Lieneke Frerichs over Nescio: de redacteur herlas een eerste versie van Titaantjes in De Revisor en grasduinde in de mooie, overtuigende Nescio-biografie van Lieneke Frerichs.

*

Daan Stoffelsen: Lieneke Frerichs, Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh

‘”Jongens waren we – maar aardige jongens.”
Dit is een van de klassieke openingszinnen uit de Nederlandse literatuur, op één lijn met Gorters “Een nieuwe lente en een nieuw geluid.” Het lijkt ondenkbaar dat Nescio zijn Titaantjes ooit zou hebben laten beginnen met een andere zin.
Toch is dat zo geweest. Uit de talloze bladen en blaadjes van Nescio’s literaire nalatenschap zijn een aantal fasen te reconstrueren die aan de definitieve versie voorafgingen, en het verhaal dat u zojuist gelezen hebt is de eerste afgeronde versie van Titaantjes: de oer-Titaantjes om het maar eens lelijk te zeggen.’

Ondenkbaar, oer om het maar eens lelijk te zeggen: met die woorden begint Lieneke Frerichs haar commentaar bij de eerste versie van Nescio’s beroemde verhaal, dat door haar in De Revisor 1979-3 is gepubliceerd, toen we nog een ‘letterkundig’ tijdschrift waren, maar wel een aardig letterkundig tijdschrift. Nescio had gelijk, die eerste versie kwam maar traag op gang. (Na te lezen bij de DBNL, maar ook in het Verzameld proza en nagelaten werk.)

Terzijde over Nescio & A.L. Snijders

In haar mooie biografie, die onlangs verscheen en die ik nu doorblader, bespreekt Frerichs in het hoofdstuk ‘De wereld van “Titaantjes”. 1911–1915’ ook het verhaal ‘Kortenhoef’ (opgenomen in Boven het dal), waarin ‘onze oue vriend Snijders, met een fluweelen vest’ voorkomt. ‘”Hé Bavink!” “Goddori, Snijders.”‘ De deze week overleden Peter Müller (1937-2021), docent Nederlands en als A.L. Snijders columnist en schepper van het genre van het zeer korte verhaal was kenner van Nescio’s oeuvre, en kende dat verhaal ook, misschien komt daar zijn pseudoniem vandaan (die suggestie kwam ik ook in De Stentor tegen). Uit een ZKV uit 1997:

‘Op deze plaats kan nu alleen maar Nescio geciteerd worden. Ik heb het weliswaar al eens vaker gedaan, maar Nescio kan niet stuk en daarom doe ik het nog eens. Het is een noot bij het verhaal Kortenhoef dat omstreeks 1911 geschreven is. De noot is van 1942. Dit aardige wipbruggetje bestaat ook al niet meer. De weg is over het water heen geplempt. God zegene de verantwoordelijke autoriteiten. Als ‘t kan een beetje hardhandig.’

(Hoewel in Het Parool een tegenstrijdige opmerking van A.L. Snijders geciteerd wordt: ‘In de tijd dat ik met mijn zkv’s begon was het voor columnisten gebruikelijk om onder een andere naam te schrijven. Ik nam de eerste naam die in mij opkwam, A.L. Snijders, maar het had ook J.H. van Dam kunnen zijn.’)

‘Ik moet nog 30 worden!’

Nescio dus, die in een voetnoot zijn romantische sentiment – het landschap was, stelt Frerichs, heel belangrijk voor Grönloh – heerlijk ironisch kleurt: ‘aardig’, ‘geplempt’, ‘god zegene’, ‘hardhandig’. Iemand die ook voor mij een belangrijke schrijver is, die me nieuwsgierig maakt (zoals hier) of boos (zoals hier) en me zelfs eens tot een Amsterdamse wandeling met hagel inspireerde. Ik kijk heel erg uit naar de rest van deze biografie.

Het helpt me altijd om dan terug te rekenen hoe oud iemand is op het moment van schrijven. Deze eerste versie, die in De Revisor kwam, stamt uit het voorjaar van 1912, schrijft Frerichs. Net na dat verhaal met Snijders. Dan is Frits Grönloh nog geen dertig! Oh wacht, daar heeft Frerichs wat over opgedoken, Grönloh zelf schrijft op een los blad:

‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man. Ik moet nog 30 worden! Nu ik hier zit en tracht te schrijven heb ik nog maar één wensch: te vertellen hoe het geweest is, dat alles nog eens te doorleven, het verhaal er van na te laten. Ik weet niet of ’t me lukken zal, ik ben zoo’n stakker.’

Over die eerste versie:

‘In de eerste twee hoofdstukken wordt beschreven hoe de vrienden elkaar hebben leren kennen. Grönloh kiest daarvoor eenzelfde stramien als in eerdere verhalen, namelijk via een ontmoeting tijdens een wandeling of een zwerftocht. Dat begin heeft hij later verworpen, zo vertelde hij aan Nol Gregoor, omdat hij het te realistisch verteld vond. Met de hoofdstukken III en IV komen we weer op bekend terrein met de inzet: “Jongens waren we – maar aardige jongens” en de beschrijving van de bijeenkomsten op de zolder van Kees.’

Ja, analyseert ze: ‘Het “Titaantjes”-materiaal laat ook zien hoe de schrijver zocht naar een minder realistische manier van vertellen, meer aansluitend op de dubbele perspectief (toen en nu) van het huidige eerste hoofdstuk.’ En ze vertelt over de eerste toehoorders van het verhaal. ‘Ook aangrijpend voor de kinderen Grönloh, toen die het verhaal door hun vader voorgelezen kregen. Miep Boas-Grönloh herinnerde zich hoe ze bij de scène waarin de dronken Bavink smeekt om de zon op te bergen in een hoedendoos, huilend de kamer uit holde.’

(Nog eens wat anders dan hoe tijdgenoot Kafka lachend voorlas aan zijn zusjes en vrienden. Willem van Toorn vertelde me in 2019: ‘Kijk, voor mij is het van groot belang dat als Kafka zijn werk voorlas, vaak ‘s morgens als hij s nachts geschreven had, aan zijn zusjes, en ’s avonds aan zijn vrienden, en dat hij dan af en toe moest ophouden van het lachen.’)

Het verhaal was in 1914 af, maar werd niet in die vorm geaccepteerd door De Gids, vooral door ‘de tirades, waarin van God gesproken wordt, op een wijze die onder 90 pct van de Gidslezers groote ergernis zou wekken’. Toen stortte hij in. ‘Het is duidelijk: Grönloh was ernstig overspannen. Allicht zal hij teleurgesteld zijn geweest over het verloop van de onderhandelingen met De Gids, maar er lijkt veel meer aan de hand.’ Frerichs maakt aannemelijk dat het werk aan het verhaal ook depressies opgewekt heeft. ‘Overspannenheid en depressie liggen nu eenmaal dicht bij elkaar. Het voortdurend balanceren tussen een sterke vrijheidsdrang (de onconventionele vrijbuiter) en een sterk plichtsgevoel (de harde werker) zal hem zijn opgebroken.’ Het verhaal verscheen uiteindelijk met amper wijzigingen in 1915 in Groot Nederland.

De biografie

Het is verleidelijk veel van Grönloh/Nescio te citeren, Frerichs doet dat zelf ook, zoals in ‘Wanneer ik terug denk aan dat jaar dan voel ik me een oud en afgeleefd man’. ‘Mijn stem was niet nodig, omdat Nescio’s stem al zo krachtig is. Ik leg het materiaal open en de lezer kan zijn of haar eigen gedachten vormen. Ik stuur wel, maar niet dwingend,’ zegt ze tegen Jannetje Koelewijn in NRC Handelsblad. Maar als ze stuurt, dan ga ik er wel in mee. Zoals bij die overspannenheid, maar al in de Inleiding – ik blader nu weer terug, naar de Proloog die ook op Athenaeum.nl is voorgepubliceerd – is haar analyse van Nescio’s taal en stijl heel sterk.

‘Het is een heel kort schetsje, “Pleziertrein”, maar het bevat om zo te zeggen de complete “Nescio”. Het lijkt net of het zonder enige moeite op papier gekomen is, terwijl het toch een hele kunst is om met zo weinig woorden een complete wereld op te roepen. Hoe doet de schrijver Nescio dat?
Het verhaal is om te beginnen geschreven in gewone taal, zonder opsmuk. Die taal, met zijn haast laconieke natuurlijkheid, is Nescio’s grote kracht. […] Opvallend zijn de vele herhalingen, die het stukje structureren […]. Opvallend is ook de lichtheid van toon […]. Die doelbewuste soberheid, met veel ruimte tussen de woorden, is eveneens kenmerkend voor Nescio’s werk. Bij hem gaat het niet om de plot (want in veel van zijn verhalen gebeurt eigenlijk niets) maar om iets anders, noem het maar een atmosfeer of een stemming, een stemming van weemoed en melancholie en verlangen.
En vergeet de humor niet. Overal in Nescio’s werk vind je die lichte geestigheid, die tegelijk ironisch is. […]
En tot slot tref je overal die twee tegenpolen aan, dat dubbele gezichtspunt waar Nescio het patent op heeft.’

Ja! En tegelijk weet Frerichs aannemelijk te maken dat Nescio’s proza veel biografische elementen van Grönloh bevat – wat niet wil zeggen dat er heel veel meer leven en werk náást de literatuur te beschrijven is, of dat alles autobiografie is. Er is kortom genoeg reden om door te lezen. Dat ga ik doen.

Uitgeverij Van Oorschot gaf Nescio. Leven en werk van J.H.F. Grönloh uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.