Deze week gelezen: Anthea Bell over W.G. Sebald

Deze week gelezen: Anthea Bell

Anthea Bell over W.G. Sebald: de redacteur stuitte op een mooie beschrijving van vertalerscorrespondentie en, midden in de mist van onvertaalbaarheid, een prachtig citaat over een ballingschap in taal.

*

Daan Stoffelsen: Anthea Ball, ‘A Translator’s View’, en W.G. Sebald, Austerlitz

Ik lees wat minder. Wat korter ook. Ik las een mooi essay van Anthea Bell (1936-2018), de bekroonde vertaler van de Asterix-reeks, Kafka, Freud, Zweig, Hans Christian Andersen, Saša Stanišic, Hans Magnus Enzensberger – en W.G. Sebalds Austerlitz. Daarover gaat haar beschrijvende essay ‘A Translator’s View’ in Five Dials #26, een bewerking van een gesproken bijdrage aan de BBC uit 2011. Ik kwam het op spoor toen ik op zoek was naar meertalige auteurs, en de inleidende woorden waren veelbelovend:

‘After thirty years teaching at the University of East Anglia, he could easily have written in English, but he preferred to write in his native language and be translated. How closely would I be able to reproduce his unique voice in English? That is always the translator’s aim. The process itself, I’ve found, cannot be described without the use of metaphor, so we speak figuratively of finding the right voice, or of translation as a performance art like acting, or of trying to get inside the author’s mind.’

Ze vertelt vervolgens veel over de communicatie rond het vertaalproces, een uitgebreide variant van de stukken in de Athenaeum-vertaalrubriek, en Sebald blijkt een ouderwetse briefschrijver te zijn, en een goede gesprekspartner: ‘Some of these points ran to several exchanges in our correspondence, and it was interesting to be working with an author whose own English was so good. Because of that very fact, I think, if occasionally I insisted that one phrase sounded better in English than another, he would accept it.’

Ze schrijft dat Sebald ‘knew that language develops of its own accord, and his account of Austerlitz’s nervous breakdown, when language itself fails him, is eloquently moving’. Ik twijfel of die ‘and’ hier daadwerkelijk wat illustreert of vooral een bruggetje is naar dit citaat, en terwijl we ver afgedwaald zijn van mijn oorspronkelijke interesse in naar andere gebieden, citeert ze die beschrijving, veel minder uitgebreid dan in het boek overigens. Daar stond het zo:

‘If language may be regarded as an old city full of streets and squares, nooks and crannies, with some quarters dating from far back in time while others have been torn down, cleaned up and rebuilt, and with suburbs reaching further and further into the surrounding country, then I was like a man who has been abroad for a long time and cannot find his way through this urban sprawl any more, no longer knows what a bus stop is for, or what a back yard is, or a street junction, an avenue or a bridge The entire structure of language, the syntactical arrangement of parts of speech, punctuation, conjunctions and finally even the nouns denoting ordinary objects were all enveloped in an impenetrable fog.’

Ik moet denken aan Jannie Regnerus’ Wolkenpaviljoen, waar de stad een beeld is voor het geweten (‘Nu Luut veertig is en achteromkijkt, is zijn geweten bebouwd. Op de groene velden zijn bouwwerken verrezen en er is ook al verval. Luut heeft zijn falen ondergebracht in schimmige stegen, in krotten waarvan hij de ramen en deuren met planken heeft gebarricadeerd. Uitgerekend deze panden hebben zichzelf tot beschermd stadsgezicht verklaard, ze weigeren hun grond af te staan. Het liefst zou hij ze met een sloopkogel neerhalen en de vrijgekomen kavels met koolzaad en papaver inzaaien.’). Ik blijk dat al eerder volledig geciteerd te hebben, een bewijs van de kracht van het beeld, of van de herhaling, en ook toen moest ik aan Jan van Akens variant op het geheugenpaleis denken: ‘innerlijke stadskwartieren’ waarin straten en huizen kennis bevatten.

Maar wat Bell natuurlijk interesseerde, althans dat moet ik aannemen want ze springt snel verder, was het zeer sebaldiaanse beeld van de terugkeer van de balling, de ‘urban sprawl’ en het verdwalen, de ondoordringbare mist. Nee, het is meer dan dat beeld van de balling. Want al kan een stad onherkenbaar blijken bij terugkeer, een bushalte herken je nog wel, toch? De functies van elementen kun je dan nog wel duiden. Sebalds beeld is veeleer als dat van de immigrant in een totaal andere cultuur. En dat is daadwerkelijk beangstigend: geen vertaling van een bekende werkelijkheid meer weten te maken.

‘Wenn man die Sprache ansehen kann als eine alte Stadt, mit einem Gewinkel von Gassen und Plätzen, mit Quartieren, die weit zurückreichen in die Zeit, mit abgerissenen, assanierten und neuerbauten Vierteln und immer weiter ins Vorfeld hinauswachsenden Außenbezirken, so glich ich selbst einem Menschen, der sich, aufgrund einer langen Abwesenheit, in dieser Agglomeration nicht mehr zurechtfindet, der nicht mehr weiß, wozu eine Haltestelle dient, was ein Hinterhof, eine Straßenkreuzung, ein Boulevard oder eine Brücke ist. Das gesamte Gliederwerk der Sprache, die syntaktische Anordnung der einzelnen Teile, die Zeichensetzung, die Konjunktionen und zuletzt sogar die Namen der gewöhnlichen Dinge, alles war eingehüllt in einen undurchdringlichen Nebel.’

Bell kiest voor het veel minder gebruikelijke ‘urban sprawl’ boven ‘agglomeration’, dat ook in het Engels bestaat. Maar ongetwijfeld is hier een betekenisverschil, is dit een valse vriend. Maar hoe kun je zoiets vanbuiten een taal vaststellen?

Tot slot zocht ik deze passage in de Nederlandse vertaling van Ria van Hengel en vond hem niet, alsof de Nebel en fog de grenzen en het Kanaal overstoken waren in een ultieme poging de onvertaalbaarheid van alles te onderstrepen, en werd toen gered door de vertaalster zelf die me de goede pagina mailde:

‘Wanneer je taal kunt beschouwen als een oude stad, met een wirwar van straten en pleinen, met wijken die lang geleden gebouwd zijn, met afgebroken, gesaneerde en nieuwe stadsdelen en steeds verder het land in groeiende buitenwijken, dan leek ik op iemand die door een lange afwezigheid niet meer bekend is in deze agglomeratie, niet weet waar een bushalte voor dient, wat een binnenplaats, een kruispunt, een boulevard of een brug is. De hele structuur van de taal, de sytnactische rangschikking van de afzonderlijke delen, de interpunctie, de voegwoorden en uiteindelijk zelfs de namen van de gewone dingen, alles was in een ondoordringbare nevel gehuld.’

De werkelijkheid is immers wel vertaalbaar, zij het dat je het absurde niet weg kunt redeneren (ja, ook ik heb gestemd en ben teleurgesteld), en dat alle taal en alle werkelijkheid context heeft. Ja, wie afbeeldingen zoekt via Google vindt heel andere dingen op ‘Hinterhof’ dan op ‘back yard’; ‘binnenplaats’ blijkt in onze taal vooral iets van kastelen te zijn, niet van oude binnensteden. En als je die methode doorzet naar ‘Agglomeration’/’urban sprawl’/’agglomeratie’, dan ontdek je dat die eerste term vooral scheikundige plaatjes oplevert. Je zal maar terugkeren naar je geboortestad en alles in deeltjes en verbindingen zien uiteenvallen – terechte keuze van Bell.

Zo kom je van meertaligheid in je eigen achtertuin terecht. Natuurlijk is de volgende stap Austerlitz te herlezen, en ik krijg er enorme zin van, maar mijn voornemen vooral vrouwen te lezen, een voornemen dat tot nu toe mooie resultaten heeft opgeleverd, staat dat nog even in de weg. Voor een regenachtige vakantie.

Bells essay is te lezen bij Five Dials. Austerlitz is uitgegeven door De Bezige Bij. Een fragment eruit is te lezen op Athenaeum.nl.