Deze week gelezen: Pauline de Bok, De poel

Pauline de Bok: de redacteur las een aantrekkelijk natuuressay vol observaties en grote vragen.

*

Daan Stoffelsen: Pauline de Bok, De poel

Mijn vriendin en ik dromen er allang en hardnekkig van: een huis in het bos. Ook vóór de exorbitante prijsstijgingen was dat natuurlijk onbetaalbaar voor een verloskundige en een parttime webredacteur, zeker in Noord-Brabant, waar de verloskundige haar werk heeft, maar ik gun ons die visioenen van harte. En soms worden die beelden gevoed door mensen die wel de stap naar verder weg hebben gewaagd, zoals Pauline de Bok. Ik leerde haar proza kennen in Buit, het boek waarin ze beschreef hoe ze jager werd, een gedreven boek dat zowel de natuur om haar heen als de morele dilemma’s van dat nieuwe vak recht deed.

Nu is er De poel, een iets minder gericht, uitwaaierend boek over anderhalf jaar in haar verbouwde koeienstal in Mecklenburg-Vorpommern. Het is genomineerd voor de Jan Wolkersprijs, voor Athenaeum.nl schreef ik erover. Het is 2019, en de poel van de titel staat droog. Is dat die klimaatverandering waar de wetenschappers over spreken? En wat voor gevolgen heeft dat voor de dieren en planten waarmee De Bok feitelijk samenleeft? Kan ze er iets tegen doen?

Die vragen, en vragen over gif, windmolens aan de horizon, de gelijkwaardigheid tussen soorten, doden of niet, maaien of niet, bijvoederen of water geven of niet, komen telkens aan bod in dit uitgebreide natuuressay. Maar die grote vragen, waarin ze telkens haar ‘hoofd [schudt] om [haar] taaie neiging van elk beest meteen weer een individu te maken met een eigen verhaal’ en zichzelf een zeur en een twijfelaar vindt, wisselt ze af met geweldige observaties. Hele Vroege Vogels-fenolijn-afleveringen zijn ermee te vullen, ik citeerde al ruim op Athenaeum.nl over een moment dat de kraanvogels, de ooievaar en de hazen tegelijk op haar terrein te zien zijn. De Bok kijkt, verwondert zich, geniet. Maar soms botst het, letterlijk.

‘Dan waagt de eerste [jonge zwaluw] zich in de lucht, meteen daarop de tweede, ik loop onder de ladder door, een zwaluw moet voor me uitwijken, en vliegt in volle vaart tegen de ijzeren deurpost. “Hè nee,” roep ik, “sorry, sorry…” Ik kijk naar de latten, de zwaluwbolletjes zijn weg. Ik kijk naar de grond, in verwrongen houding ligt hij op de drempel. Verdomme, een jonkie, gebroken nek, rug, vleugel? Hij begint te fladderen, maar blijft dan op zijn rug liggen. Dood? Zijn pootjes trillen licht, hij beweegt zijn snaveltje een beetje. Geluidloos. Het krijsen en schreeuwen van de ander zwaluwen gaat crescendo, doet pijn aan mijn oren, ze duiken naar beneden, dicht naar het kleintje toe, lager, veel lager dan anders.
Wat nu? Altijd weer opnieuw die vraag: moet ik het zwaluwtje nu doodmaken?‘

Waar zoveel leven is, is de dood nooit ver weg. Is lijden natuurlijk, en heb je als opperpredator een verantwoordelijkheid? Om te voorkomen, ja, om te helpen? ‘Maar wat me als jager steeds duidelijker wordt: aan willekeur ontkom je niet, je bent god niet.’ Kan ze het zwaluwtje helpen? Moet ze de wild lopende schapen schieten? Moet ze de poel laten uitgraven en herstellen? Zijn dit nog morele dilemma’s? Eigenlijk zijn ze groter dan dat, De Bok beschouwt via deze individuele gevallen ons hele systeem met andere soorten, en dus onszelf. Dat is razend interessant, zeker gecombineerd met die verstilde observaties van grootse natuur en een prettige zelfreflectie. ‘Weer snapte ik niet wat ik zag,’ schrijft ze dan.

Jury’s schmury’s, ik ken ze, ik heb erin gezeten en mijn inschatting is weinig waard, maar De poel verdient een prijs, en voor de Jan Hanlo Essayprijs mag het boek ook opgaan. En mijn vriendin en ik? We gaan wel kamperen, en dubben of we als klimaatmigranten aan ons Duits moeten gaan werken, of het verder moeten zoeken.

AtlasContact gaf De Poel uit. Op Athenaeum.nl bespreekt Daan de hele shortlist.