In 1977 debuteerde Hedda Martens in ons tijdschrift, de eerste van tien bijdragen in de loop van onze geschiedenis. We publiceren nieuw werk van haar, vijf ‘Humeuren’, en hernemen haar vroegere verhalen. Na ‘Huisje’ en ‘Verdriet’ is hier het derde verhaal: ‘Heimwee’, die ‘stekende, samentrekkende kramp’, zelfs bij het puzzelen.

*

Er zijn dingen die te dicht bij het oude heimwee komen, het zijn er soms zoveel dat hij aan niets anders kan denken: hij blijft thuis en houdt zich bezig met enorme legpuzzels, net als vroeger. Al kan zijn heimwee ook dan plotseling opkomen, bij zo’n afbeelding van een schaapskudde op de hei, van de duinen met hun helderwitte zand, en zelfs bij dit schilderij nu, van een brieflezende vrouw. Hij heeft de omtrekken nog niet gelegd, het licht van links uit het raam langs de rand van haar blauwe jak, of hij herinnert zich – wat herinnert hij zich, waarschijnlijk iets van toen hij klein was, geen idee eigenlijk. Maar geen twijfel over het gevoel, dit is de stekende, samentrekkende kramp van het heimwee. Die kleine handen, hij heeft er drie stukjes voor nodig, makkelijk genoeg en dan de haarlok langs de wang en de wenkbrauw, hoe is het mogelijk dat ze die in tweeën hebben gebroken, die snee in het midden nee onzin, kom nou, zij weet immers van niets. Hoe lang geleden alweer dat ze daar gestaan heeft, aan het venster en wat leest ze, die wenkbrauw, het zal toch niet iets ergs zijn geweest; haar mond staat een beetje open en hij schaamt zich bijna als hij de stukjes samenvoegt, zo nabij. Maar goed dat zij ook daar niets van kan weten: hoe hij hier zit, voorzichtig zijn duim op haar lippen plaatst en de mond omhoog schuift, nog net geen aansluiting bij de wenkbrauw maar hij gaat nu liever eerst aan die landkaart op de achtergrond beginnen, de stevige, donkere lijn van de stok waardoor de kaart mooi recht hangt. Iets te makkelijk eigenlijk, maar zo is hij zijn gevoel weer een beetje de baas.
Hoe dan ook kan hij beter landkaarten doen, daar leer je wat van en hij heeft van vroeger nog hele grote die bijna niet op de tafel passen. Maar zelfs dan kan het heimwee hem aangrijpen, de puntige bergketens, de blauwe meren van Zwitserland en de kleine, schuin gedrukte namen van een waterval, een bergpas. Hij herinnert zich de overdekte houten brug, het tochtje met een boot, hoe heet het, een raderboot ja, de o zo hoge, spierwitte sneeuw tegen de lucht, het zwevende silhouet van een vogel. Toen. Hij was er, hij heeft het meegemaakt, soms komen geuren terug in zijn neus, klinkt in zijn oren een verre taal. Er was zelfs een puzzelstukje met de naam van het dorp waar het kabelbaantje begon, daar weet hij nog alles van, de uitroep van zijn moeder toen het opeens stopte en ze stil bleven hangen, een kwartier lang tussen hemel en aarde zo eindeloos, met in zijn mond een Zwitserse kruidenbonbon.
Hij haalt koffie en overziet staande de puzzeltafel, brieflezende vrouw. Het lijkt een chaos maar hij weet het precies, de grote en kleine eilanden die bij de stoel horen met bolle koperen spijkers, bij de landkaart, de geplooide doek linksonder. Haar handen, de wenkbrauw. Het heimwee is al bijna weg, blijft in de luwte; hij vindt dat hij snel is vandaag, goed werk, hij krijgt er plezier in. Dus als een tijdje bezig is geweest met een beschaduwd, wit muurvlak, erg moeilijk en saai, gaat hij toch weer op zoek naar de grenzen van datzelfde wit met het blauwe jak – nog niet meteen de voorzijde die zo helder is en zo hopeloos teder, maar de achterkant: stevig en donker in een rechte baan, solide haast, als een boerenkiel.

 

Beeld via het Rijksmuseum.