Berichten

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor de Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Vorige week moest ik met mijn oppaskinderen naar Mini-Mozart klas. Het is een tweeling van anderhalf jaar. Elke ochtend gaan ze naar een andere activiteit. Mini-Mozart vindt plaats in een gebouw een paar straten verder op, The Young Actors Theatre.

In een volwaardige theaterzaal zit ik met mijn tweeling tussen acht moeders met peuters in een halve cirkel op de grond. Achter een piano ordent een man zijn bladmuziek, een meisje van mijn leeftijd pakt een hoorn uit haar tas. De laatste moeder sluit de deuren, het straatgeluid valt weg. Naast mij geeft een vrouw haar baby borstvoeding, terwijl haar oudste steeds probeert op te staan en weer terugvalt in haar schoot. Andere kinderen rennen rondjes over de zwarte vloer. Als het meisje nadert met een hoorn, zetten m’n oppaskinderen een paar stappen naar achter. Zware, langgerekte tonen blijven hangen in de ruimte. Het meisje heeft haar ogen gesloten, bedeesd drukt ze de knoppen in, de peuters gapen haar aan. Ik voel mijn gewicht naar de grond zakken. Het is een volmaakte hypnose, de stad valt weg, er is alleen nog deze ingedamde plaats.

‘Lovely!’ zegt het meisje enthousiast als ze de hoorn van haar lippen haalt. “So this was a Puccini, now we’ll continue with Bach’. Achter de piano begint de man een friemelige melodie te spelen. Alle peuters staan op, het meisje begint met een stralend gezicht in haar handen te klappen. De peuters doen haar gebaren na, stampen en hupsen om hun moeders heen, laten zich gewillig op hun luiers vallen. ‘’Yes, the mothers too! Lovely, participate!’   

De aanwezigheid van het straatgeluid in mijn kamer heeft door het enkelglas dezelfde sterkte als het gezoem van de koelkast. Alleen sirenes steken erboven uit. Engelse sirenes zijn verontrustend. Een korte opzwepende toon (o-wie o-wie o-wie) wisselt af met lange schrille uithalen die aan het eind met een slinger omhoog zwiepen, waarna een happende pacman wordt afgevuurd. Het geheel wordt steeds onderbroken door een lage, pukkelige toon zoals deze in een quiz bij een fout antwoord klinkt. Geen wonder dat alles op z’n plaats schudt als een ambulance voorbij gaat, de straat in een stuiptrekking achterlatend.

Als ik met de tweeling na Mini-Mozart thuis kom, wijst het meisje op de afstandsbediening van de stereo. Met Chopin op de achtergrond delen we een peer. Ik vraag me af of het een harnas is, waarmee deze ouders hun kinderen willen aankleden en of mijn bovenbuurvrouw haar muziek zo hard aanzet om haar kamer geluidsdicht te maken. Misschien moeten de sirenes met Bach worden vervangen, het zou de criminaliteit positief kunnen beïnvloeden, maar ik betwijfel of dat niet de betutteling zou betekenen van de realiteit. Ook vraag ik me af hoe effectief mijn oordopjes zijn als ik met half succes het buitengeluid vervlak, maar m’n speeksel verdubbeld hard hoor slikken, mijn gedachten hoor touwtrekken in m’n hoofd.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Empires were never built on muesli bars staat op een billboard dat ik tegenkom op weg naar de bibliotheek. Het is een reclame voor een pakje boter. Achter de grote letters is een bord geroosterd brood te zien en een ei dat net door een zwevende hand is opengeslagen. Het eigeel druipt naar beneden, vloeibaar goud, een associatie die stilletjes wordt aangewakkerd door de ring aan de zwevende hand.

Ik heb al een paar weken geen internet dus ben ik aangewezen op bibliotheken en internetcafés. ’s Avonds  zit ik tussen blauwe feestverlichting, plakkerige muizen en opengescheurde stoelbekleding. Om me heen praten mensen in allerlei talen door hun headsets. Een man dramt om nog vijf extra minuten bij de eigenaar. Als ik over mijn computer, over de andere computers naar buiten kijk, wordt het gezicht van een langslopende vrouw belicht door haar telefoon.

Op het plein van de British Library, een verzameling aanmerende terrassen, zit een enorme bronzen man voorovergebogen op een sokkel. Hij heeft een passer in zijn hand, zijn blik is er magnetisch mee verbonden. De man is Isaac Newton. Ik herken het standbeeld van een print van William Blake, waarop Newton in dubbelgeklapte houding op een rots zit, verdiept in de geometrische vorm die hij getekent heeft. Achter zijn rug verwijst de veelkleurig begroeide rots naar de schoonheid van de natuur, waarvoor Newton — in de ban van zijn verklaringen en formules — zich afsluit.

Als ik in de leeszaal tussen de rijen geschakelde bureaus loop, denk ik nog over het beeld na. Dit was waarschijnlijk de laatste plek waar Blake zijn Newton had neergezet. Newton schrijft op een doek, dat rechtstreeks vanuit zijn hoofd op de grond valt. Ik mag alleen papier, een potlood en een laptop in een doorzichtige plastic tas op mijn lichaam dragen. Om me heen is het doodstil, mijn schoenen ploffen op het tapijt. Elke zitplaats heeft een nummer en een eigen stopcontact. Mensen zijn verdiept in boeken of in hun handen op het toetsenbord. Iedereen is bezig met het in kaart brengen van een stukje wereld of met het ontdekken van nieuwe verbanden erin, de passer en het doek vervangen voor een laptop.

En waar keert Newton op het plein van de bibliotheek zijn rug naar toe? Naar Euston Road, een groot verkeersplein waar ongeduldige auto’s over stukjes stoepranden schuiven om bij het volgende stoplicht weer te stollen. Op een rare manier houd ik van deze plek, omdat ik het idee heb deel te nemen aan een groot krachtenspel, waarin twee pijlen mijn voeten op de grond houden. Bussen dragen al het gewicht op hun linkerwielen, gebouwen hellen over als ik naar ze op kijk, het wegdek is dak en drager tegelijk. Het verkeersplein is het lange-afstands gevolg van Newtons gedachtegoed, en Blake’s protesterende onderbuik.

Als ik een pauze neem in de zon op een van de terrastrappen voor de bibliotheek, leest de man naast mij op z’n iPad de krant. Met zijn duim en wijsvinger bekijkt hij de foto’s van dichtbij. Achter het hek rommelt geruststellend Euston Road. Een groot gebouw staat er in steigers en blauwe netten verpakt. Op een billboard wordt het bouwbedrijf vermeld: Romulus Construction Works.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor de Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

A sudden horror of the whole place came over me, like a tiger-pounce of homesickness which had been watching its moment. London was hideous, vicious, cruel and above all overwhelming; whether or not she was ‘careful of the type’, she was as indifferent as Nature herself to the single life.

In de Eurostar lees ik Henry James’ English Hours. Ik verhuis van Amsterdam naar Londen omdat ik wil zien of een stad het kan overnemen van z’n makers. Henry James zou maar een paar zinnen nodig hebben om zijn aarzeling te verruilen voor aanbidding.

Twee keer ben ik er geweest, beide keren was het winter. Wat me is bijgebleven zijn de sportschoenen onder mantelpakken en de machinerie van voetstappen, verkeer en rook waar elke glazen draaideur in scharnierde.

Ik heb eerder in een stad gewoond dus ik weet hoe het werkt. Maar deze stad lijkt veel meer dan de voorgaande, te draaien om z’n eigen totstandkoming. Haperend gaan rolluiken open voor een nieuwe dag, terwijl onder het wegdek de eerste metro’s elkaar al een paar keer hebben gekruist. Spiegelende kantoren staan tussen afgebrokkelde gebouwen, glazen loopbruggen verbinden de daken. In de stoepen leggen plotselinge kuilen leidingen bloot. Bossen kabels liggen in de buitenlucht.

Misschien kijk ik de laatste tijd te veel science-fiction films en transformeert de stad hierdoor gewillig in een zelfstandig, gepantserd wezen. Maar zo ver vind ik de werkelijkheid hier niet van af liggen. De woonplaats, die vroeger ter plekke ontstond rondom een reizend houtvuur, is nu een ingewikkelde combinatie van gevels, bruggen en leidingen. Hierbinnen is alles verkeer.

De stroom mensen die zich elke dag verplaatst, verbindt oevers met elkaar. Auto’s parkeren zichzelf in, telefoons verbinden informatie zonder dat je ze iets vraagt, uitwendige liften klimmen langs gebouwen omhoog. Roltrappen monden via tunnels uit op straat.

Bijna zou ik de stad als wezen, z’n eigen gedachten gaan toebedelen en ‘m vertellen zachtjes te doen ’s ochtends als iedereen nog slaapt. Maar dat dat onmogelijk is, komt door de symbiotische relatie met de partij die ik van het begin af aan voor het gemak overgeslagen heb: z’n makers.

En het is in dit spanningsveld dat mijn stukjes zullen ontstaan.

Op de Millenium Bridge verkoopt een man gecarameliseerde pinda’s in plastic bekertjes.

Een vrouw kijkt op naar een torenhoog betonskelet als naar een mammoet in een natuurhistorisch museum.

Een meisje drukt haar half opgerookte sigaret in de mond van een zwerver.