Deze week gelezen: K. Schippers en Richard Osinga

K. Schippers, Richard Osinga: de redacteur las twee puzzels, een onbegrijpelijke collagezoektocht naar taal en een thrillerachtige roman over een virus, een sekte en het geheugen.

*

Daan Stoffelsen: K. Schippers, Nu je het zegt, en Richard Osinga, ARC

K. Schippers’ proza heeft iets onnavolgbaars. Het springt van gedachte op gedachte, zinnen worden telkens door andere mensen elliptisch afgemaakt met een beletselteken, en het decor en de personages schuiven alle kanten op. Zijn laatste roman heet Nu je het zegt. Een zoektocht naar het oude huis van een Duitse kunstenaar in Londen loopt uit, via ontmoetingen met een ondertitelaarster, een Vietnamese schilder, een presentator en een naamloze, aantrekkelijke Vietnamese vrouw, op een zoektocht naar de autobiografie van de taal. Het is prachtig, ontroerend, rijk, onbegrijpelijk, fragmentarisch.

Puzzel

Wacht, hier past een beeld uit een ander boek. Ik las met groot genoegen Richard Osinga’s nieuwe roman ARC, en daarin komen de drie verhaallijnen aan het slot bij elkaar. Iets daarvoor stuit een van de drie hoofdpersonen, een Amsterdamse neurologe, op een belachelijke hoeveelheid onbekende virussen bij een man in coma. Ergens bevatten ze de verklaring voor zijn coma, maar hoe? Thuis probeert ze op aanraden van haar vriend ‘rubber duck debugging’ — iets uitleggen aan iemand anders, zelfs aan een badeendje, helpt je zelf ook het probleem te begrijpen (voor dit beeld ben ik Osinga al dankbaar) —, en krijgt alsnog doorslaggevende hulp.

‘Mo antwoordt niet maar opent de bovenste doos en gooit de stukjes op de vloer. Dan pakt hij de tweede en kiept de inhoud boven op de hoop. Dan de derde doos en de vierde, tot er een enorme hoop puzzelstukjes op de grond ligt. Hij roert er met zijn hand door tot niet meer te zien is bij welke puzzel de stukjes horen.
“Dit is jouw probleem. Dit keer tienduizend. Hoe pak je het aan?”’

ARC draait om drie mensen, een Amerikaanse hersenwetenschapper, een Amsterdamse neuroloog en een Indiase, vijftiende-eeuwse dichter. Wat ze gemeen hebben, is het ARC-gen, dat verantwoordelijk is voor ons geheugen en dat een stuk eerder in onze evolutie als een virus ons heeft bereikt. Dat virus is er niet meer. Toch? Osinga verweeft de drie verhaallijnen heel overtuigend, tot een thrillerachtig speculatief gegeven: een Indiase sekte geeft dat virus nog steeds door, met gruwelijke rituelen.

Ik was enthousiast over Osinga’s vorige roman, een mozaïek dat heel veel ruimte liet om zelf verbanden te leggen, of je gewoon neer te leggen bij de kracht van een individuele geschiedenis. De verhalen, mystiek, magisch, hadden elk hun eigen stijl en toon. In vergelijking met dat boek valt ARC wat tegen: behalve in de soberder middeleeuwse Indiase lijn is de stijl hetzelfde, wat vlak, de decors (New York, India, Amsterdam) zijn wat generiek geschetst en de dialogen zijn nogal eens wat uitleggerig. Dat uitleggerige is noodzaak: je zou een aflevering van Onbehaarde apen nodig hebben om de wetenschappelijke basis van de fictie te schetsen. Maar het intrigeert wel, Osinga overtuigt je telkens weer naar een andere verhaallijn te schakelen, tot de puzzelscène een latent kritiekpunt aan het licht brengt: deze roman is een puzzel. Maar nu is hij af.

Doe het liever zelf

Net als bij Osinga voert K. Schippers’ overleden personages op als gesprekspartners in een verhaal nu. Terwijl de Vietnamese schilder Le Phô en Bert Schierbeek toch echt niet meer onder ons zijn. Een derde gesprekspartner, de taal, sluipt ertussendoor. Dringt zich op.

‘Ik vertrouwde al jong niet hoe een ander over mij praat, doe het liever zelf, al lukt je dat nooit helemaal. Het wordt tijd dat ik aan het woord kom, onaangelengd met problemen van anderen. Wat krijg je dan?
M’n eigen taal, die ik tot nu toe heb gehoord en gesproken, van niemand anders.’

Later:

‘De taal is m’n zuurstof, als ik iets lees of beschrijf, ben ik er, een spitssnuitdolfijn kan z’n adem onder water twee uur inhouden. Soms dompel ik me in de taal tussen twee kaften, die in stilte op me wacht.’

Is ze een gesprekspartner of een extra verteller?

‘Hoe is het als woord in een zin te staan en in welke. Kan me beter stilhouden, wat moeilijk is als ik er steeds moet zijn. Je vergeet me wel, als de lucht die je inademt, vloer onder je voeten, hemd tegen je rug. Je voelt het niet meer, terwijl het er wel is, denkt er niet aan of er moet iets beschadigd zijn.’

Dat elliptische, de twijfel over wie ik en je zijn. Een collage van gedachten, noemt K. Schippers het bij Het Parool, en hier is het gewoon in één zin, gescheiden door een komma, hij versnelt, zoals hij ook kan vertragen door zinnen niet af te laten lopen, sprekers in elkaar over te laten gaan, zoals hier de schilder (Le Phô) en de presentator (Dodo)…

‘“Het witte Durgerdam, net even uit het niets, Nescio, 31.8.55,” herinnert Dodo zich.
“…zoals je de ruimte om je heen ziet…”
“…de taal niet meer kan gebruiken…”
“…wat moet je dan doen…”
“…de taal zelf aan het woord laten,” zegt Dodo, staat op en richt z’n arm uitnodigend naar mij.
“Er is al zo veel uit mijn naam gedaan dat ik het er niet over wil hebben,” begin ik en loop naar voren. “Op het eind schemeren de andere namen door de alinea’s heen. Praat je over het strand waar je op staat, wat gaat erin schuil, nat, dan, rand, sta of dans je op het nabije, als in deze zaal.”’

Een zoekende dialoog… en als de ik dan zelf aan het woord komt, Gerard Stigter, K. Schippers, dan zijn het intrigerende zinnen. Het schemeren van namen (zijn broer? De Babarber-kameraden?), en dat taalspel met het strand, geweldig.

(Noot voor de redactie, voor toekomstige publicatie: ik zou wel een themanummer over het beletselteken willen maken. Hadden jullie ook op de titelpagina van het komende nummer gezien hoe de zetter het gebrek aan een thema had opgelost?

Eerste proef De Revisor 29, [...]

[…] Ik zou wel een essay willen lezen over K. Schippers en het belet, ‘Contra puntjepuntjepuntje’, een pamflet, puntige poëzie die pauzeert, proza waarin stiltes vallen.)

(Noot voor mezelf dan: mijn essay over literatuur en landschap voor het najaarsnummer, dat kan ook in Nu je het zegt beginnen. De Vietnamese is in gesprek met de ik: ‘Lessen in niets, “net als dit,” ze wuift naar alles om zich heen, terughoudend, er is te veel van, die gratie. “Het landschap…” “…ja…” “…door groen gestut niets…” “…af en toe een andere kleur…”’ Ja, met de landschapsmijmeringen van K. Schippers kan ik de boel wel weer omgooien.)

Kortom: lees K. Schippers en Richard Osinga voor puzzels – met of zonder hoekstukjes.

Nu je het zegt verscheen bij Querido. ARC bij Wereldbibliotheek.