Wat te doen met een maatschappelijk fenomeen dat zo bepalend is als de pandemie, en de maatregelen ertegen? Is eromheen te leven? Of omheen te schrijven? Vragen die Roos van Rijswijk een avond lang in de kroeg bezig hielden. Lees haar essay ‘Een wereld met of zonder’.

*

In een druk café jammer ik lichtelijk aangeschoten tegen mijn medeschrijvers aan. Hoe verhouden zij zich als schrijver tot de pandemie? Dringt COVID-19 door tot in hun romans en verhalen? Wisselen ze van ellende misschien van genre? Heeft iemand mijn biertje zien staan?
Rob van Essen, die met een glaasje cola in zijn hand tegen een tafeltje leunt, is van mening dat we de pandemie nog maar even moeten negeren: ‘“Schrijven is schrappen”,’ zegt hij, ‘moeten we nu misschien vervangen door “schrijven is negeren”.’ Sanneke van Hassel (ze krijgt net een pilsje in haar handen gedrukt door iemand van de organisatie) was dat ook van plan, maar ‘het sluipt er vanzelf in’. Jan-Willem Anker proost ietwat moedeloos met een drankje waar de prik uit is en laat weten dat schrijvers met kinderen überhaupt niet meer schrijven. Alma Mathijsen schreef de pandemie haar roman in en schrapte hem net zo hard weer. ‘Twee enerverende maanden,’ zegt ze, en neemt een slok uit het glas van een van haar vrienden. Wisselende reacties, uiteraard, dat is niet erg, ik zoek ook geen sluitend antwoord. Zelf weet ik niet hoe ik me als schrijver tot de pandemie moet verhouden. Ik vind mijn biertje op een hoek van de bar, althans, ik denk dat het mijn biertje is, ik drink het hoe dan ook leeg.

Vaak denk ik aan artikelen en onderzoeken over literatuur ná. Ná de Tweede Wereldoorlog, ná elf september. Ergens heb ik gelezen, maar waar weet ik niet meer, dat de beste literatuur over een hevige gebeurtenis of periode, vaak een hele tijd na dato verschijnt. Maar dan ga je er dus al vanuit dat je inderdaad over het Hevige schrijft, en het niet, zoals Rob van Essen bepleit, negeert terwijl je er middenin zit. Schreven schrijvers in de Tweede Wereldoorlog over een wereld waarin niets aan de hand was? Hoe ziet het tijdens eruit, in de letteren?

Het probleem is dat ik niet alleen in het duister tast over hoe ik me als schrijver tot de huidige situatie moet verhouden. Ik snap (zoals wij allen) regelmatig helemaal niet meer hoe ik me als persoon tot de hele pleuriszooi moet verhouden. Alles, echt alles, gaat net even anders. Boodschappen doen, verkouden zijn, het sociale verkeer, vriendschappen – laatst betrapte ik mezelf op de gedachte dat ik zin had om mensen die ik helemaal niet aardig vind, of zelfs verschrikkelijk, in een stampvolle kutkroeg tegen het lijf te lopen. Ik ben vers verliefd en ook dat gaat anders; we leren elkaar in een vreemde volgorde kennen. ‘Straks blijk ik in sociale context een vreselijk mens te zijn,’ heb ik weleens uitgeroepen, ‘of jij!’
Normaal gesproken, nee, ik moet geloof ik ‘vroeger’ zeggen, of ‘eerder’, was zulke verliefdheid misschien het enige nieuwe waar ik me toe zou moeten verhouden. Ik was er ongetwijfeld eerst stiekem een paar erg slechte gedichten van gaan schrijven, vervolgens een paar minstens zo slechte verhalen. Die verhalen zou ik vervolgens als voedingsbodem gebruiken voor iets zinnigers, later. Ik zou dat rozerode gevoel kunnen ontleden tot kleinere sensaties, daar fictieve situaties en personen aan verbinden die misschien niets meer met mijn huidige hormonale staat te maken hebben. Wat ik bedoel: ik schrijf uiteindelijk altijd, maar meestal indirect, over wat me bezighoudt. Over het nieuwe, het andere, het niet-begrijpen. In dit geval, in het pandemiegeval, heb ik daar helemaal geen zin in.

‘Een coronagedicht,’ zegt Florence Tonk terwijl ze de kop van een jenevertje nipt, ‘is al achterhaald als het uit de printer rolt.’

Volgens mij ben ik het daar als lezer niet mee eens. Ik houd ervan als literatuur iets kan duiden waar ik zelf nog niet helemaal uit ben. Of als literatuur vragen opwerpt, ja, gewoon nog meer vragen, over een situatie die ik niet begrijp: andermans onbegrip kan ook troostend zijn. Als lezer van verhalen vind ik het ook niet vervelend om nu (af en toe) over de pandemie te lezen. Onderstaand fragment lees ik in het verhaal ‘Matroesjka’s’ uit Treinen en kamers, de pas verschenen verhalenbundel van Annelies Verbeke:

‘“We zijn er,” zei ze. Het moest ooit een boerderij zijn geweest, haar grote, verzorgde huis, met een binnenplaats en gebouwen eromheen, waarvan sommige waarschijnijk als stal hadden dienstgedaan.
“Bed and breakfast,” zei ze […] “de toeristen zullen toch niet meteen terugkeren.”
Wat bedoelde die gekkin in hemelsnaam? Ze wist niet eens hoe ik heette.
De ontmoeting met haar vader droeg bij tot mijn overtuiging in een vreemde droom te zijn beland. Hij vroeg haar of het wel veilig was om op dit moment een zadel te delen, maar leek verder niet van mijn komst op te kijken.’

In ‘Matroesjka’s’ denkt een meisje een jonge jongen te paard te ‘redden’ van een ongelukkige thuissituatie. In werkelijkheid is hij een incel, een vrouwenhater. Het virus komt in dit verhaal – en in meer verhalen van Verbeke – haast terloops langs en dat vind ik heel interessant. Alleen al om het gegeven dat, waren deze verhalen een jaar geleden verschenen, ze als ‘dystopisch’ zouden worden gewaarmerkt. Maar ook omdat door de pandemie in verhalen verwerkt te zien, hij deel wordt van het leven. In plaats van iets gruwelijks waar je verdwaasd en van een afstand naar staat te kijken, bedoel ik.
En als schrijver? In mijn eigen verhalenbundel, die over twee weken uitkomt, staan twee verhalen die zich tegen de achtergrond van het virus afspelen. Het zijn ook de enige twee verhalen die gebaseerd zijn op mijn eigen leven, dat ik normaal gesproken halsstarrig uit m’n fictie probeer te houden. Maar net als dat ik er niet aan moet denken om een hele bundel, of een hele roman, aan mijn eigen leven vast te zitten (het is juist zo lekker daar eens goed van weg te drijven), weet ik vrij zeker dat ik niet nog jaren over corona wil schrijven. Dat heeft met achterhaaldheid of eeuwigheidswaarde weinig te maken. Ik zou het gewoon zo zát worden.

Het wrede is dat mijn afkeer van het onderwerp een hoop verraadt waarvan ik niet weet of deze zinvol is. Hoe hard ik ook probeer nergens op te hopen in deze tijden, ergens in mijn brein sluimert een cel die zegt: over een paar jaar is alles weer normaal. Dan hoef je, als je er geen zin in hebt en geen directe gevolgen van ondervindt, niet meer bezig te zijn met de pandemie. Inderdaad: ik sta nog altijd verdwaasd van een afstand naar de situatie te kijken. De situatie die dus niet alleen de pandemie, maar het hele fucking bestaan behelst. Dat is, als je wilt schrijven, een bijzonder ongelukkige uitgangspositie. Een die hoogstens uitmondt in roepverhalen waarin je je verbazing wilt delen – alsof de rest van de wereld niet verbaasd (of bang, of woedend) is.
Die verbazing kan ik gaan ontleden, bedacht ik laatst; wat is dat grijszwarte gevoel dat me zo overvalt, dat het rozerode haast omver kan blazen? Hoeveel procent angst, hoeveel liter chagrijn, hoeveel draden hoop en wanhoop, en zie ik daar een korrel sensatiezucht? Aan welke fictieve situaties en personen kan ik die sensaties verbinden? Ik tuimelde vrijwel onmiddellijk weer het oorspronkelijke probleem in; dan heb ik die sensaties, personages, situaties, maar in wat voor wereld zet ik die neer? Een met of een zonder? Ik heb geen antwoord, daarom stelde ik die vraag aan mijn collega’s, die nu allemaal geamuseerd toekijken hoe twee redacteuren hartstochtelijk uit de maat dansen op Prince’s ‘1999’.
Waarschijnlijk is wat ik mijn studenten altijd toebijt het enige redmiddel dat er is, voor mij dan toch: om te kunnen schrijven, moet ik lezen. Ook over de pandemie die een monster is, maar even vanzelfsprekend aanwezig als een blauwe lucht in de lente. Meer lezen, dus. En minder nadenken, dat leer ik van Eva Meijer, die ook iets te zeggen heeft op mijn vraag. Ze schrijft haar antwoord, niet omdat het te luid is in de kroeg, maar omdat we helemaal niet in een kroeg kunnen zitten. Ik deed, bij gebrek aan sociaal leven, een oproepje aan mijn schrijvende collega’s op Twitter.
Meijer tikt: ‘Ik denk eigenlijk nooit na over wat ik schrijf (pas bij mijn eerste redactieronde) en heb er ook geen macht over.’
Verrukkelijk lijkt me dat. Je ogen dicht, bij wijze van, en als je ze weer opendoet verbaasd staan over je eigen woorden, in plaats van die gonzende klerewereld om je heen.

Roos van Rijswijks nieuwe boek heet De dwaler, en het is bij elke boekhandel te bestellen.
De schrijvers op de foto komen niet voor in dit artikel.