Vladimir Nabokov, Rob van Essen: de redactie las een meesterwerk waarin de vorm werkelijk iets over het verhaal zegt, en een belcampische verhalenbundel die de werkelijkheid eerst subtiel, dan stormachtig verdraait.

*

Thomas Heerma van Voss: Vladimir Nabokov, Bleek vuur

Afgelopen week werd me door De Groene Amsterdammer gevraagd wat mij boeken van het jaar zijn, en anders dan voorgaande jaren leverde ik niets in: ik kwam er gewoonweg niet uit. Te weinig nieuws gelezen, al met al. Wel enkele boeken die ik sterk vond, zo was ik geïntrigeerd door Merijn de Boers De Saamhorigheidsgroep, maar ik las geen boek waarbij ik dacht: dit is het boek van 2020. Misschien kan dat ook niet, misschien is het flauw om dan niet alsnog een paar titels te noemen. Maar wat wellicht ook meespeelde, is dat ik nu juist afgelopen week een roman uitlas die ik wél verpletterend goed vond, beter dan al het andere wat ik dit jaar las.

Bleek vuur, het boek dat Nabokov uitbracht kort na zijn internationale doorbraak met Lolita, is ontwrichtend, zeer origineel, grappig, slim, op een vreemde manier ook ontroerend; het boek (ik las het in de vertaling van Peter Verstegen) duwde me een draaikolk van uiteenlopende emoties in – waarvan mijn bewondering uiteindelijk het grootst is. Wat een schrijver. Wat een meesterwerk. Ik ben nog niet uitgedacht over het boek, in zekere zin is mijn denken erover pas begonnen, dus dit is geen gedegen analyse, alleen een paar korte eerste indrukken.

Het idee van Bleek Vuur is jaloersmakend sterk. De roman is opgedeeld in drie delen: een inleiding, een gedicht, en (het lijvigste deel van het boek) annotaties bij dat gedicht. Die annotaties en inleiding zijn geschreven door Kinbote, een typisch Nabokov-personage, eloquent, intellectueel, jaloers, af en toe vreemd woedend. Het gedicht is geschreven door de overleden Shade, een vermaard dichter naast wie Kinbote leefde. Kinbote krijgt dat gedicht in handen, en al in de inleiding stelt hij dat de omgeving van Shade daar niet blij mee is:

‘Het dikke venijn van de afgunst begon in mijn richting te spuiten zodra de universitaire tuindorpbewoners beseften dat John Shade mijn gezelschap meer op prijs stelde dan dat van enig ander.’

En even verderop:

‘Onze hechte vriendschap stond op dat hogere, puur intellectuele plan waar men kan bekomen van emotionele problemen in plaats van ze te delen.’

Deze zinnen zijn kenmerkend voor Bleek Vuur, en voor de hoogdravende, soms tamelijk ridicule taal van Kinbote. Het mooie: die taal past bij hem, en in Bleek Vuur trekt hij in zekere zin een langdurig rookgordijn op van fraaie, scherpe, komische formuleringen en annotaties:

‘Ik begrijp niet wat dit [fragment] met fietsen te maken heeft en vermoed dat deze wending van Shade een werkelijke betekenis heeft. Zoals andere dichters vóór hem lijkt hij zich hier te hebben laten meeslepen door misleidende eufonie.’

En:

‘Volgens de kalender had ik hem maar enkele maanden gekend, maar er bestaan vriendschappen die hun eigen innerlijke tijdsduur schepen.’

Iemands rimpels ‘zitten scheef, iemand verschijnt in ‘tamelijk conventioneel maar schoon ondergoed’, en zo gaat het maar door. Niets wordt zomaar plompverloren medegedeeld, alles wordt in geuren en kleuren beschreven, Nabokov strooit met adjectieven en bijstellingen, zonder uitzondering doeltreffend. Mijn exemplaar staat onder de streepjes en uitroeptekens, en wat nog los van de vele sterke vondsten zo knap is aan dit boek: die vorm zegt werkelijk iets over het verhaal, de centrale thema’s passen perfect bij de vorm waarin die beschreven zijn.

Want meer en meer blijkt Kinbote een leugenachtig, tamelijk wereldvreemd type, hij rekt de grenzen die hij zichzelf in zijn annotaties stelt steeds verder op, bekent dingen die hij eerst geheim wil houden, gaat in intrigerend verkapte vorm in op zijn verleden, waarin hij vluchtte uit het Zembla. Her en der las ik al dat dit metaforisch slaat op Nabokovs eigen verhuizing van Rusland naar Amerika, elders las ik overtuigende theorieën die erop neerkwamen dat Kinbote en Shade eigenlijk hetzelfde personage zijn.

Zo las ik deze roman niet, maar wat ik al schreef: ik ben nog niet uitgedacht over Bleek Vuur. Nu las ik vooral een verhaal met een prachtig springerige opzet – doordat het merendeel de vorm van annotaties heeft kan Nabokov heel makkelijk springen tussen de ene scène en de andere – en een toon die het getroebleerde hoofdpersonage onvergetelijk tot leven roept. Mijn boek van het jaar.

De Bezige Bij gaf Bleek vuur uit, er is nog een e-book beschikbaar. Gedrukte, tweedehands edities, vind je op Boekwinkeltjes.nl.

Daan Stoffelsen: Rob van Essen, Een man met goede schoenen

De beste reden om aan Belcampo te denken, is Belcampo’s oeuvre. Zijn beroemde verhalen (‘Het grote gebeuren’, ‘De dingen de baas’), zijn beste verhalen (‘De surprise’, onlangs verfilmd (maar door mij herinnerd onder de boektitel De ideale dahlia), ‘Avontuur in Amsterdam’) en in zijn algemeenheid zijn vermogen om iets fantastisch te creëren met een vertrouwenwekkende ik-verteller in een bekende wereld. Belcampo was voor mij de brug van de jeugdliteratuur (Beckman, Terlouw, Hartman) naar de volwassenenliteratuur.

Een andere, concrete aanleiding zal ook hebben meegespeeld: ik stuurde De surprise, een gelegenheidsbloemlezing met Georgina Verbaan op het omslag, als Sinterklaascadeau naar mijn neefje en nichtje.

Maar dat is niet de enige reden dat ik aan Belcampo denk: Een man met goede schoenen ademt op momenten Belcampo. Er zijn dubbelgangers en tijdreizigers, Amsterdam is vaak het decor, die ik is enorm vertrouwd – zoals Belcampo zijn huisartspraktijk inzette, doet Van Essen dat met zijn schrijversrol – en er is telkens een vlaagje absurdisme dat niet zelden aanwakkert tot een verbijsteringwekkende storm. Meestal is het ook enorm geestig (hardop lachen, dat heb ik de afgelopen (her)leesperiode wel gemist), door een vondst (een shortcut naar mijn middelbare school, ‘In de kelder van de Kruidenier’, die had ik ook wel gewild, maar is dat wel praktisch? Van Essen beantwoordt de vraag) of een zijdelingse opmerking.

‘Langzaam kwam er meer leven in de avond. De leden van de groepjes waar het koninklijk paar langs was geweest, praatten harder, en vermengden zich met elkaar, alsof daar sprake was van ontspanning en opluchting. Ik stond in het laatste groepje. De koning schudde mijn hand en noemde mijn naam. Ondanks het informele gehalte van de avond was het net of hij mij die naam op dat moment schonk, en ik had bijna tegen hem geroepen: maar zo heet ik al!’

Tijdens dit bezoek aan het koninklijk paleis steekt dus nog een bescheiden orkaan op. Het verhaal heet ‘De glazen kamer’. En vóór ik op de concreetste, duidelijkste aanleiding stuit om over Belcampo (1902-1990) te schrijven in de bespreking van een verhalenbundel uit 2020, dist Van Essen geweldige, navertelbare (maar beter na te lézen) geschiedenissen op van geschoren zwervers, therapeuten en tuinkabouters en familieopstellingen, Nooteboom in Eindhoven, een mysterieuze logé, een melancholische zwerftocht door Oost en een ziekenhuis en die kruidenier dus. Enorm rijk, deze bundel.

*

Pas op pagina 120 duikt Belcampo zelf op. Het verhaal zelf is bijna Nescio-achtig melancholisch (net als dat ziekenhuisverhaal) – maar ja, Grönloh en Schönfeld kenden elkaar ook goed -, en begint met een wandeling maar er zit wel degelijk een eigenaardig reïncarnatie- of dubbelgangermotief in, en zo introduceert hij het de schrijver:

‘Er is een verhaal van Belcampo waarin de verteller één dag lang alle Amsterdammers wil zijn (door een deal met God te sluiten lukt het hem) en ik kan me die wens goed voorstellen. Zelf zou ik dan eerst zestig jaar terug in de tijd willen gaan, tien jaar voor mijn geboorte; en ik zou niet alle Amsterdammers willen zijn, maar wel alle Amsterdamse kinderen, zoals ze op die foto’s staan.’

(Dat verhaal heet ‘Avontuur in Amsterdam’, het is bijna net zo oud als Van Essens wens, uit 1959, en het is climactisch sterk.)

Het verhaal draait om een dubbelgangersherkenning, en draait uit op een verlate inlossing van bovenstaande wens.

‘Ik stond met mijn handen in mijn jaszakken naar de regen te staren en toen ze op vragende toon mijn naam noemde, zei ik automatisch: “Ja, natuurlijk.”
Maar ze had me Klaasje genoemd en zo heet ik helemaal niet. “Nee, nee,” zei ik, maar ze bleef voor me staan. Het vel van haar paraplu versterkte het geluid van de druppels die erop vielen, de rest van de bui werd achtergrondgeruis. Er gleden ook druppels over haar wangen, regen dacht ik aanvankelijk, omdat dat een logische gevolgtrekking leek, het regende immers — maar ze droeg een paraplu, ze huilde. “Nee, het kan niet,” zei ze, “Klaasje is al heel lang dood.”‘

Weer die naamsverwarring, ‘zo heet ik helemaal niet’, maar het is vooral zo mooi dat de scène hier uitgerekt wordt, stil en kaal: versterkt druppelgeluid, de rest van de bui achtergrondgeruis, en een geleidelijke overgang van geluid naar beeld, van regen naar tragedie. En een dialoog die scherpgesneden is op een droevig misverstand. Of niet?

*

Van Essen schiet het belcampische voorbij. Hij is een betere stilist, een modernere althans, en komt ook met metaliteraire (bijna thomésiaanse, als bij J. Kessels) en abstractere (bijna austeriaanse) verhalen. Maar het is dezelfde fantastische inspiratie, die maakt dat in elk verhaal de werkelijkheid eerst subtiel, dan vaak er totaal anders uitziet. Een man met goede schoenen is een geweldig boek. Lezen.

Een man met goede schoenen werd uitgegeven door AtlasContact. Het titelverhaal is te lezen op Athenaeum.nl.