[p. 79] Manon Uphoff Over Zoek op Liefde van Herman Franke in De Revisor

Nu verschenen: De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we haar Revisor-archief op de website. Lees je in! In de rubriek ‘Het maaiveld’ schrijft Uphoff in het tweede nummer van 2009 over Herman Frankes Zoek op liefde. Ze gaat op zoek naar de ‘ik’ in de roman, in een van haar kenschetsen ‘[e]en ik dat vervolgens, langs de lijn van een ooit aangelegde lijst van goede voornemens, het pad van verlangen en herinnering en lust en nieuwsgierigheid volgt, en hier en daar wat gewrongen bezig gaat met het najagen van antwoorden op vragen als: “Wat is het ergste wat je tegen iemand kunt zeggen?” (Waarbij moet worden opgemerkt dat het openbaar maken van het nogal persoonlijke antwoord op deze vraag de angel er grotendeels uit haalt. Nee, dan liever de marteling van het niet weten die in het hoofd van de lezer een duizendvoud aan mogelijkheden oproept waarmee die zichzelf telkens even op de pijnbank legt.)’

*

Een paar maanden geleden bezocht ik in Barcelona ‘Bodies’, de tentoonstelling die ik in Nederland (Amsterdam, de Beurs van Berlage) niet had willen zien en nog hautain-principieel had afgewezen als te gruwelijk. Het betrof die bijzondere expositie van opengewerkte menselijke lichamen, in dit geval van allemaal Chinezen die, en dat was nog een heikel punt, waarschijnlijk helemaal geen toestemming hadden gegeven om na hun dood zo tentoongesteld en geopenbaard te worden, maar wier lichamen door de Chinese autoriteiten kennelijk toch zonder de minste mores aan de wetenschap waren overgedragen, waarna ze buitengewoon vaardig en secuur met bijzondere (epoxyharsachtige) middelen waren bewerkt zodat het mogelijk was om het lichaam en al het inwendige (zenuwkabels, spieren, bloedvaten, organen) in verschillende stadia van ontleding of beter gezegd openbaring aan de toeschouwer te tonen – in het gelukkige bezit van een soortgelijk, maar dan levend lichaam.
Het was helemaal niet gruwelijk. Al kon je enige kanttekeningen plaatsen bij bepaalde keuzes (zoals het laten zitten en waarneembaar uitsparen van wenkbrauwboogjes en het polletje van de navel, waarom was dat nodig als het hier om iets heel anders ging: de on-persoonlijke en niet-individuele schoonheid van het menselijk lichaam, het inwendige? Waarom dan enkele van zulke hoogstpersoonlijke kenmerken nadrukkelijk in beeld brengen?). Het was prachtig, indrukwekkend en ontroerend. Ik kende geen van de mensen, natuurlijk niet en op die kanttekening na werd de blik geleid naar de precisie van het menselijk lichaam. Zo herinner ik me een bijna koraalachtige constructie in plexiglas, die louter een uitsparing van bloedvaten was, van de grootste tot de meest minutieuze bloed- en haarvaatjes naar vingertoppen en tenen, een fragiel kantwerk, voorgoed onherkenbaar van wie.
Voor wie, zoals ik, gewend is om alles wat de mens uit het veld van het individuele en unieke trekt te beschouwen als iets angstaanjagends en huiveringwekkends ging er iets bijzonder troostends en ontroerends uit van die min of meer gelijke binnenkanten. Ineens vond ik het helemaal niet zo verschrikkelijk om dat individuele los te laten en vooral te zien waarin de gelijkheden liggen, waarin we niet tot weinig van elkaar verschillen. Niet het ongedeelde maar gedeelde, opgesloten en blootgelegd in de tijd en ruimte van een persoon. Ik bezocht de tentoonstelling in Barcelona met twee broers en een zus, we liepen er ademloos rond. Diezelfde dag was er ook het moment geweest dat ik op de grote markt in een vitrine bij een slager een teer wit voorwerp had zien liggen. Het was maagdelijk wit en zag er een beetje uit als een platgestreken papieren kerstklok, je kent ze wel, die moet je uitvouwen: ze bestaan uit dat fijnwitte, in ruitvakken opengewerkte papier en de twee helften vormen rondgetrokken dan een klok. ‘Wat kan dat zijn?’ vroeg ik. Mijn oudere broer, die barrer tijden heeft gekend, gaf meteen het antwoord: ‘uierboord’. Het schijnt, heb ik me laten vertellen gebruikt te worden in frikadellen. Nu dat doet er even niet toe, ik eet geen frikadellen, ik was gefascineerd door dat uierboord. Wat een eigenaardige ervaring om in de zaal die ik probeer te beschrijven in de opengewerkte borst van een vrouw datzelfde spierwitte tere materiaal te zien!
‘Nu durf ik nooit meer in de borsten van Ingrid te knijpen!’ riep mijn jongste broer. ‘Veel te bang dat ik iets kapot druk!’
Waarom haal ik nu dit bezoek aan die tentoonstelling aan? Twee redenen: ten eerste omdat ik, afhankelijk van de plek en de tijd en de sfeer een heel andere persoonlijkheid vertoon (is me wel vaker opgevallen), en ten tweede omdat deze confrontatie met de mens die zorgvuldig van al het persoonlijke en individuele was ontdaan, nu eens niet angstaanjagend, kil en vreeswekkend was, maar van een verstilde schoonheid en ontroerende kracht.
Eind 2008 verscheen Zoek op Liefde van Herman Franke, het tweede deel in een cyclus die zich moet gaan uitstrekken tot het moment dat de schrijver ervan niet meer in staat zal zijn er nog een deel aan toe te voegen. Dat is de bedoeling. Schrijvend naar Isfahaan. ‘The following of (such) thematic designs through one’s life should be, I think, the true purpose of autobiography’, schreef Nabokov indertijd. Zoek op Liefde zit evenals het eerste deel, Uit het niets, vol met de resten en fragmenten, de rafels van zo’n ‘thematic design’, en met de ‘Ik’ volgen wij die en komen zo haast en passant heel veel over datzelfde ik te weten.
‘Ik doe wat ik wil,’ zegt dat ik bijvoorbeeld in het begin. Om dan vervolgens in te gaan op de scheppende kracht van de schrijver: ‘Als ik het portret zou willen schrijven van een lieve, jonge vrouw met de mooiste kont en het begripvolste hart van de wereld (…) dan schreef ik dat portret’, op de kracht van de liefde en de kern van dit ik.
‘Verder ben ik wat in mijn bloed zit, wat ik heb meegemaakt, wat ik heb gedacht, wat ik heb verzonnen, wat ik heb geschreven, wat ik me voor kan stellen, wat ik vrees, wat ik verlang en wat ik heb waargenomen, wat ik… (…) ik leg mezelf maar één beperking op en dat is dat ik een man ben, zij het niet uit overtuiging.’ (Wat ik, vanuit een al even onovertuigd vrouwzijn, geen onsympathieke opmerking vind, al blijf ik erbij dat het voor de meeste mannen, ook schrijvers, oneindig veel moeilijker is om te vergeten dat vrouwen vrouwen zijn dan het voor een vrouw is om te vergeten dat mannen mannen zijn.)
Over welke ik hebben we het hier? Een ik dat zegt: ‘Een naam heb ik niet, want hoe ik heet doet er niet toe.’ Dat klinkt opzettelijk dwars. Verrekken jullie maar, lijkt de schrijver hier te zeggen, ik weet het natuurlijk wel, maar ik geef jullie die naam niet, niemand weet, niemand weet dat ik Repelsteeltje heet. Hier openbaart zich een enigszins wreed en heerszuchtig trekje van deze ik, zoals we dit ook in kinderen vinden, en ja, dat wekt opnieuw sympathie, je zou het ook ‘een typisch en oer-Hollands trekje’ kunnen noemen, Gronings, desgewenst, maar ja, leg je dan niet te veel ik en te veel eigenschappen in een karakter? In Repelsteeltje is de ontdekking van de naam overigens zo’n bittere teleurstelling en voelt de drager ervan zich zo beroofd van wat hij is, dat hij zelfmoord pleegt! Dat het duiveltje van het dwarse, ‘The Imp of the Perverse’, zoals Poe het omschreef, ook, en al heel lang in Herman Franke gevaren is, hoef ik de lezers van De verbeelding, De tuinman en de dood van Diana, Waarom vrouwen betere lezers zijn en Wolfstonen natuurlijk niet te vertellen, die weten dat allang. Net als de lezers van zijn helaas beëindigde tegendraadse column in de Volkskrant.
Een ik dat vervolgens, langs de lijn van een ooit aangelegde lijst van goede voornemens, het pad van verlangen en herinnering en lust en nieuwsgierigheid volgt, en hier en daar wat gewrongen bezig gaat met het najagen van antwoorden op vragen als: ‘Wat is het ergste wat je tegen iemand kunt zeggen?’ (Waarbij moet worden opgemerkt dat het openbaar maken van het nogal persoonlijke antwoord op deze vraag de angel er grotendeels uit haalt. Nee, dan liever de marteling van het niet weten die in het hoofd van de lezer een duizendvoud aan mogelijkheden oproept waarmee die zichzelf telkens even op de pijnbank legt.)
‘Wie is de lachende naakte vrouw op een honderd jaar oude stereofoto?’ ‘Regeert lust tot over de dood?’
Een ik dat zich, bewust van de pathetiek in onze emoties en van een inherente eenzaamheid, op weg begeeft, een levensweg, en langs die weg de levens van velen aflegt, omdat het voortdurend wordt geraakt, geroepen en vervuld raakt door deze mensen, van wie sommige alleen in de verbeelding, andere in de rauwe werkelijkheid bestaan: de vechtende roodharige neefjes, van wie een met een hazenlip, beiden getekend door ‘het ergste wat de ene mens tegen de andere mens kan zeggen’ (want uit de mond van een pop, waaruit zij dit ooit hebben opgevangen, was het allerergste nog het ergste niet, het allerergste zit bij hen in het besef dat het ook door de ander gehoord is en zo tot banvloek is gemaakt!); de lachende vrouw die op een oude foto ‘met de mooiste kont van de wereld’ voor een antieke spiegel zit en die zijn lust opwekt ‘tot over de dood’ (zoals de dode lichamen in het museum in Barcelona de tedere huivering konden opwekken van de toeschouwer); de stenen leeuw in het park die, net als het standbeeld van Nelson in De verbeelding, een deel van het slagveld dat leven heet overziet; de verloren geliefdes. Een ik als een waterreservoir zo gevuld dat het voortdurend overloopt van druppels leven. Een voortdurend verdwijnend, meanderend, vervluchtigend en verdampend ik, zodat het gevoel je bekruipt dat deze ik nooit samenvalt met het moment en er alleen met geweld of liever met de lust en soms de liefde heel even in kan worden vastgehouden. Het ik als een etherische wolk, een vloeistof die vervliegt en tijdens dit vervluchtigen wanen en beelden spiegelt. Dit vervluchtende ik is vanzelfsprekend haast ongrijpbaar, zodat je er als lezer achteraan rent, met een vlindernetje, maar alle damp gaat erdoorheen en je zoekt naar een methode om hem, het, toch te grijpen. Zo dupliceer je als lezer de zoektocht van de ik.
‘Zoek mij maar, zoek mij maar,’ fluistert hij, ‘misschien wil ik wel gevonden worden.’
Ja, dat is heel mooi, dat is toch bijna autobiografisch ook? Mooi is dat, maar mooi niet. Er doet zich toch een klein probleem voor. Was het niet Herman Franke die iedereen vaak en hartstochtelijk toevertrouwde een pesthekel te hebben aan de autobiografie en het autobiografische?
‘Hoeren, misdadigers en vandalen zijn het, dat soort schrijvers.’ Misschien heeft hij het niet precies zo gezegd, maar dan toch vast gedacht. Nee, hij heeft het gezegd.
De autobiografie is ook misdadig, ze slaat de anderen weg met het verhaal van het tot mythische proporties opgezwollen ik, en Franke weet allang dat schrijvers criminelen zijn. Toch is het interessant om even iets langer stil te zijn bij dit gegeven; het loont altijd te kijken waaraan men een hekel heeft, vaak legt dit meer bloot dan het staren naar het geliefde. Zo ben ik over Nabokov als schrijver oneindig veel meer te weten gekomen in zijn kritiek op Dostojevski, juist ook hoeveel vurige hartstocht die in hem had weten te wekken, in Nabokov, de schrijver die elke vurige hartstocht grondig wantrouwde en tegelijk niet anders kon dan haar overal volgen en vastleggen, vastspelden als een vlinder. Maar terug naar Zoek op Liefde, zoek ook op weerstand, zou ik willen zeggen. Want al lijkt dit hier en daar een autobiografie, het wil de autobiografie ook nadrukkelijk aan stukken slaan, het gelooft niet in de autobiografie! Mooi is dat!
‘Een groepsportret zonder lijst’, schrijft hij ergens. Inderdaad, niet vastgehouden, alleen begrensd door anderen die binnendringen, vervloeien tussen tijden en plaatsen, herinneringen en directe gebeurtenissen, dialoog en monoloog. Hiermee peutert Franke aan de denkbeelden over het ik. Nee, beter gezegd, aan onze (westerse) wanhoopspogingen bijna om dit ik waar mogelijk louter in zichzelf besloten te laten. De momenten waarop de ik even een ander mag zijn, even iets anders kan worden, kan samenvallen, nauwkeurig vastgelegd en omschreven. In de liefde, tijdens seks, in de dood, te midden van de massa, tijdens eten en drinken. Maar daarna (en liefst meteen) terug het mandje van het ‘ik-is-alleen-ik’ in.
Om daar even een kort analysetje op los te laten, het gevaar bestaat dit openbreken van het ik te snel af te doen als weer zo’n typisch West-Europese, vooral ook oer-Hollandse, in zichzelf gekeerde speurtocht naar de ‘eigen identiteit’. Het zoeken naar de eigen identiteit leunt op de vooronderstelling dat die identiteit er is, begrensd, afgebakend en wel. Er moet alleen nog een naam op. Repelsteeltje, kut-Marokkanen… Hier gaat de zoektocht verder, neemt een andere richting, het gaat niet om het bevestigen van het eigen ik, maar om het openbreken en versplinteren van het stringente idee over wat een ik eigenlijk is. Niet alleen een zoektocht naar waar de grenzen liggen tussen de een en de ander, het ik en het jij, waar we oplossen en versmelten, waar, wanneer, hoe en waarom we worden afgescheiden en losgesneden, maar ook waar de begrenzingen, afsnijdingen enzovoort zitten in dit ons kennelijk toch zo dierbare eigen ik.
Ja, dat gebeurt toch wel vaker en houden niet meer schrijvers zich daarmee bezig? Ilja Leonard Pfeijffer buitelt in Second Life in de gedaante van de punttietige vixen Lilith zijn eigen armen in en wie omhelst en bezingt wie als basstem overgaat in koraalgezang? Maar het lijkt in (liefdes)poëzie toch wat makkelijker dan in proza, en hier gebeurt het voor je ogen, op bijna elke pagina, het begin van het stukslaan van het eigen spiegelbeeld tot je dwars door jezelf heen de ander ziet, met-tieten-en-al, ‘daar ben ik, daar niet meer, daar weer wel hoor, en daar, en o god, ook daar, en daar…’
En dat past in een wereld die opengebroken is en in schitterende scherven voor ons ligt.
Toch gaan de ontroering en interesse uit naar de verankerden. Verankerd aan het lichaam en de daarmee verbonden mogelijkheden en handicaps (rood haar, hazenlip): de vechtende vader die helemaal geen mannetjesputter is en de keelafknijpende vrees van de zoon die toekijkt en zijn vader al tot pulp geslagen ziet worden; de botte, grofgebouwde broer; de aan de taal gekluisterde moeder (buiten het Gronings ‘werken’ haar gedichten niet). De gevangenis maakt prachtig.
Zo laat Zoek op Liefde, ondanks alle pogingen van de opzettelijk naamloos gehouden ik om aan dit individuele te ontsnappen, in de verzameling indrukken, beelden, vervluchtigende ervaringen en momenten vooral zien (onbedoeld? want de nadruk lijkt bij de ontsnappingspogingen te liggen) dat de interesse, de verbeelding, de liefde en noem maar op, het krachtigst uitgaat naar degenen die zich niet in allerlei bochten wringen om te ontsnappen. In dit geval de verankerden, de belangelozen in de roman en hier en daar het Groninger ik zelf waar het zich vult met unieke, oninwisselbare ervaringen, jeugdherinneringen, ongekozen, nutteloze liefde.