Deze week gelezen: Richard Osinga

Daan Stoffelsen: Richard Osinga, Wie de rechtvaardigen zoekt

Richard Osinga: de redacteur is even jurylid, en dan weer een doodgewone lezer van een sterke mozaïekroman die met mooie beelden werelden en vertellers samenbindt.

*

Het is geen dag voor verweer, of voor kritiek, maar voor lof. Kijk, als ik er zelf niet aan meedoe, zijn (eindejaars)lijstjes en longlists (of shortlists of prijswinnende boeken) voor mij een manier om het leesjaar opnieuw te bekijken. Welke geweldige, ambitieuze, mooie boeken zijn er gepasseerd, wat moet ik alsnog lezen? Plus: welke boeken gaan we ons over tien jaar herinneren? Dit circuit naast (en vooral ná) de recensies en bestsellerlijstjes corrigeert de waan van de dag; de literaire kritiek in kranten en weekbladen heeft een ander tempo, en zo lang beklijven de meeste boeken bij krantenlezers en tv-kijkers niet. Zo was de International Booker Prize voor Marieke Lucas Rijneveld en Michele Hutchison een correctie op de wat lauwe eerste reacties in de Nederlandse pers.
Als ik er wel aan meedoe (zoals de afgelopen jaren en ook dit jaar, als jurylid van de Boekenbon Literatuurprijs), dan met groot voorbehoud en groot vertrouwen in de andere lezers, want álles lezen kun je niet alleen. Daar zijn systemen voor, excelsheets en vergaderingen, en uiteindelijk komt er iets intersubjectiefs uit.

Van dat intersubjectieve vind ik de eindejaarslijstjes van 2019 een goed voorbeeld: verreweg het meest werd Manon Uphoffs roman Vallen is als vliegen genoemd. Daar was geen excelsheet voor nodig, maar er is een stille overeenstemming dat dat een bijzonder boek was. Die werd bevestigd in de lijst van De Groene Amsterdammer met de beste boeken van de eeuw tot nu toe. Het boek kreeg deze week de Charlotte Köhlerprijs, en kwam daarvóór al op menige shortlist, onder andere van de twee grote literaire prijzen.

De shortlists – want dat is het geheim van de jury: je moet het eens worden, over een vijf- of zestal bijzondere, bijkans onvergelijkbare boeken. Deze week ging het ook over de longlist, want aan zoiets doortimmerds als een juryproces ontsnapt nog wel eens iets. Een jury kan de literatuur niet in haar eentje vrouwelijker, zwarter of Vlaamser maken, maar ook in zo’n leesclub hors concours word je het niet over alles eens. Wel overigens over wat taai of saai is, gek genoeg is daar vaak snel overeenstemming over. Maar elke goede lezer mist boeken op zo’n lijst die ook ambitieus waren, daarin slaagden of prachtig mislukten – ik ook.

Eind november schreef Jan op deze plaats over Richard Osinga’s Wie de rechtvaardigen zoekt, een interessante technische analyse (ook over, natuurlijk, de voltooid verleden tijd) met niettemin lof, en toen liet ik het passeren. Recensies in de kranten? Een paar, heel kort. (Maar Theo Hakkert schreef een uitgebreid stuk op VersTwee.nl.)

Later las ik het alsnog, en vandaag wil er wel een fragment uitlichten. Osinga’s boek is, Jan schreef het al, een in 36 hoofdstukken of korte verhalen verteld verhaal over de Rechtvaardigen, die mensen die doordat ze op subtiele wijze goed doen, ervoor zorgen dat de wereld niet vergaat. Versies van die mythe zijn er al langer, meen ik te begrijpen, maar André Schwarz-Bart heeft er een invloedrijke roman aan gewijd, en Borges schreef er een gedicht over, dat Wie de rechtvaardigen zoekt opent en de titels geeft aan de verhalen.

(Ik moest ook denken aan Richard de Nooys messiasroman Van kleine helden.)

Die verhalen vinden plaats overal ter wereld, op verschillende momenten in de geschiedenis, en er zijn subtiele terugkerende details. Osinga varieert in stijl en techniek, en daardoor klinkt hij af en toe wat plechtig, of lyrisch, of zakelijk.

Het eerste verhaal, 36, staat deels op Athenaeum.nl, en is tegen het straattalige aan modern, veel Engels, gadgets, IT-taal. Maar 32 is kaler: het is het verhaal van Freek, een ambtenaar die ambtsberichten moet opstellen om de IND over asielaanvragen te adviseren. Wat kan een grond voor asiel zijn voor een bepaalde regio? Als homoseksualiteit of atheïsme dat is, dan blijkt dat vaker als reden aangevoerd te worden. Maar wat nu als je als ambtenaar iets verzint? Dan kun je de nepreden meteen ontmantelen. Freek verzint een Islamitische sekte van ooit bekeerde joden die hun gebeden naar Jeruzalem richten, al-Qibla al-Qudsiyya, maakt er een Wikipediapagina voor en breidt zijn ambtsbericht Jemen met een halve pagina uit.

Dan lange tijd niets. Hij trouwt, wordt vader, werkt in Genève, Bangkok, Den Haag, Sana’a. Daar ontmoet hij Omar. ‘”Ik woonde in Hendrik-Ido-Ambacht,” zegt Omar. “Vroeger. Nu woon ik hier.”‘ Mooi staccato. Ze mochten niet blijven. Meer dialoog, Freek zwijgt vooral. ‘Wij bidden niet in de richting van Mekka, maar gekeerd naar Jeruzalem.’ Ai. ‘Freek moet het vragen. “Waarom bidden jullie naar Jeruzalem?” “Ik weet het niet. Mijn vader zegt dat we dat zo doen. Ik heb nooit gevraagd waarom. Hij is dood. Maar wij doen wat hij zegt.”‘

Osinga staat niet stil bij Freeks emoties van schrik of verbazing, hij maakt de scène verbindend af.

‘Freek kijkt Omar na, terwijl die naar een oude vrouw loopt die in de schaduw van een tent zit. Ze heeft hen de gehele tijd glimlachend gadegeslagen. Omar kust haar bruingevlekte handen. Zij geeft hem een van de granaatappels die ze op een schotel naast zich heeft liggen.
De vrouw kijkt naar Freek; hij doet haar denken aan een Italiaanse politie-inspecteur die ze lang geleden in Calabrië heeft gekend, aan een Chinese vertaler die in Japan woonde en zelfs aan een meisje op het strand in Australië. Een vlucht rietgorzen of ortolanen zwermt over, op weg terug naar het noorden.
Freek sloft terug naar de terreinwagen die hem in een uur naar Sana’a brengt.’

Er is veel over deze passage te zeggen, en niet alleen positief. ‘Gehele’ is wat ouwelijk, de alliteratie voelt gezocht, en het is gek dat hier het perspectief eenmalig helemaal naar die vrouw gaat. Maar het is wel een mooi beeld, met die granaatappel, net als de trekvogels, die wel migreren en daar geen reden voor hoeven te hebben.
Maar het mooiste, en dat heeft meer met verhaal dan met techniek te maken, vind ik hoe Osinga hier een aantal van zijn verhalen verbindt, en daarmee suggereert dat het verzinnen van verhalen, wat die andere personages ook doen (die politie-inspecteur is fantastisch, dat verhaal (nummer 26) is raadselachtig en sterk), dat vertellen iets krachtigs is, iets wat de werkelijkheid kan beïnvloeden. Niet dat ze het goede doen, maar dat ze daartoe verhalen inzetten, maakt ze rechtvaardig.

Uitgeverij Wereldbibliotheek gaf Wie de rechtvaardigen zoekt uit.