Voor Revisor #38 i.s.m. Het Literatuurmuseum dook dichter Mahat Arab in het persoonlijk archief van de Surinaamse auteur Edgar Cairo (1948-2000), dat recentelijk door het Literatuurmuseum is verworven. Het archief bevat talrijke manuscripten, zowel op papier als digitaal, verschillende snuisterijen, beeldende kunst, foto’s, correspondentie en persoonlijke documenten.

 

Tussen Benson & Hedges

 

elk blad kan verticaal in tweeën gesneden worden

met die snede ontdoe ik me van alles wat in mijn DNA huist

het kroeshaar tegen de hete zon

de neus en lippen tegen de droge lucht

de zwarte huid tegen de uv-stralen

mechanismes die met een enkele boottocht tot esthetisch 

mechanismes die met een enkele boottocht tot wapen 

ik heb het privilege van vaarwel kunnen zeggen tegen alles wat ik heb moeten verlaten

 

ik zeg vaarwel tegen de geuren die ik ken

tegen de groeven in mijn lippen 

maar nooit vaarwel tegen de taal die ik gefluisterd vond

hoe ze me broos en lieflijk verwelkomde 

ik heb haar ooit moeten leren schreeuwen

voordat ik haar weer te vondeling legde

tot trofee gehesen zou worden

ik heb haar proberen te vangen in een taal die te puntig en te praktisch bleek

dus schreef ik haar

in schriften bewaard in bakken

ik schreef haar

op enveloppen en op tassen

ik schreef haar

opdat ze bewaard zou blijven

voor een ander die zich aan haar zou kunnen verwarmen

ik schreef haar

voor mezelf

ik schreef haar

voor mezelf

voor hetgeen wat niet uit het blad te snijden was

 

 

In de poëziereeks ‘Binnenin’  delen we op onregelmatige basis een dichter die wij beloftevol vinden. Deze keer: drie gedichten van Angelika Geronymaki. Angelika Geronymaki (1986) schrijft, met een voorliefde voor filosofie en popcultuur, poëzie en theater die de absurditeit van het leven uitvergroot, probeert te vatten of juist een nieuwe werkelijkheid aandraagt. Ze stond na het winnen van de Poetry Slam van Rotterdam in de finale van de NK Poetry Slam in 2022 en droeg onder meer voor bij Poetry International, Mensen Zeggen Dingen, Poëzie Lagogo en Woordnacht. Ze zit in de fictieredactie van Hard//hoofd, publiceerde onder andere in Het Liegend Konijn, op Samplekanon, in Hard Gras en in Kluger Hans

 

36 keer proberen

ook nu nog, hier opnieuw een poging

zonzoekende sinaasappels
in de boomgaard oranje
beschimmelen in mijn hand
kleuren er wit en aaibaar

ik strijk ze aan beide kanten langs mijn gezicht
het zacht plakt, geeft me donzige rouge
sporen om een leren huid te begroeien
zo pakt het fijner vast

een vader zette panelen op
schiep een scherp leeg canvas
al mijn oude probeersels liggen bewaard in een la
onder de fruitbomen
diep in de aarde schuift moeizaam uit
mieren krioelen door de lade,
knieën worden vies, onderarmen dik en warm van het trekken

als ik geluk heb
kijk je ook hier, naar mijn nieuwe zachte wangen
het is makkelijker, snap je,
je hoeft alleen het hoofd te heffen

 

 

Feiten over dolfijnen

een dolfijn klimt op een ruimteschip om de aarde te ontvluchten
onderweg passeren zes manen
de zevende is een man
hij zucht:
de grootste, orka, was in de zuidelijke Noordzee al een dwaalgast
de kleinste, Haviside, een beruchte Benguelastroomclochard
nu zwerft ook deze los door de kosmos

een achtste man schiet eensklaps in de lach
niet omdat hij het tafereel had bekeken
zijn liefde voor blaasgaten is met de jaren gegroeid
de afdruk van het trombonemondstuk staat hem nog op de lippen
verlangend naar de dierlijke variant lift hij naar het dichtstbijzijnde aquarium
hij neemt een verwachtingsvolle duik

te troebel voor een tuimelaar drijven in het chloorwater zes ministers
een zevende minister sterft
de man huilt
nooit eerder had hij iemand heen zien gaan
en, er zijn geen dolfijnen bij
rimpelend in het water zuigen plooien als sponzen vol
zijn wangen absorberen de tranen
de ministers en de man liggen droog

de eerste minister verontschuldigt zich voor het ongemak

 

 

Aangetroffen leefgebied expansie

langzaam laat het los
het trager draaien om de zon doet gejaagdheid afnemen
had je het hier niet achtergelaten
zonder afgeschraapt behang
spinrag gespannen langs de muren
beten van omlaag gerichte kaken in de fauteuil
een afgekloven tapijt

er is een kleine kamer voor je gereserveerd
door poot geslagen gaten in het plafond valt licht,
geluid, soms een mandarijn
de witte pelvellen onder de schil lijken meer
en stugger dan voorheen
de vrucht is ingekapseld
zorgvuldig bevrijd je elk partje

wanneer het regent douche je
brede luxueuze stralen strelen
dynamische sproeiers pulseren
optimale verdeling van water
je verlangt elke dag naar zwaar weer

rijen ter grote van een veehouderij
willen ook de kamer in
een soldaat die acht wapens draagt
is niet makkelijk te verslaan met een inschrijfformulier
de bewaker van aanzienlijk formaat
roept begeerte, bij anderen afgunst op
sommige vinden het goor
jij vraagt je af of dit stockholmsyndroom
of dat je echt totale ontspanning,
misschien zelfs liefde, ervaart

Collage: Stefania Veldemiri

Maandelijks plaatsen we proza op de website dat we goed vinden, maar niet in een papieren nummer kwijt konden. Deze keer: de Griekse schrijver Christos Ikonomou (1970). Hij schreef vier verhalenbundels, werd bekroond met de prestigieuze Griekse Best Short-Story Collection State Award en werd vertaald in zeven talen. Vertaler Eveline Mineur (1997) vond het tijd om daar een achtste aan toe te voegen. Als vertaler Nieuwgrieks wil zij laten zien hoeveel de hedendaagse Griekse literatuur te bieden heeft, die in Nederland nog relatief onbekend is. 

 

Κom Ellie, voer het varkentje

 

Ze staat sla schoon te maken. Twintig euro om de hele week door te komen en een stapel rekeningen op het aanrecht. Maar het is vrijdagavond, de beste avond van de week, en Ellie Drakou staat sla schoon te maken in de gootsteen, waar ze van houdt omdat het hart van een krop sla zo teer en wit is. Ze scheurt elk blad apart af, houdt het onder de kraan en spoelt het zorgvuldig af en streelt het en verwijdert de randjes die verlept zijn of van die bruine gaatjes hebben en schudt daarna zacht het water van het blad en legt het in het teiltje.

Ze is dol op sla schoonmaken. Op het plukken van de grote groene bladeren en die één voor één afspoelen. En naarmate ze dichter bij de kern komt, treft ze daar de zachte, minst groene blaadjes aan, die schitteren alsof ze onaangetast zijn door de tijd. Het is alsof ze langzaam en behoedzaam vol verwachting een cadeau uitpakt dat in meerdere vellen groen papier is gewikkeld. En dan komt ze bij het hart van de sla en haar hart zwelt op wanneer ze de koele blaadjes ontwaart, de witte, knapperige blaadjes  ̶  het hart van de sla, een klein wonder, een goed bewaard geheim, bestand tegen de tand des tijds. En ze koestert de gedachte dat wat er gisteren ook gebeurd is, hoeveel geld ze gisternacht ook verloren heeft, wat er morgen of de dagen daarna ook zal gebeuren, hoeveel Sotirissen haar leven ook zullen binnenvallen als militaire bezetters of opgejaagde migranten, het hart van de sla, het binnenste hart van de sla, de blaadjes die nu beven in haar natte handen, dat die voor altijd wit en zacht en in leven zullen blijven, alsof ze het enige zijn, het enige op de hele wereld dat niet sterft, dat nooit zal sterven.

Het regende, hield op, het gaat zo weer regenen. Ze kijkt uit het raam. In het westen is alles rood  ̶  de wind, de hemel, de wolken. Vanavond zal het bloed regenen, zegt Ellie, en ze huivert. Ze maakt haar blik los van het raam en kijkt naar het hart van de sla dat lijkt te kloppen in haar handen  ̶  alleen is het niet het hart van de sla dat klopt, het zijn haar handen die trillen  ̶   en wat ze ziet, zinkt naar de bodem van haar binnenste als de lach van iemand die zijn baan kwijt is, van iemand die net ontslagen is.

 

*

 

Sla, zegt Ellie. In sla schuilt de waarheid van het leven. Zo is het toch?

 

*

 

Zij was de enige die het varken voerde. Tien maanden, bijna een jaar nu. Ze voerde het om de dag, soms elke dag. Nu eens een euro, dan weer twee, dan weer vijf. Een enkele keer vergat ze het. Ze vergat het wanneer ze overuren maakte en gebroken thuiskwam en niet eens de moed had om te praten. Maar Sotiris vergat het niet. Hij pakte het varken van het aanrecht  ̶  het was groot en zwaar en roze met een gleuf in de rug voor de munten en een gat in de snuit voor de briefjes   ̶  en bewoog het heen en weer voor Ellies gezicht.

Knor knor. Het varken heeft honger. Het varken vergaat van de honger. Knor knor. Kom Ellie, voer het varkentje. Heb je geen medelijden met het arme ding? Knor knor.

En Ellie lachte. Hoe moe ze ook was, ze lachte altijd. En ze opende haar portemonnee en haalde er één of twee euro uit en wierp die in de zwarte gleuf en op vrijdagavond haalde ze een briefje van vijf uit haar portemonnee en maakte er een dun rolletje van en duwde het in de snuit van het varken.

Achthonderd euro zouden ze hebben gespaard. Achthonderd, hoogstens negenhonderd.

Waarom geef jij het niet te eten, vroeg ze hem een keer. Waarom voer jij het niet af en toe en verwacht je dat alleen van mij?

Starenios, van tarwe. Zo noemde ze hem wel eens, omdat alles aan hem de kleur van tarwe had. Een tarwekleurige huid, tarwekleurig haar, zelfs zijn ogen hadden de kleur van tarwe. Of van griesmeel. Ik wil je oplepelen. Dat je de hele nacht stil blijft liggen en ik je lepel voor lepel opeet. En dat je ’s ochtends weer heel bent zodat ik weer van voor af aan kan beginnen.

Als griesmeel, starenios.

Wat je maar wil, zei hij. Ik zal je pret niet bederven. Als je me maar geen Dimos Starenios noemt, want dan hebben we de poppen aan het dansen.

Hij liet haar zijn handen zien, waarmee hij het varken vasthield.

Uit mijn handen eet hij niet, zei hij. Je hebt hem verwend. Het is een kieskeurig varken, van viezigheid moet het niets hebben.

Hij werkte bij een tankstation aan de Thivonstraat en zijn handen waren altijd vies. Zwarte halvemaantjes, het vuil onder zijn nagels. Zwarte halvemaantjes, zwarte Turkse kromzwaardjes.

 

*

 

Ze spoelt het laatste blaadje af en legt het in het teiltje en zet het teiltje opzij voor straks. Straks zou ze een salade kunnen maken met flink wat dille en een lente-uitje en er koude rijst door kunnen doen en wat van de tonijn die een aardig meisje op het werk haar had gegeven, tonijn in een potje uit Alonissos, waar ze nu al een maand mee deed en waar ze steeds maar een beetje van at  ̶  Sotiris hield er niet van, het stonk naar vis.

De opeengehoopte rekeningen op het aanrecht, een kleine stapel. Bovenop de rekening van de OTE, waarvan de betalingstermijn tien dagen geleden is verstreken en gisteren of eergisteren hebben ze haar telefoonlijn afgesloten.

Ze opent de koelkast en gaat op zoek naar iets zoets. Haar handen trillen weer. Vast een te lage bloedsuikerspiegel. Chocolaatjes. Ze herinnert zich nog de chocolaatjes die iemand ooit voor haar had meegebracht uit Frankrijk. Zo gaat dat als je een goeie vent hebt, zei Sotiris. Zo gaat dat. Iedereen denkt aan je en neemt iets voor je mee. Ze aten er elke avond één. Eentje maar, het was geen grote doos. Het merk zou vernoemd zijn naar een koningin, een prinses die vroeger in Engeland leefde en die haar man de koning ooit smeekte om de belastingen voor de armen op te heffen en hij ging akkoord als de koningin in ruil daarvoor naakt op een paard door de straten van de stad zou rijden en zij stemde in op voorwaarde dat iedereen zich thuis zou opsluiten zodat ze haar niet zouden zien en ze klom op het paard en reed naakt door de straten van de stad, haar naakte lichaam verborgen onder haar lange haar en iedereen bleef thuis en er scheen slechts één man geweest te zijn die het waagde haar te begluren, maar die werd op slag blind.

Ellie had dit verhaal wel twee, drie keer aan Sotiris verteld, ze had het keer op keer aan zichzelf verteld, en telkens probeerde ze zich voor te stellen hoe de koningin eruitzag en of ze blond of donker haar had en waarom die koningin zo veel om de armen gaf en of ze als een man op het paard zat of schrijlings en waar ze aan dacht toen ze naakt door de lege straten reed en of het dag of nacht was toen dit gebeurde en welke kleur het paard eigenlijk had en of het galoppeerde of stapvoets liep – en nu, terwijl ze voor de lege koelkast staat terwijl de kou haar in het gezicht slaat, denkt Ellie terug aan die zomeravonden in bed denkt ze eraan hoe ze het chocolaatje uitpakte en aanraakte en er voor ze het in haar mond stopte even aan likte en het daarna in haar mond stopte maar er niet op beet, ze liet het smelten op haar tong ze beet er niet op ze zoog er niet op ze liet het heel langzaam smelten, ze liet het chocolaatje smelten in haar mond zodat de bitterzoete smaak haar mond vulde en via haar keel naar haar hart gleed.

 

*

 

Sneeuwkettingen, zegt Ellie en ze sluit de deur van de koelkast en wrijft over haar armen om het kippenvel weg te krijgen. Ik moet sneeuwkettingen omdoen zodat mijn gedachten niet het verleden in slippen.

 

*

 

In de badkamer kijkt ze opnieuw naar het woord dat met oranje lippenstift op de spiegel staat geschreven. SSSORRY. Het was een van hun grapjes, die alleen zij snapten. Ze hadden het uit een film die ze een keer op televisie hadden gezien, van een onhandige man die sliste en de hele tijd chocola at en zich tegen iedereen verontschuldigde. Sssorry, zei hij, excussseer me.

Sssorry, zei Sotiris tegen Ellie. Een vrouw als jij zou met een rijke stinkerd moeten zijn. Nooit meer werken. Alleen maar reisjes, naar de kapper, shoppen. Een weekendje Rome, maandag naar Parijs en de feestdagen in New York. Maar ik ben op je pad gekomen. Sssorry.

SSSORRY had Sotiris gisternacht met haar oranje lippenstift op de spiegel geschreven.

 

*

 

Ze draait de koude kraan open en stapt in de badkuip en houdt haar adem in en stapt onder de koude straal en houdt zich in om het niet uit te schreeuwen. Het water stort als een scheermes op haar neer en snijdt haar huid aan flarden  ̶  maar Ellie is vastbesloten om vol te houden en probeert de pijn te negeren en knippert met haar ogen en ziet beelden aan haar geestesoog passeren die oprijzen uit het stromende water en in haar gedachtestroom ziet ze gezichten en plaatsen en ochtenden en nachten aan haar ogen voorbijtrekken ze ziet beelden uit een andere tijd uit een ander leven toen er nog geen fabrieken of overuren bestonden of pensioenzegels of onbetaalde rekeningen of varkens die gevoerd moeten worden of mannen die ervandoor gaan als een dief in de nacht.

Onder het ijskoude water verandert haar huid van kleur, haar bleke kleur lijkt als oud pleisterwerk van haar af te vallen. Haar borsten verstijven en richten zich op als de snuit van een vos in de bosjes. Ellie streelt haar borsten en voelt het bloed paniekerig door haar lichaam stromen en wrijft over haar versteende buik en wiebelt met haar tenen en kijkt naar de straaltjes water die over haar ongelakte teennagels lopen.

Mijn teennagels, zegt Ellie. Mijn teennagels zijn mijn zuidelijke grens. Daar houdt mijn lichaam op daar houdt Ellie op.

Een poreuze grens. Je grenzen zijn zo lek als een zeef, Ellie. Kom maar binnen, doe alsof je thuis bent.

De Onbewaakte Republiek van Ellie.

 

*

 

In de slaapkamer trekt ze haar oude lila badjas aan en steekt een sigaret op en keert dan op blote voeten terug naar de keuken om de telefoon uit het stopcontact te halen maar de telefoonlijn is afgesloten dus dat heeft geen zin.

Ze schenkt een glas rode wijn in  ̶  een zware Kretenzische wijn, diep van kleur als geronnen bloed  ̶  en terwijl ze de wijn in het glas schenkt trillen haar handen en neemt ze zich voor hoe dan ook iets zoets te eten, daar ligt het vast aan, een te lage bloedsuikerspiegel.
Ze rookt en drinkt en nadat ze haar sigaret uitgedrukt heeft, keert ze terug naar de slaapkamer en doet de kast open en trekt alle kleren van de hangertjes en gooit ze in een kluwen op het onopgemaakte bed. Overhemden, broeken, een goedkope jas met bontkraag, een oud pak. Ze trekt de lades open en stort de inhoud op het bed. Ondergoed, sokken, een gestrikte stropdas. Een riem met een kapotte gesp. Een inlegzool maat 45. Een lang geel koord. Bovenop de hoop legt ze zijn schoenen en slippers.

Op weg naar de badkamer maakt ze een tussenstop in de keuken en steekt nog een sigaret op en schenkt zich bij. Dan gaat ze naar de badkamer wat de moeilijkste kamer is want daarbinnen laten mensen de meeste sporen achter. Ze doet het kastje open en gooit zijn scheerspullen en zijn aftershave en zijn kam en zijn nagelknipper op de grond. Een flesje alcohol. Zijn nagelschaartje.
En het kleine borsteltje dat ze voor hem had gekocht om zijn handen mee schoon te maken na het werk.

In de woonkamer veegt ze alles wat ze tegenkomt bij elkaar. Sportbladen en tijdschriften over auto’s en aanstekers en vergeten pakjes sigaretten en oude foto’s. Zijn spullen. Al zijn spullen over het huis verspreid als kruimels.

In het kastje onder de gootsteen vindt ze groene vuilniszakken die je dichtbindt met een geel koordje. Ze stopt de kleren en spullen van Sotiris in de zakken en sleept ze daarna naar de balkondeur. Buiten is de regen opgehouden maar er druipen nog regendruppels van de ijzeren balkonreling en Ellie blijft staan en kijkt ernaar  ̶  kijk nou, zegt Ellie, zelfs het ijzer huilt vanavond.

Ze steekt een sigaret op en de rook blijft in haar keel steken en ze begint te hoesten.

Voor het geld, zegt Ellie. Allemaal voor een beetje geld.

Hoestend doet ze de deur open en gaat het balkon op. Ze grijpt een zak en gooit die op straat. Ze hoort de bons maar kijkt niet naar beneden. Ze gooit nog een zak en nog een. Automobilisten minderen vaart en kijken op. Een voetganger met een hondje blijft staan en kijkt omhoog. Vuilniszakken vallen van de derde verdieping de leegte in op de hoek van de Kiprou en de Ionia in Nikaia  ̶  vuilniszakken vallen naar beneden als in het groen gehulde suïcidale vrouwen, als laffe zondaars in de nacht die het einde van de wereld inluidt.

De man met het hondje bukt zich om het hondje op te tillen en rent weg zonder achterom te kijken.

En dan te bedenken dat hij ook het varken heeft meegenomen, zegt Ellie. Het varken.

 

*

 

Ellie keert terug naar de keuken. Haar handen trillen nog steeds, ze trillen nog erger dan net. Vast haar bloedsuikerspiegel. Ze opent lades en kastjes en stalt suiker, griesmeel, honing, amandelen en kaneel uit op het aanrecht. Ze gaat halva maken. Een lekkere halva van griesmeel met amandelen en flink wat kaneel. Vast haar bloedsuikerspiegel.
Ze brengt de amandelen aan de kook en probeert zich het recept en de juiste verhoudingen te herinneren. Een twee drie vier. Een kopje olie twee kopjes griesmeel drie kopjes suiker vier kopjes water.

Achthonderd euro. Hoogstens negenhonderd.

Ze verdriedubbelt de hoeveelheden  ̶  drie zes negen twaalf  ̶  en gaat aan de slag. Ze brengt de suiker met het water aan de kook en voegt twee lepels honing en de schil van een sinaasappel toe. In een andere pan doet ze olie en griesmeel en bakt die op laag vuur terwijl ze blijft roeren zodat het griesmeel niet aanbrandt en alles mislukt. Als het griesmeel lichtbruin kleurt, haalt ze de sinaasappelschil uit de andere pan en giet de siroop over het griesmeel en het griesmeel sist en spettert en Ellie schrikt en roert sneller nu, krachtig en snel tot de siroop in het griesmeel is getrokken en de halva loskomt van de pan.

Ze haalt de pan van het vuur, doet de amandelen erbij, roert goed en neemt dan even pauze met een sigaret.

De sla is opgedroogd in het teiltje. Het hart van de krop sla kleurt wit in het schamele licht. Klein en zacht en wit. Ellie strijkt zachtjes met haar vingers over het hart van de sla en streelt het zachtjes.

Buiten wordt het donker. Zwarte vogels fladderen tussen de elektriciteitskabels door als noten op de notenbalk van een eigenaardig muziekstuk, een muziekstuk dat geschreven is om gespeeld te worden op de laatste nacht van de wereld.

 

*

 

Later drukt ze de halva aan en strijkt het goudkleurige oppervlak glad met de houten spatel en steekt een nieuwe sigaret op. De geur van de halva verspreidt zich door het huis en verdringt voor even de geur van vrijdag en de geur van eenzaamheid en de geur van de schrijnende armoede die onmerkbaar, langzaam maar zeker de dromen, de kracht en het leven van Ellie aanvreet  ̶  van alle mensen die leven om te werken, die geboren zijn en leven en sterven om te werken. Voor een beetje geld.
Schrijnende, vulgaire armoede. Het zoveelste schepsel dat bij haar is ingetrokken. Als een tamme rat.

 

*

 

Ze legt het beste tafelkleed op de keukentafel en stort er de halva op. Met langzame en zorgvuldige bewegingen begint ze te kneden tot de halva de vorm van een mens aanneemt. Ze kneedt de armen de benen de nek en het hoofd. Met haar nagel kerft ze er de ogen de neus een grote lachende mond in. Het haar, dat lang en warrig moet zijn, lukt niet helemaal. Maar ze laat het zo om niet opnieuw te hoeven beginnen.

Het geeft niet, zegt Ellie. Van te veel haar krijg je last van je maag.

Wanneer ze klaar is, pakt ze het tafelkleed voorzichtig beet bij de punten en neemt het mee naar de slaapkamer en legt het op bed. Ze gooit de dekens op de grond en haalt daarna de fles wijn en haar glas en de sigaretten uit de keuken.

Ze gaat op het bed zitten met haar benen onder zich gevouwen, maakt het zich gemakkelijk en trekt het tafelkleed naar zich toe.

Allemaal voor een beetje geld, zegt Ellie. Achthonderd euro, hoogstens negenhonderd.

Ik snap het niet, zegt Ellie. Als arme mensen elkaar zulke dingen aandoen wat kunnen we dan van de rijken verwachten?

Jezus, ik snap het niet.

Ik ben Ellie Drakou.

Ik snap het niet.

Buiten is de regen opgehouden maar er druipen nog regendruppels van de ijzeren reling. Kijk, zegt Ellie, vreemd, zelfs het ijzer huilt vanavond.

Dan haalt ze een zilveren lepeltje uit haar zak en gaat er goed voor zitten op het bed en trekt de oude lila badjas stevig om zich heen en begint de griesmeelman op te eten  ̶  langzaam kauwend in het donker luisterend naar de duisternis die buiten toeneemt begint ze langzaam, met kleine afgemeten hapjes, de zoveelste man op te eten die over haar onbewaakte grenzen heen haar leven is binnengevallen als een militaire bezetter of een opgejaagde migrant.

 

Maandelijks plaatsen we proza op de website dat we goed vinden, maar niet in een papieren nummer kwijt konden. Deze keer: Koen de Vries’ verhaal ‘Wandelende boom’, waarin we een wandelende tak diep in zijn ogen staren. Koen de Vries (2001) studeert wis- en natuurkunde aan de Radboud Universiteit. Hij schrijft zowel proza als poëzie en over uiteenlopende thema’s. Eerder verscheen zijn werk in Op Ruwe Planken.

 

Wandelende boom

 

Ik had een wandelende tak gekocht en zat voor het terrarium. Pootje voor pootje kroop ze over de dorre bladeren waarmee ik de bodem had bedekt en plotseling trok ze een sprintje naar de holle boomstam. Eigenlijk was die boomstam gewoon een dikke tak die doorgezaagd en uitgehold was, niet langer dan een hand met uitgestrekte vingers. Daar bleef ze zitten. Alsof ze dacht daar verstopt te zijn.

Meestal zat ik er minstens drie kwartier per dag en in de weekenden anderhalf uur. Ik zat op het keukenkrukje, die was makkelijk te verslepen. Ik legde mijn handen in mijn schoot, liet mijn schouders een beetje doorhangen en boog mijn hoofd richting het dunne glas. De lamp in de kap van het terrarium verspreidde een fel wit licht door de bak.

Achteraf herinnerde ik me altijd elk moment dat ik naar het dier gekeken had. Ik staarde niet. Ik zonk niet weg in mijn gedachten, ik nam ze op schoot als een kat met een pluizige vacht om zachtjes met mijn vingertoppen in te wroeten. Om samen naar de tak te kijken.

 

Ze bleek bevrucht te zijn. Haar eitjes, tenminste. Binnen een paar weken had ik tien wandelende takken en een paar dagen later waren ze volwassen. Kriskras kropen ze over elkaar, als mikadostokjes.

Ik trok mijn krukje voor de glazen bak en ging zitten. Mijn ellebogen zette ik op mijn knieën en mijn wangen liet ik op mijn vuisten rusten. Zolang ze niet bewogen konden ze nagenoeg onzichtbaar zijn. Maar zodra ze hun eerste pootje optilden waren ze direct niet meer te missen en er was er precies eentje die bewoog. Hij liep voor het venster langs, recht voor mijn ogen, een paar centimeter van mijn gezicht verwijderd.

Een voor een verzette hij zijn pootjes. De iele steeltjes leken met iedere stap te kunnen knappen. De eerste breekpunten waren al gemaakt, als een vouwlijn voor het scheuren of een stippellijn om met je schaar te volgen. Je zou enkel met duim en wijsvinger de uiteinden vast hoeven pakken. En dan, klik. Gewoon, drukken. Of trekken. De tak zette een van zijn middelste pootjes op het glas. Door gebrek aan grip gleed hij direct weer naar beneden.

Ik vroeg me af hoe snel hun bloed zou stromen. Of het eruit zou spuiten, zoals bij een tuinslang waarvan je het uiteinde dichtdrukt. Of misschien juist heel traag, zoals het sap dat uit een boom loopt. Dat zo’n tak heel dun is kan de bloedsomloop ook juist verhinderen, natuurlijk. En dan maakt het waarschijnlijk ook nog uit waar je ze zou breken.

De tak voor het raam bleef stilstaan. Hij probeerde zich om te draaien, maar bleef met zijn achterwerk steken.

Soms hebben dieren wat hulp van mensen nodig. Ik opende de zwarte deksel en stak mijn hand erin. Als een schep schoof ik hem onder zijn pootjes. Ik nam de tijd zodat de tak dat ook kon doen. Achter me sloot ik de kap weer, netjes als ik ben.

Hij verdwaalde tussen mijn vingers, raakte volledig in de war. Ik draaide mijn handen met zijn wandelen mee zodat ik hem niet uit het oog zou verliezen en zodra hij over mijn arm omhoog begon te klimmen, onderschepte ik hem met mijn vrije hand. Een paar keer probeerde hij te vluchten, maar uiteindelijk stopte hij op de rug van mijn rechterhand.

Ik staarde in zijn ogen. Er bestaan ook wandelende bladeren, maar die lijken minder op een blad dan mijn takken op een tak, vond ik. Wandelende takken zouden zo onderdeel kunnen zijn van de bosjes waarin ze zich schuilhouden, terwijl wandelende bladeren toch net niet realistisch lijken. Ze zijn niet groot genoeg, wapperen onvoldoende in de wind. Ze hadden platter moeten zijn om goed in hun omgeving op te gaan.

Met een wijsvinger aaide de wandelende tak over zijn rug. Hij rilde. Daarna begon hij weer te rennen.

Nu er zo snel zo veel wandelende takken bijgekomen waren, kon het niet lang meer duren voordat heel het terrarium vol zou zitten. Daar durfde ik wel vanuit te gaan. Ooit had iemand me verteld dat wandelende takken elkaar opeten. Zeker als ze met te veel zijn. Ik geloofde het niet, maar ik was wel benieuwd.

De wandelende tak was inmiddels naar mijn schouder toe gerend. Vlug pakte ik hem bij zijn lijf vast om hem weer op mijn hand te zetten. De pootjes spartelden alle kanten op.

Als je wandelende takken stapelt, krijg je dan een wandelende boom? En hoeveel heb je er dan nodig om het zo te mogen noemen? Ik zou wandelende bladeren kunnen kopen om er bovenop te zetten. Blad voor blad, voor de balans.

Hij begon rondjes te rennen, me te steken of te krabben, hij probeerde te ontsnappen door van mijn vingers af te rennen. Niet dat dat werkte, maar het werd wel irritant. Ik nam hem weer tussen mijn duim en wijsvinger. Aan zijn middel, niet over de hele lengte. Ineens vroeg ik me af of hij net zo door zou buigen als een tak die je in het bos vindt. Een gewone tak. Ik draaide hem een beetje, keek naar de beide uiteinden van zijn lichaam. Zowel de anus als de mond kon ik niet vinden. Gaan de darmen van een wandelende tak alleen van voor naar achter of zitten er ook nog kronkels in?

Ondertussen spartelde hij nog steeds wild met alle zes zijn pootjes. Ik merkte dat mijn handen een beetje klef begonnen te worden van het zweet. Toch ging ik door. Ik liet mijn middelvinger vanaf de onderkant dichter bij zijn achterpootje komen. Een aantal keer spartelde hij er tegenaan. Steeds verder bewoog ik naar buiten toe, tot het spartelen minder werd en stopte. Zijn pootje drukte tegen de zijkant van mijn vinger. Een paar stuiptrekkingen schoten door het pootje heen. Hij maakte een klein krasje in mijn huid. Dat deed me niks.

Toen liet ik mijn duim dichterbij komen. Behoedzaam, ik heb immers het beste met mijn dieren voor.

Mijn duim trilde een beetje. Hij glom in het kille terrariumlicht. De grote plafondlamp stond uit.

Bijna raakte ik het pootje aan. Nog meer stuiptrekkingen. De rest van de poten hing stil. Alsof ze dood waren. Dode takken van een dode boom.

Een korte aarzeling. Ik wendde mijn ogen af, ik keek weer terug, ik slikte. Mijn mond viel een beetje open. Ik kon mijn adem horen. Toen legde ik mijn duim tegen de andere kant van het fragiele pootje. Ik gleed op en neer, wreef voorzichtig langs het stokje in mijn hand, het takje van de tak. Afgetakt.

 

Toen ik hem weer in het terrarium plaatste, bleef hij de rest van het uur roerloos staan. Ik bleef ook nog even staan nadat ik van de kruk omhoog gekomen was. Een andere tak kwam op hem afgewandeld, plaatste twee pootjes op zijn rug, kroop over hem heen en bleef bovenop hem zitten. Kleine zwarte korrels kwamen uit de bovenste, vielen op de grond. Het hadden ook eitjes kunnen zijn.