Ronald Giphart, Ivo Victoria: de redactie las een lekker, groepspsychologisch boek met een wij-perspectief en een persoonlijke, soepele en rake roman.

*

Daan Stoffelsen: Ronald Giphart, Alle tijd

Perspectief doet ertoe. Voor schrijvers is het een technische keuze die inhoudelijke achtergronden kan hebben, voor lezers kan een ander perspectief juist een intiemere betrokkenheid geven. Ik schreef vorige week aan jullie, en later aan Bart Koubaa zelf, dat ik nooit echt nabij zijn Jacob Querido kwam, en hij antwoordde me dat dat een bewuste keuze was. In de zeventiende eeuw was er geen psychologie, geen ik – alleen wij en zij en God. En daarom definieerde hij zijn personages door wat hij deed. Totaal anders, conventioneler ook, vergrootte Ronald Giphart in zijn boek over vriendschap de afstand tussen mij en zijn zestal personages, door te vertellen vanuit de eerste persoon meervoud.

Ronald Giphart en ik gaan ver terug, ik ben van de generatie die zijn puberteit doorbracht met Ik ook van jou en Giph, mijn oma zag grote uiterlijke overeenkomsten en een van zijn beste vrienden beschouw ik als een van mijn weinige vrienden onder de schrijvers. (Niet dat ik veel literaire vijanden heb, dat ik weet, op de beruchte HP|De Tijd-vraag zou ik geen antwoord hebben, zo sociaal ben ik simpelweg niet.)

Giphart en ik zijn elkaar wat uit het oog verloren, dacht ik, maar ik heb stiekem toch al zijn romans gelezen, hij schreef een tijd wat minder zie ik nu, maar mijn verhouding tot zijn werk blijft wat dubbel: is het niet té toegankelijk? Wordt zijn werk wel interessante literatuur? Het een hoeft het ander niet uit te sluiten, maar literatuur verrast me idealiter, prikkelt, brengt me uit evenwicht, wekt ongemak op, raakt me. Een goede roman doet meer dan een verhaal zo goed mogelijk vertellen, hij geeft inzicht in de mens of de wereld of de taal of allemaal tegelijk, en die effecten ebben na nadat het boek uit is.

Kijk, Alle tijd is wel een zeer geslaagd boek. Giphart verbindt heel ingenieus de levens van een zestal mannen, jongens nog, met elkaar, die op gegeven moment een brouwerij opzetten. Het wordt, mede dankzij de financiering van hun moeders, een groot succes, terwijl de roerige liefdeslevens verweven raken. Er komt een proeflokaal, een nieuwe brouwzaal en nog een wordt ingericht, er komen kinderen, en de eerste van hen overlijden. Het is, en dat is Giphart toevertrouwd, een warmbloedig verhaal over vriendschap, dat rijmt met zijn eerdere boeken: er is liefde, seks, jacht, Utrecht, drank, drugs, Nick Cave, er zijn baby’s en moeders en een sterfbed, er is een acteur en een poëzieliefhebber, er is niet te veel gepsychologiseer, veel weetjes (‘Montaigne beschreef vriendschap als een relatie die losstaat van alle mogelijke belangen en waarin alles gemeenschappelijk is, of dat nu wensen, gedachten of meningen zijn. Wat we die nacht, die uren, meemaakten smeedde vooral ook onze vriendschap, al misten we Luciën.’ Research is altijd zichtbaar bij Giphart.) en citaatjes, goede grappen, handigheidjes met taal, een ontroerend sterfbed.

Ik val daarvoor.

Zo zijn vijf van de zes – ze zijn opvallend genoeg vaak niet compleet bij hun avonturen – bij de val van de Muur, en schrijft Giphart: ‘We kwamen vele nationaliteiten tegen en we voelden ons die nacht allemaal J.F. Kennedy.’ Geen Berliners, maar Kennedy’s, mooi. Zo parafraseert Giphart ook Nescio:

‘Nog steeds staan we bij elkaar, toevallig wederom in Duitsland, bij een rustig pisveld langs de snelweg. Er passeert een groep voetbalsupporters op weg naar de Raststätte, ze zijn een jaar of twintig jonger dan wij. Een van de jongens roept iets, maar het is onduidelijk wat of naar wie. Er wordt overdreven gelachen om de opmerking, die wellicht over ons ging. Een jongen laat in het voorbijgaan een harde wind, een onbeschaafdheid die door de wannabe-hooligans met infantiel gegiebel wordt ontvangen. Groepen gedragen zich vrijwel altijd onuitstaanbaar, elke groep, op elk moment. Ook wij, al waren we Titaantjes après la lettre en maakten we ons niet, of niet vaak, schuldig aan zinloos machogedrag of braggadocio, we hebben nimmer het interieur van een café verbouwd, geen straatmeubilair gesloopt, nooit gestolen, nimmer scheten gelaten als andere groepen mannen passeerden. Aardig without a cause.’

Misschien is dat waarover ik twijfel: is het niet té aardig?

Het probleem zou hem in het perspectief kunnen zitten. Net als bij Koubaa word ik nergens intiem met een van de personages, en net als bij Koubaa lijkt me dit een bewuste keus: Giphart beschrijft een groep, een roedel, en hoewel de leden wel eigen derdepersoons lijnen krijgen, is die ‘wij’ steeds op de achtergrond, zoals in: ‘Luciën, die het schouwspel met de Taunus vanaf onze plek gadeslaat, oppert dat we misschien moeten aanbieden om de reizigers in nood te helpen – hij is van onze groep degene die het meest oog heeft voor mensen die hulp behoeven. Niet dat hij verstand van auto’s heeft, maar het gaat om het gebaar. Cola oppert dat de vrouwen misschien verkeerd hebben getankt, waarop Jonas aan het gezelschap vraagt of ze soms assistentie nodig hebben.’

Het betekent ook een zekere gelijkmatigheid: de wij-stem is een gemiddelde stijl, en in een redelijk eerlijke verdeling van sores en pagina’s (ik heb dit niet uitgerekend, dit is een totaal onwetenschappelijke indruk) steekt er niet één of twee bovenuit. Ook niet qua stijl. Als ik bedenk welke romans ik recent heel goed vond, dan ging het telkens om enkele vertellers, individuën met een eigen geluid, een eigen geschiedenis, een eigen psychologie en monomanie. Echte mensen met een afwijkende stem.

Maar dat is dus, denk ik, een keuze. Giphart schreef een ánder boek, een groepspsychologisch portret, en daarin is het individu ondergeschikt, het gaat om de dynamiek. Hij schreef een overtuigend boek op plot en structuur (het boek begint met een pistool, en Tsjechovs plottip volledig negerend gaat het pistool nergens af), niet over de mens alleen maar over het leven samen, het samenleven. Een lekker boek ook. Lekker genoeg voor een gesprek met vrienden met een speciaalbiertje.

De Bezige Bij gaf Alle tijd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Ivo Victoria, Alles is oké

In de nieuwste roman van Ivo Victoria gebruikt de schrijver zijn eigen naam, zijn echte naam. Weliswaar tussen dubbele aanhalingstekens, terwijl hij in dialogen niet eens enkele aanhalingstekens gebruikt – iets wat ik heel prettig vind. Opeens staat er: “Hans”.

Nu is er over de roman Alles is oké op de site van De Revisor al een mooi stuk gepubliceerd, de toespraak die Thomas Heerma van Voss hield bij de presentatie van de roman in de Roode bioscoop in Amsterdam. Het was op de avond waarop Ajax de eerste groepswedstrijd in de Champions League speelde, tegen Lille. Een aantal mensen zat met spanning in het zaaltje. Thomas zorgde voor een pakkende toespraak. Geen dwepende woorden, maar het betoog van een oplettende lezer om het boek van Hans bij te staan.

Op de avond was er verwarring over Ivo en Hans. Het pseudoniem lijkt de schrijver steeds meer in de weg te zitten. Een leuk gekozen pornonaam die bestaat uit zijn doopnaam en de naam van de straat waarin hij geboren is (de Victoriastraat, Victorialaan…). Marius Hoogendorp zou op die manier mijn pseudoniem zijn. Ik ben blij dat ik die weg niet ingeslagen ben toen ze bij Meulenhoff vroegen welke naam er op de kaft van mijn debuut geplakt moest worden.
Hij heet dus Hans. Ik ken Hans al een tijdje. In de Roode bioscoop vierde hij zijn tienjarige schrijverschap dat begon met zijn eerste roman met de lange titel die ik hier niet zal herhalen, en zijn tweede boek, Gelukkig zijn we machteloos, dat het in 2012 schopte tot de shortlist van de Librisprijs, waar ik ook mocht aanschuiven en waar Adri van der Heijden met Tonio won. Toen noemde ik hem nog Ivo.

Als je af en toe samen aanschuift bij de schrijversborrel in de stad, elkaar op boekpresentaties en vertellersavonden tegenkomt, als je elkaar ziet met kinderen en partners erbij, als je samen lesgeeft in Arnhem, als je over Lowlands contact hebt, hij als programmeur en ik als schrijver met een show, dan wordt het langzaam Hans. En nu staat er plots Hans in de roman waar voorop nog steeds de naam Ivo prijkt.

Deze roman is persoonlijker, dat geeft die naam wel aan. Het gaat over zijn moeder, over zijn vrouw en kinderen, over zijn woonplaats (Amsterdam) die een eind weg is van de woonplaats van zijn moeder, het gaat over het aftakelen van zijn moeder, die langzaam dement wordt. Aangrijpend, erg goed geschreven, wat betreft taal ook veel meer Vlaams dan zijn vorige romans, persoonlijk dus.
Ivo wordt Hans.

Hij schrijft zintuigelijk, precies, swingend, over zijn moeder:

‘Een tandwiel dat net nog doelloos rondjes draaide in het luchtledige van haar gedachten en zich nu in de schakel van een ketting had weten te haken en dat tandwiel trok en trok, millimeter voor millimeter, die ketting voort totdat ook het volgende tandje haar schakeltje gevonden had. En daarna het volgende, en zo verder, totdat de mechaniek die haar woorden aandreef eindelijk opnieuw ordentelijk zou functioneren.’

Veel herhaling, en dat past bij de staat van zijn moeder. Heel mooi, het omzetten van gedachten in een mechaniek, om het verstoren van dit machientje te kunnen begrijpen.

Na de presentatie dronken we met een paar andere schrijvers biertjes in een café aan de Noordermarkt. Het was een huiskamer. Hans was moe, zag ik. Hij dronk als een vermoeide man die net een boek over zijn moeder had afgeleverd. Het boek was er, hij was er nog niet helemaal. Een persoonlijk boek staat dichtbij, het boek wordt nu de wereld ingeduwd, allerlei meningen waar je nog minder grip op hebt dan op de dementie van je moeder, zullen gaan komen. Dat is spannend, dat is dodelijk vermoeiend. Ik zag aan hem dat het schrijven hem veel had gekost en toen ik een paar weken later ging lezen herkende ik juist die vermoeidheid en machteloosheid in de tekst.

Die staat van de schrijver door laten schemeren in de vertelling, dat is genieten. Dan zegt de schrijver: dit boek had niet anders gekund. En dan bedoel ik niet alleen de mooie goedlopende zinnen en de rake beelden, ik bedoel dat dit het monument is dat Hans voor zijn moeder moest schrijven.

Lebowski geeft Alles is oké uit.

Euclides da Cunha, Bart Koubaa: de redactie las twee boeken over Brazilië, een episch, veelvormig boek over een land en een opstand, en een zowel magisch-realistische als gruwelijke V.O.C.-roman.

*

Jan van Mersbergen: Euclides da Cunha, De binnenlanden

Boeken vormen een reeks, betoogde ik een tijdje terug. Na het lezen van het eerste deel van De oorlog aan het einde van de wereld van Maria Vargas Llosa was er maar één boek dat ik met zekerheid moest lezen: De binnenlanden van Euclides da Cunha, vertaald door August Willemsen.

De binnenlanden is de non-fictie-leesaanvulling op de roman van Vargas Llosa. Wat betreft het schrijven was De binnenlanden de basis voor De oorlog aan het einde van de wereld. Soms kun je boeken lezen in de omgekeerde volgorde dan waarin ze geschreven zijn. Noem dat verdieping.

Ik wil nu eigenlijk al veelzeggende duidende woorden gebruiken om het boek neer te zetten: prachtig, ijzersterk, indrukwekkende, wreed, imponerend, uitgebreid, lijvig en beeldschoon, maar eigenlijk doen al die simpele typeringen de leeservaring tekort omdat dit boek een compleet land, zelfs een compleet continent bestrijkt. Het laat zien wat de volksaard van de mensen in dit uitgestrekte land is, door in te zoomen op een enkeling.
Dit boek is Brazilië.

Allereerst het verhaal. Aan het einde van de negentiende eeuw, dat lijkt al twee eeuwen geleden, krijgt een enkele man een ongekende faam toebedeeld. Over een periode van zeker dertig jaar ontpopt hij zich van een eenzame vreemde kluizenaar tot een goeroe die een enorm gevolg aan zich bindt, een eigen gemeenschap in het dorpje Canudos, vergelijkbaar met de vertelling van Gabriel García Márquez over de stad Macondo, in Honderd jaar eenzaamheid. Zonder toeval evenveel lettergrepen, Canudos en Macondo. Evenveel letters ook. En vijf van de zeven letters komen overeen. Echter, García Marquez verzon zijn stadje. Canudos lijkt in zijn echtheid en weidsheid meer fictie dan Macondo.

Aanvankelijk is hij een verstotene die de eenzaamheid van de sertão, de dorre vlakten in Brazilië, opzoekt. Lang haar en baard, paard versleten gewaad, wandelstok, het prototype van een verwilderde of verstotene die als enige basis het geloof heeft, in een uitgekamde vorm. De weg van die bijzondere figuur naar de gemeenschap die zich met hand en tand verzet tegen inmenging van buitenaf en dus ook tegen ingrijpen van de republiek, het bestuur, de politie en uiteindelijk het leger is lang en beslaat vele jaren.

De roman van Vargas Llosa laat naast de Raadgever, zoals Antônio Conselheiro al gauw genoemd werd, verschillende figuren zien die ieder hun eigen motieven hebben om hem te volgen: een vrouw die met een wiggelroede water op kan sporen, een bandiet, een priester die zich vergrijpt aan drank en vrouwen, andere verstotenen. In goed leesbare levendige taal trekt Vargas Llosa de lezer die gemeenschap in, met steeds de dreiging van buitenaf: het leger dat een einde wil maken een deze rebellie.

Vargas Llosa baseerde zijn roman op de feiten die Da Cunha aanvoerde, in het enige boek dat hij in zijn leven schreef: De binnenlanden. Het is een nauwgezet verslag van de grootste misdaad uit de Braziliaanse geschiedenis. Hoe zet je zo’n groots opgezet boek neer?

Het is als Congo van David Van Reybrouck, maar dan over Brazilië, en specifiek geconcentreerd op deze relatief kleine geschiedenis, waarbij land, natuur, antropologie, geschiedenis en alle mogelijke literaire middelen en stijlen (epos, poëzie, roman, essay) gebruikt worden.

Het is In Cold Blood van Truman Capote, maar dan vele maken groter en exotischer. Waarschijnlijk gaat die vergelijking mank, het geeft wel een klein idee van het allesomvattendheid en imponerende onderzoek dat in dit boek uitgewerkt is.

Ik moet zeggen: het begin, als Da Cunha het land met de vlakten, de droogte, de uitgestrektheid beschrijft, zet me aan tot bladeren, want wat Vargas Llosa direct lukt – het leven van die ene vreemde vogel schetsen – lukt Da Cunha pas na honderd bladzijden. Dan is hij aangekomen bij de eerste stappen van de Jomanda-achtige man en zijn leven en wegen. Vanaf daar leest het boek als een nauwgezet verslag van die ene man, een verhaal dat langzaam uitgroeit tot de oorlog uit de titel van de roman van Vargas Llosa, waarin duizenden mensen, aan de kant van de regeringstroepen en van de Raadgever, omkwamen. De opbouw van een gemeenschap die een staat op zich was, tot een slachting die twee jaar bestreek.

De taal van Da Cunha is verfijnd, duidelijk, beschrijvend en tegelijk zeer duidend, sfeervol en met een mooi ritme: ‘Zijn wonderlijke verschijning in de stad – het gezicht als van een dode, strak als een masker, zonder blik, zonder lach, de oogleden geloken, in die kassen, en zijn hoogst eigenaardige uitdossing, en zijn afstotelijke voorkomen van opgedolven lijk, in zijn lange tuniek die een zwart doodskleed leek, met stof bedekte haren die tot op de schouders hingen en zich verwarden met de stugge haren van de onverzorgde baard die tot zijn middel reikte – al die dingen prikkelden nieuwsgierigheid.’

Hier probeert een schrijver te beschrijven, verklaren, inkleuren, maar alleen om de geïnteresseerde lezer een zo volledig mogelijk beeld te geven van deze excentrieke man zodat je hem voor je ziet, zodat je voelt wat voor een man hij was.

Dat lukt prachtig. Iedere alinea is een aanvulling op dit beeld, lukraak gekozen onderaan pagina 129. En op deze manier beschrijft Da Cunha de andere mensen, het leger, het dorp, de streek en het land. Het is een beeldende poging om iets onuitputtelijk groots te omvatten.

Wat het boek in onze tijd wederom zo belangwekkend maakt is de actualiteit van geloofswaanzinnigen die er ook nu zijn. De manier waarop Antônio Conselheiro met beschuldigingen door de rechtbank omgaat – hij zou moorden hebben begaan – lijkt op de manier waarop de moslimextremist die in Utrecht mensen vermoordde in de tram, omgaat met zijn rechtzaak: hij erkent de rechtbank niet, heeft geen spijt, zou het zo weer doen en houdt vast aan zijn zelfgekozen stoïcijnse houding. Da Cunha laat zien dat het niet vreemd is dat dergelijke figuren uit bepaalde kring waardering krijgen. Verwerpelijkheid en waardering gaan hand in hand.

De mogelijkheid die Antônio Conselheiro had om, misschien zelfs zonder dat hij daar op uit was, met zijn volgelingen een fanatieke gemeenschap op te bouwen die jaren stand hield is tegenwoordig minder aanwezig, al gebeurt dit zeker nu nog. De opkomst en neergang van IS laat zich in eenzelfde verhaal vertellen, en ik hoop dat een journalist daar ooit toe in staat is.

Ik moet opeens denken aan Laura H., het boek over het meisje dat in Syrië was. Is dat boek onze versie van De binnenlanden? Daar ga ik de komende tijd achter zien te komen.

Meulenhoff gaf De binnenlanden uit. Het boek is op papier nog verkrijgbaar bij Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Bart Koubaa, Het leven en de dood van Jacob Querido

Er is iets eigenaardigs aan de nieuwe roman van Bart Koubaa – maar feitelijk kun je dat altijd zeggen van zijn boeken, hij bouwt al twee decennia aan een eigenzinnig, kronkelend oeuvre. Hij weet je niet zelden te betrekken bij ongewone personages in een universum dat logica lijkt te ontberen. Het leven en de dood van Jacob Querido is zijn eerste echte historische roman, te plaatsen in de korte periode dat de V.O.C. een deel van Brazilië (Ja! Nog een keer Brazilië!) veroverd had op de Portugezen om de suikerhandel over te nemen. Zijn hoofdpersoon, die de naam van Koubaa’s uitgeverij draagt, is een joodse Nederlander met Portugese wortels, was verliefd op het verkeerde meisje en wordt weggestuurd om de belangen van zijn vader in het Westen te behartigen. Daar slaagt hij in, hij steunt zijn oom en bouwt een succesvol bedrijf op, hervindt de liefde, of in ieder geval de bevrediging, maar met slecht nieuws uit Holland, de wraak van zijn slaven en ongelukkige jungle-ervaringen komt de dood van Jacob Querido met rasse schreden naderbij.

Dat is het verhaal, de roman is veel eigenzinniger. Wat nieuw voelt, is hoe Koubaa vertelt, hoe hij perspectief inzet. Neem de openingsscène, die op Athenaeum.nl iets ruimer is voorgepubliceerd:

‘Op 23 augustus 1630 stond Jacob Querido op het halfdek van De Gouden Salamander toe te kijken hoe een zwartbonte koe door vier matrozen vanuit een schuit aan boord van het schip werd gehesen, boven de kuil werd geduwd en er licht heen en weer slingerend in verdween. Op de schuit waarboven mantelmeeuwen in een zilvergrijze wolkenhemel opgewonden krijsten, stonden nog drie koeien zij aan zij te wachten om onder Hollandse aanmoedigingskreten in het ruim te worden geladen, terwijl in de verte, tussen een walvisvaarder en een ander compagnieschip dat ook deel uitmaakte van het kleine konvooi waarmee De Gouden Salamander naar Brazilië ging zeilen, een kloeke stier door twee aangeschoten Duitse en twee Deense soldaten in een sloep naar de driemaster werd geroeid. Vlak voor de sloep de ronde romp van het schip bereikte, wist de stier zich echter los te wringen van de twee Duitse soldaten die hem in bedwang hielden en sprong hij in het water, waarbij hij de dronken Duitsers meetrok in het paarlemoeren sop. De in paniek geraakte stier brulde onafgebroken en spartelde woest tussen de bevoorradingssloepen en de kleine bootjes van de zoetelaars die drank, tabak en suikerwaren aan de aangemonsterde bemanning probeerden te slijten. Een paar tellen ging hij kopje-onder en steeg direct daarna als een driftig zeemonster uit de zee op om naar adem te happen terwijl de twee Duitse soldaten zich vastklampten aan een roeispaan die hun werd aangereikt. ’

Ons startpunt is Jacob Querido zelf, maar vandaaruit schuift de camera uit naar een schouwspel dat bijna gelijktijdig (‘waarboven’, ‘terwijl’, ‘vlak voor’, ‘waarbij’, ‘direct daarna’) dronken soldaten, een stier en koeien en de hele omgeving erbij betrekt. Een chaotische werkelijkheid, en het is vast niet toevallig dat Koubaa even later vaststelt: ‘De hele rede was in rep en roer.’ Dit is de wereld van Jacob Querido, onrustig en onvoorspelbaar, waar verkrachting, dood, hoerenloperij, kannibalisme en drugs gegevens des levens zijn. Onze hoofdpersoon zelf ondergaat het, ziet het en maakt er deel van uit – zodat het bijna onthecht aandoet. Dat wil zeggen, in een van de meest dramatische gebeurtenissen van de roman, beschrijft Koubaa zijn gemoedstoestand wel, maar blijven we door het perspectief op afstand van.

‘De oude Jood werd een vierde, een vijfde en een zesde keer onder de kiel van De Gouden Salamander door gehaald, en ook al kwam hij daarbij steeds meer onder de wonden en het bloed naar boven, hij bleef leven, waar Swartehondt heimelijk op hoopte. “Naar boven!” De achtste keer dat de oude Jood voor Swartehondt werd geleid was zijn lid afgerukt en zakte hij in elkaar. Vrij snel daarna werd hij door de chirurgijn doodverklaard.
Jacob Querido bleef gechoqueerd en vervuld van een diep afgrijzen, en anderzijds gedreven door een duistere nieuwsgierigheid, het hele gebeuren in zich opnemen, zoals de rest van de bemanning, die, afgaande op de gezangen toen de oude Jood naar boven werd gehesen en de ophitsende kreten toen hij van de ra naar beneden viel, deels leek te genieten van de straf, maar ook de ogen dichtkneep of zich vloekend en walgend wegdraaide toen hij bloedend aan boord werd gehaald.’

Natuurlijk, het raakt hem: ‘Wat was dat verdriet dat hij voelde opkomen en dat werd versterkt door het beeld van Judith en zijn familie en de zilveren Hollandse luchten die met een klein briesje aan kwamen waaien?’ Maar zo makkelijk vervliegt dat: in een lange geschakelde zin die in een merkwaardige nevenschikking uitloopt, van ‘lucht in de longen’ ‘het woordje wind’ maar ook het hortende ‘het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten’.

‘De licht trillende veer op zijn hoed naast zich verdrong echter de opwelling van triestheid, en bevrijd door de kleine luchtverplaatsing, die hij niet alleen had gezien maar ook op zijn gezicht had gevoeld, liep hij naar het dek, waar niets meer van de strafuitvoering was te merken en waar ieder bemanningslid met lucht in de longen het woordje wind voortdurend als een schietgebedje afratelde in de hoop de langverwachte wind aan te wakkeren en het dogma dat demonen de wind en de storm en de vuurregen naar beneden storten teniet te doen.’

De emotie is er, en dan is hij weg, alsof het witte poeder alles vlak maakt. De oude Jood met zijn oudtestamentische connotaties, zijn spookachtige flexibiliteit, reïncarneert in een rode kat die Jacob komt vergezellen, en overal zijn kleine flitsen van het magisch universum van Koubaa. Dat universum beschrijft hij even vanzelfsprekend als het ‘fijn wit poeder’, kitshaara, dat Jacob snuift, de gratis of gekochte liefde, en de gruwelen die de slavernij meebrengt.

De slavin met wie Jacob vrijt, is bij aankomst in de Nieuwe Wereld meermalen verkracht en tot slaaf gemaakt. Ja: ‘De zaterdagen met Musoke waren de gelukkigste in Jacob Querido’s jonge leven in Brazilië. Elke vrijdagavond zinderde zijn lijf bij de gedachte aan de zoete geur van haar donkere lichaam onder de sjofele witte jurk die ter hoogte van haar rijpe borsten schaamteloos openviel, en voelde hij met gesloten ogen haar warme schoot waarop zijn hoofd rustte terwijl ze zacht wiegend Afrikaanse liederen zong.’ Maar nee, dat is geen liefde, en ook al laat Jacob zijn slaven vrij, deze rekening blijft open staan. Bij haar bevrijding slaat Jacob haar in het gezicht, later komt ze wraak nemen. Zij gebrandmerkt, hij gebrandmerkt.

Onthecht registrerend, magisch-realistisch, realistisch, dat allemaal, maar de humor? Die is er minder. Het leven en de dood van Jacob Querido is een zwarter, serieuzer deel van Koubaa’s oeuvre, maatschappelijk als De leraar. We zien al snel dat Jacob Querido het geluk niet gegund is, dat hij zich met drugs en sluwheid weet af te schermen van een wereld van vuur, koloniale handelsoorlog en ongekende wreedheden, maar er toch deel vanuit maakt. De dood is een gegeven. Maar toch, toch is er de taal, de verwarrende nevenschikkingen, en een dialoog als deze:

‘“Het is gemakkelijker om een os te laten vliegen, wordt in de gelagkamers van Recife gezegd.”
“Die brug komt er,” zei Johan Maurits licht geïrriteerd, terwijl hij het zweet met een kanten doekje van zijn voorhoofd depte, “maar daarmee zijn we nog niet van die muizen verlost.”
“Katten,” zei Jacob Querido.’

Er komt een brug tussen Mauritsstad en Recife, maar die os vliegt ook nog menigmaal, en de katten redden Jacob van zijn eenzaamheid. Het leven en de dood van Jacob Querido is een roman die rijk is en vol, maar hij is niet onbezorgd, en als hij tot herlezen uitnodigt, dan vooral vanuit een duistere nieuwsgierigheid.

Querido gaf Het leven en de dood van Jacob Querido uit.

De redactie sprak deze week bemoedigende woorden bij een boekpresentatie, las de lijvige tweede van Buwalda en pakte er een oorlogsboek bij dat soms op een Hollywoordfilm lijkt.

*

Thomas Heerma van Voss: Ivo Victoria, Alles is oké

Afgelopen dinsdag presenteerde Ivo Victoria zijn nieuwe boek Alles is oké. Ik mocht dat boek alvast lezen, een voorrecht want de boeken van Victoria zijn altijd de moeite waard. Min of meer per toeval las ik ze allemaal. Of, nou ja, toeval, ik bedoel eigenlijk: omvangrijke oeuvres of reeksen van iemands boektitels kunnen soms afschrikken, het werk van, zeg, Vestdijk trekt mij bij voorbaat al minder aan omdat het zo veel is, omdat ik denk: daar krijg ik niet direct vat op, daar zitten anderen meer in – als Ivo al vijf boeken had geschreven toen ik begon met lezen, had ik ze vermoedelijk niet allemaal ingehaald, maar nu groei ik als lezer min of meer mee met zijn werk, ik lees elk nieuw boek belangstellend, ook omdat hij steeds iets anders probeert. En daar veelal in slaagt. Ook bij zijn nieuwe Alles is oké. Goed. Waarom mocht ik dit boek alvast lezen? Omdat Ivo me vroeg daar iets over te zeggen. Hieronder de toespraak.

Beste vrienden van Ivo, beste familie, beste Ivo,

Ik sta hier als een collega van Ivo. Collega’s, dat woord betekent in ons geval niet wat het in bijna elke andere beroepsgroep betekent. Ivo en ik treffen elkaar ’s ochtends nooit bij de koffieautomaat maar zien alleen zelfgefabriceerde flarden van elkaars leven via social media. We vergaderen nooit maar hebben soms kort contact via de mail, en de paar keer per jaar dat we elkaar zien zijn daar altijd anderen bij: tijdens boekpresentaties zoals dit, tijdens literaire festivals die altijd min of meer dezelfde auteurs uitnodigen, er wordt gegrabbeld in een iets te grote ballenbak met potentiële sprekers en als de grootste namen niet kunnen, komen organisatoren af en toe bij Ivo of mij of allebei uit. Dat is nu al een jaar of tien het geval – we debuteerden min of meer gelijktijdig, werden tijdens Manuscripta ooit zelfs achter een grote tafel gezet die vol lag met ambitieus ingekochte stapels van onze eigen boeken. Om te signeren, was het idee, maar minutenlang keken we naar langstrekkende stromen bezoekers die soms wat sceptisch terugkeken. Na een kwartier waren we klaar, ik verloor met 1-0: ik verkocht geen enkel exemplaar, Ivo één. Aan mijn vader.

Vaak praten we bij zulke plechtigheden, Ivo en ik, tussen optredentjes door, over muziek, over boeken, van elkaar of van anderen, over hoe-het-met-schrijven-gaat, ik vind dat altijd aangename gesprekken, ontspannen en toch niet niksig, serieus en nooit niet te zwaar – zo komen we elkaar al jaren tegen en ik heb het idee dat we daarin best naar elkaar toegroeien, elkaar zelfs als verre, moderne collega’s wel leren kennen, al las ik in Ivo’s nieuweling Alles is oké één zinnetje dat me, ik zeg het maar eerlijk, een beetje pijn deed. “Mij noemt iedereen Hans,” staat er, “behalve mensen die me niet werkelijk kennen.”

Tja. Het schept tenminste duidelijkheid: ik sta hier als buitenstaander, ik kijk al tien jaar naar Ivo’s schrijven als een buitenstaander, zoals we ooit samen keken naar die langstrekkende bezoekers bij Manuscripta. En als buitenstaander kwam ik hem een kleine twee jaar geleden, toen we tijdens het Haagse festival Crossing Border allebei mochten voorlezen. Ivo was, ik kan niet anders zeggen, euforisch. Hij zette zijn biertje op de grond greep me bij mijn schouders, zo herinner ik het me althans, en hij keek me aan met die typische Ivo Victoria-grijns, een vriendelijke, wat giechelige grijns, eentje die ik vaker heb gezien en waarvan ik nooit weet of die stoer is of toch een klein beetje sullig, of die grijns verraadt dat Ivo vroeger tot het kamp van de pesters zou hebben behoord of toch eerder gepest zou worden – met die glimlach, waar eigenlijk zijn hele gezicht uit leek te bestaan, ik zag niets anders dan omhoog gekrulde mondhoeken, tandvlees en tand, vertelde hij over zijn nieuwe boek. Of nee, hij vertelde niet, hij riep. ‘Ik heb het! Dé oplossing! Ik weet nu helemaal hoe ik mijn nieuwe boek moet vertellen. Ja, ik heb het!’

Goed, ik ben dan wel een buitenstaander, een verre collega met wie het contact zich per toeval of via een scherm voltrekt, maar toch: dit moment herkende ik door en door. Dat gelukzalige gevoel dat je verhaal ineens tot leven komt, de tekst waar je dagelijks alleen en niet te vergeten ongevraagd aan zit te ploeteren. En dan is daar ineens het moment: ja, zó ga ik het vertellen, dit is de oplossing en jááá, hiermee overtref ik alles wat ik eerder heb geschreven.

Wat zou er op die wat gure novemberavond door het hoofd van Ivo Victoria zijn gegaan? Omdat we elkaar sindsdien zelden hebben gezien – geen koffieautomaat, geen vergaderingen, geen afspraken – vroeg ik hem er nooit naar. Wel heb ik het me de afgelopen weken, tijdens het lezen van Alles is oké veelvuldig afgevraagd.

Misschien, dit zou kunnen, had Ivo toen op die avond net bedacht dat Alles is oké niet alleen het verhaal over een verdwijnende moeder moest worden, die zich steeds minder herinnert en geleidelijk oplost, maar ook over de zoon. Dat is knap: moederboeken worden er de laatste jaren volop geschreven in de Nederlandse letteren, maar in deze roman gaat het niet alleen over de wegkwijnende bejaarde, het gaat ook over het bestaan van de zoon, die België jaren geleden heeft ingeruild voor Nederland en intussen zelf ook al een ouder is geworden. Zijn gezinsleven raakt heel subtiel ontregeld door wat er met zijn moeder gebeurt, door de bezoekjes die hij een beetje beschaamd en vol schuldgevoel aan haar brengt. Wat heeft hij nog te bieden? Welke rol wordt hij geacht op zich te nemen? Over die vragen gaat Alles is oké, een roman waarvan de kwetsbaarheid iets teders heeft, nergens wordt dit proza zwelgend. Een citaat: ‘Daar, een paar honderd kilometer zuidwaarts aan dat vervreemdende thuisfront, voltrok zich iets waarbij ik verondersteld was aanwezig te zijn. Ik voelde me een acteur die een cruciale bijrol vervulde maar nu om redenen die hij zelf ook niet begreep verstek liet gaan.’

Een kind dat het gevoel heeft tekort te komen, daarover gaat Alles is oké ook, en het kind kómt natuurlijk tekort, dat kan nu eenmaal niet anders: zoals bekend kan geen kind zijn of haar ouder redden of in leven houden, niet fysiek althans – soms juist wél mentaal, met herinneringen, met verhalen, en het kan ook zijn dat dat de ingeving was van Ivo, op die gure novemberavond in Den Haag. Alles is oké gaat namelijk niet alleen over de zoon die naar de moeder kijkt en registreert, het gaat ook over de moeder zelf, althans, het verhaal van de moeder. Vrij bruusk wordt na enkele tientallen pagina´s het ik-perspectief van deze roman doorbroken en de camera verplaatst zich, er dienen zich minder dialogen aan, mevrouw Stevens verschijnt ten tonele, een strijdvaardige dame die in niets lijkt op de vegeterende moeder in het heden, een vrouw die in oorlogstijd opgroeit en op de school waar ze later werkt vervolgens haar eigen robbertje moet vechten met de rigide, zeg gerust afschuwelijke schooldirecteur Pauwels. Háár verhaal wordt verteld, afstandelijk en tegelijkertijd intiem, en daarmee krijgt de oude versie van mevrouw Stevens die roerloos thuis zit, in zekere zin wachtend op het einde, veel meer reliëf: het aftakelen wordt pas echt schrijnend als je, in de loop van deze roman, voelt wat er aftakelt. Anders gezegd, en Ivo Victoria heeft dit heel goed begrepen: iemands afsterven maakt pas echt indruk zodra je weet wat voor leven er allemaal verdwijnt.

Misschien is dit wat Ivo Victoria toen, op die novemberavond, had bedacht, misschien verzon hij ook wel heel iets anders. Als ik mijn geld ergens op moet inzetten denk ik eerlijk gezegd dat hij deze elementen van zijn verhaal al had: moeder jong, moeder oud, volwassen zoon die langskomt en van de weeromstuit thuis in Nederland niet veel verder komt dan biertjes drinken en sigaretten roken op zijn balkon. En ik denk dat hij toen op Crossing Border een ingreep bedacht waarmee Alles is oké extra gelaagd wordt. Ja, dit boek past bij zijn eerdere werk, er komen flarden van Ivo’s eerdere fictie terug in deze roman, die mengeling van heimwee en reconstructie, de volwassen man die hier spreekt kan zo voortkomen uit de jongen die in Hoe Ik Nimmer de Ronde van Frankrijk voor Min-twaalfjarigen Won zijn jeugd beschrijft, of uit de hoofdpersoon uit Dieven van vuur die in zijn melancholische herinneringen afdaalt naar één specifiek moment van de jaren negentig in Antwerpen – maar nooit eerder reflecteerde Ivo in zijn romans zo slim op de bezigheid van het schrijven zelf.

Alles is oké is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en de ontwrichting van haar naderende dood, dit is niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans – eindelijk mag ik die naam gebruiken – wanneer hij mevrouw Stevens beschrijft, heel terloops in een bijzin: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders in de roman staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ Even later vraagt de hoofdpersoon zich ook af of hij hier wel goed aan doet – hij heeft last van ‘een opstandigheid die wordt gevoed door de twijfel of het wel volstaat het allemaal op te schrijven, of dat niet te gemakkelijk is.’

Op die vraag, of alles gewoon maar opschrijven geen makkelijke, laffe oplossing is, staat geen eenduidig antwoord vast, maar ik denk wel: het is voor ons in elk geval een fijne oplossing geweest. Wat Ivo Victoria toen op die avond ook heeft bedacht: het heeft gewerkt, Alles is oké is een heel secuur, intelligent, ontroerend verhaal geworden, genoeg reden om euforisch over te zijn. Al las ik op Ivo’s eigen blog dat er van die euforie weinig resteert, vorige week schreef hij over zijn boek ‘dat de zaak totaal kansloos is en het maar beter zou zijn om met deze gekkigheid te stoppen. Nooit meer een boek schrijven – een heerlijk vooruitzicht.’ Wat is dat nou, Ivo? Doemgeluiden over het boekenvak kennen we nu wel, die gehekelde term ‘ontlezing’ natuurlijk, het feit dat er minder aandacht voor is en minder publiek en noem het maar op, maar juist dan moet je toch doorzetten – en juist dat moment voor verschijning, dat een boek af is en alles nog kan, dat het gelukt is en al je eurekamomenten en -momentjes ergens in hebben uitgemond, dient toch gevierd te worden? Als we dagelijkse collega’s waren geweest had ik dit ‘s ochtends bij de koffieautomaat tegen je gezegd: kop op, je hebt iets heel goeds gedaan, geniet er maar van. Nu zeg ik het hier, te midden van anderen: gefeliciteerd met je mooie boek.

Daan Stoffelsen: Peter Buwalda, Otmars zonen

Peter Buwalda schrijft in het groot: Otmars zonen, dat begint bij hoofdstuk 111 en eindigt bij 75, 607 pagina’s, is nog maar deel een van een trilogie. Otmars zonen, zijn echte zoon – een muzikaal wonderkind, figurant in dit deel – en zijn stiefzoon – een middelmatig Shellmedewerker met een vechthuwelijk -, diens biologische vader – een hoge baas bij Shell zonder scrupules en met bijzondere seksuele wensen – en een prachtige journaliste van Thaise afkomst. Zij woonde in hetzelfde studentenhuis als de een, en heeft sterke wraakgevoelens voor de ander. Er zijn overwegingen over familie en adoptie, er is liefde en ruzie, er zijn grote belangen, er is seks en heftige seks en ejaculatio praecox.

Het mooie is: het lukt. Er zijn momenten dat je denkt: dit kán niet, dit is té ongeloofwaardig (ja, natuurlijk: iedereen raakt ingesneeuwd op Sakhalin, natuurlijk moeten ze een hotelkamer delen), maar dan heeft Buwalda je weer in een nieuwe scène getrokken. Hij benauwt je met de ene verteller, Ludwig, zijn ongemak, zijn frustratie, zijn neiging tot ruzie, zijn fouten; hij bevrijdt je en lokt je in een andere val, met de andere, Isabelle, haar gebrek aan schroom, haar kille woede, haar lef; hij beloont je met de stem van een in het nauw gedreven Hans Tromp, de nemesis. Hij wisselt moeiteloos van perspectief, en hij rekt, rekt, rekt wat toch voelt als de prelude op een grote confrontatie – eerder dus een tantrisch voorspel dan een voortijdige ontmanteling.

De associatie met A.F.Th. van der Heijden ligt voor de hand: het reeksdenken, het rekken, maar ook het oog voor details. Zoals navelpluis voor eeuwig sexyer en betekenisvoller is geworden door Van der Heijdens Mooi doodliggen, zo heeft Buwalda nog wat kleine dingen heel groot gemaakt. Het lepeltje op de voorkant krijgt een geweldige invulling, bijna een persoonlijkheid, maar ik zal geen gele eierdopje meer kunnen zien zonder aan Buwalda te denken. En twee paar oordopjes spelen een cruciale rol in de hereniging van Ludwig en Isabelle. Zij ligt al in bed, hij zoekt zijn dopjes. Zonder die dopjes kan hij niet slapen. Waar zijn die dopjes?! ‘Ze is op haar rug gaan liggen – hij kijkt recht in haar kleine oor. Spontaan buigt hij naar voren: er zit iets in, een geel oordopje, het is dwars aangebracht, het hangt er half uit. Hij laat de ontdekking even op zich inwerken. Kan dit waar zijn? Heeft ze zíjn oordopjes ingedaan?’

Onderwijl terugdenkend aan een vorige confrontatie, waarin hij in het geheim iets van haar stal, begint de reconquista.

‘Hoewel hij van plan is een gestolen schuimpje uit een schuldig oor te pakken, heeft hij het gevoel de integriteit van haar lichaam te gaan schenden – de integriteit van een gehoorbuis, maak het niet te groot, het is een oor, maar het is al te laat: het oordopje is een kurk op een dure fles wijn, nee: het is de deksel van een urn, je staat op het punt haar graf te schenden. Hij gaat weer liggen, draait zich op zijn zij, opgelucht, onvoldaan.

Je kunt Buwalda enig bombast niet ontzeggen, ‘gestolen’ én ‘schuldig’, ‘integriteit’ bij zoiets kleins, maar het is erg geslaagd: een ‘schuldig oor’ is een geweldige vondst, de uit de hand lopende beeldspraak is erg geestig, en dan te eindigen met ‘opgelucht, onvoldaan’… Ja, het is vooral heel geestig, ik moet denken aan de pleisterscènes bij Kuifje, maar door Ludwigs perspectief (hier gebeurt iets heel spannends en fouts) ook benauwend.

We zitten nog midden in de oordopjesoorlog – voor hem bron van gêne, voor haar verwondering – als opeens het perspectief wisselt. Valeria Luiselli heeft dat fantastisch gedaan in Lost Children Archive, Marijke Schermer heeft dat overtuigend gedaan in Liefde, als dat het is, maar het is zo snel kunstmatig, een perspectiefwisseling. Hieronder gebeurt het, maar ik krijg mijn vinger er niet op. Goed onderwerp voor mijn gesprek met Buwalda, 1 oktober bij Athenaeum Boekhandel. Na het uitrekken? Heel mooi gedaan.

‘Vooruit maar. Hij perst de oordopjes in zijn oor, goed diep, een gelukzaligheid die kleiner blijft dan normaal. Toch moet de slaap nu maar eens komen, vindt hij.
Zo ligt hij een uur, malend over Isabelle in Enschede, over Otmar in Venlo, over Ulrike in Blerick, over Juliette in Overveen, over Tromp op Sakhalin, alles en iedereen komt voorbij – tot hij dwars door zijn doppen heen een onbekende telefoon hoort gaan. Wie belt haar midden in de nacht? Nee, het is nog geen nacht, bedenkt hij – het moet ongeveer halfelf lokale tijd zijn. Op het bureau straalt het ding op, het heuvelrugje naast hem beweegt. Zijn voet drukt zich kort in een kuit – ze rekken zich tegelijk uit. Het gevoel is benauwd en terneergeslagen – waar het vandaan komt, is niet meteen duidelijk. Misschien een droom te vluchtig voor het kortetermijngeheugen, een schijf die leeg is, ongeformatteerd. Wel resteert iets bodemloos, een emotie waarvan, als van een rouwboeket, de wortels zijn afgesneden. Ze voelt een sterke ontreddering. Ze wrijft door haar gezicht; haar huid is bezweet, behalve de punt van haar neus, die gevoelloos is van de kou. Een scherp gejengel dringt tot haar door, een nerveus melodietje dat er, beseft ze, al een tijd is, ook toen ze nog sliep: een telefoon. Háár telefoon. Meteen stopt het ding, betrapt, schuldbewust. In de stilte verdiept zich wat er al was: ruimtegebrek.’

Ruimtegebrek. 1 oktober verder!

De Bezige Bij gaf Otmars zonen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Rudolf Vrba, Ik ontsnapte uit Auschwitz

Boeken vormen een persoonlijke lijn die ontstaat door interesse, toevalligheden en logische schakels. Bij een uitgeversfeest kwam ik Jessica Durlacher tegen. We stonden op een strategische plek bij de wc, samen met Pieter Waterdrinker. Iedereen kwam langs, we hoefden daar alleen maar wat te staan kletsen, en ook dat ging vanzelf.

Toen ik de volgende dag voor mijn boekenkast stond om een nieuw boek te kiezen kwam ik al snel uit bij het verzamelde werk van GJ Durlacher, de vader van Jessica. Ik las een stukje in Strepen aan de hemel. Bijzonder boek, net zoals zijn andere werk heel erg helder en stellig, en sober geschreven, en daardoor maakt Durlacher de oorlog en de Jodenvervolging invoelbaar, iets wat alleen kan als er een zekere mate van afstand genomen wordt en het sentiment terzijde wordt geschoven.

Het boek van Durlacher stelt de vraag wanneer de vernietiging van de Joden in de oorlog bekend werd. Wat wist men? Een tragisch verhaal, want het mag duidelijk zijn dat al in 1942 in de Geallieerde landen bekend was dat in Duitsland op grote schaal Joden vernietigd werden, en dat hebben die landen met die informatie gedaan? Moeilijk om in detail deze geschiedenis uit te zoeken, wat Durlacher wel duidelijk stelt is dat het gevoel van verlatenheid bij de Joden in de kampen niet alleen met de kampen van doen had, maar ook met de manier waarop andere landen reageerden op informatie over de kampen. Ze reageerden niet. Dubbel pijnlijk.

Al gauw stuitte ik in Strepen aan de hemel op vijf namen van mannen die wisten te ontsnappen uit Auschwitz en die persoonlijk konden getuigen over wat er in die kampen gebeurde. Dat was in april 1944. De eerstgenoemde van die mannen: de Slowaak Rudolf Vrba. Ik zocht de naam op internet op. Samen met Alfréd Wetzler ontsnapte hij uit het kamp en in Slowakije werd aan de hand van hun getuigenis het Vrba-Wetzler-rapport opgesteld. Een jaar voor het einde van de oorlog. Het duurde lang voor het rapport serieus werd genomen, maar uiteindelijk stopte door het rapport de deportatie van Joden vanuit Hongarije naar de kampen.

Bij de informatie vond ik een boek dat Vrba geschreven heeft en dat in de jaren zestig verscheen. Direct bestelde ik de vertaling: Ik ontsnapte uit Auschwitz. Het verhaal van Vrba deed me denken aan Het 25e uur, van de Roemeen Virgil Gheorgiu, een vergeten boek dat een van de beste verslagen is van persoonlijk leven en leed in Oost-Europa tijdens de oorlog, naast natuurlijk De geverfde vogel van Jerzy Kosinski. Dit zijn boeken over gebeurtenissen die geen fictie kunnen verdragen. Een tijd die al ver achter ons ligt maar keer op keer weer dichtbij getrokken moet worden, omdat we de mens alleen kunnen begrijpen als we proberen die periode te begrijpen.

Zo werd ik de afgelopen week in de kampverhalen getrokken. Het ongelofelijke verhaal van Vrba is geen roman, het is zijn levensverhaal, door hemzelf opgetekend. Vrba leert dat ook, en hij leert snel. ‘Wat ik in feite leerde was de kunst van het overleven; en daarna kwam de kunst van het leven, van het beste maken van de afschuwelijke omstandigheden.’

Het boek moet het niet van de stijl hebben, want die mist de soberheid van Durlacher en er zit iets hijgerigs in. Dat heeft te maken met de rol van de verteller en het verteltempo. De gebeurtenissen volgen elkaar zo snel op dat je er als lezer vanzelf buiten adem van raakt, terwijl het verhaal toch al dwingt tot doorlezen. Ik bedoel meer dat het een verhaal is dat geen trucs nodig heeft, en jammer genoeg past Vrba wel een aantal trucs toe.

Allereerst het gebruik van uitroeptekens. Dialogen bestaan bijna volledig uit uitroepen, en worden daarom ook afgesloten worden door uitroeptekens. Dat maakt een tekst opgefokt, alsof alle mensen vanaf de reis van Vrba naar Hongarije en verder, uiteindelijk naar Auschwitz, constant tegen elkaar schreeuwen. Dat kan perceptie zijn, het kan werkelijk zo zijn, op de lezer komt het 75 jaar na de oorlog vervelend over. Er zijn heel veel boeken over de oorlog waar geen enkel uitroepteken in staat. Durlacher begreep dat. Primo Levi begreep dat. Vrba zet zijn verhaal lekker dik aan, en dat is niet nodig. Wat een leesteken al niet kan doen.

Verder heeft dit verhaal geen gewiekste Hollywood-achtige opmerkingen nodig zoals de anekdote over de jampot die bij aankomst in het eerste kamp in zijn rugtas kapotgaat en zijn kleren vuil maakt: ‘Als ze mijn overhemden en sokken willen gebruiken, dan zullen zij ze eerst moeten laten wassen!’ Inderdaad: met uitroepteken. Het voelt alsof ik naar de verfilming van dit boek kijk, al tijdens het lezen, en Tom Cruise of Brad Pitt de hoofdrol vertolkt.

Het deed me denken aan het verhaal van De laatste getuige, van Frank Krake, over Wim Aloserij die zo veel meemaakt dat het bijna niet te geloven is, op een iets andere toon geschreven, in de derde persoon, en daardoor iets meer op afstand, maar ook soms aangedikt met gedachten die vergelijkbaar zijn met de opmerkingen van Vrba. Als Aloserij van de kampbewaarders zijn bed netjes op moet maken denkt hij: ‘Wat een onzin.’ Ik begrijp de onzinnigheid van de handeling in het kamp, ik begrijp de weerstand van de gevangenen om zoiets te doen binnen deze waanzinnige kaders, maar in een vertelling over een man die gedachte prominent terug laten komen kleurt het verhaal deels in en zet de hoofpersoon bijna buiten het verhaal en buiten de andere gevangenen. De lezer kent de onzinnigheid van het opmaken van een bed in een concentratiekamp, dat koppelen aan een man die alles overleefde maakt hem anders dan de anderen in het kamp. Dat doet deze manier van vertellen.

Nog een punt: Vrba’s motief om te ontsnappen. Dat ontsnappen zit in de titel, het zit in de reis naar het kamp, het zit in de periode in het kamp. Steeds herhaalt Vrba dat hij wil ontsnappen en daar al wringt het boek, want niemand weet of hij werkelijk wilde ontsnappen, maar iedereen weet – zie de titel en de flaptekst – dat dit het verhaal is van de man die uit Auschwitz ontsnapte. Het is de vraag: lees ik het verhaal van iemand die ontsnapt of iemand die zichzelf deels boven het kamp en de omstandigheden plaatst door te willen ontsnappen en dat ook nog voor elkaar krijgt. Wanneer begon het willen?

Vanuit de luxepositie van de lezer zo lang na de oorlog is het moeilijk oordelen over de werkelijke motieven, ik kan alleen aangeven wat deze opzet met de lezer doet. Als Vrba nog maar net in het eerste kamp, Majdanek, is schrijft hij: ‘Als ik zou kunnen ontsnappen en op een of andere manier terug zou kunnen gaan naar Slowakije, dan zou ik wellicht duizenden levens kunnen redden.’

Zijn ontsnappingsmotief en de gebeurtenissen die daarna nog zullen komen lopen wel erg één op één gelijk. Ik weet, dat heb ik na het lezen van Durlacher opgezocht, dat Vrba ontsnapt is en met belangrijke informatie over de kampen in Slowakije kwam, maar wat was er eerder? Waar begon zijn plan?

Een eindje verderop, als Vrba op weg is naar Auschwitz, als ze net in de wagons geklommen zijn en de grote deuren dicht zijn: ‘Ik bekeek de tachtig mannen in mijn wagon, speurend naar iemand met wie ik een ontsnappingspoging zou kunnen wagen.’

Net een regel daarvoor heeft een SS-er de gevangenen verteld dat het zinloos is om te te ontsnappen en toch houdt Vrba zich bij zijn plan, als hij dit verhaal terughaalt. Het is alsof Clint Eastwood van Alcatraz overgeplaatst is naar Auschwitz.

Wanneer Vrba de poort van Auschwitz binnengaat, en lang daarvoor al een ontsnappingsplan had om mensen van de dood te kunnen redden, moet hij plots weer langzaam het besef krijgen wat dit voor een plek is. ‘Een van mijn belangrijkste redenen van mijn vertrek naar Auschwitz was immers geweest om te kunnen ontsnappen.’ Echter, hij ziet de wachttorens, de luchten, de hakken onder hoogspanning, en is enigszins ontmoedigd. Ook vraagt hij zich af waarom dit kamp zo streng bewaakt is. Dit moet wel een doodsfabriek zijn.

Wederom is het moeilijk oordelen, maar het voelt alsof een oorlogsheld zijn verhaal net even iets slimmer en volledig bewust uitgedacht maakt om dat verhaal nog iets op te poetsen. Het invullen van motieven en het gebruik van het woord motief is moeilijk, vanuit deze verteller. Als ze in een kamp kleding krijgen voor de treinreis naar Auschwitz, waaronder een pet: ‘Het enige waar ze (de Duitsers) zich om bekommerden was om onze kaalgeschoren hoofden te bedekken voor het oog van de buitenwereld. Maar het maakte mij niet uit wat hun motief was. Door die pet voelde ik me alsof ik naar een bruiloft ging!’

Opeens weet deze gevangene precies wat de nazi’s willen en wat hun motief is, die invulling maakt het verhaal gekleurd, het gebruik van het woord ‘motief’ is dubbel want zijn eigen motief voelt wrang, en hij denkt volledig vanuit zichzelf en vergelijkt zijn gevoel wanneer hij een pet krijgt met een bruiloft, met het onvermijdelijke uitroepteken. In deze ene alinea komen alle bezwaren tegen dit boek samen, net als bij de uitspraak ‘ik voelde me net een toerist’ als Vrba voor het eerst in Auschwitz rondgeleid wordt. Het is allemaal net te veel, alsof een zwart-wit wereld die ik ken opeens in kleur wordt uitgezonden, in rare kleuren.

Niemand weet of dat zo is, een redacteur had moeten weten dat je juist dit gevoel bij de lezer direct moet verbannen, en dat kan door uitroeptekens, gevatte opmerkingen, en tijd en plaats van mogelijke motieven naar de achtergrond te drukken. Er blijft genoeg over van dit bijzondere verhaal, en het komt beter aan bij de lezer.

Net als bij De laatste getuige wordt één man gevolgd, en is de heldenrol evident. Het is wel de vraag hoe je die rol, en de geluksfactor wordt niet overgeslagen, afzet tegen alle andere gevangenen die niet in beeld komen en die geen ontsnappingsplan hadden. Ook dat doet de vertelling. Vrba maakt van zichzelf de uitzondering, en dat hij het overleefde is niet enkel een kwestie van geluk geweest. Het was zijn wil om te overleven. Op die manier beland je in een Disney-verhaal.

Dit verhaal verdient een sobere vertelling en een mooie ingetogen toon die Vrba soms weet op te pakken maar grotendeels is hij in dit boek een verwarde verteller die zichzelf een rol toebedeelt die gezien de geschiedenis misschien klopt maar die voor de lezer toch wel vreemd voelt. Hoe dan ook: er valt weinig van te zeggen. Ik probeer over deze bezwaren heen te lezen, ik probeer het verhaal te zien zonder uitroeptekens, zoals Durlacher dat kon, en Primo Levi.

Ergens weet Vrba wel wat zijn verhaal sterk maakt, want hij vertelt niet voor niets: ‘Het feit dat Josef en ik erin slaagden het zo lang te overleven was niet iets waarvoor wij onszelf op de borst konden kloppen. Integendeel…’ De geluksfactor is zeer aannemelijk, en dat maakt de verteller nederig en tevens respectvol naar degene die het niet haalden. Het schipperen tussen een persoonlijk heldenverslag, slachtofferrol en feiten brengt dit boek in beweging.

Als Vrba over twee pagina’s een SS-er aan het woord laat met zijn verslag over het einde van het eerste kamp waar hij zat, zijn de feiten dominant. Die feiten zijn onvoorstelbaar, maar helaas de werkelijkheid. Zonder extra aan te zetten zegt Vrba dat hij geluk heeft gehad, hij ging naar Auschwitz, en dan voegt hij toch toe: ‘Aan de andere kant was Auschwitz ook geen vakantiekamp.’ Hij probeert lucht in zijn vertelling te blazen. Dat is een optie om over de kampen te kunnen vertellen. La vita e bella is een geweldig voorbeeld van een film waarin fictie de werking van de kampen en het fascisme duidelijk maken en overbrengen. De toon van Vrba wankelt, want soms weet hij niet wat hem te wachten staat terwijl hij pagina’s eerder al een plan heeft deze doodsfabrieken te ontglippen.

Ik zocht veel op tijdens het lezen. Ik keek naar fragmenten van Son of Saul, de film waarbij een man in het kamp van heel dichtbij door een camera gevolgd wordt. Zonder uitleg, zonder afstand in decor, alleen de zintuiglijke waarneming van die ene man, in geluid en beeld. Er is bijna niet naar te kijken, zo hard komt die wereld binnen.

Dichtbij de mensen komen die in Auschwitz waren, dat wil ik als lezer. Vrba lukt het wel om me daar te krijgen, maar het is zoeken en vooral in de passages die niet over hemzelf gaan lukt dat, zoals het verhaal over Franz die jam smokkelde uit de voorraadkast van de SS-ers: ‘Franz was zeker een van de opmerkelijkste figuren die ik in Auschwitz tegengekomen ben. Hij heeft het kamp overleefd en in zijn geboorteplaats Wenen, waar hij een hotel bezit, staat hij tot op de dag van vandaag bekend als Franz Marmelade.’

Dat is een goed verteld verhaal. De feiten spreken voor zich, geen uitroepteken of overdrijving, en daardoor voor iedereen invoelbaar. Een beeld kan dan zo goed werken in zo’n bijzonder verhaal: zoals een ijzersterk beeld na een beschrijving van het werk dat Vrba moest doen – met zakken cement heen en weer rennen: ‘…ik wist dat ik een onderdeel van een machine was, een radertje dat weggegooid zou worden als het kapotging.’

Of de aangrijpende passage over een verrader die omkomt in het kamp en wiens kleren verdeeld werden. Rudi Vrba kiest alleen de riem. Als hij het boek schrijft draagt hij de riem nog steeds en later schenkt hij de riem aan het Imperial war Museum in Londen. De ontsnapping zelf is zo meeslepend dat je vanzelf mee gaat met Vrba en zijn plan om via een losse plank in het perron waar hij werkt als bagagesjouwer te ontsnappen. Hier geen vooruitlopend motief en ook geen idee om anderen te redden. Hij wil zelf ontsnappen.

Dat lukt. Hoofdstuk 15 heet De ontsnapping. Het is een triomf. Op internet is een kaartje te vinden met daarop de route die Vrba en Wetzel na hun ontsnapping lopend aflegden. Zo’n kaartje geeft houvast. Met het kaartje naast me las ik de laatste hoofdstukken. Die boden me de leeservaring die ik zocht toen ik dit boek bestelde: het meeleven met gevangenen die ontsnappen. Ondanks dat je weet hoe het gaat aflopen hoop je steeds dat het lukt. Dat is geweldig lezen.

Na de ontsnapping van Vrba pakte ik er nog een paar andere oorlogs- en kampboeken bij. Die lees ik nu.

Jeroen Siebelink, Edward van de Vendel & Martijn van der Linden: de redactie las een roman over de keuze tussen familie en idealen en een aanstekelijke bundel jeugdgedichten.

*

Jan van Mersbergen: Jeroen Siebelink, Pels

In Pels beschrijft Jeroen Siebelink een nieuwbouwwijk: ‘Daken als te kort geknipte pony’s.’ Dat zijn beelden die meer vertellen dan enkel hoe het huis eruit ziet, het zegt ook iets over de blik van de verteller die op deze stille zaterdagochtend door het dorp fietst. Een huis beschrijven en iets vertellen over de hoofdpersoon, dat maakt van schrijven beeldende kunst.

Nu gaat Pels over ‘de onmogelijkheid van kiezen tussen je familie en je idealen’. Die familie: de vader is een nertsenfokker. Die idealen: dierenactivisme.

Het gevaar van een roman over dieren, over dierenleed en dierenrechten, over dierenactivisme, is sentiment. Vanzelfsprekend bestaat zo’n verhaal grotendeels uit moraal, maar moraal heeft vele kanten. Siebelink begrijpt dat. Het eerste dier dat in het boek voorkomt is een nertsenpuppy, het tweede dier is een nertsje dat bij een pasgeboren mensenbaby het voorhoofdje wegvreet. Een gruwelijke scène die alleen even opgetekend wordt door een stapte in de tijd te maken: er wordt beschreven hoe het meisje er nu bij loopt, ‘met een rimpelige pruik van rubber en kunsthaar’.

Hard beeld, dat het sentiment ver voorbijgaan, want ook zo’n pruik als resultaat van een aaibaar diertje is een pels. De lezer weet welk spanningsveld bezocht gaat worden.

Een ander geslaagd middel dat Siebelink gebruikt om zijn verhaal over mens en dier te vertellen: zintuiglijkheid. Nertsen hebben stinkklieren waarmee ze hun territorium afbakenen. Aaibare zachte diertjes, die gemeen kunnen knagen en stinken. Dit is geschreven door een dierenliefhebber die het zintuiglijke van dieren begrijpt, het dierlijke, die voelt en ruikt en ziet wat dieren doen, meer dan alleen focussen op dierenrechten en theorie. Een nerts heeft een hartslag, de verteller voelt die hartslag, hoe klein ook.

Deze roman gaat over leven, en het leven komt nooit deels, het leven komt met gedachten, fysiek, met alle zintuigen, met gevoel, zacht en hard.

Natuurlijk speelt sentiment een rol. Wanneer voor het jonge nertsje een speelhuisje omgebouwd wordt tot hok met gangetjes waar het diertje kan spelen, is dat aandoenlijk. Ik herinner me een film over de Jappenkampen in Azië waar mensen werkelijk de vreselijkste dingen meemaken, maar pas toen een wollig hondje dreigde te verdrinken ging er een ontzetting door de bioscoopzaal. Dat is het effect van dieren: aaibaarheid, sentiment, vervangend leed dat opeens goed invoelbaar is. Siebelink moet geworsteld hebben met die valkuil.

Voor het contrast laat hij wel direct de vader een boerderij beheren en de moeder van de verteller draagt bont. Efficiëntie in de landbouw, en destijds was bont een statussymbool. Ook dat beschrijft hij koeltjes en sterk, meer als informatie dan als prikkeling voor een discussie. In de landbouw veranderden boerderijen in bedrijventerreinen, mensen droegen bont, die jongen (Theun) zorgde voor een nertsje. Het verhaal is in gang gezet.

Wat er gebeurt in de dialogen die Theun navertelt: de ik verdwijnt. De jongen zegt zelf: ‘Ah, toe mam…’, waarop nog een klein uitgesproken zinnetje volgt van de moeder, en nog een zinnetje, in een derde persoonsvorm onder elkaar, een vorm die heel vaak in ik-vertellingen terugkomt en die op de lezers het effect heeft van verstoppertje spelen, en van afstand nemen. waarom vertelt de ik niet alles vanuit zichzelf? Waarom letterlijk een dialoog van lang geleden herhalen, iets kleins over wat de nerts moet eten? Wanneer een verhaal verteld wordt door een van de personages, dan is het fijn wanneer dat personage ook constant de verteller blijft. Hier neemt de schrijver het over. Die wil de dialoog in de roman hebben. Een zinnetje als ‘Maar… het is niet zo… dat ik niet geniet…’ is wel op die manier verteld door degene die het zei, het zo navertellen is heel raar.

Zou de ik dit verhaal over dat gesprek direct aan een eventuele toehoorder vertellen, aan een bar in een café, altijd een goeie graadmeter, dan zou hij er bij zeggen wie wat zei en waarom die het zei met misschien nog wat aanvullingen, of met een zeker intonatie, maar steeds vanuit zijn beleving.

Verder op ook, een opvullend leeg zinnetje:

‘Maar…’

De ik is geen camera. Een sterke verteller vertelt geen drie puntjes.

In die dialogen ben ik blij dat de ik gauw weer terugkomt: ‘Als je het mijn vader vroeg, kenden we het antwoord al.’ Daar is de jongen weer wiens stem ik wil horen. Welkom terug, vriend.

Die dialogen geven ook aan dat er iets in de vertelling verandert naarmate de roman vordert: het wordt langer en trager. Na het kernachtige beeldende begin neemt Siebelink de ruimte om scènes volledig uit te schrijven die wellicht kort en strak verteld kunnen worden, in deze ik-vorm terugkijkend op wat er toen gebeurde. Zijn alle details van belang?

Op die vraag krijg ik een antwoord als juist de tijd benoemd wordt, in de vertelling: ‘Nadat hij haar uitgebreid had staan uitzwaaien en links en rechts de weg had afgespeurd en de deur nadrukkelijk achter zich had gesloten, stond hij weer in de keuken. Hij keek de tafel rond. Eén kind ontbrak.’

Daar maakt Siebelink via de verteller tempo, door juist het uitgebreide zwaaien in sneltreinvaart te benoemen en pas te vertragen in de kamer, bij de korte zinnetjes die zeggen: er is een kindje weg. Spannend, mooi tempo. Hup, verder lezen…

Nog een stukje waarin het om tempo gaat, een afsluiting van een alinea:

‘Maar zo snel kreeg hij de hap niet weggeslikt. Hij liet de half vermalen sliertjes uit zijn mond terug op zijn bord vallen, stapte op de hoorn af, pakte hem met twee handen op, alsof het een granaat uit de oorlog was, hield de speaker op grote afstand van zijn oor, hapte naar adem om iets te zeggen en besloot toen alsnog de hoorn uiterst omzichtig terug op de haak te leggen.’

Een trage hap, niet snel weg te kauwen, en daarna handeling met een hoorn, ademhalen, een vergelijking, een besluit. Rake beschrijvingen, een verteller die mij dit proza intrekt.

Als de Statenbijbel op tafel komt – geen Siebelink kan zonder de bijbel – krijgt het verhaal binnen het gezin een zijtak: het geloof. Beter gezegd: een levenshouding die voor het verhaal stuwend is. Het handelen van de vader heeft een basis: niet mokken, aan de slag handelen, ook in slechte tijden. Een arbeidsethos dat het gezin verder helpt. Het gaat slecht met de boerderij, de vader besluit nertsen te gaan houden. Zie ook direct hier het conflict waar Theun in beland.

De beschrijvingen blijven helder, zoals wanneer het over een kooitje gaat: ‘Eén simpel haakje slechts. Pieletje uit het palletje halen, dekseltje openduwen en dan kun je weg.’

Zo lang Theun persoonlijk vertelt, bijvoorbeeld over de woede-uitbarsting van zijn vader, dan werkt de tekst heel goed, wordt het algemener dan verliest de tekst kracht: ‘Pelsdierfokkers hadden vaak het gevoel dat de wereld tegen hen was. Ze waren niet erg geliefd bij publiek en politiek, al had ik niet de indruk dat mijn vader veel last had van de buitenwereld. Hij had last van een binnenwereld.’ Die vader is interessant, de andere pelsdierfokkers interesseren me niet.

In de roman volgen verder we Theun en zijn ontwikkeling, die verhalen geven rust en vragen aandacht. Pels is een roman over hoe deze jongen opgroeit en keuzes moet gaan maken, in vriendschappen, in zijn thuis, in zijn principes. Ook deze stukken zijn me vaak te lang, als ongeduldig lezer die eigenlijk dat nertsje wil volgen, in een klein kernachtige parabel over dierenactivisme en fokkerijen, een The Old Man and the Sea maar dan over een nertsenfokker. Dat is Pels zeker niet, Siebelink zet breed in, voor een groot publiek dat zeker vlot door de hoofdstukken zal gaan.

Op pagina 100 kalt het dierenbevrijdingsfront leuzen op de muur van de nertsenboerderij. Het is persoonlijk en het zal met mijn boerenafkomst te maken hebben, maar ik word helemaal kriegelig van zo’n bevrijdingsfront. Ik hoop dat Theun niet ook die kant op gaat. Dat maakt het elzen wat moeilijker, want ik weet ook wel dat die jongen die kant op moet, anders is er geen roman.

Siebelink verschuift het zwaartepunt van de roman langzaam van ontwikkeling van een jongen naar actie van een complete groep. Zoals ik zal zei, ik sta niet neutraal tegenover de daden van dierenactivisten. Dat bemoeilijkt het lezen niet, het stuurt alleen mijn verwachtingen. Pels laat zien hoe een activist probeert zijn daden en de gevolgen van die daden te rijmen met belangen van anderen. Dat inkijkje vind ik mooi. Als Theun opgepakt is en vast zit gaat hij na welke dieren zijn vader hield en welke dieren hij bevrijd heeft. Dat rekensommetje is rationeel, maar stuurt zijn gevoel en hij probeert de uren die hij in de cel doormaakt te verantwoorden.

Het is erg moeilijk mij via een roman op andere ideeën te brengen, dat is wat dit boek me soms laat voelen. Ik weet niet of dat de bedoeling van de schrijver is. Romans hebben geen bedoeling, in ieder geval niet in eerste instantie. Toch, als ik lees over advocaten, acties, eco-winkels, creatieve broedplaatsen, bivakmutsen, een front… dan word ik ook een wereld ingetrokken waar ik helemaal niet wil zijn. Dat neemt de roman niet weg.

Het staat gelukkig in de roman zelf: ‘Ach, mensen kunnen tegenwoordig nergens meer tegen. Het is een beetje doorgeslagen allemaal, vind jij ook niet?’

Dat vind ik ook. De onmogelijkheid van kiezen, daarmee zit ik ook in mijn hoofd als ik Pels lees. Het kan soms wat korter, het kan wat strakker, ik wil soms de ik meer volgen, en ik ben erg huiverig voor proza vanuit moraal, maar ook lees ik een betrokken roman over actuele en belangrijke kwesties, want dat zijn zowel families en verbondenheid met je naasten als ook dierenactivisme.

Daan Stoffelsen: Edward van de Vendel en Martijn van der Linden, Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt

Ondergedompeld als ik ben in grote-mensen-literatuur (volgende week komen er twee longlists), komt een bundel als Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt als een verademing. Ik kreeg de gedichten ‘waar je wat aan hebt’ (zoals de ondertitel luidt) van Edward van de Vendel met illustraties van Martijn van der Linden in mijn handen gedrukt door de uitgeverijmedewerker. De vijf- en zevenjarige hadden ook al een cadeautje gekregen, deze was voor mezelf.

En hoewel ik een paar gedichten al heb voorgelezen, en de vijfjarige alle plaatjes nu bekeken heeft, geloof ik dat ik er zelf inderdaad het meeste plezier aan beleef. De praktische wenken van Van de Vendel en Van der Linden (zijn beeld, verschillend in stijl en vorm, voegt echt wat toe) hebben een prettige absurditeit, beginnend met het titelgedicht.

‘Allereerst:
sorry zeggen.
Daarna:
met jezelf overleggen
hoe je hem terug gaat laten struikelen.
Pfah.
Alsof dikhuiden de enigen zijn
die hun gewicht mogen gebruikelen!’

De eerste redactie van De Revisor gaf Willem Wilmink (eigenlijk een Tirade-schrijver) een podium, met Stratemakeropzeeshow-gedichten, en dat voelt toch niet helemaal juist. Dat zal ook het rijm zijn, zoals in ‘Prikkebeen’: ‘Zo zie ik er heel mooi uit voor het feest. / Ik geloof dat jij wel het allermeest / van alle moeders druk bent geweest, / moeder.’ Of, iets minder monotoon: ‘Pianospel’: ‘Oktoberavond. Schemeruur. / En als je stil bent, hoor je wel / door open ramen van een buur / pianospel.’ Of het noemen van namen, en verkleinwoorden en kleine woorden als grappig, verkleedpartij, raar en gek. Dat is toch geen poëzie. Toch?
Het is ambacht, en het is taalspel, maar het voelt als een halfproduct, met verlaagde drempel. Ergens wist Wilmink dat ook wel, beschrijft Elsbeth Etty in haar biografie In de man zit nog een jongen: ‘”Het enige wat telt”, merkte Willem in een interview met het dagblad De Stem op, is “dat als ik een tekst op de post doe, ik er later een prachtig arrangement bij geschreven zie en dat het goed uitgevoerd wordt.”‘ Maar hij ‘onderstreepte dat zijn liedjes wél tot de literatuur behoorden’ in dat interview. Ook in dat interview: de aankondiging van een bundel bij een literaire uitgeverij – en de voorpublicatie in De Revisor.

Ik geloof dat ik Van de Vendels werk sterker vind, rijker. Minder simplistisch ook, en dat komt al door het vrijere vers, het spel met het rijmwoord (verderop laat hij ‘lievelingsdier’ op ‘lievelingsplezier’ rijmen en ‘insectenhotel’ op ‘knutsel.nl’). Er zit behalve absurdisme (lichte, goed verwerkte echo’s van Annie M.G. Schmidt) ook niet zelden een aardige clou of wending in.

Af en toe sluipt het gemaksrijm à la Wilmink erin. In ‘Wat je moet doen als je geen lievelingsdier hebt’:

‘De poedoe —
het kleinste hertje op aarde.
Net zo belangrijk en van net zoveel waarde
als zee om je tenen
als de haast van een musje,
als een hemelsblauw steentje
in de hand van je zusje’

Die tweede zin, dat is toch Sinterklaas? Maar dan komt Van de Vendel met voorbeelden, totaal ongerijmd, prachtige vondsten. Van der Linden heeft de suggesties (waaronder de soeslik en de fennek) realistisch getekend met ‘hartje 105 vind ik leuks #fennek’. Elders is hij cartoonesk of stempelig – maar altijd passend.

Ik ben geen poëziecriticus, van jeugdliteratuur kan ik vooral genieten (of niet), maar dit boek kan ik aanraden. Misschien kan er geen arrangement onder maar wel geweldig beeld, en het is heel aanstekelijk. Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt rijmt niet zelden maar is vooral ongerijmd, het speelt en danst, doet verwonderen en lachen – en het is voor veelvuldig herlezen vatbaar.

Querido gaf Wat je moet doen als je over een nijlpaard struikelt uit.

Jane Gardam, Thijs Lijster, Rob van Essen en Ilja Leonard Pfeijffer: de redactie kwam Damien Hirst tegen in een essaybundel en twee (drie!) romans en las een klein verhaal met een groot personage.

*

Daan Stoffelsen: Damien Hirst bij Rob van Essen, Ilja Leonard Pfeijffer, Niña Weijers en Thijs Lijster

‘Hirsts schedel is minder eendimensionaal dan dat. Want de waarde van het materiaal wordt hier uitgespeeld tegen de vorm, de schedel, die […] een van de belangrijkste emblemen vormde uit de barok […]. Het besef van het vluchtige aardse leven, de vanitas, werd een dankbaar onderwerp voor schilders van de barok.’

Behalve de vele bezwaren tegen het binge boekenlezen dat ik voor de Bookspot Literatuurprijsjury moet doen, zijn er ook voordelen te bedenken. Een verhaal kan orde scheppen in de chaos die de werkelijkheid is, een heleboel verhalen kunnen een universum aan relaties creëren. Boeken rijmen.

William Blakes regel ‘to see a world in a grain of sand’ is belangrijk in Lieve Joris’ volle familiegeschiedenis Terug naar Neerpelt, en Thijs Lijster zet het citaat in Kijken proeven denken in om een werk van Marijke van Warmerdam te begrijpen. De Tweede Wereldoorlog is een voorbijganger bij Joris en Koen Peeters’ Kamer in Oostende, maar zeer prominent aanwezig in Dore van Duivenbodes Mijn Poolse huis, in Guido Snels roman De mirreberg en de monumentale boeken van Herman van Goethem, 1942. Het jaar van de stilte (een intrigerend boek met een verbluffende vorm, als hij uit is, moet ik er hier meer over schrijven) en Jan Brokken, De rechtvaardigen (waarin het meervoud gerechtvaardigd is, want niet alleen van de consul die duizenden joden redde, maar van bijna iedereen lichtte Brokken het doopceel). William Blake weer eens opzoeken dus, en nooit meer zeggen: de oorlog is voorbij.

Boeken rijmen, en ergens is dat een troost: we leven allemaal in een zelfde wereld, putten uit dezelfde bronnen, en toch komen er andere verhalen uit. Heel evident is dat als je de gedoodverfde winnaar van de Libris Literatuurprijs en de daadwerkelijke winnaar met elkaar vergelijkt, Ilja Leonard Pfeijffers Grand Hotel Europa en Rob van Essens De goede zoon. Onderwerpen als toerisme, het verleden en de toekomst van Europa, wat ons mens maakt, kunst, schrijverschap, seksualiteit komen in beide boeken in totaal verschillende vormen langs. De prominente rol van de kunstenaar Damien Hirst is een mooi voorbeeld, die door Thijs Lijsters essay, waaruit ik hierboven citeer, een nieuw leven kreeg.

(Natuurlijk helpt het mijn vernieuwde aandacht dat Tzum (je zegt Tsjom, niet vergeten) selectief citeert uit een interview met Niña Weijers, die de twee auteurs tegenover elkaar zet, waarbij de een al jaren met verve een schrijver speelt (en zijn hoofdpersoon dat ook laat doen), en de ander door de prijs ontdekt is door een groter publiek. Sympathiek opkontje, lijkt me. Weijers zegt wel meer verstandige dingen tegen De Groene Amsterdammer, al is het ‘nieuws’ natuurlijk dat ze Pfeijffers boek niet gelezen heeft. Ik wel.)

*

Weijers schreef zelf ooit ook over Hirst, in haar romandebuut De consequenties is de hoofdpersoon een kunstenaar, en de toehoorder van een tirade waarin haar agent roept: ‘Wat moet het publiek met de zoveelste veel te dure rip-off van Beuys, Hirst, Koons, Ofili, Andres fucking Serrano?’ Hirst is een ijkpunt in de kunstbeschouwing, blijkbaar.

‘Op een dag ontmoetten oude en nieuwe kunst elkaar en toen was het afgelopen, ik weet nog precies waar en wanneer dat was. Ik weet nog wanneer het voor mij afliep met de kunst. Ik weet nog wanneer de kunst overleed. Het was op sinterklaasavond 2008, in het Rijksmuseum, toen ik naar For the Love of God ging kijken, die met diamanten bezette schedel die Damien Hirst had gemaakt, of beter: had laten maken.’

De ik van Rob van Essen. ‘Sceptici,’ schrijft Thijs Lijster, ‘laakten het werk om zijn vermeende potsierlijkheid.’ Van Essens hoofdpersoon is er zo een:

‘Prachtig, mompelde ze, prachtig, maar ook bij haar kwam het niet uit het hart, er sprak eerder verlangen uit dan een oordeel – verlangen naar kunst als duidbare, esthetische ervaring. Maar daarmee redde je het hier niet, hier werden geen verlangens ingewilligd, hier werd de spot gedreven met onze opvattingen over kunst, maar dan niet op een veilige, in handboeken en artikelen te vangen manier binnen de kunst zelf. Daarvoor was de destructie te groot.’

Maar het effect was erger: ‘Het was alsof de schedel door de opstelling waarin hij werd geëxposeerd in staat was waarde te overschrijven – de waarde van alle andere kunstwerken, waar ook ter wereld.’ De eregalerij van het Rijksmuseum werd een soort wachtkamer, de schilderijen een soort beeldende muzak. Kunst verloor zijn waarde voor Van Essens ik.

De scène en zijn duiding loopt enkele pagina’s lang, maar het wordt niet stug of saai, de desillusie groeit gestaag en overtuigend: alle kunst is kitsch geworden door die ene glinsterende schedel.

*

Er is ook een ander kamp, zegt Lijster, aangevoerd door museumdirecteur Wim Pijbes, en door Rudi Fuchs, die dus op ‘memento mori’ en ‘vanitas’ wijst. Dat is het kamp waarin Pfeijffer zich beweegt. Hij bezoekt met zijn Clio aan het eind van zijn monumentale roman Hirsts Treasures from the Wreck of the Unbelievable in Venetië, waarin monumentale beelden van de duurste materialen heel erg oud lijken. Pfeijffers ik, die ook Ilja heet, raakt er door geïnspireerd.

‘Zo moet ik schrijven, dacht ik, in de geest van dit machtsvertoon, deze gulheid en dit plezier in het avontuur. Ik moet de klassieke vormen en zucht naar monumentale perfectie niet mijden uit angst om niet modern te lijken, maar de moed hebben om de tijd waarin ik leef te vatten in marmeren zinnen, bronzen woorden en beelden van goud, zilver en jade, en met de beste middelen en materialen uit het verleden een gedenkteken op te richten voor het nu. Groots moet het zijn, en overdadig, een overweldigende orgie van fantasie met de technische perfectie van de commercieelste kitsch. Ik moet verbluffen. Dat is mijn taak. […] Ze zullen het kitsch noemen, omdat ze om hun eigen onvermogen te legitimeren heulen met een kunstopvatting die het onaffe, het onvolkomene, het breekbare en het voorlopige huldigt, maar ze zullen worden uitgewist door de eeuwen zoals afdrukken van hondenpootjes op het strand door de zee.’

Het zou een poëtica kunnen zijn, en zoals Pfeijffer uitgebreider deed in Het ware leven, een roman, heeft de ik alvast een reactie op de critici opgenomen. En om die meteen vast te ontwapenen, schrijft hij ook: ‘Dit alles zei ik tegen Clio, maar ik formuleerde het niet zo goed als ik het nu opschrijf, en ze begon te lachen.’ Pfeijffer is óók geestig. Hij wijdt vervolgens een klein essay aan Hirst, waaruit ik diagonaal citeer:

‘De vergankelijkheid dan wel de onvergankelijkheid van kunst werd gethematiseerd. […] De tentoonstelling ging over echt en nep. […] De tentoonstelling ging over kunst en kitsch en over de relatie tussen ambachtelijkheid en kunst. […] De tentoonstelling ging over mythevorming en de behoefte aan verhalen. […] Een constante in het hele oeuvre van Damien Hirst is de maxime van memento mori. […] De onvergankelijke halfvergane versie die Hirst van onze goedkope mythen heeft gemaakt, kan de eeuwen trotseren, onze goedkope mythen als zodanig niet.’

Pfeijffer wijdt twee keer zoveel pagina’s aan zijn herwaardering van Hirst als Van Essen aan zijn afwaardering. Hun hoofdpersonen waarderen diens kunstenaarschap niet alleen heel anders, ze kiezen ook een ander perspectief. Van Essen hoort de andere bezoekers van het museum praten, en staat met ze in een rij die oude kunst tot tijdverdrijf maakt, Pfeijffer is alleen met Clio (waar zijn al die toeristen nu opeens?) en zoekt naar de inzet van Hirst, en de consequenties van die inzet. Ik ben geneigd Van Essen meer te geloven, als een doodnormale, amateuristische beschouwer, dan Pfeijffer, die alles nog groter maakt – terwijl deze expositie van Hirst dat geloof ik niet nodig had -, meer de schrijver van de psychologie dan van de cultuurbeschouwing.

Maar het punt is natuurlijk, zoals Lijster zegt, ‘dat beide kampen gelijk hebben’. Hij duidt Hirsts oeuvre als betekenisvolle neobarok, die een tijd bekritiseert die Berlusconi heeft voortgebracht, maar ook Trump.

Als beide kampen gelijk hebben, moet je én Van Essen én Pfeijffer lezen. En Weijers misschien ook, en kopen dat boek, want zoals Tzum/Tsjom benadrukt: haar Kamers antikamers staat nog niet in de Bestsellerlijst. En in tijden waarin kunst niet alleen over de dood gaat, maar ook miljoenen kost, gun je elke kunstenaar een zakcentje.

AtlasContact geeft Kamers antikamers uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.
De Arbeiderspers geeft Grand Hotel Europa uit. Fragment op Athenaeum.nl.
Atlas Contact geeft De Goede zoon uit. Fragment.

Jan van Mersbergen: Jane Gardam, De dochter van Crusoe

Polly, de verteller van Jane Gardams De dochter van Crusoe, geeft zelf aan hoe het er bij de verschillende pleegmoeders — haar moeder is vlak voor haar eerste verjaardag overleden en haar vader zit op de vaart — aan toe ging: de mensen waren schimmig, een groot deel van haar leven bracht ze door op de keukenvloer en ze leerde dat je niet in het vuur moest vallen en hoe je de sloten op de provisiekast open kreeg om aan eten te komen. Dat zijn levendige harde beschrijvingen, maar de slotzin van deze typische Gardam-alinea maakt alles af: ‘Ze omhelsde me soms.’
Moet ik daar nog iets aan toevoegen?
Vier kleine woordjes vanuit een jong meisje die haar leven en het gemis aan genegenheid samenvatten zonder slachtoffer te zijn of sentimenteel te doen. Het zet de toon voor deze mooie roman, die volledig door Polly verteld wordt; ze kijkt terug op haar jeugd.

De roman speelt ruim honderd jaar geleden en ik moet bekennen dat ik weer moeite had om door de beschrijvingen die een tijdsbeeld moeten geven heen te komen. Het theedrinken en koekjes eten bij de haard, en vooral de fascinatie voor breiwerk en allerlei kleren: zware wollen onderhemden, korsetten, lange onderbroeken met een tournure aan de achterkant, kousen, kapothoeden, Schotse baretten. Het wordt allemaal genoemd alsof het doodgewoon is, ik krijg de indruk dat hier een oude kleermaker aan het woord is.
Daarnaast is Gardam, net als in haar andere boeken, ijzersterk in het vertellen, in details en in een vaste afgebakende sfeer. De folklore vergeet ik al snel, als de personages meer en meer gaan leven, en dat doen ze met iedere bladzijde, met iedere zin. De eerste veertig bladzijden zijn erg traag en in feite verandert alleen Polly’s meisjeslichaam en weigert ze de opgelegde kerkelijke tradities, maar als Polly het beroemde boek over Robinson Crusoe in handen krijgt wordt dat boek een parabel voor het leven van het meisje, als een verschoppeling aangespoeld op een eiland.

Polly glijdt langzaam af. Ik lees mooie zinnetjes. Gardam gebruikt heel onopvallend herhalingen en koppelt stukjes zin met ‘en’ aan elkaar.

‘Er stond een keiharde wind boven de duinen maar het strand lag in de volle zon en ik wandelde snel, rende een stuk en wandelde tot ik het gevoel in mijn vingers en tenen dat ik door het bad was kwijtgeraakt terugkreeg.’

Opvallend: geen komma voor ‘maar’. Ik kan met zekerheid zeggen dat Gardam en de Nederlandse uitgever hiervoor hebben moeten vechten want correctoren plaatsen standaard altijd een komma voor een ‘maar’. Dat zijn regeltjes. Maar het ritme van een zinnetje kan lelijk worden opgebroken door regeltjes. Wel een komma na het eerste wandelen en dan nog een keer wandelen, afgewisseld met rennen. Gardam beschrijft hoe zoiets gaat, je voelt de vermoeidheid en het willen rennen ook als je moe bent. De woorden en beschrijvingen volledig gekoppeld aan iets fysieks, en ook nog aan een gevoel in haar vingers en tenen. Vermoeidheid om het gevoel van kou elders te verdrijven. Ik voel de staat van dit meisje. Dit proza is soepel, speels, zintuiglijk.

‘De volgende woensdag sneeuwde het en had ik hoofdpijn en kwam Charlottes neefje zoals elke woensdag op de terugweg van school naar Oversands.’

Die namen en de sneeuw en hoofdpijn doen er eigenlijk niet toe, het gaat hier om het verbinden van sneeuw met hoofdpijn en een neefje. En en. Dat ritme is heel anders dan wanneer er voor de eerste ‘en’ een komma gebruikt wordt, dan loopt de zin niet. Gardam begrijpt dat goed. Schijnbaar lukraak verbindt ze zaken, en dat is zoals een meisje deze wereld ziet.

‘En met zijn dood kwam er in het gele huis een einde aan het gelijkmatige patroon van dagen en weken dat zeven jaar had geduurd. Op vrijdagavond zat Charlotte nog steeds in de schommelstoel bij de keukendeur in de rouwsluier die mevrouw Woods haar had geleend. Daar zat ze.
En daar zat ze, en tante Frances bracht…’

Die nieuwe alinea beginnen met dezelfde zin waar de vorige alinea mee eindigde, dat geeft heel mooi het verloop van de tijd aan, het zitten, het wachten, sterker nog dan die zeven jaren die verstreken waren.
In De dochter van Crusoe volgt de lezer van dichtbij een meisje in haar eigen kleine wereld. De gebeurtenissen zijn speldenprikjes om aan te geven hoe dit meisje denkt, voelt, hoe ze is. Het verhaal is klein, het personage is groot.

Cossee geeft De dochter van Crusoe uit.

Lidewij Martens, Koen Peeters: de redactie las een goed verzorgde politiethriller, en authentieke roman over een schrijver en een schilder in Oostende.

*

Jan van Mersbergen: Lidewij Martens, Steigereiland

‘Ben jij weleens nodig?’ vraagt de hoofdpersoon van Steigereiland aan een vervelende collega bij de politie. Soms kom je zinnetjes tegen in boeken die in één klap alle verhoudingen neerzetten. Dit is zo’n zinnetje. Lidewij Martens sluit er een passage mee af waarin hoofdpersoon Lin haar politiewerk even moest verlaten om bij haar woonbotengemeenschap de reddende engel te spelen, of zoals de het zelf noemt: wijkagent. Niet alle collega’s zijn daar blij mee, toch kent Lin de verhoudingen en weet ze wat belangrijk is, en soms botsen daardoor belangen. Die collega, een man, is misschien een prima politieman, in sociaal opzicht schort het er nog wel eens aan. Dat zit allemaal in die ene vraag. Weinig vertellen, veel zeggen. Dat maakt deze thriller sterk.

Aan de andere kant wordt er soms ook veel verteld, over veel bijfiguren en hun achtergronden. Martens heeft geschreven voor tv-series (Baantjer, Mees Cees, Intensive care, Flikken Maastricht), en in deze thriller merk ik dat ze graag overzicht biedt. Dit is Lins werkplek, deze collega’s lopen er rond, dit zijn hun verhalen. Bij de woonbotengemeenschap hetzelfde idee. Alsof ik in één oogopslag volledig helder moet hebben waar we zijn en wat de verhoudingen zijn.

Lin staat steeds centraal, om haar heen familie, buren, buurmeisje, collega’s, die allemaal zo hun verhaal hebben. Er is een dramatisch zwemongeluk geweest met ene Fem, waar Lin in haar jeugd op moest letten, er speelde iets met haar huidige chef, haar zus zat een tijdje in Thailand en is nu weer terug, Lin is gescheiden van een lieve man die nog in een van de woonboten woont, bij haar eerste duikles ging er al bijna iets mis… Martens volgt in de tegenwoordige tijd consequent Lin en schotelt via Lin om beurten de bijfiguren en gebeurtenissen uit het verleden voor, in een derde persoonsverteller. Een van de drama’s centraal stellen, zegt de redacteur in me. De tv-kijker echter zal alle uitgezette lijntjes goed kunnen volgen. Inmiddels ben ik redelijk op de hoogte van wat een thrillerlezer wil: duiding, helderheid, informatie. In die zin klopt deze vertelling volledig, want de dosering tussen de achtergronden en het verhaal in het nu is soepel en iedere locatie krijgt body. Het inkleuren van het woonbotenbuurtje aan de hand van de bewoners werkt goed.

Voor mij persoonlijk zijn de opsommende passages in de verleden tijd, bijvoorbeeld over de zus die als kind al door het huis zwierf zoals ze ook over de wereld zwierf of over hoe woonbootbewoner Jorkos pizza’s verkoopt, te veel en overbodig, ze leiden af van de vermissing van het vijftienjarige zwemmaatje van Lin. Martens stuurt die zijweggetjes naar het verleden, ik vraag me steeds af of haar hoofdpersoon ook op die manier de dag doorkomt. Volgens mij is die vermissing prioriteit.

Als ik analyseer, dan denk ik: sommige stukken zijn wat veel. Maar als ik rustig verder lees leef ik wel degelijk met Lin mee. Dat is dus vakkundig gedaan: dit boek is er voor lezers.
En dan lees ik verder en stuit ik weer op zo’n klein zinnetje dat de spanning opvoert en de verhoudingen tussen de personages, die allemaal volledig beschreven lijken, weer een klein duwtje geeft. Lin gaat aan een zaak met cocaïne en een stoel werken en tegen haar chef Yvonne zegt ze eventjes terloops: ‘Nina is weer terug uit Thailand.’ Dat is geraffineerd. Waarom moet die chef dat weten? Wat speelde er dan tussen die twee? Kortom: een prikje van de schrijver om het verhaal op te stuwen en om de lezer te laten lezen.

Wat verder opvalt: als Martens details geeft van Lins handelen dan blijkt de dosering heel goed te werken. Voorbeeld: Lin morst melk, drinkt eerst wat en veegt dan de vloer schoon. Die volgorde vertelt mij op een beeldende manier iets over Lin, haar karakter en haar gemoed op dat moment. Ik weet niet of ze altijd zo is, de spanning zit hem in de volgorde.
Spanning schuilt in thrillers ook in het geven en achterhouden van informatie. De lezer legt verbanden. Als in hoofdstuk 1 de zus uit Thailand terug is en in hoofdstuk 2 even gemeld wordt dat de stoel die gevonden is met cocaïne erin uit Thailand of omgeving komt, dan denkt de lezer: Die zus! Verder gaat er niemand in die eerste hoofdstukken mee aan de haal, dus de lezer twijfelt ook. Heb ik het goed? Zijn de uitgezette lijntjes geen zijspoor? Het moet haast wel. Ook dat is slim gedaan en zet aan tot verder lezen.
Dat deed ik met plezier, dat verder lezen. Nu is het een politiethriller, met onderzoek, speurwerk, zoals gezegd veel personages, en alles wordt netjes uiteen gezet. Thrillers moet je beoordelen op het verhaal, op de spanning, op de manier waarop je in het verhaal gezogen wordt, op de hunkering naar het slot wanneer je erachter komt hoe het allemaal in elkaar zit. Dat is in Steigereiland goed verzorgd, ik ga voor de zinnetjes die me iets doen.

‘In Toms auto heerst de gespannen stilte van mensen die elkaar niet goed genoeg kennen om samen te zwijgen.’

Het speuren is leuk, de heftige wendingen, zoals het verhaal van wat er met Sabine gebeurd is, de rol voor kunst in dit verhaal en de achtergrond van de zus, ontvouwen zich wel, het boek heeft een prettig rustig tempo en de spanning is niet overspannen – iets wat ik fijn vind aan thrillers. Nergens is Steigereiland dik aangezet, eerder kabbelend, zoals zoetwater tegen een steigertje. Dat is de grootste verdienste van deze thriller.

Steigereiland is verschenen bij HarperCollins. Daar staat ook een digitaal inkijkexemplaar.

Daan Stoffelsen: Koen Peeters, Kamer in Oostende

Ik las de nieuwe roman van Koen Peeters, wiens De mensengenezer ik eerder prees, en waar jij, Jan, grote moeite mee had. Ik weet niet of dit boek je gaat overtuigen. Ik denk dat de hamvraag voor jou en mij al direct in het begin (fragment op Athenaeum.nl) gesteld wordt: ‘Wat is echt, wat is verkeerd of geacteerd? Wat is mooi, wat overdreven? En wat is goed, zodat het ons kan beschermen tegen de levensstormen?’

Ik vind deze roman heel echt, het is ook zo sterk op de werkelijkheid gebaseerd dat je met evenveel recht een non-fictieprijs eraan zou kunnen geven. Een schrijver bezoekt Oostende regelmatig, om uit te waaien. Hij kijkt om zich heen, staart naar de zee, hoeft niets. ‘Ik, ik heb alle tijd. Ik, ik wacht nergens op.’ Zo overkomt hem ook dat hij een vriend voor het leven ontmoet, de schilder Koen Broucke, met wie hij mensen bezoekt die over het oude Oostende kunnen vertellen, over Snoek en Claus, Spilliaert en Ensor, maar ook de nederiger zielen. En hij gaat op zoek naar de gebouwen waar ze leefden, die bijna allemaal neergehaald zijn en vervangen door nieuwbouw.

Een onderzoek, noemen ze het. Ze ontwikkelen een interviewmethode. Maar er is geen doel, geen vraagstelling, alleen een gulzigheid, een nieuwsgierigheid, een prettige richtingsloosheid – en een hartverwarmend ongecompliceerde vertrouwdheid.

Dus is er ook geen plot, tenminste, als je de kleine verhalen van alle grote en kleine levenskunstenaars in de kuststad niet zo beschouwt. Twee mannen komen telkens in Oostende. Ze spreken mensen. Aan het einde van het boek gaat de een elders wonen, en de ander koopt een appartement in de stad. Maar ondertussen hebben ze een beeld geschept van een stad, van de mens, van hoe de nabijheid van de zee je helpt – of niet. Peeters creëert een sfeer, een indruk van de complexiteit van de menselijke psychologie en de kunst die daaruit voortkomt.

Dat hoeft niet ingewikkeld te zijn, alleen is het niet erg expliciet (zoals deze mannen elkaar goed genoeg kennen om te zwijgen dus). In dat eerste hoofdstuk schrijft Peeters:

‘Het is nog steeds ochtend. Na mijn werfbezoek loop ik naar de dijk om uit te waaien. Ik loop langs de zee op het harde zand. O, wat hou ik van deze stad met haar zilverige ochtenden.’

Die laatste zin is poëtisch, misschien té, een soort overdreven lyriek. Het zijn ook niet mijn favoriete passages: hoe ‘echt’ een verzuchting ook is, je bent er niet bij. (Of, zoals de zee, een personage in dit boek, verderop zegt: ‘Je moet niet te poëtisch doen over mij, schrijvertje.’) Natuurlijk maakt een mens wel eens zo’n verzuchting, en zilverig is wel meer dan grijs, het is beweeglijker, en de klank is beter. Het klinkt ook positiever dan grijs, toch?

Maar het heeft iets van een gestileerd schrijverschap: kijk, zo doet een echte auteur. Geen echt mens. Dat verandert voor mij heel erg als Peeters en Broucke een duo gaan vormen. De dialogen zijn geestig, luchtig:

‘”Ook goed gezien van Friedrich,’ vindt Broucke.
“Nietzsche? Friedrich Nietzsche?”
“Nee, de romantische schilder Caspar David Friedrich. Over kunstenaars spreken wij toch altijd met de achternaam?”
Ik knik. Wij geven elkaar altijd gelijk.
“De schilder Friedrich zet altijd een toeschouwertje voor het landschap. Daardoor wordt het grootser, mystieker. Trouwens, lees jij Nietzsche?”
“Nee, ik vond dat gewoon op Wikipedia.”‘

Wikipedia! Bij Peeters voel je je niet té dom, en toch kom je dichter bij zijn schilders en schrijvers te staan. Omdat je – als hij niet iets verzucht – naast hem staat. Ergens merkt hij op over zijn poëtica, Friedrich is niet ver weg: ‘Dat is het. Ik kijk ook graag mee over de schouders.’ Meekijken, en daardoor de sfeer vatten. Meer dan De mensengenezer is dit een boek dat een stad tastbaar maakt waar ik nooit geweest ben (ik denk Scheveningen, en dan met de Belgische vernieuwingsdrang en melancholie). Dat vind ik heel knap, geestverruimend bijna.

Kijk, soms maakt Peeters het ingewikkelder – een oh, een och, een zilverig – maar meestal is het simpelweg een vriendschap die iets gemeenschappelijks nodig heeft. En omdat dat gemeenschappelijke zo breed, divers en abstract is, ontstaat een beeld van de werkelijkheid als iets complex, zonder dat het ingewikkeld wordt. Literatuur is bedoeld om te lezen, een schrijver moet de lezer tegemoet komen (letterlijk bijna, je mag over zijn schouder meekijken), en dus moet je daar geen woorden in de weg laten staan. Maar je hoeft ook weer niet op woorden te bezuinigen, zo kaal is het leven ook niet. Ja, op een eenvoudige manier het ingewikkeldste laten zien of suggereren, dat lijkt me het hoogste.

De Bezige Bij gaf Kamer in Oostende uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Niña Weijers, Jan van Mersbergen: de redactie las een roman die personages of verhaal kinderachtig vindt en ook een sprookje met een geloofwaardige stem.

*

Jan van Mersbergen: Niña Weijers, Kamers antikamers

Over het boek Kamers antikamers van Niña Weijers vond ik een aanbevelingstekst:

‘… is een roman over de poreuze grenzen tussen herinnerde, verzonnen en mogelijke levens. Over de keuzes die je maakt, en niet maakt. Over liefde en vriendschap, en de manieren waarop mensen elkaar vinden en verliezen. Een vrouw woont op de bovenste verdieping van een rijzig, laat negentiende-eeuws pand aan een stadspark. Ooit woonde er een kunstschilder die melancholische stadsgezichten maakte en artistieke vrienden ontving in zijn atelier. Nu schrijft ze er een boek. Onder haar vingers beginnen verleden, heden en toekomst over elkaar heen te buitelen. De werkelijkheid blijkt een veelvoud, en zijzelf ook, zeker wanneer ze opduikt als personage in de roman van haar goede vriendin M, die haar misschien wel of misschien niet zal laten leven.’

Poreuze grenzen, keuzes, vinden en verliezen.

Dat klinkt abstract, maar is goed in een roman te vangen, zeker met dat gebouw erbij, en nog iets wat er te gebeuren staat. Die kunstschilder en dat boek dat geschreven wordt zijn in veel romans inmiddels noodzakelijke bijzaken, een stadsdecor dat literaire lezers bijna verwachten. Mij maakt het huiverig, maar nog huiveriger word ik van: ‘De werkelijkheid blijkt een veelvoud.’ Dat is in principe altijd zo, maar als je je concentreert op één personage dat een verhaal doorloopt hoef je je hier als schrijver eigenlijk verder niet druk over te maken.
Gaat deze roman juist hier over? Is de voornaamste handeling in dit boek het schrijven van een boek?

De titel is afgeleid van Virginia Woolf, dat vertelt een Volkskrant-recensie:

‘Om fictie te kunnen schrijven heb je een kamer voor jezelf nodig, stelt Virginia Woolf in haar essay A Room of One’s Own. Een kamer waarin je als vrouw je eigen gang kunt gaan, zonder dat de wereld (de man) je voorschrijft wat je wel of niet moet en mag. Tegelijkertijd kan je in een kamer juist worden opgesloten. Waar ben je vrij? Tussen vier muren of in het tegenovergestelde; daarbuiten, in de wijde wereld?’

Tussen haakjes staat de man. Negentig jaar na haar essay – destijds begrijpelijk want toen was het zonder die afgezonderde plek amper mogelijk om te schrijven, door vrouwen – weet Woolf mij weer te reduceren van schrijver of lezer, naar enkel een man. Dat zijn de sleetse sporen van Woolf.
Nu woont Weijers in het Witsenhuis, een mooi schrijvershuis aan het Oosterpark, juist een plek die aangeeft dat schrijven weinig belemmeringen kent in de zin van: het ene geslacht mag dat wel en het andere niet.
Waarom dan nog die kamer?

Het is moeilijk, en het blijft steeds moeilijker, om daar als man iets van te zeggen. Toch voelt het alsof Weijers voor zichzelf de kamer van Virginia Woolf heeft opgetrokken door de deuren dicht te doen die de afgelopen negentig jaar opengebroken zijn. Dat openbreken is een verdienste voor alle schrijvers, een verdienste die zegt: in onze gelijkheid is zo’n hokje om te gaan zitten pennen niet meer nodig. Ik weet dat iedere schrijver gebaat is bij een lekkere werkplek, maar de kamer waarin Weijers zich terugtrekt, de vrouw die schrijft, is vandaag de dag eerder een bescherming dan noodzaak. Indekken. Zo van: deze vrouw schrijft ondanks dat er mannen zijn met literatuuropvattingen. De verzonnen ongelijkheid die de Letteren al deze complete eeuw teistert.
Daar trek ik, een schrijver die dus eigenlijk vooral als man gezien wordt, me niks van aan. Ik klop weliswaar netjes op de deur maar eenmaal binnen kijk ik al lezende wel even naar het behang en de kastjes…

In een, ook direct na verschijnen geplaatste, recensie in NRC wordt gesteld dat

‘Weijers als auteur vakkundig wist te verdwijnen in haar met lof overladen debuut De consequenties – die door dat verdwijnen helemaal kon gaan over de ideeën erin, zonder autobiografisch auteursruis – heeft ze daar nu geen zin meer in. Zo is althans de suggestie van het naamloze hoofdpersonage, vroeg in de roman: ‘Het komt me ineens zo kinderachtig voor, personages verzinnen die een conflict moeten hebben, een onmogelijk verlangen, en na wat tegenslagen uiteindelijk berusten of roemloos ten onder gaan.’

Nu wordt duidelijk waar deze roman over gaat, of eigenlijk waar deze roman niet over gaat. We gaan geen degelijke opzet krijgen, geen fictieve personages, een verhaal – dat is allemaal kinderachtig.
De recensent van NRC vraagt zich terecht af: ‘Wat moet de schrijver dán?’
Hij heeft opgezocht dat Weijers in een lezing pleitte voor romans die een ‘onreduceerbare ervaring’ waren – romans die je geweld aandoet wanneer je ze samenvat. ‘Het enige mandaat zou moeten zijn: verkenning. Wie verkent gaat van het midden weg, op zoek naar de randen. En wie verkent gebruikt haar vrijheid, voelt wat die vrijheid is, onderkent dat er verantwoordelijkheid mee gepaard gaat.’

Nog steeds zie ik nergens heldere personages, nergens een plot. In de Volkskrant-recensie wordt daar verder op ingegaan. ‘Vanwaar die angst – of is het dedain? – voor het vertellen van een verhaal?’
Het verkennen van vrijheid en vrijheid voelen, dat is iets anders dan het laten zien van een menselijke worsteling tussen vrijheid en wellicht beklemming. Dan kom je al gauw in de buurt van een verhaal dat samen te vatten is, en dat is natuurlijk niet de bedoeling.
Verkennen, is dat grenzeloos vertellen?
Is dat de diepte in of aan de rationele oppervlakte blijven?
En dat voelen? Gaat de lezer voelen wat de schrijver voelde, via die verkenning?

Ik voel een angst voor de romans waar ik zo van hou: eenvoudig beschrijvend proza dat de lezer niet rationeel bedient maar de lezer meeneemt van a naar b naar c, en zo naar het einde. In een interview in Het Parool zegt Weijers: ‘Ik schrijf altijd om te proberen ergens achter te komen.’ Dat is in de basis wat schrijven kan doen, al is het mijn ervaring dat ik vaak pas jaren na het verschijnen van het boek ergens achter kom. Niet tijdens het schrijven. Ook niet in interviews, en zeker niet in de roman zelf. Personages, die komen ook niet zo snel ergens achter. Ik laat ze ergens komen, letterlijk. De lezer mag ergens achter komen.
Angst voel ik dus ook voor teksten waarin personages iets meemaken, waarin daadwerkelijk iets gebeurt, en waarin door die handeling uiteindelijk ook iets in de personages gebeurt, niet andersom. En dat ik dat kan voelen, als lezer.
Een roman die in de personages begint, met soms een paar woorden gericht aan een andere denkend personage, dat is precies waar ik huiverig voor ben.
Ik ben wel nieuwsgierig hoe deze verhaalloze gebeurtenisloze personageloze roman uitpakt.
Op de eerste paar bladzijden waarin een zeker M geïntroduceerd wordt, de recensent van NRC denkt Maartje Wortel in haar te herkennen – wat leuk, die ken ik. Ik lees over een skiongeluk en de betrokkenen, waaronder de verteller, laten het ongeluk en de Alpen voor wat ze zijn. Direct focust de een op de ander: ‘Ik vroeg haar of ze niet opgelucht was dat ik nog leefde.’ Handeling en decor doen er niet toe, dit is een tweegesprek, op rationeel niveau. Een directe vraag, die echter smeekt om een antwoord met emotionele lading. En dus is geen antwoord goed, want in ieder mogelijk antwoord schuilt een conflict, een spel, achterdocht, wantrouwen. ‘Dolblij,’ zegt de ander. Daar stopt het niet, daar begint het, want naast bespiegelingen over het opvoeden van een hond volgt ook een nog moeilijkere vraag:
‘En jij bent gewoon jezelf?’
Daar gaan ze…
De Alpen, het ongeluk en de hond worden gebruikt om twee mensen in een woordenspel te laten twisten. Het lijkt een interview, en daarna gaan ze los:

‘Gek genoeg lijkt het daar wel op, ja. In elk geval doe ik geen moeite om iemand anders te zijn. Ik probeer me een versie van mezelf voor te stellen in een weiland, met een paard, en wie ik in die situatie zou zijn. Al is er natuurlijk om te beginnen al een onmogelijk verschil tussen mijn bewustzijn nu, zonder paard, en mijn bewustzijn mét paard, vlak nadat ik bovendien een van mijn beste vrienden heb verloren. Ik kan wel zeggen: ik ben het zelf, minus de gebeurtenissen, maar het zijn de gebeurtenissen die je vanbinnen veranderen, niet andersom.’

Een voorstelling, een situatie, bewustzijn en verschil in bewustzijn, iets wat je kunt zeggen, zonder de gebeurtenissen, vanbinnen veranderen.
Daar schrik ik van, van die gebeurtenissen. Die ontbreken. Die miste ik steeds al. Precies dat. Het begin van Weijers tweede roman is een voortzetting van haar eerste ideeënroman, die ook ging over mensen en kunst en verhoudingen, maar waar ook geen gebeurtenissen daadwerkelijk beschreven werden, zonder dubbele pet.
Een schrijfster die stelt dat fictieve personages en een conflict, een onmogelijk verlangen, tegenslagen en een uiteindelijk berusten of een afwikkeling kinderachtig zijn, vergeet dat een verhaal wel degelijk kan helpen om die verlangens en persoonlijke motieven levendig te krijgen in plaats van voornamelijk bedacht. Hier worden personages theoretische objecten. Dat is niet kinderachtig, dat is filosofisch, maar lezers die mee willen leven met romanpersonages en die het moe zijn iedere bladzijde een slimme gedachte voorgeschoteld te krijgen, die raak je zo heel snel kwijt.

De nalatenschap van Woolf, die vanuit haar kamertje van bijna een eeuw terug vrouwen generatie op generatie in een herhalend dogma laat schrijven. De piekerige veertigers die ik tien jaar terug las en de generatie (vriendinnen) van Weijers van nu die leven in ideeën. En nog steeds werkt het goed want boekenbijlagen weten niet hoe snel ze over deze tweede roman moeten schrijven.
De Volkskrant-recensent, een vrouw: ‘Weijers heeft al schrijvende haar eigen kamer opgetrokken en zich bevrijd van de wereld die voorschrijft wat je in een roman wel of niet moet en mag. Toch beperkt regelloosheid uiteindelijk ook. Het wordt benauwd in die kamer; er mag best een raampje open.’

Vanzelfsprekend schrijf ik niet voor wat een vrouw zou moeten schrijven, in haar kamer. Ik schets wel hoe huiverig ik al na de opening ben en na alles wat ik over dit boek las. Vanuit mijn eigen dogma, dat wel. Ook ben ik, door de opzet van de roman in combinatie met het Witsenhuis nu al bang voor de periode die voor Weijers komen gaat. Dat schrijfhuis is een prachtige goedkope veilige plek, maar voor een bepaald aantal jaren. Daarna moeten de schrijvers plaats maken voor andere schrijvers, man of vrouw. Hopelijk verkoopt dit boek zo goed dat het voor Weijers straks mogelijk is een werkelijk eigen huis te krijgen, met een goeie werkkamer.
Lezen, lezen, lezen, met steeds het beangstigende idee dat ik slechts heel soms personages voorgeschoteld krijg die iets doen, die iets ondernemen, die gewoon ergens naartoe gaan, die verder vooral alleen richting hebben in hun hoofd waarbij een ander hoofd de echoput is. Dat ik geen scènes ga lezen die samen een verhaal vormen, iets wat tegenwoordig nog slechts een stoffig idee lijkt van wat een roman toch echt ook kan zijn.
Een verhaal.

Heb ik daarom tijdens het lezen van Kamers antikamers steeds die drang een boek van een schrijfster uit de boekenkast te halen waarvan ik weet dat ze niet in een kamertje zit te verstoffen, maar die buiten woont, zich een complete boerderij toe-eigende, in alle openheid, die ook woont buiten enkel haar gedachten en ideeën, die werkelijk personages opvoert ongeacht of het mannen of vrouwen zijn en geaardheid maakt haar ook niks uit, maar in ieder geval personages die handeling hebben, al gaan ze voor een kudde koeien zorgen, die precies weten wat ze moeten zeggen en niet moeten zeggen, en die een verhaal hebben. Een verhaal van zichzelf, vanuit zichzelf, verteld van buiten henzelf?
Jullie weten wel wie.

AtlasContact geeft Kamers antikamers uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Jan van Mersbergen, De onverwachte rijkdom van Altena

‘Ze drinken witte wijn in de botanische tuin en lossen een cryptogram op. We lijken wel bejaard, zegt ze, al drinken bejaarden misschien geen vijf glazen wijn achter elkaar in de zon. Ze leunt met haar hoofd in zijn oksel. Vanzelfsprekend legt hij zijn arm om haar heen, zijn mooie gezonde arm, huid die ruikt naar muesli, gras en wasmiddel. Kleine pigmentvlekjes op zijn bovenarm.
Op het eiland, begint ze.
Enigma, zegt hij, het woord moet zijn enigma.’

Einde scène. Ik vind dat geestig en goed geschreven, Niña Weijers – want zij is de auteur, Kamers antikamers is de roman – houdt het klein en fysiek. Kalm, gezond. En in één scène kenschetst ze deze man en stopt ze het drama af. Ik wil er volgende week meer over schrijven, maar ik ben het niet helemaal eens met Jan. Vreselijke flaptekst, check, onsamenvatbaar, check, moeilijke pretenties, check. Toch heel knap gedaan, vol inzichten en rijk. Ik heb er erg veel plezier aan beleefd. Het is een kunstwerk als een raadsel dat zich niet laat oplossen – en daardoor des te mooier is.

Maar ook zie ik hoe lijnrecht Weijers’ poëtica tegenover die van Jan staat, zeker als het om deze twee romans gaat. Ik neem even wat afstand: Van Mersbergens negende roman is nadrukkelijk een verhaal met tragische en komische elementen, waar Weijers het drama dus (in ieder geval op dit punt van het boek) vermijdt, en hoewel Weijers ook geloofwaardige, ietwat enigmatische, personages neerzet, besteedt hij daar wel veel zorg aan. Ik vind dit niet mooi:

‘Kort en ook hard en kil klonk haar stem. Als ik eraan terugdenk voel ik weer die rilling over mijn rug en dat komt niet door die winterkou hier. Het is een ijskoude rillig van het gemis van een vader.’

Dat zit hem in klanken, k en h, i en ie, door herhaling, door dat expliciete analyseren. (En heeft u de Van Mersbergen-ook gezien?) Maar het zijn wel lekker afgebeten zingen, kort, krachtig, en veel belangrijker dan mijn smaak is dat het volkomen klopt. Het is een ‘taal die werkelijk dicht bij me staat’, zoals de schoolvriendin uit het boek, een geslaagd schrijfster, zegt. Mar, zo heet Van Mersbergens verteller, is een vrouw die haar dorp niet verlaten heeft, ze is verpleegster en doet de administratie van het vijverbedrijf van haar man. Ze is niet van de stad, niet van de pretenties, en ze zou nooit iets uit zichzelf vragen.

Juist haar, en haar kalme gezin met het grote ongeluk – de fysieke handicap van de zoon – valt een groot geluk in handen. In hetzelfde gesprek waarin die schoolvriendin, ooit weggejaagd door een monomane vader, zegt dat ze ‘eigenlijk wil […] schrijven zoals de mensen hier praten, zoals we nu aan dit tafeltje zitten, hoe we kijken en van die korte woorden zeggen als Welk? en Hoe bedoel je? in plaats van Wat zeg je?‘, in datzelfde gesprek vraagt ze Mar en zijn man het beheer over de plaatselijke zandafgraving over te nemen, de Put. Die is van haar overleden vader, die er een hek omheen had gezet.

Waarom eigenlijk? De reden daarvoor en de manier waarop dit iets moois kan worden, is het onderwerp van de roman. Op een gegeven moment weet je het – het had van mij nog best even mogen duren -, een prachtige vondst van Mar en Van Mersbergen, en dan duurt het nog een tijdje voor Mars plannetjes daadwerkelijk slagen. Maar je hebt er al snel vertrouwen in, dat doet deze vertelster met je, en daarbij helpt het dat ze hoog en droog met heel wat meer dan vijf wijntjes achteraf haar verhaal doet. Het is goedgekomen. De onverwachte rijkdom van Altena is een sprookje, een zomers sprookje over gunnen en aannemen en puzzels. Ik heb er erg veel plezier aan beleefd.

Want behalve dat er een Japanner met de naam Murakami in zit (naamgenoot van Jans liefste Nobelprijskandidaat, ook een soort M), dat Mar zich af en toe het beste in songteksten kan uitdrukken, en dat de mooiste inzichten in stad en land, Amsterdam en Altena, en boekenvak voorbij komen, behalve die rijkdom an sich, is elk hoofdstuk een cryptogram. Bijvoorbeeld het thematisch erg belangrijke ‘6 verticaal: Dat lichaamsdeel klinkt welwillend’. Ik heb nooit cryptogrammen gemaakt, maar nu twee van mijn lievelingsauteurs daarmee komen, moet ik het eens gaan proberen. Met witte wijn.

Overigens ben ik ooit aan de Westmalle Triples geraakt door Bart Koubaa’s knettergekke roman Maria van Barcelona, en er nooit afgeraakt. Ik las de roman van @JanMersbergen in de Ardennen met een Westmalle naast mijn stoel. #eenboekkanzoveeldoen, @ArieStorm_409:39 – 14 jun. 2019Informatie over Twitter Ads en privacyAndere Tweets van Daan Stoffelsen bekijken

Dat geeft een mooie kadering aan het verhaal, het geeft Van Mersbergen gelegenheid de maar door ratelende Mar even te laten pauzeren, even te schakelen, en het geeft de lezer al snel de suggestie dat ze een slimme vrouw is, die meer met taal kan dan ze doet. Op een gegeven moment is het me te veel, dan is het cryptogram bijna af, de opgaven worden ook te makkelijk, maar het is een mooie greep. Het klopt, het past bij dit verhaal, en dat zeg ik erbij, want voor je het weet denken mensen dat Weijers van de onderzoeken naar de mysteries van jezelf is, en Van Mersbergen van de puzzels. Van Mersbergen is van de psychologie en de zwijgende personages, en die zijn hem ook in dit sprookje toevertrouwd.

Cossee geeft De onverwachte rijkdom van Altena uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Beppe Fenoglio, Annet Mooij: de redactie las de heldere zinnen en eenzelvige personages van een favoriete schrijver, en de boeiende versies van het leven van een eeuweling.

*

Jan van Mersbergen: Beppe Fenoglio, Dag van vuur

Dit kleine boekje van Beppe Fenoglio, die zich zo langzamerhand ontpopt tot een van mijn favoriete schrijvers, kon ik niet laten liggen toen ik koffie ging drinken bij boekhandel Schimmelpennink. Het heet Dag van vuur, en is vertaald door Frans Denissen, Karin van Ingen Schenau en Emilia Menkveld. Van Fenoglio had ik al Doem en De laatste dag in de kast staan, twee erg sterke boeken. In de verhalen van Dag van vuur laat hij wederom het alledaagse leven van het Italië van voor de oorlog zien. Hij schreef zijn boeken in de jaren zestig. Iedere zin van Fenoglio is helder. De personages zijn innemend, eenzelvig, volks en nukkig. Niet de prototypen Italianen, en dat maakt het werk van Fenoglio zo goed.

Het boek opent met een man die een dubbelloops (de bundel sluit ook af met een dubbelloops) oppakt en zijn broer en nog een stukje van de familie vermoordt en daarna de politie onder vuur neemt. Daarna volgen we een jongen in een compleet ander dorp die het schieten in de verte hoort en met zijn oom de dag voorwandelt. De reden voor het schieten wordt langzaam duidelijk, dit verhaal gaat over afstand en wat je daardoor weet of niet weet. ‘En ik zal de Heer smeken dat hij ons allemaal vergeeft en ons het licht schenkt, want de oorzaak van al dat kwaad dat ons in deze heuvels treft, is onze gruwelijke onwetendheid.’ Met die woorden sluit de tante van de verteller het verhaal af.

In een ander verhaal wordt een jong meisje uitgehuwelijkt aan een oudere man, ze raakt zwanger en krijgt het kind. Een sterk meisje, een sterke moeder, maar vooral ook nog een kind dat speels is, want als ze in de markthal geroepen wordt zegt ze: ‘Laat me alleen deze knikker nog uitspelen,’ precies wat ze zei toen ze geroepen werd toen ze uitgehuwelijkt werd. Een beetje iets te mooi rond, maar van Fenoglio kan ik het hebben omdat dit personage precies goed uitgewerkt is, in handeling en dialoog. Daarna volgen twee portretten van een gokker en een rooie Italiaanse jongen die nogal lomp opereert. Sterke verhalen die steunen op de beelden van het land, de mensen en hun levens. Literatuur hoeft niet bijzonder te zijn, of groots, of fantasierijk. Als het net even een inkijkje geeft van de wereld waar ik iets over wil weten, dan is het verhaal al bijna af. Als het verhaal ook nog eens verteld wordt in totaal heldere zinnen, dan is het subliem. Superino, de vreemde rooie, kijkt naar een draaikolk en zegt:

‘In deze draaikolk heeft Pietro Cogno zich twee jaar geleden verdronken, hij werd ervan beschuldigd dat hij dat maffe mens van Moretti had bezwangerd. En een jaar eerder had Ugo Fazzone zich in deze zelfde draaikolk verdronken, toen zijn oude heer hem geen geld wilde geven om compagnon te worden van de watermolen van de Verna. Ben je bang?’

Dat laatste vraagje, dat is hoe Fenoglio schrijft. Twee prachtige zinnen, die complete levens en de samenhang tussen mensen laat zien, en daarna even kort de vraag of de ander, die in de buurt is, daar soms ook geen last van heeft. Een antwoord is niet nodig. De ik die aangesproken wordt is niet bang voor het water maar wel voor school, voor de meester, voor zijn familie, voor het moeilijke leven. Het mooiste verhaal is ‘Regen en de bruid’, over een kleine jongen – het personage dat Fenoglio graag gebruikt, naïef, speels, en toch licht beschouwend – die door zijn neef, een priester, en zijn tante meegenomen wordt naar een bruiloft, door de stromende regen. De priester moet het onweer beteugelen door te bidden maar komt er niet uit. De tante vindt haar zoon een nep-priester. De jongen krijgt de priesterhoed op en wordt als ze er uiteindelijk zijn door de bruid uitgelachen. Het gaat over geloof, vertrouwen, familie, leeftijd, Italië, het platteland, de elementen. Over alles, in een bos, met levensechte personages, zeer invoelbaar en menselijk. En bovendien een verhaal met richting, naar de bruiloft, en overzicht wat betreft tijd. Kort en sterk. Ik kan me geen beter verhaal voor de geest halen en zal iedereen die ook maar iets met schrijven wil aanraden eerst dit even te lezen, nog een keer te lezen, en dan pas te beginnen. Dag van vuur werd uitgegeven door Serena Libri. Op Athenaeum.nl lichten de vertalers hun werk toe.

Daan Stoffelsen: Annet Mooij, De eeuw van Gisèle

Je moet het wel expliciet maken in non-fictie, dat verhalen niet per se de werkelijkheid beschrijven. Maar in fictie is dat niet zelden hetzelfde; zo worden in het romandebuut van Anne Moraal, Honden huilen niet, in het slot nog even alle iets te mooie verhalen bijgesteld. Ook Ilja Leonard Pfeijffer speelt nadrukkelijk met dat gegeven in Grand Hotel Europa (maar Rob van Essen in De goede zoon niet). Nu ja, ik zeg: het moet… Gisèle van Waterschoot van der Gracht (1912-2013) was een verhaal apart. Ze fabuleerde, maakte het mooier, voor zichzelf en voor anderen. Annet Mooij schrijft in haar inleiding:

‘Wat Gisèle op deze manier deed, is wat iedereen tot op zekere hoogte doet: een verhaal creëren dat de werkelijkheid zin en betekenis geeft. Maar Gisèles onconventionele leven en haar veelkantige persoonlijkheid stelden haar in staat er iets bijzonders van te maken, een verhaal dat niet alleen haarzelf gelukkiger maakte, maar dat ook anderen wist en weet te inspireren. Tegelijk was zij wel een erg fanatieke regisseur van haar eigen leven. Ze kneedde zo consequent en met zoveel overtuiging haar eigen werkelijkheid dat de vraag rijst waar zij deze mentale strategie voor nodig had. Waar kwam die onbedwingbare behoefte aan mooi maken vandaan?’

‘Iedereen tot op zekere hoogte’, daarmee wordt het verhaal van deze excentrieke eeuweling iets universeels. Maar ze is een biografie waard: adellijke en patricische wortels, een jeugd doorgebracht in de Verenigde Staten tussen oliebronnen en Indianen en in Oostenrijk in een kasteel. Kunstenares, rondom de oorlog vooral glaskunstenares, daarna vooral schilder. De gastvrouw voor het onderduikgezelschap rond de enigmatische Duitse dichter Wolfgang Frommel, dat Castrum Peregrini werd, een broederschap dat het hogere nastreefde, maar sektarische elementen had – en haar buitensloot. Minnares van burgemeester Arnold d’Ailly, later – nadat hij aftreed – echtgenote. Gisèle koos haar versies. Niet de pijnlijke, maar de paradijselijke. Zo was haar eerste liefde, als zestien-, zeventienjarige, een bijna vijftigjarige oom. ‘De weinige keren dat Gisèle later over deze gebeurtenissen sprak, benadrukte ze steeds dat een en ander niet tegen haar zin was gebeurd. Het vervolg wijst daar ook op, maar toch is het in haar geval riskant om hier klakkeloos in mee te gaan.’ Een verblijf in Parijs werd gereduceerd tot één beroemde vriend. Toen ze een affaire had, en ook bevriend was met de echtgenote, dan kon ze alleen de liefde zien, niet hoe ze haar vriendin pijn deed. Ze was zeer katholiek, maar had tot late leeftijd ongetrouwd seksuele relaties. Ook interessant: ondanks haar eigen versies had ze een enorm archief, en dat hielp de biografe enorm. Maar bovenal is de vrouw zelf interessant. Ze is niet zo’n honderdjarige aan wie je de geschiedenis kan aflezen, het was bijvoorbeeld geen krantenlezer, en politiek interesseerde haar niet. Maar de oude adel, het opkomende nazisme in Oostenrijk, de onderduik in Amsterdam, en dat mysterieuze gezelschap in haar huis – dat is echt boeiend, en niet zelden voelt Mooijs biografie als een kanttekening bij, een nuancering van wat we weten van die eeuw. Daardoor is het zelfs te rechtvaardigen dat – en ik erger me daar altijd rot aan bij biografieën – voorouders aan bod komen; adel en patriciaat, landgoederen en erfenissen spelen immers een belangrijke rol in haar leven. De eeuw van Gisèle is een boeiend boek, rondom een intrigerende hoofdpersoon, en Mooij is voorbeeldig omgegaan met de tegenstrijdigheden in haar bronnenmateriaal. De biografie is niet zo vrij als die van Mirjam van Hengel (Campert), zeker niet als die van Marja Pruis (Netty Nijhoff), maar goed opgebouwd, en de stilistische vrijheden die Mooij zich veroorloofd verlevendigen, zij het dat hier geen literatuur geschapen wordt:

‘Het was alsof de gordijnen in haar leven werden geopend en licht en vrolijkheid van alle kanten naar binnen stroomden. Gisèle heeft er nooit een geheim van gemaakt dat de ontmoeting met dit gezin van beslissende invloed is geweest op haar persoon en ontwikkeling. Een duf konijn was ze tot nog toe geweest, dat eindelijk wakker was geschud.’

En wakker blijft ze. Een van de meest geroemde boeken in 2018 is – zeker met de actualiteit rondom Castrum – overwinterd, en staat nu terecht op de shortlist van de Opzij Literatuurprijs

De Bezige Bij gaf De eeuw van Gisèle uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Nicolien Mizee, Sander Kollaard: de redacteur las twee geestige, rijke boeken over een landgoed met hoog mortaliteitscijfer en levensvreugde in de derde levenshelft.

*

Daan Stoffelsen: Nicolien Mizee, Moord op de moestuin, en Sander Kollaard, Uit het leven van een hond

Ik heb net Nicolien Mizees Moord op de moestuin uit, en heb daar enorm goede zin aan over gehouden. Vlot geschreven, snel schakelend, met een verteller die af en toe Achterberg opdiept, grote waarheden (over leven en schrijven en eten) uittekent, en in een paar zinnen hele mensen weet op te roepen. En geestig.

Al vroeg in het boek merkt onze verteller op:

‘Thijs raakte zijn glas niet aan. Misschien ging hij wel dood. Dan zat ik alleen in dit grote huis. Hoe zou ik me Thijs herinneren? De dood werkt niet in ieders voordeel. Ik kon katholiek worden. Of een hond nemen. Of allebei. Gezellig met de hond naar de kerk, kroonluchters poetsen met andere weduwen.’

Die korte zinnetjes, telkens een andere kant op, die werken op mijn lachspieren. Thijs, de echtgenoot van de verteller, heeft na een hartoperatie, kort op hun huwelijk, een transformatie doorgegaan. De man waar ze verliefd op werd, is een kasplantje geworden. De remedie, die haar zus en zwager voorstellen: een boswachtershuisje, meteen acht weken lang. En terwijl Thijs herstelt, verstevigen de verteller en haar zus de band met de eigenaressen – jeugdvriendinnen van ze, zo blijkt, bewoners van het landhuis -, neemt de verteller een moestuin en wordt de verdwijning van de vader des landhuizes opgelost. ‘Voor een herstellingsoord heeft deze plek wel een hoog mortaliteitscijfer,’ merkt een goeddeels herstelde Thijs op op vijfzesde van de roman.

Humor is een ingewikkeld onderwerp, en ik ben blij dat anderen daarover schrijven, want toen Marja Pruis gisteren voorlas uit haar column ‘Opletten’ werd er om de paar zinnen gelachen, terwijl ik de dodelijke ernst voelde van Hanny Michaelis, Hitler, Wilders en terrorismedreiging. Jeroen Vullings roemde op de radio Eva Meijers humor in haar roman Voorwaarts – ik dúrf dat er niet eens in te lezen. Ik heb mezelf gisteravond maar humorloos genoemd, en vanuit dat uitgangspunt moeten de twee boeken van vandaag wel hilarisch zijn voor gewone mensen.

De humor bij Mizee zit hem in terzijdes als hierboven, onthecht van de emotie van het moment, laconiek en summier. De verdwenen vader van Moord op de moestuin was niet geliefd, maar hij rookte pijp. ‘Die pijp had erin gehakt. Daar had iedereen het over.’ Misschien helpt die onthechting sowieso, naast het drukkende van de dood is er van alles triviaals, er blijkt gewoon ook wat te genieten. Zoals Marja Pruis een pruimentaart bakt en er in Eva Meijers roman recepten zitten, worden er hier enorme feestmaaltijden bedacht en uitgevoerd.

*

Maar ik wilde teruggrijpen op het boek daarvoor: de prettige roman van Sander Kollaard, een dag uit het leven. ‘Het hart klopt, denkt Henk van Doorn als hij wakker wordt, en het bloed stroomt. Goedbeschouwd is dat het verstandigste wat je erover kunt zeggen,’ zijn de beginzinnen, en de toon is prettig laconiek. Henk van Doorn is IC-verpleegkundige, gescheiden, met een hond, ‘Schurk’, die niet in orde is. Dat zegt Kollaard al snel, en hij zegt het raak:

‘Hij is niet oud en moe, niet benauwd vanwege de warmte, hij heeft niets verkeerds gegeten, nee, hij is ziek. Dat is wat ziekte doet: het verjaagt ons uit de normale verhoudingen en reduceert ons aldus tot vreemdelingen. Het vernietigt de vanzelfsprekendheid van wie en wat we zijn. Het beschadigt de intimiteit. En zo staan ze aan de twee overzijden van een afgrond en kijken naar elkaar, Henk met een verlammende angst in de borstkas en Schurk met, enfin, dat weet Henk dus niet.’

Dat klinkt wat formeel (‘aldus’), maar ik geloof hem, en door die sympathieke laatste zin, iets te pathetisch en afgeblust met ‘enfin’ wil je het ook nog geloven.

Ook in zieke toestand brengt een hond zijn baasje in contact met anderen, en hoewel ook Henk niet lekker in zijn vel zit, worstelt hij zich door de wandeling met Schurk en een ontmoeting met een vrouw, een verjaardagstelefoongesprek met zijn broer (nichtje Rosa is jarig), boodschappen, het bezoek aan een oude, dementerende vriendin, het verjaardagsfeestje… Heel elegant weet Kollaard de gebeurtenissen van die dag te verstevigen met herinneringen en een enkele vooruitblik. Henk krijgt, in dat iets te dikke lijf van hem, een ziel, een geschiedenis. Een man met ergernissen, ongemakken, verdriet – en verlangens, wat hem zelf ook verrast. Uit het leven van een hond wordt een verhaal van jongensachtige levensvreugde in de derde levenshelft, terwijl het verlies tastbaar is. Warm, kloppend en doorbloed.

En hoewel ik hier ook hardop bij gelachen heb – mijn huisgenoten kijken verschrikt op, is hij ziek? – ligt de humor minder voor het oprapen. Ik blader en vind vooral subtiliteiten, goede observaties, die ook hier op het conto van de (nu alwetende, lichaamloze) verteller komen:

‘De zon is een paar graden opgeschoven en dus ook het patroon van licht en schaduw in Henks woonkamer. Het is een patroon dat Henk in de drie jaar dat hij hier woont goed heeft leren kennen en dat hem in staat stelt de tijd nauwkeurig te schatten, maar dat doet hij nu niet want hij is in slaap gevallen op de bank. Zijn lichaam is losgehaakt van zijn ik, zodat hij kan rusten, want dat is wat rusten kennelijk betekent – voor een paar uur verlost zijn van de nekklem van ons bewustzijn.’

Kennelijk. De nekklem van ons bewustzijn, dat is mooi. Meer een glimlach toch dan een schaterlach. Of: ‘Goed, doodsangst dus, maar dat zit Henk dwars. Hij is niet bang voor de dood. Eerlijk gezegd vindt hij doodsangst een tikje kinderachtig.’ Een grijns. Ja, ik heb van de schrik hardop gelachen bij de passage waarin Henk zich realiseert dat hij de vrouw die hij nu tweemaal die dag tegengekomen is, wil penetreren. Hij schrikt zelf ook: ‘Hij schuift pardoes zijn stoel naar achteren, van schrik, tegen het aanrecht aan waar kennelijk een paar glazen staan want hij hoort een zacht getinkel en even hangt er een bescheiden ongeluk in de lucht, glazen die vallen, hoofden die draaien, een praktische ziel die aankomt met veger en blik, maar dat gebeurt allemaal niet want die glazen blijven doodleuk staan.’

Fijn zo’n scène, je ziet het voor je. Dat moet je ook durven, woorden als ‘pardoes’ en ‘doodleuk’ gebruiken, en Kollaard doet dat. Alsof we terug zijn in Kees de Jongen, het boek dat als cadeau meereist met Henk naar Rosa. Maar ‘penetreren’! Dat technische woord, het wordt een soort running gag.

Minder dan bij Mizee zit de humor niet in de gebeurtenissen en het directe commentaar daarop, maar in de taal, die glans geeft, zinnen net optilt of uit het lood zet.

Moord op de moestuin verscheen bij Nijgh & Van Ditmar, er staat een fragment op Athenaeum.nlUit het leven van een hond bij Van Oorschot. Ook daarvan is een fragment.

Simon Caspers, Manon Uphoff: de redactie las een aandoenlijk verhaal met uiteenlopende sterke personages, en een indrukwekkende roman die tast naar de gruwelijke werkelijkheid van misbruik.

*

Daan Stoffelsen: Manon Uphoff, Vallen is als vliegen

Het is nooit een goed teken als de eerste persaandacht voor een boek uit interviews bestaat – als het echt geweldig is, begin je toch met een vijfballenbespreking-over-twee-pagina’s? Maar bij Manon Uphoffs nieuwste, zes jaar na De zoetheid van geweld, is het niet onzinnig. Vallen is als vliegen is fictie die heel sterk tegen de werkelijkheid hangt, een werkelijkheid van misbruik, van incest, van trauma. Het zijn simplificaties die de schrijfster zelf vermijdt in de roman, en dat werkt – moeilijk om superlatieven bij zulke onderwerpen te gebruiken – echt geweldig.

‘De schrijfster kietelt je, ergert je, stelt je maar kort op je gemak en sleurt je mee in geschiedenissen van familie en geweld, van geluk dat niet zonder haat kan,’ schreef ik in 2013 over haar verhalenbundel. Ook nu haalt Uphoff je aan en werpt je van zich af, je vliegt, je valt, het kabbelt maar kort en dan hamert ze je diep in de tragische geschiedenis van de vier dochters Holbein. Ze introduceert de dader heel netjes:

‘Mijn vader, HEHH, Henri Elias Henrikus Holbein, amateur-beeldend kunstenaar, gesjeesd seminarist, gelovige en (ex-)gevangene, werd hun stiefvader, jaren voor hij ons, de jongsten en nakomertjes, zou verwekken en zich via avondstudies zou opwerken tot wiskundige, wetenschapper, statisticus; tot een gerespecteerd burger en pater familias met een uitstekende baan.
Hij was tevens een getroebleerde, diep beschadigde man (ik kan en durf dat nu te zeggen) met driftaanvallen, die een ongepaste uitweg zocht voor al zijn emoties en verlangens, pijn en krenking bij zijn (stief)dochters.’

Maar gedoseerd of niet, het ongeluk dringt diep door. Zo lees je er bijna overheen, zoete smaken en dan:

‘Hoe het weefsel van het eigen bestaan, de codex van het eigen brein te ontrafelen en doorgronden? Nog onbewust van wat op een dag ondraaglijke herinnering zal worden: niet de mond die zich eender leert sluiten om wat wordt aangeboden, een wafelijsje van Jamin, een gesuikerde en magisch verkleurende toverbal of de Holbein-penis (en, mogen we wel zeggen, met een verbluffende allure en een waar “natuurlijk” talent).’

Ja, het gaat van een enkele opmerking, even tussen haakjes, naar een afstandelijke beschrijving, om maar te onderstrepen: dit is echt, het is fysiek, het is vies.

‘En de gestage, krachtige maar eenzijdige ontwikkeling van het observatievermogen. Bijvoorbeeld voor de (blauwgrijze) eenoog van de priapus in diens lichtblauw textielen omhulsel, met bij mannelijke, niet-testiconde zoogdieren een buiten het lichaam hangende huidplooi (zakje) waarover in The Concise Gray’s Anatomy te lezen staat: “dun van huid, bruin- en of bruinroze, gerimpeld, bezaaid met vetachtige follikels en enkele kroezende kringelende haren”.
Ik herinner me een gummiachtige weerstand en met enige regelmaat ook een eigenaardige en opvallende verandering, die in de materiaalkunde ook wel faseovergang, fasetransitie of fasetransformatie wordt genoemd, gerelateerd aan minieme variaties in druk en temperatuur.
In mijn mond de smaak van gluton.’

Het is stelselmatig: overdag is HEHH een lieve vader, ‘s nachts bezoekt hij als de ‘Minotaurus’ de (stief)dochters in hun kamers. Hij koopt ze af, met ‘het zoete zwijggeld’, hij geeft ze het gevoel dat ze speciaal zijn – en tegelijk dat dit niet iets vreemds is. Op één pagina gaat Uphoff van een ode aan de mensensoort naar de nacht – ‘Kijk, iemand legt een hand laag op een rug of venusheuvel en gehoorzaam openen zich de dijen.’ – naar de dag – ‘En tijdens dit dove opgroeien zijn er toch ook de troost en het plezier van het bijzondere, het doodgewone.’

Het is stelselmatig, bijzonder en gewoon, maar het staat naast een verder onbezorgde jeugd, en die dubbelheid geeft de roman zijn spanning. Uphoff wil niet van álles afscheid nemen. ‘Zou iemand me op een dag vragen wat ik probeer te begrijpen en doorgronden […], wat ik wíl met deze geschiedenis waarvan ik onderdeel ben,’ schrijft Uphoff dan ook, dan zou ik zeggen dat het een voortdurend onderzoek is naar wat “thuis” betekent, en voor wie. Wat het is, wás en in de toekomst zou kunnen zijn. Om eraan toe te voegen dat ik daarvoor mijn huis, de pathologie ervan, moet uitbeelden en oproepen, in heel veel verhalen en in een (ritmische, rituele) herhaling die lijkt op die van fractalen. Als de puzzel die het was, een labyrint, de donkere kant van de maan.’

De kracht van deze roman zit in dat zoekende, het wisselende en nevenschikkende, het herhalende, tastend naar de gruwelijke werkelijkheid zonder die gruwelijk te noemen want je kunt het navertellen. De kracht zit ook in zinnen die kromstaan van de spanning, relativeren wat niet gerelativeerd kan, en die vloeien. Verdomde indrukwekkend.

Uitgeverij Querido gaf Vallen is als vliegen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Simon Caspers, Destiny

Martijn Simons en Casper Vandeputte schreven onder het pseudoniem Simon Caspers een roman – Destiny – over een oud-tennisprof die na het overlijden van zijn zus voor haar dochtertje moet zorgen. Eenvoudig en slim gegeven, opvallende hoofdpersoon – want sporters komen zelden voor in Nederlandse romans, en een kalm verhaal, gegoten in een rustige vloeiende stijl.

Bij een boek dat door twee schrijvers is gemaakt vraag ik me altijd af: wie schreef welke zin? Ik ken het werk van Simons, dat van Vandeputte niet. De lange zinnen met de vele komma’s, zijn die van Vandeputte? De terloopse vermelding van het voorbije tennisleven van hoofdpersoon Diederik, is dat van Simons? Ik hoef daarop geen antwoorden, tijdens het lezen stel me mezelf wel steeds die vragen.

Dat terloopse vind ik mooi. In zijn jongenskamer heeft Diederik nog posters van André Agassi en van een jachtluipaard hangen, tennis en atletisch vermogen. Er staan bekers die onder het stof zitten. ‘Ik weet nog dat ik op een gegeven moment alle tweede prijzen weg moest doen omdat het anders niet paste.’ De lezer weet door die opgeroepen beelden: hij was succesvol, en dat is alweer even geleden. Volledig beschreven in beelden die er nu zijn, in een kamertje van weleer.

Als Diederik een stuk of tien bladzijden verderop vertelt dat hij ‘eerst een nieuwe auto moet kopen en dat hij zijn eigen tennisschoen op de markt moet zeggen’, ontbreken die beelden en wordt mij een inkijkje gegeven in de gedachten van deze oud-tennisser, met als bijnaam De Kogel van Casablanca – dat was waar hij zijn hardste service sloeg. Deze directe vertelling doet me veel minder dan de beeldende vertelling.

Wat wel steeds goed werkt: het contrast tussen Diederik en zijn kleine nichtje dat hij mee moet nemen naar de tennisbaan waar hij lesgeeft aan jongeren met weinig talent voor de sport. Het meisje is bijdehand en gewiekst, zoals kinderen dat tegenwoordig soms zijn. Volledig realistisch beeld: een meisje van zes dat bepaalt hoe de dag verlopen gaat.

Wat vooral sterk is aan Destiny: de ik-verteller. Ook al verstopt hij zich soms in de dialogen, dan doet hij een stapje terug en laat die gesprekken plots bijna filmisch zien, grotendeels is Diederik degene die sturend aanwezig is, duidend soms ook, maar steeds met een mooi tempo en op een manier waardoor je verder wilt lezen. Deze verteller neemt je mee het verhaal in, en dat doet hij heel goed. Hij twijfelt soms, hij verkondigt geen absolute waarheid, en dat is prettig. Hij zegt: Kom maar mee dit verhaal in, ik weet ook niet precies waar we naartoe gaan.
Zo word je deelgenoot van een aandoenlijk verhaal met uiteenlopende sterke personages. Een lezer heeft weinig meer nodig.

Thomas Rap gaf Destiny uit.