Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Roos van Rijswijk zich inspireren door een foto van Hermans. Lees ‘Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt’.

*

Op een zondagochtend in een straat waar nooit iets gebeurt stalt ze de spullen uit en naast de spullen zet ze haar zoon neer. Thuis zeurde hij nog om een lange broek zoals die zijn vader draagt op de foto op het dressoir.
‘Nee, Zoetje. Als je groot bent.’

Als je zo groot bent dat je geen gaten meer in je knieën valt, en zo lang bent dat je de mieren die voor je voeten linten vormen niet meer ziet, als je niet meer hoeft te bukken om dat verborgen rijk te bestuderen, maar recht vooruit kijkt. Naar meisjes en wat voor je ligt.

Nu gebeurt het, langzaam, passanten rekken zich stilletjes uit in hun jassen en bekijken de uitgestalde waar terwijl ze de rest nog uit de zak moet halen. Jopie komt erbij staan, even vaderloos als die van haar maar met een moeder die niet helemaal in orde is – of dat altijd zo geweest is weet ze niet, ze kent de vrouw en haar Jopie pas even. Zoetje ziet de verschillen tussen hem en Jopie nooit, al zal hij vandaag zeker opmerken dat Jopie wel een lange broek droeg.

Als je benen belachelijk en harig uit die pijpjes steken, Zoetje, als je het zwartespinnenbloed van je vader hebt. Dan. Als je stem in duizend stukken breekt, die ik allemaal zal verzamelen, dan, misschien.
‘Nee, de kar is niet te koop, maar wilt uw vrouw geen nieuwe schoenen, meneer? Dag buurvrouw, nee da’s Jopie die zo schreeuwt, z’n moeder is gaan dwalen denk ik, roep het rond, roep het rond.’

Jopie met zijn kop in een wollen muts die hij ook in de zachte aprilzon niet af wil doen, met zijn kippenlijfje in een dikke jas. Hij staat te bomen als een ouwe kerel, terwijl haar zoon gedwee naar hem luistert. Ja, verschil is er wel, nu ziet ze het ook; Jopie is sterk, en die van haar is een volger. Ze vist een oud paar handschoenen uit de zak, twee gekleurde flessen, een nooit gebruikte scheerkist, die ze had gehouden als hij ouder was. Een pan die nog best even mee kan en de houten blokken waar Zoetje op uit is gekeken.
Het zal veranderen. Ooit zal Jopie Zoetje moeten volgen, omdat diens dictie keurig is en zijn broek gesteven. Ze knijpt in een oude sandaal.

Ze kopen niet, haar waar is niet goed genoeg. De buurvrouw gluurt niet meer minzaam, maar vol medelijden hun kant op en Jopie is languit op de straat gaan liggen, in zijn eigen lentewinter, misschien vliegt hij, of zwemt hij, straks zal Zoetje mee gaan doen en dat is prima. Zijn knieën kunnen toch niet stuk.

Wanneer je zo sterk bent dat je me met één arm op kunt tillen, wanneer iedereen je Edo noemt, wanneer je in stilte kwaad kunt worden en in het geniep gelukkig. Dan, dan, dan.

Voor de gratis uitgave De onbekende Hermans liet Boekenweekgeschenkauteur Herman Koch zich door W.F. Hermans inspireren. Lees vandaag ‘Muggen’.

*

Met muggen is het een beetje als met kiespijn: zolang je het niet hebt, is het nauwelijks voorstelbaar hoe erg het kan zijn. Over muggen lezen is iets anders dan muggen in het echt. Eén mug in je slaapkamer kan je een hele nacht uit je slaap houden, maar op zeker moment – je staat intussen rechtop op je bed, een kussen in je hand, met alle lichten aan – zie je hem toch echt op het plafond zitten. Eén welgemikte klap – dood! – en de nachtrust kan beginnen.
Duizenden muggen, miljoenen muggen, is een ander verhaal. Ze zijn er gewoon, altijd en overal: hun aanwezigheid is net zo vanzelfsprekend als de lucht die je inademt.

Ze zijn er zoals de bergen er zijn, de eeuwig groene naaldwouden, de branding: de golven die ook al voor het verschijnen van de eerste mens tegen de kust aansloegen, en dat ook zullen blijven doen nadat de laatste mens de deur achter zich dicht heeft getrokken.
Ik was gewaarschuwd toen ik in de winter van 1973 naar Finland vertrok om een halfjaar op een boerderij in Noord-Karelië te gaan werken. Ik had over de muggen gelezen, niet in een reisgids maar in een Nederlandse roman. Ik was nieuwsgierig of het echt zo erg zou zijn met die muggen, maar eigenlijk geloofde ik toen nog dat het wel mee zou vallen.
In die eerste maanden was er nog geen mug te bekennen. Daarna zette de dooi in. In Finland duurt de lente nog geen tien dagen. Van de ene op de andere dag krijgen ook de massaal aanwezige berkenbomen doorschijnende groene blaadjes. Overal schieten bloemen omhoog. De ijsvlakte waar je drie maanden op hebt uitgekeken verandert in een lichtblauw meer. Je hoort een bekend geluid dicht bij je oor, je voelt iets prikken op je onderarm en daarna ook in je nek. De idylle is voorbij.
Nu duurde het ook niet lang meer voordat de zon nooit meer onderging. Je keek door het raam naar buiten. Wat je zag was zonder meer een mooi uitzicht te noemen. Wat zou het heerlijk zijn om met een boek op die steiger te gaan zitten. Om met de daar afgemeerde roeiboot naar de overkant van het meer te roeien.
Maar je deed het nooit. Je wist dat deze wereld door andere wezens dan door mensen werd bewoond. Dat ze in de meerderheid waren en overal, op alle tijden van de vierentwintig uur durende dag, de overhand hadden. Je was hier slechts te gast. Je bleef binnen.
Afgelopen zomer was ik voor het eerst in drieënveertig jaar terug in Finland. In een huis aan hetzelfde meer waar ik als negentienjarige een halfjaar op de boerderij had gewerkt. De parallel met kiespijn gold nog altijd. Ik dacht dat het deze keer, in 2016, wel mee zou vallen.
Soms werd ik om drie uur ’s nachts wakker. De zon was dan al op. De verleiding is dan groot om gewoon op te staan, met een mok koffie op het terras te gaan zitten en over het meer uit te staren.
En zo ontdekte ik iets wat me in 1973 kennelijk was ontgaan: dat er op dat vroege tijdstip geen muggen waren. Nou ja, geen… Een enkel sloom exemplaar dat je makkelijk doodsloeg wanneer het op je arm landde. Ook de muggen waren om drie uur in de ochtend nog niet helemaal wakker.
Dat werd mijn nieuwe dag- en nachtritme. Niet voor het eerst dacht ik aan Nooit meer slapen, en dat over muggen lezen iets anders is dan te gast zijn in het land waar deze dieren de dienst uitmaken.

Anton Patrick zoekt zonder licht te maken naar het kladblok waarop hij zijn boekhouding bijhoudt, scheurt er een stuk papier af en schrijft in afhellende letters Uitzonderlijk gesloten wegens een gelukkig voorval. Hij buigt zich over de enorme pinguïn die voor de deur staat, maakt voorzichtig het portret van zijn grootvader los en plakt het papier op die plaats tegen het glas. 
De honderden beren, kalkoenen, marters en miereneters kijken hem na terwijl hij het portret naast de paraplubak op de grond legt.
Ici on remplace les mauvaises têtes.
Het komt uit een andere tijd. Niemand herstelt nog, iedereen koopt nieuw. Hij gaat er prat op de grootste biodiversiteit aan pluchen dieren te bezitten. Het komt zelden voor dat hij een kind moet teleurstellen. (Natuurlijk heeft hij niet iedereen blij kunnen maken in zijn leven en niet alles wat stuk is, valt te herstellen, maar) hij duwt die gedachte snel weg, neemt zijn jas en hoed van de kapstok en wanneer hij het geluid van de klingelende belletjes hoort wegvallen achter het dichtslaan van de deur, weet hij dat dit een goed idee is.

De gouden woorden kijken hem na. Pelucci d’Anton. Zijn grootvader noemde zijn zoon Anton en op zijn beurt gaf zijn vader de verwachting door, door hem dezelfde naam te geven. Anton diende ertoe om iets in stand te houden, hij kon niets anders worden dan een kopie van zijn vader. Een reproductie is zelden beter dan het origineel. (Even verwacht hij dat het verdriet nu de kop zal opsteken, zoals het de voorbije maanden steeds bij hem is geweest, met een overspoelende kracht maar het komt niet en) hij haalt adem, loopt de Rue Raymond Losserard verder in. Sinds 1903 is de sluitingsdag op zondag. Vandaag zal hij zijn eigen regels voor het eerst overtreden.

Zijn wijk ontvouwt zich in het leven zelf, niet in plekken van grote betekenis. Achter elke hoek kan een volkomen ander gezicht van de stad opduiken. Brede boulevards naast smalle gangetjes, statige gebouwen met onduidelijke functies naast met mos overgroeide overblijfselen van iets wat ooit statig was geweest. Wat er zich al van toeristische bezienswaardigheden bevindt, heeft te maken met de dood. Een kerkhof waar enkele beroemdheden liggen maar dat niet kan concurreren met Père Lachaîse. De ingang van de catacomben.
De kans om hier toeristen tegen het lijf te lopen, is kleiner dan elders in de stad. Hij wordt ongemakkelijk van ze. Ze zien iets wat hij niet ziet. Hoewel ze naast hem op dezelfde stoep lopen, wandelen ze toch in een andere straat dan hij. Een straat die beschreven staat in een gidsje dat heeft samengevat hoe de straat moet zijn. (Er valt natuurlijk helemaal niets vast te leggen, geluk is vaak het voorstadium van verlies, altijd dezelfde snijdende gedachte) schiet weer door zijn hoofd terwijl hij tussen de auto’s door de straat oversteekt. Hij mijdt oogcontact met de passanten, hij zou zichzelf te zeer vastgelegd zien in hun blik. Een deftig mannetje in een tabaksbruin pak met een hoed, meneer Patrick van het winkeltje, overblijfsel uit een andere tijd. Ziet er ouder uit dan hij is, wordt desondanks dikwijls als verkleinwoord aangesproken, niet waar meneertje Patrick?
Iemand die hij vandaag niet is, want het is dinsdag en toch is de winkel gesloten.

Vietnam ligt hier schouder aan schouder met Libanon, China en Algerije. Midden in zijn buurt ruikt het naar werelden die hij niet kent. Bij het zien van de opgeblazen pekingeenden, aan hun nek opgehangen en blinkend oranje, moet hij zijn blik afwenden.
Rul, kaal vlees.
Een koud lichaam, hangend hoofd.
Even lijkt het alsof hij op een hellend plateau staat. Hij concentreert zich om het beeld weg te krijgen (de onmogelijkheid om contact te maken met iemand die zo vaak haar armen rond zijn hals heeft geslagen, hem zoende op zijn slaap, het zou nooit anders zijn), tast dan naar zijn schoudertas.
Mensen lopen langs hem heen, een jonge vrouw stoot hem per ongeluk aan. Ze kijkt haastig om en hij ziet haar lippen een verontschuldiging vormen, meteen loopt ze verder, tussen alle andere lichamen op weg naar een andere plek. (Dat alleen hij het ziet: alles kan meteen ophouden, deze verzameling huid en water, er is niet veel nodig. Zijn schoudertas weegt licht, te licht voor het gewicht van zijn plan. Driehonderd gram, niet meer. Zelfs wie echt naar hem zou kijken zou alleen een man zien die zijn tas weegt.)
Hij loopt snel voorbij de eettentjes, slaat een zijstraat in, voelt hoe zijn ademhaling weer vertraagt.

Hij heeft zijn grootvader vaak helpen zoeken naar de juiste nieuwe huid, in de lade met verschillende velletjes. De bokalen met ogen stonden naast de bokalen met voorpoten. Hij raakte elke keer begeesterd door de concentratie waarmee de oude man de beren openlegde met een vlijmscherp mes, hen van een nieuwe vulling voorzag, hoe hij hen zorgvuldig weer dichtnaaide, steeds met de hand en zo onzichtbaar mogelijk. De zucht van tevredenheid wanneer zijn grootvader de nieuwe teddybeer tegen het licht hield, stond in schril contrast met de teleurstelling die vaak gepaard ging met het overhandigen van het genezen knuffeldier aan de kinderen. 
Ze hechtten vaker dan volwassenen dachten aan afgeknabbelde oren, aan ontbrekende ogen, aan kaalgestreelde buiken. Omdat Anton nauwelijks boven de toonbank uitkwam, keek hij recht in hun ogen en zag dat ze beseften dat iets wat verdwenen was, nooit meer terug kon komen.

Veel van wat hij in het leven heeft geleerd, heeft hij van klanten in de winkel. De grootste wijsheden komen op fluistertoon, tussen de zwijgende steenarenden en poolvossen. Ook het licht is gedempt, het gaat verloren tussen de bonobo’s en de wombats, tussen de nachtvlinders en de bidsprinkhanen. In zijn winkel houdt alles zijn adem in.
Een van de dingen die hij gehoord heeft en dat hem steeds bijgebleven is, is dat in het begin van een liefde al het einde besloten ligt. Bescherming kan verstikking worden, wie iemand redt wil eigenlijk zelf worden gered, hij had het moeten weten, hij heeft niet goed geluisterd. Langs de laan staan oude platanen, er zijn annonces in de stam geprikt. In internettijden zoekt Parijs nog steeds contact via de melancholie (en zelfs dat stemt hem niet meer hoopvol, wie elkaar per toeval vindt, verliest elkaar zo, per ongeluk. Alsof ook zij slechts toevallige passanten waren geweest die tegen beter weten in iets anders hadden geloofd en alleen getrouwd waren om het lot een pootje te lichten, hij had het moeten weten), hij wendt zich af van de stammen. Het portret van zijn grootvader herinnert aan de tijd waarin er werd geloofd in herstel, ici on remplace les mauvaises têtes. Nu verkoopt hij replica’s van de werkelijkheid. Een betere versie ervan. Vachten zonder schurft. Iets waarvoor gezorgd kan worden en dat bij verwaarlozing toch niet zal sterven.

Wat hem zo kwaad maakt weet hij niet. Er drukt iets op hem, iets wat ouder is dan hijzelf, alleen in de winkel wordt hij rustig. Het begint met een plek op zijn borstbeen dat begint te gloeien tot het schroeit wanneer hij de rij aan de catacomben nadert (het maakt hem van streek, zou hij willen vertellen aan iedereen die hij passeert. Hoe levens elkaar maar zijdelings raken, het is ondraaglijk, vindt u ook niet en uiteraard zwijgt hij want hun reacties zouden exact zijn wat hij bedoelde, dus) schuift hij niet aan, maar loopt een eindje verder. Focus op de straatstenen, focus op het zetten van de ene voet voor de andere, tot Parijs verkleint tot zijn eigen hartslag.

Naast de rij staan is de beste manier om jezelf iemand te voelen. Hij wacht een paar momenten. Ziet hoe niemand echt opschiet, iedereen is bereid desnoods eeuwig daar te blijven, het wachten op zich volstaat. Onder hen de schedels, de gangen, de knoken die de fundamenten vormen van de stad.
Terwijl hij het mes uit zijn tas haalt ziet hij zichzelf staan, hij wordt deel van de rij en toch weer niet, hij ziet zich verbaasd naar het ding in zijn handen kijken. Hier behoort het toe aan iemand die hij niet is. Dat moment duurt zo lang dat hij merkt dat er toch iets is veranderd, er is onrust, paniek, hij heeft nog steeds de tijd om traag te ademen, weer samen te vallen met zichzelf en het lemmet tegen zijn linkerpols te drukken (hij heeft de tijd om aan de dode dieren in de winkel te denken, aan het portret van zijn grootvader, hij heeft de tijd om eraan te denken dat hij zo erg op zijn grootvader lijkt dat het klanten verwart, hij heeft gewonnen van de tijd, hij heeft de tijd om op te kijken en alle hoofden te zien, en daarboven alle gedachten, alle intenties en alle herinneringen, ongrijpbaar, zoals waarom iemand op een ochtend die zo veilig begonnen was een beslissing neemt die het leven kantelt, hij heeft de tijd om daar allemaal aan te denken terwijl) hij naar het mes kijkt en voelt hoe vertrouwd het tegen zijn ader ligt, ook buiten de winkel.

Deze tekst ontstond op basis van een residentieproject van het Vlaams-Nederlands Huis deBuren in samenwerking met de Stichting Biermans-Lapôtre.

Acht jaar geleden schreef ik een verhaal in een ochtendkrant dat niet-stemmen ook een manier van stemmen was.
Acht jaar geleden: toen steunde Donald Trump Hillary Clinton voor het presidentschap, was Geert Wilders vooral bekend als filmmaker – en werd de verkiezingsuitslag in Oostenrijk omschreven als “boze kiezers voor boze partijen”.
Ik wil maar zeggen, het kan verkeren.
Op de bekende sociale media delen bekende Nederlanders in den vreemde nu massaal links hoe je in te schrijven om te kunnen stemmen voor de verkiezingen in maart.
Heel goed.
Maar ik zorg dat ik in Nederland ben, 15 maart.

De strekking van mijn stuk in de krant was toen dat de stemmogelijkheden zo beroerd waren dat je het recht had, als burger, om te tonen dat je het allemaal niets vond. Aan die politieke bloedarmoede is weinig veranderd. Alexander Pechtold is al elf (!) jaar fractievoorzitter van D66 en het hoogtepunt van zijn carrière is de openheid over zijn huwelijksperikelen. Lodewijk Asscher, waterdrager in het kabinet van Mark Rutte, werd onlangs de nieuwe voorman van de VVD light, ik bedoel: de PvdA, en moet nu elke keer zijn kritiek op de premier terugtrekken; bij de SP van Emile Roemer rommelt het al jaren (Kamerleden die anoniem in de krant beweren dat Roemer geen fractie kan leiden, ‘laat staan Nederland’); en Jesse Klaver van GroenLinks? Die is vooral bezig met Jesse Klaver van GroenLinks.
Een collega met ballen zette voor laatstgenoemde desondanks een videoreeks op: Nederlandse burgers die verklaarden waarom ze GroenLinks gingen stemmen.
Toegegeven, wie de partijprogramma’s leest, ziet dat GroenLinks een van de weinige, straks mogelijke relevante politieke partijen is die daadwerkelijk om het milieu geeft (Trump gaat miljoenen hectare aan natuurpark in de uitverkoop doen).
Ik bedankte voor een videoboodschap omdat ik vond – en vind – dat je als journalist niet expliciet aan een partij kunt verbinden (ja, ik schrijf nog steeds voor de krant). Maar als burger bestaat die luxe niet meer. Dat wil zeggen: je moet stemmen. En je dus verbinden aan een politieke partij. Maar vermoedelijk vraagt ons politieke burgerschap de komende jaren nog veel meer.

Deze week verschijnt de bundel Als dit zo doorgaat, samengesteld door Auke Hulst. Onder de 25 schrijvers die zich lieten inspireren door de opkomst van populisme aan beide zijden van de oceaan, zijn Thomas Heerma van Voss, Jan van Mersbergen en nog zo’n tien vaste Revisor-auteurs. Nog een reden om dit boek bij uw boekhandel te kopen – bijvoorbeeld bij Athenaeum, waar de presentatie plaatsvindt.
Vandaag mogen we een van de verhalen voorpubliceren, Jamal Ouariachi’s ‘De zaak 17/26’.

*

Niemand hecht meer waarde aan een proces, laat staan aan een procesverslag. Dit is een zinloze exercitie, en toch begin ik eraan. Dit is niet het proces van Socrates, van Jezus, van Jeanne d’Arc, van Adolf Eichmann. Bij die processen geloofden beklaagde én aanklager nog in de wettigheid van de wet, of in ieder geval van een wet, al baseerde de aanklager zich soms op een ander boek dan de beklaagde.
Wij, jij en ik, bevinden ons in een tijd waarin de rechtspraak door bijna niemand meer serieus wordt genomen. Waar ik de komende tijd getuige van zal zijn, is niet eens een showproces, want dat woord veronderstelt dat er ook zoiets is als een écht proces. Elk proces is nu een showproces. Maar het is het beste wat we hebben.

De beklaagde kan zich daar niet over beklagen. Wie eigenhandig de rechtstaat heeft gesloopt, kan zich op geen enkel recht meer beroepen. Hij mag blij zijn dat hij niet gemarteld wordt. Als iemand elke vorm van gesprek weigert, is elke vorm van geweld geoorloofd, maar de beklaagde wordt – op het oog althans – keurig behandeld. De organisatoren van dit proces zetten alles op alles om een zekere morele correctheid in ere te herstellen. Iemand moet het goede voorbeeld geven, na al die gruwelijke voorbeelden van de afgelopen jaren.
Iedereen weet dat de beklaagde schuldig is. Toch doen we allemaal alsof dit proces nog een wending kan nemen, alsof het bewijsmateriaal misschien ontoereikend is. Als er één iemand is wiens schuld bij voorbaat al onomstotelijk vaststaat, is het die van de beklaagde.

Een etmaal ben ik al onderweg. Gisteravond laat vertrok het vliegtuig uit Buenos Aires, twaalf uur later kwam ik in Madrid aan. Ik moest uren wachten, at een bocadillo met tortilla, verwonderde me over het feit dat ik terug was in Europa. Skypete met thuis.
Na de vroege avondvlucht naar Casablanca kreeg de vermoeidheid me in haar greep. Tijdens het wachten op de laatste etappe, van Casa naar Tanger, dommelde ik af en toe in. Terwijl het toch enerverend genoeg was om in Marokko te zijn, waar ik al zoveel langer niet meer geweest was dan in Europa. Er was ook bijna niets te zien wat op Marokko wees, luchthavens zijn overal min of meer hetzelfde, en wat anders is – de winkelarij – is folklore, is een generieke uiting van de souvenirindustrie, in elk land anders, en toch overal hetzelfde. Een grondstewardess kwam me wakker maken om te zeggen dat het boarden was begonnen.

In de taxi naar het hotel zit ik opnieuw te knikkebollen. Pas als we er zijn en ik uitstap, begint er iets tot me door te dringen van waar ik ben. Ik ruik de zwoele nacht, is dat een vleugje komijn? Het zal wel zinsbegoocheling zijn.

Bij het ontbijt serveren ze croissants, de koffie komt uit een automaat, de muntthee moet je zelf zetten met een zakje en een schep suiker. Wat een deceptie. Geen Proust-momentje voor mij op deze eerste dag in de stad van vroeger. Zal ik mijn oom niet toch eens bellen? Ik heb tegen mijn vader gezegd dat hij maar beter aan niemand kan vertellen dat ik hier ben, want voor ik het weet, moet ik dan staatsbezoeken afleggen aan alle familieleden, verspreid over het land. Ik wil me concentreren op het werk, maar nu ik hier ben, voel ik een vage behoefte om ze te zien, die ene oom vooral, mijn lievelingsoom, en zijn vrouw.
Naar buiten. Ik slenter door de stad, snuif zeelucht op, voel mezelf acclimatiseren. Overal om me heen de taal, die ik nog steeds nauwelijks versta, maar die wel vertrouwd klinkt, als muziek die je zo goed kent dat je erdoorheen kunt slapen, omdat er geen noot is waar je van wakker schrikt.
De zon is fel, ketst oogverblindend op het vele witte pleisterwerk af. Er klinkt veel getoeter, dat is niet veranderd, alleen de modellen auto zijn moderner, minder vertiefd. Ik drink échte Marokkaanse thee op een terrasje, mierzoet en verkwikkend, eet er twee van die amandelkoekjes in de vorm van gazellehorentjes bij, ben vergeten hoe ze heten. Ik googel wat op mijn telefoon, kaab el ghazal kom ik tegen als naam, zegt me vaag iets, maar misschien verzin ik de herinnering. Bij de toonbank heb ik ze gewoon aangewezen terwijl ik twee vingers opstak in de hoop dat het niet per ongeluk een obsceen gebaar was. Ik herinner me dat de wijsvingergebaren tegen de slaap (‘koppie-koppie’) en het voorhoofd (‘die is getikt’) hier precies het omgekeerde betekenen.
Ik had niet gedacht dat ik na al die jaren nog eens in Tanger verzeild zou raken. Als ik er ooit al over gefantaseerd heb, dan toch in positieve zin. Deze stad is altijd de lichtste van het stel geweest, voor mijn gevoel, dat vond ik als kind althans, maar wat er natuurlijk aan de hand was, is dat het de meest Europese stad was, en dus het herkenbaarst. Het was een verfrissend briesje, terwijl de lucht op zoveel andere plaatsen in dit land altijd maar stil leek te staan, heet en benauwend, vooral in Oujda, dat helleoord zonder kleur of charme waar we meestal onze vakanties doorbrachten, mijn ouders, mijn zus en ik, omdat daar mijn oma woonde, net buiten de stad, op de boerderij van weer een andere oom. Zou het daar ook zo veranderd zijn? Er zijn tweeëndertig jaren verstreken sinds mijn laatste bezoek. Toen haatte ik de islam nog.
Als ik aan Marokko denk, komen adjectieven als stoffig, armoedig en verwaarloosd in me op. Kijk ik hier om me heen, dan zie ik een keurig aangeharkte stad, frisse witte huizen, vrolijke mensen. Nu is juist thuis alles kapot.
Nee, niet thuis.
Thuis is nu ergens anders, thuis is nu Buenos Aires.

Nog geen tien jaar terug wensten de meeste mensen de legitimiteit van vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog in twijfel te trekken. Maar die oorlog is niet voor niets een rotsvast moreel ijkpunt. Wie zegt dat zoiets niet meer kan gebeuren, heeft stront in zijn ogen gehad tijdens Rwanda en Srebrenica. Wie dacht dat moderne samenlevingen over voldoende controlemechanismen beschikten om te voorkomen dat een democratisch gekozen staatshoofd zich in korte tijd kan ontpoppen tot autocraat, had niet op zitten letten toen Erdogan de rechterlijke macht en de journalistiek in Turkije binnen een periode van een paar maanden compleet lamlegde. Wie dacht dat minderheden in een land als Nederland eerst en vooral beter af waren dan elders in de wereld, en dat ze een klein beetje discriminatie dan maar voor lief moesten nemen, maakte toen, vóór 2017, een hele grote fout. Dat waren de mensen die in de comfortabele positie van de meerderheid verkeerden. De meerderheid denkt altijd dat het zo’n vaart niet loopt.

Het is een voormalig overheidsgebouw waar de show plaatsvindt. Het proces, de show: die woorden zijn inwisselbaar geworden. Alles live uitgezonden, er wordt in de huiskamers gekeken met chips op schoot en bier binnen handbereik. Als er al wordt gekeken. Het is entertainment, maar de bedoeling is educatief: een waarschuwing voor de wereld, ja, haha, alsof de wereld nóg een waarschuwing nodig heeft, alsof de vorige waarschuwingen ook maar iets hebben veranderd.
Zware beveiliging, ik moet me zes keer legitimeren, twee keer door detectiepoortjes, ten slotte onderga ik een bodyscan. Het is makkelijker om een vliegtuig op te blazen dan om hier iets uit te richten.
De zaal is overvol, mensen zitten op de trappen, het is er heet. Nu herken ik Marokko weer. Als de beklaagde zijn entree maakt (er gaat een schijnwerper aan) is het eerst ijzig stil en dan valt er iemand flauw. Rumoer, chaos. Marokko.
De beklaagde is moeilijk herkenbaar. Die iconische peroxideblonde kuif is van zijn hoofd geschoren. De donkere stoppels maken een andere man van hem, hij wordt weer een beetje de indo die hij eigenlijk is, zoals ik misschien wel de mocro zou worden die ik eigenlijk ben als ik mijn haren zwart verf en een paar dagen goed in de zon ga zitten.
Ze hebben hem gearresteerd in Indonesië. Tijdens zijn weg naar de top bleef hij herhalen dat vergelijkingen met Hitler absoluut ongeoorloofd waren, en nu pas blijkt hoe waar dat is: Hitler had tenminste nog de moed om zelfmoord te plegen. Dit stuk ongedierte is gevlucht naar een plek die hij altijd heeft verafschuwd, omdat het een plek is waar de islam het van de westerse democratie heeft gewonnen. Drie jaar lang heeft hij verkeerd tussen mensen die hij, als hij er de kans toe had gehad, zou uitroeien. Hij at hun eten, dronk hun alcoholvrije dranken, maakte gebruik van hun medische zorg. Misschien is dat dan toch een beetje dapper, of in ieder geval gewiekst: je verschuilen op de plek waar niemand je verwacht, het kamp van de vijand.
Nu zit hij hier, achter kogelvrij glas. Op schermen wordt zijn kop in close-up vertoond. De mondbewegingen die hij maakt, doen denken aan de bijverschijnselen van het gebruik van antipsychotica. Verveeld, lijkt hij. Zoals hij vroeger, toen hij nog Tweede Kamerlid was, ook altijd verveeld leek wanneer er iemand anders dan hijzelf aan het woord was. Hij speelt wat met een ballpointpennetje; als het ding op de grond valt, neemt hij niet de moeite het op te rapen.
De rechters lijken geselecteerd met diversiteit als belangrijkste criterium. Oudere zwarte vrouw; jonge witte vrouw met hoofddoek; man van middelbare leeftijd met Chinees uiterlijk. De ironie hiervan kan de beklaagde niet zijn ontgaan. Alles wat hij haat zit klaar om hem te berechten.
De aanklacht wordt voorgelezen, opgesomd eigenlijk, in staccato Engels met een Marokkaans accent. Het zijn abstracte cijfers, ongeloofwaardige cijfers, maar ze kloppen. De komende tijd zullen getuigen het skelet dat die cijfers vormen optuigen met het gruwelijke vlees van de concreetheid.
Uit zijn binnenzak heeft de beklaagde een nieuwe bic-pen tevoorschijn gehaald, die hij nu als een drumstokje tussen zijn vingers door laat dansen. Verveeld op een obstinate manier: als een puber die een standje krijgt.

Ik eet tajine op een terras dat op de baai uitkijkt. Het wordt hier vroeg donker, de goudkleurige lichtjes van de haven vormen tezamen een kitscherig sieraad. Daarachter de duisternis van het water, het water waar zoveel gevluchte Europeanen de dood vonden, onderweg naar Afrika.
Niet gedacht dat ik dit ooit zou zeggen: ik voel me veilig en geborgen in dit Marokko, ondanks de chaos. Ik voel me welkom. Natuurlijk weet ik: ook hier kan de pleuris uitbreken en dan wordt het net zo erg als in Europa. Domheid is overal domheid, het zwijgende meebewegen van de massa is overal hetzelfde. De beklaagde is niet uniek. Hij heeft voorgangers, hij zal opvolgers kennen – in een ander land, onder andere omstandigheden, ja, maar altijd, altijd met dezelfde zieke en effectieve middelen.

Tweede procesdag. Het woord is aan de verdediging. Ook de beklaagde zelf komt aan het woord. Hij heeft alleen maar, zegt hij, de wil van het volk vertolkt. Als je hem veroordeelt, veroordeel je een aanzienlijk deel van dat volk. Met zulke demagogie won hij in 2017 de verkiezingen. Met zulke demagogie probeert hij zich nu van zijn schuld te ontlasten, maar we weten allemaal dat het volk soms veroordeeld moet worden en dat wat er de afgelopen jaren gebeurd is, op z’n minst óók dat volk aan te rekenen is.
Niets doen en toekijken bij genocide is een vorm van medeplichtigheid. Wat het volk, maar niet hem, vrijpleit: genocide heeft nooit in zijn partijprogramma gestaan. Er wordt lang gediscussieerd over het woord genocide. Als dat met elk woord gaat gebeuren, kan dit een heel lang proces worden.

’s Avonds, op de hotelkamer, componeer ik een beknopte chronologie van de avonturen van de beklaagde voor het stuk dat ik over het proces wil schrijven. Ik noteer: geboren te Venlo op x september 196x. Indonesisch bloed in de familielijn, waar hij op latere leeftijd geheimzinnig over doet. Als hij eenmaal aan de macht is, ontkent hij die afkomst eenvoudigweg. Noemt journalisten die hem hiermee confronteren leugenaars, landverraders. Later laat hij ze arresteren. Nee, wacht, terug. Terug naar eerder. Hij doorloopt de mavo, de havo, maar stoot niet door naar het vwo, volgt geen universitaire opleiding in de rechten, al behaalt hij op latere leeftijd wel een aantal deelcertificaten. De psychologen bijten zich in deze materie vast om zijn diepgewortelde haat jegens de elite en de universitaire wereld te verklaren, maar er zijn geen verklaringen. Er zijn alleen maar feiten. Dus nee, vooruit, sprongen in de tijd, zijn politieke carrière. Zijn radicalisering.
Er zijn zoveel punten aan te wijzen waarop het misging, maar misschien is dit het belangrijkst: op 19 maart 2014 vierde de beklaagde in een café vol aanhangers de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Het was hier dat hij de aanwezigen vroeg of zij in Nederland meer of minder Marokkanen wilden. Toen er luid ‘minder, minder, minder!’ werd gescandeerd, sprak hij in de microfoon: ‘Dan gaan we dat regelen.’ Een belofte waar hij zich aan heeft gehouden.
En daarom is dit een cruciale wending in zijn carrière. Een volksmenner selecteerde één etnische groep als bron van alle kwaad en kondigde reductie van die groep aan. Het is eigenlijk onbegrijpelijk dat er niet al werd ingegrepen. Nu ja, er was een rechtszaakje… Op 9 december 2016 werd de beklaagde veroordeeld door de rechtbank in Den Haag wegens groepsbelediging en het aanzetten tot discriminatie. Hem werd geen straf toegekend, en dat zag hij blijkbaar als een vrijbrief om door te gaan met zijn opruiende uitspraken, hij voerde de frequentie en intensiteit zelfs op. Hij bespotte de rechters die hem veroordeelden, hij hekelde de pers. Dit is belangrijk: het was een patroon. Het was het patroon van zijn voorgangers.
Hij smeedde een Europese Alliantie met extreemrechtse partijen uit Frankrijk, Duitsland, Vlaanderen. In het voorjaar van 2017 behaalden die partijen in hun respectievelijke landen een meerderheid. Hongarije en Polen sloten zich aan, later Italië.
‘Het grote afrekenen kan beginnen.’
Die uitspraak, of varianten erop, spookten al langer rond op internet, al ver voor de verkiezingen. Maar na de overwinning van de beklaagde nam dat toe. Overal in het land vormden zich burgermilities. Ze gingen de straat op, aanvankelijk onder het motto ‘we moeten de buurt beschermen’, al snel om iedereen met een Midden-Oosters of Noord-Afrikaans uiterlijk te terroriseren. Moskeeën gingen in brand, molotovcocktails vlogen bij buurt- en theehuizen naar binnen. Islamitische scholen werden uit veiligheidsoverwegingen gesloten. De beklaagde sprak er zijn afkeuring over uit, maar greep niet in. Daders werden niet vervolgd.
Ondertussen werden in de landen die deel uitmaakten van de Europese Alliantie rechters uit hun ambt gezet. Leden van de regering klaagden kranten aan, journalisten belandden achter tralies op uiterst dubieuze gronden (‘demoniseren’, ‘zaaien van haat jegens een staatshoofd’, ‘oproepen tot geweld’, ‘landverraad’). Vlak voordat de grenzen definitief dichtgingen, ontvluchtten velen het land.

In de bar van het hotel is het rustig. Er zijn een paar andere journalisten, groepjes van twee, drie. Een enkeling zit solitair aan de bar, bezig de slapeloosheid te bestrijden met sterke drank. Daar neem ik ook plaats, en ik bestel een single malt.
Ik raak aan de praat met een reporter van een Vlaams dagblad.
‘Hoe is het in het Noorden?’ vraag ik hem. Ik weet het antwoord, van internet. Hij mompelt iets over puinhopen ‘waar je niet vrolijk van wordt’, en daar lijkt hij het bij te willen laten, maar dan begint hij vragen te stellen aan mij. Wie ik ben. Ja, die naam zegt hem wel vagelijk iets, schreef ik geen thrillers? Waar ik vandaan kom, wil hij ook weten. Ingewikkeld verhaal, maar het schijnt hem te boeien. Voor het eerst smaak ik het genoegen om aan een volstrekt wildvreemde mijn levensverhaal te vertellen.
‘Ik heb lang getwijfeld,’ zeg ik. ‘Want weet je wat het probleem was? Ik haatte de islam óók, net als… nou ja, de beklaagde, zal ik maar zeggen… en zijn aanhangers van toen. Alleen, ik vond dat mijn beweegredenen anders waren.’
Ik vertel over mijn vlucht, want vluchten deed ik.
Niet naar Marokko, zoals de meesten, of naar Turkije. In Turkije had je Erdogan, en waarom zou je de ene democratische dictator voor de andere verruilen? In Marokko dreigden de islamieten aan de macht te komen en het was bovendien een land waar ik me nooit had thuis gevoeld. ‘Terug naar je eigen land’ – daarmee joegen ze in Nederland de eerste-, tweede-, ja zelfs derdegeneratieallochtonen weg. Oprotten of sterven. Maar Marokko wás mijn land niet, nooit geweest. Je kon je zelfs afvragen of het wel het land van mijn vader was, die er alleen zijn jeugd had doorgebracht, die nog voor zijn twintigste naar Europa was getrokken, die in Nederland terechtkwam en daar sindsdien had gewoond en gewerkt, twee, ja, bijna drie maal zolang als hij ooit in Marokko gewoond en gewerkt had.
Wat was je dan? Waar lag ‘je eigen land’ dan? Het land waar je, door het grootst denkbare toeval, geboren was? Of het land waar je veertig jaar lang belasting had betaald, aan de maatschappij had bijgedragen, waar je je kinderen…
‘Enfin… dat soort dingen kun je blijven herhalen,’ zei ik, terwijl ik met een handgebaar nog een rondje voor ons beiden bestelde. ‘De mensen die toevallig in Venlo of Heerhugowaard of Stadskanaal of Geldermalsen zijn geboren, die waren daar helemaal niet in geïnteresseerd. Die vonden dat zij recht hadden op hun toevallige erfenis.’

Als de moraal eenmaal wankelt kan het snel gaan… De beklaagde had besloten dat redelijkheid niet langer een antwoord was op islamitisch geïnspireerd terrorisme. Hij begon de tactieken van Islamitische Staat te spiegelen, te overtreffen. Voor elke westerse dode liet hij moslims arresteren (of Marokkanen – onderscheid maakte hij niet) om ze op bloedige wijze voor de camera te vermoorden. De selectie van slachtoffers verliep willekeurig. Zoals elke willekeurige westerling slachtoffer van moslimterreur kon worden, zo kon elke willekeurige moslim voortaan slachtoffer van Europese staatsterreur worden. Ik hoef de voorbeelden niet te geven, de filmpjes spoken voorgoed rond in de digitale eeuwigheid.
Er was een literair festival in Buenos Aires. Mijn vlucht werd betaald en die van F ook. We betaalden zelf de tickets voor de kinderen. Ik stuurde een paar dozen met boeken per boot vooruit, ook de presentexemplaren van mijn eigen werk, illegaal geworden materiaal. Verder namen we alleen het hoogst noodzakelijke mee. F ging schrijven voor een émigré-tijdschrift, ikzelf probeerde te leven van mijn romans, die inmiddels in het Spaans vertaald werden en die een heel klein beetje succes hadden, cultsucces, maar cultsucces in een gigantisch taalgebied als het Spaanse betekende verkoopaantallen die in Nederland voor een megabestseller stonden.
Achteraf verbaas ik me over de snelheid waarmee het allemaal gebeurde.
Ik vluchtte, maar velen bleven achter.
‘We zijn zo overtuigd van onze eigen menselijkheid,’ zeg ik, mijn tong inmiddels drie glazen whisky dik, ‘dat is zoiets onwrikbaars, dat mens-zijn… dat we ons niet kunnen voorstellen hoe het is om ontmenst te worden. Hoe het is om langzaam en op de allerverschrikkelijkste manier te sterven… gemarteld te worden tot je er dood bij neervalt… zonder dat het iemand iets kan schelen. Dat gaat er niet in. We kunnen dat niet op onszelf betrekken.’
‘Spreek voor jezelf,’ zegt mijn gesprekspartner lachend.

De eerste procesweek zit erop. Ik zit elke dag te skypen met thuis, maar het is niet genoeg. De moderne techniek zou de afstand beter overbrugbaar moeten maken, maar het werkt averechts: hoe beter de verbinding, hoe scherper het beeld, hoe helderder het geluid – hoe pijnlijker ik geconfronteerd word met het feit dat F en de kinderen dáár zijn en ik hier.
Als ik overdag door de straten van Tanger slenter, trekt de islam aan me voorbij – en dan is dit nog een gematigd land, een milde, kosmopolitische stad… Maar toch: meer hoofddoeken dan in de jaren tachtig, heb ik de indruk. Vrouwenonderdrukking, vrouwenháát als alternatief voor de Marokkanenhaat van de ooit geblondeerde en nu kaalgeschoren beklaagde. Wat doe ik hier eigenlijk, in Marokko? Ik ben geëmigreerd naar een land waar ik niet hoef te kiezen tussen deze twee afzichtelijke vormen van haat. Wat doe ik hier?
Het proces moest en zou in Marokko plaatsvinden, omdat er onder Marokkanen de meeste slachtoffers zijn gevallen. De beklaagde had van zijn Marokkanenhaat een speerpunt gemaakt, het was de makkelijke weg, hij kon daar bij zijn aanhang beter mee aankomen dan met zijn aanklachten tegen de islam. Het ging om zichtbaarheid. Een blanke kon ook moslim zijn, openlijk of in het geniep. Een Marokkaan herkende je meteen. De islam was abstract, maar de Marokkaan, die woonde naast je. De Marokkaan, die spuugde op straat voor je voeten als je voorbijliep. Die riep ‘hoer’ naar je dochter. Die toucheerde elke maand een uitkerinkje waar de Echte Nederlander de benodigde belastingcenten voor ophoestte. De Marokkaan was niet loyaal aan de Nederlandse staat want de Marokkaan bezat behalve een Nederlands ook een Marokkaans paspoort. De Marokkaan was wreed tegen slachtdieren. De Marokkaan sloeg zijn vrouw. De Marokkaan gooide homo’s van flatgebouwen. De Marokkaan besneed jongens én meisjes. De Marokkaan bouwde moskeeën met luidsprekers rondom waaruit het oorverdovende gekrijs van haatimams schalde. In die moskeeën hitsten de Marokkanen elkaar op tegen de westerlingen. De Marokkaan bestal oude vrouwtjes. De Marokkaan gooide met rouwkransen na de 4 meiherdenking. De Marokkaan handelde in drugs. De Marokkaan was niet te vertrouwen. De Marokkaan deed het met blonde vrouwen maar vond ze de moeite van het trouwen niet waard, daar liet de Marokkaan een importbruidje voor uit Marokko komen.
Het was makkelijk, zo heerlijk makkelijk om de Marokkaan te haten. En het is makkelijk te verdelgen wat je haat.
Ja, het proces moest in Marokko plaatsvinden, maar dan wel dat hoekje van Marokko dat bijna aan Europa raakt, de twee continenten enkel gescheiden door die smalle zeestraat van Gibraltar. Want behalve de beklaagde stond hier in zekere zin de hele Europese Alliantie terecht.

We dachten dat we de gevaren hadden afgewend door God af te schaffen, en later door het idealisme af te schaffen. Het nationaalsocialisme, het marxisme, ze hadden niets dan leed en dood gebracht. Maar we raakten eraan verslaafd, aan het afschaffen, en we sloegen erin door. We schaften de solidariteit af. Solidariteit was ‘links’ en leidde tot passiviteit en slachtofferschap bij diegenen met wie de deugdzame linkse elite solidair was.
Elite, het woord is gevallen. Een kernwoord.
Toen de Marokkanenverdelging goed op stoom was, kwam de elite aan de beurt. Met angstaanjagende wellust werden intellectuelen en kunstenaars opgepakt, te schande gemaakt, gemarteld, verminkt, vermoord.
En pas toen leken ze in het buitenland zich zorgen te gaan maken om wat er in dat rare kleine landje aan de Noordzee gebeurde. Niet toen de Marokkanen gepakt werden, maar pas toen de intellectuelen gepakt werden.

Ze willen hier niet dezelfde fout maken als de tribunalen in Den Haag. Het Joegoslavië-tribunaal. Radovan Karadžic was eerst dertien jaar voortvluchtig, werd in juli 2008 opgepakt, het proces duurde acht jaar, hij werd schuldig bevonden aan genocide, kreeg veertig jaar celstraf: het zijn cijfers die niet bij elkaar passen, het is een lange, ingewikkelde rekensom waarvan de uitkomst nul is, terwijl die uitkomst een heel complex getal zou moeten zijn. Slobodan Miloševic: nog zo’n lullig verhaal. Werd op 1 april 2001 gearresteerd, zijn berechting begon in 2002, in 2006 stierf hij en daarmee eindigde het proces. Weer was de uitkomst nul waar die iets veelvoudigs had moeten zijn.
Ook het Internationale Strafhof (in 2018 door de beklaagde uit Nederland verbannen vanwege ‘neprechters’ en ‘antidemocratische tendensen’) was geen voorbeeld. Dat hof had voornamelijk Afrikaanse kwesties behandeld: Congo, Mali, Soedan, Ivoorkust, noem ze allemaal maar op… Het werd ervaren als koloniale gemakzucht dat die witsmoelen in Den Haag hun belerende vingertjes hieven tegen de Afrikanen.
Nu zijn de rollen omgekeerd. De moraal komt voortaan uit Afrika. En de moraal werkt hier anders. Geen jarenlange processen gedurende welke de beklaagde kan overlijden of toch in ieder geval een milde bejaarde met berouw kan worden.
Nee.
De beklaagden moeten hun straf in de kracht van hun leven ondergaan. Dus moet het snel gaan. Om te beginnen dit proces, dit allerbelangrijkste want eerste proces. De aandacht mag niet verslappen. Maar alsnog komt het recht te laat, het recht komt altijd te laat. En het heeft nooit de impact van de daden die erdoor gewogen worden. Zelfs die daden: we weten hoe het daarmee zal gaan. Er komt een dag, spoedig, dat de mensen zeggen: houd er nu eens over op. We moeten door met ons leven, naar de toekomst kijken, het verleden begraven. Af en toe zal iemand nog alarm slaan en zeggen dat het weer de verkeerde kant op gaat (het gaat altijd weer, op zeker moment, de verkeerde kant op), maar diegene zal de mond worden gesnoerd. ‘Die vergelijking mag je niet maken,’ zeggen de anderen dan, zegt de meerderheid dan, ‘en bovendien: het zal zo’n vaart niet lopen.’
En ooit, over vijf of tien of vijftig of honderd jaar, trappen we er weer met open ogen in, alsof we nooit gewaarschuwd zijn. Voor welke dovemansoren is dit proces eigenlijk bedoeld?

Ik bel mijn oom, doe alsof ik net gearriveerd ben, niet al twee weken geleden. Hij nodigt me uit, natuurlijk nodigt hij me uit. We spreken af voor morgenavond.

Eerst nog een dag vol getuigenverklaringen. Ik heb hoofdpijn en die wordt niet minder op deze manier.
Ze moesten elkaar het hoofd afhakken, vertelt een man. ‘Dat is toch hoe jullie dat doen?’ schreeuwden de bewakers. ‘Dat moet toch van Allah?’
Ze moesten de keel van hun medegevangenen doorsnijden. ‘Marokkanenvlees, halal geslacht.’
De getuige bleef als laatste over, ze hebben hem op het vliegtuig naar Rabat gezet. Daar genoten ze van, af en toe iemand in leven laten om te getuigen van de gruwelen, zodat niemand in Noord-Afrika het in zijn hoofd zou halen de Middellandse Zee over te steken.
Sommige handelingen kan ik niet eens opschrijven, want als ik ze opschrijf, stel ik me ze voor, en als ik me ze voorstel, val ik ter plekke flauw, dat weet ik zeker, en al een paar keer heb ik een klein golfje kots moeten wegslikken.
De creativiteit van de wreedheid is ongekend. Het lijkt wel of in de wreedheid de mens zijn hoogste artistieke prestaties levert. En wetenschappelijke, niet te vergeten, want vaak is er een oorlog voor nodig geweest om grote wetenschappelijke ontwikkelingen dat laatste zetje te geven, met de atoombom als meest gênante voorbeeld. Alleen de beklaagde, die heeft niks voor de wetenschap betekend. De wetenschap, die haatte hij óók.

De ooit geblondeerde. Zijn huid lijkt op gebarsten aarde, is getekend door levervlekken.
Dat blonderen van zijn haar had iets weg van wat sommige vakbondsleiders en politieke activisten in de jaren zestig en zeventig deden: zich een plat accent aanmeten opdat ze geloofwaardig over zouden komen als vertegenwoordigers van de groep waar ze in feite geen deel van uitmaakten: de arbeiders. Op zo’n zelfde manier wilde de beklaagde overkomen als echte man van het volk: hij leerde het abn af en stelde er een derderangs Limburgs voor in de plaats. Hij blondeerde zijn haar, terwijl hij dus in feite het uiterlijk en de inkleuring van een halve indo of misschien zelfs een Noord-Afrikaan had, iets onmiskenbaar islamitisch in ieder geval. Ook hier hebben hele teams van psychologen zich de afgelopen tijd onledig mee gehouden.

De vrouw van mijn oom (ik weet niet waarom, maar ze is nooit ‘tante’ geworden, ik spreek haar bij haar voornaam aan) spint een draad thee tussen tuit en glaasje. Het bladgoud op het glaasje, het glitterende stikwerk op de kussens: de vertrouwde kitsch heeft zich in tweeëndertig jaar niet echt ontwikkeld. Tweeëndertig jaar, is het echt zo lang geleden dat ik hier voor het laatst was?
De kinderen worden doorgenomen, die van hen en die van mij. Wat ze zoal presteren. Die van mij zijn nog vrij jong, die van hen studeren al. In de oude tijden was het zo dat als je geld en verstand had, je als Marokkaan je land verruilde voor Europa. Mijn oom studeerde in de jaren tachtig medicijnen in Luik.
Nu blijf je in eigen land. Wat heeft Europa nog te bieden?
Natuurlijk moet ik mee-eten. Ze hebben personeel in dienst, ik weet niet hoeveel mensen precies, maar ik heb iemand zien schoonmaken en hier is een vrouw die het eten opdient, ze heet Fatiha, de omgang tussen haar en haar werkgevers is informeel maar de rolverdeling is duidelijk. Het personeel eet in de keuken, buiten het zicht van de beschaafde mensen.
Maar mijn oom, de dermatoloog, lijkt een zekere trots te ontlenen aan zijn boerenafkomst: hoewel hij in het weekend naar de Yacht Club gaat, eten we nu met z’n drieën van dezelfde emaillen schaal, couscous met lamsvlees, we hebben lepels maar eten het vlees met onze handen en de groenten met brood. Misschien doen ze dit omdat ik er ben, omdat ze denken dat ik denk dat dit Marokko is.
Ze zijn oud geworden, mijn oom grijs en flink kalend. Ik zie zijn enorme zwarte krullenbos nog voor me, bijna een afro. De Gauloises caporal die hij rookte, met dat witte filter. De logeerpartijen bij ons in Amsterdam, slaapzakken op de vloer in de woonkamer, alles kon, iedereen was welkom. Zijn vriendin C, een lange, slanke en ietwat lijzige Waalse die in een gezellige Deux Chevaux rondreed. Het waren bohemiens, het was alsof ze met z’n tweeën uit een nouvelle vague-film waren weggereden in die gele Eend van haar.
En nu, deze twee brave, welgestelde jongbejaarden.
Het bezoek, het eten roept allerlei warme gevoelens bij me op die ik hypocriet vind van mezelf, want al die jaren in vrijheid, tot ver voorbij mijn dertigste, wilde ik geen Marokkaan zijn, wilde ik eigenlijk niets met die hele cultuur en dat volk te maken hebben, maar toen begonnen anderen mij Marokkaan te vinden. Ineens was ik voor anderen wat ik voor mezelf nooit geweest was.
Dat bleek niet ongevaarlijk, blonde-haren-bleke-huid-blauweogen ten spijt.
Eenmaal in Zuid-Amerika omarmde ik het Marokkaanschap. Volgde taalcursussen (tevergeefs, ik gaf het altijd na een paar lessen op), begon boeken van Marokkaans-Nederlandse schrijvers te lezen. Via bol.com kon je die niet meer bestellen vanwege het verbod, maar er waren genoeg alternatieve kanalen, en sinds de Europese Crisis werden ze steeds vaker in het Engels vertaald. Ik liet mijn dochters vakantiefoto’s van vroeger, van Marokko zien. Leerde ze de paar woordjes Berbers die ik kende.
Noem het pogingen de cognitieve dissonantie op te heffen. Maar het was natuurlijk nep, het was Marokkaantje-light dat ik speelde, ik verheerlijkte waar ik altijd een lichte afkeer van had gehad.
Mijn oom stelde de pijnlijke maar onvermijdelijke vraag: ‘Waarom ben je eigenlijk niet hierheen gekomen toen het zo erg werd? Toen je moest vluchten? Waarom Zuid-Amerika?’
Hier heb ik vaak over nagedacht en toch heb ik niet direct een antwoord paraat, geen diplomatiek antwoord in ieder geval. Maar misschien is dit geen tijd voor diplomatieke antwoorden. Ik kan hem maar beter de waarheid vertellen, daar gaat hij heus niet aan kapot, en ik ook niet.
Ik zeg dat ik me hier nooit thuis heb gevoeld. Dat snapt hij wel, toch? Hij heeft jarenlang in Europa gewoond, hij had daar een grote liefde en toch ging hij terug naar Marokko. Dat heb ik dus zo’n beetje in omgekeerde zin met Nederland. Voor mij was Nederland thuis en Marokko de plek waar ik nu en dan noodgedwongen heen moest. Vanwege familie.
Het komt niet helemaal over, wat ik wil zeggen. Ik begin aan een psychologische verklaring die ik zelf niet helemaal geloof. Dat ik ongewild en onbewust (een woord dat ik anders nooit gebruik) kwaad ben geweest op die Marokkaanse afkomst, omdat die mij en mijn familie zoveel leed heeft bezorgd, nee, natuurlijk, rationeel weet ik ook wel dat wij daar zelf niets aan konden doen, dat het niet onze schuld was of de schuld van Marokko, maar dat het de schuld is van de beklaagde en zijn makkelijk ophitsbare volgelingen, en toch, nou ja, de wegen van de menselijke geest zijn ondoorgrondelijk. Ik was kwaad dat ik Marokkaan was.
Er worden wat schouders opgehaald, de dingen gaan zoals ze gaan, er wordt iets weggewuifd, laten we er maar over ophouden, het is niet anders – en dan vraagt mijn tante of mijn ouders het een beetje naar hun zin hebben in Argentinië, we zijn weg bij het verschrikkelijke onderwerp. Fatiha komt verse thee brengen.

Vandaag ben ik de tel kwijt. Het zal de dertigste of eenendertigste dag zijn. Meer getuigenverklaringen. Grote stapels naakte, vastgebonden Marokkanen. Hoe die stapels ‘verwerkt’ werden, dat wil zeggen: levend verbrand. Mannen boven op vrouwen die niet de hunne waren, kinderen boven op mensen die niet hun ouders waren. Het gekrijs. Ik ben niet gemaakt voor dit werk. Ik wil het niet opschrijven.

De redding kwam uit China. Uiteraard. China, waar nog waardering bestond voor de westerse cultuur, de bewondering van de archeoloog: ongelofelijk, dat die barbaren al tot zulke verfijning in staat waren terwijl ze zich ook zo graag aan wreedheid te buiten gingen. Díé fascinatie. We hebben het einde van de slachting aan hen te danken.

Zelf dacht de beklaagde misschien dat hij een verlosser was. (We weten nog altijd niets van zijn medicijngebruik. Zijn advocaten voeren het beroepsgeheim van zijn psychiaters aan – de man bezit anderen in meervoud – er wordt gezocht naar een juridisch zuivere manier om die informatie toch los te krijgen, maar de tijd is bijna op. Hij moet dood.)
Nee, een verlosser was hij niet. Eerder het type van de wreker. Dat woord ‘afrekening’ vatte het allemaal perfect samen. Hij zou eens even zijn gram halen namens de bevolking. Het was eigenrichting op hoog niveau, het hoogste. Wetgeving was aan hem niet besteed.

Anderhalve maand zijn ze nu al bezig. Het proces loopt ten einde, dat wel, ze noemen het Internationaal Snelrecht. Lik-op-stukbeleid voor genocideplegers, misschien is het maar beter ook. Wat valt er te nuanceren?

De dag van de uitspraak. De beklaagde: hij kijkt als alle verslagen mannen. Hij is een mensendier waar de ziel uit is weggelekt. Vijanden die hem zielloosheid verweten hadden het mis: hoe meer macht, hoe meer ziel. Maar met een ziel kun je veel kanten op. Die van de verdachte is pikzwart en stinkt naar lijken.
De uitspraak verbaast niemand. De straf evenmin. Omdat de rechters niemands handen met de dood van de beklaagde willen besmeuren, zelfs een beul niet, dwingen zij hem de gifbeker te drinken. Vijf verschillende personen voegen de ingrediënten toe, een zesde mengt ze, niemand is volledig schuldig, dus is niemand schuldig.

Op de website voor vliegtickets laat ik de cursor twijfelen tussen twee bestemmingen: Buenos Aires of Amsterdam. Ik mis het thuisfront, maar ik ben al zo lang weg, dat een weekje langer er ook nog wel bij kan.
Ik bel F.
Ze zegt dat ik het moet doen: een afscheid op mijn eigen voorwaarden. Ik ben het helemaal met haar eens, ik ga naar Nederland, ik wil weten hoe het is. Een weekje maar, hooguit.
Maar de volgende ochtend boek ik toch een vlucht naar Argentinië. Het lijkt wel alsof ik er ’s nachts in mijn slaap over ben blijven nadenken, want bij het ontwaken was het me ineens volkomen helder: er valt daar in Nederland niets voor mij te halen.
Al zouden honderden gebouwen die ik ken nog overeind staan, mijn Amsterdam is hoe dan ook een ruïne. Het wordt misschien eens tijd te erkennen dat ik nergens ter wereld thuishoor behalve daar waar mijn geliefden zijn, en dat dat misschien wel voor alle mensen geldt, dat het allereerste begin van een oplossing van de almaar terugkerende oorlog, de altijd op de loer liggende discriminatie, de nooit uit te sluiten genocide, dit is: te aanvaarden dat er op deze hele planeet geen kubieke micrometer bestaat die wij met goed fatsoen de onze kunnen noemen.

‘Hoe is het met Iveta? Gaat ze al bijna dood?’
Het is Pavel, de buurjongen. Hij knippert met zijn ogen, te vaak en te overdreven, alsof hij steeds foto’s van zijn omgeving maakt. Er zit geen rem op, weet Jaroslav inmiddels. Dat maakt zijn onbesuisde vragen iets makkelijker te verdragen.
‘Goedenavond, Pavel. Mooie sloffen.’
‘Berenklauwen. Grizzly. Dat staat erin. Heb ik van mama gehad. Werksloffen.’
‘Handig. Was je op zolder bezig?’
‘Ik heb een schietstoel gekocht.’
Pavel wiegt heen en weer met zijn bovenlijf, afwachtend, kwispelend haast. De rits van zijn paarse ski-jack gaat omlaag, omhoog, omlaag, omhoog, zzzip, zzzip.
‘Een schietstoel?’

Lees hier de PDF (135.7 kb) van het deel dat in het nummer verscheen – en gratis het volledige verhaal. Ons geschenk aan u, een goede reden om u te abonneren of een los nummer aan te schaffen.

‘Ik heb het helemaal uitgemeten. Het kan. Ik ben er nu mee bezig. Top secret. Dat is Amerikaans. Staat op alle geheime documenten. Mama mag er niks van weten. Hij komt uit een MiG-29. Dat staat er niet op, maar ik zag het meteen. Hij kwam in delen. Ik heb steeds een stuk naar boven gebracht. Toen Iveta in het ziekenhuis lag. Ik mocht u niet storen, zei mama. Maar nu is het zover. Heeft u weleens zoiets in elkaar gezet, ingenieur Formánek?’
‘Moet je niet naar bed, Pavel?’
‘De assemblage is niet het moeilijkst. Assemblage? Spreek ik het goed uit zo? Dat is toch een woord?’
‘Ja, dat is een woord: assemblage, montage, iets in elkaar zetten.’
‘Weet u wat het moeilijkst is?’
‘Nou?’
‘Het kiezen van het juiste kosmische pad. De positionering en de baan. Alle banen leiden naar de Geestenzon, maar welke zal Iveta kiezen?’
Weer proeft Pavel iedere klinker van haar naam, als ware het een onbekend gerecht. Hij vind het een eer dat hij de buurvrouw bij haar voornaam mag noemen. Inmiddels weet hij ook alles over Iveta’s kanker: waarom deze vorm zo dodelijk is, dat ze naar Praag zijn verhuisd zodat ze de beste medische zorg krijgt, de behandelingsprocedure, het slagingspercentage, de kosten. Over de oorzaak heeft hij ook een theorie: het kwam doordat ze in Trebíc hadden gewoond, te dicht bij de kernreactor in Dukovany, waar Jaroslav als ingenieur werkte.

Dat had diepe indruk gemaakt, vertelde buurman Procházka toen hij met zijn vrouw langskwam om kennis te maken, een paar maanden daarvoor. Het stel speelde een potje tennis met hun zoon als bal. Aan een kant van het net stond een goedmoedige beer, aan de andere kant een vermoeide gans.
‘Pavel heeft grote bewondering voor ingenieurs.’
‘Hij durfde niet mee.’
‘Pavel is dol op technologie.’
‘Hij heeft moeite met nieuwe dingen.’
‘Pavel had een nauwe band met mevrouw Krejzlová, de vorige bewoonster.’
‘Hij is bang voor uw huis. Iedereen sterft daar, zegt hij.’
‘Pavel maakte thee en soep voor mevrouw Krejzlová. Ze hebben samen nog een puzzel afgemaakt de dag voordat ze stierf.’
‘Hij wil hier niet over de vloer komen.’
‘Pavel heeft als dank een kleine erfenis ontvangen van haar familie. Die beheer ik voor hem.’
‘Hij is kwetsbaar, een kind.’
‘Weet u wat Pavel als eerste kocht?’
‘Hij haalt overal tijdschriften vandaan.’
‘Een tweedehandscomputer!’ riep de buurman. ‘Pavel is best slim, hoor. Hij weet inmiddels hoe je alles naar het Tsjechisch kunt vertalen. En hij leert steeds meer woorden in het Duits en Engels.’
‘Hij praat soms een beetje vreemd.’
‘Pavel is niet gek. Hij is speciaal.’

Zo kwam Jaroslav in korte tijd veel te weten over Pavel. Dat hij drieëntwintig was, dat hij leed aan een soort autisme, dat er geen geschikte school was geweest, dat hij zes of zeven privéleraren had versleten, dat hij vaak over straat doolde, dat hij ’s nachts vele uren in zijn werkkamertje op zolder doorbracht, dat er steeds meer was dat zijn ouders niet wisten. Zoveel werd duidelijk toen Pavel voor het eerst aanklopte om advies te vragen over de Rotalitnev.
Toen Jaroslav opendeed, sprong de jongen naar achteren en wreef heel hard en snel met beide handen door zijn bloempotkapsel, alsof hij zichzelf van een luizenplaag wilde ontdoen. Toen fluisterde hij: ‘Stop! Stop! Ik durf dit. Ik durf dit. Vragen! Nu vragen!’
‘Wat wil je vragen, Pavel?’ lachte Jaroslav.
‘U bent ingenieur, zegt papa. Klopt dat?’
‘Dat klopt inderdaad,’ zei Jaroslav.
Pavel leek door zijn knieën te willen zakken. Op zijn gezicht verscheen een gelukzalige blik van bewondering, die Jaroslav zowel hartverwarmend als angstaanjagend vond, alsof hij per ongeluk voor heilige werd aangezien en niet bij machte zou zijn om deze vergissing recht te zetten.
‘U kunt mij helpen,’ zei Pavel opgelucht. ‘Ik moet een Rotalitnev bouwen.’
‘Een wat?’ vroeg Jaroslav.
‘Een omgekeerde ventilator. Een noodstroomaggregaat. Zeg ik het goed zo: noodstroomaggregaat? De molens heb ik al. Vijftien. Verschillende weliswaar, maar toch. Die heb ik omgekeerd, maar er komt geen stroom uit.’
Gefascineerd door de overtuiging waarmee Pavel zijn verhaal deed was Jaroslav hem naar zijn zolderkamer gevolgd. Bij de deur moest hij zich even omdraaien zodat Pavel een ‘geheime code kon doorseinen’. Jaroslav moest ook beloven dat hij niemand zou vertellen wat hij zou aantreffen. Dat deed hij plechtig en trad toen binnen in een verbijsterend universum waarin een onnavolgbare geest alles met alles leek te willen verbinden. De muren en het schuine dak waren beplakt met foto’s die Pavel uit tijdschriften had gescheurd en in collages had gegroepeerd. Zo was er een ‘raam’ van ongeveer één bij twee meter dat volledig beplakt was met verscheurde foto’s van vuur. Op deze papieren hellepoort had Pavel teksten geplakt, die bestonden uit letters die hij uit krantenkoppen had geknipt, waardoor er een hersen-tartend losgeldbriefje ontstond:

Het Pad Der Magnetisch Logoïsme
Poort Naar De Brandende Grond
Van de Derde en Vierde Hiërarchie
Gedreven Door Gemini en Hitteritme
DOEL! Stromende Snelwijsheid in Lichtbewustzijn!

Naarmate hij langer naar de collages keek ontwaarde Jaroslav steeds meer ‘poorten’, die bestonden uit snippers bomen en planten die in rijke schakeringen groen in elkaar overgroeiden; rivieren, watervallen, gladgetrokken zeeën en woeste golven die over elkaar heen buitelden; dieren, draken en andere mythische beesten die elkaar verdrongen; mensengezichten van allerlei kleuren, die lachend, huilend, gillend en starend in een krankzinnige groepsfoto bijeen waren geplakt. En steeds weer werden de poorten geduid met hermetische teksten waar Jaroslav geen raad mee wist.
‘U mag niet te lang kijken, ingenieur Formánek,’ zei Pavel.
‘Waarom niet?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij zette het zolderraam open. ‘Dit is mijn noodstroomaggregaat.’
In de goot stonden vijftien oude tafelventilatoren met hun voeten in het regenwater. Er liepen witte snoeren door het water naar een gat in de muur onder het raam. Binnen lagen de snoeren als een dik touw samengebonden op de vloer. De koperen eindjes van alle blauwe en bruine draadjes waren met kroonsteentjes aan elkaar verbonden.
‘Deze moet branden,’ zei Pavel, wijzend op een houten constructie waarop een gloeilamp met fitting was gemonteerd.
‘Waarom gebruik je niet gewoon het stopcontact?’ vroeg Jaroslav.
‘Vijftien – dat moet toch voldoende zijn,’ zei Pavel.
‘Wat wil je precies?’
‘Het luik moet zelfredzaam kunnen openen.’
‘Welk luik?’
‘De Brandende Grond. Kijk.’
Pavel rolde een tekening open op zijn werktafel. Daarop stond een simpele schets van de zolderkamer en het schuine dak, waarop de openstaande koepel van een straaljager leek te zijn gemonteerd.
‘En dat wil je op het dak monteren?’ vroeg Jaroslav.
‘Het luik moet zelfredzaam openen. Dat is het hoofdattribuut van het Eerste Pad van Sirius: Zelfredzaamheid. Dat wil zeggen: op eigen kracht, anders ontstaan er afwijkingen in de ritme-warmte-energie-constellatie.’
‘Is dat een straaljagerkoepel?’ vroeg Jaroslav.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij liep naar een hoek van de zolder, waar een nijlpaard onder een zeil leek te slapen. Hij kneep twee stevige klemmen los, tilde het zeil op en begon te ratelen als een telex:
‘Mikojan-Goerevitsj-25… Dat is een straaljager. Mensen schrijven vaak MIG, met alles in hoofdletters, maar dat klopt niet. Het is grote M, kleine i, grote G, want de M en de i zijn de eerste letters van Mikojan, en de G is van Goerevitsj… Mach 3,2 haalt-ie in duikvlucht… Dat is om en nabij de 3.600 kilometer per uur. Dat is ontzettend snel, maar ons lichtschip is nog veel sneller… Dit is doorzichtig acryl en aluminium… Je komt er niet doorheen met een hamer. Probeer maar. De plofscharnieren zaten er niet bij, maar ik heb hier een elektromotor van een fabriekshek. Daar wip je ’m zo mee open.’
‘Heb jij dat erop geplakt?’ vroeg Jaroslav, wijzend op de knipselcollage op de binnenzijde van de straaljagerkoepel.
‘Kijk,’ zei Pavel en hij maakte de koepel open. De binnenkant was bedekt met een collage van verscheurde vuurprenten. Hij liet de koepel met een dreun vallen en liep naar de vuurpoort bij het schuine dak. ‘Hier moet hij komen. Vuur bij vuur! Kosmische camouflage!’
‘Maar de buitenkant blijf je zien,’ zei Jaroslav.
‘Wat is de kleur van het dak?’ riep Pavel.
‘Dakpan-oranje?’ probeerde Jaroslav.
‘Heb ik! Daar!’ riep Pavel en hij wees naar een pot verf. ‘U bent zo slim, ingenieur Formánek, zo slim! U mag me helpen. Deze elektromotor komt later bij dat peertje! Dat mag u doen!’
‘Weet je het zeker?’ lachte Jaroslav.
‘Ja!’ riep Pavel. ‘Ik vertrouw op uw gezag. U krijgt van mij de code en uw eigen sleutelbos. Dan kunt u komen wanneer u wilt!’

Ze spraken af dat Jaroslav zijn technische vernuft zou bijdragen en dat Pavel in ruil daarvoor beneden een oogje in het zeil zou houden, als Iveta alleen was. Daarna waren ze meteen naar het appartement gelopen zodat Pavel kennis kon maken met de buurvrouw. Terwijl ze de trap afdaalden werd Jaroslav achtervolgd door een storm vragen van Pavel, die zich probeerde voor te bereiden op de ontmoeting. ‘Ze ligt dus de hele dag op bed? Als een koningin? Maar ze is ziek? Hoe ziet ze eruit? Is ze liefelijk? Moet ze niet plassen en poepen? Eet ze gewoon eten? Wat drinkt ze het liefst? Drinkt ze thee? Ik kan thee maken, en soep. Heeft ze wel eens Coca-Cola gedronken? Dat is lekker, maar heel slecht voor je tanden. Heeft ze nog wel tanden?’
Bij de voordeur viel hij stil. ‘Ik durf dit,’ zei hij weer zachtjes tegen zichzelf. ‘Ik durf dit.’
Jaroslav fluisterde dat ze zachtjes naar binnen moesten gaan omdat Iveta misschien al sliep. Pavel knikte langzaam met grote knipperende kinderogen, alsof hij uitleg kreeg over het protocol voor een bezoek aan de kerstman. Samen slopen ze door de gang naar de slaapkamer. Iveta lag te lezen en hoorde hen aankomen. Wat volgde was een van de meest wonderbaarlijke ontmoetingen die Jaroslav ooit had meegemaakt. Later zou hij er nog vaak aan terugdenken om de weemoed te verdrijven.
‘U bent het,’ zei Pavel zachtjes. Hij bleef aan het voeteneinde staan, durfde niet dichterbij te komen.
Iveta glimlachte, legde haar boek neer, keek Jaroslav lachend aan en antwoordde toen zonder enige bevreemding over deze ongewone opening: ‘Ja, ik ben het, Iveta.’
‘U bent de liefde,’ vervolgde Pavel.
‘Ik hoop van wel,’ lachte ze.
‘U bent de koningin van ingenieur Formánek.’
‘Is dat zo?’ zei ze en keek Jaroslav lachend aan.
‘Maar u gaat dood.’
‘Ja,’ antwoordde Iveta. ‘Maar dat gaan we allemaal. En ik leef nu nog.’
‘Dan gaat u verder,’ zei Pavel.
‘Ja, waarschijnlijk wel,’ lachte Iveta.
‘Ik ga voor u zorgen,’ zei Pavel. ‘Dat mag van ingenieur Formánek.’
‘Dat lijkt me fijn.’
‘Alleen als ik de deur uit ben,’ voegde Jaroslav snel toe.
‘Ik voel u zoeken,’ zei Pavel.
‘Zoeken?’ zei Iveta.
‘Ik kan u helpen zoeken naar het juiste pad. Ik voel u zoeken.’
‘O, graag,’ zei Iveta. ‘Ik ben heel slecht in zoeken, toch, Jaroslav?’
‘Ja, dat is wel een beetje waar,’ lachte Jaroslav.
‘Ik ben heel goed in zoeken,’ riep Pavel. ‘Ik vind altijd alles. Ik weet waar alles is!’
‘Dat lijkt me heel handig,’ zei Iveta.
‘Zullen we kijken of het te horen is als je op de muur klopt met je stok?’ zei Jaroslav.
‘U ziet eruit als een heel mooi vogeltje,’ zei Pavel.
‘Wat lief dat je dat zegt,’ zei Iveta.
‘Een ziek en mager vogeltje,’ zei Pavel.
‘Kom mee,’ lachte Jaroslav. ‘We gaan even luisteren.’
‘Ik kom terug om voor u te zorgen, Iveta, vogelkoningin,’ zei Pavel, maar hij deinsde terug voor Iveta’s uitgestoken hand. ‘Nee, ik mag u niet aanraken, want dan wordt u misschien uit uw nest gestoten. Dat wil ik niet.’
‘Je hebt gelijk,’ lachte Iveta. ‘Dat zou heel vervelend zijn.’
‘Ik ga nu met ingenieur Formánek mee, maar ik weet zeker dat ik u hoor, want ik luister niet met mijn oren. Dat zei mevrouw Krejzlová altijd: jij luistert niet, maar hoort alles. Zij is hier ook doodgegaan. Maar jou ga ik redden.’

Bij de deur van het appartement had Pavel een sleutelbos als een rinkelende zilveren vuist uit zijn zak gehaald. Zonder aarzeling viste de jongen de juiste sleutel ertussenuit en maakte de deur open.
‘Daar kun je een hoop deuren mee openen,’ zei Jaroslav.
‘Precies! Maar ik ken pas drie van de sloten. De rest moet ik nog zoeken,’ antwoordde Pavel en schakelde het licht in de hal aan. ‘Dit is waar ik woon. Mama en papa slapen daar, aan het eind van die gang. Mijn kamer is daarnaast. Mijn slaapkamer, want daar slaap ik alleen. Je hebt mijn échte kamer gezien. En dit is onze woonkamer.’
‘Prachtig,’ zei Jaroslav en bleef even staan voor een vitrinekast met Boheems glaswerk.
‘Zeer kwetsbaar. Van mijn moeder. Mag ik allemaal schoonmaken. Elke dinsdag. Afstoffen met een droge doek. Geen reinigingsmiddelen. Daar kunnen ze niet tegen. Deze zijn het moeilijkst,’ zei Pavel, wijzend op een zwerm kristallen vogeltjes. ‘Daar ben ik twintig minuten mee bezig.’
‘Schitterend,’ zei Jaroslav.
‘En dit is Het Orakel Lenovo,’ zei Pavel wijzend op het scherm en toetsenbord dat op een bureau in de hoek stonden. ‘Zijn hart en hersens staan hieronder,’ zei hij en wees op de processor onder het bureau.
‘Het Orakel Lenovo?’ lachte Jaroslav.
‘Al uw vragen kan hij beantwoorden, ingenieur Formánek,’ zei Pavel. ‘Stelt u maar een vraag.’
‘In het Tsjechisch?’
‘Natuurlijk! Gogol vertaalt het naar het Engels en Gogol zoekt het in het Engels op en vertaalt het naar het Tsjechisch! Gogol is een wonder! Een mirakel.’
‘Hoe is het weer vandaag in Trebíc?’
‘Dat is toch geen vraag? Dat wil je toch niet echt weten? Dit is een vraag: welke weg moet ik kiezen?’ riep Pavel en typte de woorden in in het vertaalprogramma, daarna kopieerde hij de vertaling en plakte die in het zoekprogramma. ‘Hier! 638.000 antwoorden heeft Gogol. Daar moet de waarheid tussen zitten!’
‘Maar hoe weet je welk antwoord de waarheid is?’ vroeg Jaroslav.
Pavel keek hem verbijsterd aan: ‘Dat voel je toch, ingenieur Formánek! Dat voel je gewoon. Noorwegen bijvoorbeeld!’
‘Noorwegen?’
‘Dat is een land in het Hoge Noorden. Daar is hij wedergekomen. Dat is toch een woord: wedergekomen? Ik voelde het al, wist dat het waar was, maar las er gisteren pas over.’
‘Wie is wedergekomen?’
‘Waar zou hij heen gaan? Dat vraag ik me steeds af: waarheen? Ik hoor Iveta!’
Pas toen ze bij de muur stonden hoorde Jaroslav zijn vrouw lichtjes tegen de muur kloppen. ‘Jij hebt een heel goed gehoor, Pavel!’
‘Ik luister niet. Je moet niet luisteren, je moet voelen!’

Zo werd Jaroslav Formánek figurant in een fantastisch avontuur, dat des te magischer was omdat er rationeel geen touw aan vast te knopen viel. Een schitterende ontsnappingstunnel onder de zware last van Iveta’s ziekte vandaan, waarin hij zijn verantwoordelijkheid niet hoefde te veronachtzamen, maar toch zijn zinnen kon verzetten. Zonder aarzeling besloot hij er alles aan te doen om te zorgen dat Pavels imaginaire universum niet van echt te onderscheiden zou zijn. Dit voornemen werd later nog beklonken met een belofte aan Pavels vader, die op de zolderdeur klopte toen Jaroslav bezig was met de Rotalitnev.
Hij had Pavel naar beneden gestuurd om op Iveta te passen, zodat hij in alle rust de bedrading van de kansloze uitvinding kon fingeren. Jaroslav had de jongen ervan weten te overtuigen dat ze een auto-accu nodig hadden, die door de draaiende ventilatoren opgeladen zou worden. De accu stond in een houten constructie die de ingenieur zelf in elkaar had geschroefd. Er zat een oude elektriciteitsmeter op gemonteerd, naast het binnenwerk van een afgedankte transistorradio. Die twee zaten er voor de sier, want de accu werd opgeladen via een adapter die onder de vloer door verbonden was met het dichtstbijzijnde stopcontact.
Jaroslav was net de versplinterde zijde van de gelichte plank aan het wegwerken met bruine schoenpoets toen er zacht op de deur werd geklopt.
‘Ingenieur Formánek?’ sprak een doorrookte stem, die Jaroslav meteen herkende als die van zijn buurman. ‘Ik weet dat u daar bent, ingenieur Formánek. Mag ik u even spreken?’
‘Een moment,’ zei Jaroslav. Hij stopte de poetsdoek weg in de zak van zijn overall, zette zijn gereedschapskist op de beschadigde plank en blies de schrik in drie lange halen uit.
Toen Jaroslav de deur opende werd hij weer verrast door het postuur van de buurman, als een langgerekte bassnaar die een sonoor geluid voortbracht: ‘U bent Pavel aan het helpen, ingenieur Formánek, dat is aardig van u.’
‘Wilt u even binnen komen, buurman Procházka ?’ vroeg Jaroslav.
‘Dat mag eigenlijk niet van Pavel,’ antwoordde de buurman en overtrad meteen de regel. Hoofdschuddend bekeek hij de zolder en gromde steeds: ‘Verbijsterend.’ Hij tuurde lange tijd naar de hermetische teksten en zei toen: ‘Vindt u dit niet beangstigend, ingenieur Formánek? Heeft u enig idee wat hij van plan is?’
‘Niet precies. Daar probeer ik nu achter te komen.’
‘Dat is fijn. Het zijn wilde plannen. Vreemde plannen.’
‘Ja.’
‘Hij wil springstof kopen.’
‘Echt?’
‘Dat heb ik gehoord van een kennis.’
‘Hoe komt hij daar dan aan?’
‘Pavel is heel vindingrijk.’
‘Inderdaad. Maar hoe gaat hij dat betalen?’
‘Van zijn erfenis,’ zei de buurman.
‘Misschien moet u hem geen geld geven,’ zei Jaroslav.
‘U heeft helemaal gelijk, ingenieur Formánek. Maar ik moet wel, anders gaat hij bedelen.’
‘Bedelen?’
‘Hij ziet het zelf niet als bedelen. Hij is gewend dat hij thuis geld krijgt als hij erom vraagt. Als we dat weigeren vindt hij het normaal om het aan andere mensen te vragen. Dat doet hij zonder schroom.’
Jaroslav lachte.
‘Vindt u dat grappig, ingenieur Formánek?’
‘Nee, het is eerder ontroerend. Ik wil proberen uw zoon te behoeden voor ongelukken, meneer Procházka. Dat lukt het best als ik hem hiermee help.’
‘Dat is heel aardig van u, maar heeft u daar wel tijd voor? Uw vrouw is ernstig ziek.’
‘Dat klopt, maar ik heb wel wat loze uurtjes te besteden. Ik help Pavel en houd u op de hoogte, goed?
‘Dat is bijzonder aardig van u, ingenieur Formánek! Hartelijk dank!’
Zo was Jaroslav steeds verder verstrikt geraakt in Pavels kosmische plan. En nu staat de jongen voor de deur te verkondigen dat hij een schietstoel heeft gekocht.

‘Mag ik een bel bij u installeren?’ vraagt Pavel.
‘Een bel?’ fluistert Jaroslav.
‘Mag ik Iveta even zien?’
‘Ze ligt te slapen, Pavel.’
‘Ik zal sluipen.’
Jaroslav moet lachen hoe Pavel met zijn schitterende sloffen een sluipende grizzly nadoet. ‘Kom maar even binnen. Wat wil je eigenlijk precies doen?’
‘Uw huis ruikt vreemd,’ fluistert Pavel.
Hij sluipt door de gang naar de slaapkamer en gaat naast het bed staan. Jaroslav kijkt toe vanaf de deur. Iveta ligt onder het dekbed met haar rug naar hen toe. Pavel buigt zich voorover, maar stopt meteen als Jaroslav vermanend pss-pss-pss doet. De jongen spreid zijn armen in de lucht, alsof hij Iveta’s afmetingen opneemt, maakt rollende bewegingen met zijn beide handen, alsof hij Iveta in gedachten inzwachtelt. Hij verstart als hij Jaroslavs hand op zijn rug voelt. Pavel legt zijn vinger op zijn lippen en wijst naar het plafond, trekt vervolgens een neerwaartse lijn in de lucht en fluistert met malende lippen: ‘Bel voor Iveta.’
Bij de voordeur zegt hij: ‘Ik ga haar redden als het zover is.’
‘Dat is aardig van je, Pavel.’
‘Ik heb de astrale paden nu allemaal in kaart gebracht.’
‘Wat fijn.’
‘Ik ken nu de coördinaten, maar dat is blijkbaar hetzelfde als weten op welk spoor de trein zal passeren zonder te stoppen. Gelukkig beweegt deze trein langzaam, zeggen ze, dus je kunt gewoon aan boord stappen, maar dan moet je wel op het juiste moment klaarstaan.’
‘Wie zijn “ze”, Pavel?’ vraagt Jaroslav.
‘Vandaar de bel,’ roept Pavel trots.
‘De bel?’
‘Die ga ik naast Iveta’s bed installeren. Dan kunt u erop drukken als ze dood is.’
‘Pavel!’ Jaroslav blaft het woord en schrikt zelf van de galm in de gang. Hij ziet hoe de jongen terugdeinst voor het monster dat hij denkt te hebben ontketend.
Pavel maakt sussende bewegingen met zijn handen, alsof hij een enthousiaste hond probeert af te weren: ‘Alleen het knopje, alleen het knopje, u mag het zelf installeren!’
Jaroslav voelt hoe de ontroering zijn woede overwint: ‘Excuses voor mijn uitbarsting, Pavel, maar het zijn zware tijden…’
‘Morfine!’ roept Pavel als een eureka. ‘Iveta heeft morfine nodig. Dan heeft ze geen pijn meer.’
‘Ja,’ glimlacht Jaroslav bedroefd, ‘misschien is dat wel beter, jongen. Ik zal je helpen om de bel te installeren, maar dan moet jij eerlijk antwoord geven op mijn vraag.’
‘Natuurlijk, ingenieur Formánek,’ fluistert Pavel, ‘wij zijn als kosmonauten die in dezelfde raket zitten!’
‘Precies,’ zegt Jaroslav. ‘Dit is mijn vraag: ben jij springstof aan het kopen? En weet je hoe gevaarlijk dat is?’
‘Dat zijn twee vragen, en ik ken beide antwoorden. Ja en ja,’ fluistert Pavel. ‘Semtex blaast met gemak je hele hand eraf!’
‘Absoluut!’ zegt Jaroslav. ‘Daarom moet je het niet kopen. Waar wil je het eigenlijk voor gebruiken?’
Pavel komt zo dichtbij dat Jaroslav de pekelworst in zijn adem kan ruiken. ‘Voor de schietstoel en de koepel.’
‘Daar is semtex helemaal niet voor geschikt, Pavel. Dan blaas je een gat in de vloer en gaat alles in de fik. Dat wil je toch niet?’
‘Nee!’ zegt Pavel met grote ogen. ‘Dat mag niet gebeuren. Maar wat dan? Hoe moet ik me lanceren?’
‘Dat ga ik voor je regelen. Maak je geen zorgen.’

Niet lang daarna verslechtert Iveta’s gezondheid abrupt, precies zoals de artsen hebben voorspeld. Binnen een paar dagen kan ze niet meer zelfstandig staan en kort daarna wordt haar ruggenmerg door de kanker versteend, waardoor ze alleen nog plat op bed kan liggen, turend naar het plafond, licht draaiend met haar hoofd, alsof ze de beul zoekt die haar martelt. Steeds vaker denkt Jaroslav aan Pavels eureka: ‘Morfine!’
‘Uw vrouw heeft nu constante zorg nodig,’ zegt de sympathieke dokter, die Jaroslav meeneemt naar de keuken om Iveta te vrijwaren van haar prognose. ‘We kunnen nu alleen nog haar lijden verlichten. Dat kunt u niet alleen, dag in, dag uit, wie weet hoelang nog. Straks krijgt ze niks meer naar binnen en laat ze alles lopen. Kunt u haar dan nog voeden en verschonen?’
Als de ambulancebroeders Iveta op een rammelende brancard over de gang duwen barst de deur bij de buren open. ‘Waar gaat Iveta heen, ingenieur Formánek?’ roept Pavel. ‘Waar nemen ze haar naartoe? Zo kan ik haar niet redden!’
Jaroslav belooft Pavel dat ze binnenkort samen naar het ziekenhuis zullen gaan om Iveta op te zoeken. Maar dit stelt Pavel niet gerust. Pas als Jaroslav vertelt dat hij alles op alles zal zetten om ervoor te zorgen dat Iveta thuis mag sterven, valt de jongen bijna flauw van opluchting. Hij leunt met zijn rug tegen de muur, slaat zijn handen voor zijn gezicht en hijgt luid tussen zijn vingers door. ‘We spreken elkaar snel,’ roept Jaroslav en haast zich achter de brancard aan.

Als Jaroslav later thuiskomt vliegt de deur bij de buren meteen weer open. ‘Ik heb hier uren zitten wachten,’ zegt Pavel en wijst op een stoel die in het halletje staat. ‘Ik denk dat het kan! Maar we moeten dan wel de lanceerhoek aanpassen en ik moet natuurlijk de exacte coördinaten hebben van het bed waar Iveta in gaat sterven.’
‘Waarom, Pavel?’
‘Het lichaam is een wiekel,’
‘Bedoel je een vehikel?’
‘Ja! Een Volkswagen! U rijdt toch in een Volkswagen?’
‘Ja.’
‘Maar u bent die Volkswagen niet!’
‘Nee.’
‘U zou ook in een andere auto kunnen rijden.’
‘Inderdaad.’
‘Zo is het ook met de ziel. Die kan ook in een andere auto rijden, een ander lichaam. Maar dan moet je wel op tijd zijn. Anders ontlaadt de energie zich en wordt het toegevoegd aan het collectieve, het kosmische universele. Snapt u?’
‘Ik denk het.’
‘Daarom moet ik het kosmische pad zo goed mogelijk kruisen. Daarom moet ik de coördinaten van het bed kennen. Daarom!’
‘Ze wil thuis sterven, Pavel, dat had ik toch gezegd?’
‘Mag ik morgen mee naar het ziekenhuis?’
‘Natuurlijk. Ik vertrek om 10 uur.’
‘Dan sta ik klaar!’

In de auto praat Pavel aan één stuk door, alsof hij steeds zijn eigen coördinaten wil vaststellen. De tram is zijn leidraad. Onderweg benoemt hij alle haltes. Tussendoor leest hij de namen van de winkels, banken en andere zaken die ze passeren. Soms vertelt hij ook wie er werken en wat ze daar doen, alsof hij de sociale geografie van de buurt in kaart heeft gebracht.
Naarmate ze op minder bekend terrein komen valt hij stil, friemelt met zijn kleding, woelt door zijn haar, draait het raam open of dicht, gaat steeds verzitten alsof er een muis in zijn broek is gekropen.
Om hem af te leiden vraagt Jaroslav: ‘Hoe ga je Iveta’s ziel precies vangen, Pavel?’
‘Met een banaan, ingenieur Formánek,’ antwoordt hij prompt.
Jaroslav kucht zijn lachbui weg.
‘Een groene,’ voegt Pavel toe.
‘Waarom een groene?’
Pavel kijkt Jaroslav vol ongeloof aan. ‘Anders kun je niet zien wanneer hij rijp is.’
‘Maar hij is toch groen?’
‘Zodra de ziel in de banaan zit is hij rijp. Dan kunt u hem opeten om de ziel tot u te nemen.’
‘Ik?’ zegt Jaroslav.
‘Natuurlijk! Er is meer dan genoeg ruimte in u voor twee zielen, ingenieur Formánek. Dan heeft u Iveta voor altijd bij u. En als u bang bent voor een tweede ziel, dan eet ik de banaan op. Dat durf ik.’
Jaroslav voelt zijn ogen prikken en mompelt: ‘Je bent een lieve jongen, Pavel.’
‘Ik heb kennis!’ roept Pavel trots.
‘Inderdaad,’ lacht Jaroslav.

In het ziekenhuis voelt Pavel zich duidelijk niet op zijn gemak. Hij schrikt van ieder onbekend geluid en fluistert steeds vragen die Jaroslav moeilijk kan beantwoorden. Uiteindelijk grijpt hij Jaroslavs hand en loopt dicht tegen hem aan naar de kamer waar Iveta ligt. Als hij haar ziet, zucht hij diep en slaat zijn hand voor zijn mond: ‘U bent bijna doorzichtig, Iveta.’
Ze lacht vermoeid en fluistert. ‘Maar jij ziet me toch, Pavel.’
‘U bent als een kwalletje!’
Jaroslav hikt van de lach en Iveta’s giechel mondt uit in een hoestbui. Een zuster roept de bezoekers tot de orde.
‘Geen grappen meer,’ grinnikt Jaroslav.
‘Hoe voelt u zich, Iveta?’ vraagt Pavel. ‘Gaat u nu al bijna dood?’
‘Dat zou wel fijn zijn.’
‘Ze is heel moe,’ zegt Jaroslav. ‘En ze heeft veel pijn.’
‘Maar straks niet meer,’ zegt Pavel. ‘Dan gaat uw lichaam slapen. Dan kan uw vehikel naar de sloperij. Maar dan hebben wij uw ziel nog.’
‘Echt waar?’ lacht Iveta.
‘In een banaan,’ zegt Jaroslav.
‘Wat zeg je nu, Jaroslav?’ zegt Iveta.
‘Pavel gaat jouw ziel vangen in een banaan. En dan ga ik die opeten.’
‘Wat wonderlijk,’ zegt Iveta. ‘Dan zit ik in jou.’
‘Precies!’ roept Pavel. ‘Dat is het precies, Iveta!’
‘Dat lijkt me heerlijk.’
‘Pavel is bang dat je hier zult sterven,’ zegt Jaroslav.
‘Nou, alsjeblieft niet,’ zegt Iveta. ‘Ik kom gewoon naar huis hoor.’
Pavel knikt tevreden. ‘Ik zal iedere ochtend een groene banaan kopen.’

Diezelfde avond wordt er rond elven zachtjes op Jaroslavs deur geklopt. Hij staat zijn tanden te poetsen en denkt eerst dat hij een raam hoort dat schudt in de wind. Maar als hij zijn tandenborstel tussen wang en kies klemt komt het kloppen duidelijk door. Hij vermoed dat het Pavel is, maar er is geen coderitme. De klopper weet dat Jaroslav thuis is, want hij klopt een vierde en daarna een vijfde keer, steeds urgenter.
Buurman Procházka zucht opgelucht als Jaroslav de deur opent en begint meteen bezorgd te grommen: ‘Pavel heeft zijn vliegenierspak aan, ingenieur Formánek. Hij slaapt in zijn vliegenierspak, snapt u? Hij heeft het aan in bed. Ik weet dat uw vrouw ernstig ziek is en ik wil u niet lastigvallen, maar ik zou heel graag willen weten hoe het met de voorbereidingen gaat.’
‘Ze verlopen voorspoedig, buurman,’ antwoord Jaroslav voorzichtig.
‘Dat is goed om te horen. Ik…’ de buurman zoekt de juiste woorden.
Jaroslav besluit hem te helpen. ‘Wilt u zien waar we mee bezig zijn, buurman? Ik zou uw hulp goed kunnen gebruiken. Misschien kunnen we dat nu even bespreken?’
De magere beer klapt opgelucht in zijn handen en gromt zijn dank uit. ‘Dat zou ik erg prettig vinden, ingenieur Formánek!’
‘Prima,’ zegt Jaroslav en pakt de sleutelbos die Pavel met zo veel zorg voor hem had samengesteld.
Samen lopen ze zwijgend de trap op naar de zolder. Aangekomen bij de deur steekt Jaroslav zonder aarzeling de juiste sleutel in het slot.
‘De code! Niet draaien!’ roept de buurman, wijzend op Pavels handgeschreven waarschuwingsbord: Gevaar Hoogspanning!
Jaroslav glimlacht. ‘Toetst u maar een code in.’
‘Maar die ken ik niet,’ zegt de buurman.
‘Ik ook niet,’ lacht Jaroslav en toetst een willekeurige combinatie in. Na het vierde cijfer komt er een hoge pieptoon uit de deurvergrendeling. ‘Een vervelend geluid, maar niet dodelijk,’ zegt Jaroslav terwijl hij de sleutel in het slot draait.
‘Mijn hemel,’ zegt de buurman als hij de schietstoel ziet. ‘Wat zijn jullie allemaal van plan?’
Terwijl Jaroslav uitlegt hoe alles is ingericht om Pavels fantasie te vervolmaken prevelt de buurman beurtelings ‘verbijsterend’, ‘wat een wonderlijk idee’ en ‘hoe kan ik u ooit bedanken’.
‘Bent u bereid mij hiermee te helpen, buurman?’ vraagt Jaroslav als hij zijn plan volledig heeft uitgelegd.
‘Jazeker,’ zegt de buurman. ‘Maar bent u wel in staat op de belknop te drukken als het moment daar is? Verdriet kan verlammend zijn, weet ik uit ervaring.’
‘Ik waardeer uw bezorgdheid, buurman, maar tegen die tijd heb ik allang afscheid genomen van de echte Iveta. Dan rest alleen nog een lichaam dat uit zijn lijden verlost wil worden.’

Niets blijkt minder waar. Door een sluier van tranen zoekt Jaroslav naar de oppervlakkige aderen in Iveta’s skelettenarmpjes, plakt één voor één de morfinepleisters op conform de instructies van de arts. Daarna kruipt hij naast zijn stervende vrouw in bed zodat ze haar laatste adem in zijn armen kan uitblazen. Pas als Iveta’s darmen zich ontdoen van hun laatste groet beseft Jaroslav dat hij al meer dan een uur heeft liggen huilen. Boven zit Pavel in zijn vliegenierspak op zijn teken te wachten.
Jaroslav drukt op de belknop en hoort vrijwel direct de doffe dreun van de rookbom die hij onder de schietstoel heeft bevestigd. Als alles volgens plan verloopt stroomt het bedwelmende lachgas nu sissend in het masker van Pavels pilotenhelm.
Op de gang staat buurman Procházka al te wachten met een rijpe banaan. Als hij Jaroslavs roodomrande ogen ziet omhelst hij hem en fluistert troostende woorden met zijn berenstem. Daarna lopen ze samen de trap op naar de zolder.

(Uit de roman Van kleine helden, die in mei 2017 verschijnt bij Nijgh & Van Ditmar.)

Drie nieuwe korte verhalen van Robin Kramer. Vandaag het derde verhaal: ‘Stempels’.

*

We zitten in de bus naar Auschwitz en M. vertelt dat Auschwitz de enige plaatsnaam is die Microsoft Word corrigeert als het verkeerd wordt gespeld. We knikken om zijn anekdote te erkennen, maar zijn te moe om er verder op in te gaan. De chauffeur negeert de historische context en vertelt grapjes door de microfoon. Het is pas bij de koffers met achtergebleven haren en brillen dat M.’s pupillen beginnen te groeien en hij ons met druk zegt om met hem mee te gaan naar het toilet.

Eenmaal daar moeten we de mouwen van onze truien op te stropen en naar onze polsen te kijken. Daar zien we de nummers. Een zescijferige code, bij ons allemaal identiek. ‘Dit is de stempel van die club waar we gisteren waren,’ zegt hij. ‘We kunnen hier toch niet zo rondlopen?’ We laten water en zeep over onze handen glijden en trekken de inkt met onze nagels uit de poriën. Als we ons weer aansluiten bij het gezelschap, onze polsen rood en geïrriteerd, zien we een man naast een foto van de uitgemergelde kampbewoners staan: zijn wangen naar binnen gezogen, een grinnikende fotograaf twee meter voor hem.

Na acht romans schreef Jan van Mersbergen een thriller, onder pseudoniem. Voor de Revisor hield hij bij hoe dat schrijven hem verging en laat hij de vorderingen van zijn tweede thriller zien in een nieuw schrijfdagboek. Vandaag de eerste aflevering: Het begin. Over het eerste idee voor een thriller dat hij al een tijdje had liggen en vlot contact via twitter en mail na een bericht over het eventuele daadwerkelijk schrijven van een thriller: ‘Nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij.’

*

Het begon met een reeks stukken die ik op mijn eigen site schreef over thrillers die ik gelezen had. Sommige thrillers heel goed, andere minder, en in een van die stukjes, over The Silence of the Lambs, schreef ik:

‘… steeds tijdens het lezen vroeg ik me af waarom er zo veel boeken zijn zonder die spanning. Zonder een drive of een plot, alleen maar sfeer en tekst en trage handelingen. Ik heb die boeken zelf ook geschreven, en Harris liet me de vraag stellen: Waarom zijn er boeken zonder die echte spanning die je hart sneller laat kloppen? Een vervelende vraag die mijn eigen schrijven onder de loep nam, en die The Silence of the Lambs tot een bijzondere norm maakte, iets waar ik nu gelukkig weer vanaf ben.’

Ik las die thriller in augustus 2015, tijdens een vakantie, en ik trof een spanning die heel dominant en prettig was. Een spanning die me door het boek heentrok. Ik vroeg me eigenlijk af waarom ik zelf romans had geschreven zonder die spanning. Wat blijft er dan over van een tekst? Natuurlijk wist ik dat een roman iets heel anders kan bieden en dat de lagen die onder de schijnbaar eenvoudige woorden van een roman verstopt liggen minstens zo veel spanning kunnen geven, maar dat is een andere spanning, subtieler, afstandelijker, sluipend. Deze thriller was als een goed concert: de muziek is in zo’n zaal, met een goede band, onontkoombaar. Niks smeulend en sluipend, dit boek pakt de lezer direct bij de keel. Die ervaring vond ik heel bijzonder, die ervaring dwong me een blik te werpen op mijn eigen schrijven. Vandaar die overpeinzingen.
Op mijn site publiceer ik in de vroege ochtend mijn stukjes, zo ook die dag, en nog voor half tien had ik een mailtje in mijn mailbox van een redacteur van een grote bekende thrilleruitgeverij:

‘Weet je zeker dat je er vanaf bent? Mocht je eens los willen gaan en een zinderende thriller willen schrijven, dan houden wij ons aanbevolen.’

Ik mailde terug, dezelfde ochtend nog:

‘Ik heb een idee liggen, al jaren, voor een thriller, en probeer sinds die tijd veel te lezen en te zien hoe thrillers werken en wat er gebeurt in zo’n verhaal. Ik werk nu aan een roman en daar moet ook een zekere spanning in. Als ik dat thriller-verhaal weer oppak dan denk ik aan je.’

Het mailtje was meer ingetogen dan mijn werkelijke gedachten. Die zagen er ongeveer zo uit:
ik ga een thriller maken!
Zoals ik in de mail al meldde werkte ik in de zomer en het najaar van 2015 aan mijn nieuwe roman en daar zou ik ook in de eerste helft van 2016 flink wat tijd aan moeten besteden. Mijn plan was het thrillerverhaal dat ik had voorzichtig uit te werken en wanneer de roman bij de uitgeverij lag en ik wachtte op commentaar van mijn redacteur, dan zou ik aan de thriller beginnen.
Na een volgend stukje over een thriller kreeg ik van dezelfde redacteur een mailtje: ‘Je bent nog steeds in thriller modus, niet? Ik las je Gone Girl-stukje. Heb je tijd voor een kop koffie?’
We dronken koffie op het Leidseplein en ik vertelde hem het thrillerverhaal dat ik in mijn hoofd had, zonder echt alles weg te geven – altijd is er de angst dat een ander je plan overneemt. We spraken af dat ik een eerste opzet zou sturen als ik die klaar had, ergens die winter.
Het verhaal dat ik had liggen was eenvoudig: een moeder gaat met haar zoontje en nieuwe vriend op vakantie naar de Ardennen, in een streek waar lange tijd terug een meisje vermist is. Ze vergeten de oplader van de tablet van de zoon en de jongen verveelt zich. De moeder zet een soort speurtocht uit door vanuit het vermiste meisje fictieve dagboekbriefjes te schrijven en die in de rivier te laten drijven op een plek en moment dat het zoontje ze niet kan missen. Hij vindt de briefjes en ze gaan speuren. Dat gaat heel goed, de jongen vindt het spannend, tot ze aanwijzingen tegenkomen die de moeder niet heeft uitgezet. Daar begint de werkelijke spanning, voor de personages en voor de lezer.
De verdere vragen die dit oproept had ik nog niet uitgewerkt. Eerst zou ik gaan schrijven, scènes maken, de karakters vormen, het verhaal opbouwen. De rest zou daarna wel komen.
Die winter nam ik voor het schrijven van een eerste versie van een thriller met de werktitel Dagboek uit de rivier, een titel die ik meteen in het tweede mailtje, begin september, liet vallen. Voor het eerst had ik een werktitel die het zou schoppen tot uiteindelijke titel.

Vandaag meldde Uitgeverij Querido dat Robert Anker op zeventigjarige leeftijd overleden is. Anker debuteerde in 1979 met de bundel Waar ik nog ben, maar zijn eerste publicatie was in 1977 in De Revisor. In de jaren daarna droeg hij regelmatig bij. Vanaf medio jaren tachtig werd Tirade zijn vaste podium, en daar werd hij ook redacteur. We gedenken een origineel, geëngageerd en goed schrijver, en herlezen – bijvoorbeeld op de DBNL, waar al zijn tijdschriftbijdragen te vinden zijn.

2016 was het jaar waarin ik erachter kwam dat pissebedden geen longen hebben maar kieuwen, dat er raadsels bestaan die opgelost kunnen worden en dat je nog zo goed jezelf vorm kunt geven, maar er altijd wel een moment komt dat de dag geen maatpak blijkt te zijn en hij je niet past, want wat je straalt, dat draag je. Ik zit in de trein en denk terug aan het afgelopen jaar waarin ik onder andere nieuwe verhalen en gedichten schreef voor tijdschriften, door de Volkskrant uitgeroepen werd tot literair talent van het jaar, de C.Buddingh’-prijs won met Kalfsvlies, de Saint Amour-tour mocht meemaken en een groot deel van mijn debuutroman afschreef. Kortstondig geluk dat ik alleen op de momenten zelf ervoer, of als een presentator het nog eens benoemde als hij mijn optreden aankondigde. Maar zoals de pissebed continu transpireert om vochtig te blijven en niet dood te gaan, zo werkt het met geluk: we moeten het zelf maken. Zodra ik mijn pak uitdeed of mijn opkomst weg was geapplaudisseerd, was ik het weer vergeten.

Ik moest verder, de lat hoger. In de psychologie heet dat zelf- en objectconstantie. Een baby denkt dat als zijn moeder of vader de deur uitgaat, dat ze niet meer bestaan. Wanneer ze weer terugkomen, herleeft de persoon. Het gebeurt ook met voorwerpen: als je speelgoed verstopt denken ze dat het er niet meer is, ze gaan er niet naar zoeken. Zodra ik mijn bordeauxrode pak uitdoe, is de schrijver verdwenen en wanneer ik mijn pak aantrek, ben ik weg, als bij een goed uitgevoerde verdwijntruc, alleen maakt het hier de goochelaar minderwaardig. Dit voel ik al mijn hele leven zo: mensen en ruimtes bestaan niet meer als ze uit het zicht zijn. Wanneer ik mezelf verlies, of de schrijver, lijken ze er ook nooit te zijn geweest. Baby’s leren op een gegeven moment objectconstantie. Als vader en moeder de deur uitgaan, keren ze gewoon weer terug, ze kunnen boos worden maar dat betekent niet dat ze je niet graag meer zien en dat speelgoed niet weg is, maar op een andere plek. Ik denk aan de avonden op de boerderij van mijn ouders toen ze naar kennissen in het dorp gingen. Ik was een jaar of negen – mijn slaapkamer zat aan de kant van de kiezelstenen, de oprijlaan – en lag naar het plafond te staren, terwijl ik dacht hoe ik me als wees zou gaan redden, wat ik de juf over hun doodsoorzaak zou vertellen, en duwde mijn hoofd in mijn kussen: als de tandenfee me zou bezoeken dan zou ik haar platdrukken, dan moest ze blijven en kon ik nieuwe ouders wensen. Ik werd wakker met rode ogen en stond op om mijn eerste dag als wees te beginnen. Ik was mijn verdriet vergeten zoals ik mijn vader en moeder kwijt was. Toen ik aan het ontbijt ging zitten en mijn moeder zoals gewoonlijk de kaasschaaf hanteerde – zij schaafde als enige niet de dun en niet te dik – waren ze weer tot leven gewekt. Bij zelfconstantie gaat het erom dat je een constant beeld van jezelf vast kunt houden, dat niet beïnvloed wordt door anderen. Nu vraag ik mij of dit ervoor gezorgd heeft dat ik schrijver werd, omdat dat de enige manier was om alles bij me te houden wat ik anders voor doodverklaarde. Zo raak ik niets aan in mijn kamer, ik zit nooit op de bank, de bank zit er zelf, als een onuitgenodigde gast. Alles wat ik ooit heb gekocht, is bij het verlaten van mijn studentenhuis, niet meer van mij. Dat wat uit het zicht is geraakt is uitgezwaaid. Als ik niet blijf presteren, als ik niet gezien word, ben ik geen schrijver meer. Presteren is ‘zijn’.

Zo voor het einde van het jaar probeer ik als mijn vader, die in de laatste week van december vooral terugkijkt op de struikelpartijen in het gezin en ze met rode pen noteert in rapporttaal, alsof hij weer even de meester is, terug te blikken op alles wat er afgelopen jaar is gebeurd, zowel privé als in het schrijven. Die twee zijn haast niet los van elkaar te zien. Even lijk ik dan ook uiteen te vallen. Zonder het pak van de schrijver, ben ik als een pissebed in zijn proces van vervellen: kwetsbaar en bang om vertrapt te worden. Alles wat ik het afgelopen jaar heb bereikt, maken mij wie ik ben. En wat daarvan wordt gevonden, dat vormt mijn eigenwaarde. Dit is het besef: ik schrijf mezelf een bestaansrecht toe en iedereen kan mij ongenuanceerd recenseren. Zo graag als dat ik ooit Jan Wolkers wilde worden, zo graag wil ik nu mezelf zijn. Iedere dag raak ik het leven als speelgoed kwijt en kan me niet voorstellen dat het gewoon verplaatst is, dat alles wat bereikt is, niet weg is en dat er om de hoek van de straat, weer een nieuwe straat is: Mensen verdwijnen niet zomaar uit het zicht.

Als ik de trein uitstap zie ik bij station Utrecht de vaste muzikant staan, gehuld in een wollig winterjack. Hij herhaalt al jaren iedere dag hetzelfde nummer: ‘Old Man’ van Neil Young. Ondertussen is de man zelf ook ouder geworden, zijn haren grijzer, de gitaarhoes die voor hem op de grond ligt is versleten. Er liggen een paar euro’s en wat centen in. Hij herhaalt iedere dag zijn kunstje, maar zet steeds met dezelfde overtuiging zijn lied in. I need someone to love me the whole day trough. Hij zingt het nummer prachtig, waarom zou hij dan ook iets anders zingen? Niet voor zijn publiek, dat is altijd gehaast en weinig aandachtig – en toch neemt hij er genoegen mee. Even voel ik me samenvallen met deze man die met halve vingerwanten gitaar speelt. Het doet ook pijn, maar dat is een echt gevoel en dat zegt meer over mij dan over het maatpak dat altijd in de juiste rol over een hangertje hangt, het theater keurig gestreken met de split opengeknipt voor wat bewegingsruimte, maar nooit te veel. Ik veeg mijn tranen af met een servetje van de oliebollenkraam op de hoek. Het is goed dat ik huil, te veel ingehouden tranen is als een regenmeter in de achtertuin die nooit geleegd wordt: op een gegeven moment weet je niet meer welke buien er nu nog wel of niet toedoen en komt alles bij elkaar. Ik weet ook dat ik deze pijn zal vergeten en dat het de volgende keer zich als nieuw aandient, dat ik samenvallen met de muzikant niet kan vasthouden net als de structuur van het servetje, maar één ding heb ik wel geleerd: fantaseren. Ik klamp me daaraan vast, als de man in de oliebollenkraam aan zijn frituurtang. Fantasie is de tandenfee die op bezoekt komt als je er zelf in gelooft. En misschien vergeet de muzikant wel dat hij iedere keer het lied herhaalt, of herhaalt hij het om het niet te vergeten, wordt hij het daarom nooit zat. Ik weet niet waar hij het voor doet. Of hij een hond heeft of een zieke vrouw waar hij voor moet zorgen of torenhoge schulden of staat hij er omdat hij daar wil staan?

Ik weet alleen dat ik hem koester daar naast de vuilnisbak, ik mis hem als hij er niet staat en hoop dat er op een dag ook zo’n plek voor mij is, waar ik ook zonder pantser mag zijn en er sta omdat ik het kan, omdat ik datgene bij me kan houden wat me lief is, zelfs als het even niet in beeld is, dat ik mezelf in beeld kan houden zonder een publiek. Ik luister naar zijn lied, alsof ik het nog niet eerder heb gehoord. Ik ben als hem. Vijfentwintig jaar en er is zoveel meer.