verhaal uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment, en ook wat links naar de neerslag van de avond. En er is een podcast gemaakt!

Jan van Mersbergen: Carlo Groot, Izar

‘Het aangrijpende ivf-verhaal van een man die zichzelf nooit als vader zag,’ staat direct onder de titel van het eerste boek van Carlo Groot geschreven: Izar. Dat type genreduiding komt vaker voor en geeft de lezer direct inzicht in wat het boek brengen zal. Dit is geen roman die hogere literatuur wenst te zijn, en soms is het heel fijn een boek in handen te hebben zonder die pretentie. Dit boek is persoonlijk, gaat over de verandering die de hoofdpersoon en schrijver onderging en mikt op het aangrijpende van het verhaal. Helder.
Schrijven over dit boek betekent dus eigenlijk alleen een antwoord zoeken op de vraag: Lukt dit?

Natuurlijk lees ik ieder boek met de wens een sterke dominante verteller te ontmoeten die mij meeneemt in het verhaal, of dat nou de schrijver is die zich onzichtbaar waant of een ik-verteller die midden in het verhaal staat, maar dat zijn literaire kwalificaties waar ik doorgaans erg streng op ben, maar die ik net zo makkelijk kan laten vallen als een boek me bij het oppakken al duidelijk maakt wat er gaat gebeuren. Dit is Carlo’s verhaal, ik wil dat verhaal weten. Lezen dus.
Dat er vervolgens hoofdstukjes terugkomen die in de ik-vorm zijn afgewisseld met hoofdstukjes met dezelfde ik maar dan volledig in dialoog dan voel ik steeds wel het schipperen van de verteller, maar ik voel ook dat Groot al deze middelen inzet om zijn eigen verhaal over te brengen.
In Komt een vrouw bij de dokter gebruikt Kluun allerlei stijlmiddelen om het verhaal van Stijn te vertellen, zelfs kleine inzetjes over de Amsterdamse horeca, straten, hypes. Het werkt, het draagt bij aan de vertelling. Lezers gaan voor de bijl.
Carlo Groot gebruikt ook beelden en verbanden die de lezer moet koppelen. Als Carlo en Lisette in Canada net gehoord hebben dat zij zwanger is – haar wens – varen ze langs…:

‘Op de terugweg varen we langs een zeeleeuwenkolonie, waarvan vooral de ondraaglijke stank indrukwekkend is. Een groot mannetje richt zich op en laat een paar grote littekens op zijn buik zien. Hij opent zijn bek en geeuwt zijn tanden bloot. Een gaap aan het einde van de paartijd.’

Er is voldoende informatie gegeven om die koppeling moeiteloos te maken, maar dat is dan ook de opzet. We gaan richting de ontroering, het ivf-gevecht van een stel dat daar midden in zit. Het woord ‘ondraaglijk’ komt trouwens vaker terug, en liever voel ik dat woord zonder dat het er staat. ‘De stilte was ondraaglijk.’ Ik weet ook dat die duiding hoort bij een ziekenhuis, bij het verhaal van deze twee geliefden, bij hun wens en worsteling. Dat maakt dit woordje effectief. Alleen die stilte, en het boek was een vreemd soort literaire roman geworden. Juist zonder duiding wordt een ander gevoel geraakt.
Wat iedere twijfel wegneemt: Groots directheid en onverbloemdheid:

‘Het is donderdag en het is twee dagen geleden dat Izar is geboren. Wakker worden is zo verschrikkelijk dat ik niet meer wil slapen. Een gevoel dat direct herinnert aan iets minder dan een jaar geleden. Je zou denken dat een dode baby het verdriet van een miskraam relativeert, maar nieuw verdriet laat zich prima optellen bij oud zeer.’

Of je bekend bent met deze verhalen, ooit zelf zoiets hebt meegemaakt, van geboorte, tot miskraam, tot dood, het doet er allemaal niet meer toe. Bij deze passages, waar het boek onverbiddelijk op af dendert, wordt iedere lezer stil.
Een antwoord op de vooringenomen vraag of het dit boek lukt aangrijpend te zijn zal geen lezer meer kunnen geven. Het verhaal heeft die vraag verdrongen. Er is alleen aan toe te voegen: Bedankt voor het delen.

Uitgeverij Podium gaf Izar uit.

Herman Koch, Arthur van den Boogaard, Charles-Ferdinand Ramuz: de redactie las een iconisch sportboek, een herontdekte klassieker die daadwerkelijk spannend is, en een autobiografisch spel dat toch interessant uitpakt.

*

Jan van Mersbergen: Arthur van den Boogaard, Het laatste seizoen

Sportboeken hebben vaak iets simpels. Een biografie van een succesvolle sporter leest vaak als een succesverhaal zonder veel reflectie. Het ene mooie verhaal na het andere, vaak al wel bekend, uitslagen, de lagere schooltijd, een paar familieleden en vrienden die vertellen hoe geweldig de sporter is. Het is vlek op vlek. Er zijn wel sportbiografieën die verrassend zijn. Dat komt vooral door onthullingen, zoals het boek over het verborgen verslavingsleven van Wim Kieft.

In het geweldig goed geschreven boek van Arthur van den Boogaard over Johan Cruijff worden prestaties gekoppeld aan onzekerheid, spelletjes achter de schermen, financiële motieven. Het levert een iconisch sportboek op.

Van den Boogaard vertelt in de eerste plaats erg goed. Hij schakelt tussen de jaren zestig en zeventig, het verleden van Cruijff, en het heden waarin hij in 1983 bij Feyenoord gaat spelen. Van den Boogaard vertelt in verschillende tijden: verleden en tegenwoordig, alles door elkaar, ongemerkt. Heel knap.
‘Op 4 juni…’ staat er aan het begin van een alinea. Het lijkt een gewone tijdsaanduiding in een biografie, waarna een feitje komt, in dit geval het afscheid van Willem van Hanegem.  Van den Boogaard voegt eraan toe: ‘Op 4 juni, nu elf dagen geleden, nam die Kromme op zijn 39e afscheid als voetballer.’
Het terugkoppelen naar het nu, dat ergens in 1983 ligt, dat is een mooi idee, en het werkt goed. De lezer loopt rond in die tijd.
Verderop staat er: ‘Hij kijkt om zich heen, zijn ogen schieten van links naar rechts en weer terug.’ De vertelling is volledig in het nu. Dat is speels en slim.

Een tweede opvallend punt: het boek gaat regelmatig over geld verdienen. Dat is nu eenmaal belangrijk in profvoetbal, maar wordt vaak vergeten. Zaken, contracten. Als ik denk aan die overstap, ik was twaalf en zeer verbaasd, dan denk ik voornamelijk aan sentimenten. Clubliefde. Een van de motieven was, volgens dit boek: in de Kuip verdien je meer dan in De Meer. Dat maakt de overstap naar Feyenoord in 1983 logisch. Zelfs voor keeper Joop Hiele is de komst van Cruijff naar Feyenoord financieel gunstig.

Derde punt: twijfel.
De beste Nederlandse voetballer ooit twijfelde veel, in dat opzicht leek hij op zijn moeder. Die twijfel ging samen met een streven naar het recht van de sterkste, dat heerste in het voetbal. Wilde hij macht dan moest hij de sterkste zijn, dan mocht hij geen zwakte tonen. Al midden jaren zestig liep Johan Cruijff op zijn tenen. Hij was het grootste talent, dus voetbal was nier het probleem. Hij wilde zakelijk en persoonlijk de machtigste zijn, anders regeerden anderen over hem. Hij was de beste, hij was een nagelbijter.

Zoals vaker in boeken waarbij de periode keurig afgewisseld worden is de voorspelbaarheid het grootste gevaar. Van den Boogaard weet dat op te vangen door in iedere korte passage over de periode voor 1983 en dat ene jaar van Feyenoord voldoende interessante informatie te geven. Het staccato om-en-om van de vertellingen deed me denken aan Dit zijn de namen waarin Tommy Wieringa steeds om beurten een groep volgt die door de woestijn trekt en een enkele man die een grenspost bewaakt. Bij iedere laatste alinea weet de lezer: nu komt dat andere verhaal weer. In Het laatste seizoen gebeurt dat ook, maar Van den Boogaard koos voor een afwisseling met korte wedstrijdschetsen waarin de opstelling van Feyenoord staat vermeld, de tegenstander, wie de doelpunten maakten en de stand. Dat maakt het boek weer echt een spannend sportboek, zeker voor een Eredivisievolger als ik die voornamelijk teletekst als bron gebruikt. Ik hou van die feitjes, in een verhaal kan ik zonder.
Van den Boogaard begrijpt dat erg goed. Als hij die feitjes noemt is hij duidelijk, als hij het eigenlijke verhaal vertelt brengt hij sfeer in zijn proza.

Het dualisme van de beste voetballer die een neuroot was, dat is de winst van dit boek. De lob tegen Haarlem, de penalty met Olsen, het roken, de eigenwijsheid, het competitieverloop waren me allemaal bekend, de psyche van Cruijff krijgt door dit sportboek opeens een volledigheid die het altijd gemist heeft.

Er is maar één ander sportboek dat dat voor elkaar kreeg: de autobiografie van Lance Armstrong, waarin de wielerkampioen vanzelfsprekend niet over zijn dopingregime vertelde, maar wel liet zien hoe hij van een renner voor de klassiekers een ronderenner werd, volledig in samenhang met zijn ziekte, en zoals later zou blijken, ook met zijn geestestoestand.

De enige woordjes die uit dit boek hadden gekund, de korte aanvullingen, als commentaar op wat er zojuist verteld is of als opmerking: ‘Tja’.

Daar zal Van den Boogaard vast over na hebben gedacht, gewikt en gewogen, en besloten om ze te laten staan. Ik las de passages en voelde steeds al: Tja. Als het woordje er dan staat, op de volgende regel, dan begrijp ik de bevestiging van dat gevoel, maar voelt het tegelijk als een overbodig woordje in een verder uiterst belangrijk sportboek.

Thomas Rap gaf Het laatste seizoen uit.

Thomas Heerma van Voss: Charles-Ferdinand Ramuz, De grote angst in de bergen

De afloop van De grote angst in de bergen ligt eigenlijk al besloten in het korte, krachtige openingshoofdstuk: dit is een roman die slecht zal eindigen. In die proloog wordt er, aan het einde van een vergadering van een dorpsraad in Zwitserland, namelijk gestemd: moet er met de koeien een expeditie ondernomen worden naar Sasseneire, een braakliggende alpenweide waar twintig jaar eerder vreemde ongelukken hebben plaatsgevonden? De oude generatie stemt fel tegen: die alpenweide is vervloekt en daarmee roept het dorpje onheil over zichzelf af. De jongeren echter stemmen voor: ‘Kom, kom, dat zijn verhalen. […] minstens zeventig stuks vee zouden zo de hele zomer lang kunnen worden ondergebracht, en dat terwijl we al niet meer weten hoe we ze hier moeten voeden, met al dat gras dat daarboven groen wordt, groeit, rijpt, verdort, en niemand die er wat aan heeft…’ Iedereen die vóór de expeditie is moet zijn hand opsteken. Er zijn 91 mensen aanwezig. Zodra er 58 handen omhoog gaan, weet je als lezer: oef, die expeditie gaat fout aflopen.

Maar wanneer precies, en hoe erg, dat blijft lang onduidelijk, en op die spanning drijft De grote angst in de bergen deels. We volgen zowel de groep die op pad gaat als het dorp dat achterblijft, en met name de passages over de expeditie zelf zijn spannend, knap geschreven ook. We lezen hoe de groep steeds verder vervreemd raakt van de buitenwereld, en zich per dag ietsje meer afzondert in de nogal precies beschreven natuur:

‘Ze leggen heel die lange weg af, die lange weg bergop; eerst in het gras, waarin bloemen overal bonte vlekken vormen, dan tussen de dennen door, over het naaldentapijt, dat ook gevlekt is met ronde, goudgerande vlekken – de weiden, het bos, de zon, de zon en de schaduw; dan de grote bergkloof en dan alleen nog de schaduw; dan het rotspuin dat begint, de steenlawines, daarna weer de zon – en daarboven zie je de lange rij van mensen en dieren, die heel klein was geworden, dwars door de onmetelijke grijze helling voortrekken […]’

Alsof een camera de boel van buitenaf volgt. Dat perspectief werkt, omdat het de thrillerachtige spanning vergroot (waar zit het onheil precies? Op wie moeten we letten? Wat betekent dat virus dat plotseling uitbreekt? Lijkt dit inderdaad op twintig jaar geleden?) en omdat het een prettige, bijna sprookjesachtige ondertoon aan het verhaal geeft: dit is niet een roman over één mens, maar over een Zwitsers dorpje dat generationeel verdeeld is en waar mensen nauwelijks weten hoe ze met verandering moeten omgaan. Dit dorpje moet zich plots verhouden tot een buitenwereld die zich niet laat vatten, tot de natuur die van zich laat horen, tot de enorme angst die steeds nadrukkelijker aanwezig is.

De grote angst in de bergen verscheen bijna een eeuw geleden: in 1926. Auteur Charles-Ferdinand Ramuz – toen ik hem googlede was het eerste wat ik las: zijn beeltenis staat afgebeeld op het biljet van 200 Zwitserse frank, en Céline bleek groot bewonderaar van zijn stijl – overleed in 1947. De onvermijdelijk vraag bij zulke ‘herontdekte’ boeken, die zo lang na verschijnen (voor het eerst) vertaald worden: waarom nu alsnog? Een beetje plat gezegd: wat voegt het boek nu nog toe?

Het – of in elk geval een – antwoord: in De grote angst in de bergen wordt iets gedaan waar bijna geen enkele auteur in slaagt. De roman, voortreffelijk vertaald door Rokus Hofstede, vertelt een werkelijk spannend verhaal zonder dat er ergens op voorspelbare suspense of cliffhangers wordt geleund. Het boek schurkt aan tegen magisch-realisme, en toch ga je er helemaal in mee. De Zwitserse natuur komt voluit tot leven: niet eens primair door die uitgebreide beschrijvingen ervan, maar vooral doordat veel personages zich er uiteindelijk geen raad mee weten. Natuurlijk vallen daarmee parallellen te trekken met de huidige wereld, je kunt de quarantaine waarin het vee en de herders worden ondergebracht gerust koppelen aan de huidige corona-crisis, maar met zulke links doe je De grote angst in de bergen tekort: deze roman staat op zichzelf, los van makkelijke haakjes, en doet zelfs verrassend toegankelijk, eigentijds aan.

Het enige wat ietwat ouwelijk overkomt, overigens zonder dat dat me ergens stoorde, is het gehanteerde perspectief: De grote angst in de bergen is een klassieke vertelling. Ramuz zoomt soms doelbewust niet in op een van zijn personages en hun afwegingen, en doet juist in plaats daarvan al vertellende soms een stap naar achteren. ‘Ondertussen ging het leven beneden in het dal zijn gewone gangetje,’ staat er dan aan het begin van een hoofdstuk – en elders: ‘Meteen waren ze begonnen hun leven daar hoog op de berg te leiden, dat drie maanden lang hetzelfde leven zou zijn.’ Niet vanuit de personages zelf waargenomen, kortom, maar vanuit Ramuz, alsof hij zich direct tot ons, lezers, richt – en tegen ons spreekt. Het voorkomt dat je een diepe, persoonlijke band met deze mensen krijgt, maar het draagt wel bij aan deze beklemmende sfeer van een donker sprookje, van en onontkoombaar onheil waarvan je voelt dat het nog generaties zal worden naverteld: die ene groep mensen die dacht de natuur naar zijn hand te kunnen zetten en daar hardhandig voor wordt afgestraft.

Van Oorschot gaf De grote angst in de bergen uit.

Daan Stoffelsen: Herman Koch, Finse dagen

Ik volg Herman Koch niet, en dat terwijl hij, volgens de DBNL, ooit bij ons debuteerde, en we nog drie jaar geleden een mooi kort verhaal van hem publiceerden in onze Hermans-special. Ik moet zijn eerste roman Red ons, Maria Montanelli hebben gelezen in mijn middelbare-schooljaren, en natuurlijk las ik Het diner en het Boekenweekgeschenk. Op de een of andere manier waren er altijd andere boeken.

Nu is er Finse dagen, dat ik niet wilde bespreken omdat ik niet bepaald enthousiast was. (Kleine tip van de sluier: het is veranderd, vandaar dat je dit leest.) Ik vond het vlak, stilistisch niet bijzonder. Oninteressant. Ja, het waren mooie anekdotes – een rare geschiedenis inclusief liefdesgeschiedenis in Finland, het dramatische verhaal van zijn moeders ziekte, vlucht en vakanties en verwijdering, bekend terrein voor wie zijn debuutroman kent, maar genoeg om door te lezen -, ik begreep hoe Koch zijn herinneringen en zijn gecensureerde, ongecensureerde en aangedikte verhalen inzette, hoe hij iets wilde zeggen over betrouwbaarheid en authenticiteit. Maar dát kwam me nogal evident voor. Als hij schrijft…

‘Fictieschrijvers hebben vaak hun mond vol van de waarheid, maar de enige waarheid is die van het boek, niet de waarheid van de gebeurtenissen zoals die zich in werkelijkheid hebben afgespeeld.’

… dan brengt die trap in een open deur me amper uit evenwicht. Als Koch bovendien zijn eigen herinneringen en verhalen bevraagt, dan komt er een afstand tussen mij en de gebeurtenissen, ik beleef het niet, want Koch, of wacht: de verteller, staat ertussen.

Die nuance is cruciaal. Heel makkelijk nam Koch mijn argwaan weg: door over versies en hiaten te schrijven, over een ik die Herman heet, krijgt Finse dagen de schijn van een autobiografie. Maar net voor bovenstaand citaat schrijft hij iets anders evidents, wat ik niettemin vergat:

‘In dit hele boek, Finse dagen, heb ik niet alleen de feiten gevolgd, maar er ook fictie van gemaakt op plekken waar me dat beter uitkwam. Soms heb ik fictie gebruikt om losse onderdelen beter aan elkaar te lijmen, op andere plekken heb ik de feiten aangedikt om er een beter verhaal van te maken.’

Net als bijvoorbeeld in zijn Boekenweekgeschenk speelt Koch een spel met ons, terwijl hij ook eerlijk is. Dat gaat samen, dat is het andere ware cliché dat in de literatuur rondgaat. Daarin trof Koch me. Je mag je afvragen of wat hij te vertellen heeft, deze verteller-die-veel-van-Herman-Koch-wegheeft, daadwerkelijk interessant is, maar dat is niet helemaal fair. Zelfs over de Holocaust is een saai verhaal te vertellen, of een bizar verhaal over de Birmaspoorlijn, zoals Koch zelf memoreert:

‘Vaak voelde ik me als die oom die in de oorlog nog aan de Birmaspoorlijn had gewerkt, en dan vooral op het moment waarop hij elke keer opnieuw vertelde hoe hij bij zijn ontsnapping twee Jappen eigenhandig de keel had doorgesneden. Tussen mijn vijfde en vijftiende heb ik het verhaal waarschijnlijk wel een keer of dertig aangehoord, en al die keren probeerde ik het blotebillengezicht van de oom te combineren met de wél tot de verbeelding sprekende, heftig uit hun doorgesneden kelen bloedende, Japanse soldaten. Ik kon de grijns van ongeloof op mijn eigen gezicht niet zien, maar ik voelde hem wel, ik moest mijn hand voor mijn mond houden om hem voor de ongeloofwaardige oom te verbergen.’

Je kunt omgekeerd ook iets oninteressants oppoetsen tot grootse, meeslepende literatuur. En de tragiek van de jonge Herman, het Finse avontuur, de romance: het had de helft van deze roman opgeleverd, en het was een goed verhaal geweest. Koch heeft er echt wel meer van gemaakt. Hij heeft mij voor de gek gehouden – en in welke mate, dat is onweetbaar – en introduceert in het slot nog twee ontwikkelingen die de hele roman kantelen. Zo’n verrassing kan ik ook waarderen. Dus ongetwijfeld blijven er bezwaren staan – maar deze roman is wél interessant. Genoeg om door te lezen, erover door te praten en dus erover te schrijven.

AmboAnthos gaf Finse dagen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.