Renée van Marissing: de redacteur las een bedaagde, geslaagde roman met een lichte toon bij zware thema’s.

*

Daan Stoffelsen: Renée van Marissing, Onze kinderen

De titel van de vierde roman van Renée van Marissing, redactielid van Terras, blijft een boek lang vragen oproepen. Onze kinderen is het verhaal van twee volwassen dochters, Mia en Iris, en hun vader. En van Mia en Sally, want Sally krijgt een kind.

Komt bij dat Mia en haar vriendin Sally een kind verwachten. Het verhaal begint lief.

‘De buik van mijn vader is zachter dan die van Sally,
maar in omvang zijn ze elkaars gelijke. Als ik mijn vader
omhels, voel ik zijn buik. Het is een prettig gevoel,
hij heeft hem al zolang ik me kan herinneren. Toen ik
een jaar of vijf, zes was, zaten mijn hoofd en zijn buik op
dezelfde hoogte. Als ik dan mijn armen om hem heen
sloeg, lukte het niet mijn handen elkaar te laten raken
en als ik mijn oor tegen zijn overhemd drukte, kon ik
soms de geluiden binnen in hem horen.
Sinds een jaar of twintig scheelt het nog maar een
paar centimeter in lengte tussen hem en mij.
Als je een ei op je hoofd zet, zijn we even lang, zegt
hij.
Ze zitten naast elkaar op de bank, mijn vader en Sally.
Twee blote buiken, ze hebben hun kleren omhooggetrokken.
Ze lachen, naar elkaar, naar mij, naar de telefoon
waarmee ik een foto maak.’

Dít is een warme herinnering, toch? Van Marissing schrijft ongecompliceerd, maar haar vakmanschap openbaart zich in de opbouw van de roman. Want na dit eerste hoofdstuk, waarin Mia uit eten gaat met haar vader die slecht blijkt te kunnen slikken, zijn we opeens op een begrafenis. Zijn begrafenis. ‘Iris heeft haar toespraak in lettergrootte 16 geprint en na elke zin een enter ingevoegd, zodat ze de draad niet kwijtraakt tijdens het spreken. Ze praat tegen onze vader, af en toe knikt ze met haar hoofd zijn kant op, maar het lukt haar niet naar de kist te kijken.’

Mia’s onbevangen blik toont ons de uitvaart, de eerste reacties: ‘Mooi gesproken, net, zegt een vrouw. Ze is Fries, hoor
ik. Een heel andere kant van Nico. Dank u wel, zegt Iris. Is dat zo, een andere kant? vraag ik. Ja toch, zegt de vrouw.’ Het is het begin van een kanteling, die Van Marissing onder de oppervlakte laat gebeuren. Dat warme gevoel van die eerste paragraaf blijft wel, door Mia’s geestige, laconieke observaties, maar pas laat realiseer je je waarom het leegruimen van het vaderlijke huis zo’n gedoe is, waardoor Mia zo weinig betrokken lijkt bij de zwangerschap van haar vriendin.

‘Ik durf het bijna niet te zeggen, maar van alle herinneringen aan papa die de laatste tijd komen bovendrijven is er niet één gezellig, zegt Iris.’

Onze kinderen is meer dan een warm, bedaagd boek, het is een genuanceerde geschiedenis van een gebroken gezin, van emotionele afstand en alcoholisme. Gedurende het boek herinnert Mia zich meer, van kinderdagen in de kroeg, nieuwe gezinnen waarin Mia en Iris niet pasten, verwaarlozing, een auto-ongeluk. Nee, de kinderen is niets écht aangedaan, maar dat maakt deze vadergeschiedenis niet minder pijnlijk.

(Dat auto-ongeluk was in een eerdere versie al op onze site te lezen in ‘Zomeravond’. Zo vond ik bij het uitruimen van onze bibliotheek (de raamloze ruimte waar vier boekenkasten met dubbele rij en onze desktop staan) een Paris Review met Rachel Cusk en Jenny Offill erin, ongelezen, en realiseerde ik me hoeveel eerder ik van Cusks werk had kunnen houden. Mensen, léés die literaire tijdschriften, de literatuur van morgen staat erin. Word bijvoorbeeld abonnee van De Revisor.)

Van Marissings kracht ligt in de combinatie van haar lichte toon en de zware thema’s, en onwillekeurig denk je: dit boek is de begrafenisrede van Mia, een gemengd verhaal, lief, verdrietig, woedend. Ik kan me de woedende toespraak uitstekend voorstellen, maar het mooie is dat ook aan het slot van het boek, als je die heel andere kant hebt gezien, toch de warmte van het begin navoelt.

Querido gaf Onze kinderen uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.