Ik bezoek mijn vader in Italië. Mijn oom haalt me op van het vliegveld; met een hand bestuurt hij zijn Hyundai, met de andere houdt hij zijn mobiel tegen zijn oor. Hij praat over werk. We rijden een heuvel af, draaien door haarspeldbochten. Ik zie groen op groen met hier en daar een rotspartij. Op de kammen van de heuvels staan windmolens; de grijze wieken draaien snel, alsof ze iets in te halen hebben.
‘Op vrijdag heb ik een congres, dan kan ik niet langskomen,’ zegt mijn oom als hij de telefoon heeft weggelegd, ‘maar ik ben er voor het dorpsfeest. Dat zal wel in het water vallen met dit weer. Bizar, deze lente.’
Vrijdag wordt papa achtentachtig. Toen ik hem aan de lijn had gisteren, hadden we het erover. Echt, zo oud al? vroeg hij.
In het huis van mijn vader is het koud. De cv-ketel werkt niet meer, maar aan de telefoon heeft papa er niets over gezegd. Ik trek een vestje aan en drink een glas wijn. Gelukkig heb ik afgelopen kerst, toen ik spullen weggooide, het elektrisch kacheltje bewaard. Ik zet het in de woonkamer. Wanneer ik mijn handkoffer uitpak klinkt uit de badkamer gestommel. Papa vloekt. Ik loop erheen. Hij staat met een schroevendraaier voor de cv-ketel.
‘Je krijgt nog een schok,’ zeg ik.
‘Dat weet ik allemaal wel. Sara.’ Hij spreekt mijn naam met nadruk uit, zoals hij deed toen ik klein was.
Op de wc-pot staat een kruk.
‘Wat doet die daar?’ vraag ik tegen beter weten in.
‘Ik moest ergens op klimmen om bovenop de ketel te kijken.’

‘Zullen we naar de doe-het-zelf zaak gaan,’ stel ik de volgende ochtend voor als ik hem overtuigd heb een nieuwe cv-ketel te kopen.
‘Welke? Die aan de hoofdweg? Daar hebben ze geen ketels.’
‘Ben je al gaan kijken?’ vraag ik en adem diep in.
‘Nee. Maar dat weet iedereen.’
‘Laten we dadelijk even binnenlopen.’
Bij de doe-het-zelf zaak hebben ze wel ketels. Ze staan op een laag schap: vierkante witte kasten die er allemaal hetzelfde uitzien. Ik wijs er een aan.
‘Wat vind je van deze?’ vraag ik.
Papa duwt zijn kin naar voren, een beweging die hij maakt als hij iets afkeurt: ‘Die zijn voor in de keuken.’
Ik wenk een medewerker. Hij vraagt ons hoeveel kilowatt vermogen de ketel moet hebben. Twintig kilowatt. Die van twintig, vertelt de medewerker, staan verpakt in de opslag.
‘Ik wil er een zien,’ zegt papa.
‘Ze zijn hetzelfde als deze van veertig,’ zegt de medewerker. Zijn schouders gaan omhoog en weer omlaag, alsof van boven aan touwtjes wordt getrokken.
‘Je zei net dat ze kleiner zijn,’ zegt papa.
We mogen mee naar de opslag. De medewerker maakt een doos voor ons open.
‘Plaatsen jullie ze ook?’ vraag ik.
‘Nee, maar ik kan jullie wel het telefoonnummer van een monteur geven.’ De medewerker schrijft het nummer van een zekere Alfredo op een papiertje. ‘Als hij niet kan, zijn er genoeg anderen. Iedereen zit zonder werk.’
Alfredo heeft tijd. Hij haalt de ketel op en brengt hem diezelfde middag langs. Hij is een kleine donkere man, met smalle bakkebaardjes. Mijn vader staat in de badkamer naast hem terwijl Alfredo werkt en vertelt over zijn schoonmoeder. Ze heeft keelkanker gehad. Ik ben met mijn laptop in de woonkamer gaan zitten, maar in plaats van aan een document te werken luister ik mee.
‘Als je goede zorg wilt, hoef je niet naar een openbaar ziekenhuis. Daar zijn de wachttijden lang en de lontjes kort,’ grinnikt Alfredo.
‘Ja,’ zegt papa.
‘De slimme jongeren die kunnen studeren, die gaan naar het buitenland. Daar zijn goede opleidingen en daar is werk. Het zal me niets verbazen als er hier universiteiten gaan sluiten.’
Mijn vader mompelt iets wat ik niet kan verstaan. Hij klinkt ongeïnteresseerd.
‘Wist u dat die kapitein, de lulhannes die zijn cruiseschip liet zinken en zijn passagiers liet verdrinken, les geeft? Aan de universiteit nog wel. Over hoe om te gaan in panieksituaties.’
Papa weet volgens mij niet waar Alfredo het over heeft. Als ik er ben, kijkt hij nooit naar het journaal. Ik kan me het incident wel herinneren; het haalde ook in Nederland de voorpagina’s. De kapitein, Schiettino heette hij, ging als een van de eersten van boord.
‘En de kustwachter die hem aanspoorde zijn plicht te doen is teruggezet naar een baantje bij de administratie,’ zegt Alfredo.

Het waait flink wanneer we later op de dag naar het strand fietsen. Papa zwiert over de weg, met de wind mee als een vlieger. Zo vrij stel ik me hem altijd voor: op de fiets naar het strand, of naar het bos om eekhoorntjesbrood en walnoten te zoeken. Ik fiets tussen hem en de voorbijrazende auto’s in. Na tien minuten klaagt hij dat hij het koud heeft, maar hij wilde geen jas aan. Op zijn onderarm heeft hij een korst; een schram die ik herken van toen hij met kerst tegen een kastje liep. Zijn huid is als vloeipapier.
‘Jij moet eigenlijk een fietshelm,’ zeg ik.
‘De kans dat ik val wanneer ik loop is groter.’
De boulevard is opgebroken. Op de enige parkeerplaats staat een handvol auto’s. Daarin zitten mensen, waarschijnlijk uit het dorp, naar de hoge golven te kijken. Een man is naast zijn vrouw in slaap gevallen.
Papa wil niet mee het strand op. Hij wil zich opwarmen in het café. We spreken af dat ik alleen ga en hij op me wacht.
‘Je zult niet lang blijven, dunkt me,’ zegt hij als ik begin te lopen. ‘Sara, ga maar niet te dicht bij de branding,’ roept hij erachteraan. ‘Ik wacht hier wel tot je beneden bent.’
Ik ga op een beschutte plek zitten van waaruit ik papa in de gaten houd. Ik zwaai naar hem. Als hij de boulevard overgestoken is richting het café, loop ik naar de vloedlijn. Ik sta vol in de wind, de zee stuurt wilde golven tot vlak voor mijn voeten. Voordat ik uit het dorp vertrok, vijfentwintig, bijna zesentwintig jaar geleden, keek ik uren achtereen naar de golven. Sinds een aantal jaren blijf ik maar kort, kijk ik wel, maar zie ze niet echt. Hoe vaak zal ik hier nog staan? Bij elk vertrek neem ik afscheid. Ik sluit mijn ogen en probeer aandachtig naar het beuken van de zee te luisteren. Wanneer ik ze open bij drie, zeg ik tegen mezelf, zie ik de golven weer. Een, twee, drie.
Als ik na een minuutje of twintig naar boven loop, wacht mijn vader me buiten het café op: ‘Je bent doorgelopen, hè. Toen ik weer keek was je weg.’
Ik tuit mijn mond en trommel met mijn vingers tegen mijn dij. Hij knipoogt snel naar me.
Terug naar huis fietsen we langs een eucalyptusbos. Volgens papa was het bosje net aangelegd toen hij een jongen was. Er wordt gezaagd. Als we dichterbij komen, zie ik dat veel bomen geveld zijn: er zijn meer parkeerplekken nodig voor toeristen in de zomer. Midden in een kaal veld is een ellips met overgebleven bomen, nog maar een stuk of tien.
‘Wat vind jij ervan?’ vraag ik papa.
‘De jeneverbesstruiken zijn ook weggehaald. Die bloeiden net.’

Op papa’s verjaardag glip ik naar de duinen om takjes van de jeneverbes te plukken. Ze hebben gele knopjes. Het lijkt me een leuk gebaar want een cadeau heb ik niet voor hem.
Als ik ze op tafel neerleg, staat daar een vaas met erin dezelfde takken. Papa komt de kamer binnen. Zoals hij naar me kijkt, met een twinkeling in zijn ogen, lijkt hij op een kind dat in de nacht onder de kerstboom is wezen snuffelen.
‘Van wie heb je die?’ vraag ik en wijs op de takken in de vaas.
‘Van wie denk je?’
‘Is iemand langsgekomen?’
‘Ik ben bij de duinen geweest!’
Die avond willen we uit eten gaan. We lopen door de regen naar de pizzeria. Papa heeft voor de zekerheid een wekker gezet, opdat we niet te laat komen, maar als we voor de deur staan blijkt het restaurant pas over drie kwartier open te gaan. We lopen naar een zaak waar je pizza’s kunt afhalen. Toen ik jonger was werkte ik voor een bakkerij in het pand. Vlak voor de ingang op de stoep ligt een kitten, de ogen nog dicht met smeersel. De kop ligt in een plasje bloed. Waarschijnlijk is het geraakt door een auto en de stoep op geslingerd. Ik meld aan de knul achter de toonbank dat er een dood dier buiten ligt. Hij lijkt er niet van onder de indruk te zijn, maar zegt dat hij het zal weghalen. Als we onze bestelling hebben, stel ik aan papa voor de achteruitgang te nemen. Hij volgt me naar de zijsteeg.
‘Waar zijn we?’ vraagt hij.
‘We hebben de achteruitgang genomen. Je weet wel, waar vroeger het meel geleverd werd.’
‘Je vergist je.’ Hij kijkt om zich heen, draait een rondje om zijn eigen as.
‘Loop nu maar mee.’ Ik neem hem bij de arm.
‘Ik was echt mijn kompas even kwijt,’ zegt hij even later.
‘Geen goed teken.’
‘Niet echt, nee.’
Thuis eten we de pizza’s en toosten op zijn volgende levensjaar.
‘Deze dag is een cadeautje,’ zegt hij.
Als we afruimen weet hij niet meer waar de afval heen moet. Hij loopt rond met de pizzadozen en legt ze uiteindelijk in het keukenkastje. Alles is zo’n ‘zooi’, bromt hij.

Zondag is het feest ter ere van de dorpspatroon. Naar de ochtendmis gaan we niet, wel naar de gezamenlijke lunch. Papa wil zijn nette kleren aan. Hij draagt een hemelsblauw overhemd, waarvan de mouwen met brede elastieken omhoog gehouden worden, een gilet en een stropdas.
‘Zo,’ zegt hij, ‘Netjes hè.’
‘Heel mooi.’
‘Waar gaan we ook al weer heen? Heb ik mijn paspoort nodig?’
Ik kijk naar hem, naar zijn verwarde blik. Papa drijft af, als een bootje, en ik heb geen touw, geen haak om hem terug te halen. Ik knipper vocht weg uit mijn ogen.
‘Ja,’ antwoord ik met geknepen stem, ‘en je vliegticket.’
Dan begint hij te lachen. Een lach die ik sinds mijn komst niet gehoord heb, eentje die van diep opborrelt en vervolgens zacht giert, die me herinnert aan grapjes die we maakten.
Het beeld van de heilige staat midden op het kerkplein, eromheen zijn tafels opgesteld. Kleine troepen mensen hebben zich erbij geschaard. We voegen ons bij mijn oom. Hij zit aan tafel met een aantal mannen uit het dorp. Ze vertellen over een voorval dat jaren geleden plaatsvond. Toen het maanden achterelkaar niet regende werd het beeld in zee gegooid. De mensen uit het dorp vonden dat de heilige zijn plicht niet volbracht. Omdat het van papier-maché was, zoog het zeewater op. Kijk, zeiden ze, onze heilige barst liever dan dat hij voor regen zorgt.
Wijnflessen gaan van hand tot hand, ingemaakte tuinbonen, kaas en gedroogde worst. Ik heb stukjes kaas en worst op papa’s bordje gelegd. Hij is altijd een langzame eter geweest; eerst bestudeert hij het voedsel nauwlettend, schuift het wat rond, alsof hij een openingszet overpeinst, dan kiest hij een eerste hap en kauwt er lang op. Zijn keuze valt nu op een stukje kaas, hij ruikt eraan en stopt hem in zijn mond. Als mijn oom het over de ochtendmis heeft, zegt de vrolijkste van de mannen: ‘Ik was tien toen ik voor het laatst een voet in de kerk zette.’
‘De bar is jouw geloof,’ zegt mijn oom.
De mannen schenken opnieuw wijn bij en zetten hun lijflied in: we gaan drinken in de bar, in de bar gaan we drinken! Papa neuriet mee, zo zoet, dat ik heel even een arm om zijn schouders sla.
Met z’n drieën wandelen we terug naar huis. We lopen door smalle straten. De luiken van de huizen zijn dicht omdat de huizen verlaten zijn. Langs de weg staat een zwart kippetje, ze lijkt te bibberen van de kou. Papa maakt geluidjes naar haar.
‘We zouden haar kunnen meenemen,’ zegt hij.
‘Wat moet je met een kip?’ vraagt mijn oom.
‘Zodat ze eieren voor hem kan leggen,’ antwoord ik.
Als we bijna de hoek om zijn, blijft mijn vader staan: ‘We nemen haar mee en geven haar iets te eten.’
‘Ze is van iemand,’ zeg ik. De zin galmt in de straat na als het hard dichtvallen van een deur. Plotseling verlang ik naar mijn eigen huis, naar Nederland, zelfs naar mijn werk. Papa lijkt me niet gehoord te hebben, hij loopt terug, maakt sussende geluiden en gebaren naar de kip.
‘Kijken of ze zich laat pakken,’ zegt hij. Maar de kip loopt van hem weg, rechts links, tokkelt luid en lang. Hij gaat gebukt achter haar aan.
‘Laat haar toch,’ zegt mijn oom, desondanks drijft papa de kip op tot in een hoek.
‘Papa, luister nou eens,’ roep ik. Ik loop naar hem toe en grijp naar zijn arm, krijg echter alleen de mouw van zijn overhemd te pakken. Hij trekt zich los, duikt voorover, tilt het hoopje donkere pluimen op en houdt het op ooghoogte voor zich.
‘We doen haar op ons balkon,’ zegt hij.
Mijn oom fronst zijn wenkbrauwen.
‘Ze klagen je aan voor diefstal,’ zeg ik.
We halen hem over de kip in het openbare plantsoen voor ons huis te laten. Papa haalt binnen wat brood, scheurt het in stukjes en staat erbij terwijl de kip eet.
‘Als de Albanese buurman haar ontdekt, gaat hij haar zeker plukken,’ zegt hij.
Mijn oom moet weg; hij heeft nog een afspraak. Ik loop een stukje met hem mee.
‘In het dorp is geen hulp voor je vader. Uiteindelijk zal hij in de stad moeten worden opgevangen,’ zegt hij bij ons afscheid.
Ik knik.

Op de laatste dag van mijn bezoek gaat papa mee tot op het strand. De zon schijnt, maar het strand is zo goed als verlaten. De zee is van een doorzichtig grijsgroen. Een bouwvakker freest of boort, ik hoor het verschil niet.
‘Je wilde gaan zwemmen,’ zeg ik op gegeven moment.
‘O ja. Moet ik mijn kleren uitdoen?’
‘Dat is geen slecht idee.’
Hij opperde eerst, een beetje baldadig, dat hij een frisse duik wilde nemen. Toen waren we al van huis weg zonder zwemspullen, maar papa is dol op zwemmen, dus herinner ik hem eraan. Hij begint zijn kleren al uit te doen. Het gilet, het hemelsblauwe overhemd; hij draagt hetzelfde als gisteren, alleen de das heeft hij niet omgedaan. Dan trekt hij zijn sandalen, zijn sokken, zijn broek uit. Een voor een legt hij ze met lange halen naast me neer.
‘Ik ga dan.’
Hij staat op en loopt richting de branding. Hij draait zich nog een keer om en zoekt mijn blik: ‘Het zal niet te koud zijn, toch?’
‘Maak je benen eerst een beetje nat,’ hoor ik mezelf zeggen.
Van achteren is hij een iele man in een te grote onderbroek en een ouderwets onderhemd. Als meisje wilde ik dat hij me leerde zwemmen. Hij kon helemaal niet goed zwemmen, want hij had het zichzelf geleerd net als alle kinderen uit het dorp. Maar elke keer als ik erover begon, sprong hij op en rende met me mee de zee in. Zo moet je het doen, riep hij dan en hield zijn hoofd krampachtig boven water terwijl hij met zijn voeten achter zich trapte.
Papa is het water ingegleden. Hij doet weer een brave schoolslag, zijn hoofd ruim boven de zeespiegel. Ik kijk naar de duinen rechts waar het licht nu zilverachtig is. De planten hebben een zachte pastelkleur. Ik hoor niets behalve het breken van de golven en de bouwvakker die aan het werk is. Alleen op de golfslag acht ik, nu vlak voor me, even niet op het diepe waar cruiseschepen vergaan en heiligen barsten.
Als ik weer focus op de plek waar papa was, zie ik een lege zee. Het is stil rondom me: de bouwvakker is gestopt met frezen of boren. Ik leg een hand op het hemelsblauwe overhemd en adem ijlere lucht in dan net, mijn lichaam lijkt weg te zinken in het zand. Ik sluit mijn ogen. Als ik ze weer zal openen, denk ik, zie ik zijn hoofd weer boven water komen. Een, twee, drie.

Beeld © Rosanna del Negro