Manon Uphoff, De spelers

In september verschijnt De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom leest Daan Stoffelsen, oud-hoofdredacteur van De Revisor, haar oeuvre. Deze week De spelers, Uphoffs Bosnische roman, waarin de schrijfster observatie paart aan begeerte, en de beelden vindt bij het beklemmendste.

*

Een waarnemer

De spelers (2009) is Uphoffs derde roman. Ze beschrijft erin de verliefdheid van hoofdpersoon Manja op en intense relatie met de Bosnische vluchteling J., en daaropvolgend haar confrontatie met diens schoonfamilie en zijn land. J. is behalve een geweldige minnaar (met een typische stapeling van beelden schetst Uphoff Manja’s obsessie: ‘Altijd stond hij klaar, zijn lul, even solide als lood, roodgloeiend als gesmolten en weer afgekoeld koper, zo stijf omhoog alsof hij nooit meer omlaag kon, een totem, een token.’) ook een enorme neuroot (met een wat te nadrukkelijke weergave van zijn gebrekkige Nederlands: ‘Wat heb jij mee gedaan? Ik heb mij niet vergiest. Ik heb dat hier gelaten… híer neergelegd. Heeft geen poetjes gekregen. Of wel?! Wil jij mij soms zeggen dat het póetjes heeft?’). Als de spanningen tussen hen oplopen, besluit ze aantekeningen te gaan maken, en ergens is dat ook de meest basale aanduiding van deze roman. Aantekeningen, reportage. Niet voor niets merkt Manja op ‘dat ik altijd een waarnemer ben geweest, ongeacht mijn begeerte’. Ze schept genoegen in die begeerte, maar ook in het waarnemen, of het nu van J.’s woede en neuroses is, of de trieste toestand van zijn familie en thuisland. En ook van haar eigen genoegen daarin.

‘Ja, door jullie zorgen en pijn voel ik weer dat ik leef, dacht ik; zoals jullie verspreid liggen over het veld, alsof ik Napoleon ben die te paard de gevallenen bezoekt. Soms ik kom ik hiernaartoe, om te kijken hoe het jullie gaat in jullie echte leven. Jullie leed, verdriet en zorgen, het raakt ook mij en verwondt me soms vanbinnen. Het is heel goed mogelijk dat ik de dingen die ik hier zie meeneem naar mijn dagelijkse leven en dat ze het verwarren en overhoophalen. Zoals ik het verwoord lijkt het of ik koud en gevoelloos ben, maar dat is de kou en gevoelloosheid die je voelt als je op een ijsvlakte staat; alles bevriest en het bloed trekt weg, je vingertoppen tintelen en je ogen zien alleen maar het verschil tussen wit en zwart. Maar straks, als ik terug ben en alles weer begint te stromen, dan zullen jullie zien dat ik ook gevoelig ben en dat het pijn doet om weer warm te worden.’

Napoleon! De ijsvlakte. En dan, tussen haakjes: ‘Waarom neem ik mijn eigen ervaring toch steeds als uitgangspunt? dacht ik. Waarom doe ik dat toch keer op keer? Omdat die je dierbaar is, schoot het door me heen.’ Voor ‘reportage’ pleit ook de aanduiding van de minnaar met een enkele initiaal, alsof er een echt iemand achter die rol speelt. Maar misschien is een toneelperspectief zinniger: Manja lijkt de mensen om haar heen in ieder geval als spelers te beschouwen, die hun rollen vervullen in een door de oorlog geschonden schouwtoneel, met een afstand en betrokkenheid als een professioneel publiek. Ze schetst een komische situatie in een door en door tragisch decor. Of duidt de titel op de gokken die Uphoffs personages nemen? Het is in ieder geval intrigerend, zij het dat Uphoffs verhaal niet heel bevredigend afgerond raakt; de spanning tussen Manja en J. wijkt wat door de zorgen om de schoonfamilie en de taferelen in Sarajevo en Srebrenica, en al sterft J.’s moeder en wordt zijn vaderland weer opgebouwd, het voelt alsof we niet verder komen in deze trieste situatie.

De kruiden in de werkelijkheid

Tót die constatering is er wel veel te genieten in deze roman, waar de werkelijkheid grotesk lijkt, en de observaties heerlijk gekruid zijn. ‘Maak een beeld,’ roept J.’s gemankeerde zwager telkens als hij weer een oorlogsscène in houterig Engels wil vertellen, en Uphoff doet dat, continu, met smaak. Op het Bosnische platteland:

‘Waarna we werden binnengeleid over een erf en terechtkwamen in een weelderige setting van grasland, kippen en geiten, een paar hanen, een slordig afgewerkte kalkoen, een pony en twee honingkleurige katten, waarvan er een in het voorbijgaan met een rasperige tong een schram op mijn benen likte.’

Slordig afgewerkt! Een schram op je benen gelikt! Alsof het allemaal geproduceerd is voor Manja. Elders stuiten ze op ‘een tanige man met diepe zwarte holtes onder zijn jukbeenderen zodat je van wangen met goed fatsoen niet spreken kon’. Geprikkeld door getuigenissen uit de oorlog, moeizaam onderdrukt door te bladeren door interieurtijdschriften, veranderen haar nachten. ‘Mijn dromen werden opnieuw zo levendig dat ik ze bijna kon leren rechtop te zitten.’ Maar ook in het seksspel vindt Uphoff verwarrend rake woorden:

‘We lagen naast elkaar in bed en bespraken wat we van elkaar af zouden willen halen om te kunnen bewaren of te eten. Ik speelde met het fluitje van zijn lul, die opgekruld als een garnaal tegen zijn dij lag, trok hem op bij het losse deel van de huid en sprak ertegen, vurig en vermanend als een meisje tegen haar poppen, en keek met genoegen toe hoe hij hard werd, in afwachting van het koortsachtige neuken en de tedere krampen die zijn gezicht zouden omvormen tot iets dierbaars en onbekends.’

Mijn lijkt dat in die laatste frase de begeerte van de waarneemster, de waarneming van de begerende, heel treffend gevat wordt. Lief en eng. Even verderop kan haat ‘dik en mossig’ zijn, of is er sprake van iemands ‘oude liefde de heroïne, die haar onderarmen uit dankbaarheid met verse zweertjes had gekust’. En hier, we zijn in Srebrenica, waar J. vrijwilligerswerk doet, verwringen geweld en seks zich schrikbarend opwindend:

‘Even later lagen we onder de wollen denken – emaillen mok met koud water op de stoel naast het bed – waar we tot fondant smolten in ruimtes vol zachtschuimende onschuld waarin onschuldige soldaten op rije onschuldige mannen joegen en rijen onschuldige kloten tegen rijen zacht verende kutten sloegen.’

Zoals Uphoff ook in haar andere werk laat zien, staan het erge en het heerlijke naast elkaar, en dat kan even spannend als afgrijselijk zijn.

De spelers, uitgegeven door De Bezige Bij, is tweedehands te verkrijgen op Boekwinkeltjes.nl, of te leen bij je bibliotheek. En in zijn blogreeks Een zomer met Manon Uphoff schrijft Marc van Oostendorp ook over De spelers, vooral in aflevering 3, maar ook 7, over de ontvangst van de roman en 9, over de culturele clichés.