Manon Uphoff, De Sade met mes en vork, uit De Revisor 2002-3

In september verschijnt De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we deze zomer haar Revisor-archief op de website. Lees je in! Uphoffs tweede bijdrage aan het tijdschrift was in 2002, ‘De Sade met mes en vork’, een onderzoek in leven en lezen van De Sade, waarin ze schrijft: ‘Ooit dwaalde ik door de De Sades wereld en vreesde ik er niet meer uit te kunnen. Dat was voor ik had leren ademen in die ruimte tussen woord, wet en handeling.’

*

Laten we beginnen met een kamer en een droom:

Zwaar en overladen met zijn eigen vlees zit de man aan de lange tafel. Voor hem bevinden zich kopjes, schoteltjes en borden. Op een zilveren schaal ligt een groot opengesneden varken dat op Oudromeinse wijze gevuld is met gepofte appels. Op andere, kleinere schalen ligt vlees in dunne tranches, roze en doorschijnend. In diepe schalen dampen met grof zeezout bestrooide, in de schil gekookte aardappelen. Zijn vingers glanzen van het vet. Hij heeft de onaangename gewoonte om die vingers, na het nemen van een hap, een voor een af te likken. Hij steekt ze diep in zijn mond, zuigt er nadenkend op, vouwt er zijn lippen strak als een o omheen, zodat er ruimte is voor niets anders dan die vinger en likt hem dan af met een slurpend geluid, om hem er vervolgens uit te nemen met een kleine plop. Dan kijkt hij om zich heen om zich te verzekeren van de ergernis van de aanwezigen. Als hij me in de gaten krijgt, dept hij – plechtig als een priester – zijn mond droog met een damasten servet. Maar ondertussen houdt hij niet op met eten en smakken en kauwen en tasten naar schalen. Met zijn vrije linkerhand klopt hij op de zitting van de stoel naast de zijne.
‘Zit, zit,’ zegt hij. ‘Sta daar niet zo. Zit!’
Ik kom aarzelend dichtbij, met dat gevoel van ergernis voor mensen die zich zonder schaamte volproppen. Hij is enorm zwaar. Marlon-Brando zwaar. Zijn vingertoppen lijken op witbrood dat je in de melk duwt om er een klein kind mee te voeren. Ik ga zitten en kijk de kamer rond. Die is niet groot, wel hoog. Aan het plafond hangt een Venetiaanse luchter die het licht op tafel werpt. Voor de ramen houden brokaten gordijnen alle daglicht tegen. Op de muren zit een wandbekleding vol minutieuze schilderingen: koetsen, steigerende paarden en koetsiers die met zwepen op dampende paardenruggen slaan. In de koetsen puilt het van de naakte vrouwen. Ze hebben zwaaiende armpjes en opengesperde mondjes.
‘Vind je het mooi?’ vraagt de man, zijn mond nog steeds vol met eten. ‘Het is allemaal in opdracht zo gemaakt.’
‘Ik… ik weet het niet,’ zeg ik. ‘Het is erg gedetailleerd.’
‘O nee,’ onderbreekt hij. ‘Integendeel. Nog niet half zo gedetailleerd als ik heb gewild. Kijk naar die vrouwen bijvoorbeeld, die zien er allemaal hetzelfde uit, allemaal dezelfde blik. Ik heb geprobeerd het er weer af te scheuren,’ zegt hij. ‘Maar het zit muurvast.’
‘Daar!’
Ik kijk en zie een plek aan de overkant, waar stukken behang los hangen, zodat de kale wand eronder zichtbaar wordt.
‘Ik woon nu hier,’ zegt de man. ‘Het is me toegestaan de boel zo in te richten als ik wil, al heb ik qua kosten niet helemaal de vrije hand gekregen. Ik zal deze kamer niet meer verlaten, daar heb ik geen toestemming voor, maar dat vind ik ook niet meer zo erg. Zolang ik pen en papier heb, en natuurlijk mijn vette achterste.’
‘Wanneer ik me verveel,’ gaat hij verder. ‘Of als ik de bodem van de menselijke eenzaamheid bereik, dan ga ik wat schrijven, of ik steek een van de pennen of ivoren instrumenten in mijn aarsgat en dan voel ik me opnieuw vervuld.’
Ik heb niet verwacht dat het gesprek zo snel zo openhartig zou worden en weet even totaal niet in welke hoek ik moet kijken. Ik geneer me omdat hij mijn aandacht ongewild naar zijn achterwerk heeft verlegd, terwijl ik de kamer eigenlijk ben binnengegaan om andere dingen te horen, levenswijsheden bijvoorbeeld, of praktische tips waarmee ik in het leven van alledag mijn voordeel zou kunnen doen.
‘Natuurlijk zou ik je kunnen naaien,’ zegt hij, opzettelijk grof. ‘Maar ik ben nu oud en voel de noodzaak niet, hoewel ik, toen ik jong was, dacht dat het luwen van lust even erg zou zijn als de dood. Iedere gedachte aan verwelking van mijn drift maakte me zo razend dat ik van pure weeromstuit alles om me heen penetreerde en elke opening die ik zag met mezelf probeerde te vullen en daarbij was ik totaal niet kieskeurig. Het spijt me dat de kosmos zo groot is dat er geen lid bestaat van het formaat dat nodig is om hem te dempen. Maar ik geef toe dat pen en papier het goed hebben overgenomen. De bevrediging die het schrijven me geeft, is bijna even groot als die wanneer ik het menselijk lichaam binnendring. Bij deze woorden grijpt hij een set pennen en schuift ze zonder blikken of blozen zijn aars binnen. Daarna dept hij opnieuw zijn lippen en ik zie een draadje vlees dat tussen zijn tanden is blijven steken. Uit zijn mond komt een rottingslucht.
‘Slecht zijn ze, niet?’ vraagt hij.
‘Wat is slecht?’
‘Mijn tanden,’ zegt hij. ‘Erg slecht.’
‘Voel,’ zegt hij en grijpt hij mijn hand. Mijn wijsvinger raakt een van de elementen dat meegeeft onder de druk.
‘Valt er eerdaags uit,’ zegt hij. ‘Kwestie van wachten. Van een keer op een botje bijten.’

Haastig trek ik mijn hand terug. De uitdrukking van weerzin is zo duidelijk van mijn gezicht te lezen dat hij me opnieuw, maar langer aankijkt.
‘Jouw probleem, lieve kind, is dat je – ook al ben je geen kind meer, ik kan je eerste grijze haren goed zien en de eerste lijnen van moeheid rond je lippen, ik durf te zweren dat de huid van je dijen al slapper is – gelooft in het individu en het individuele. En dat de walging die je voelt, die van jou is en niet die van mij. Dat de energie waarmee ik anderen verneder los staat van de wens om vernederd te worden. Jouw hoop is dat je afkeer alleen met jou verbonden is, van jou afkomstig, en niet met de dingen die je doen walgen. Maar dat zijn ze wel, en dat maakt je kwetsbaar liefje, omdat je in jezelf niet alleen de walging, maar ook de mogelijkheid te doen walgen draagt.’
Hij grijnst en grijpt naar een kippenpoot, die hij beknabbelt als een knaagdier en dan in de hoek wegwerpt.
‘Nu wil ik je wel naakt zien,’ zegt hij, na een korte pauze waarin hij met het scherpe puntje van het wensbotje tussen zijn tanden peutert.
Boos en in de war vanwege dit voorstel ga ik staan. Ik zwijg en denk erover de kamer met opgeheven hoofd weer uit te lopen, wat kan het zijn, een filosoof meer of minder in mijn bestaan? maar ik blijf toch staan.
‘Er zit geen speciale nood achter,’ zegt hij. ‘Lust of geilheid zal je niet meer bij me opwekken. Ik heb in mijn leven teveel vrouwen gezien, van allerlei leeftijd en verschillende fysieke constitutie om niet te weten wat verwacht kan worden. Mijn wens heeft dan ook niets te maken met het verlangen je naakte lichaam te zien, maar met de behoefte aan je schaamte en verlegenheid, en je valse hoop dat je misschien toch speciaal zal zijn, en op de een of andere manier in staat me te ontroeren, met je naaktheid, je menselijkheid. Maar dat zal je niet. En dat vormt de kern,’ zegt hij, ‘en het hart van mijn verlangen: je te confronteren met het koudst mogelijke oog, en de grootst mogelijke onverschilligheid.’

Biografie in vogelvlucht

Op 2 juni 1740 komt in het Château de Condé in Parijs de zoon van graaf en gravin Jean-Baptiste en Marie-Eleonore De Sade ter wereld. Niemand, zeker zijn ouders niet, zullen durven voorspellen dat dit koddig, vertederend babytje, deze telg uit een oud en voornaam geslacht (zijn moeder is verbonden aan het huis Bourbon-Condé en maakt deel uit van de hofhouding, zijn vader is gezant aan het hof van de keurvorst van Keulen) later ‘de meeste vrije geest die ooit heeft geleefd’ zal worden genoemd, maar ook ‘een angstaanjagende en verschrikkelijke verzameling van allerlei misdadigheden en perversies’.

Het leven van Donatien Alphonse François De Sade – een van die schaarse figuren uit de geschiedenis uit wiens naam adjectieven zijn voortgekomen (hierin staat hij naast Plato, Machiavelli en Masoch), en misschien wel de enige schrijver wiens werk nooit het vermogen zal verliezen ons te schokken – wordt vanaf het begin af aan gekenmerkt door extremen. Enerzijds is er de welvaart en de vrijheid, anderzijds al vroeg een ongekende beslotenheid.

Gouden kindertijd

De eerste jaren van zijn leven brengt het markiesje door met het even oude prinsje De Condé. Ze worden samen, en op eenzelfde manier, opgevoed in het paleis te Parijs. Uit de uitermate verhelderende biografie At Home with the Marquis the Sade van Christine du Plessix Gray blijkt echter dat het leven van De Sade – die het grootste deel van zijn volwassen bestaan zal slijten in Franse gevangenissen – al heel vroeg in het teken van verbanning, uitstoting en afgeslotenheid stond. Op een dag vliegt de kleine Donatien, tijdens een ruzie over het eigendomsrecht van een stuk speelgoed – zijn kameraadje, het prinsje met zo’n felle woede aan dat er verschillende bediendes nodig zijn om hem weer los te trekken. De heftigheid van de uitbarsting maakt de positie van de kleuter vrijwel onhoudbaar. Het sensibele, maar ontvlambare kind wordt met gezwinde spoed overgeplaatst naar het huis van zijn grootmoeder in Avignon (het deel van de Provence waar zijn voorzaten hun feodale machten met legendarische arrogantie hebben uitgeoefend). Daar wordt de amper drie turven hoge Donatien als een koning ontvangen (iets wat de statusgevoelige jongen volgens de biografe verrukkelijk moet hebben gevonden). Zijn grootmoeder, die al snel dol op hem is, overlaadt hem met affectie (De Sade schijnt als jongetje zo mooi geweest te zijn, met blonde krullen, rond gezichtje en lief stemmetje, dat de vrouwen op straat stilstonden om hem beter te kunnen zien) en dompelt hem onder in een bad van aandacht. Overigens, dat De Sade al jong gevoelig was voor de bestaande verschillen in positie en macht, en hun effect op de menselijke natuur, blijkt uit een met veel (zelf)inzicht beschreven reflectie op deze eerste vernederende ‘verbanning’, en het daaropvolgend verblijf bij grootmoeder.

Since I was born and raised in the palace of the illustrious prince to whom my mother was honoured to be connected, and who was my contemporary, I was encouraged to be constantly in his company… but during one of our youthful games, my vanity… was ruffled during a quarrel over an object; and since [the prince] seemed to think he was entitled to it through sheer rank, I avenged myself for his resistance with repeated blows which were beyond my control, with the result that only violent force could separate me from my adversary.

Connected, through my mother, to all the greatest powers in the kingdom and, through my father, to the most distinguished families of the province of Languedoc; born in Paris in the bosom of luxury and plenty, I believed, from the very first moment I could reason, that nature and fortune had collaborated to lavish me with their gifts; I believed it because people were foolish enough to tell me so, and this ridiculous prejudice made me haughty, despotic, and choleric.

[Aline et Valcour.]

De verwennerij (grootmama wordt bijgestaan door een niet aflatende stroom koesterende en knuffelende tantes) neemt al snel zulke vormen aan dat De Sades vader zich gedwongen voelt in te grijpen. Ruw rukt hij zijn inmiddels zevenjarige zoon los uit het nest koerende vrouwen. En zo komt de jonge De Sade (wiens moeder nog maar bitter weinig interesse in hem toont) terecht in het huis van zijn oom Abbé Jacques-François De Sade, geestelijke en jongste broer van zijn vader. Binnen de muren van het sinister ogende kasteel Saumane (dat in zijn latere werk model zal staan voor de talloze ondoordringbare Libertijnse catacomben), in het gezelschap van zijn geletterde, intelligente, levenslustige oom, komt hij in aanraking met alle openlijke en verborgen gebruiken uit dit tijdperk van extravagant hedonisme. Oom houdt er een onbekommerde en losse seksuele moraal op na. Hij frequenteert bordelen, heeft verschillende minnaressen en slaapt dwars door rangen en standen. (Onder zijn bedgenotes zijn zowel adellijke dames, als een meid en een notoire, beruchte prostituee te vinden, die hij rijkelijk voor haar diensten beloont.) Kortom: hij houdt zich volkomen aan de adellijke mores van die tijd, en zeker aan die van Avignon, dat al een sappige reputatie bezat, en door Petrarca ooit omschreven werd als een riool waar al het vuil uit het universum zich verzamelt. Aflaten waren eerder regel dan uitzondering. Zo kon een non die de positie van abdis begeerde, maar die zich aan verschillende mannen had gegeven ‘tegelijkertijd of opeenvolgend, binnen of buiten het klooster’ weer voor de positie in aanmerking komen als ze de somma van 131 livres, 15 sous betaalde.
Oom en neef De Sade raken erg aan elkaar verknocht en hebben geen geheimen voor elkaar. Onder de ogen van de jonge Donatien is het een komen en gaan van vrouwelijk en mannelijk schoon. Bovendien heeft hij toegang tot alle ruimtes van het kasteel en alle aanwezige literatuur. In de uitstekend gesorteerde bibliotheek van Abbé de Sade bevinden zich naast de klassieken van de voorgaande eeuw (Cervantes, Bouileau, Racine, Molière), een ruime collectie erotische literatuur: Venus in the cloister The Nun in her nightdress, The Bordello, or John the Fucker debauched, en alle werken die de kerk in de ban heeft gedaan. In deze prikkelende omgeving, waar vrijwel alles zich binnen afspeelt, loopt het grote visuele en intellectuele reservoir vol waar De Sade zijn hele latere leven uit zal blijven putten en dat hij door studie steeds opnieuw zal aanvullen.
Later, hij is veertien, wordt hij ingeschreven als leerling aan het college Louis-Le-Grand te Parijs, waar een nieuwe en zachtaardige huisleraar het (bescheidener) tweede deel van de intellectuele scholing op zich neemt. Tot slot volgt, zoals gebruikelijk voor adellijke jongemannen, een militaire vorming, waarin zijn tot dan toe genoten opvoeding met praktische ervaring wordt aangevuld. De Sade leert drinken en geld verspillen, neemt deel aan de oorlog in Duitsland en toont zich volgens de legerleiding bij ontmoetingen met Duitse meisjes ‘licht ontvlambaar’. Op negentienjarige leeftijd koopt hij de post van kapitein in de Bourgondische Cavalerie. Jong, sterk, knap en van uitstekende komaf, maakt hij goede sier, schaft zich elke ochtend een ander meisje aan en slaapt veel. Na het beëindigen van de Frans-Engelse oorlog verlaat de jonge De Sade de actieve dienst om als volwassen man en erfgenaam van zijn vader zijn opwachting te maken in La Coste. Als duidelijk wordt dat het familiekapitaal er door vader met hoge snelheid doorheen is gejaagd, zodat het slechts de naam ‘De Sade’ is die nog schittert, treedt hij in het huwelijk met de timide Renée-Pélagie, de twintigjarige dochter van rechtbankpresident Claude-René de Montreuil en diens vrouw Marie-Madeleine. Het is deze krachtige vrouw die de komende decennia, samen met haar ingetogen dochter, een belangrijke rol in het leven van De Sade zal spelen, een leven dat meer en meer doortrokken zal raken van schandalen, affaires, rechtszaken, verbanning en gevangenschap. De belangrijkste schandalen waar De Sade zijn afschrikwekkende naam aan zal danken, zijn ‘De zaak Rose Keller’, ‘De Vergiftigingszaak’ en ‘De zaak van de ontvoerde kleine meisjes’.

Voor wie meer van de schandalen weten wil

In de zaak Rose Keller gaat het om een 36-jarige weduwe die door De Sade op straat wordt aangesproken, onder valse voorwendselen wordt meegelokt en in de beslotenheid van zijn cottage in Arceuil onbarmhartig wordt gegeseld. Hoewel de zaak word afgekocht, zorgt De Sades schoonmoeder achter de schermen voor een ‘lettre de cachet’, meer in een poging de gemoederen te sussen dan om De Sade werkelijk achter slot en grendel te houden. Maar de Franse middenklasse die lucht krijgt van het ‘schandaal’ verzet zich tegen de al te soepele houding die de blauwbloedigen keer op keer ten deel valt, en voor het eerst in De Sades bestaan begint zijn afkomst hem nadeel te berokkenen. Men wil hem als zondebok. Het kost de beide vrouwen heel wat moeite om De Sade weer vrij te krijgen.
In de beroemde ‘vergiftigingszaak’ (1772) draait het om een kwartet jonge prostituees aan wie De Sade met spaanse vlieg gevulde anijspastilles toedient. Dit om de door hem zo fel begeerde flatulentie op te wekken. Als een vijfde prostituee de volgende dag een nog grotere hoeveelheid pastilles slikt en daar zeer ziek van wordt, nemen de zaken een onomkeerbare loop. Vast staat dat De Sade nooit de bedoeling had de vrouwen ook echt te vergiftigen.
De zaak van de ontvoerde kleine meisjes tot slot, zal de meest duistere zaak blijven, en een waarmee De Sade voorgoed de bescherming van zijn machtige schoonmoeder verspeelt. Anderhalve maand lang wordt het verblijf van De Sade, met behulp van zijn vrouw Pelagie, gevuld met jonge meisjes. Voor de libertijnen van De Sades generatie overstijgt de sensatie van het ontmaagden van meisjes en jongens ver uit boven dat van het louter lichamelijke; het genot schuilt hem vooral in het hele kunstige, verfijnde proces van corrumperen van minderjarigen. Van het nauwgezet instrueren in de kunst van het verderf en de perversiteit; al sinds de Renaissance goed gebruik onder heren en dames van stand. Veel van de ontvoerde of weggelokte meisjes kunnen – nadat De Sade gebruik van ze heeft gemaakt – niet zondermeer terugkeren naar het ouderlijk huis, en al dan niet zwanger worden ze ondergebracht in het klooster, of net zolang weggehouden van familie tot de duidelijkste tekenen van ‘bruik’ zijn verdwenen.

Toch rechtvaardigt geen van deze schandalen De Sades faam als ‘meest afschuwwekkende monsterlijkheid’. Hij is in seksueel opzicht verre van zachtzinnig, maar zijn sadisme is – zeker ‘in de praktijk’ – meer mentaal dan fysiek van aard. Zijn gedrag wijkt bovendien niet extreem af van wat de aristocratie zich met regelmaat permitteert. Het is de openlijkheid, het gebrek aan discretie die in het oog springt.

De Sade lezen

Ik was veertien toen ik kennismaakte met het werk van De Sade. Boeken met omslagen die duidden op seksueel gevaar bevonden zich toen in de gammele boekenkast van de huisgenoot van mijn elf jaar oudere broer. Ik was een hartstochtelijk, maar nog weinig selectief lezer. Naast de stapels Suskes en Wiskes van mijn jongste broer, de sf-boeken van oudere broers, het zwarte en verfomfaaide bijbeltje, de stapels tijdschriften, waaronder KIJK, Readers Digest en Het Boek van de Mens, las ik de sprookjesboeken die mijn vader voor me meenam van zijn tochten door de buitenwereld en de door mijn moeder verzamelde Russische literatuur (betoverd door de geheimzinnigheid van wat ik nog niet begreep). Ook bladerde ik met regelmaat door kunstboeken die in grote getale bij De Slegte werden aangeschaft en opengeslagen bij de schildersezel van mijn vader kwamen te liggen, met afbeeldingen van werk van Delacroix, Goya en Masson. Boven mijn bed hing een levensgrote kopie van Eugene Delacroix’ ‘Dood van Sardanapalos’, het schilderij waarop de stervende keizer toekijkt hoe alles wat hij aan bezit heeft vergaard (vrouwen, slaven, paarden) op zijn bevel met hem mee ten onder gaat. Mijn vader had het op verschillende plekken van ‘storende elementen’ ontdaan. Zo verdween de olifantenkop rechts bovenin en kregen de afgebeelde vrouwen allemaal het gezicht van mijn moeder. In ons grote, door veel volwassenen bevolkte gezin werden de levens ten volle en met overgave geleefd, even vanzelfsprekend doortrokken van rampspoed en tegenslag als vlees van reepjes vet, en het huis was te klein om hartstochten en uitbarstingen voor elkaar verborgen te houden. Onschuldig of onwetend in strikte zin was ik dus niet meer. Wel jong, nieuwsgierig en ontvankelijk – en daarmee precies het soort lezer dat De Sade nodig heeft om zijn literaire universum van zin en betekenis te voorzien. De Libertijnen in de door De Sade ontworpen en ommuurde wereld streven immers niet alleen de fysieke, maar vooral ook de geestelijke omverwerping van onschuld en onwetendheid na. Het lezen van De 120 dagen van Sodom en Justine of de tegenspoed van de deugd betekende dan ook, om in de termen van De Sade te spreken, mijn defloratie, mijn ontmaagding als lezer.
Ik las met de hartstocht, overgave en nieuwsgierigheid van de adolescent, vol heilige verontwaardiging, ontzetting, boosheid en fascinatie. Belangrijke ontdekking was dat – hoewel ik speelde met de gedachte te stoppen met lezen, de boeken opzij te gooien en nooit meer in te kijken – ik dit toch niet deed. Ik sloeg bepaalde passages over – had last van mijn vermogen beschreven handelingen te visualiseren, al merkte ik even vaak dat juist dat onmogelijk werd, en dat mijn hersens, bij de beschrijvingen van vreemde opeenstapelingen en ineenschuivingen van menselijke uitsteeksels en holtes, doldraaiden, want erg veel van wat zo precies beschreven werd, was fysiek onmogelijk. Het lezen van deze opeenvolging van seksuele activiteiten werd afgewisseld met pamfletachtige verhandelingen waarin denkers als Rousseau, die de onschuld en goedheid van de ‘natuurlijke mens’ centraal probeerden te stellen, onderuit werden gehaald en bekritiseerd, waarin ‘religie’ en ‘deugd’ van elke logica of noodzakelijkheid werd ontdaan. ‘Geef de deugdzaamheid toch op, Eugenie! Is er een offer aan die schijngoden dat opweegt tegen een minuut van het genot dat we ondergaan door hem te beledigen? […] De deugd is maar een hersenschim, en de cultus die we daaraan brengen bestaat uitsluitend uit een permanente zelfverloochening, een voortdurend ingaan tegen alles wat je aard je ingeeft. Kan dat natuurlijk zijn?’ ‘Laten we de zaak punt voor punt bekijken, Eugenie. Is godsdienst niet de overeenkomst tussen de mens en zijn schepper, die hem ertoe verplicht hem in de godsdienst van zijn dankbaarheid te getuigen voor het leven dat hij van die verheven auteur heeft ontvangen?’3

Vooral bij De 120 dagen van Sodom, deze obsessieve catalogus van menselijke perversiteiten en (seksuele) wreedheid, voelde ik me als Roodkapje met een verbaal begaafde, lokkende wolf op het zijpad. Ik noem met opzet mijn schok als lezer, de schok van die eerste kennismaking. Toen ik nog niet las met de kritische distantie die later een onderdeel van mijn lezersinstrumentarium werd, het mes en de vork waarmee ik teksten te lijf ga. Ik at (al was het met moeite) wat me werd voor geschoven en legde het hele traject volledig af. Zo was het of ik samenviel met de (onwetende) lezers en machtelozen die De Sade binnen het werk zelf toespreekt, opvoedt, uit de onwetendheid trekt en vergast op lange verhandelingen, met een dwang en een vasthoudendheid die doet denken aan die van Jehova’s getuigen. Nu eens daalde ik met de wenende en handenwringende slachtoffers, die vergeefs een beroep deden op barmhartigheid en deugdzaamheid, de lange trappen af. (De kennismaking met Justine, die, steeds als ze een beroep doet op de deugd, en hulp of affectie aanbiedt, ten prooi valt aan hardvochtige exploitatie, bracht niet alleen haar, maar ook mijn eigen kapitale denkfout naar voren: de gedachte dat het goede altijd alleen het goede voort kan brengen, nee, moet brengen, en dat deugd deugd moet baren, in eenzelfde dwingende schikking als die waarin De Sade de ondeugd uit de ondeugd voort laat komen, en uit leed leed, uit wraak wraak, uit genot genot.) Dan weer zat ik – tot mijn eigen schrik – hooghartig en koel tegenover ze – met een mond vol taal en verhalen waarin ze tot tekens werden teruggebracht. Zo werd ik beurtelings meegesleept door en gevangen gehouden in dit afschrikwekkende en totalitaire universum, waarin alles wat door de Libertijnen gedacht kon worden, meteen werkelijkheid werd, en alle humanere elementen werden terugverwezen naar het ware rijk van de fictie, de totale, volledige fictie: de stilte,
het onuitvoerbare, het onhoudbare, het niet-talige, en dus het onbestaanbare, dat wat niet te verwezenlijken is. Voor het eerst werd me iets duidelijk over de aard van het lezen en schrijven, over de gelofte die je als lezer aflegt, over het contract dat je sluit bij het binnentreden van een boek, en over de macht en onmacht van de taal. Over het grote verschil tussen de taalarmen en de taalvaardigen, de machtigen en de onmachtigen, de subjecten en de objecten, de mensen met een stem en de mensen met louter lichaam, de lijfeigenen, wier lichamen binnen De Sades schriftuur werden vernietigd en tot taal geslagen, met een grimmige woede die alleen in balans werd gehouden door een giganteske scheppingdrift: elke vernietiging van het fysiek werd tot tekst gemaakt. Elke rivier van bloed vormde een stroom van inkt en taal.

Vraag blijft: hoe kom je als (ongeschoold) lezer het universum van De Sade weer uit?
De personages die in het werk van De Sade tot werkelijke vrijheid komen en min of meer onschendbaar blijven, zijn degenen die de macht van het woord bezitten: de vertelsters.
De vertelling, de taal is het touw waarmee men uit de krater, het ravijn kan klimmen. Maar niet iedereen heeft de taal.
Sommigen hebben alleen een lichaam.
Men moet een Libertijn zijn om in het universum van De Sade te kunnen overleven.
Maar wat moet je zijn om eruit te kunnen ontsnappen?

‘Jullie zijn niets, niets dan een pak kaarten!’ roept Alice uit Carrolls Alice in Wonderland als ze wil ontsnappen aan de verstikkende wereld van een gesloten logica, waarin voor haar geen plaats is.
Er moet steeds afstand worden bewaard tussen het fysieke en het tekstuele.

De schrijver en de mens

Het is gebruikelijk om de ongemakkelijke positie die je als lezer van het werk van De Sade inneemt, te omkleden met een intellectueel-wetenschappelijke distantie. Wat door De Sade wordt beschreven, wordt door theoretici meestal volledig binnen dit talig universum opgesloten, geheel volgens de regels van het Sadeaans systeem (en hier is veel voor te zeggen), maar zo verdwijnt een van de grootste paradoxen die het werk van De Sade kenmerken. De tegenstelling tussen de gevangene, de opgeslotene en de vrij dwalende en onderzoekende geest, die des te vrijer is en wordt naarmate het vermogen nog werkelijk in het fysieke in te grijpen, afneemt. Dit voortdurende spanningsveld wordt door De Sade niet alleen onderzocht, maar ook geleefd en doorleefd, zowel binnen als buiten de tekstuele wereld. Zo kan hij uitstijgen boven zijn eigen – tijdens periodes van gevangenschap – tot grote hoogte stijgende pathetiek, zijn narcisme en regelrechte kinderachtigheid (die geen moment ‘onschuldig’ was, maar vol van heerszucht), zoals die naar voren komen in onder andere Brieven uit de gevangenis, tot de (angstaanjagende en fascinerende) auteur van onrustbarend literair werk waarbinnen alle grenzen overschreden worden, moesten worden en ook konden worden, omdat De Sade nu het bijna onzichtbare, maar ijzersterke korset van de taal voelt. Overal, en altijd.
Fascinerend is het dan dat deze taal hem ten slotte meer gevangen weet te houden dan zijn gedrag, en dat hij – in de tweede helft van zijn leven – gevaarlijker wordt geacht vanwege dat wat hij op schrift zet, dan om de misdaden die hij beging.

De ‘schandalen’ in het leven van De Sade staan echter niet model voor vergelijkbare situaties in zijn romans. De werkelijke en gefantaseerde scènes zijn niet van elkaar afgeleid, ‘allemaal samen zijn het parallel duplicaten, min of meer geaccentueerd (in het oeuvre sterker dan in het leven), van een afwezige, niet-voorgestelde, maar daarom nog wel geuite scène, wier plaats van niet-voorgestelde uiting alleen de schriftuur kan zijn: oeuvre en leven van De Sade doorkruisen gelijkelijk die wereld van de schriftuur.’4 In het universum van De Sade bestaat dan ook geen echte hierarchie, geen oorzaak en gevolg, geen logica, het een is niet ondergeschikt aan het ander, de taal gaat het lichaam niet vooraf of het lichaam de taal. Het leven ontstaat en vergaat tegelijk met het woord. Wie niet spreekt, leeft niet, wie niet leeft, spreekt niet. Voor De Sade, de schrijver, is er geen bestaan buiten dat van de taal – die altijd en meteen ook ‘lichaam’ is. In die zin is hij een waar ‘erotisch’ schrijver. De armzalige die in de beslotenheid van het door De Sade opgetrokken systeem een beroep doet op biologische of bloedbanden, doet een beroep op het binnen dit systeem niet-bestaande: het woordloze, fictieve, lege. Dat wat pas betekenis kan krijgen als het door de Libertijnen, de betekenis-toekenners, de wetgevers, de vertellers, de sprekers, van betekenis is voorzien! Als een actieve daad, een taalhandeling. Niets heeft a priori betekenis. Al het bestaande moet opnieuw in aanraking worden gebracht met een teken, en aan dit teken worden gekoppeld om macht te verwerven en te kunnen bestaan. Wat zonder teken blijft, is holte, leegte, stilte. Waarop de nog suizender stilte volgt van dichtgenaaide monden, ogen, anus en vagina.

Pathetisch en groots

Paradoxen vormen de ruggengraat van De Sades bestaan en van zijn tijd. Toen hij eenmaal opgesloten zat, en zijn leven het patroon aannam van gevangenschap op gevangenschap – met daartussen korte momenten van vrijheid – een gevangenschap waarin zijn schoonmoeder Madame Merteuil, moe en zat van de schandalen, een groot aandeel had, toen hij eenmaal besefte dat er geen mogelijkheid bestond een werelds bestaan te leven, en hij zich op het schrijven richtte, werd pas goed duidelijk hoe zijn macht en zijn onmacht met elkaar verknoopt raakten en elkaar wederzijds versterkten. Hoe machtelozer De Sade, de aristocraat, de gevangene, des te machtiger de schrijver die zich wenste te bevrijden. Hoe groter de behoefte om (nog) in de werkelijkheid in te grijpen, hoe treuriger en pathetischer de mens De Sade.

Afhankelijk

Ik ken geen schrijver die zo ten diepste afhankelijk is van lezers als De Sade. Geen schrijver die zo probeert te overtuigen. Hij is de razende predikant die van de kansel schreeuwt. Die het woord van pijn, genot, van diepte en ruimte voorziet, maar het tegelijkertijd bloedeloos, afgetapt, drooggelegd aflevert. Geen schrijver die op papier de onschuld en onwetendheid zo veracht, maar er tegelijkertijd – als schrijver en als aristocraat – zo diep van afhankelijk is, en er zonder (en dit moet hij hebben beseft) geen bestaansrecht heeft, nee, werkelijk niet bestaat.

De wetenschap dat de taal niet oppermachtig is, zelfs niet die van een aristocraat, als het lichaam achter slot en grendel zit.
Het scheppen van een systeem waarin dit wel zo is, zo moet zijn. Waarin taal en werkelijkheid over elkaar heen vallen en er geen enkele, geen enkele opening is die niet gevuld kan worden.

De vrees om uitgewist te worden.
De vrees om niet gehoord te worden.
De vrees te worden veroordeeld tot een monoloog in een afgesloten ruimte.

Die vrees komt het sterkst naar voren in Brieven uit de Gevangenis. Brieven die De Sade tijdens zijn langdurige gevangenschap aan zijn vrouw Renée-Pelagie schreef, en die opvallen door zowel hun levendigheid als hun wanhopige woede (als die van een uitzinnig kind dat – tot het zich leert gedragen – is opgesloten in de eigen kamer, en nu zint op wraak, en in het geheim afrekent met alles en iedereen.)

‘(…) zorg dat ik frisse lucht krijg, of u dwingt mij tot een buitensporigheid, een onbezonnen daad die u nog zult berouwen.’

‘Liever nog zou ik door de bliksem getroffen worden dan dat ik mijn hoop op wraak opgeef. Alleen door mij daarmee op alle mogelijke manieren bezig te houden en mij erin te verlustigen, slaag ik erin mijzelf voor alle ellende te troosten.’

‘Telkens als ik pijn heb, telkens wanneer men mij iets weigert, elke keer wanneer ik word beledigd [ontsnapt] aan mijn hart de eed dat ik mij daarvoor zal wreken…’

Ooit dwaalde ik door de De Sades wereld en vreesde ik er niet meer uit te kunnen. Dat was voor ik had leren ademen in die ruimte tussen woord, wet en handeling. Voor ik de speelse vrijheid voelde van taal die zich losmaakt van de werkelijkheid.
Soms stel ik me een buitengewoon dikke man voor, in een kamer in het hospitaal van Charenton, wiens dagen en nachten volgens een strak stramien verlopen. Hij eet, drinkt, schrijft en trekt zich terug met vreemde instrumenten, poeders, parfums, zijden kousen en andere voorwerpen die hij door middel van lange lijsten bij zijn brieven bestelt. Hij schrijft boeken. Hij schrijft brieven. Soms barst hij uit in razernij. Het is hem – hoewel hij er vreemd uitziet – niet aan te zien dat hij tot ver buiten de landsgrenzen berucht en beroemd is. Dat men zijn geschriften de gevangenis uit moet smokkelen en dat men hem inmiddels vooral door wat hij op papier durft te zetten – een misdadiger van het gevaarlijkste soort acht. Zijn kasteel is geplunderd, zijn vrouw heeft zich teruggetrokken in een klooster. Hij ontvangt nauwelijks geld omdat zijn bezittingen – in die roerige periode van de Revolutie – zijn gesekwestreerd. Hij is bijna zestig jaar oud en staat te boek als ‘armlastig en zwak’, maar dat verhindert hem niet om verschillende verhoudingen te hebben en iedereen om hem heen oneerbare voorstellen te doen.
Het is laat op de avond. Hij dineert. Wacht tot er iemand op de deur van zijn kamer klopt. ‘Binnen,’ roept hij, met een stem die verassend zacht is. Hij lijkt vermoeid, maar kijk: zijn ogen beginnen tijdens het gesprek te schitteren en zijn gebaren worden alweer levendig…

Op Neerlandistiek.nl wijdt Marc van Oostendorp ook een analyse aan Uphoffs stukken over De Sade.