Anne Boyer: de redacteur begon aan een talig, onomfloerst persoonlijk en hard essayboek over kanker – dat het intieme overstijgt.

*

Daan Stoffelsen: Anne Boyer, Het ontsterven

Het thema is omgeslagen naar kanker. Ik ben begonnen aan Anne Boyers essayboek Het ontsterven (The Undying, vertaald door Henny Corver), dat gisteren verscheen; ik lees een eerste proef met passende traagheid op mijn e-reader. De Amerikaanse dichteres (geen familie van Marian Boyer (1954-2013), wier post-operatieve roman Fantastisch lichaam ik destijds heel indringend vond) kreeg er een Pulitzer voor, en ik begrijp dat wel. In korte hoofdstukken, met kernachtige alinea’s, beschrijft ze onomfloerst de val van de patiënt, de pijn en het ongemak. Ze haalt er klassieke en moderne literatuur bij, en toont een betrokkenheid die het persoonlijke overstijgt.

In haar voorwoord is ze al snoeihard en trekt ze het maatschappelijker dan alleen het lichamelijke en persoonlijke, om te besluiten met een talige invalshoek:

‘Iedereen die borstweefsel heeft kan borstkanker krijgen, maar het zijn vooral vrouwen die er de desastreuze gevolgen van ondervinden. Bij vrouwen met borstkanker kunnen die desastreuze gevolgen de vorm hebben van voortijdige dood, een smartelijk sterfproces, ziekmakende behandelingen, ziekmakende nawerkingen van behandelingen, verlies van partners, inkomen en vermogen. Maar die rampspoed is vaak ook het gevolg van het maatschappelijke moeras waarin je bij kanker belandt — klassenpolitiek, achterstelling van vrouwen, ongelijke overlevingskansen op grond van ras, het roterende schema van warrige instructies en brute mystificaties.

Zijn weinig ziektes zo rampzalig voor vrouwen als borstkanker, nog veel minder ziektes veroorzaken zoveel pijn en leed. Die pijn en dat leed worden niet alleen veroorzaakt door de ziekte zelf, maar ook door wat erover wordt geschreven, of niet geschreven, of door de vraag of erover moet worden geschreven, of op welke manier. Borstkanker is een ziekte die zich presenteert als een ontregelende vormkwestie.’

Ik voel toch even aan mijn eigen borstweefsel. Kanker is al langer een belangrijk onderwerp voor mij, het lift al een kleine dertig jaar mee, sinds mijn moeder het voor de eerste keer kreeg, en nog lang nadat ze eraan overleed. Het is persoonlijk – voor mij, voor vele andere direct of zijdelings getroffenen, en dus ook voor Boyer. Maar Boyer maakt er meer van, op het moment dat het een ‘ontregelende vormkwestie’ wordt, is het een literair thema. En dan is dit wat schrijvers moeten doen: niet beschrijven, maar inschrijven, ómschrijven. Dus het medisch-analytische in de zorg duiden, de opgelegde positiviteit veroordelen, de terminologie kraken. Ja:

‘We worden ziek, “vallen” ziek, en onze ziekte valt onder de harde hand van de wetenschap, valt op glaasjes onder zelfverzekerde microscopen, valt in verbloemende leugens, valt in medelijden en public relations, valt in nieuwe pagina’s geopend op je browser en nieuwe boeken op de plank. Dan is er dit lichaam (mijn lichaam) dat slecht overweg kan met onzekerheid, een leven dat onder de uitheemse terminologie van de oncologie openbreekt en dan in de kloof van die taal valt.’

Hier heeft Henny Corver vast zitten zwoegen. ‘Fall ill’ zal er gestaan hebben, maar ‘vallen’ is zo essentieel, ook verderop, dat dit oneigenlijke gebruik gerechtvaardigd is, poëtisch zelfs, en niet zoals de ‘uitheemse terminologie van de oncologie’. Ik las vorige week Lieke Marsmans Wereldkankerdag-gedicht, dat met opgewekte verhoudingen van een op drie begint, en in vrije val eindigt:

‘En een op de drie krijgt kanker. Ziet de arts de gang op komen, weet eigenlijk de uitslag al. Die blik: de proclamatie van een ramp. — Ziet het gewone leven op een sloepje stappen, is de galeislaaf bij zijn eigen zinken.’

Zo werkt literatuur: het heel prozaïsche van de aanzegging, en dan het beeld van zelfvernietigende onderwerping. Daar schrijft Boyer ook over. Ze las natuurlijk Susan Sontag, maar ook Aelius Aristides, die naar de tempel van Asclepius ging om mogelijke therapieën in zijn dromen te ontvangen, en ze leest alle chemotherapiebijsluiters, zodat ze, als de echtgenoot in de Noorse film Hope (2019, bekeken via Picl) PubMed als haar ‘nieuwe beste vriend’ lijkt te beschouwen. Ze scheidt de dodelijke ziekte van de vernietigende behandeling; voor haar eerste behandeling draagt de verpleegster een beschermend pak, het toegediende middel komt samen met mosterdgas in de bloedbaan. We bestrijden dood met dood.

Ze ziet ook de bureaucratie, en draait het om:

‘Ik ben ziek en vrouw. Ik noteer zelf mijn naam. Bij elke afspraak krijg ik een uitdraai uit de centrale database die ik moet aanvullen of fiatteren. Zonder ons zouden de databases leeg zijn.’

En maakt eindeloos vergelijkingen die de ziekte de gezonde wereld in trekken.

‘In de week voor de chemo is het alsof je je voorbereidt op een winterstorm, of een winterstorm en een logé, of een winterstorm, een logé en een bevalling; of het is misschien ook alsof je je voorbereidt op al deze drie plus een vakantie, griep en een korte maar hevige depressie, terwijl je nog nahikt van de vorige storm, logé, bevalling, vakantie, griep en depressie.’

Nóg een winterstorm! Een indrukwekkend boek over ziekte en vrouwen en pijn en woede en bedden en de afwas – en dan moet ik nog 55% lezen.

En ik zag dus Hope, waarin regisseuse Maria Sødahl haar eigen ziekteverhaal gefictionaliseerd heeft: een fatale hersentumor, net voor kerst. Een vreselijk vonnis, zeker als je hebt kennisgemaakt met haar lieve samengestelde gezin, dat ook de niet-perfecte balans tussen haar en haar oudere echtgenoot ondermijnt. Bizarre stemmingswisselen, pijnlijke eerlijkheid en ontroerende momenten wisselen elkaar af. Bijzonder overtuigend, goed gedoseerd en gespeeld, met bijna-identieke ziekenhuiskamers en autoritten met wezenlijke gesprekken, en van die vragen die je jezelf gaat stellen: hoe zou ik reageren, hoe zou ik helpen, voelen, aanraken?

Kunst belicht het onzichtbare, en dat doet zo’n film veel directer dan een boek. Maar het thema dringt zich weer bij me naar de voorgrond en met Boyers boek ontpopt het zich als een nieuwe lens op het lichaam en de wereld.

Het ontsterven verschijnt bij AtlasContact.