Manon Uphoff, Bekentenis van een winkelende. In de overvloed op zoek naar dat ene... (De Revisor 2003-1)

In september verschijnt De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we deze zomer haar Revisor-archief op de website. Lees je in! In 2003 verscheen haar ‘Bekentenis van een winkelende. In de overvloed op zoek naar dat ene…’. Dit eerste nummer was gewijd aan ‘de verleiding’ en bevatte stukken rondom kunstwerken uit het Utrechtse Centraal Museum. Uphoff leverde twee stukken, ‘Brief over de verleiding en een hond, aan Vicomte de Valmont’ en deze bekentenis. Aan de hand van hoedendozen in het museum, maar met Connie Palmen, een politicologische studie en neefje Menno, die nog even opduikt in haar bijdrage aan het komende nummer.

*

illustratie
Hoedendozen in het depot van het Centraal Museum, Utrecht

Zo krijgt winkelen iets van een reis, een speurtocht door de Hades, waar je wanhopig en met groeiende onrust op zoek bent naar die ene geliefde, verborgen tussen de honderden en duizenden die rond je drommen, aan je kleren trekken en je proberen te overtuigen dat zij het zijn die je zoekt. (Ik wilde een film maken over een vrouw in een rode jurk die van winkel naar winkel trekt, van koopparadijs naar koopparadijs, langs en door een stroom van verlichte ruimtes, waar geestverschijningen haar betasten, bevoelen, van adviezen voorzien, en ze blijft dolen, terwijl haar autistische kind thuis, opgesloten in zijn kamer, met riempjes vastgemaakt aan het natgeplaste bed, soms uitbarst in een grillige monoloog.)
Ik weet niet hoe lang ik heb geleefd met en geloofd in de waanidee dat alles te kiezen valt, en ook dat het belangrijk was om te kiezen, een noodzaak, iets wat ik aan mezelf en de wereld verplicht was. Ik herinner me de opwinding vroeger bij ons thuis, als de Wehkamp en de Neckermann-catalogus op de mat viel. De gretigheid die bezit nam van mijn moeder en zussen, de schittering in hun ogen, terwijl ze pagina na pagina omsloegen en kleuren, prijzen en ontwerpen vergeleken. Als kind keek ik, samen met mijn jongste broertje en zusje vanuit het raam van onze bovenwoning recht uit op de eerste verdieping van speelgoedmagazijn ‘de Poort’. Droeg ik mijn bril, dan zag ik de poppen in hun dozen, de legostenen in hun kleurige verpakking, de bewegende bouwwerken van meccano. Wat daar schitterde, blonk en flonkerde. Ik weet niet hoe lang ik al leef met de idee dat als ik het goede kies, het juiste en ware, alles in mijn leven als door betovering zijn ene plek zal vinden, zijn enige echte thuis. Er is veel gezegd over de verlokking van het winkelen en de verleiding die uitgaat van de overvloed, het weelderige aanbod, alsof we met elkaar het lichaam van een enorme vrouw, opgeblazen tot in alle uithoeken van het westen, via roltrappen bestijgen. We gaan haar binnen en vinden ons terug in de warm gestookte ruimtes. Maar er is minder bekend over het ware verlangen van de koper, en over de macht die hij of zij zich al winkelend verwerft. Oppervlakkige psychologie zet de winkelende mens maar in twee gedaantes neer. Enerzijds vinden we de ‘normale’ man of vrouw, die zichzelf keurig in de hand heeft. Deze consument gaat op pad, heeft lijstjes, het is hem bekend wat hij ‘nodig heeft’. Hij, of is het beter om van een zij te spreken, weet niet alleen wat, maar ook hoe te kiezen. De verlokking en verleiding blijft aanwezig, maar de koper is haar de baas, weet er de vinger op te leggen, kent de eigen pijnpunten. Misschien komt de koper thuis met een extra krentenbrood, een grote zak Snickers of Twix voor de dreinende kinderen, een goudkleurig truitje wat met de feestdagen goed van pas kan komen, stevige winterlaarzen (in de aanbieding), maar de euro ligt even stevig in haar hand als de gulden, en er is een bewustzijn van de voortdurende fluistering, het zachte prikken ‘koop mij, nee, koop mij’. Koop echtheid. Koop authenticiteit. Koop imago. Koop een karakter, en zet daar het eigen glimlachende stilzwijgen tegenover. De koper is kundig, intelligent, efficiënt, heeft het pasje al in de aanslag. ‘Zal ik het voor u inpakken? Is het voor een cadeautje?’ ‘Nee, het is voor mijzelf, en het gaat zo wel mee.’ Daartegenover bevindt zich de koopverslaafde, de junk, de wankelmoedige die niet alleen gebukt gaat onder stress, onzekerheid, een treurig zelfbeeld en te weinig vertrouwen in de eigen sex-appeal, maar die overspoeld door gevoelens van leegte baden moet in het teveel, in de niet aflatende stroom van dingen.
Het profane en het heilige.
Het winkelcentrum als een met glas en staal overkapt universum, de ouderwetse hemelkoepel.

In Geheel de Uwe onderzoekt Palmen de verleider, de bedrieger, de hoerenloper, het gekwetste kind – maar wat weten we van de vrouw die koopt, die langs de uitgestalde waren sluipt en zoekt, en bij thuiskomst heimelijk haar spullen verbergt, de lulligste aankopen, als een dief in de nacht? Ik ken iemand die bij het zien van een Blokker door het dolle heen raakt, naar binnen moet, uren in een rij wil staan, met in de armen een eiersnijder of een uienkam. En voel ik zelf niet dat niets het paradijs dichter nadert dan de parfumeriezaak, die op gelijke hoogte staat met de (rommelige) boekenwinkel en de luxe stoffenzaak? Alles is er te bevoelen, te proberen, eventueel terug te brengen. Het genot van de ontstellende aanraakbaarheid van de dingen.

Loflied op het winkelen

Het intieme van de pashokjes. Soms is er een kammetje dat op een plankje ligt, een achtergebleven lippenstift, de geur van een ander die opstijgt uit het te krappe truitje. Ook: de weerzin en de hoop in het felle licht, de benauwende drukte. De verleiding van de stapeling, de vermeerdering, de overvloed, de groei. Het gargantueske van onze samenleving, als Gullivers op de reusachtige moeder, die blijft geven en geven.
Marcel Proust zou gek worden, in een klap autistisch, als hij zou worden opgesloten in een van die winkelparadijzen. Het daverend teveel aan indrukken.
Het zintuiglijk genot van de veelheid, de kleuren. De textuur van kleding, voedsel schoeisel. Alles licht, aanraakbaar, overdraagbaar. De geuren van koffie, chocola, gebraden kip. Het besef: slechts een woord en dit kan van mij zijn. En naast die zee van licht, het geroezemoes, een dak boven je hoofd. Geen eenzaamheid voor wie dwaalt door zulke koninklijke zalen. Oneindig zijn de paleizen van de grootvorsten waar het publiek (dat kleine zwarte hoofdje ben ik) doorheen schuifelt, zoekend, eeuwig zichzelf aan de bron verversend. Een onophoudelijke doorstroom. Er is vaak gezegd dat het gaat om een surrogaat, maar om te weten waar en wanneer het surrogaat is, zou er eerst een nauwgezet onderzoek moeten plaatsvinden. Wat is illusoir en wat is echt en waar lopen ze in elkaar over, en welke echte behoeftes worden er in de tussentijd bevredigd?

Natuurlijk, de overeenkomst met de pornografie en het bordeel: het zich steeds vernieuwende aanbod, de exploitatie, de uitverkoop. De toegankelijkheid. Je hoeft alleen maar te betalen en het is er gelijk voor iedereen. De dief, moordenaar, leugenaar, de onzindelijke, schuimbekkend roddelzieke, wrede, gemene en gevoelloze wordt er net zo bediend en ontvangen als de gulle, genereuze, warmhartige. Er vindt een gelukzalige identiteitsreductie plaats. Terwijl de keuzevrijheid identiteits-verhogend zou moeten werken, is er tegelijkertijd een verrukkelijk terugvallen in de massa.

Paradijselijke oorden waar engelen klaarstaan met mooie woorden, beste verheffende taal. Je opwachten en troosten, beloftes doen, vertroetelen, met rust laten.

En dan nog niets over het geld dat wisselt van hand tot hand, het contact tussen droge of klamme palmen, de blik die wordt uitgewisseld. (Wie hiervan meer wil weten, leest Marie Kessels God met de gouden ballen.) Wat was van wie en is nu plotseling van mij? Hoe simpel en eenvoudig zijn bezitter en bezit van plaats veranderd en is de machtsverhouding verschoven. De verkoper of winkelchef die na de transactie nog steeds de hand op het gekochte legt, geen afstand kan doen, een onwaardige, iemand die zich aanmatigend, onhygiënisch opstelt, zijn plek niet kent.

Pennen, kammen, ondergoed, voedsel, make-up, parfums, schoenen, tassen, sjaals, kaarten, kandelaars, vazen, bloemen, zakdoeken, servetten, tafellinnen, gordijnen, lampen, kussentjes, riemen, schalen, serviesgoed, doosjes, kistjes, potjes, briefopeners, pennen, vulpennen, kruiden, kousen, sokken, beeldjes, speelgoed, sieraden, lakens, dekens, beddengoed, lotions, placemats, flosdraad, deodorant, wattenbolletjes, zeep, wasmiddel, lijm, schaar, plakband, wasmiddel, afwasmiddel, computers, agenda’s, lenzendoosje, scheermesjes, gummetjes, perforator, wenkbrauwkammetjes, uienhakker, presse-papier, wc-papier, kerstballen, cd’s, dvd’s, badlakens, tijdschriften. Bij dit alles als kopende, selecterende, als degene die uiteindelijk kiest, steeds de schijn van deskundigheid, van verdieping.

Hier grondig over nadenken – alleen een simpele verklaring is niet genoeg – het winkelen is ook een soort biecht, een openlijke confessie. Alle verlangens liggen open en bloot als een zenuw onder een getrokken kies. Voyeurisme en exhibitionisme komen samen in de stuwkracht van de massa. We zijn bij en met de anderen. Er is een gezamenlijk betasten, proeven, proberen, passen van de dingen. En al een geestelijk toe-eigenen, dat kan leiden tot bijvoorbeeld ruzies in de uitverkoop. ‘Pardon, ik had dat!’ De machtsstrijd tussen twee mensen en een ding. Het spelen en voorstelbaar maken van het eigenaarschap, en dan alweer moe en verveeld zijn, misselijkheid die opkomt. Het van de hand doen, afwijzen, het links laten liggen en eraan voorbijgaan. Steeds opnieuw de werkelijke honger en verzadiging, en altijd weer opnieuw het lichaam van het product.
En ook, niet mis te verstaan, het (perverse) genoegen in de moeite die het anderen heeft gekost dit ene ding te maken, soms omgekeerd evenredig aan de moeite, dat wil zeggen, het gemak waarmee het aangeschafte geconsumeerd en weer verworpen kan worden. Het bespeuren en binnenbrengen van de grenzeloze aandacht, en het dan wegdoen zonder een traan te laten. Minutieuze handenarbeid, eindeloze concentratie of geestdodende verveling. Het aanschaffen van de gestolde levensverspilling van anderen. Kaarsvet dat langs de kaars druipt tijdens het branden.

Tot slot: je wordt niet gekozen, beoordeeld, gekeurd. Je kiest zelf. Jij bevingert, wijst af, vindt iets te veel, te weinig, goed of niet goed genoeg. Jij loopt langs de verlichte ramen en speurt en onderzoekt. Misschien maak, ontwerp of bedenk je niets, maar waarom zou je, je bent de koper! En voor degenen die armlastig zijn, of min over zichzelf denken, zich niet durven te plaatsen te midden van die massa die uitstraalt te kunnen betalen wat ze bekijkt, zijn er de goedkopere plaatsen. Is er bijvoorbeeld de laatste afdaling in de v&d, niet voor niets een kelderruimte: de ‘Budgetmarkt’, waar de illusie van goedkoopheid wordt versterkt door alles iets waardeloos en goedkoops te geven, de hele entourage en setting. Grauwe muren en grijs zeil. Hier wordt een ander soort clientèle aangetrokken, de mensen die zich niet alleen minder kunnen veroorloven, maar ook het ‘soort bij soort’ zoeken, genoegen nemen met een magere kwaliteit, de dingen die zeker niet zullen beklijven, het beige truitje waar nu al de halen in zitten, het groezelige knuffel-beest. De Hema is ook niet duur, maar heeft een vrolijkere uitstraling en is daarom niet de aangewezen plek om jezelf te straffen en je plaats in het grote geheel in te nemen.

In 1991 verschijnt het werk van de politicologen Doyal en Gough, die stelling nemen tegen alle vormen van relativisme en een normatief concept voor transculturele universaliseerbare behoeften uitwerken. Ze komen tot twee fundamentele vereisten voor deelname aan de samenleving: gezondheid en autonomie. Hieraan verbinden ze elf ‘universele’ satisfactoren of ‘intermediate needs’: toereikende voeding en water, huisvesting, een veilige werkomgeving, een gezond milieu, toereikende gezondheidszorg, een veilige kindertijd, betekenisvolle primaire relaties, fysieke veiligheid, economische veiligheid, toereikende educatie, en speciaal voor vrouwen: betrouwbare anticonceptie en perinatale zorg. Hoewel sommigen zich verwonderen over het ontbreken van seks en voortplanting in dit lijstje, wordt hun theorie, voorzien van de nodige aanpassingen en uitbreidingen, toch breed overgenomen en ingezet. (Zo is bijvoorbeeld de politicoloog Oscar Nudler van mening dat deprivatie van op sociale inbedding gerichte behoeften zich niet altijd uit in zichtbare schade aan het individu, maar ook in sociale anthologieën. Bovendien ziet hij de behoefte aan betekenis als de meest universele van alle menselijke noden. En biologe Mary Clark is van mening dat de betekenisvolle sociale verbondenheid centraal staat in de behoeften.)

Ze zijn we het er over eens dat er geen simpele een op een relatie bestaat tussen behoeften en ‘satisfactoren’. ‘Behalve dat voor een behoefte vaak vele satisfactoren mogelijk zijn, bestaan er ook satisfactoren die in meerdere behoeften tegelijkertijd voorzien.’

In beginsel zijn er drie manieren in iedere samenleving waarop een wisseling van goederen en diensten plaatsvindt, al dan niet met geld als transactiemiddel. Altruïsme: geven en ontvangen zonder tegenprestatie. Wederkerigheid: ruilen en delen op basis van dienst en wederdienst. Exploitatie.
In vrijwel alle culturen wordt een hogere morele waarde toegekend aan het geven zonder tegenprestatie, gevolgd door delen op basis van wederkerigheid, dat weer hoger gewaardeerd wordt dan de in alle culturen bekende categorie ‘zakelijke transacties’. Volgens biologische termen is altruïsme een daad die de ontvanger bevoordeelt ten koste van de gever. Vooral bij vrouwen staat het altruïsme nog steeds het hoogst in aanzien. (Bijtende voorbeelden daarvan zijn soms te vinden in de verwrongen verhouding van vrouwen tot kinderen, een verhouding waarin het altruïsme zou moeten zegevieren, maar waar vaak sprake is van een verwrongen kasboekprincipe. Dat wil zeggen dat wat opgeofferd wordt, of gedaan wordt voor het kind, wordt ‘neergeschreven’ in het geheugen, en later bij het oudere kind wordt neergelegd, waarna de wederdienst wordt verlangd. Ook het Münchhausen syndroom van Proxy, waarin vrouwen zichzelf lijken weg te cijferen door hun doodzieke man of kind te verplegen, maar in werkelijkheid de ziekte of kwaal zelf hebben veroorzaakt, is een mooi voorbeeld van een ‘altruïstische’ pathologie.) Altruïsme komt in de praktijk het meest voor tussen bloedverwanten. Andere giftuitwisselingen zijn, of lijken, over het algemeen wederkerig.

Een groeiend aantal kooptransacties lijkt tegenwoordig een tussenpositie in te nemen en probeert zoveel mogelijk de hogere morele waarde van het altruïsme te vertegenwoordigen door de verlangde tegenprestatie (betalen, investeren) zo min mogelijk te noemen, uit te besteden, of pas in een heel laat stadium te laten plaatsvinden. ‘Bestel nu. Betaal in 2004.’ ‘Bel, en Frisia financieringen neemt alle leningen van u over. (U ontvangt thuis de voorwaarden.)’ Met behulp van cards, cheques en andere middelen wordt geprobeerd zoveel mogelijk de uiterlijke vorm van altruïsme te benaderen. ‘Wordt nu Bij-cardhouder en profiteer van de vele aanbiedingen en de speciale Bij-cardhouder-avonden in uw eigen omgeving!’ ‘Geachte mevrouw U, speciaal voor u hebben we deze aanbieding geselecteerd. Bestel nu, en maak gebruik van onze uitprobeergarantie. Zes maanden gratis slapen in een waterbed!’ Zo vermomt het louter zakelijke zich zoveel mogelijk als een altruïstische handeling, of op zijn minst als een van dienst en wederdienst: ‘Bestel nu bij ons dit, en wij geven u er – als wederdienst – dat bij. (Neem nu de bonuskaart, u blijft hier komen en in ruil voor uw trouw, geven wij u kortingen.)’ Wie weigert wordt uitgesloten van een gemeenschap, valt buiten de gebedsdienst. Wordt aangestaard, met opgetrokken wenkbrauwen. ‘Wat, geen bonuskaart?’ Een behulpzame klant schiet toe. ‘Wilt u de mijne er dan even voor gebruiken?’ ‘Nee, dank u.’ ‘O, u betaalt liever de volle mep.’ Minachting om de mondhoeken. Onbegrijpelijk. Daarna het negeren. De straf die staat op de terugtrekking uit de groep.

‘In een sterk geprofessionaliseerde maatschappij is de zakelijke transactie veruit de meest gebruikte vorm van materiële behoeftebevrediging; het is mogelijk, dat door afnemende betekenis en mogelijkheden (tijdgebrek, afstand, voortgaande professionalisering en commercialisering) voor informele onderlinge hulp en steun er een zekere deprivatie aan emotionele behoeften ontstaat bij steeds grotere groepen mensen.’

Als we weten wat nodig is, kunnen we dan ook weten wat onnodig is? Je zou simpelweg kunnen stellen dat alles wat niet noodzakelijk is, overbodige luxe is, maar dit gaat voorbij aan hedonistische en esthetische behoeften, en aan zoveel meer.

Mijn tweejarige neefje Menno zit gehurkt op de grond en betast mijn schoenen.
‘O, moooi… mooie roden schoenen. Menno wil die ook.’
In het sprookje ‘De Rode Schoentjes’ offert het meisje Gerda haar rust op vanwege de gefluisterde belofte van die schoentjes.

Het benauwende aan veel tegenbewegingen van consumenten, die zich teweer proberen te stellen tegen de ‘valse’ verleiding, is dat ze soms neigen naar het anorectische tegenover de boulimia. De hunkering naar overvloed en verspilling wordt ontkend of ontkracht en er komt een ascetisme voor in de plaats, iets afgeknepens. De mens als worm met een mond en anus die moet worden dichtgeplakt.

Er zijn dagen dat ik verlang naar dat ene… Ik loop ergens binnen en daar is het. Bewaard en apart gehouden. Onmiskenbaar van mij, en in de duizelingwekkende chaos altijd weer door mij, en door mij alleen terug te vinden.