Een eigen podiumprogramma! De Revisor presenteert Het Personage, een vierdelige reeks literaire avonden op bijzondere locaties in Amsterdam. In de eerste editie brengen verschillende schrijvers en een kunstenaar het personage De Conservator tot leven in Kesbeke Amsterdamse Tafelzuren Fabriek. Met bijdragen van onder andere Anne Vegter, Simone Atangana Bekono, Gustaaf Peek en Alma Mathijsen.

Sally Rooney, Pauline Genee: de redactie las deze week een expliciete roman, slim geconstrueerd, die op een Stoner-achtige manier succes kan hebben, en een kleine roman die overtuigt in spanning en ideeën.

*

Jan van Mersbergen: Sally Rooney, Normale mensen

Vooraf drie punten: zinnetjes uit een tekst halen is legitiem (1) mits die zinnetjes iets doen met de gehele tekst (2), in dit geval: expliciet maken, en het ligt niet aan de vertaling (3).
Dat laatste punt noem ik omdat het boek dat ik zojuist gelezen heb (Normale mensen) vertaald is (en wel door Gerda Baardman) en ik al veel mensen heb horen zeggen: Je moet het ook in het Engels lezen.

Ik lees amper in het Engels omdat ik erken dat mijn Engels niet goed genoeg is om op een fatsoenlijk tempo proza te lezen. Aanhakend bij het laatste punt: een expliciet zinnetje in de vertaling was in het origineel ook een expliciet zinnetje. Vertelperspectief is in het Engels en in het Nederlands de derde persoon, en in die vertelling is Rooney sturend en soms overduidelijk, daar struikel ik keer op keer over. Rooney vult veel in. Ik word er kriegelig van.

De eerste opvallende vraag bij het lezen van Normale mensen van Sally Rooney: hoe kan een schrijver uiterst expliciete vlakke zinnetjes opnemen in een tekst en toch die tekst interessant laten zijn? Want dat is Normale mensen: interessant. Maar ook onbestemd en in de vertelling dus behoorlijk expliciet en niet mijn boek. ‘Hij miste haar gezelschap.’ Oké, dat begreep ik al vanuit de context. ‘Hij was hartverscheurend eenzaam.’ Ook dat had ik al door, vooral omdat Rooney me dat bijna in iedere korte passage aan het begin van de roman vertelt.
Dat soort zinnetjes zijn er in het boek erg veel te vinden, er zijn vast ook redacteuren te vinden die er dikke strepen doorheen zouden zetten. De redacteur in mij zegt: streep erdoor. Dat is niet gebeurd, en de vraag is: moest dat gebeuren? Kan dit proza zulke zinnetjes hebben? Het staat er, het leest wel goed, het is duidelijk. Maar voor een lezer die van proza houdt dat belevend en open is, is dit werken.

Die reden, en nu ga ik uitleggerig doen, is technisch, het gaat om overdracht. Als een verteller in de derde persoon soms niet een stapje terug doet en niet alles vertelt of uitlegt dan krijgt de lezer een ingetogener beeld van de personages. Dan komen de personages voor zijn ogen tot leven, zoals in een film. Dan lees ik niet iedere keer een aanvulling van de schrijver over wat er eigenlijk gebeurt. Aanvullingen die verduidelijken, maar die ook de lezer vooral op rationeel niveau bedienen.

  • ‘Ze voelde zich gefrustreerd.’ Goed om te weten, heldere mededeling, maar kan dat zinnetje niet verpakt in een beeld of helemaal weg? Voel ik eigenlijk al niet dat zij gefrustreerd is? Krijg ik de kans wel om te voelen dat zij…? Dat zijn lezersvragen, net als: hou ik niet te veel vast aan een laat-zien principe in proza, dat het gevoel van frustratie beter over kan brengen dan dit zinnetje?
  • ‘Ze was op een monoculair niveau op zijn lichamelijke aanwezigheid gericht, alsof de gewone beweging van zijn ademhaling al krachtig genoeg was om haar ziek te maken.’ Een zin die ik totaal niet begrijp, maar die me wel iets wil duidelijk maken. Maar wat? Streep erdoor, zou de dappere redacteur zeggen. Het is toch wel een nauwkeurige beschrijving van wat deze vrouw meemaakt, zou de lezer zeggen die vooral wil weten wat die vrouw meemaakt, in plaats van dat hij dat wil voelen. Dat voelen staat trouwens met stip op één in de lijst van expliciete beschrijvingen.
  • ‘Connell voelde een aangenaam soort verdriet over zich heen komen en moest bijna huilen. Zo overvielen hem momenten van emotionele pijn, betekenisloos of tenminste onontcijferbaar.’ Weer een duidelijk betoog over emoties, maar in de context – en dat is knap – precies en toch ook een aanvulling die net iets meer biedt. Een meerwaarde. Ligt dat aan de kleine woordjes als ‘een aangenaam soort’ of ‘bijna’? Een gradatie van verdriet, die jongen was niet alleen verdrietig, het zit ingewikkelder in elkaar. Hij huilde niet. Hij huilde bijna.
  • ‘Hij wordt voortgedreven door het verlangen precies in woorden te beschrijven hoe ze eruitziet en praat.’ Wederom niet een zin die me aanspreekt, door dat verlangen en dat motief, maar wel begrijp ik dat deze jongen dit wil. Het geeft richting. Wil ik niet te veel zonder die richting lezen?

Ik moest denken aan Stoner. Bejubeld, maar hetzelfde type proza: veel uitgesponnen dialogen tussen mensen die elkaar iets willen vertellen, die hopeloos zoeken, passief en een tikje treurig, maar die vooral ook een idee dienen, het idee van de schrijver die alles keurig netjes bij de lezer wil krijgen.

Nu is dat basisidee van Rooney zeer goed, spannend en helder.
Jongen en meisje zijn ogenschijnlijk elkaars tegenpolen en staan op andere plek op de sociale ladder, ze komen tot elkaar. Zijn moeder is schoonmaakster in haar ouderlijk huis, zo ontmoeten ze elkaar. Ze houden hun relatie geheim. De afwisseling van scènes met net genoeg handeling en flink wat expliciete uitleg maken een verhaal dat een niet te missen intensiteit en broeierigheid heeft.

Een test, voor een Show, don’t tell-lezer als ik, de volgende passage, op bladzijde 92:

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna voelt ze zich vredig en wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Ze kan niet bepalen of hij de behoefte bedwingt om zich van haar los te maken of zich juist kwetsbaarder wil maken. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Twee keer in deze korte beschrijvende passage loop ik tegen een zinnetje aan over gevoel. ‘Daarna voelt ze zich vredig…’ en ‘Ze heeft het gevoel…’ En een moeilijke zin over los maken en kwetsbaarheid. Eruit, zou de redacteur in mij zeggen. Maar wat blijft er dan over?

‘Na afloop zet ze de föhn aan en gaat hij douchen. Dan gaat ze naar het geluid van het water liggen luisteren. Ze glimlacht. Als Connell uit de douche komt, gaat hij naast haar liggen, ze kijken elkaar aan en hij raakt haar bijna aan. Mmm, zegt ze. Ze hebben weer seks, zonder veel te zeggen. Daarna wil ze slapen. Hij kust haar gesloten oogleden. Zo is het niet met anderen, zegt ze. Weet ik, zegt hij. Ze heeft het gevoel dat er dingen zijn die hij niet zegt. Hij kust haar in haar hals. Haar ogen worden zwaar. Het komt wel goed met ons, zegt hij. Ze weet niet, of herinnert zich niet, wat hij bedoelt. Ze valt in slaap.’

Dat is niet eens zo gek, maar nu mis ik vreemd genoeg die toevoegingen. Daar moet een beeld voor in de plaats komen, en dat beeld is er nog niet. Schrappen is niet de oplossing. Blijkbaar hebben zinnetjes die in een ander verhaal zouden storen hier een functie. Ik vind het bijzonder. Het geeft de verknochte lezer van sober beschrijvend en invoelbaar proza een kriegelig gevoel, maar ook verdieping.
‘De laatste tijd wordt hij verteerd door een gevoel…’ lees ik. En ik vind het prima, vooral omdat de structuur van de roman zeer slim en springerig is.

De korte hoofdstukken zijn in de tegenwoordige tijd verteld en verspringen in de tijd. Steeds wordt dat nu verlaten om terug te gaan in de periode waar net overheen gewipt is. Een scène, dan vier weken later weer een scène en in dat tweede stukje toch nog even vertellen wat er daartussen gebeurd is. De Volkskrant noemde het een compositorische triomf. Ik vind het slim. Dat springerige vertellen gebeurt volkomen vanzelfsprekend. Zeer knap, want totaal onopvallend. De keuze was: chronologisch kan ook. Maar dat wordt vlak en saai. De personages en de handelingen zijn niet bijster attractief, maar zo verteld krijgt het boek dynamiek juist zonder aansprekende scènes. Alles wordt rustig en precies verteld, soms wat expliciet maar wel steeds nauwkeurig en binnen heldere kaders.

Wat door de controle van Rooney als verteller speelt: Connell en Marianne zijn soms speelpoppen in haar handen. Als ze in Dublin gaan studeren en uit de gebeurtenissen al blijkt dat de jongen moeite heeft vrienden te maken, zelfs om mensen te leren kennen, vraagt Marianne hem: ‘Moeite om mensen te leren kennen?’
Dat sluit een op een aan bij de verhaalopzet en zelfs bij de flaptekst. De lezer krijgt ook in dialoog benadrukt: dit is hoe die jongen is. In die scène had Marianne haar liefje ook een iets opener vraag kunnen stellen: ‘Heb je het wel naar je zin hier?’ En dan kan hij leugenachtig antwoorden: ‘Jawel hoor,’ en dan merkt de lezer wel dat de jongen worstelt met zijn sociale contacten en zijn gevoel. In plaats daarvan moet Rooney weer via haar Marianne vertellen: ‘Hij was eenzaam.’ Dat maakt dat deze personages hun eigen en elkaars emoties goed kennen. Ze worstelen ermee, maar staan er rationeel gezien ook boven. Ze zweven.

Voor mij is het allemaal net op het randje. Net iets te expliciet, personages die net iets te ver weg staan, een kalm verhaal dat een zekere voorspelbaarheid heeft, maar vooral weinig sterke beelden in deze vertelling. Ik krijg wel mee dat Marianne opbloeit, dat staat er herhaaldelijk, ik zou graag een sprankeltje van dat gevoel mee willen krijgen. Zelfde geldt voor de hulpeloze sombere jongen, een tobber die de weg kwijtraakt. Ook dat wordt me verteld, dus ik zie hem wel tobben en rommelen, maar in één enkel duidelijk beeld dat net even groter is dan die dreunerige vertellingen kan dat gevoel van zo’n twintiger ook verpakt worden. Daar verlangde ik vooral naar, tijdens het lezen.

Waar ik ook naar verlangde: de stemmen van de personages. Sally Rooney heeft een sterke stem, ze is wel erg dominant. En dan bedoel ik dat ze sterker is dan haar personages. De dagboekvorm kan ook vanuit die twee personages goed werken, en wat een voordeel is: ik-vertellers zullen niet zo snel al hun emoties proberen te benoemen, zullen leugenachtiger zijn en een andere spanning brengen, en wellicht meer diversiteit in toon.
Is maar een optie, zoals ik steeds tijdens het lezen opties zoek om dit expliciete proza draaglijk te maken. Ik weet uiteindelijk: niet doen, strenge lezer. Is niet nodig. Laat dit verhaal, van deze schrijfster van 27, vertellen, aan andere lezers.
Tijdens de presentatie van deze vertaling, bij boekhandel Athenaeum aan de Roetersstraat, las Philip Huff een kort fragment voor en ik wist meteen: deze dialogen tussen deze personages zijn niet mijn pakkie-an. Ieder hoofdstukje voel ik dat. Dat is het effect van dit proza op mijn gemoed: steeds die weerstand.

Toch zie ik zeker dat dit boek, net als Stoner, heel veel mensen zal bevallen. Lezers zullen zich rationeel deelgenoot voelen van een klassieke problematische liefde zonder emotioneel dichtbij te komen. Dat geeft niet, ze zullen precies weten waar de roman over gaat. Bij sommige literatuur is dat voldoende.

Ambo|Anthos gaf Normale mensen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Pauline Genee, Roadblock

‘Waar je dus aan denkt als je op je buik in de berm van een roadblock ligt? Je voelt het koude ijzer van een wapen in je rug, het horloge van je overleden moeder is afgepakt, net als de ring van je ex-geliefde (die had je ook niet om moeten doen! Je hebt toch die cursus gevolgd en ze waren er toch duidelijk over?) en ik durf niet meer te bewegen, voel hoe de takjes en blaadjes in de huid boven mijn wenkbrauwen prikken, er is getier vlak bij mijn oor, de stem roept steeds maar hetzelfde: “Where is the money” en “You fucking killed your friends” en “You are fucking helping the government”.
Waar je dan aan denkt?’

Pauline Genee studeerde Frans en Russisch, volgde het diplomatenklasje, werkt als speechschrijver op het ministerie van Buitenlandse Zaken en schreef de prettig ambachtelijke en ironische historische roman Duel met paard, en nu weet ze tijdens een waarnemingsmissie in een redelijk veilig land een adembenemende roadblock neer te zetten, die uitmondt in doden en een gijzeling. Roadblock is een heel spannend boek, waarin Genee zo’n situatie heel overtuigend neerzet: het lichaam staat onder spanning, de geest dwaalt af en wordt weer bij de les geroepen, de indrukken rijgen zich aaneen. Afwisseling, herhaling, lange zinnen, korte zinnen – heel vaardig, en veel minder ironisch, zij het dat Genee het wel licht kan houden met bijvoorbeeld de aanduiding ‘breiwerkjes’ voor de bivakmutsen van haar gijzelnemers.

Het is ook een boek over verhalen. Onze ik, Ava, heeft haar gelliefde Peer verlaten, een kunstenaar, een fictionalist, een verhalenvanger, om een geheim. Een familiegeheim: Ava weet dat Peer niet Fries is, maar Joods, en ze heeft gezworen dat niet te vertellen, ook al heeft ze hem opgezocht en is ze verliefd op hem geworden. Dus dat verhaal is er, en er zijn zinnen die bij Ava binnenkomen, flarden verhalen. En er is Peers theorie:

‘Ik droom dat je gelijk hebt, Peer: fictie bestaat niet. De deur van dit kamertje zal opengaan. En alle woorden die ik heb gepreveld, verlaten deze ruimte. Langs de muren gaan ze op zoek, weg uit dit huis, giechelend, fluisterend, en al snel vinden ze een spleet om door naar buiten te vluchten, een voor een.’

En die zinnen bereiken een verhalenverteller, ver weg. Het geheim van Ava, haar geschiedenis met Peer, en ook nog twee wijze tantes in Canada, en de militaire training voor de missie: het zijn wat groots opgezette verhalen die wellicht in een vorige versie van dit boek meer ruimte hadden gehad en verfijnder geweest zouden zijn, maar nu kleur geven aan een benauwde gevangeniservaring. Rob Schouten noemt de roman in Trouw een ideeënroman over vrijheid (om te denken, verzinnen, over geheimen te spreken) en onvrijheid, en juist omdat Genee veel in het vage laat (die gijzeling zou overal plaats kunnen vinden, of eigenlijk nergens, met zeer uiteenlopende karakteriseringen van mensen en landschappen) lijkt het me inderdaad niet primair een boek over een gijzeling. Het gaat over hoe mensen en geheimen je gevangen kunnen nemen, hoe je zelf een geheim kan worden, en wat vrijheid dan is. Daarbij komt de rol van verhalen, als uit de lucht ‘gevangen’ materiaal, maar ook als geestelijke ontsnappingsmethode.

Oké, genoeg geanalyseerd. Ik las dus een kleine roman die verrassend spannend en verrassend ideeënrijk is.

Querido gaf Roadblock uit.

Het is feest bij Revisor! Mede dankzij het Nederlands Letterenfonds kunnen we acht interessante auteurs met een dubbele achtergrond aan het woord laten over wat mensen samenbrengt: feest. Schrijvers zijn gevoelige feestvierders, ze zien meer dan gezellig is, en als je ook cultureel een buitenstaander bent, zie je nog meer. Proza van Richard de Nooy, Fabienne Rachmadiev, Babs Gons, Radna Fabias, Laura Broekhuysen, Naomi Rebekka Boekwijt, Simone Atangana Bekono en Dominique van Varsseveld, en de tweede bijdrage in de reeks is ‘Haring in een bontjas’.

*

Vanaf de wc stuur ik het thuisfront in Nederland foto’s en berichtjes over hoe het familiefeest is. We (mijn zus, broer en ik) zijn weer eens in Almaty, Kazachstan, waar de andere helft van onze familie woont. Ter gelegenheid van ons bezoek is iedereen bijeen gekomen in het huis van mijn oudste tante. ‘Gezellig’ antwoordt Nederland, of dat het eten er zo goed uitziet, en wie dit schattige kindje (‘net jij toen je klein was’) nou ook alweer precies is? Waren we ooit een compacte familie, inmiddels loopt er een nieuwe, vierde, generatie rond.

Tijdens zo’n feest wordt de wc vaak gebruikt om je even terug te trekken uit de drukte: foto’s waarvoor geposeerd moet, vertellen hoe het nu met je studie gaat, steeds geknuffeld worden, toch nog een hapje van dat gerecht of van dit dessert moeten proberen – zheroi zhanym, zegt mijn oma tegen ons, eet maar mijn lieve. Ook kun je op de wc gauw een beetje huilen, of gewoon stil voor je uit staren, omdat de drukte of emoties je teveel zijn geworden – totdat de nood bij de anderen te hoog wordt en ze zich ook een ogenblik aan het feestritueel moeten onttrekken. Uit solidariteit haal je dan het slot van de deur en draag je de betegelde oase over aan het volgende familielid dat even op adem moet komen. 
Hiermee probeer ik geloof ik te zeggen dat we niet echt groepsmensen zijn – introversie is een sterk erfelijk overdraagbare eigenschap. Toch doet iedereen zijn best: vele kilometers zijn per vliegtuig of auto afgelegd om op z’n minst deze ene dag bij elkaar te zijn.

Ik herinner me beelden uit het familiefoto- en videoarchief waarop het gezicht van mijn Nederlandse oma is verstild tot een uiterst beleefde, nauwelijks waarneembare glimlach en, alleen voor wie haar goed kent, een paniekerige blik richting de camera. Achter die camera houdt mijn opa zich op verjaardagen en andere feestjes wijselijk schuil. Een scène waar er voor mijn oma’s neus een zwartgeblakerde schapenkop tevoorschijn wordt getoverd, of een ander stuk vlees waarvan de herkomst (in tegenstelling tot de gehaktballetjes en cocktailworstjes die mijn Kazachse grootouders dan weer liever niet in hun mond zouden willen stoppen, maar dat ook niet weigeren) ook niet moeilijk te raden is. Hoewel bitterballen en frikandellen dan weer een groot succes waren bij mijn Kazachse neefjes, ze ook de blokjes oude kaas (min zilveruitje) altijd goed waarderen, én de griezelige haring die ze ook hun keel in proberen laten te glibberen, in navolging van ons.

Op het fameuze schapenhoofd na heeft de Kazachse feesttafel mijn voorkeur: minstens vier gangen, een mengeling van traditionele gerechten, zoals manti, van deeg, met vlees en pompoen, plov, Russische bieten- en vissalades, waaronder ’haring onder een bontjas’: in stukjes gesneden haring, biet, aardappel, en andere groenten, bedekt met een uiterst royale (dit is de bontjas) laag mayonaise, verder: ‘salade olivijee’, Europese salades met Georgische en Perzische invloeden, besprenkeld met granaatappelpitjes, in schijfjes gesneden verse kleine komkommers, vlezige tomaten, dille, dille, dille, peterselie, verse kruiden, schalen met fruit: perziken, appels, abrikozen en donkerpaarse volle druiventrossen die zwaar over de rand hangen, huisgemaakte khazi (paardenworst), Beluga-kaviaar, gehalveerde hardgekookte eieren met zalmkaviaar, gezouten vis, gefrituurde deeghapjes, vissensoep, borsjt, verse vis met jonge aardappels (en meer dille), verschillende soorten kaas, waaronder zoete zachte en zout gedroogde khurt, dan de chai: rokerige zwarte thee, uit de samovar, geserveerd met walnoot en honingtaart, gedroogd fruit, amandelen in hun schil, citroentaart, abrikozentaart, medovik, profiteroles, zoete broodjes met maanzaad, snoepjes in kleurige verpakkingen van de plaatselijke snoepfabriek Rakhat, wat zoveel als ‘zalig’ betekent.

Voor de meeste van deze feestelijkheden is de aanleiding zowel vreugdevol als toch ook droevig: het betekent dat we allemaal, heel even, in elkaars gezelschap op dezelfde plek zijn, maar ook dat we opnieuw afscheid moeten nemen. Hoewel er genoeg families zullen zijn die ondanks dat ze dicht bij elkaar in de buurt wonen, elkaar ook slechts bij geboortes, huwelijken, verjaardagen en begrafenissen zien, is er bij families die erg ver van elkaar vandaan wonen – rivieren, landsgrenzen, bergketens, continenten ertussen – de onnadrukkelijke maar continue beladenheid dat het nu echt gevierd moet worden dat we samen zijn. Ik probeer al heel lang om eens alle kleinkinderen, van de Kazachse kant, samen op een foto te krijgen. Iedereen woont inmiddels of in een ander land, of is voortdurend op reis, dus dat is geen gemakkelijke opgave en is nog altijd niet gelukt, maar wellicht de volgende keer.

Ik was op zoek naar een grappige of ontroerende anekdote, gedestilleerd uit al die voorbije bijeenkomsten, waarin een soort kern besloten zou kunnen liggen: kijk, dit is wat het betekende, toen we bij elkaar waren.
Ik herinner me ook het onprettig volle gevoel van teveel te hebben gegeten, de halfslachtige weigering en toch nog een keer vlees opgeschept te krijgen, een op de wc verstopte fles wodka, volschieten op het verkeerde moment. Een lied dat door ons samen werd gezongen en daarna moest worden vertaald voor wie toch ook de betekenis van de woorden zou willen weten. Mijn opa vroeger op de piano, mijn oma zong in het Kazachs. Het gaat over hoe alles in het leven vluchtig is, zei m’n tante, die ons deze laatste bijeenkomst niet wil vertellen hoe ziek ze is.

Ruzietjes, onderzeese vulkaanuitbarstingen. Zinsdelen strategisch onvertaald laten. De opluchting als het weer voorbij is, we weer naar ‘huis’ kunnen. Maar ook de kilte in het huis als wij achterblijven en de juiste personen zijn vertrokken. De juiste personen – je weet pas wie dat zijn als ze er niet meer zijn, want dan is het feest plots geen feest meer, alleen nog een beleefde bijeenkomst van mensen.

De ingepakte koffers, het rituele uitzwaaien, iedereen twee, drie keer omhelzen en elkaar ervan verzekeren dat het de volgende keer echt minder lang zal duren totdat we elkaar weer zien. Mijn Kazachse oma die wel huilt maar doet alsof ze niet huilt, ik ruik nog even aan haar fluweelzachte wang, mijn neefjes die me altijd een nuchtere, maar stevige knuffel geven, de lachende gezichten die je nazwaaien maar je ziet toch nog net, nog niet de hoek om, dat er tranen worden weggeveegd. De laatste keer dat ik mijn Kazachse opa zag wist ik, wisten mijn zich omkerende ingewanden, dat het de laatste keer zou zijn, ik draaide me nog eens om en zwaaide alsof ik morgen weer langs zou komen. Hij knikte, dacht ik, dat het goed was.

Mijn Nederlandse opa loopt altijd naar buiten om ons, om mij, uit te zwaaien, ook al wonen we allang weer dichtbij. Soms kijk ik op het einde van de straat nog eens om en zie dat hij er nog steeds staat en dan is het moeilijk, moeilijk om de hoek om te slaan.

Het opstijgende vliegtuig is het definitieve einde van het feest, maar bij dat opstijgen lijkt niet het hele lichaam mee te gaan, we laten altijd iets achter, een deel van het hart, als dat zou kunnen. Is dit verdeeld worden tegelijkertijd de verbintenis met al die mensen met wie je soms ruzie maakt, maar voor wie je zonder nadenken toch uit dat vliegtuig zou springen, mocht dat ineens noodzakelijk blijken? Mijn zusje, broertje en ik blijven zitten, zetten een film op, wachten mak op het vliegtuigeten, kijken nog niet naar de honderden foto’s op onze telefoons. Misschien zit er daarom zo lang tussen elk bezoek, elk feest – er moet voldoende tijd overheen zijn gegaan, langer dan een vlucht naar de wc, maar ook weer niet zo lang dat er iemand komt te overlijden zonder dat we afscheid hebben kunnen nemen, om je opnieuw te kunnen verheugen op het weerzien, en steeds opnieuw in de hoop om die grens, die dwars door ons lijkt te snijden, tussen landen, continenten, tussen verdiet en vreugde, wat te laten vervagen. Een echte oplossing is er niet.

Over beginzinnen is veel geschreven, als Jan van Mersbergen een boek aanschaft kijkt hij eerst naar de slotzin. Die zegt soms meer over een boek dan die beginzin. In deze reeks: de analyse van het laatste woord.

Vandaag: Terwijl ik al heenging van Willliam Faulkner

*

De titel van deze roman uit 1930 is afgeleid van een zin uit de Odyssee van Homerus: ‘Toen ik lag te sterven, wilde de vrouw met de ogen van de hond mijn ogen niet sluiten toen ik afdaalde in het dodenrijk.’

De vijftien vertellers van Faulkners mooie levendige goed leesbare roman hebben stuk voor stuk een eigen stem en vooral de jongens van het gezin Bundren staan me zelfs twintig jaar na mijn eerste lezing van het boek nog voor de geest: Darl, Cash en Vardaman.

Darl neemt de meeste hoofdstukjes voor zijn rekening.

Het verhaal is eenvoudig en klassiek: de moeder van het gezin is overleden en het gezin vervult haar laatste wens: ze wil graag begraven worden in haar geboorteplaats Jefferson. Dus het gezin brengt het lichaam van de moeder daar naartoe. Onderweg komen ze allerlei problemen tegen die het verhaal vormen maar vooral vormen de vertellers het verhaal, en vooral hun persoonlijke beslommeringen.

De vader, die een nieuw kunstgebit wil en vooral daarmee bezig is. De dochter, die zwanger is, wat niemand mag weten. Vardaman, die niet helemaal lekker in zijn hoofd is en uit die op een gegeven moment het kortste hoofdstukje voor zijn rekening neemt: ‘Mijn moeder is een vis.’

Dat zinnetje heb ik al heel vaak aangehaald in interviews, tijdens schrijfavonden en lessen over beeldend schrijven. Vardaman is in de war. Zijn moeder is dood en gaat de grond in. Hij vangt onderweg een grote vis die hij op een zandpad laat vallen. Dan komt deze zin, die Faulkner op een verder lege bladzijde heeft geplaatst, net onder de naam van verteller Vardaman. Het verhaal en de verwarring van die jongen, verpakt in een paar woordjes. Een schoolvoorbeeld van eenvoud en van beeldend schrijven.

Cash timmert de kist in elkaar. Op bladzijde 70 staat een lijstje van dertienredenen waarom de kist in verstek is gemaakt. Heel technisch. In verstek: ‘Dat geeft meer oppervlak qua houvast voor de spijkers, elke naad heeft twee keer zo veel oppervlak voor houvast, het water zal schuins moeten binnendringen,’ en zo verder.

Vooral de opening van dit korte hoofdstukje is goed: ‘Ik heb hem in verstek gemaakt.’ Niks erbij dat het over de doodskist gaat, dat kan iedere lezer zelf wel verzinnen en bovendien weet deze verteller waar hij het over heeft, dus hij hoeft niet te herhalen dat hij een kist maakt, en hij is een timmerman en die praten precies zo. In termen. In jargon. Daarom is dat ‘schuins’ ook zo goed.

Een eind verderop laat Faulkner dezelfde Cash in ook een heel kort hoofdstukje zeggen: ‘Hij lag niet in evenwicht. Ik heb hun gezegd als ze wilden dat hij onder het rijden in evenwicht lag, dan moesten ze’

Daar stopt het hoofdstuk. Er is iets gebeurd, een beproeving aan de rivier, er ging iets mis, met die kist. Cash weet hoe dat kwam en hij wil dat vertellen, maar vooral is hij ook in paniek en als een echte timmerman weet hij hoe het zit. Dat evenwicht. Maar omdat het daar mis zat zijn de zinnetjes die hij spreken kan ook uit evenwicht.

Vorm en onderwerp en personages vormen één beeldend geheel.

De roman sluit af met een passage verteld door Cash, de timmerman van het stel die de doodskist voor zijn moeder maakt.

De slotzin luidt:

‘Dit is mevrouw Bundren, zei hij.’

De verteller is, zoals gezegd: Cash, maar in deze laatste alinea vertelt Cash wat zijn vader zegt, met zijn nieuwe gebit in. De vader stelt het gezin voor aan iemand die buiten het gezin staat. Daar heeft hij heel lang mee gewacht. Hij was met zijn nieuwe gebit bezig,  is nu trots op zijn nieuwe gebit, ook wat verlegen. Maar hij stelt wel het hele gezin voor. De kinderen én de moeder. Mevrouw Bundren.

Zij is het enige personage dat geen stem heeft, ze is per slot van rekening overleden, maar eigenlijk draait het hele boek om haar.

Tommy Wieringa, Richard de Nooy, Lucas de Waard, Renée van Marissing, Maarten van der Graaff: de redactie las een immigratieroman in streekvermomming (advance praise), een messiasmozaïekroman, en knappe roman met onvergetelijke veegwagenbestuurders, een kleine, hyperbewuste roman, en een fraaie, tastende roman over religie.

*

Jan van Mersbergen: Tommy Wieringa, De heilige Rita

In De heilige Rita gaat Tommy Wieringa terug naar zijn Twente, compleet met het decor, de stokige karakters, de taal van de mensen daar aan de Duitse grens. Ik hou erg van proza waarin de taal van de mensen niet alleen realistisch is, maar ook beeldend en ook kort. Geen geklets. Wieringa vult zijn bladzijden – zoals altijd – met goedlopende zwierige zinnen, maar als zijn personages praten dan is het kort en duidelijk, en krijgt het accent een plaats. ‘Wat bi-j laat,’ zei zijn vader toen hij binnenkwam. Dat moet je hardop lezen, want zo op papier lijkt het Hongaars. Toch is de klank volkomen duidelijk en vormt die klank mede ook het personage.

Het mooiste voorbeeld, dat ik direct toen ik de zin las in een mailtje naar Wieringa stuurde om hem te complimenteren met dat zinnetje: ‘Zijn vader had meer kinderen gewild, zij het meer als voorzorgsmaatregel dan uit vaderliefde, “want we wonen langs een drukke weg”.’

Hier hoef ik helemaal niks aan toe te voegen, zo beeldend en schitterend, zo veel meer staat hier dan die paar eenvoudige woordjes doen vermoeden. Niks over zeggen, behalve dan dat de tot nu toe genomineerde zinnen voor de Tzumprijs, de prijs voor de mooiste zin uit de Nederlands romans van dit jaar met als prijzengeld het aantal woorden in euro’s, vanaf nu kansloos zijn.

Op vrijwel iedere bladzijde vind ik zulke zinnetjes. Wieringa gaat terug naar Twente, en dat is voor mij vooral herkenning. De jongen die pasta en rijst aan zijn menu toevoegde, die zijn vader dat laat eten, ‘zijn opstand tegen het regime van aardappelen. Al hield hij zelf ook het meeste van aardappelen, je moest je ertegen verzetten. Je werd er simpel van’. Een en al herkenning en vooral het oordeel dat je simpel wordt van het eten van aardappelen voel ik iedere avond als ik thuis niet kook en er aardappelen op tafel komen want mijn verzet tegen de piepers is erg hardnekkig, ik kook het liefste spaghetti of maak nasi. En dan toch hou ik eigenlijk het meest van aardappelen, van goed gebakken aardappelen, precies in de juiste grootte gesneden, ongeschild.

De Chinees die in De heilige Rita achter een gokkast zit, ‘die al een tijdje op geven staat’. Waarschijnlijk kennen veel mensen die uitdrukking niet, zij zullen hier overheen lezen, maar in mijn oude dorpscafé werd er zo over de fruitautomaten gepraat, als wij aan het biljarten waren.

Er valt een vliegtuigje uit de lucht, in de tijd voor die van hoofdpersoon Paul, en dat vliegtuigje doet in de verte denken aan Joe Speedboot, maar in dit boek geen artistiekeling die de lucht in wil, het is een Rus die juist naar beneden wil, op de juiste plek het liefst. Dat verhaal maakt van deze roman misschien een immigratieroman, maar voor mij is dit boek thuiskomen, in mijn eigen kleidorp dat weinig verschilt van het Twentse veen, zeker als carnaval eraan komt en de Rus zo dronken gevoerd wordt dat hij een alcoholvergiftiging oploopt. Heel anders inderdaad dan de rijke Venlose vastelaovend, waar in plaats van een enkel hoofdstukje wel een complete roman over te schrijven is.

De heilige Rita is een rijk boek dat op het eerste gezicht geboren lijkt uit fantasie. Daar geloof ik niks van. De beelden die Wieringa oproept zijn geen droombeelden, het zijn de verhalen van het land dat hij goed kent, zijn land. Of het nou een immigratieroman is, een liefdesverhaal, een vader-zoonboek, een roman van de grensstreek en de zandgronden, deze roman is vooral Wieringa’s persoonlijkste boek. Dichter bij hemzelf is deze schrijver nog nooit geweest.

De Bezige Bij geeft De heilige Rita uit, de roman verschijnt 24 oktober.

Thomas Heerma van Voss: Lucas de Waard, Kraaien Tellen, Renée van Marissing, Parttime Astronaut, Maarten van der Graaff, Wormen en Engelen

‘Ik sluit niet uit dat ik een vertekende blik op de werkelijkheid heb, maar t is net alsof er steeds meer boeken uitkomen,’ schreef Marja Pruis deze week op Twitter. Een gedachte die bij mij ook al was opgekomen, misschien ook vanuit een vertekende blik op de werkelijkheid, misschien wel omdat ik zelf niet al te lang geleden een nieuw boek heb uitgebracht — maar wat lijkt er ontzettend veel te verschijnen, de ene potentiële bestseller na de andere, en dan ook nog al die minder bekende auteurs die zich daar tussen moeten wringen. Ik probeer het bij te houden, zeker als het gaat om wat er aan Nederlandse fictie verschijnt, maar dat is niet te doen. Dat is het natuurlijk nooit, nu lijkt het alleen nog meer onbegonnen werk. Niettemin las ik de afgelopen weken veel, graag deel ik hier enkele losse bevindingen bij nieuwe Nederlandse titels:

  • Ik las Lucas de Waards Kraaien Tellen, deels omdat ik met hem enkele boekhandels aandoe en deels omdat het verhaal me aansprak: de introverte, sociaal onintelligente en soms ronduit laveloze Tobias is veegwagenbestuurder en zijn zus heeft vlak voor het begin van de roman zelfmoord gepleegd. Dat laatste is een goede keuze en heeft De Waard mooi uitgewerkt: hij klopt het drama niet op en bouwt niet toe naar een emotionele climax, de climax is juist al geweest, voor aanvang van het geheel, en via herinneringen (dat zijn er veel) komen we daar steeds meer over te weten. Dat werkt, zeker door de rauwe ondertoon in de roman, en de scènische opbouw.Met de verhaallijn in het heden had ik aanvankelijk meer moeite, althans, het duurde even voor ik daar in kwam, maar uiteindelijk ging ik mee met Tobias. En ik voelde zowaar iets van sympathie voor deze in essentie weinig sympathieke hoofdpersoon. Knap gedaan — nationale boekenredacties, lezen jullie mee? Sinds ik Kraaien Tellen las kijk ik bovendien anders naar elke veegwagenbestuurder die ik langs zie rijden, en dat lijkt me toch ook een verdienste van het boek.
  • Ik las Renée van Marissings Parttime Astronaut, een roman die juist vooral gaat over het heden, nou ja, over het alledaagse, over de verwijdering tussen een vrouw (de ik-verteller van het geheel) en haar echtgenoot. Tussen hen in staat een kind, te jong om echt mee te doen, oud genoeg om dingen wel te voelen en min of meer te begrijpen. Van Marissing heeft een fijne schrijfstijl, met een broeierig, natuurlijk ritme, met lange zinnen vol cadans, en wat mij aan Parttime Astronaut overtuigt is hoe ze inzoomt op de kleinste handelingen, beweringen en bewegingen binnen een relatie, binnen een samenzijn, en hoe ze de bijbehorende irritatie voelbaar maakt.Het verhaal is klein, behapbaar, en het leed is in zekere zin ook klein. (Al deel ik de conclusie niet die de Volkskrant dit weekend over deze roman trok: wat is het probleem nou eigenlijk? Alsof problemen altijd objectief groot moeten zijn, alsof verhalen niet juist interessant kunnen worden als kleinigheden in iemands gedachten grote casussen worden en alsof literatuur er niet om draait om zulke processen inzichtelijk te maken. Ik vind het juist fijn dat het hier allemaal niet te erg wordt opgeblazen en dat al te voorspelbare zijpaden als het gaat om echtelijk ongeluk niet worden ingeslagen.) Door die kleine opzet is Parttime Astronaut het soort boek dat je binnen een dag uitleest, wat natuurlijk ook een kwaliteit is, maar wat ik ook jammer vond: net toen ik een soort van verbond met de hyperbewuste, op alles reflecterende hoofdpersoon had, en toen ik dacht dat ze haar bestaan en dus verhaal ging omgooien, liep de roman ten einde.
  • Ik las Maarten van der Graaffs Wormen en Engelen, een fraaie, tastende roman over religie, over het afvallen van je geloof en het verlangen naar gemeenschap. Het geheel zit vrij los in elkaar, scènes worden vermengd met e-mails, heden met verleden, het is allemaal veel losser dan ik op grond van enkele besprekingen en de achterflap gedacht had, maar dat werkt wonderlijk goed: zonder dat Van der Graaff de verbanden expliciteert voel je dat al die fragmenten en scènes met elkaar te maken hebben, soms juist ook door het contrast (feestjes met XTC, de rituele doop van de vader van ik-personage Bram).En ik ging met deze Bram mee. Wat me in deze roman vooral overtuigde was dat het nergens een afrekening wordt met een bepaald milieu, niets of niemand wordt belachelijk gemaakt: er is afstand, zeker, Bram kijkt bij tijd en wijle eerder met jaloezie dan met afkeer naar volwassenen die zich bewust onderdompelen in religieuze taferelen. Een veelzeggend en knap citaat iets over de helft: ‘Een geloof waarin mensen geen verantwoordelijkheid dragen voor de manier waarop ze handelen is toch een kinderachtig geloof? En ja, zulke geloven bestaan er genoeg, maar is dit uniek aan gelovigen? En toch hoorde ik niet meer bij die ondefinieerbare groep: christenen. Is van je geloof vallen dan zo’n mistig proces, zo traag? Hoe moet ik waarde hechten aan het afvallig zijn? Nu ik me heb afgekeerd van God, wil ik weten waarnaar ik me toekeer.’

AtlasContact gaf Wormen en Engelen uit. Een voorpublicatie staat op Athenaeum.nl.
AtlasContact gaf ook Parttime Astronaut uit. Ook daarvan staat een voorpublicatie op Athenaeum.nl.
De Geus, ten slotte, gaf Kraaien tellen uit.

Daan Stoffelsen: Richard de Nooy, Van kleine helden

Ik heb de ontstaansgeschiedenis van dit boek in vele stadia kunnen volgen. Over het plan ervoor las ik voor het eerst als adviseur voor het Letterenfonds in 2013, ik meen dat het toen om een estafetteverhalenbundel ging. (Full disclosure: ook toen kende ik Richard al, ik mocht het boek niet beoordelen.) Later, vanaf 2014, bood Richard Revisor korte verhalen, satellieten bij zijn bundel aan, onder de noemer ‘Bekende vreemden’. Een voorloper was ‘Annunaki‘, en na ‘Morfine’‘Rostjni Dan’‘Skeledžija’, was ‘Muntje’ de vijfde aflevering. Soepel, sober proza, maar vooral literair spel. Uitproberen. In de tweede persoon geschreven, of in meerkeuzevragen, of als een lijstje (‘Rojstni Dan’ blijft geweldig). En een groot verhaal uit het boek is een halfjaar geleden deels in Revisor 14, in zijn geheel op Revisor.nl verschenen: ‘Schietstoel.’ Daarna was ik nog in de gelegenheid Richard een grote literaire prijs te bezorgen, maar behalve Max Pam (de Max Pam Award) en Guus Bauer (De Grote Inktslaaf Literatuurprijs) zijn er geen eenmansjury’s in dit land, en in mijn eentje heb ik Richard niet op de longlist gekregen.

Van kleine helden is te beschrijven als een mozaïekroman, en de mozaïeksteentjes die ik in de loop der jaren verzamelde, konden me hier niet op voorbereiden. Want het is echt een mooie, rijke, geëngageerde roman geworden. Het begint ook daadwerkelijk als een verhalenbundel. Verhalen van weldoeners, vloekende, gemankeerde, aan lager wal geraakte of simpelweg gedesillusioneerde weldoeners, dat wel, maar ze helpen tenminste. Ze geven telkens hun naam aan het verhaal, ondertitel is de locatie, we leren ze in kort bestek bekennen en raken ze dan weer kwijt. Eeuwig zonde, sympathieke figuren. (Richard, als je meeleest, voor je Engelse vertaling: Fabel van Venetië, een wondermooie mysterieuze Corto Maltese, eindigt met een reünie van levende en dode personages. Zoiets mag ook wel bij Small Heroes.)

Uit: Hugo Pratt, Fabel van Venetië

Wie we niet kwijtraken is Per en zijn hond Bodolf, die in het openingshoofdstuk een piepende steen aantreffen in het Noorse bos waar ze wonen. Per leren we kennen als een verwarde oude man, een figurant in die andere verhalen, en via zijn figuratie ontvouwt zich een reis. In Zweden:

‘De oude man kijkt Jens zwijgend aan. Een diepe frons verschijnt op zijn voorhoofd. “Ik kom wat brengen. Of ik ga wat halen. Misschien allebei.”
“Hoe bedoelt u?” vraagt Jens.
“Aha…” zegt de man en loopt naar de schap met wegenkaarten. Hij zet zijn bril op en kiest een kaart van Europa. Als hij de kaart voorzichtig openvouwt op de balie verspreidt zich de kruidige geur van dennennaalden en tijm, als zomerregen op een hete dag. Met zijn gekromde wijsvinger trekt de oude man een lijn vanuit Noorwegen door het hart van het continent naar Italië en zegt dan plechtig: “Omnes viae Romam ducunt.”
“Pardon?” lacht Jens.
“Alle wegen leiden naar Rome,” zegt de man.
“U wilt dus naar Italië.”
De oude man knikt. “Ja, dat lijkt me een goed idee.”‘

Ik vind dat mooi, hoe die geur zich verspreidt tot een seizoen, en hoe je deze Per eerst als dement inschat, maar langzaamaan meer in hem begint te zien… De route leidt door Duitsland en Tsjechië en Italië (waar De Nooy prachtige scènes neerzet in het appartement van Maldini en rondom het sterfbed van een strenge moeder-overste), en vandaar door de Balkan via Turkije en Syrië naar het beloofde land. In Syrië komt hij met een geweldige, grappenmakende Turkse jongen die me ook aan een personage van Corto Maltese doet denken (sorry collega’s, medio november kunnen jullie hier een verslag van het nieuwe album verwachten), en hij redt mensen en overleeft de bizarste situaties. Is deze man niet de messias? Hizir? De Mahdi? Al-Khidr?

(De Nooy heeft eerder een messias geportretteerd, in Zendingsdrang, en we hadden nog maar kort geleden Dertig dagen van Annelies Verbeke. Per beweert ergens dat hij nog maar 48 dagen oud is, en dat komt wel overeen met de grotere omvang van deze roman. Het is een rage, las ik in de krant:

Jezussen in Trouw

)

Het heeft iets science-fictiefs, en we komen ook allerlei vage complottheorieën tegen, heerlijke analyses, en de beweging naar Rome en Jeruzalem heeft iets van De ontdekking van de hemel, maar deze roman is concreter, Europeser, rauwer. (Schreef Mulisch dan een Amerikaanse roman? Ja.) Er is ook (minder dan in de Revisorverhalen) experiment, personages hebben eigen stemmen. Er wordt geneukt en er vallen doden. Niet ontoevallig volgt Per de omgekeerde route van vluchtelingen, van de voormalige beloofde landen naar de nieuwe beloofde landen. Dit boek gaat over ons, nu, hoewel Per goddank Nederland niet aandoet, wie weet wat Rechts met de bijbel hem had aangedaan. Lezen.

(Is het een perfect boek? Iets eigenaardigs is dat we Per al op reis treffen als De Nooy hem nog portretteert kort na de eerste scène: ‘Hij is angstig, gedesoriënteerd. De steen zit verankerd in zijn hand. Hij probeert het ding los te rukken, schudt met zijn arm. De adrenaline jaagt zijn hartspier op hol – vluchten-vechten-vluchten – tast zijn fijne motoriek aan, vernauwt zijn denkvermogen.’ En veel later bekijken we hem alleen vanuit andermans perspectief. Dan is het niet meer nodig, dat begrijp ik wel, maar het heeft iets inconsequents. Ik begrijp ook: het is een lastige balans, wat leg je uit, wat niet, en de openingsscène was een totaal mysterie voor me, waardoor ik iets te blanco in de daaropvolgende verhalen ging, telkens afhaakte en pas verderop verslaafd raakte. Terwijl het slotverhaal misschien weer te veel duidt – in scherp contrast met wat De Nooy in Zendingsdrang deed. Toen liet hij me in totale verwarring achter.)

Nijgh & Van Ditmar gaf Van kleine helden uit.

Vandaag het slot van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschenen eerder al deel 1 en deel 2.

*

De mat verbranden ze in de tuin. Het rookt verschrikkelijk en stinkt ontzettend. Op het laatst scheurt Fiona haar blouse los en gooit deze op het vuur. Ze draagt geen bh en haar borsten zijn rozig en rood door elkaar. Jouw kleren.. commandeert ze. Zelf is ze al met haar broek bezig. Peter gehoorzaamt. Het knetteren van de vlammen is beter dan de geluiden eerder en de stilte die volgde.

Fiona dweilt het linoleum. Peter zit er naast in kleermakerszit. Zijn ballen voelen koud op de vloer. Hij bekijkt zijn handen opnieuw en opnieuw, bestudeert de aders, trekt aan de zwarte haren op de rug van zijn hand.
Fiona’s voeten verschijnen in zijn blikveld. Met dezelfde lege verwondering liefkoost hij haar schenen, het littekentje net onder haar knieschijf, de moedervlek op haar kuit.
En nu? Zegt Fiona.
Peter zuigt op de snee in zijn vinger, zet zijn hoektand op het dunne velletje zodat het opnieuw opengaat. De pijn is te flauw om af te leiden. Ik weet het niet, zegt hij zacht. Misschien is dit wel een droom. Juist droomde ik dat ik over de hoorn van Afrika vloog. Hij kijkt op. De vlam in Fiona’s ogen dooft alweer. Nee, dit is geen droom.
Laten we douchen. Hij staat op en kijkt vol verbazing naar de lege woonkamer. Nova is weg. Fiona trekt haar schouders even op, alsof ze een klap ontvangt.
Ze lopen naast elkaar naar boven. Hun handen raken elkaar niet. De deur van het kinderkamertje staat op een kier, de geur van Zwitsal komt hen tegemoet. Wacht, zegt hij. Hij stapt het kamertje binnen, pakt de luier uit het kozijn en sluit het raam.

En nu? Zegt Peter. Ze liggen in bed, onwennig dicht tegen elkaar aan. Fiona strijkt met haar handen over haar buik. Haar gezicht is schoon, haar borsten weer blank zoals Peter ze kent.  
We kunnen hier niet blijven. We hebben niets hier. Helemaal niets.
Wat als…hij kijkt naar zijn gladde arm, legt die voorzichtig terug, alsof er al blaasjes op zitten. Wat als wij…?
Ik weet het niet – ze heeft tot het einde toe gelachen. Ik hoop… haar stem daalt, nee ik heb geen hoop meer. Ze ruikt aan de matras. Hier, zegt ze. Ruik hier maar. Peter ruikt. Heel lang ligt hij stil met gesloten ogen, zijn neus op het laken. Fiona neuriet weer, heel langzaam dit keer, het interval tussen de regels groter en groter. Peter valt haar bij in de stilte, net voor het einde.

Vandaag deel 2 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Lees hier het eerste deel. Deze week verschijnt ook nog het slot.

*

Onderaan de trap wacht Peter. Kom jij maar eens bij mij, vrolijkerd. Hij ziet de bultjes en fronst. Wat is dat?
Geen idee. Waterpokken? Zesde ziekte?
Ze lijkt er geen last van te hebben.
Nova loopt een paar stappen naar hem toe. Ze kraait van plezier, verliest haar evenwicht en valt op haar billen. Peter tilt haar op. Kom, zegt hij.
In hun lege woonkamer rollen ze de mat uit. Nova speelt met een stoffen olifantje. Ze verstopt het achter de rug van Peter en komt telkens kijken of het er ligt. Als Fiona met haar buik op de olifant gaat liggen, probeert Nova haar eraf te duwen. Haar vingertjes zitten nu vol blaasjes.

Ik ga even een banaantje voor je pakken, zegt Fiona als ze opstaat. Peter, wil je ook?
Peter tilt Nova met een zwier hoog boven zijn hoofd, Nova lacht. Nee dank je, zegt hij, vandaag eet ik Nova, en hij laat haar buik op zijn hoofd rusten.
Fiona pakt twee bananen uit de fruitschaal op het aanrecht. Snel zet ze wat water op voor thee. Ze neuriet een deuntje van de Nigeriaanse radiozender. Over de witte keukenkastjes ziet ze de stoffige colonne van hulpgoederen aankomen, de damp uit de waterkoker de hitte van het kamphospitaal. Niemand durfde het aan hen te bezoeken in Nigeria. De herinneringen zijn van haar en Peter alleen.
Neem een doek mee?
Ze laat de kruiden trekken, pakt een doek van het droogrek buiten bij de keukendeur en loopt met de doek en de bananen terug.
Heeft ze gespuugd? Ze zwijgt abrupt. Wat is dat?
De bultjes…een paar sprongen er open.
Open?
Op het rode tshirt van Nova verschijnen steeds meer kleine natte plekjes.
Fuck, wat is dat nu? Trek uit, snel.
Peter houdt Nova’s elleboog in negentig graden en tilt met zijn andere hand haar shirt omhoog. Shit! Hij laat haar elleboog los en toont Fiona zijn handpalm. Zijn handpalm glimt van het vocht, en op Nova’s shirt tekent zijn hand in natte plekjes af.
Handschoenen.
Wat?
Handschoenen!
Fiona rent, haar blote voeten piepen bij het afzetten tot ze boemelend de trap op stormt. Hijgend staat ze even later voor hem. Nova grijpt met haar bezweerde handjes naar de bungelende witte latex vingers. Met een laatste klap van latex op huid heeft Peter de zijne al aan. Fiona’s vingers trillen zo, dat ze de handschoen niet open krijgt. Peter zit op zijn hurken naast Nova, hij legt een wassig witte handschoenhand op Fiona’s pols. Rustig, zegt hij. Blazen. Fiona knikt, haar ogen groot, de pupillen wijd. Ze brengt een handschoen naar haar mond en blaast er lucht in alsof het een ballon is.  Met een krakend geluid ontpopt het materiaal zich tot lege handschoen. Fiona wringt haar hand erin, de vingers buigend en strekkend, haar mond beweegt, de lippen samengeperst. Dan valt ze op haar knieën naast Peter en Nova. Nova lacht haar tandvlees bloot, één tandje heeft ze en met een snik ontdekt Fiona dat er juist bij de aanhechting een blaasje is ontstaan.
Peter kleedt Nova nu resoluut uit. Zijn ogen flitsen zo nu en dan over zijn handschoenen heen. Vocht, mompelt hij. Hij ruikt er even aan. Latex, zegt hij, ze zouden reukloze doktershandschoenen moeten maken. Echt reukloos.
Nova is nu, op haar luier na, bloot en Peter inspecteert haar vakkundig. Hij loopt met behandschoende vingers over haar buik, wat Nova nogmaals aan het lachen maakt, tot de druk van zijn wijsvinger een blaasje met een vochtig ploppend geluid doet barsten. Hij trekt zijn hoofd snel weg. Fiona ziet het met afschuw aan. Ze zit er helemaal onder, zegt ze. Ze zit er helemaal onder, echt helemaal.
En de gebarsten blaasjes? Kijk hier, het velletje hangt er los bij.
Maar dan ziet hij dat er nieuwe blaasjes ontstaan daar waar ze juist stuk zijn gegaan, het is als kijken naar soep die langzaam gaat koken. Babysoep.
Nova lijkt er geen last van te hebben.
Gelukkig niet.
Wat moet ik doen? Talkpoeder? Jodium?
Fiona pakt eindeloos voorzichtig Nova onder haar okseltjes, en trekt haar dicht tegen zich aan. Ze negeert het geluid en laat het natte rugje tegen haar lege buik aan rusten. Nova pakt met haar handjes de latex vingers van Fiona, één nageltje krabbelt over het gladde oppervlak. Handschoen, zegt Fiona uit automatisme. Bwa-oe zegt Nova. Dan pulkt ze met een nageltje aan de blaasjes op de rug van haar eigen handje. Met naaldscherpe plofjes spatten die open. Direct ontstaan er nieuwe.
Peter kijkt het vol verwondering aan. Ze heeft er echt geen last van, kijk, er is gewoon een stukje van haar hand weg. Fiona probeert met alles wat ze heeft het afschuwelijke geluid buiten te sluiten. Ik ben doorweekt, zegt ze. En ik ruik allang geen latex meer.
Nee.
Ze laten Nova staan, het ongeduldig trappelen van haar voetjes als een duivels drumstel. Haar wangetjes bollen op, haar knietjes, hele happen zijn al uit haar buikje als de eerste druppel bloed van haar af spettert. Ze kijken er alle drie naar. Nova laat zich op haar billen zakken –het geluid, natte scheten, leeglekkende lammeren- en steekt haar rechter wijsvingertje uit naar de druppel bloed. Dan ontstaat daar, juist op het topje, een blaasje dat in rap tempo in omvang toeneemt, het vocht wordt rood en voordat ze het druppeltje op de mat kan aanraken, spat de blaas open.
Doe iets. Wat gebeurt er?
Ik weet het niet. Ik weet het niet. Doe haar luier uit.
Fiona gehoorzaamt, ook al heeft Peter zijn stem niets van de autoriteit die ze van hem kent. Met twee vingertoppen duwt ze het voorhoofdje van Nova naar achter, met haar andere hand ondersteunt ze het gebobbelde achterhoofdje en zo vleit ze haar op haar rug. Haar liefste wens lijkt te wel koken, de huid tot leven te zijn gekomen. Hoe kan dit? Zegt ze nog eens, haar stem schiet zo hoog dat ze naar adem moet happen. Dan trekt ze met een rats de plakstrips van Nova’s luier los. Nee, zegt ze, nee dit kan niet. Peter, wat is dit?
Nova kijkt met haar bruine ogen van Fiona naar Peter. Die zit op zijn hurken, met zijn ellebogen tegen zijn navel gedrukt en zijn vuisten gebald op zijn voorhoofd. Zodra Fiona zijn rug ziet schokken, weet ze genoeg.
Nee. Nee. Nova, nee. Ze vermant zich en zwaait streng met haar wijsvinger. Nova lacht en reikt met haar handjes omhoog. Haar tandje laat langzaam los.
Peter kokhalst en geeft over in zijn handen. Hij ontwijkt de ogen van zijn vrouw en verdwijnt geluidloos als een spook naar de wc. Hij denkt aan de sterretjes die hij als kind afstak met oud en nieuw. Aan de wens die hij mocht doen. Wat wenste hij? Een step? Een bal? Wereldvrede? Een kind?
Hij blijft op het toilet tot zijn benen slapen van zijn eigen gewicht die ze afknelt. Hij blijft ook daarna zitten, telt zijn vingers, bestudeert zijn nagelriemen en probeert een patroon te ontdekken in de moedervloekken op zijn linkerarm en als hij die niet vindt, op zijn bovenbenen. Daarna telt hij de tegeltjes van de muur tegenover hem, ieder tegeltje krijgt een naam, een naam van iemand die hij niet kent. Hij blijft op het toilet tot hij niets meer hoort behalve het zoemen van zijn eigen bloed, het fluiten van zijn eigen adem, totdat hij nog een keer geplast heeft zelfs. Dan staat hij op en sleept zichzelf terug naar de woonkamer.
Fiona zit op haar hurken op de mat. Ze heeft haar handschoenen uitgetrokken en aait zacht over de ribbels van het vlechtwerk. Haar blouse en broek zijn doorweekt en plakken tegen haar lijf. Haar gezicht is wit, haar ogen rood met een onbezoedeld blauw midden.
Ze heeft tot het laatst gelachen..
Dat kan niet, zegt hij.
Ze staart hem aan, snot en tranen kruipen vanaf haar kin haar nek in. Dat weet ik. Dan richt ze haar blik weer op waar Nova was. Haar gezicht staat zacht en ze prevelt. Als Peter naast haar op de mat ploft, zijn knieën en scheenbenen direct nat en plakkerig, hoort hij dat ze het wiegelied zingt. Je hebt de woorden weer. Onye mere nwa nebe akwa Hij sluit zijn ogen en wiegt langzaam heen en weer. Zijn vingers herinneren zich de zachtheid van Nova’s huid, hij beweegt ze alsof ze die nog met geurende olie insmeren. Opnieuw en opnieuw zingt Fiona het liedje, Onye mere nwa nebe akwa ze weet niet alle woorden en de lacunes vult ze op met “Nova” of een stukje neuriënd. Peter verliest zichzelf boven de vlaktes van Afrika, de roep van de vogels, het gestamp van duizenden zwarte voeten, met de raadselachtige blankroze onderkant. Hij waait met de wind over de droogstaande rivier, de verbrande dorpen, tot hij tenten ziet, rijen tenten. Daar, voor de wit plastic flap, dat door een onvoelbaar briesje beweegt, hoort hij de eerste kreet van Nova.
Het is niet Nova, maar Fiona. Ze schreit, stikkend, zoute draden die rivieren trekken door een landschap van verdriet. Ze bukt, haar twee handen op de lege mat, brengt haar gezicht naar de mat en kust die. Ze heeft tot het laatst toe gelachen, ze heeft er echt geen last van gehad.
Wat doe je? Maar hij weet het best. Peter kijkt naar zijn huilende vrouw en plaatst zijn linkerhand dan naast haar rechter. Zijn gezicht is nog helemaal schoon, droog en schoon. Schaamte kleurt zijn wangen. Hij zakt door zijn armen, niets is er over van hun Nova. Zijn strot doet nog pijn, maar hij kust elk plekje waar ze ooit was. Zijn lippen worden ruw van het reliëf van de mat. Hij kust de mat die ze op een stoffige markt kochten, hij kust waar hij haar voetjes heeft geweten. Hij kust Fiona alsof het hem zal redden.

Dan is er niets meer.

Vandaag deel 1 van ‘Nova’, een kort verhaal van Dieuwke van Turenhout. Deze week verschijnen ook nog deel 2 en het slot.

*

Op de laatste dag van hun zelfverkozen quarantaine krijgt Fiona koorts. Peter houdt haar in zijn armen, kust haar bezwete voorhoofd en neemt Nova behoedzaam van haar over. Hij bindt haar in een doek op zijn rug, precies zoals ze het hun vroegere maid hebben zien doen.
Hij opent het raam van hun slaapkamer om de frisse aprilwind binnen te laten en brengt haar een glas water. Veel meer kan hij nu niet doen.
Nova houdt zich stil als hij zijn ouders belt.

Fiona heeft koorts gekregen, zegt hij. Waarschijnlijk niets om ons druk over te maken, maar ik wilde jullie toch even op de hoogte stellen. Ze ligt in bed. Ze zweet wel, maar niet zoals we in de vluchtelingenkampen zagen. Nee, ze heeft ook geen andere symptomen.
Kunnen we de kleine Nova zien?
Dat zal moeilijk gaan. Volgens de regels die we hanteerden in de kampen is onze quarantaine nu opnieuw drie weken verlengd.
Moet Nova niet juist ver weg zijn van het ziekbed van haar moeder?
Nee, dat kan niet meer. Wat het ook is, de incubatietijd is al voorbij. Fiona is ook rustiger met Nova in de buurt.
Peter hangt op en loopt door het karig ingerichte huurhuis. Hij opent alle ramen en deuren op de benedenverdieping, bijgeloof van het personeel dat ze tot voor hun overhaaste vertrek uit Nigeria hadden. Geesten moeten vrijelijk het huis in en uit kunnen, en tocht, daar houden kwade geesten niet van. In Nederland tocht het altijd. Als hij zeker is dat hij overal is geweest, trekt hij zich met Nova terug op het kinderkamertje naast hun slaapkamer. Hij verschoont haar luier, wrijft haar voetjes tot ze kraait en kust de glimmende huid van haar buik. Ze ruikt naar zwitsal vermengd met de Nigeriaanse baby-olie en hij sluit snuivend zijn ogen om de kleurrijke beelden die de geur oproept beter te zien.
Peter? Wat doe je?
Hij staat op, duwt zijn neus een laatste keer in het naveltje van het meisje en tilt haar voorzichtig op. Haar bruine ogen haken in de zijne als ze buik tegen buik naar Fiona lopen. Nova lacht.
Niks, lieverd, zegt hij. Ik speel met Nova. Kijk, de armpjes en beentjes worden nu al echt een beetje mollig – goed hè?
Fiona knikt, ze is een pafferig soort geel maar haar ogen lichten op zodra ze naar Nova kijkt. Ze schraapt haar keel en tilt haar hand onder de deken vandaan. Geef maar, geef haar maar hier.
Ik wilde haar juist de fles gaan geven, zegt hij als antwoord. Rust jij maar goed uit, des te eerder ben je beter.
Denk je…? Ze slikt. Wat denk je? vraagt ze, haar ogen op het achterhoofd van Nova gericht.
Griep, gebrek aan slaap, stelt hij haar gerust. Ze knikt, aarzelend. Echt? Echt.
Soms droom ik dat het niet waar is, zegt ze. Dat ik wakker word en dat het niet waar is. Dat Nova er niet is, dat we geen kinderen hebben, alleen maar leegte.
We hebben Nova, zegt hij.
Beneden zet hij haar op de grond. Meteen grijpt ze zijn broekspijp en gaat staan. Ze huilt klaaglijk. Zo kom ik natuurlijk niet toe aan je fles, zegt hij. Blijf je even hier? Zachtjes wringt hij haar vingertjes los en loopt naar de keuken. Aan het geluid kan hij horen dat ze achter hem aan kruipt.
Na de fles legt hij haar in bed. Normaal zouden ze nu alle drie in het grote bed liggen, hij en Fiona als een grote roze baarmoeder veilig om Nova heen. Met één vinger aait hij haar wangetje, genoeg om hem te laten glimlachen. Voor hij haar ouders belt, kijkt hij nog bij Fiona, die bewegingloos slaapt.
Wat voor ziektes waren er precies in Nigeria, vragen zijn schoonouders. Zijn die allemaal dodelijk? Moet Fiona niet naar een afgeschermde afdeling van het academisch ziekenhuis? En Nova, hoe is het met Nova?
Nova slaapt, en Fiona ook. Het komt vast allemaal goed, sust hij.
Stuur ons toch eens wat foto’s, klagen ze, we hebben er maar een paar. En daar is niet eens op te zien of het een baby, een aapje of een opgerolde handdoek is – dat is Fiona’s moeder.
Peter belooft op zoek te gaan naar de fotocamera. We zijn zo dolgelukkig met haar, dat we niet eens gezocht hebben naar ons toestel, zegt hij. Elke seconde dat we haar niet rechtstreeks zien, is een verloren moment.
Zijn schoonvader gromt en snuift. Als je niet zo’n godbeterende wereldredder was, zou ik denken dat je ons voor de gek houdt.

Voor het einde van de week belt Fiona zelf. Ik ben beter, echt waar. Geen dokter aan te pas gekomen, rust en frisse lucht, dat was het. Vanochtend heb ik zelfs de vloer gedweild, en alleen de zwabber zwabberde. Ze lacht.
Meisje, wat fijn te horen. We maakten ons zorgen, dat mag je best weten. Mogen we nu dan eindelijk komen?
Het spijt me mama, nog steeds niet. Nu is Peter geveld. Je zult nog even geduld moeten hebben.
En Nova, waar is Nova?
Die is bij mij, hier op mijn rug. Hoor je haar niet pruttelen?
Ze horen het niet.
Sluit toch eens Skype aan, brommen ze. We hebben geen idee hoe onze kleindochter eruit ziet. Ria van de overkant is ook oma geworden, die heeft foto’s op haar telefoon en ingelijst in de woonkamer. Wij hebben niets, niets! Straks kan ze lopen voor we haar eindelijk eens te zien krijgen.
Ze loopt al aan de hand, zegt ze trots. En dan: ik sta er eigenlijk niet zo bij stil dat ik foto’s zou moeten nemen, mijn hoofd loopt over met papjes en stapjes. Ach, het komt vanzelf, mam, laat Ria je niet gek maken.
Fiona speelt met Nova en als ze niet met Nova speelt, knuffelt ze met haar. Als Nova slaapt, zit ze naast haar bedje, haar pink tegen de teentjes van het kindje aan. Zelfs in haar slaap krult Nova haar voet en teentjes om de pink heen. Als een aapje, denkt Fiona, ik ben mama aap geworden.
Al die tijd ligt Peter in bed. Hij rilt en kucht verzoeken. Ramen open, Nova zien, water, nog eens water, en zijn beneden ook alle ramen open? De geesten moeten vrijelijk kunnen komen en gaan.
Geesten, zegt ze als ze hem een glas water en de thermometer brengt. Geesten komen hier niet, lieverd.
Peter is daar niet zeker van. De vluchtelingen…de kampen…de geesten van de voodoo dansers. Nova. Ze waren er, fluistert hij. Een rochel beneemt hem de adem en heel even is Fiona bang. Ze ziet de oranje geel gekleurde hoofdtooien weer, het vriendelijke wit van de ogen dat bij zovelen rood ging bloeden. Hun maid, en Nova. Gelukkig is er Nova. Je hallucineert, zegt ze liefkozend. Geesten printen geen boarding card, geesten blijven trouw aan hun geboortegrond.
Hij hoort haar al niet meer, hij slaapt.

Peter knapt langzaam maar zeker op. Ze moeten gaan denken aan de toekomst, aan een leven na de quarantaine, aan werk, aan routine, maar ze willen niet.
Terug naar Nigeria is uitgesloten.
Op maandagmorgen net nadat de vuilniswagen de straat heeft laten schudden, schreeuwt Fiona van boven- Peter, Peter! Haar stem klinkt onnatuurlijk. Peter rent, blootsvoets, de koffiemok onstabiel op het aanrecht valt met een venijnige pets aan scherven.
Peter stuift het kamertje in – leeg, hun slaapkamer dan – daar is ze. Fiona wiegt Nova, maar haar gezicht is strak. Ze heeft koorts, zegt ze. Peter ademt hoorbaar uit. Oké, koorts, dat kan. Koorts kan. Alle kinderen krijgen wel eens koorts. Hij stapt op het raam af en zet dat open. Vogelzang trilt de slaapkamer in. Deze moet open blijven, zegt hij, dat is belangrijk. Hij kijkt naar zijn vrouw, haar dunne armen heeft ze beschermend om Nova geslagen. Geef mij Nova maar even. Nee, ik heb haar. Hij knikt. Zijn dappere vrouw, hij hoort een zachte snik. Peter draait zich om en controleert alle ramen in het huis nog eens. Die op het kleine kamertje zet hij verder open en omdat de bries het raam terug duwt, pakt hij een luier en klemt die tussen het kozijn en de vensterbank. In de keuken raapt hij de scherven van de mok op. Ze hebben niet eens een krant om de ze in te wikkelen. In de vuilnisbak buiten ligt een plasluier, daar vouwt hij de stukken in. Een scherp randje krast zijn wijsvinger open. Fuck, zegt hij veel te hard.
Met keukenpapier maakt hij de vloer verder schoon. Druppels bloed vallen op het linoleum als hij met een hand vol kletsnat bruinig papier naar buiten loopt. Fuck.
Uit het keukenkastje pakt hij hun EHBO kit. Hij zuigt op zijn vinger, duwt zijn tong op de opengesneden huid. De smaak van bloed verdringt die van koffie. Hij desinfecteert de wond en doet er een elastische pleister op. Dan loopt hij terug naar boven.
Fiona loopt rondjes naast hun bed. Ze neuriet de melodie van een Nigeriaans wiegelied. Ik ken de woorden niet, zegt ze als Peter de kamer binnen komt. Ze stapt naar Peter toe en rust haar voorhoofd tegen zijn borstkas. Nova ligt warm ingeklemd tussen hen in. Ik maak me zorgen.

Fiona en Peter cirkelen om Nova heen. Een zucht en ze deppen haar lipjes met water, een jammerend kreetje en ze masseren oh zo zachtjes haar oorlelletjes. Ze voeden haar Bambix met een plastic lepeltje wanneer ze haar hoofd afwendt van de fles.
De nacht is duister en stil. Nova ligt tussen hen in. De hitte van het lijfje wordt hen soms te veel, ze koelen ook zichzelf met natte doeken. Hadden we maar internet aangesloten, zegt Fiona, dan konden we opzoeken wat het kan zijn. Niet dat het iets ernstigs is, natuurlijk.
Het is vast niets, wij zijn ook ziek geweest.
Het kan een doodnormale kinderziekte zijn.
Misschien moeten we toch eens een dokter overwegen.
Fiona kruipt dicht tegen Nova aan, haar neus bij de slaap van het meisje. Met elke ademteug ruikt ze Nova, Nova met zweet. Ze pakt het handje en legt het zachtjes tegen haar borstkas. Hier klopt mijn hart, voel je dat? Boem boem. Boem boem. Net als in Afrika, net als thuis.
Aan de andere kant ligt Peter, ook hij heeft haar handje beet en geeft kleine kusjes op de slapende vingertjes.
Zo vallen ze in slaap.

Mamamamama, zegt Nova na het ontwaken van de vogels buiten. Peter en Fiona kijken elkaar aan over het bollende buikje van Nova. Peter heeft groeven in zijn voorhoofd en een stoppelbaard, Fiona’s haar piekt van zweet en woelen. De koorts is geweken, zegt Peter. Ze snuiven de frisse lucht in bij het opstaan. Peter neuriet het wiegelied.

Fiona ontdekt de uitslag het eerst. Ze kust de lichte voetzooltjes, zacht als nieuwe kussentjes, als haar oog de oneffenheid ziet.
Wat is dat nu, aapje van me?
Nova speelt met een kam en kijkt niet op. Fiona ontkleedt haar helemaal, laat haar staan, naakt. Niet alleen de billetjes, ook de rug, en nu ze goed kijkt, ook op de armen. Overal ziet ze bultjes.
Meisje toch, dat zal wel jeuken, of niet? Ik zei nog vannacht, toen jij eindelijk, eindelijk sliep: we zouden eens een dokter moeten gaan zoeken. Dan nemen we dit beentje, en dit beentje, en dit armpje, en dit armpje en natuurlijk jouw dikke neus…ze plant natte zoenen op de aangetaste huid, allemaal mee naar de dokter. Hallo dokter, zeggen we dan. Hallo, dit is Nova uit Nigeria. Ze zwijgt abrupt.
Ze trekt Nova een schone luier en schone kleren aan. Kom, zegt ze als ze klaar is.

25 april verschijnt de roman Gezelschapsjongen van Bernard Wesseling, een onstuimige roman over de roekeloze, radeloze, redeloze liefde. Wij brengen het eerste hoofdstuk.

*

Ik betrapte haar op de uitvaart. 
Na veel vijven en zessen was ik toch gekomen.
‘Om de grond aan te stampen,’ had ik tegen de taxichauffeur, een prater, gezegd. 
Bij een rotonde aan de rand van de stad was ik uitgestapt. Begonnen de laan uit te wandelen, die leidde naar de begraafplaats. Veel te laat, maar zonder haast. Toen viel zij me op, onder een van de platanen stond ze, ertegenaan gedrukt, omgeven door schaduw. 
Ze was bezig door de split van haar jurk een geblindeerd been omhoog te brengen en krabde haar enkel door de panty. Ik geef toe, het gebaar dreigde even mijn medelijden te wekken.

De parasiet had schoonheid. Net als de rest van haar soort, zei ik bij mezelf. Nee, van een cultus was ze – de cultus van de huisvredebreuk. Vrouwen met onheilige dagboeken die bij het openslaan in vlammen zouden uitbarsten. Monddood, maar springlevend in testamenten. Achter de valse sluier die ze droeg, wist ik nu zeker dat haar mondhoek ironie spelde.

Ik had de drang om haar aanwezigheid vast te leggen als bewijslast. Wettelijk gezien was ze niet in overtreding. Een chantagemiddel dan misschien of beter: aan de digitale schandpaal met haar. Ik verborg me achter een heg vol kwetterende mussen. Fouilleerde mezelf, vond mijn telefoon, maakte een kijkgat tussen de bladeren. Sloot het scherm over haar persoon, als een net.
Terwijl verderop de stoet zo’n beetje richting aula begon uit te waaieren (waartussen ook mijn moeder, geflankeerd door twee dragers), duwde ze zich van de boombast af. Geboren op hakken, liep ze zonder moeite over het grind.
Wat evenmin verboden was: haar nu te schaduwen, te kijken waar ze ons heen zou leiden. Daarom besloot ik mezelf van andere verplichtingen te ontslaan. Dat was nog niet eerder vertoond. Ik was vooral braaf geweest.
Na de middelbare school had ik kunstgeschiedenis gedaan, was afgestudeerd op Oosterse kalligrafie, ik verzin het niet (mijn verwekker, de Grote Etymoloog had zich nog laten ontvallen of ik niet liever wat ‘waardevaste kennis’ wilde opdoen) en voor ik er erg in had stond ik voor een collegezaal. Jongste docent van de universiteit. Van mijn eenendertigste tot mijn zesendertigste – voorbij in een vloek en een zucht.

Volgens de statuten was het lente.
Ik smoorde in een zwart overhemd, de stropdas had ik in mijn zak gestoken. Ik bleef haar met gemak bij, verkoos het hoogpolige gras, verschanste me om de andere boom, al schuurden de broekspijpen van mijn pantalon bij het kruis zodat ik een bijna fluitend geluid voortbracht, en gedwongen was zo’n twintig meter afstand te houden. Ik volgde haar de laan uit, terwijl ze de zindering in liep aan het eind van de weg. Even stonden we stil nog – zij als alert wild, dat ergens van ophoort – alsof we overwogen toch een scène te maken, onze motieven onderzochten, ons verbeten en de kloof tussen doen en laten groeide, of om te luisteren naar een verdacht geluid, naar het koningsdrama van mijn ademhaling, waarna we verder liepen, merkbaar sneller.

Na laan, rotonde en twee straten met huizenrijen ontglipte ze me door een banketbakker binnen te stappen.

Vijf minuten later kwam ze naar buiten met een gestrikte doos onder haar arm. Ze liep kalmer nu, alsof het leven nieuwe betekenis had gekregen met wat er in die doos zat. Ik dacht een veer in haar verderfelijke stap te zien. Het begin van een ladder in haar panty, boven haar hiel. En toen, bij een zebrapad, keek ze in mijn richting.
Ik dook weg, een portiek in, en riskeerde juist op te vallen door me zo plotseling uit haar gezichtsveld te bewegen.
Stom, stom.

Het volgende moment was ik haar kwijt. Ik bevond me op een drukke winkelstraat. Een broeierige Marokkaanse jongen met zachte ogen, boos om zijn eigen verlegenheid, stootte me aan – liep snel verder. De ruit van een bushok trilde licht in zijn sponningen. Een bus draaide in, de deuren sisten open. Niemand stapte uit of in. Tenzij ik, begreep ik even uit de vorsende blik van de buschauffeur. Deel van de stoep was opgebroken. Een geel gehelmde bouwvakker verdween in een tent in de grond.
De omgeving leek erop uit me oneindig af te leiden. Ik was dan ook bang dat een levend standbeeld waar ik vervolgens langsliep, een slordige Centurion van uitgeslagen koper, een schijnachtervolging zou inzetten – toch bleef hij staan.
Maar, en dit was mijn geluk, niemand kleedde zich op deze verhitte dag in het zwart. Een tweede keer verscheen ze, nu voor een winkel. Daar bekeek ze iets in de etalage: een niemendalletje, een negligé, de mannequin of de man die haar ontkleedde.
Toen pas schoot de term me te binnen die gebruikt wordt om vrouwen zoals zij te beschrijven: schaduwweduwe. En het was even alsof ik vat kreeg op haar wezen.
Bij een drukbezocht stoplicht kwam ik zo dichtbij dat ik, een heerlijk oneerbiedig moment lang, op haar door een muur geknakte slagschaduw stond.

Voor een statig gebouw, uiteindelijk, hief ze een knie waar ze haar schoudertas op rustte en viste haar sleutels te voorschijn, de gebakdoos hing aan het touwtje tussen haar tanden.
Dit was mijn kans.
Maar voordat ik mijn voet in haar deuropening kon steken, voordat ik haar huis binnen kon dringen, werd mij nog één keer de weg versperd door een leeglopende balletschool: balletdanseressen hadden ineens de stoep in beslag genomen, binnen enkele seconden stonden ze tot midden op straat. Overal knotjes en pezige schouders, overal ranke benen en benige armen. Ze hadden zich allemaal gewend tot de artiestenuitgang waar ze net uit kwamen; een zwart vierkant gat naast een opengezwaaide ijzeren deur. Geen van hen leek mij op te merken toen ik ze passeerde, met mijn handen omhoog (om me smal te maken, te laten zien dat ik niets ongepasts deed) terwijl ze toch weken voor mij, een voor een, als wuivend graan. Ik trok een sprint, stopte, wandelde in snel tempo verder en was op tijd – ze schouderde haar tasje, klaar met het bekijken van een behulpzame envelop – om me haar achternaam toe te eigenen.

Ze woonde op stand. Ja, mevrouw had het zich gemakkelijk gemaakt. Het viel me op hoe degelijk haar gebouw was, de diepe huizen in Berlage-stijl van grote brede stenen en afgewerkte rondingen, de werkjes hier en daar. Het strookje Amstel voor de deur, de plezierboten en de villa’s aan de overzijde van de oever, ganzen op het gras, de zondoorschenen populieren.
Ik stelde me de verwoesting van haar appartement voor door vuur, hoe het langzaam maar onherroepelijk uitbrandde midden in het gebouw, een met roetbeslagen gat achterliet dat vervolgens niet werd opgeknapt maar met rust gelaten, gewoon zoals het was, terwijl omwonenden zich afwisselden, de blootgestelde woning steeds opnieuw opgeleverd in de stijl van de seizoenen.

Toen pakte ik mijn telefoon erbij en googelde op haar achternaam die Frans genoeg was om exotisch te heten. Ik zocht een toepasselijk gezicht voor haar, vond daarna haar straat met Streetview, zoomde in op haar pand, scrolde en strandde tot aan de deur van haar hal, niet verder, tot waar ik stond. Nu, hier. Onvoorbereid.
Wel aanbellen, niet aanbellen.
Ze zou vanavond al op reis kunnen gaan, dat was goed mogelijk. Emigreren, omdat alles in deze stad aan hem deed denken. En dan snel op zoek naar een nieuwe suikeroom.
In mijn herinnering begon het te regenen. Schuin het portiek in, zodat ik wel naar binnen moest. Maar het zal verzonnen zijn.

Toen ik de bel indrukte, zorgde ik ervoor dat ik mijn mond niet te dicht bij de intercom hield. Haar geluid kwam door.
Ze vroeg iets – had iets gevraagd. Ik diende te spreken, mijzelf kenbaar te maken.
‘Poststuk.’
‘Kunt u het in de hal leggen?’
‘Krabbel nodig.’
Ze drukte me binnen. Even twijfelde ik en stond met de deurknop in mijn hand en hield zo onbedoeld de deur open, als een braaf padvindertje, voor een oude van dagen die ik zag denken: akelig jong, mag alles nog eens dunnetjes overdoen.
Ik werd vriendelijk bedankt.
‘Jaja, alstublieft,’ zei ik en keek de dame of heer na. Daarna volgde ik met loden benen naar boven.

Kalm en doortastend zijn, zei ik bij mezelf.
Er zat een spion in haar voordeur. Mijn neusbrug bolde en gleed er nu doorheen, als door een vissenkom, daarna mijn oog. Dat zij mij nu zag, wist ik zeker, en was ondragelijk. Ik wilde de deur wel intrappen of er hard op beuken – maar zij deed hem ineens open zodat ik daar een poot stond te geven.
Voor ik haar kon bekijken ging ze mij voor. Ik zag alleen haar bleke arm die vervolgens een vertrek aanwees, terwijl ze zelf doorliep naar een toilet, en het idiote verzoek uitsprak of ik mijn schoenen uit wilde doen, want ‘er was net nieuw tapijt gelegd.’
Mijn sokken, wit, waren onfris. Aan de randen van de tenen zat een kleurtje. Ik bloosde ook, godverdomme. Hoe, dacht ik, hoe ga je haar eens goed de waarheid zeggen op je sokken?

Om haar niet aan te hoeven kijken ging ik bij het raam staan, met mijn handen op mijn rug (in de beste traditie van mannen-van-de-wereld die ermee te kennen geven; die pakt niets meer aan en niets hem, vooral).
Het duurde even voordat ze binnen kwam en ik me omdraaide.
Teleurstelling, in eerste instantie. Van alle gezichten die ik haar had toegedicht was dit het minst aannemelijke. Ik weet hoe dat klinkt, ik verwachtte geen hommage, maar er was niet eens sprake van zoiets als een collage van mijn verzinsels, of de vertekening van een abstractie. Nee, niets had ik goed geraden. O, een héél mooie vrouw, daar niet van. Met een ‘open gezicht’, geloof ik dat je het noemt, bruine ogen, springerig blond krulhaar, een licht uitwendige neus: haar neusvleugels stonden de kleinste glimp toe van haar zachte rode voering. (Dit alles volgens de schaamteloze oogopslag van de terugblik.)
En toen, zomaar, dit: ze opende haar decoratieve mond en liet me het lichtend spoor van een beugel zien. (Waarbij ze haar naam opzei en haar hand uitstak, die ik allebei misgreep.) Een slotjesbeugel, een mondsieraad!
Ook kwam ik erachter dat we niet alleen waren. Een statige duifgrijze poes kruiste het tapijt, staart kringelend hoog, poot voor zachte poot. Inmiddels zag ik dat we ons in een soort salonachtige kamer bevonden met varens en stoelen met hoge ruggen. Ze had een oude smaak, dat was bekend. Ze nam haar huisdier op onder de voorpoten, tilde het in de kom van haar schoot en zei: ‘De hele dag niets doen zeker, hè, dan de zon door het huis volgen.’
En hoewel wat ze zei vals gefluister was, had ze een zuiver geluid. Een stem die aanspraak maakte op een oude onschuld, lang verspeeld.
Ze begon nu zelfs over het stomme dier te vertellen – de stem klein maar vast – over hoe ze haar deelde met een autistisch meisje verderop uit de straat, dat er geen weet van had dat deze hier van een ander huishouden kwam, en de poes voor een kater hield, en haar Wammes noemde, en af en toe, ondanks herhaaldelijke uitleg van haar ouders, A4’tjes in de wijk verspreidde als ze hem kwijt was met Wammes’ signalement.
Ik weet niet of de anekdote als bewijs diende dat ze een groot hart had. Zo ja, het had niet de gewenste uitwerking op mij.
Ik vroeg me af of zij mijn vaders geur zou dragen, die van boeken en van pijptabak. Zoals hij naar haar moest hebben geroken, van bloemen, godverdomme, van droogbloemen –
Om een of andere onbegrijpelijke reden was het nog altijd vandaag.

Ik dwong mezelf aan mijn moeder te denken, met haar migraines en haar vermoedens, keer op keer door hem weggehoond met het vertoon van een toneelamateur die weet dat hij het klein moet houden, de krampachtige verontwaardiging, de geheven handen, en dan alsnog het hele goedkope pandemonium, alsof zij het was die zich onmogelijk maakte.

De Schaduwweduwe pakte haar handtas van een koffietafeltje, haalde er een etuitje uit en begon haar make-up bij te werken.
Ik wende me meteen af, alsof je niet bijgelovig hoefde te zijn om te weten dat het bespieden van dit ritueel tot groot ongeluk zou leiden. Bewust of niet scheen ze daarbij pesterig met het spiegeltje wat zonlicht in mijn oog. Ik stond op, vroeg naar het toilet. Zij wees weer, waarop ik haar vinger volgde.

Nadat ik haar medicijnkastje had doorzocht – op informatie, iets over een kwaal, een verslaving, iets wat ik haar kon onthouden of mezelf juist kon toedienen – keek ik een tijdje in het spiegeldeurtje. In een lager register dan ik van mezelf gewend was, zei ik: ‘Niemand weet hoe slecht ik ben.’

Een man en een vrouw alleen. Ik kon haar verkrachten maar dan moest ik het wel nu doen. Haar overmeesteren leek me geen probleem, ze was een kop kleiner, tenger, had een beugel.
Nu schatte ik haar gewicht in, het bereik van haar armen. De missionarispositie was uitgesloten. Ik moest tussen haar dijen vandaan blijven, waar de sterkste spieren van het lichaam zitten, een bankschroef waarmee ze mijn middel zou kunnen afknijpen. Nee, er was eigenlijk maar één manier: ik moest haar van achteren benaderen, haar armen vastpakken bij de polsen – daarmee zou ik haar lichaam kunnen manipuleren, door ze snel omhoog te trekken zodat haar hoofd naar beneden werd gedwongen – haar dan, kont omhoog, naar een bank of tafel kruien als het ware, haar armen naar haar onderrug brengen terwijl ik haar over een tafel of bank heen legde. Vervolgens hoefde ik, als ze begon te bokken of te snokken, wat ze zeker zou doen, haar armen alleen opwaarts te duwen tot de pijn in haar schouders haar zou dwingen zich stil te houden. Nu werd het lastig. Haar polsen gekruist op haar rug gedrukt houdend, moest ik mijn linkerhand vrijmaken om haar rok omhoog te schuiven, haar panty en ondergoed naar beneden, en mijn eigen geslacht vrij te maken en naar binnen te werken. Dat moest dus snel gebeuren. Ik deed mijn riem los, ritste alvast mijn gulp open.
Toen trok ik door, loos, aan een koord. Waste mijn handen met een kromgetrokken stukje roze zeep, onder een stroef kraantje dat ik zowat afbrak.

Daan Stoffelsen

Zij rechtte haar nek en vogelde haar knot los, schikte die met snelle vingers tot een wrong, dofte de dos met een handpalm, bleef me aankijken.
Ik staarde naar haar gezicht tot er geen uitdrukking meer op was.
‘Je hebt me dus gevonden, en nu? Wat wil je horen?’ ze lachte zonder tanden.
Nee, karaktermoord alleen zou niet volstaan.
Ze vroeg of ik wilde gaan zitten.
Ik bleef in positie. Maar ik stoorde me aan mijn gewonde houding: met mijn rechterhand hield ik mijn linkerarm vast, alsof ik daarnet liters bloed had afgestaan. Ik liet mijn armen hangen, maakte vuisten. Hij diende zich weer aan, de verwildering, de behoefte om haar te nemen. Die denigrerende glimlach van haar te breken, haar gezicht verwrongen te zien, die lachende ogen gedoofd.
‘Heb je een glas water?’ blafte ik.
Ze was de kamer meteen uit, ik hoorde het water in de keuken lopen. Langzaam kwam ik in beweging, stapte achter haar aan –
Dat ik onwil voelde, en weerzin, deed er niet toe. Hierdoor had het juist wat te betekenen, kreeg het lading. De nodige geilheid zou vanzelf komen. Ik sloot mijn ogen en balde mijn gedachten tot ik een natuurkracht was, een allesverzengend licht. Ik opende mijn ogen.
Daar liep ze al op mij af met haar water.
Ik mompelde nog, vrees ik: ‘Ik ben de rechterhand van de profeet die een vuist maakt.’

Er was iets verzachtends in de stem van de Schaduwweduwe die middag toen ik afdroop, onder gestamelde voorwendsels.
‘Jij bent niet half zo hard,’ zei ze, en raakte zelfs even mijn wang aan, ‘als je denkt dat goed voor je is.’ Terwijl ik mijn blik op haar wespentaille gericht hield, een sluipwesp –
Daarna liep ik twee treeën tegelijk door het galmende trappenhuis – ‘Je gulp -’ riep ze me na – en het volgende moment stond ik op de stoep een taxi aan te houden en was de zon een speelbal die van raam naar raam werd gegooid toen er een voorreed.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Jente Posthuma zich inspireren door W.F. Hermans

*

Ze kochten een hond. Zij noemde hem Hermans, hij zei W.F. Hermans, zoals het hoorde. De hond luisterde vooral naar hem.
De naam W.F. Hermans vond hij op het internet, toen hij ‘1 september’ en ‘verjaardag’ googelde. Hij wilde weten welke bekende mensen op dezelfde dag jarig waren als de hond. Even overwoog hij Ruud Gullit, totdat zij zei dat er al zoveel honden Ruud Gullit heetten.
Zij kende het werk van Hermans wel, maar hield meer van Gerard Reve, alleen was die op een andere dag jarig dan de hond. Helaas. Dat woord gebruikte ze vaak: helaas.

Helaas zit mijn man de hele dag op het internet. Helaas houdt mijn man meer van zijn hond dan van mij.
Dat meen ik niet hoor, zei ze altijd, dat is ironie.
Als je het niet meent, zei hij, waarom zeg je het dan? Ironie is als een steentje in je schoen. Maar je moet niet je hele schoen vol steentjes hebben. Zoiets las hij op het internet, W.F. Hermans zei het kort voor zijn dood.
W.F. Hermans was een dwergschnauzer, zo’n keffertje. Hij was fel, maar had opvallend lieve ogen en zachte oren. Het liefst lag hij bij zijn baas op de bank en dan keek hij dankbaar omhoog als die zijn oren streelde. Wanneer zij erbij kwam zitten sprong W.F. Hermans overeind en blafte net zolang tot ze opstond en zich een eindje verder in een stoel liet zakken. Na een paar keer nam ze de moeite niet meer en liep ze meteen door naar de stoel.
Vanuit de stoel keek ze iedere avond naar een talkshow terwijl W.F. Hermans en haar man een dutje deden op de bank. Zo nu en dan praatte ze tegen de tv, meestal als ze het niet eens was met een gast. Dan werd W.F. Hermans wakker en gromde naar haar. Op een avond – ze had net iets geroepen naar een controversiële cabaretier – sprong W.F. Hermans van de bank en beet haar in haar enkel. Ze schreeuwde, haar man schrok wakker en schreeuwde ook. W.F. Hermans blafte hysterisch en hield daar pas mee op toen ze hem met een kandelaar hard op zijn kop sloeg.
De hond lag bewegingloos op het tapijt.
De talkshowhost zei dat het tijd was voor muziek.
Dit wilde ik niet, zei ze.
Hij keek naar haar roze knieën en naar de vingers om de voet van de kandelaar. Hoger wilde zijn blik niet gaan. Ze heeft nog steeds worstige vingers, dacht hij. Ze heeft altijd worstige vingers gehad.
Ik ga even wandelen, mompelde hij. Hij pakte zijn hond op en liep naar buiten.