Valeria Luiselli, Hernan Diaz: de redactie leest een Mexicaanse en een Argentijnse Amerikaan, een diepmenselijke road novel die past bij het Boekenweekthema en geweldig geschreven is, en een cowboyroman met een gouden uitgangspunt.

*

Daan Stoffelsen: Valeria Luiselli, Lost Children Archive

Voor Athenaeum.nl schrijf ik een stuk over Valeria Luiselli’s Lost Children Archive, dat volgende week vrijdag in de vertaling van Molly van Gelder & Nicolette Hoekmeijer verschijnt als Archief van verloren kinderen. Ik betoog daarin dat het een indrukwekkende road novel is, die essayistische kwaliteiten combineert met ijzingwekkende spanning, en intieme details naast grote maatschappelijke bewegingen zet. Klein, maar groot in implicatie. Diepmenselijk. En mooi geschreven.

Misschien is het, sorry Tommy Wieringa, Saskia de Coster, sorry alle beroepsbundelaars, misschien wel hét Boekenweekboek; Archief van verloren kinderen gaat ook over moederschap, en vrouwzijn. Misschien lees ik er te veel in, maar het samengestelde gezin dat op reis gaat naar de laatste jachtvelden van de Apaches, en de voortijdige rustplaatsen van Midden-Amerikaanse kindvluchtelingen, wordt door een moeder beschreven. Ze is een vrouw als Luiselli, het autobiografische is makkelijk aan te wijzen, en haar manier van denken is herkenbaar van eerdere boeken: analytisch, nieuwsgierig, en niet zonder nieuwe inzichten.
Deze moeder is ook de stiefmoeder van zíjn zoon – een vanzelfsprekende keuze, maar een keuze. Dit boek gaat dan ook in bijzinnen over keuzes en gevoelens, in opvoeding, gezin, carrière, in een wereld met onmenselijke mensen en natuur. Hoe is het om moeder te zijn? Hoe is het een vrouw te zijn, nu? Luiselli tast daarnaar.

Maar ik houd ook van hoe de vertelster leest, en associeert, en vermengt met de werkelijkheid. Deze passage heb ik gekopieerd en geplakt uit het zetbestand van de vertaling van Van Gelder en Hoekmeijer. Dit is wat ik onderstreep, pagina 93 in de 4th Estate-uitgave, 120-121 in de Das Mag/Karaat-uitgave. Hoe alledaags en maandelijks rijmen, de suggestie van grote dreiging bij iets heel gewoons.

‘Ik leg The Lover weg en blader wat in het geannoteerde script van Hiroshima Mon Amour. In het voorwoord noemt Duras een omhelzing tussen twee geliefden “banaal” en “alledaags”. Ik onderstreep de twee woorden, zulke ongebruikelijke bijvoeglijk naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen. Vervolgens onderstreep ik, op pagina 15, de beschrijving van een shot met twee paar blote schouders en armen, zwetend en bedekt met een soort askleurige dauw. In de tekst wordt gespecificeerd dat we “het gevoel krijgen dat deze dauw, dit zweet, een afzetting is van de atoomwolk die wegtrekt en vervluchtigt”. Dan komt er een aaneenschakeling van beelden: een gang in een ziekenhuis, stills van gebouwen in Hiroshima die overeind zijn blijven staan, mensen die door een museum lopen waar een tentoonstelling is ingericht over het bombardement, en tot slot een groep schoolkinderen die staan gebogen over een schaalmodel van de stad die in de as is gelegd. Ik val in slaap met die beelden, die onophoudelijk door mijn hoofd spoken, en ik geloof niet dat ik droom.
De volgende ochtend word ik wakker, ga plassen en zie de kleine atoomwolkjes menstruatiebloed in slow motion uitvloeien in de wc-pot. Een maandelijkse gebeurtenis, al vele jaren, en de aanblik beneemt me — nog altijd — de adem.’

De adem benemen: dat kan Luiselli nog steeds bij mij doen.

Lost Children Archive verscheen bij 4th Estate, Archief van verloren kinderen verschijnt bij Das Mag en Karaat.

Jan van Mersbergen: Hernan Diaz, In de verte

Ieder jaar verschijnt er wel een sterke Amerikaanse roman die speelt op het platteland, desnoods een tijd geleden, de zogenaamde moderne cowboyboeken. Nu geschreven, over toen, met een strekking en gevoel die in onze tijd nog spelen. Kent Haruf schreef ze, Willy Vlautin, David Vann eigenlijk ook. En toen was het de beurt aan Hernan Diaz, met zijn debuut In de verte (vertaling Ronald Vlek).
Vreemde Spaanse naam, want van oorsprong is Diaz Argentijn, en al snel in het boek blijkt de subtiele connectie met zijn thuisland: de Zweedse hoofdpersoon die met zijn broer naar New York wil raakt in de drukte van de haven zijn broer kwijt en stapt op de verkeerde boot. Hij speekt de taal niet en heeft geen idee waar hij uit zal komen. Als hij bij de eerste stop een stad ziet, denkt hij: New York. Hij blijkt in Buenos Aires terecht te zijn gekomen, en ze varen door naar Californië. Het verhaal staat als een huis, want in het vervolg denkt hoofdpersoon Håkan – inderdaad met een rondje op de a – om op wat voor manier dan ook het continent over te steken om in New York zijn broer weer te vinden.

Prachtig idee, en heel goed geschreven: beschrijvend en sober maar ook poëtisch en hard en zwierig zo af en toe. Helder, in ieder geval. En met een hoog tempo. Na de bijtende proloog, waarin we Håkan uit een ijswak zien klimmen besluit hij zijn verhaal te gaan vertellen, volgen de hoofdstukken elkaar snel op, dan is Håkan weer bij een gezin, dan in een hoerenkast, dan weer elders.
Het enige nadeel van een hoofdpersoon die wel groot is maar amper spreken kan is zijn passiviteit. Dat sluipt ook in zijn handelen: vaak hangt hij op bed, zit hij ergens tegen zijn wil vast of staat er simpelweg: ‘Het leven ging verder in dezelfde sleur.’ Daarmee maakt de schrijver sprongen, het benadrukken van die sleur geloof ik wel. Gelukkig maakt Håkan voldoende mee om een avonturenroman mee te vullen en is de stijl en taal van Diaz afgemeten, duidelijk en vol schwung.
Het interessants is een man die op een zoutvlakte op zoek gaat naar de bron van het leven. Zijn theorie: de mensen was vroeger, heel vroeger, alleen een drijvend brein in zee. Later is daar een schedel omheen gegroeid, en van daaruit een ruggengraad en daarna ledematen, maar het begon als levend hoopje materie in de zee. Deed me denken aan een kwal. Levend wezen, maar zonder stevigheid. Dan is het nog de vraag waarom er zo veel soorten zijn ontwikkeld, en waarom apen er nog zijn en de mens zich veel verder ontwikkeld heeft. Zijn oplossing: de ontwikkeling van de mens begon veel eerder. De apen zijn miljoenen jaren later pas uit zee geklommen.
Geen speld tussen te krijgen.
Håkan is compleet overdonderd door deze ideeën, en Diaz lost het taalprobleem slim op door de man Nederlands-Duitse roots mee te geven, waardoor hij een beetje met Håkan kan communiceren, want anders zou de Zweed niks van dit ingewikkelde verhaal begrijpen.

Nog een nadeel aan dit verder heel mooi boek – het zijn details: de hoofdpersoon is door die taalachterstand niet degene die de verhalen draagt. Hij ontpopt zich na de proloog wel tot een held van immense proporties, maar in eerste instantie is hij passief, weerloos en een beetje een vlak speelballetje. Die natuurwaanzinnige is in ieder geval heel goed getroffen en een actiever personage. Toen ik over hem las dacht ik direct: jammer dat we hem straks weer gaan verliezen, want dat is de opzet van deze roman. Alle mensen die Håkan tegenkomt raakt hij ook weer kwijt.

Het omslag vermeldt een quote van Kirkus: dit is mengeling van Cormac McCarthy en Gabriel García Márquez, op de achterflap een quote die stelt dat Herman Melville over het Westen van Amerika schrijft in plaats van over de zee, Daan Heerma van Voss noemde deze roman op Instagram een kruising tussen een cowboyverhaal en John Coetzees The Life and Times of Michael K. Klopt allemaal, zeker die vergelijking met Coetzees beste roman, al moet wel bij gezegd worden dat In de verte een debuut is en alle debuten hebben zo hun beperkingen. Waar de genoemde schrijvers en ook goede ideeën in een goede stijl uitwerken weten zij ook van de roman meer te maken dan de leegte waarin Diaz blijft hangen. Passiviteit, uitzichtloosheid, traagheid en slachtofferschap zijn moeilijke ingrediënten voor een debuut. Het is net het laatste zetje: hoe maak je van zo’n boek een geheel dat voorbij de leegte gaat, dat die leegte opvult.
Hier spreekt een klagende verwende lezer. Nogmaals: het leest goed, het is geweldig gedaan en het uitgangspunt is goud, net die laatste stap naar een meesterwerk maakt deze roman een 9, en net geen 10. Niks van aantrekken, de meeste romans komen niet verder dan een 6½.

AtlasContact gaf In de verte uit.

Evelien Vos, Marga Minco: de redactie las een romandebuut om voor te lezen, en een veel ouder debuut, van een P.C. Hooftprijswinnares inmiddels, dat observerend en onthecht bevraagt wat normaal is.

*

Jan van Mersbergen: Evelien Vos, Niemand keek omhoog

Van de stapel nog te lezen boeken moest ik eerst de visjes kiezen. Evelien Vos schreef haar debuut: Niemand keek omhoog, en op de cover tuimelen blauwe visjes naar beneden. Het is een mooi en tekenend beeld.
Al bij de tweede alinea kijk ik of er iemand in de buurt is om deze zin aan voor te lezen. Die was er, en ik las: ‘Daarna leegde ze met een zucht het koffiefilter in het koffieblik en begon opnieuw met het tellen van de schepjes koffie.’

De moeder van de vertelster was koffie aan het zetten. Hollandser kan niet, met een filter en afgemeten schepjes. En dat tellen. Dat is niet alleen herkenbaar, het is een scène die meer vertelt dan dat er staat. Het gaat over controle, over regelmaat, over orde. Dat is Nederland. Geen wonder dat de blauwe visjes op het omslag in een witte achtergrond en rode letters staan.

Bij een roman is het prettig dat de lezer direct een heldere verwachting heeft. We gaan een boek lezen over Nederland, ook al meldt de achterflap dat met meisje, Lucy, naar Madrid verhuist.
Lucy bezoekt haar opa, die schrijven maar niks vindt, zoals iedere gewone Nederlandse opa. Die opa ‘deed soms de schuifdeur met de drie plakvogels open’. Een ogenschijnlijk eenvoudige en niet noemenswaardige handeling – een deur open schuiven – maar door die drie plakvogels wel zeer eigen en herkenbaar en beeldend, en de verteltoon is zo gemakkelijk. De zin geeft beeld, omvat tijd en plaats, en laat je nadenken. Dat is alles wat schrijven kan doen, en wat schrijven moet doen. Kleine zinnen in een dun boekje die een hele wereld oproepen. Een verademing tussen de omvangrijke boeken met eindeloze vertellingen die vooral ergernis oproepen omdat alles opgelepeld wordt en niet gedoseerd, meer zenden dan ontvangen, tijdverspilling.

Het gaat ook over contact, met ouders, met jongens. Haar broer keurt haar kont, een verhuizer kust haar, ze gaat met een jongen naar een literair debat, een jongen duikt op haar in bad… Lucy heeft het over ‘als ik een nieuwe jongen ontmoet’. Dat is vrij maar ook verdrietig. Ze is een periode lang ‘elke dag, de hele dag door opgewonden. Zo erg dat ik dacht dat ik misschien naar de dokter moest.’ Dat is grappig en leuk verteld. Open, zo lijkt het want ze wil geen relatie en is eigenlijk erg gesloten. Dat twijfelen en piekeren over een relatie vind ik vreselijk. Om te lezen, om te herbeleven. Ik ken dat gepieker. Ik word daar gek van. De man in deze roman zegt ‘het is goed, meisie,’ en hij gaat weg. Dat vind ik wel goed om te lezen. Ik stond aan zijn kant maar het boek gaat verder over haar. Meteen in dat volgende hoofdstukje grijpt Vos me weer want de vertelster ondergaat een inkepinkje in haar sterke maagdenvlies, en zegt daarna als ze naar huis fietst: ‘Ik weer normaal.’

In een kort hoofdstukje gaat het over een vijverbouwer en Japan komt ook voor op die twee bladzijden. Ik zat even in mijn nieuwe roman. Dat weet Evelien Vos niet. Het klopt wel. Misschien is het een trend.
‘Achter het raam van een snackbar staat een bonzaiboom.’ Ook dat zet aan tot nadenken, tot het compleet maken van de foto die me voorgeschoteld wordt.
‘Ze dronk met een vriendin koffie op een natte picknickbank.’ Die natte bank maakt alles invoelbaar maar ook diffuus en ongemakkelijk.
Ook zo verdrietig en mooi tegelijk: ‘Ik wilde afwassen tot dingen duidelijk werden. Dagen als schone borden in een afdruiprek.’ Haar leven is een warrige zooi, De beelden waarin Vos dat laat zien zijn haarscherp.
Als ze in het tweede deel naar Madrid gaat, naar een vervelende Spanjaard die ’s nachts doet alsof hij sliep terwijl hij haar besprong, verandert de toon wel iets. Meer beschrijvingen van de stad, van de mensen. Het is alsof Lucy meer in die nieuwe omgeving staat, ook alsof ze juist daar in die vreemde stad nog minder binding heeft en houvast zoekt.
Als het eindelijk gaat regenen gaat ze naar buiten. ‘Dit was mijn leven, alleen, zonder plan, onder een boom waarvan ik de naam niet eens wist.’
Jammer dat ze naar Spanje gaat. Ik hoopte in deel 2 steeds dat ze in deel 3 gauw weer terug zou gaan naar Nederland. Dat gebeurt niet, direct in het derde deel wordt Madrid getroffen door een aanslag, op het vliegveld, en de broer van Lucy is op dat moment op het vliegveld. Het maakt van Madrid plots wel een persoonlijk decor.
Een aanslag in een boek is altijd moeilijk. In een roman moet iets gebeuren, maar het moet wel voor te stellen zijn. Ik mag misschien wel verklappen dat het leed wel meevalt, dat is een slimme keuze. Verlies in een roman is een onderwerp, maar een jongen die veel geluk heeft kan ook een onderwerp zijn, minder voor de hand liggend maar wel interessanter.
De personages die er in Niemand keek omhoog mee te maken krijgen worden kortademig neergezet, behalve gelukkig Lucy, voor wie haar leven na de aanslag niet zo veel verschilt met daarvoor.
‘De paar vogels die aan de andere kant van de weg vlogen leken precies de goede kant op te gaan.’
Dat weet Lucy diep van binnen ook.
Niemand keek omhoog is een boek om voor te lezen.

Van Oorschot gaf Niemand keek omhoog uit.

Daan Stoffelsen: Marga Minco, Het bittere kruid

Sommige boeken worden steeds onontkoombaar. Ik weet het, jullie hebben deze kleine roman allemaal op je leeslijst gehad voor de middelbare school. Ik niet. Ik werd aangespoord door een goede vriend dit oeuvre op te pakken, en ik trof hem aan tussen de boeken van mijn moeder. De ooievaarpocket uit 1967 – waarschijnlijk had zij Het bittere kruid wel op haar leeslijst staan.

Het knappe van dit kleine boekje, 125 pagina’s met illustraties, is hoe treffend Minco observeert, hoe schijnbaar onthecht ze het verlies vastlegt. (Dit is iets wat de hoofdpersonen in Valeria Luiselli’s Lost Children Archive ook proberen: verlies te documenteren. Dat is moeilijk, maar ook heel schrijnend goed gelukt. Daarover later meer.) En inhoudelijk: hoe ze het gewone herdefinieert.

Want voor een joods gezin in de Tweede Wereldoorlog veranderde wat normaal was, in een razend tempo. Neem deze passage, waarin de ik beschrijft hoe haar oudste broer het pad effende voor seculiere uitstapjes van zijn zussen:

‘Ik weet nog hoe ik met een vriend in een automatiek voor het eerst een konijneboutje at. Ik deed iets dat streng verboden was. Voor ik mijn tanden er in zette, aarzelde ik even, zoals je dat doet als je voor het eerst in het seizoen aan de rand van het zwembad staat. Maar als je doorzet heb je er de tweede keer al minder last van.’

Zie je hoe Minco de beladen religieuze overtreding ontwapent door dat geweldige, bijna universele zwembadbeeld? Koudwatervrees en overtreding. Maar dan gaat ze door, en komt de historische zwaarte:

‘Onder de bezetting kreeg het woord “verboden” een andere betekenis voor ons. Het was verboden in cafés en restaurants te komen, in schouwburgen en bioscopen, in zwembaden en parken; het was verboden een fiets te hebben, een telefoon, een radio. Er werd zoveel verboden.’

De jodenster komt, haar ouders moeten naar Amsterdam verhuizen, ze geeft haar tennisracket weg aan het buurmeisje, want tennissen zal ze niet meer, ze verstopt zich, ze is getuige van razzia’s en ontsnapt eraan door grote koelbloedigheid. De volgende dag komt ze terug in de Lepelstraat.

‘Zij lag bezaaid met papier. Overal stonden deuren wijd open. In een donker portaal zat een grijze poes op de trap. Toen ik bleef staan rende het dier naar boven en gluurde naar mij met een hoge rug. Op een van de treden lag een kinderhandschoen.’

Verdomme man. Als van een afstand laat Minco zien hoe laconiek de vervolgden bleven, hoe ze overwogen dat ze onderduiken niet konden betalen, hoe twee bij twee haar familieleden verdwijnen, tot ze alleen over is (‘Er was een heleboel angst van me afgevallen. Wanneer ik nu ook gepakt werd, zou ik tenminste niet meer dat gevoel hebben, alleen achtergelaten te zijn.’), en bij achtereenvolgende arme, en niet echt warme, gezinnen onderdak vindt.

Wie Linda Polmans Niemand wil ze hebben leest, weet dat de oorlog weinig veranderd had aan de bereidheid van mensen, staten, om een huis te bieden aan vluchtelingen. Polman benoemt nadrukkelijk hoe staten hoge bedragen eisten van immigranten – terwijl Nazi-Duitsland ze met niet meer dan tien mark liet vertrekken. Het is beangstigend wat gewoon was. Het is eng wat normaal werd. En dat te beschrijven, zonder het woord ‘angst’ te benoemen – dat is groots.

Prometheus geeft Het bittere kruid uit.

Alessandro Baricco, Edzard Mik, Rosita Steenbeek: de redactie herlas een bijzonder sterk eerste hoofdstuk, las een hybride boek dat schrijnt maar niet overtuigt, en een kleine, knappe roman die spanning oproept maar vooral verlies en schuldgevoel.

*

Thomas Heerma van Voss: Rosita Steenbeek, Wie is mijn naaste?

Deze weken lees ik meer reisverhalen dan ik ooit in mijn leven heb gedaan, soms ook meer dan me lief is, maar het blijkt een nog rekkelijker genre dan ik dacht: de boeken die zijn ingestuurd voor de Bob den Uylprijs 2019 lopen uiteen van persoonlijke reisverhalen tot journalistieke reconstructies, van veredelde dagboeken tot inzichtelijke analyses van een cultuur, een religie, een werelddeel zelfs. Een van de boeken waar ik het meest over heb gedacht is geschreven door Rosita Steenbeek, vermoedelijk omdat dat zich het minst makkelijk laat categoriseren.

Wat is Wie is mijn naaste? voor boek? Een gekke combinatie van een journalistiek reisverhaal en een persoonlijk dagboek, van een oproep en een ontleding, en tussendoor ook flarden reportage. In die laatste stukken is Steenbeek, van wie ik nooit eerder iets las, op haar best: wanneer ze als buitenstaander langsgaat in vluchtelingenkampen op Lampedusa en Sicilië (twee keer) en in Libanon (ook twee keer). Soms zijn de scènes wat traag of braaf, maar de inhoud is zo spannend dat je als vanzelf doorleest. En elk bezoek aan een nieuw gebied betekent een nieuw gedeelte van het boek, een soort reset die de boel weer even wakker schudt. Overal zoekt (en vindt) Steenbeek contact met locals: minderjarige asielzoekers, goedaardige hupverleners, andersoortig betrokkenen die erop wijzen hoe hypocriet politici zich gedragen als het op deze kampen aankomt. Dat levert meerdere sterke beelden op, die regelmatig vol in citaat worden getoond en het beste zijn als ze sec worden opgeschreven: een boot vol vluchtelingen, afkomstig uit Noord-Afrika, die gemakkelijk gered had kunnen worden door een Italiaanse boot, maar Italiaanse gezaghebbers benadrukken dat de boot niet op Italiaans grondgebied is, ze doen hoe dan ook niks. Ook sterk: het beeld dat in Lampedusa wordt geschetst van enkele Italiaanse politici die alleen komen buurten in verkiezingstijd, en dan zodra er een camera is met enkele zwarte jongeren op de foto gaan, waar ze zonder camera in de buurt natuurlijk niet naar omkijken.

Schrijnend, belangrijk, maar ook, hoe murwgebeukt dat ook klinkt en misschien ook gewoon wel is: veel van de emoties die ik onderging bij het lezen van Wie is mijn naaste? heb ik al ervaren tijdens het volgen van nieuwtjes over vluchtelingen en Lampedusa. Want ja, het is heel billijk om te zeggen – zoals Steenbeek ook meerdere keren expliciet doet in haar boek – dat er te weinig wordt gedaan aan de situatie, en niets in wat ik hier lees of verder over vluchtelingen hoor doet mij anders denken, maar dat neemt niet weg dat er al de nodige nieuwtjes over zijn geweest: die juist aandacht vestigen op de tragische rampen op zee, op de erbarmelijke toestanden in sommige kampen. Steenbeek kleurt dat in aan de hand van persoonlijke gesprekken, ze diept dat uit door er werkelijk heen te gaan, maar mijn wereldbeeld werd niet gekanteld. Ook niet door de positieve, sterke eigenschappen die ze vindt bij talloze hulpverleners: Wie is mijn naaste? is uiteindelijk geen somber getoonzet boek, Steenbeek heeft zich duidelijk voorgenomen mensen te laten zien die op hun sterkst zijn in bedroevende situaties, zoals ook de achterflap het samenvat. (De zin op de flap loopt overigens wel door: ‘sterkst en tegelijk kwetstbaarst’, maar die kwetsbaarheid voel ik minder, misschien omdat Steenbeek zichzelf niet zo kwetsbaar beschrijft, misschien omdat kwetsbaarheid zo natuurlijk samengaat met armoedige, sjofele vluchtelingenkampen.)

Deze houding wel worden afgedaan als calvinistisch en zuinig, maar waarom heeft Steenbeek haar verhaal bij tijd en wijle tamelijk positief getoonzet – wilde ze tegengas bieden aan de heersende verhalen over vluchtelingenkampen, wilde ze ervoor waken dat haar verhaal al te zwaar zou worden? En waarom staat ze zelf op de voorkant van dit boek, presenteert ze dit als mijn verhaal terwijl ze toch juist anderen aan het woord laat? Over Steenbeek zelf kom ik niet te veel, tenminste, ze legt zichzelf niet op het hakblok en bevraagt haar eigen motieven niet kritisch – terwijl ze zich ook niet helemaal ondergeschikt opstelt. Misschien kwamen daar mijn reserves vandaan. Dit is dus haar verhaal, haar gezicht staat voorop het boek, en ze doorbreekt haar journalistieke distantie op sommige mensen enorm, zonder iets werkelijk opzienbarends te zeggen – zoals in de zoete, obligate epiloog, waarmee ze meteen de angel uit veel van de beeldende scènes ervoor haalt:

‘Ook kijk ik anders naar de vluchtelingenboten nadat ik zo veel Afrikanen heb leren kennen die de oversteek hebben gemaakt en weet ik dat het misdadig is om mensen onder de huidige omstandigheden terug te sturen naar Libië. Deze Syriërs en Afrikanen heb ik evenzeer als mijn naasten ervaren als mijn vrienden in Europa. Het zou tot ons moeten doordringen dat we in onze wereld, die steeds kleiner wordt, allemaal elkaars naasten zijn.’

Alsof ze de onderzoeksvraag die ze in de titel stelt nu eindelijk beantwoord heeft. Gelukkig biedt Wie is mijn naaste? meer dan alleen het toewerken naar zo’n zouteloze conclusie, al schippert het boek iets te veel heen en weer om me echt te overtuigen.

Prometheus gaf Wie is mijn naaste? uit.

Daan Stoffelsen: Edzard Mik, Mea culpa

Het kan écht binnen de tweehonderd pagina’s, een roman met plot, karaktertekening, sfeer en meer. Ik noteer het nog maar even voordat ik over tweeënhalve week verzwolgen wordt door de nieuwe Peter Buwalda, en in de schaduw van Ilja Leonard Pfeijffers boek. Edzard Mik kan het. Het gegeven van Mea culpa is eenvoudig, en zou even goed voor een thriller te gebruiken zijn: er is een meisje verdwenen. De ik – Marten, misdaadjournalist – benadert de ouders om ze te helpen, uit een betrokkenheid die ver teruggaat. Dat maakt van alles los.

Het meisje is namelijk de dochter van de jongen waarmee de hoofdpersoon ooit in een vechtpartij tussen rivaliserende Turkse families belandde. De ene familie is die van de beste vriend van de ik, Erol, en diens broer Mehmet, die nu de nachtclub bezit waar het meisje het laatst gezien is. Erol is inmiddels een soort Turkse Moszkowicz geworden, en hij is getrouwd met Sybil, die ooit het eerste vriendinnetje was van Marten. Inmiddels staan vriendschap en huwelijk op losse schroeven, maar Sybil komt met Marten mee naar Maastricht. De andere familie – wel erbij blijven hoor – is die van Nazim, en Nazim is door die vechtpartij in coma geraakt, gehandicapt geraakt, en nu de vader van een verdwenen meisje.

Je kunt je de spanning wel voorstellen, met bedreigingen, aanslagen en seks erbij. Maar er is ook, en dat maakt deze roman interessant, een gevoel van verlies. Van die paradijselijke jeugd, de eerste liefde, onschuld. En een onderstroom van schuldgevoelens. Wie was verantwoordelijk voor Nazims ongeluk toen, en wie voor zijn misère nu? Komt Marten niet tussen Erol en Sybil in te staan? Zorgt hij met zijn inmenging er niet voor dat de boel uit de hand loopt?

Dat is de kracht van deze roman: de mijmeringen van Marten overstemmen de gebeurtenissen en staan een afstandelijke, juridische beoordeling in de weg. Alles krijgt een zweem, een #filter. Dus schrijft Mik dingen als:

‘Ik ontwaakte uit een droom, die ik op slag weer vergeten was. Het was naar zo wakker te worden, met lijf en leden tuimelde ik uit het niets, dat niet het niets van het slapen was maar het niets van het vergeten, het niets dat in de plaats kwam voor iets, een veel leger niets dus, want het stond me nog wel bij dat die droom me had meegesleurd in iets ongekends.’

Zelfs het ontwaken is een ervaring van verlies, een verlies dat in lange zinnen het daadwerkelijke decor is van deze roman. En soms lijkt een andere lange zin dat verlies op te kunnen heffen. Maar ook hier overheerst het niet-weten, ook al lijkt de zaak gesloten, het raadsel opgelost, deze misdaadjournalist is meer dromer dan doener, en het is verleidelijk in zijn fantasieën mee te gaan.

‘Sybil had gelijk, er was geen sprake van ontvoering, verkrachting of moord, Gülay was weggelopen met haar vriendje. Dat stak me niet, ik had gedaan waarvoor ik naar Maastricht was gekomen, ik had de verdwijning opgelost en kon niet wachten het nieuws aan haar te vertellen, ik nam aan dat ze niet minder blij zou zijn. Ik verlangde naar haar, ik verlangde naar haar sinds we hier waren, in de stad van onze jeugd, en ik was de afgelopen uren alleen maar meer naar haar gaan verlangen; waar dat vandaan kwam wist ik niet maar ik had het gevoel dat er een nog onbetreden gebied voor ons openlag, een gebied waar alles precies zo was als we het kenden maar waar we ook iets ongekends konden meemaken en van onszelf verlost zouden worden, we waren er nog maar een stap van verwijderd, we hoefden het alleen maar aan te durven er samen in te gaan, we moesten onze handen in elkaar klemmen en de sprong wagen, een sensatie die ridicuul was maar zich door geen wantrouwen of smalen liet wegdrukken en me als een koorts beving.’

Ja, die koorts, dat onbestemde, dat zweem dat verheft deze roman. Ondanks de thrillerachtige gegevens is Mea culpa niet primair de zoektocht naar het slachtoffer en de schuldige, maar vooral het tasten naar schuld en vereffening, naar verraad en liefde, naar doen en laten. Naar meer.

Querido gaf Mea Culpa uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Alessandro Baricco, Dit verhaal

Het eerste hoofdstuk van Alessandro Baricco’s Dit verhaal (verwarrende titel) is bijzonder sterk. Ik pak dit boek regelmatig uit de kast, herlees de proloog en het eerste hoofdstuk, zet het weer terug.

De roman gaat over een jongetje, over autoracen, over een gezin, over ontwikkeling, ook de ontwikkeling van auto’s in Italië, en eigenlijk in heel Europa. Het gaat over groeien en dromen. Over hoop en tegenslag. Over zorg voor een kind van een angstige strenge moeder, en het opengooien van de wereld voor die jongen door zijn avontuurlijke vader.

Voor het eerste hoofdstuk is er eerst een ouverture, die klassieke term voor een inleidende proloog uit de muziek. Muzikaal is het hoofdstuk wel, de zinnen hebben een goed ritme, en vooral opvallend: op iedere bladzijde staan middenin de regels een paar witte blokjes. Een soort tabs maar dan niet aan het begin van een nieuwe regel, maar in het midden, en ook nog eens netjes verdeeld over de pagina. Een losse spatietoets, lijkt het. Toch hebben die witte blokjes een functie. Ze geven een andere verteller of een ander gezichtspunt aan. Dat wisselt heel soepel en bijna ongemerkt, daar zijn die witte blokjes handig voor. Bovendien markeren ze de bladspiegel.

Die ouverture gaat over een autorace van Frankrijk naar Spanje, waar een flink aantal dodelijke ongelukken gebeurden. In het eerste hoofdstuk volgen we Ultimo, de zoon van een van de autoracers, in zijn kindertijd. Zijn vader is gek van de snelheid, zijn moeder is er angstig voor. Zijn vader wil een garage openen, in een tijd dat er nog bijna geen auto’s zijn (1904) en in een gebied waar in tegenstelling tot Frankrijk ook nog amper auto’s zijn. Die plannen van zijn vader, het contact met een adellijke man die het geld heeft om in een raceauto rond te crossen, en de zorgen van de moeder vormen het jongetje. Ultimo op zijn beurt houdt niet zo zeer van de auto’s maar van de wegen. de vorm die een weg maakt, de lijn door het landschap, het doel in de verte, het begin hier vlakbij.

Een slim hoofdstuk, een mooie inleiding, en daarna volgen we Ultimo in de Eerste wereldoorlog aan het front, maar dan kies ik altijd weer voor een ander boek van de groeiende stapel, want Rob Waumans wacht nog, Evelien Vos, Sander Kollaard en twee thrillers. Jullie volgen snel, geen zorgen. Na de carnaval.

De Bezige Bij gaf Dit verhaal uit. De vertaling is van Manon Smits.

Uiteenlopende boeken die in feite over hetzelfde probleem gaan: depressie. Een slim essay over sombere mensen en een roman over de natives in Oakland, Californië.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De grenzen van mijn taal

Ik ben geen somber mens. Ik beleef plezier aan mijn verschillende werkkringen, aan het filteren en begeleiden, het opkweken en opsteken van literatuur, en aan mijn leven in gezinsverband. Ik ken depressie niet persoonlijk. Eva Meijer wel, en ze is erin geslaagd om in De grenzen van mijn taal haar eigen ervaringen, haar wetenschappelijke vaardigheden, en haar kwaliteiten als kunstenaar samen te ballen tot een rijk essay over de ziekte. Ze laat me kennismaken met iets wat moeilijk inleefbaar is. ‘Op strijd als metafoor voor ziekte, ook populair bij depressie, is terecht al veel kritiek gekomen,’ schrijft ze, maar ook:

‘Metaforen zijn natuurlijk niet nutteloos. Stel je voor dat je in je lichaam een zee meedraagt. Bij elke stap beweegt die, net genoeg om te voelen dat je uit water bestaat. Je weet dat het water gevaarlijk is, dat er mensen in verdronken zijn, dat je onder water niet kunt leven. Je weet ook dat je nu eenmaal met die zee zit, dat er niet aan te ontsnappen valt. Soms stijgt het water, dan zakt het weer, als de getijden, hoewel niet zo regelmatig. Tot het op een dag stijgt en stijgt en je langzaam in paniek raakt. Je kunt er niet aan ontsnappen, want het zit in je. Niemand ziet het aan je buitenkant, hoewel je ogen vaker tranen dan normaal. Je kunt maar beter gaan liggen en wachten tot het water zakt en je weer kunt bewegen. Je kunt maar beter niet gaan liggen, want voor hetzelfde geld verdrink je. (En ondertussen stijgt het water en hou je al een minuut je adem in.)
[…]

Of stel je voor dat je in een bos loopt. Het is een mooie dag, je bent er niet voor het eerst maar bent er ook niet heel vaak geweest, en je kiest een nieuwe route. Dat kan wel, je weet ongeveer hoe de paden zich vertakken. Je gaat links en weer links en rechts en wil nu wel weer terug naar huis. Als je je omdraait, weet je niet meer van welk pad je kwam. Er zijn geen aanknopingspunten – je denkt een boom te herkennen, bent even opgelucht, maar dan blijkt het toch een andere te zijn. Je versnelt je pas, het gaat over een uur schemeren. Je telefoon heeft geen bereik. Dit kan een mooi verhaal opleveren, denk je om jezelf gerust te stellen – straks zit je lekker weer binnen. Het is niet koud, je zult niet doodvriezen als je niet op tijd thuis bent, ze zullen je missen en komen zoeken. Toch kruipt de paniek je buik in, je benen. De ruimte om je heen verandert, wordt groter, jij wordt kleiner. Achter bomen kunnen onbekenden staan. Je oren gaan verder open, net als je ogen, je ademhaling is snel, je hartslag ook. De geur van het bos is beklemmend, niet langer rustgevend. Het begint al te schemeren. Je komt niet meer thuis, je blijft voor altijd in dit moment hangen.’

De kleur grijs, het oneindige, het verlammende: Meijer beschrijft het mooi, precies en overtuigend. Ze vertelt uit eigen ervaring, en neemt filosofische, psychotherapeutische en medische inzichten mee, over pillen, therapie en genezing – en in hoeverre dat wel mogelijk is. Ze betoogt dat ziekte en tegenslag niet zonder waarde zijn. Ze maakt duidelijk hoe sociale omgang moeilijk wordt en vermoeiend voor de zieke, maar nog steeds waardevol. Dat huisdieren, maar ook werk, wandelen, hardlopen, kunnen helpen om je sombere gevoelens in te kaderen.

Het voelt wat vlak om te zeggen (want in hoeverre is dat mijn zwakte, in welke mate de kracht van het boek?), maar ik heb veel geleerd van dit boek, juist door Meijers vermogen dieper te graven, andere perspectieven te zoeken, te verrassen. Het voelt ook wat wrang bij een onderwerp dat zovelen ongelukkig maakt, maar ik heb ook genoten van dit boek. Vanaf de eerste zinnen (er staat een fragment op Athenaeum.nl uit de Inleiding) merk je dat Meijer haar woorden met zorg kiest, waardoor de kracht van de literatuur naast die van de ervaring en de analyse komt te staan. De grenzen van haar taal bieden ruimte te over aan haar verhaal. Mooie zinnen, rake zinnen, pijnlijke herinnering en terechte twijfel naast doortastend reiken naar de waarheid. Eva Meijer is een van onze beste romanciers en essayisten, dit boek is een noodzaak voor eenieder die de kleur grijs van dichtbij of veraf heeft leren kennen.

Uitgeverij Cossee gaf De grenzen van mijn taal uit.

Jan van Mersbergen: Tommy Orange, Er is geen daar daar

Overdonderend boek. Daar kan ik kort over zijn. There there van Tommy Orange is vertaald, als: Er is geen daar daar. Ik was huiverig voor de Wat is de wat-achtige titel, maar vanaf de eerste bladzijde vertelt dit boek me hoe de natives, de Indianen in Amerika, denken, kijken, bewegen, keuzes maken. Niet het beeld van de gevederde Indiaan schetst Orange, dat beeld is een icoon, net zoals het powwow-dansen en de huidskleur en symbolen die overal in Amerika te vinden zijn maar weinig vertellen over de Indianen zelf.

Orange laat een hele rits natives uit Oakland, Californië aan het woord of laat ze simpelweg zien. Een grote sterke jongen die een misvormd hoofd heeft omdat zijn moeder dronk toen ze zwanger van hem was. Hij ziet zijn eigen hoofd in de tv weerspiegeld. Hij heeft een syndroom, hij heeft alleen onthouden: droom. Dat beeld is zijn droom.​

‘Ik haalde mijn kostuum tevoorschijn en trok het aan. In de woonkamer ging ik voor de tv staan. De enige plek in het huis waarin ik me in de volle lengte kon zien. Ik schudde en tilde een voet op. Ik zag de veren fladderen op het scherm. Ik stak mijn armen uit, liet mijn schouders zakken en liep naar de tv toe. Ik trok het bandje onder mijn kin aan. Ik keek naar mijn gezicht. De Droom. Ik zag hem niet. Ik zag een Indiaan. Ik zag een danser.’​

Een andere jongen kalkt tags op busbankjes, muurtjes, wc’s. Hij legt een plan voor aan een subsidiecommissie; hij wil een film over de Indianen maken, zonder invulling of oordelen. Het gaat hem lukken, hoop je steeds, zoals de hoofdpersoon uit De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst het ook moet lukken dat boek te schrijven.​

Of het uiteindelijk lukt is niet het belangrijkste aan deze roman. In het verdere verloop volgt Orange eerst een andere jongen die zijn verhaal voor de camera vertelt en steeds hijgerig vraagt: ‘Krijg ik nu tweehonderd dollar?’ Het is een goed verhaal, maar het geld is de werkelijke motivatie.​

Een moeder gaat met haar twee dochters op Alcatraz wonen. De moeder is ziek maar kiest niet voor de reguliere behandelingen.​ ‘Ze werd almaar kleiner.’​ Dat is een mooie manier om te zeggen dat ze sterven zal – wat ook gebeurt. Een van de twee dochters raakt zwanger, het gezin valt uit elkaar, de meisjes zijn totaal verknipt.​

De zus heet Jacquie. De zussen proberen bij elkaar te blijven – letterlijk.​

‘We kwamen bij een stoplicht. Toen het groen werd, pakte Jacquie mijn hand. Toen we de straat overgestoken hadden, liet ze hem niet los.’​

Een dikke jongen heeft zijn game- en internetverslaving ingewisseld voor eten. Al bijna een week kan hij niet meer poepen – totaal verstopt. Hij weet dat hij minder moet eten – hij spuugt cola uit. Dappere poging. Hij weet dat hij meer moet bewegen, dus hij doet oefeningen. Hij is een Cheyenne, hij geeft niet op. Hij zet ‘die woede om in een poging tot een sit-up’. Dat lukt, en bovendien:​

‘Maar de blijdschap dat mijn eerste sit-up is gelukt, gaat gepaard met een explosie, mijn trainingsbroek vult zich met een vochtige stinkende hoop ontlasting. Ik zit buiten adem, zwetend, in mijn eigen stront. Ik ga weer liggen, spreid mijn armen, de handen geopend naar boven. Dank je, hoor ik mezelf zeggen.’​

Dat is smerig proza waar je de schrijver toch voor wilt bedanken.​

Hij schetst een flink aantal onbekenden waar je direct mee meeleeft. Natives waar wij niks vanaf weten worden personages die niet veel verschillen van andere hedendaagse Amerikaanse personages, zoals in Mijn allerliefste schat of Montana of uit het werk van Paul Harding of David Vann. Harde heldere literatuur waar Orange zijn verhalen en zijn roots opvallend makkelijk tussen schuift. Het is nieuw. Het was er niet niet. We hadden wel de Indiaan die met Jack Nicolson in het gekkenhuis zat, de Indiaan die naast Mel Gibson mocht staan, of die op een buffel reed in Dances with wolves. Allemaal treurige vlakke iconen.​

Op de pyjamabroek van mijn jongste zoon staan cactussen en wigwams afgebeeld. Wat betekent dat?​

Tijdens het lezen moest ik vaak denken aan Klukkluk, ons Indianenclowntje met zijn scheve gezicht – niet doordat zijn moeder zoop tijdens haar zwangerschap, maar voor de grap. André van Duin met een tooi. Ik weet zeker dat er nooit een filmpersonage zal komen zoals Klukkluk dat een scheve mond heeft door het zuipen van zijn pa. Onze Indiaantjes zijn om te lachen, om een pyjama op te vrolijken. Daar lenen Indianen zich voor, en hoe dat voel je bij Tommy Orange in iedere zin.​

De proloog laat zien hoe stammen afgeslacht werden, hoe er met Indianenhoofden gevoetbald werd in de straten. De verdere hoofdstukken laten de worstelingen zien van Steden-Indianen. Dat is hun landschap. En toch blijven de ontheemd, onzeker, angstig, minderwaardig. De verschillende personages die volgen geven hetzelfde beeld, maar dan in het Oakland van nu, en de verhalen zijn verweven, dat merk je als de stiefvader van de dikke jongen ook een hoofdstuk krijgt toebedeeld.​

Als de Efteling een attractie aanpast omdat naast het tergende muziekje racistische symboliek uitgedragen wordt, wat niet meer van deze tijd is, zijn de reacties op facebook uit vooral uit zuiden van het land opvallend: belachelijk, het moet niet gekker worden, die poppen doen de kinderen geen kwaad, de omgekeerde wereld. Er is geen daar daar laat heel schrijnend zien dat racisme niet alleen in symbolen zit. Die moeten natuurlijk aangepast, hoe zeer behoudzuchtige blanke zenders dat plots ook zien als ‘hun cultuur’, de Eftelingpoppen met neusringen en spleetogen staan gelijk aan Zwarte Piet. Tommy Orange vertelt over natives die nu leven en zich totaal geen raad weten met de symboliek die hen in de grote wereld neer moet zetten: de dappere onverschrokken Indianen van vroeger, die dansten met wolven en ook wel eens zwijgend een cowboy tegen durfden te vergezellen. Ze hebben psychische problemen, alcoholproblemen, drugsproblemen, ze weten helemaal niet wie ze zijn.​

Er zijn veel zelfmoorden over natives. Geen wonder: ‘Je kon moeilijk propageren dat het leven zo mooi was wanneer dat een leugen was.’​ Als een vrouw die net gestopt is met drinken kijkt naar een oude Indiaan met een honkbalpet op die zijn hand in de lucht steekt alsof hij aan het bidden is, en in zijn andere hand heeft hij een flesje water waarmee hij het publiek besprenkelt: ‘Zoiets had ze nog nooit eerder gezien.’ Een ritueel van natives dat even bekend als onbekend is, dat in stand behouden wordt door het beeld en hetgeen het beeld vertegenwoordigt – de riten van de oude Indianen – maar het staat nergens meer voor, het is volkomen los van de natives zelf. Dat moet bizar zijn. Alsof een lang vervlogen icoon uit het verleden door je eigen mensen wordt uitgevoerd om anderen te plezieren (en om wat geld te verdienen), in alle oprechtheid van een culturele act. Een klompendans in een Brabants gabberdorp.​

Een zelfmoordpreventiemedewerker sprak collega’s in South Dakota die zo veel zelfmoorden meegemaakt hadden dat ze geen tranen meer hadden. Op. Hij zelf verloor vijftien familieleden aan zelfmoord. Zijn vergelijking: er is veel zelfmoord, het zijn kinderen die springen uit brandende gebouwen. En wat we doen: we stellen dat het probleem in de eerste plaats is dat ze springen. We zeggen ze dat ze beter in het brandende gebouw kunnen blijven zitten.​

De vrouw die dit hoort tijdens een conferentie vlucht. Ze heeft genoeg ellende meegemaakt, genoeg gedronken ook. De vrouw kent het verhaal van Veho, de spin die staat voor de witte man die de wereld door zijn ogen liet kijken. ‘Eerst geven jullie me al je land, dan slok ik jullie aandacht op tot je je er niks meer van herinnert.’ Dat is een belangrijk zinnetje: de natives zijn een rad voor ogen gedraaid, en ze weten het. Hoe ze ook zoeken naar hun roots, het blijft even vaag als een dronken bui.​

Je kunt blijven citeren uit deze roman – is het wel een roman? Het is een scherpe analyse van onrecht. De verhalen gaan over onrecht. De Indianen, hoeveel namen ze ook dragen, is alles afgepakt. Orange stelt dat als Indianen hun verhaal vertellen vaak de reactie is: ‘Laat toch gaan. Jullie zijn slechte verliezers. Hou op en speel het spel mee.’ Maar het is geen spel. Het bloeden van de wond is nooit gestopt. Mensen alles afpakken en dan zeggen: ‘Jullie zijn toch wel veerkrachtig.’ als verdienste. Dat is een misdaad. ‘Je noemt het slachtoffer van een poging tot moord toch ook niet veerkrachtig.’​

Deze kraakheldere beangstigende analyses maken dit een groots boek, want in het volgende hoofdstuk gaat er toch weer een jongen van Indiaanse afkomst een dansje doen. Schrijnend, invoelbaar, en vooral roept het schaamte op. Over de privileges van witte mensen die volkomen in de watten zijn gelegd en die toch doen alsof hun leven net zo’n zware strijd is. Over de Efteling die hun symbolen niet mag afpakken, dat moet zo blijven, daar voelen wij ons gelukkig bij. Inderdaad: het zijn gekaapte treurige witte symbolen geworden.​

Volgende week donderdag: lezing van Tommy Orange door het John Adams Institute, in de Amstelkerk.

Ilja Leonard Pfeijffer, Antoine de Saint-Exupery: de redactie las de kleine favoriet van toeristen (wie immers verzamelt niet alle vertalingen?), sober en beeldend, en een groots opgezette roman over toerisme en Europa die niet verrast. *

Jan van Mersbergen: Antoine de Saint-Exupery, De kleine prins

‘Het belangrijkste is onzichtbaar.’ Klein zinnetje dat het kleine boekje De kleine prins (vertaling L. de Beaufort-van Hamel) samenvat. Nog geen honderd bladzijden, met tekeningen, over vinden en zoeken. Een kleine mythische tekst over een prinsje van een kleine planeet en een piloot in de woestijn. Ze vinden elkaar.

Wat zocht de kleine prins in de woestijn? Dat ontdekt de piloot en tevens verteller pas aan het einde, als de kleine prins water drinkt. In het begin tekent de piloot een olifant die opgegeten wordt door een boa constrictor. Hij tekent echter alleen de buitenkant zodat het lijkt op een hoed. Niemand ziet er een olifant in die opgegeten is door de slang. Het belangrijkste is onzichtbaar. De kleine prins heeft één roos. ‘Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin, en ze vinden daarin niet wat ze zoeken.’ Het boekje gaat over de ruimte, over tijd, over kinderlijke verlangens en dwaze volwassenen. Moeilijke materie, want al snel wordt zo’n opzet simpel en komt het niet over. Antoine de Saint-Exupéry kiest voor een sobere beeldende taal die de vertelling wel kan dragen. Nergens sentiment of uitgekauwde metaforen. Wel verhaaltjes die totaal onmogelijk zijn maar die je door de manier van verteller direct gelooft. ‘Je moet ’s nachts naar de sterren kijken. De mijne is te klein om te wijzen waar ze is. Dat is ook beter zo.’

Daan Stoffelsen: Ilja Leonard Pfeijffer, Grand Hotel Europa

Onder de vele plagen die plaatsen als Amsterdam, Venetië en Giethoorn teisteren, is toerisme het meest in het oog springend. Veel meer dan klimaatproblemen en de duurzamere migratie uit arme landen, althans. Daarom gaat Ilja Leonard Pfeijffers enorme roman Grand Hotel Europa ook minder dan La Superba over migratie, als wel om toerisme, het vluchtige broertje van de volksverhuizing. Een belangrijk onderwerp, en niet eens zo’n enorm boek, als je ziet dat Pfeijffer de aantrekkingskracht van het verleden van ons continent voor de Europeanen, maar zeker ook voor de Amerikanen en Chinezen, en niet in de laatste plaats voor hoofdpersoon Ilja zelf, in verschillende verhaallijnen laat zien. De kracht van die oude verhalen is al een belangrijke aanname, die Pfeijffer opvoert in het verbroken liefdesverhaal van Ilja en zijn Clio, de kunsthistorica met beroerde baantjes die jaagt op een verdwenen Caravaggio, en in de geschiedenis van het hotel en zijn piccolo. Net als het belang van stijl in leven en schrijven: Pfeijffers protagonist kleedt zich en soigneert zich perfect, formuleert precies en zeer uitgebreid, en er staan paginalange alinea’s betoog in die elk verband met een realistische dialoog verloren hebben.

‘“Ik verzoek u mij te corrigeren als ik het bij het verkeerde eind heb,” zei ik, “maar ik heb niet de indruk dat ik mijn toevlucht neem tot overhaaste gevolgtrekkingen als ik concludeer dat uw antwoord op mijn eerdere vraag ontkennend zou zijn en dat u niet van oordeel bent dat reizen de blik verruimt.” “Ik zie geen noodzaak om u te corrigeren,” zei hij.’

Het gaat over de kunst van Caravaggio en Damien Hirst, over musea, over hoe het continent sterft. Het gaat over hoe Europa in zichzelf gekeerd is. En over hoe toeristen een niet te stoppen ramp zijn. Had ik dat al gezegd? Dat zal zijn omdat Pfeijffer er ook op hamert. Hij herhaalt het nogal eens. Ik deel Pfeijffers literatuuropvatting niet – ik overdrijf even: kunst hoort kunstmatig te zijn, en daarop te reflecteren, tot in een weelderige stijl en een ironische toon over the top -, maar ik zie dat hij die consequent doorzet, mooie verhalen combineert, zichzelf als overtuigend personage neerzet. Zelfs de manier waarop hij met vrouwen en meisjes omgaat, de pornografische scènes, past. Alleen mist de centrale lijn van dit boek – en ik mis misschien een ironische twist – verrassingen. Hij verrast me met een inzicht in de verhaalstructuur in de Dave Eggers-achtige getuigenis van piccolo Abdul. Hij verrast me met de reflecties op moderne kunst (de tweede helft van de roman heb ik niet voor niets gelezen). Hij verrast me (en zijn hoofdpersoon) met de plotwendingen aan het slot. Maar niet met het gegeven dat toerisme het oude Europa kapotmaakt, en dat Europa vastzit in het verleden. Dat is zo’n Nexus Instituut-stelling die onbetwistbaar is, die veel analyse en weinig oplossingen toelaat, lange gesprekken oplevert, maar geen ontwikkeling. Het is niet iets voor op de voorgrond van een boek, het is decor, zoals in Rob van Essens De goede zoon (waarin Hirst ook een rol speelt, en musea, en carnavalstoeristen, en het verleden). Ja, ontwikkeling, misschien is dat mijn bezwaar. Het lijkt wel alsof Pfeijffers alter ego, een corpulente, charmante snob, vast blijft zitten. In zijn relatie met Clio veranderde er weinig, in Hotel Grand Europa evenmin. Ja, het slot biedt hoop – maar dat is te weinig en te laat. Dan is Europa al overleden.

Maria Vlaar, John Fante, Rob van Essen: de redactie las een ingehouden, intrigerend verhaal, helder en koortsachtig proza en een geweldige toekomstroman.

*

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, De goede zoon

Wat blijft er van waarde over als iedereen een basisinkomen heeft? Wat is nog eigen aan de mens als zelfs robots en auto’s ironisch zijn? Herinneringen. Dat is een wat abstracte samenvatting van Rob van Essens geweldige nieuwe roman De goede zoon. Een samenvatting ook die geen recht doet aan de innovativiteit, de humor, de stijl en de ontroerende materie. Want deze roman, een van de meest genoemde boeken in de Nederlandse eindejaarslijstjes, is een licht dystopische road novel down memory lane over dementie en moederliefde, ironie, kunst – en dus herinnering.

Wat begint met een geweldsfantasie naar aanleiding van een incident in de Albert Heijn (waar cassières gesubsidieerd zijn om jonge mensen van de straat te houden, want ja, wat kan een mens wat een robot niet kan) en substantie krijgt door mijmeringen over de zojuist overleden moeder van de verteller – na twintig jaar dementie en een leven bedrukt door streng religieuze overtuigingen – (ja deze zin kan echt nog langer), krijgt vaart door een telefoontje van een oude bekende: Lennox.

‘Alsof we elkaar gisteren nog gesproken hebben. Tenminste, zo klinkt hij. Ik ben vooral verbaasd. Dat het Lennox is hoor ik pas als hij zich voorstelt, het nummer zei me niets. Waar belt hij voor? Niet om me een wapen aan te bieden, dat zou mooi zijn, Lennox leest je gedachten en vervult je wensen, en hij werkte toen ook met De Meester, dus waarom niet, maar daar belt hij dus niet voor, hij belt om me te vertellen dat Bonzo zijn geheugen kwijt is en dat wij naar hem toe moeten om daar wat aan te doen. Nog steeds erg toevallig trouwens, want Bonzo en De Meester zijn een en dezelfde persoon. Niet zijn hele geheugen, zegt Lennox, alleen dat deel van zijn leven dat wij voor hem hebben verzonnen. Nou ja, wij – jij vooral; we hebben je nodig.’

De twee gaan op reis, eerst met een toeristenbus langs voor toeristen speciaal gebouwde dorpjes als Mersbergen (‘Carnaval twaalf maanden per jaar.’), later met een ouderwetse benzineauto, en ten slotte wordt Lennox ziek en regelt hij voor de ik een zelfrijdende auto, een prototype dat doorvraagt, ironie beproeft en zelfs seks heeft met de ik. Om ten slotte aan te komen in een klooster waar de schedel van de ik gelicht wordt – virtueel dan.

Wat maakt dit boek geweldig? Veel is ontzettend geestig: de geluiden van de sta-op-stoel die de ik van zijn overleden moeder overnam, die seksscène, woedende yoga, de observaties en gesprekken onderweg (ik moest denken aan de sfeer van P.F. Thoméses J. Kessels-romans, maar dan een stuk minder plat), het feit dat de ik een schrijver van plotloze thrillers is (is De goede zoon een plotloze thriller? Het lijkt erop), de musicalideeën van de ik en zijn auto over een plichtsgetrouwe, ‘goede’ zoon van een dementerende moeder.

Er is toch iets van een plot, waarin het Archief een rol speelt, en de Dienst, en een Holleeder-achtige figuur (Bonzo/de Meester dus). Er zijn ook inzichtrijke observaties, over herinnering, hoe die verdwijnt, hoe je die kan construeren en weghalen (al is dat in deze toekomstroman toekomstmuziek). En over hoe kunst onttoverd is voor de ik, over toerisme dus, zelfs over moslims, over robots en ironie.

‘Ooit was ironie van ons, de leden van de geletterde middenklasse, een niet al te kostbaar en overal te verkrijgen middel om het leven ongevaarlijker te maken, om het te verkleinen zodat wij er beter in pasten, een middel ook om hiërarchie aan te brengen in onze eigen groep; maar nu beschikt kunstmatige intelligentie er ook over. Misschien heeft ze het zelf ontwikkeld, wie weet is het een onvervreemdbaar, onvermijdelijk onderdeel van een zich ontwikkelend bewustzijn, straks blijkt ironie de drijvende kracht achter alles. Dat zou me eigenlijk niet eens verbazen. Maar de zorgeloze manier waarop ze er gebruik van maakt! Het is inderdaad een nieuwe wereld, alles wat ik zojuist over mijn leven heb gehoord is alweer achterhaald na de confrontaties met ironische receptierobo’s en liftdeuren. Soms denk ik dat er met tijdmachines wordt gewerkt, dat ze vanuit de toekomst hun plannen trekken en ons langzaam aan hun regime willen laten wennen; daarom sturen ze ons eerst vriendelijke, behulpzame receptierobo’s met ironische gimmicks en glimlachjes. Maar die ironie moet er ingeslopen zijn, die kan nooit de bedoeling zijn geweest, want ze geven zichzelf ermee weg: hun ironie is te triomfantelijk, het is de ironie van iemand die de ander niet serieus kan nemen, hoezeer hij ook zijn best doet; die ander is gewoon te onbelangrijk, te efemeer, te sterfelijk. Het is niet eens ironie, het is vrolijkheid, ze maken zich vrolijk over ons omdat we vermakelijk zijn zonder dat we ertoe doen.’

De stijl raast maar door, maar je ontsnapt er niet aan, je raast mee, het leest niet als een trein, maar als het landschap daarbuiten, niet te beïnvloeden maar indrukwekkend, continu veranderend maar onontkoombaar. En er is een ontroerend zelfonderzoek naar die moeder, haar dementie, de rol van de ik.

De goede zoon is een ontdekking, en ik ben blij dat ik een oeuvre kan teruglezen. Dat kende ik amper, realiseerde ik me toen ik de podcast BoekenFM terugluisterde, maar ik heb wel wat om naar uit te zien, bleek. Want wat las ik nu helemaal? We hebben in De Revisor Van Essens verhaal ‘Dit is wat ik je beloof’ in 2011 gepubliceerd (een van zijn beste, begreep ik ook van de podcast), en ik las voorvorig jaar Winter in Amerika, waarvan ik in de war raakte.

De verwarring lijkt helemaal Van Essens bedoeling te zijn geweest, en nu heeft de verwarring meer substantie, raakt hij meer onderwerpen en graaft hij dieper. Lezen dus. Ik ga herlezen.

Thomas Heerma van Voss: Maria Vlaar, Diepe aarde

In het verhaal ‘De ongeborene’, een hoogtepunt uit Maria Vlaars debuutbundel, volgen we een stel. Hij heet Jeroen en is schoenenmaker. Zij heet Renske en gaat zich bemoeien met zijn zaak, soms betuttelend, soms ronduit sturend, soms dominant en soms ook afwezig. Allebei worden ze in de derde persoon gevolgd, en we komen heel terloops toch dichtbij hun beider leefwerelden. Knap gedaan, dit is sowieso een knap, enigszins onbestemd verhaal, omdat het heel concrete elementen combineert met een onbestemde laag – ‘De ongeborene’ gaat om veel meer dan het aanvankelijk lijkt, zonder dat al te duidelijk uit te leggen is waar dat meer allemaal precies in zit; Diepe aarde heet Vlaars bundel uiterst toepasselijk, een titel die uit dit verhaal stamt. In de schoenenwinkel komt een jongen langs met ‘een paar handgemaakte Greve-herenschoenen’ en tussen hem en Jeroen ontvouwt zich een veelzeggende dialoog:

‘Ik heb iets met machines,’ zegt de jongen, ‘ik wil weten hoe alles in elkaar steekt in de wereld.’
‘Alles, alles. Ben je een studiebol?’
‘Ik studeer aardwetenschappen,’ zegt de jongen, ‘richting Diepe Aarde.’
‘Diepe Aarde?’ vraagt Jeroen, terwijl hij de schoenen op zijn werktafel netjes twee aan twee orden. Vooral veel sandalen nu, met dit mooie weer.
‘Ja, over wat in de aardkern gebeurt, daar waar we niet bij kunnen. Waar het te heet is om te meten en te donker om te kijken.’

In het klein gebeurt hier wat Vlaar tijdens dit hele verhaal behendig doet: afwisselen tussen enerzijds concrete zaken, namelijk heel toegankelijke, ogenschijnlijk eenvoudige taal, een praktisch beroep als schoenenmaker dat subtiel en toch heel sfeervol wordt beschreven, en anderzijds juist de achterliggende, meer onbewuste lagen: dat waar we niet bij kunnen, inderdaad. Dat wat we maar half zelf ervaren. Want het is voelbaar dat er, hoe praktisch en soms banaal de zaken ook zijn waar Renske en Jeroen het vooral over hebben, meer op het spel staat, veel meer. Bijvoorbeeld wanneer er rondom Renske’s zwangerschap een terloopse passage aan namen gewijd wordt:

‘Als het een jongen wordt gaat hij Ernst heten, van Max Ernst, van wie Renske in Berlijn schilderijen heeft gezien. Jeroen vindt de naam Ernst mooier dan Max. Als het een meisje wordt gaat ze Fanny heten, naar Renskes lievelingsfilm. Jeroen moet die nog eens gaan zien, vindt ze.’

Mooi, juist omdat het zo ingehouden is, omdat je over een dergelijke passage makkelijk heen leest – die woorden ‘vindt ze’ geven de passage iets schrijnends, en tegelijk wordt dat verschil in hun leefwerelden niet al te veel uitgevent: dit zou erop kunnen wijzen dat ze fundamenteel andere karakters hebben, dat zij iets van hem verlangt wat hij niet geeft – want eerlijk is eerlijk: niets wijst erop dat hij die film ooit zal zien, het enige waarover hij werkelijk begeestering toont in het verhaal is zijn zaak, en later ook min of meer zijn kind. Jeroen zelf verzandt in dezelfde pagina, als zijn kind eenmaal geboren is, ook nog in een even korte, zij het iets nadrukkelijker opgeschreven gedachte over zijn kind, over erfelijkheid, over het voortleven van voorliefdes en gebreken: ‘Als het kindje begint te krijsen en de vroedvrouw haar duim opsteekt naar Renske aait Jeroen de rimpelige handjes. De huid is zacht en dun als vloeipapier. Zonder te weten dat hij niets te zeggen heeft over de loop van het leven vraagt Jeroen zich af of het later ook schoenmakershanden zullen worden.’

Intrigerend verhaal dit, dat bij herlezing alleen maar beter wordt.

Jan van Mersbergen: John Fante, Vraag het aan het stof

In Vraag het aan het stof (vertaald door Mea Flothuis, jammer dat de roman in de Nederlandse titel veel meer woorden nodig heeft dan in het Amerikaanse Ask The Dust) weet John Fante opnieuw heerlijk te vertellen. Nu is zijn alter ego Arturo Bandini aan het woord. Zijn huurbaas wil geld zien.

‘Het liep op als de nationale schuld, ik moest betalen of vertrekken – tot de laatste cent, vijf weken achterstallige huur, twintig dollar, en zo niet, dan zou ze beslag leggen op mijn koffers; maar ik had helemaal geen koffers, ik had maar één valiesje en dat was van karton zonder zelfs een riem erom, want de riem zat om mijn buik teneinde mijn broek op te houden, maar dat was niet zo moeilijk omdat mijn broek ook al weinig meer voorstelde.’

Van een huurbaas naar geld, naar koffers, een riem, een broek, en zelfs die schamele broek stelt weinig meer voor. De weg van armoede en ellende, verteld door een kerel die schrijver wil worden. Je weet meteen dat hij dat zal worden, hij is een schrijver. Het moet alleen even mee zitten.
Schitterend is ook het gevecht dat Bandini aangaat met zijn schrijven, dat lukt totaal niet meer na een positieve reactie van een uitgever. Hij zit in zijn gehuurde hotelkamer naar een palmboom te kijken…

‘… maar het ging niet, het was het langste gevecht van keihard doorzetten van zijn leven, en er kwam geen regel, niet één, alleen maar één woord dat steeds weer, over de hele bladzijde stond: palmboom, palmboom, palmboom, een gevecht op leven en dood tussen de palmboom en mij, en de palmboom won: kijk, daar stond hij buiten in de blauwe licht te wuiven, zoetjes te kraken in de blauwe lucht. De palm won na twee dagen strijd, en ik klom naar buiten en ging onder de boom zitten. De tijd ging voorbij, een minuut of wat, en ik viel in slaap terwijl kleine bruine mieren carnaval vierden in het haar op mijn benen.’

Lees dat nog maar eens terug. Herhalingen, ritme, beelden, even helder als koortsachtig.
De passages waarin Fante zijn alter ego laat zwelgen in zelfmedelijden zijn minder. ‘Ik was Gods meest deerniswekkende schepsel…’ Dat geloof ik wel. Dat soort opmerkingen maken Bandini passief. Als hij ‘denkt aan spaghetti, zwemmend in de heerlijkste tomatensaus’ zie ik wel zijn leed en de heimwee voor me.

Vaker gezien, een roman over een man die schrijver wil worden. In De helaasheid der dingen laat Dimitri Verhulst zeer overtuigend zien hoe een jongen zich ontworstelt aan zijn armoedige gezin, door het schrijven. De slotscène van de verfilming is ontroerend: hij rijdt op zijn brommer als hij weet dat zijn boek gepubliceerd gaat worden.
Het is niet vreemd dat Charles Bukowski er geen geheim van maakte dol op Fante te zijn, ook Bukowski schreef vaak over een schrijver die aan het aanklugelen was, vanuit een woede tegen de klippen op tikken.
Toch hebben deze schrijvende hoofdpersonages een nadeel: het proza wordt zo naar binnen gekeerd. Een schrijver die vertelt over een schrijver die vertelt… Ik heb het nooit goed aangedurfd en gaf mijn hoofdpersonages al gauw een behapbaar beroep. Of moet je hier juist lef voor hebben? Gewoon schrijven over een schrijver? Die vraag houdt me bezig terwijl ik deze tweede roman van John Fante lees dit jaar. Het sluit ook aan bij mijn nieuwe roman, met daarin een grote rol voor een schrijfster. Niet de hoofdrol, die heb ik vergeven aan de vrouw van een vijverbouwer.