Deze week gelezen: Giordano, Weijers, Frost

Paolo Giordano, Mark Frost, Niña Weijers: de redactie leest een onhandig vertelde bestseller, een meerstemmige roman voor Twin Peaks-fans en literaire columns. Over perspectief, constructie en uitdrukkingen.

*

Daan Stoffelsen: literaire columns van Michel Krielaars, Jet Steinz en Niña Weijers

Literaire columns, daar wilde ik over schrijven. Er zijn persoonlijke columns van literair auteurs – Marja Pruis, Niña Weijers – zoals die er ook zijn van bekende buurmeisjes en televisiepersonages (‘persoonlijkheden’ leek me opeens een te zwaar woord), maar dan beter geschreven. Kleine essays, waarvan de beste met het beste van Martin Bril, Wim Boevink, A.L. Snijders kunnen concurreren. Maar ik wilde schrijven over de boekencolumn, een inkijkje in het vak van de criticus, een observatie van een kenner, verwerkt tot een verrassend inzicht in leven en/of lezen. Maarten Moll schrijft ze in Het Parool, Arjan Peters in de Volkskrant, en Arjen Fortuin deed dat in NRC Handelsblad tot zijn lezerspensioen. Boekenchef Michel Krielaars volgde hem op, en zijn column van afgelopen week was prachtig, volgens collega’s op twitter.

” “

Ik zag het niet. Krielaars beschrijft de boekenkast bij het sterfbed van een beste vriend. Een voltooid, lezend leven. (Note to self: een voltooid lezen is helaas niet mogelijk.) En neemt in zijn slotalinea Nelleke Noordervliets ware, obligate, overvolle column in Trouw over het belang van fictie in tijden van alternatieve feiten (à la Auke Hulsts Als dit zo doorgaat) mee. Daar zou zijn vriend mee hebben ingestemd.

Columns kunnen alles zijn, het is een vrij genre. Dus als je, zoals Krielaars, een warm In Memoriam in oeuvres, titels en algemeenheden, combineert met een leeservaring, dan mag dat. Zonder anekdotiek geen goede column. Het mag, en het is lief, het is aardig, het is chic. Alleen verrast deze column niet, niet in stijl, niet in detail, niet in stellingname. Ik leer niets over boeken (hooguit over wat Krielaars opvalt, of passend vindt, hij ziet zijn beeld van de vriend bevestigd), en ik word niet aan het denken gezet – iets wat goede journalistiek en literatuur toch ook moet doen.

Goede literaire journalistiek is sowieso een probleem. Toen ik de kop ‘De jonge schrijver is een vrouw’ tegenkwam in Topics, het platform van de Persgroepkranten, dacht ik: een column. Een flinterdunne stellingname immers, die statistisch niet te onderbouwen is. Tegenover deze schetsmatig geportretteerde vriendenkring van schrijfsters zijn heel veel gemengde en mannelijke schrijverskringen te zetten, en nog veel meer solisten, vrouw of niet. ‘Bestaat de nieuwe generatie schrijvers voornamelijk uit vrouwen, of lijkt dat maar zo? En als het zo lijkt, hoe komt dat dan,’ vraagt Jet Steinz zich af, en meteen al in die openingszinnen zit zoveel vaagheid – ‘generatie’, ‘voornamelijk’, ‘lijkt’ – dat je geen echt antwoord meer verwacht. Want wat is een generatie? Zijn de twintigers, dertiger en veertiger van Revisor een generatie? Wat zijn schrijvers? Steinz mengt geprezen rijp (Bervoets! Wortel!) met gelauwerd groen (Weijers! Van Rijswijk!). Het is verleidelijk om nú een nieuwe beweging te duiden, maar we weten nog niets van die debutanten. Mensen zoals Nina Polak en Roman Helinski zeggen zinnige dingen hoor, daar niet van, maar ik ontdekte niets, en de romantische relaties van schrijvers gaan mij niets aan. En ook hier geen verrassend inzicht in leven en/of lezen. De column bleek een reportage.

Het probleem is misschien wel dat het persoonlijke als doorslaggevend wordt gezien: het is zíjn vriend, en dus is die boekenkast relevant. Het netwerk van schrijversvriendschappen bepaalt een literaire stroming. Natuurlijk, het persoonlijke speelt altijd een rol in literatuur. Maar belangrijker zijn: stijl, detail, perspectief.

Ik mis Arjen Fortuins columns, dat wilde ik schrijven. Maar inmiddels moet ik zeggen: voor inzichten over lezen schieten columns, en in toenemende mate recensies, te kort. Je kunt nieuwe titels ontdekken, maar nieuwe perspectieven erop? Misschien verwacht ik te veel van journalistieke genres, ligt mijn lat tegenwoordig bij het essay. En ook dat gaat van het persoonlijke uit, maar dan tenminste door iemand die die persoon door en door kent: de ik. Terug naar Niña Weijers. We weten iets meer van déze debutant. Ze schreef in De Groene Amsterdammer over IKEA, en dwaalde af (dat kan, zelfs in de IKEA).

‘Laatst las ik een stuk waarin een columniste zich probeerde te verantwoorden voor het feit dat ze niet over grote wereldgebeurtenissen schreef. Het was onverdraaglijk dat te moeten lezen, zoals het onverdraaglijk is wanneer iemand hardop zegt dat iets ongemakkelijk is met de bedoeling het minder ongemakkelijk te maken. Je moet je nooit excuseren voor waar je niet over schrijft. Je schrijft ergens over of niet, dat zijn de opties.

Het is altijd de vraag, of althans mijn vraag, waar het persoonlijke ophoudt en het navelstaren begint. Ik houd er niet van als het persoonlijke een excuus is om geen positie in te hoeven nemen. Ik houd er niet van als het persoonlijke zo persoonlijk is dat het exhibitionistische clichés oplevert.’

Vergeet de boekencolumns. Vergeet literaire journalistiek. Lees schrijvers.

Thomas Heerma van Voss: Mark Frost, The Secret History of Twin Peaks

Deze week las ik Marja Pruis’ fraaie essaybundel Genoeg nu over mij (daarover vermoedelijk volgende week meer op deze plek) en ook Yasmine Reza’s knappe roman Babylon (waarover ook genoeg te zeggen valt), maar nu aandacht voor iets heel anders: de laatste roman van de Amerikaanse Mark Frost. Een naam die de meeste lezers van deze rubriek weinig zal zeggen. In elk geval in de hoedanigheid van romanschrijver: hij heeft weliswaar zes fictiewerken op zijn naam staan, maar is toch vooral het bekendst als televisieproducent en scenarioschrijver. Want met David Lynch maakte hij vijfentwintig jaar geleden Twin Peaks. En binnenkort verschijnt, eindelijk eindelijk eindelijk, het derde seizoen van die serie.

Over dat derde seizoen en over wat de serie Twin Peaks zo wonderlijk sterk, cult-achtig en tegelijk gedateerd maakt, valt genoeg te zeggen, en binnenkort wijd ik aan de serie (en dit boek) ook een stuk op De Correspondent, maar ik wil me hier beperken tot die nieuwe roman van Mark Frost: The Secret History of Twin Peaks. Een wonderlijk boek, misschien wel de mooiste uitgave die ik ooit in handen heb gehad. Een hardgebonden, prachtig geïllustreerd stofomslag met veelkleurige belettering. Een bijzonder lijvig formaat, waardoor het boek iets wegheeft van een een luxueuze Bijbel-editie. En dan de inhoud: het boek staat vol met scans van (voor de duidelijkheid: fictieve) krantenknipsels, met veelkleurige foto’s van beschreven personages, met tot in het detail uitgewerkte FBI-documenten, met een menukaart van het fameuze Double R Diner, met negentiende eeuwse tijdschriftpagina’s, met handgeschreven commentaren in de kantlijn.

Alles is bijzonder fraai uitgevoerd, en staat in dienst van de springerige, af en toe innemende en af en toe vermoeiende, uitgebreide tekst. Is The Secret History of Twin Peaks een roman die op eindejaarslijstje zal eindigen? Nee, het boek is alleen voor toegewijde fans, er staan nauwelijks (je kunt ook zeggen: geen) bijzondere gedachten of zinnen in, er wordt amper een verhaal verteld. Waar gaat het dan over? Tja, dat is lastig samen te vatten. Eigenlijk kun je dit boek beter een dossier dan een roman noemen. Het betreft een ruim driehonderd pagina’s tellend, papieren FBI-rapport; een verzameling door rechercheurs bijeengeschraapte bronnen en documenten over de plaats Twin Peaks. Het is vervolgens aan de lezer om die opgevoerde flarden te doorgronden en conclusies te trekken over de personages. En om zich zo onder te dompelen in de absurde, onheilspellende wereld die wordt beschreven – over allerlei figuren die in de tv-serie opduiken, maar ook over nieuwe personages, het voelt veel te ver door om het hier allemaal te beschrijven. Voor iedereen die de serie volgt en/of verlangend uitkijkt naar het nieuwe seizoen: lees dit boek, of blader het ten minste door. Voor degenen die denken: Twin Peaks, dat is toch dat vage project van David Lynch, met dansende dwergen en voorspellende dromen? Laat dit boek gerust links liggen.

Wel vestig ik graag nog de aandacht op de meerstemmigheid van Frosts roman, literair gezien het interessantste aspect van deze Secret History: om te beginnen is er het personage Gordon Cole (in de serie gespeeld door David Lynch, ook in het nieuwe seizoen), die aan het begin van deze roman special agent ‘TP’ – door middel van een innemende brief – aanstelt om de identiteit te achterhalen van ‘The Archivist’. Ofwel: degene die dit dossier samenstelde. Wat volgt is een ondoorzichtige constructie met allerlei stemmen en interpretaties door elkaar: we lezen de in het dossier opgenomen bronnen zelf, we zien de selectie van de mysterieuze samensteller, en in de kantlijn ook nog het bijzonder cynische commentaar van ‘TP’. Drie perspectieven die kriskras door elkaar lopen. En die vaak haaks op elkaar staan, soms nadrukkelijk, soms subtiel. Eigenlijk is dat het enige moment waarop dit boek de titel roman verdient, of in elk geval iets literair krijgt. Waarmee ik allerminst wil suggereren dat de rest van The Secret History niet de moeite waard is – ik kijk na het lezen hiervan in elk geval nog meer uit naar het aankomende seizoen.

The Secret History of Twin Peaks is een uitgave van Pan MacMillan, verkrijgbaar in Nederland bij onder andere Athenaeum.

Jan van Mersbergen: Paulo Giordano, De eenzaamheid van de priemgetallen

‘Zijn vrouw was uit zijn leven aan het verdwijnen als een vochtkring uit een trui.’

In De eenzaamheid van de priemgetallen poogt Giordano aan de hand van vergelijkingen zijn publiek te bekoren en het lijkt erop dat hij van te voren zijn doelgroep bepaald heeft én dat het gewerkt heeft, getuige de quotes uit de Esta, Libelle en Veronica Magazine die de vijftiende druk prijzen. Een verkoopknaller met een bijzonder goed gelukt en zeer bekend omslag (door Marry van Baar, die ook de omslagen van mijn eerste romans verzorgde) die ik trof bij het Juttersdok in Amsterdam West, waar ik ook Een weeffout in onze sterren vond en Trainspotting en Portnoy’s klacht en nog een boek, in totaal vijf boeken voor zeven euro. Kon ik niet laten liggen.

Als eerste las ik De eenzaamheid van de priemgetallen.

‘Een vochtkring die verdwijnt uit een trui.’ Ik kan lang over zo’n zin nadenken, vooral om de vergelijking misschien te doorzien en om de kriegeligheid die zo’n zin oproept op zijn beurt misschien te laten verdwijnen, om de manier van vertellen te begrijpen. Dat vertellen is soms erg onhandig.

De roman is bijna tien jaar oud. De titel weerhield me er steeds van het boek te lezen. De koppeling van wetenschap, of enkel wiskunde aan een roman, ligt me niet. Titels als Een kleine geschiedenis van bijna alles, de eerder genoemde Weeffout in onze sterren, De telduivel, Het symmetriemonster, De ontdekking van de hemel en dus ook deze Priemgetallen weerhouden me ervan die boeken te lezen, al las ik wel Mulisch’ dikke klassieker toen ik nog studeerde. Die boeken zit vol wijsheden, die boeken laten vooral zien hoe slim de schrijver is, die boeken zijn in overdrachtelijke zin wat betreft het gevoel vaak erg armoedig. Is mijn vooroordeel, en het lezen van die boeken doe ik soms om dat vooroordeel te logenstraffen. Dat lukt zelden.

De bio op de flap van deze roman vertelt over Giordano dat hij ‘natuurkundige is en momenteel aan zijn promotie werkt’. Eigenlijk zegt dat: het schrijven van deze roman doet hij er maar een beetje bij. Een lolletje. Een verzetje. Ook dat maakt me wantrouwend, een roman schrijven is minstens zo moeilijk als natuurkunde studeren, het lijkt alleen veel gemakkelijker en lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine zullen eerder geïmponeerd zijn door een natuurkundige die er ook nog eens uitziet als een profvoetballer van Juventus of een Engelse TV-kok dan door een schrijver die zegt dat hij schrijver is.

Lezen dan maar. En het moet gezegd: De eenzaamheid van de priemgetallen leest tot op zekere hoogte heel goed. De eerste paar hoofdstukken. Dan verliest Giordano de macht over zijn personages en zijn verhaal, dan moet er een groots thema komen dat de natuurkunde waar hij zich in de werkelijk belangrijke tijd mee bezighoudt linkt aan dit verhaaltje.

‘Priemgetallen zijn alleen deelbaar door 1 of door zichzelf.’

Zo begint hoofdstuk 21. Klopt helemaal niks van want die getallen zijn prima deelbaar, er komt alleen een getal uit met een paar cijfers achter de komma, geen telgetal. De toevoeging: ‘Een priemgetal is een natuurlijk getal groter dan 1 dat slechts twee natuurlijke getallen als deler heeft,’ maakt de bewering beter. Dan is duidelijk dat priemgetallen gaan over natuurlijke getallen, over telgetallen die teruggrijpen op een appel, twee appels, drie appels. En geen halve appels. Aan de ondeelbaarheid van priemgetallen koppelt Giordano het idee dat die getallen eenzaam zijn, omdat ze dus niet deelbaar zijn: ‘Het zijn argwanende eenzame getallen.’ Waanzin, denk ik dan. Een leuk idee, maar die priemgetallen zijn ook gewoon aanduidingen voor het aantal appels of wat dan ook.

Het wordt nog gekker. De twee hoofdpersonen van deze roman hebben in hun vroege jeugd iets traumatisch meegemaakt, die hoofdstukken zijn zoals gezegd erg sterk en trekken de lezer eigenlijk het hele boek door. Die twee personages, een jongen en een meisje, zijn in hun jeugd beschadigd. Het meisje ontwikkelt als gevolg daarvan een eetstoornis en de jongen snijdt zichzelf. En ze komen elkaar tegen, natuurlijk. Als ze wat groter zijn. Voor Giordano zijn die twee personages priemgetallen die in de reeks vlakbij elkaar staan, zoals 11 en 13. De personages zijn op zichzelf en eenzaam maar ze lijken ook op elkaar en ze kunnen elkaar niet aanraken. Die 12 staat er tussen.

Zo’n theorie slaat de complete roman dood. Deze personages dragen een last met zich mee, heel goed gedaan, invoelbaar ook, en dat verhaal is mooier dan een verzonnen idee over getallen die eenzaam zijn en personages die net priemgetallen zijn. Hou op, man. Ga lekker terug naar je faculteit.

Schrijven is meer dan in je vrije tijd een verhaaltje wat inkaderen en inkleuren. Schrijven is overdracht en techniek en vasthoudendheid. Dat mist Giordano, en dat lees je af aan het eindeloze gebruik van de voltooid verleden tijd en de sleetse uitdrukkingen die herhaaldelijk opduiken.

Dat ligt niet aan de vertaling van Pietha de Voogd en Mieke Geuzebroek. De eerste bladzijden van hoofdstuk 9 grijpen terug op een misstap van de huishoudster die ooit een man meenam naar het huis waar zij werkt, waar het meisje de dochter is. Dat verhaal wordt volledig in die vreselijke had-was-had-wastijd verteld, en dat leest heel erg slecht. Dat is omslachtig en ver weg. De handelingen spelen wel in een tijd vóór de verteltijd van het boek (verleden tijd), maar dan nog kan een lezer wel begrijpen dat dit ergens daarvoor speelde als die tijd aan het begin van zo’n hoofdstuk verteld wordt. Giordano kiest voor deze manier van vertellen en de vertaalsters hebben dat netjes overgenomen.

Sommige van de uitdrukkingen komen, neem ik aan, wel uit de koker van de vertaalsters. ‘Hij verroerde geen vin’ komt twee keer voor in de roman. Ik kan dit niet controleren maar verwacht dat in het origineel een soortgelijke uitdrukking gebruikt is en dan is het de taak van de vertaler om daar een mooie vlotte Hollandse zin van het bakken. ‘Hij begon het Spaans benauwd te krijgen’ is ook zo’n zin. ‘Hij reageerde als door een wesp gestoken.’ Die manier van praten komt wel voor, in een roman is het erg storend. ‘Mattia liep gedwee achter haar aan.’ Ik durf te zeggen dat er voor ‘gedwee’ in het Italiaans geen woord bestaat, of anders een woord dat ook daar al vijftig jaar niet meer gebruikt wordt. Verderop in die passage: ‘Hij volgde haar alsof hij een schoothondje was.’ Of: ‘Hij bleef stokstijf staan.’ Laat ik de vertalers beschermen en zeggen dat Giordano nou eenmaal deze manier van vertellen gebruikt. ‘Hij had er schoon genoeg van.’

Kenmerkend ook is het overduidelijke aankaarten van gevoelens. ‘Hij voelde dat…’, ‘Hij was het zat om…’ Dat is erg jammer omdat er geen beelden gezocht zijn en vooral omdat deze manier van duiden afleidt van de personages en hun last. Deze manier van vertellen werpt me terug op de tekst en niet op het drama.

Toch komt dat drama misschien juist door die uitdrukkingen heel goed binnen bij de lezers van de Esta, Libelle en Veronica Magazine. Kan zeker kloppen, deze roman leest als een tijdschrift, zoals eigenlijk alles aan dit boek behapbaar is gemaakt en uiteindelijk de last van de personages amper serieus te nemen is, vooral omdat de schrijver een knieval maakt voor het tijdschriftenpubliek.

De Bezige Bij gaf De eenzaamheid van de priemgetallen uit. De uitgeverij biedt ook een pdf-voorproef aan.