Manon Uphoff, Bekentenis van een winkelende. In de overvloed op zoek naar dat ene... (De Revisor 2003-1)

In september verschijnt De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we deze zomer haar Revisor-archief op de website. Lees je in! In 2003 verscheen haar ‘Brief over de verleiding en een hond, aan Vicomte de Valmont’. Dit eerste nummer was gewijd aan ‘de verleiding’ en bevatte stukken rondom kunstwerken uit het Utrechtse Centraal Museum. De redactie, toen bestaande uit Menno Lievers, Ilja Leonard Pfeijffer en Allard Schröder, met Toef Jaeger als redactiesecretaris, had vertrouwde auteurs benaderd. Naast oud-redacteur Kees ’t Hart waren dat bijvoorbeeld Herman Franke, Henk van Woerden en Astrid Lampe. En Uphoff dus, tweemaal, maar in deze geestige brief aan het personage Vicomte de Valmont (uit Les Liaisons Dangereuses) bij drie verbeeldingen van honden, van Rosa Bonheur, Bart Domburg en Han Rädecker. Of bij die verbeeldingen… Uphoff zocht haar eigen pad, om de brief te eindigen met een anekdote: ‘De laatste tijd moet ik steeds vaker denken aan de jongen die bij ons aan de overkant van de straat woonde, en dolgraag een hond wilde. Net als iedereen in de wijk waren zijn ouders straatarm en uiteindelijk kreeg hij een rat, want daar zaten de kelders van onze huizen nu eenmaal vol mee.’

*

illustratie
Rosa Bonheur

Toutou, le bien aimé 1885

(Inleiding: Vicomte de Valmont, mijn vader, was een berucht en gevierd verleider, over wie Chloderlos de Laclos geschreven heeft in Les Liaisons Dangereuses)

Vicomte de Valmont,

Vicomte, u bent al jaren dood, maar ik leef nog en ben warm, en zelfs niet onbemind. Dus is het misschien vreemd dat ik u deze brief schrijf. Maar het is juist omdat u al zo lang tot stof uiteen bent gevallen, dat ik me durf uit te spreken. Mijn naam is Faldagonde en ik ben de dochter van een van uw minnaressen. U weet niet van wie. Toentertijd heeft u uw zaad immers zo gul, slordig en wijd verspreid, dat er ontelbaar veel van uw nakomelingen op deze aarde rondlopen, en kinderen van uw kinderen, die op u lijken. Echt waar, we hebben allemaal uw diepe rode mond en precies dezelfde spitse vingertoppen. Uw zorgvuldige, sprankelende, beetje flemende manier van praten. Uw grappige manier van lachen met de mondhoekjes die omhoog krullen. Net als u weten we ons te verpakken, goed te kleden en te hoeden voor overgave. En we zijn allemaal aantrekkelijk, slim en begerenswaardig, al zit er soms iets angstigs in onze blik, bijvoorbeeld als we onvoorbereid op onze reflectie in een etalageruit stuiten. Of in de holte van een lepel ons scheefgetrokken gezicht zien. Hoe dan ook, Vicomte Valmont, u zult wel blij zijn te weten dat uw nakomelingen, die zonder naam vaak, en in het geheim, ergens het levenslicht zagen, en opgroeiden zonder te weten dat u het was aan wie ze de kiem van hun bestaan te danken hadden, het ook zonder uw hulp goed hebben gedaan, en dus zijn opgegroeid.
Vicomte. Ik geef u nu het verhaal van mijn kleine geschiedenis. Misschien dat het u in de langdurige en oorverdovende stilte even aangenaam verstrooit. Mijn moeder is (dit heeft ze me zelf verteld) lang geleden door u verleid. Ze was toen vijftien, gewillig en nieuwsgierig, en heeft met u (en lang niet altijd tegen haar zin) – heel wat plezierige uurtjes in de beslotenheid van een warme ruimte doorgebracht. Op een dag vond – zonder dat u beiden daar erg in had – in haar schoot een bevruchting plaats. Haastig en in het verborgene werd ik – na mijn eerste schreeuw – afgestaan en ergens anders grootgebracht. Mijn moeders eer verdedigend, kan ik aanvoeren dat in de stad waar ze woonde, en waar u haar als een kipje uit een overvolle ren selecteerde, in die tijd nauwelijks nog kuise en maagdelijke vrouwen te vinden waren. Er deden verhalen de ronde dat zelfs de ouders die hun dochters uit voorzorg op de buik en rug droegen, niet in durfden te staan voor hun ongeschondenheid. Ik heb daar later zelf eens iemand ontmoet, die op mijn vraag naar de toestand van de twee kleuters, die hij in een leren reistas bij zich droeg, antwoordde: ‘Wel, ik draag ze al zo’n twee jaar en wat deze hier aan de voorkant betreft, die ik voortdurend in het oog heb, ik denk wel dat die nog maagd is, maar ik zou er toch mijn hand niet voor in het vuur durven steken. Hoe het gesteld is met die op mijn rug, dat weet ik absoluut niet.’

illustratie
Bart Domburg

De honden van Libuse 1991

Jaren later heb ik mijn moeder eens opgezocht. We bleken verrassend weinig te delen. Een verbitterd schepsel, dat in mijn gezicht steeds het uwe zag en het verloop van haar leven heeft afgezet tegen dat van u, en de verschillen niet kreeg weggepoetst.
Met een herhalingsdrift die psychologen van plezier in de handen doet klappen, verloor ook ik al jong ‘mijn onschuld’ en ‘mijn eer’. Nu heeft de eer een negatief karakter, want ze betreft niet het oordeel over bijzondere eigenschappen die wij extra hebben, maar over volgens de regel te verwachten eigenschappen die we niet kwijt willen. (Eerlijk gezegd weet ik niet meer welke eigenschap ik bezat, die ik daarna heb verloren.) Onder die omstandigheden, begreep ik, was het beslist wijsheid om me zo goed en kwaad als dat ging verder te verdiepen en te bekwamen in de kunst van de verleiding. Iemand was er vandoor gegaan met mijn eer, die ik niet kon terugverdienen, maar de roem – zo besloot ik – zou ik nog wel degelijk kunnen verwerven, en die vult het gat van de eer. Zo werd ik een courtisane, en een nogal geliefde. Het zou een leugen zijn te ontkennen dat ik me in die hoedanigheid niet vaak erg machtig en gelukkig heb gevoeld. Het heeft in elk geval mijn mensenkennis sterk gevoed. En het is ook bijzonder om te merken hoe kundig een mens kan worden op een bepaald terrein. Zeker in de liefde moet vakbekwaamheid niet worden geschuwd. Lui of gemakzuchtig was ik niet, en vanaf de dag van mijn verloren onschuld, heb ik mezelf ook intellectueel bekwaamd. Eerst heb ik mij gepresenteerd als een argeloos kind. Argelozer dan kinderen ooit zijn en zullen zijn, een onschuld cultiverend die nooit echt zo heeft bestaan, maar die door de kinderen graag gespeeld wordt, omdat ze wel voelen dat de volwassenen om hen heen het leven anders onverdraaglijk vinden. Jongens wat klaagden en huilden ze soms bij mij na de daad, als ik opgekruld (maar met één oog open) lag na te treuren op het bed. Wat beklaagden ze mij, wat deden ze boete. Mijn voeten werden gekust, er werd luid om vergeving gesmeekt, overtuigd als ze waren dat de lust alleen zo helemaal bij ze hoorde. ‘Verschrikkelijk, wat een vernield en kapot leven heb ik,’ riep ik.

Hoe sterker ik rilde of beefde, hoe opgewekter ze werden. Soms was het zelfs alsof ze alleen zo werkelijk konden genieten van het genieten. Zoals een kind zijn naam in het zand schrijft en dan verdrietig of boos wordt, als het zoute zeewater de letters weer vult en wegspoelt, zo werden zij kwaad als ik me na het liefdesspel te snel herstelde, mijn veerkracht had bewaard en niet verpletterd, mijn geslachtsdeel een gekliefde en ontpitte pruim, ter aarde stortte. Wonderbaarlijk vond ik het, Vicomte. Al die mannen die geen noodzaak voelden zelf lichamelijk begeerd te worden, en genoegen namen met mijn spel. Daarom straft een Femme Fatale al haar minnaars. Ze straft ze en vertrapt ze vanwege de eenzijdige gerichtheid, omdat ze in de val van de enkelvoudige verleidelijkheid willen trappen. Een die haar het simpele genoegen zelf te begeren en te beminnen, ontzegt. Ach, en laat ik maar eerlijk zijn. Het werd ook een beetje mijn eigen plezier om de onschuld, die ons afstoot en ook prikkelt, bloot te leggen, open te breken en af te pellen. Zodat het onmogelijk wordt haar in stand te houden en zelfs de herinnering aan haar niet te verdragen is. Maar het werd onmogelijk zo kind te blijven, Vicomte. De huid wordt onvermijdelijk schraler, de trekken valer. Het lichaam raakt vermoeid. Op een dag komt het op intellect, vaardigheid en techniek aan. ‘Als ik je zeg hoe men als hoer bemint, hoor mij dan aan met vlijt en trek geen smoel, want ik vervang allang door kunstgevoel, wat jij voorlopig in je jeugd nog vindt’ heeft Bertolt Brecht niet voor niets gezegd. ‘Met luiheid schiet je overal tekort…’ Een raadgeving die ik altijd erg ter harte heb genomen. Hij heeft wel meer gezegd, maar vaak wil men dat je de oren spaart, terwijl je het klusje in het duister klaart. Ik heb geleerd te zwijgen waar directheid schrijnt en schuurt, en veinsde enthousiasme voor zelfs het sufste miniatuur.
Heel lang geleden heb ik mij voor het eerst voor iemand ontkleed. Ik vergeet nooit de blik die er toen op mij werd geworpen: als die van een heer aan een dis vol zorgvuldig klaargemaakte maaltijden. Maar de verveling, de verveling! Het was zijn achteloze, in lome handelingen omgezette verveling, die nauwelijks te voelen dikke vingertopjes over mijn buik, die me tartte en prikkelde. Dat was het moment waarop mijn eigen hartstocht verknoopt raakte met de diepe wens niet te vervelen, niemand niet, nooit. Maar natuurlijk kwam er een dag dat er iemand bij me was, die zich niet door me het amuseren. De persoon in kwestie had de mond een beetje open, en terwijl ik gedreven als een trompettist nieuw leven probeerde te blazen in zijn geslacht, dat lusteloos, als een half met water gevuld ballonnetje, op zijn dijbeen lag, opende hij zijn ogen en schudde van nee, gaapte en zei: ‘Ach kind, later misschien.’ Hij geeuwde opnieuw tot ik het huigje in zijn keel zag trillen, en wreef de slaapkorrels uit zijn ogen.
Vicomte, de geeuw van uw gelijken heeft zoveel in gang gezet. Ik leerde hun en mijn tijd te doden en te vullen met het vertellen van verhalen. De afloop hoorden ze pas na betaling. Uitgeput en leeggeschud verlieten ze mijn kamer. Gesterkt in de overtuiging dat zij het waren die macht hadden over lust en liefde. Hoewel sommigen met mij een hoge graad van vertrouwelijkheid bereikten, zodat er tussen ons een echte vriendschap ontstond. Toen gebeurde er wat ook u ooit is overkomen, en ging ik van iemand houden.

illustratie
Han Rädecker

Hazewindhond 1941

Uit schaamte voor die liefde, want hij was niet erg knap of bijzonder boeiend, en ook niet erg bedreven in bed, speelde ik dat ik van hem hield, zoals ook u dat ooit heel vaardig speelde, en hij geloofde me en precies daarom heb ik hem van me afgestoten, want ik vond het onwaardig dat hij mijn valse spel geloofde. Niet de leugenaar, maar de bedrogene moet gestraft voor het feit dat hij zich heeft laten bedriegen. Al kreeg ik een kind van hem, dat ik heb gehouden en dat is opgegroeid.
Over dat kind heb ik eens een verschrikkelijke droom gehad, Vicomte. Ik droomde dat we samen door de stad liepen, door smalle straten. Het stonk er overal naar raap en kolen en achter de ramen zag je mensen en gezinnen, die de huiver over je ruggengraat lieten lopen. Ik was goedgekleed, dat wel, en niet helemaal onbemiddeld, maar moe en met die eenzaamheid die komt als je hebt leren kennen wat je hebt afgestoten. Mijn kind was jong en mooi. We gingen ergens zitten om vanilleijs te eten. Hij stak de lange lepel diep in het glas en likte hem af met zijn roze tong. Plotseling zag het zijn reflectie in het zilver. Toen krulden het zijn lippen in een glimlach, en verscheen er een flakkering in zijn ogen. ‘Mooi,’ zei het. En ik zag in hem wat ik ook in mezelf en in anderen heb gezien.
Uit angst sloot ik hem daarna thuis op in de slaapkamer. Ik wierp alle boeken het raam uit, sloot de gordijnen, en draaide de deur in het slot. Daarna zat ik beneden op de stoel met de sleutel van ons huis tussen mijn tanden, en ben ik in slaap gevallen. Toen ik eindelijk wakker werd, Vicomte, voelde ik mij nog steeds moe, en was ik bang.
Ik begreep dat ik vreselijk lang had geslapen, want mijn mond had van boven tot onder de smaak van ijzer. Moeizaam stond ik op, en voelde daarbij aan alle kanten het knarsen van mijn gewrichten. De sleutel viel kletterend uit mijn mond op de tegels en plotseling herinnerde ik me! Ik stormde naar boven en opende de deur van de slaapkamer, waar dikke spinnenwebben in trossen voor hingen, en duizendpoten en vliegen machteloos verstrikt zaten in het rag. Ik rende naar voren en smeet de ramen open zodat de frisse lucht de bedompte kamer kon binnenstromen. ‘Ga maar naar buiten,’ zei ik. ‘En doe maar wat je wilt.’ Daar zat mijn zoon, op het bed, tussen zijn tinnen soldaten en verstofte knuffelbeesten, een droge gestalte, met een kam in de handen, en een diep gegroefd gezicht.
Maar hij herstelde snel, en is toen weggegaan. Ik heb mijn zoon niet meer terug gezien. Al zeggen sommigen dat ze hem hebben zien staan in de haven, of bij het vliegveld. Dat hij het is die in kroegen en cafés de vingertoppen van eenzamen kust. Kort geleden was er een vrouw die beweerde dat hij haar op de hoek van het station had aangesproken, en gevraagd had met hem mee naar huis te gaan. Weer iemand zegt dat een jaloerse minnares hem de keel heeft doorgesneden en zijn hoofd in zee heeft gegooid. ‘O dat mooie hoofd, dat mooie hoofd,’ lamenteren ze.
Welke woede of angst er soms aan de verleiding vooraf gaat, weet ik niet, Vicomte, trots en achteloze verwekker van uw nageslacht. Wel dat het oneindig jammer is, dat u ze nooit zag en nooit zult zien, de zonen en dochters die u hebt voortgebracht, en die nu als soldaten marcheren door de wereld. En overal deuren openen en sluiten. En verhalen fluisteren in elkaars en andermans oren, trillend van lust en vakbekwaamheid, maar het verschil tussen warm of koud, of bitter en zoet niet kennen, en die denken dat ze niet echt bestaan als er geen spiegel is om hun reflectie op te vangen.
De laatste tijd moet ik steeds vaker denken aan de jongen die bij ons aan de overkant van de straat woonde, en dolgraag een hond wilde. Net als iedereen in de wijk waren zijn ouders straatarm en uiteindelijk kreeg hij een rat, want daar zaten de kelders van onze huizen nu eenmaal vol mee. Toen heeft hij een touwtje om de nek van de rat geknoopt en is hij begonnen hem allerlei dingen te leren. Hij liep over straat met de rat aan een touw en speelde ermee. Natuurlijk hebben we hem bespot. ‘Dat scharminkel is geen hond. Het is rat uit de kelders van je huis.’ Ook volwassenen riepen dat hij was bedrogen. Uiteindelijk hebben we hem de stad uitgejaagd, want het was te onverdraaglijk om aan te zien, die jongen in zijn rode jasje – trots en opgewekt voor de schor blaffende en springende rat uit.
‘Wat zou er toch gebeurd zijn met Otto en zijn rat?’ vroeg ik laatst aan de man en vrouw die me hebben grootgebracht. Mijn stiefvader zei dat de jongen de rat – toen hij bij zinnen was gekomen – wel in het kanaal zou hebben verzopen, zoals we dat ook met jonge katjes gewend zijn. Maar mijn stiefmoeder zei dat ze hem de vorige week nog had gezien. Hij stond met zijn rat bij een sportveld en hield tegenover een groep zwaargebouwde voetballers bij hoog en bij laag vol dat het een hond was. ‘Het is een hond, want hij brengt mij mijn pantoffels. Hij is zindelijk geworden en blaft in het donker. En ‘s nachts, als ik ongerust ben, zoekt het mijn hand en drukt er zijn kop troostend tegenaan.’ Daarna kregen mijn stiefouders een woordenwisseling over de beroerde hygiëne in onze straat, en ben ik weer weggegaan.

Een van uw dochters,
Faldagonde