Marieke Polderdijk, Zee, bij De Revisor

Wat is ‘landschap’? Waar moet je aan denken? Aan het drassige herstelnatuurgebied hier verderop? Aan het strand of een stoffige vlakte? Er past veel in dat woord: veel wat groeit en beweegt, veel wat vreemd is en verrast, veel wat verloren is gegaan. Marieke Polderdijk ontmoet in haar beeldend essay de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) en onderzoekt deze altijd deinende watermassa als religieuze ervaring. Lees en bekijk het essay ‘Zee’.

*

Zee

 

 

De samenstelling van vruchtwater lijkt op die van zeewater.
Ik moest met de brute kracht van een vacuümpomp uit mijn moeder worden gezogen.
Mijn ouders waren klaar voor mij, maar ik was nog niet klaar met drijven.

 

De zee is vlak, deze keer. Kalm. Teruggetrokken.
Het blauw van het water loopt aan de horizon bijna moeiteloos over in de lucht.
Alsof de zee voelt hoe spannend ik het vind om deze keer echt te gaan bewegen in de branding,
te dansen, vast te leggen, het te gaan doen.
Ik ga in de branding liggen.
Ik adem uit.

Ik luister.

Met mijn handpalmen, voetzolen, billen, met mijn buik.

In het luisteren kom ik aan. Land ik in het natte, koude zand, hier, op deze plek. Mijn lichaam als voelspriet. Ik streel met mijn vinger over de zompige korrels en probeer te voelen of ik hier mag zijn van de zee. Mijn adem beweegt hoog in mijn borst. Ik vraag me af wat ik zou doen als het antwoord van de zee ‘nee’ zou zijn.

Er wandelen mensen voorbij. Hun starende blikken prikken in mijn rug.
De zee is bij me, denk ik, de zee is bij me.

 

 

 

De reikende hand van een golf raakt net mijn neus niet aan.

Het zand likt mijn huid als een kattentong.

Mijn armen met vingers als trillend schuim.

Een mensenlijf pruttelt in haar potje.

 

 

Wanneer ik in de trein zit richting station Goes en het heuvelachtige, boomrijke Arnhemse landschap langzaam zie veranderen in de uitgestrekte akker-wolkenlucht tweedeling voel ik het al: de ruimte, een opening in mijn borstkas, adem. Een gevoel van wakker worden en je hoofd neer kunnen leggen tegelijkertijd. Ik voel dit polderlandschap in mijn poriën.

Met mijn oudtante Marie Polderdijk deel ik mijn naam. Marie heeft haar hele leven uitgekeken over de Zeeuwse polders, afgezien van een enkele reis naar haar zoon die destijds in Cuba woonde. Voor een schoolopdracht onderzocht ik eens mijn familiestamboom van mijn vaders kant en kwam erachter dat mijn voorouders generaties lang uit landbouwers als Marie bestaan, slechts een enkeling waagde eens een wild tripje naar Amerika.

Het Zeeuwse polderland kan genadeloos zijn: de elementen scherp en op volle kracht nietsontziend, de polders eindeloos grijs, ontwapenend en eenzaam.

Zeeuwen houden zich warm door een gloeiend vuurtje diep onder het robuuste hout waaruit ze zijn gesneden: ze hebben geknokt voor hun land en zijn trots op hun overwinning en onderdrukking van het water.

In tante Marie zie ik wat ik in veel Zeeuwen zie: een spiegeling van het kleiland onder haar voeten: simpel, niet te veel poespas, bescheiden, nuchter, wat je ziet en hoort is wat je krijgt.

‘Ik worstel moedig en ontzwem,’ lees ik op haar gang in een ingelijste versie van het Zeeuws volkslied.

 

 

Volgens mijn ex D. smaakt mijn vulva naar oesters.

 

 

Mijn tong en keel rollen open.

Een klank diepgroen reist met de wind mee naar buiten.

Groeiend rollend soppend brullend trillend schuddend schuimend glijdend uitstrekkend armen benen buik zacht wordend smeltend opvouwend terugtrekkend in mijn eigen klauwafdrukken.

Beestachtig.

En mijn wang is knapperig.

 

 

Ik probeer een glazen augurkenpot te vullen met zeewater.
Ik wil de zee meenemen naar Arnhem, maar de zee lijkt er geen zin in te hebben. Eerst hield ik de pot stil en wachtte tot een golf hem zou vullen. Ik wilde niet opdringerig zijn, de zee zelf haar moment laten kiezen. Maar toen kwam ze niet, of in elk geval niet genoeg. Dus nu ren ik door het water hupsend achter de golven aan en schep ik ze bruut in mijn potje, draai het deksel er stevig op.
Uit mijn tas haal ik een dennentakje, duivenveertjes, eikeltjes. Stukjes Arnhem die ik de zee in ruil voor haar water wilde geven.
Ik gooi een dennentakje richting het water.
De wind slaat het terug in mijn gezicht.

Het potje met zeewater staat me nu aan te kijken vanaf een plank boven de tafel waar ik dit aan schrijf.
Er drijft een heel klein sliertje zeewier aan de oppervlakte.
Op het potje plakte ik een etiket met daarop de tekst ‘DE ZEE’.

Een verhaal heeft een plek nodig.
Maar dan moet het landschap wéér dienstbaar zijn.

 

 

Een aantal jaar geleden liep ik vast in mijn schrijven.
Toen liep ik naar een boom, klom daar in en voelde hoe de dingen weer begonnen te bewegen.
Ik zocht dijken op, vleide me neer op akkers, rolde door weilanden, dompelde mezelf in de zee.
De beweging bleef komen, alsof het van m’n schedeldak naar beneden droop m’n bekken in, m’n tenen in. Ik liet me er op mee drijven en ontdekte dat ik al de beweging als materiaal uit me kon laten vloeien.

Hoe vaker ik een boom in klom of bij het water ging liggen om de beweging op te zoeken, hoe dichterbij ik kwam, en hoe meer het gesprek een versmelten met werd, een opgaan in. Ik een geliefde leek te worden in een ongezonde, afhankelijke, relatie richting de grote ander. (ex D.)
Het verlangen af te brokkelen in de polder, me te laten versmelten met de zee: ik wilde mijn mensenlichaam afleggen, mijn ego de aarde in laten druipen.

Tegelijkertijd voelt mijn verlangen naar het opgaan in het landschap ook anders, inherent juist heel gezond. Ik word weer een kind dat voelt dat alles leeft, ademt en een stem heeft. Ik zeg ‘hoi’ tegen bomen, noem de studio waarin ik werk bij de naam die ik haar gaf en wrijf telkens even over de muren als ik daar wegga.
Zo voelt het landschap waarin ik beweeg, en vooral de zee, ronduit magisch. Het geeft me een gevoel van nietigheid, op een prettige manier, waarin ik een heel klein radartje ben in een groter levend geheel.

Hoe meer ik mezelf toesta het verlangen om te versmelten met het landschap te voelen, hoe meer ik me verzoen met het feit dat ik juist besta binnen de grenzen van dat mensenlijf, tegenover dat heilige water. Een grommend dier in de branding met een potlood in haar knuist, ontmoetend, ontmoetend, ontmoetend.

Dat ik niet één ben met maar onderdeel van.

 

 

Polders zijn eigenlijk stukken drooggepompte, opgehoogde zeebodem.

Een boerendochter die opgegroeid is op de Braakmanpolder in Zeeuws-Vlaanderen vraagt mij iets te maken voor een kunstproject op de voormalige akkers van haar vader.

Zeeuwse boeren werden na de Tweede Wereldoorlog op deze zeebodem aan het werk gezet en produceerden earrepols dat het een lieve lust was. Nooit meer een Hongerwinter.

Over gebieden zoals de Braakmanpolder groeide na verloop van tijd een ander geluid: het teruggeven van het land aan het water. Boeren werden gedwongen uitgekocht en zijn jaren later nog steeds niet terug kunnen gaan naar hun land; de herinnering is te pijnlijk. Op hun polders stromen nu beekjes, gecontrololeerd door Staatsbosbeheer, en pikken watervogels naar slakken. Er zijn paaltjes de grond ingeslagen om een wandelroute aan te geven.

Staatsbosbeheer zegt dat er een informatiecentrum is waar jij en je kinderen van alles te weten kunnen komen over dit unieke stukje natuur. De boeren zeggen dat wat zij deden ook natuur was.

Ik moet steeds denken aan al het trauma, gestold diep in mensenlijven en in die waarschijnlijk nog steeds ongehoorde bodem. En aan hoe ik die boer en boswachter bij de hand wil pakken om samen een tijdlang op zo’n akker te gaan liggen. Onze wang te leggen tegen de grond. Voelen hoe comfortabel warm het is, daar, net onder de wind.

En dat je, als je maar lang genoeg goed luistert, het kan horen pruttelen.

 

 

Ik zuig mijn longen weer vol als een glimmende vis.

Er vallen druppels uit
mijn
mond.

De bil.
Het vlees geeft mee.

 

 

Ik word mijn huid en botten.

 

Het zand draagt het geruis.

 

 

Ik zit op mijn hurken voor de zee.

Ik ben in een eerste impuls bij haar gaan liggen, maar werd al snel geconfronteerd met mijn eigen mensenlijfgrenzen: de kou van het zeewater trok vanuit de branding mijn botten in, verlammend klappertandend.

Alles is zo breed hier. De wereld is horizontaal. En alles beweegt, op ontelbaar verschillende manieren. Microwerelden van trillend wit zeeschuim, aangekomen golven die als een vloeibare, dunne deken over het zand glijden. Een zeesterretje dat zijn tentakels spreidt, een wobbelende, aangespoelde kwal, een kokkeltje dat bellenblaast.

Ik zit op mijn hurken voor de zee en spreid mijn armen. Ik wil laten zien aan de zee hoe breed ik ook ben. Ik wiebel met mijn vingers en zeg hoi zee. Hoi hoi hoi hoi. Ik ben er. Een golf rolt voor het eerst sinds ik bij het water ben, gevaarlijk dicht naar me toe, tikt mijn tenen aan.

Ik lach.

 

 

Rol me in glad zeewier.

Leg me in de branding. (Gods schoot)

M’n bekken en hoofd zakken als eerste weg.

MAMAMAMAMAMA

Ze komt.

Ssshhhht.

Een grote golf rolt als een hand over me heen en trekt me mee het water in.

Kopje onder.

 

 

Er is daar een hele wereld.

 

 

In het voorjaar van 2021 ontmoette Marieke de zee in Ellemeet (Schouwen-Duiveland, Zeeland) voor een onderzoek naar de zee als religieuze ervaring. Dit resulteerde in de fysieke performance op het strand ‘Daar liep zij een olijfgaard in, als een dorstige moeder’, waarin Marieke de zee ontmoette.
Verschillende stukken tekst uit dit essay zijn aantekeningen die Marieke maakte tijdens deze ontmoeting met de zee.

De beelden in dit werk zijn afkomstig uit een filmregistratie ervan.

 

Marieke Polderdijk (1994) beweegt, filmt, roept, zingt, speelt, tekent, kleit, performt en schrijft. Met het ritueel en in het landschap onderzoekt Marieke hoe je vrij kunt wonen en bewegen in een lichaam, een taal en een stem. De beelden, tekst en klank die in haar afstudeerjaar aan Creative Writing ArtEZ hieruit voortkwamen, werden gebundeld in de podcast ‘tietietietie’ en kwamen samen op de vloer tijdens een interdisciplinaire afstudeerperformance, getiteld ‘Hier’. Poëzie van Marieke verscheen in o.a. Kluger Hans en op Samplekanon. Haar performances en installaties waren te zien bij o.a. het Wintertuinfestival, Frontaal, Luxor Live, de Nieuwe Liefde, Perdu en Theater Oostpool. In 2018 won ze met haar poëzie de voorronde van Write Now! Nijmegen en in 2021 werd ze geselecteerd voor deelname aan het Slow Writing Lab.