Marjoleine de Vos: de redacteur las een handzaam en mooi essay over landschap en verlies en goed kijken.

*

Daan Stoffelsen: Marjoleine de Vos, Je keek te ver

‘Maar het lezen hebben we verleerd. En wie het landschap niet leest, die ziet niets wat in stand gehouden moet worden.’ Wie begon met dat leesbare landschap weet ik niet, Willem van Toorn (in Leesbaar landschap (1998)) of nog iemand eerder, maar Marjoleine de Vos’ lezing is wel erg aantrekkelijk. Ze schrijft over de geschiedenis in je uitzicht, hoe economische activiteit van weleer (fruitproductie – in die diepe tuinen daar stonden vruchtbomen – of het afgraven van vruchtbare grond) het landschap bepaald heeft, wat je dus met kennis kan winnen. Maar ook hoe onwetend er wordt gebouwd, gebulldozerd en gedempt – en er dus ontzettend veel te verliezen is. Je keek te ver is juist ook een essay over verlies, over rouw.

Je keek te ver is een van de eerste delen van de ‘Terloops’-reeks van Uitgeverij Van Oorschot. Het formaat en de vormgeving is prettig, de line-up voorbeeldig (Maartje Wortel, Nelleke Noordervliet, Gerbrand Bakker, Thomas Rosenboom, en Marijke Schermer en Willem Jan Otten komen eraan) de prijs is goed (koop ze in de fysieke boekhandel!) – eigenlijk gek dat ik verder alleen Bregje Hofstedes Bergje nog heb gelezen.

Rouw dus, want ik denk dat landschappen betekenis krijgen door hun bewoners (vogels! Een ree, een kudde van het een of ander), de passanten en kijkers. (Van Toorn: ‘Landschap is wat door een kijkende mens wordt gezien, door zijn blik in een kader geplaatst, in zijn uiterste vorm van natuur tot kunst gemaakt.’) En als een element ontbreekt, een medewandelaar, een medekijker, doet dat pijn. De Vos, understating:

‘Ik heb niets te klagen natuurlijk, ook al heb ik dan landschapspijn en rouw ik om wie net nog naast me waren, om iemand van wie ik zo zielsveel heb gehouden. Dat is normaal.’

Ze heeft dus heel veel te klagen, en dat is paradoxaal genoeg normaal. Een gegeven, zoals het landschap industriëler of kunstmatig natuurlijker kan zijn dan het altijd was – maar het is er, en het is mooi of niet. Normaal. Maar ondertussen weet De Vos de kunst van het verliezen en de kunst van het winnen heel mooi te combineren. Het landschap biedt allebei.

‘Je wordt iemand anders van [leven op het platteland], maar in welke zin? […] [A]ls je gevoelig bent voor het roze kleuren van een enorme avondlucht, voor hoe de zon schijnt op het groen in
de hals van een woerd, voor de brede schuren van de boerderijen en het buitelen van hazen in het voorjaar, dan voel je je alsof je in zekere zin tot jezelf terugkeert door wat je ziet, hoort en ruikt.’

Ja, dat kun je sentimenteel vinden, maar van goed kijken is nooit iemand slecht geworden. En ja, Gilgamesj en Pessoa voelen als hoogdravend vreemde eenden in deze Noord-Groningse omgeving, maar C.O. Jellema past er zeker wel en Rutger Kopland ook. Marjoleine de Vos onderzoekt hun teksten, die omgeving, de mystiek, het herkennen en het missen – in maar 72 pagina’s zakformaat. Heel knap, en nu al een vademecum bij het maken van ons najaarsnummer, dat over literatuur en landschap gaat.

Van Oorschot gaf Je keek te ver uit. Abonnees ontvangen het najaarsnummer als eerste thuis.