Lees Johanna van Os, Polaroid, bij De Revisor

Een nieuw kort verhaal, van Johanna van Os. Een verhaal over een broer en groeiende afstand en meer. ‘Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water.’

*

Vroeger had ik een broer. Ik weet niet waar hij nu is. Of hij gelukkig is, of nog lijdt. Of hij weet dat mijn hoofd vol zat met keurig op elkaar gestapelde herinneringen, die uit mijn harde schijf op de grond zijn gedwarreld zonder paginering. Ik had een broer die geen vrienden mee naar huis nam en me niet beschermde tegen de pestkoppen op school. Ik had een broer die vanaf zijn geboorte tweeëneenhalf jaar lang zweeg en in volzinnen begon met praten. Het was een engeltje om te zien weet ik van foto’s, met blonde pijpenkrullen die er al snel uitgroeiden. Hij deed zout op slakken, trok poten uit muggen, stak brand in een mierenhoop. ‘Kijk, zo doe je dat.’ En ik kijken hoe de dieren ineenkrompen. Dezelfde jongen die wonderschoon pianospeelde. Misschien begon het daar wel, in die prille kindertijd, de gedachte dat hij anders was. Op zijn zeventiende behaalde hij met Kyokushin karate, de zwaarste Japanse variant, de zwarte band eerste dan. Een uitzonderlijke prestatie waar we heel trots op waren, maar wat verlangde ik naar een gewone broer, liefst één met krullen.

Ik hoor hem nog gillen. Het eerste incident waar ik bij was. We stonden in zijn tuintje met een kop koffie naar de bloeiende magnolia te kijken, die hij onlangs had gepland. De schop stak nog in de aarde, dicht bij de schutting. Ik zag zijn kopje vallen en hij begon aan iets dat op rennen leek, maar verstijfde. ‘De mannen, ze zijn hier,’ fluisterriep hij zonder zijn lichaam nog te bewegen. Zijn opengesperde ogen gericht op iets achter mij. Ik keek over hem heen naar de schutting maar zag niets. Even plotseling als de verstarring gekomen was – een variant op vluchten of vechten, leerde ik later – werd de playknop weer ingedrukt, rende hij naar binnen en gooide de deur van de wc in het slot. Toen begon het gillen en ik probeerde er tegenin te schreeuwen, maar hij was totaal onbereikbaar, als een verre ster. Terwijl ik de klink tevergeefs omlaag en omhoog bewoog, bonkte hij met zijn vuisten op het hout. ‘Ze zijn niet echt, niet bang zijn!’ riep ik en ik bleef het herhalen tot mijn keel schor was en hij met zijn elleboog het bovenruitje aan diggelen sloeg. Glasgerinkel. Hij moet toen op de wc-deksel zijn gaan staan want hij wrong zich op zijn buik over de paar achtergebleven scherven heen en liet zich vallen, een spoortje bloed achterlatend. Ik bleef bij hem tot hij rustig was. Het was niet de eerste keer dat er een arts aan te pas kwam.

Niet veel later belde ik hem, al was het maar om zijn vertrouwde stem te horen. Maar we zwegen meer dan we spraken en dat was oké geweest, als zijn gegil niet nog steeds weerklank gaf. Het bleef op me drukken als een zware deken die je van je af wil trappen. Je benen zijn verlamd, je armen willen het misschien wel doen, maar dan krijg je het koud van de gedachte alleen al en begint het zwijgen en malen weer van voor af aan. We hingen altijd op dezelfde manier op, met ‘we bellen snel weer’ en een vluchtig ‘ik hou van je’ van mijn kant, zonder enig idee wanneer we elkaar weer zouden horen of zien. Schaamte en machteloosheid zijn een bijtend gif dat zich niet laat neutraliseren door liefde. We probeerden het, dat wel.

Zo waren er eindeloze kaartavonden, bezoekjes aan de bioscoop en de filmplots die hij met smaak navertelde. Vakanties in de Ardennen, in Duitsland, op avontuur met zijn fiets door de duinen. Samen met de trein naar Praag, slapen op de aan ons vastgeketende rugzakken, struinen door de Staré Mesto.

Andere uit mijn hoofd getuimelde herinneringen. Hij ging vissen en ik ging mee. Zijn hengel mocht ik niet aanraken, het visnet wel. Mijn kleine handen pasten met een beetje moeite door de mazen. Het nylon liet na terugtrekking rode striemen achter. Zondag na zondag vond ik schubben in de mouw van mijn trui. Je zou zeggen dat ik hem beter leerde kennen op die stille dagen langs de rand van het water. Voor een deel is dat zo. De kromming van zijn rug, zijn eeltige handen, zijn blik als hij met een voorn een snoek ving en later toen hij trots aan het grote werk begon: het karperen. Praten deden we niet veel. Daarmee joeg je de vissen weg. Toen hij me oud genoeg vond, gaf hij me een kleine polaroid, zodat ik zijn vangsten vast kon leggen. Het zijn de weinige foto’s waarop hij lacht.

Vanaf het moment dat we op onszelf woonden, hij eerder dan ik, troffen we elkaar soms op verzoek van onze ouders in het huis dat we geen thuis meer noemden. In die oude gezinssamenstelling wisten we ons tot elkaar te verhouden. Hij was de oudere broer, maar hij gedroeg zich er niet naar. De letters die ‘lethargisch’ vormden, dansten door mijn hoofd, het woord werd als een mantra dat zich in mij bleef herhalen. Zijn haar wat langer dan de laatste keer dat ik hem zag, maar krullen wilden er maar niet in komen. Rode plekken van het slordige scheren. We kusten elkaar vluchtig, zijn stoppels prikten. Een vleug aftershave die me volwassen voorkwam. Hij volgde me naar de keuken, waar ik hete thee voor hem neerzette. Op zachte toon hoorde ik de verwijten vanuit de woonkamer tussen mijn ouders oversteken. Toch ving ik het een en ander op. ‘Waarom zien zij elkaar niet vaker?’ En: ‘Heeft hij dan helemaal geen vrienden?’ Ik had ons willen verdedigen, maar hoe? De waarheid is dat ik hem niet kende, niet wezenlijk. Hij was mijn ongenaakbare broer, in mijn dromen heeft hij krulhaar. Wat ons bond is duidelijk en de rest scheidde ons.

Toen we klein waren dacht ik dat we samen speelden. Maar nu realiseer ik me dat hij werkte en ik hem volgde. We verkenden alle tuintjes in de buurt, hij voorop met schep, ik erachteraan met snottebellen. Honderd tegels telde ik van tuin naar tuin naar tuin. Mijn blik op hem gericht als ik klaar was met tellen. De voortuinen waren het gemakkelijkst. Omspitten, onkruid wieden, de bladeren bijeen vegen. Het betaalde vast niet veel maar voor mijn broer was het genoeg. Zijn vuile handen in de aarde, groene vlekken op zijn knieën en zijn zusje dat naar hem keek. Maar toen ik bij de thee in de keuken begon over die middagen die eindeloos lang leken te duren, dan kwam er niets. ‘Mevrouw De Groot, herinner je je die nog?’ Het vraagteken bleef tussen ons inhangen.

Jaren later. We wonen allebei in een andere stad. Hij zo ver mogelijk van dat vroegere thuis verwijderd. Hij leert de tekens van een andere taal, ik verdiep me in de mijne. Het Japans kent steeds minder geheimen voor hem, hij heeft er des te meer voor de mensen om hem heen. Ik stel me voor dat we allebei in stilte eten. De enkele keer dat ik op zijn studentenkamer kom, doen we de afwas zonder te koken, de vieze bakjes van de Chinees zullen te lang op het aanrecht blijven staan.

Ik weet dat hij er is, mijn broer. We hebben elkaars telefoonnummer, bellen doen we niet. Van mijn moeder weet ik hoe het met hem gaat, en toch. Overdag kan ik hem vergeten. Er zijn lessen, wandelingen, opdrachten, sociale verplichtingen. Iedere avond ga ik achter mijn bureau zitten en lees. ’s Nachts droom ik zijn leven.

Ik weet niet precies meer wanneer ik ophield hem te volgen naar de tuinen, naar het water. Het moet rond de tijd zijn geweest dat ik zijn kamer niet meer in mocht. Ik begreep dat mijn broer tijd voor zichzelf nodig had. Maar wat ik niet begreep, is dat hij in die uren onder zijn bed ging liggen. ‘Ik oefen in ledigheid,’ was zijn verklaring, terwijl ik alleen maar wilde weten waarom hij niet óp zijn bed ging liggen. De keer dat ik zijn kamer binnenglipte – het moet op een zondag geweest zijn, als hij in zijn eentje ging vissen – en snel onder het bed dook, is voor altijd in mijn geheugen opgeslagen. Waar ik vieze sokken, pakjes shag, lege bierblikjes, ja zelfs pornoblaadjes verwacht had, was de vloer bezaaid met gele post-its, kleine notities aan zichzelf. Alles in schreeuwerige hoofdletters. LUISTER ALS ANDEREN PRATEN / HOUD JE RUG RECHT / EET GEZOND / OVERDRIJF NIET / VERGEET DE NACHTMERRIES. Ineens hoorde ik hem de kamer binnenkomen en zo trof hij me aan, steunend op mijn ellenbogen, mijn achterste in de lucht, mijn achterhoofd over de matrasspiraal schurend. Ik kroop op m’n knieën achterwaarts onder het bed uit. Daar houdt de herinnering op. Het ene scenario is dat zijn blik voldoende was me naar buiten te sturen. In het andere scenario is er een explosie van geweld, woede en onmacht. Vreemd genoeg was het dat eerste scenario dat me wakker hield.

De dagen en nachten rijgen zich aaneen, als een ketting madeliefjes. En dan kan ik hem niet meer volgen, ook ’s nachts niet. Ik weet niet waar ze hem mee naartoe hebben genomen. Ergens waar het stil is en wit, vermoed ik, waar de deuren op slot zitten en karretjes met koffie rondgaan. In de universiteitsstad heb ik niets te zoeken. Het is zomer en de terrassen worden bevolkt door jonge mensen. Ik loop over drukke grachten, onderdruk ondanks de warme zon op mijn rug een rilling en sla mijn jasje nog wat strakker om me heen. Als ik hem denk te herkennen in de spiegeling van een etalageruit ben ik niet verbaasd, we hebben dezelfde trekken. Ik mis hem, maar weet niet of hij die emotie kent. Wat zou het leven eenvoudig kunnen zijn. Iemand niet te missen zoals je een nier mist.

In die tijd overweeg ik te verhuizen. Maar het gemak waarmee ik me ’s avonds achter mijn smalle bureau voor het raam zet, wint het van ieder verlangen een andere plek te zoeken. Op straat, in het bleke schijnsel van de lantaarnpaal, trekt de overbuurvrouw de deur achter zich dicht. De zoom van haar jurk, van een afschuwelijk paars velours, blijft achter de deurpost steken. Even ben ik geneigd het raam te openen en iets te roepen. Een fractie later gaat de deur weer open, wordt de zoom naar binnen getrokken en is het moment voorbij.

En toen kwam het onaangekondigde en toch verwachte telefoontje. Mijn vader is kort en zakelijk. Zijn afdeling is gesloten maar er zijn bezoektijden.

Stil en bleek zit mijn broer tegenover me. In de hoek, zodat hij de ruimte goed kan overzien. Als ik zijn ogen zoek, is het of hij probeert te kijken naar iets achter mij. Zijn pupillen schieten heen en weer, opgejaagde stippen, de beweging die past bij een achteruitrijdende treinreiziger. Ik zie dat hij iets ziet dat er niet is. Hopelijk is het dit keer maar één man. Voor ons staan twee plastic bekertjes, koffie voor mij, water voor hem. Hij probeert een slok te nemen. Het water volgt het opgedroogde slakkenspoor dat over zijn kin loopt zijn nek in. ‘Gaat het een beetje, heb je kunnen slapen vannacht?’ Hij zwijgt. Na een half uur staat de te grote jas die zijn lichaam is op en hangt wat tegen me aan in een poging tot een omhelzing. De geur van zweet. Zijn jas is heet vochtig, alsof hij te vroeg uit de droger is gehaald. Ik probeer het zuur dat omhoogkomt weg te slikken. En ik sla mijn armen om zijn bonkige rug. Zijn armen blijven langs zijn lijf hangen.

In de maanden die volgen zoek ik hem iedere week op. Maar het had net zo goed bij één keer kunnen blijven. Iedere week, op dezelfde dag, om dezelfde tijd schakel ik mezelf uit en ben ik louter omhulsel. Ik zet de ene voet voor de andere, mijn lichaam verplaatst zich van de hal naar de kille ontvangstruimte. In de zesde week lopen we met z’n tweeën de tuin in. Dat is een vrijheid die hij verdiend heeft, zo legt een stevige vrouw in het wit me uit. Ze draagt rode sandalen, een anomalie die ik niet goed kan verhapstukken. Een stukje braakliggende grond, klaar om omgewoeld te worden met de schop die eruit omhoogsteekt. Ik zie het te laat. Dat wil zeggen, na hem. Wat er daarna gebeurt, probeer ik iedere nacht te wissen. Iedere slaap is een vruchteloze poging die gebeurtenis in de tuin in stukjes te knippen, te hergroeperen en anders op te slaan. Zodat ik kwijtraak hoe ik hem zag en er de polaroids van het vissen overheen kan schuiven. Ik kan proberen te beschrijven hoe het is om iemand zijn wezen te zien verliezen. Maar het zal nooit in de buurt komen van wat ik die dag zag. Als het voorbij is – net zo onverwacht als de orkaan gekomen is, gaat hij weer liggen – valt hij uitgeput op de grond neer. Hij spuugt nog wat zand uit en komt zwijgend overeind. De verpleging die in allerijl is toegestroomd probeert hem te kalmeren, wat vreemd is, want hij is kalm, ijzig kalm. De vrouw met de rode sandalen noemt het een doorbraak, een eerste stap naar herstel. Misschien is wat ik gezien heb gekte, maar in die termen wil ik niet over hem denken. Het stadium van lethargie is in elk geval doorbroken.

Na vier maanden wordt hij ontslagen. Niemand die zich bekommert om hoe het verder moet. Hij kan nergens heen, dus gaat hij terug naar ons ouderlijk huis waar hij niet op maar onder zijn bed ligt. Ik staak mijn frequente bezoeken. Ik treed niet binnen in zijn ruimte, er zijn anderen die verantwoordelijk voor hem zijn, dus ben ik het niet.

De maanden daarna gaat de herfst onmerkbaar over in winter. Ik neem me iedere dag voor hem te bellen. Dan kondigt de lente zich luidruchtig aan. Schalmende stemmen op de grachten, kwetterende vogels, de nieuwe voorjaarscollectie. Iedere dag denk ik: hij heeft mijn nummer ook. Hij kan heel goed alleen zijn. Of zeg ik dat slechts om mijn groeiende schuld en onrust te bezweren? Toch zijn er mensen die hem nodig hebben. Ik heb hem nodig.

Een visser en zijn maat vinden een hand verstrikt in de mazen van een groot leefnet. Er blijkt een lichaam aan vast te zitten. De huid is wit en zacht, maar te herleiden tot de essentie. Het telefoontje komt opnieuw van mijn vader. Wat volgt is administratie. Alle emotie wordt afgeboekt. We zijn een gezin min één, en regelen alles tot in de puntjes. Alsof het nog niet te laat is. Ik vraag de muizige vrouw die de verzorging op zich neemt of we hem nog kunnen zien. Ze aarzelt, raadt het ons af en zegt: ‘Herinner je hem als de broer die hij was. Hij had vast prachtige krullen. Net als jij.’

Na de begrafenis – hij had het machtig gevonden verteerd te worden door micro-organismen – zijn er broodjes, te dik met boter besmeerd. De ruimte ruikt naar vis.