Deze week gelezen bij De Revisor: Doireann Ní Ghríofa, Ilse Josepha Lazaroms

Doireann Ní Ghríofa, Ilse Josepha Lazaroms: de redacteur las twee boeken die het moederschap en het vrouwelijke verweven met binnendringend en historisch drama, een essayistische roman met mooie elementen en wat karikaturen en een rijke, fascinerende memoir die het vrouwelijke vooropzet.

*

Daan Stoffelsen: Doireann Ní Ghríofa, Een geest in de keel en Ilse Josepha Lazaroms, Duet

Ha, riep mijn collega uit toen hij op mijn scherm meelas, een Luiselli’tje! Het was twee persconferenties geleden, we werkten nog in ons kantoor hoog boven het Spui, maar Valeria Luiselli was in onze prille werkrelatie al een belangrijk referentiepunt. Ik was voor Athenaeum.nl wat stukken aan het publiceren over Doireann Ní Ghríofa’s Een geest in de keel (A Ghost in the Throat, vertaald door Caroline Meijer), waarvan Joost Baars de Engelse editie al de hemel ingeprezen had. En op dat moment lazen we hoe de Ierse dichteres de literatuur met moederlijke beslommeringen mengde, zoals Luiselli dat in De gewichtlozen deed. Ga ik lezen, dacht ik, en: misschien kan ik het combineren met dat andere moederboek dat klaarligt.

Ergens klopte dat wel, want Ilse Josepha Lazaroms ontleende het motto voor haar romandebuut Duet aan Archief van verloren kinderen. Maar ergens ook niet: je doet de boeken weinig recht door de vergelijking. Zo is Duet een ‘roman’, al vermoed ik dat er wel wat autobiografie inzit, en heeft het essayistische trekjes, al was het maar doordat Lazaroms expliciet verwijst naar andere literatuur (‘“Maar dit is het addertje onder het gras,” schrijft Maggie Nelson in De argonauten, een boek dat ik las in de vertroebelde maanden na mijn dochters geboorte. “Ik kan niet mijn kind vasthouden en schrijven tegelijk.”’). En is Een geest in de keel bovenal memoir, er zit geen fictie in.

Duet is een boek over liefde, zwangerschap en moederschap in een wereld die zulke levensbepalende gegevens liever negeert – de arbeidsvoorwaarden in de Verenigde Staten – en die in toenemende mate polariseert – de vriend van hoofdpersoon radicaliseert tot een agressieve complotdenker. Dat alles op Duet, een woonboot die het hele jaar in New York ligt. Lazaroms schrijft mooie dingen,

  • zoals hoe ze vaststelt dat haar koers (of stilstand) bepaald wordt door haar zwangerschap: ‘Sinds een paar dagen weet ik dat er in mijn lichaam een anker is uitgegooid dat er niet meer uit kan.’ (Later gaat ze in op het fenomeen van ankerbaby’s, die willen ze in de V.S. voorkomen, en daarom heb je geen recht op prenatale zorg. ‘Zwanger zijn doe je op eigen risico. Bevrucht het land binnenkomen al helemaal.’)
  • Ze denkt na over vroedvrouwen, en na wat woordenboekdefinities schrijft ze: ‘Een verloskundige doet het verlossende werk niet. De barende vrouw verlost zichzelf. De vroedvrouw wijst alleen de weg. Als een richtingaanwijzer op zee. Een vuurtoren. Een baken.’ Idealiter, denk ik dan als man van de verloskundige, dat is je niet altijd gegeven (zie ook de bevallingen van Doireann Ní Ghríofa).
  • Ze beschrijft haar bevalling (iets wat ooit te weinig gebeurde, zie mijn essay Het literair couvadesyndroom, maar nog steeds aan te moedigen is): ‘Ik klamp me vast aan de tafel. Uit mijn diepste binnenste komen ze. Draden van licht. Van ijzer. Ze reiken tot aan het puntje van mijn buik tussen mijn borsten. Haken zich vast in mijn vel. Spannen zich aan, nemen de tijd. Hun kracht zwelt aan. Geen weg terug. Het web van moordende zenuwen ligt als een harnas om mijn buik. Pijn. Adem.’

Maar het houdt iets lichts, en dat heeft te maken met de strakke zinnen, maar ook met plot en karaktertekening: de vader van het kind is wel erg extreem, onnadenkend, in scherp contract met de essayerend denkende moeder, en het verhaal heeft iets willekeurigs en tegelijk lineairs.

*

Maar is dat een probleem? Zo is het leven toch, je wordt verliefd, je wordt zwanger, krijgt een kind, je vertrekt? In een roman heb je de vrijheid om de lijnen te doorbreken, iets ronder te maken. Non-fictie staat minder flexibiliteit toe, en wie Een geest in de keel leest, krijgt ook het gevoel dat de verteller – in dit geval dus absoluut Ní Ghríofa zelf – allerlei dingen overkomt. Maar dat verhaal is ondergeschikt aan het onderzoek.

Waar Lazaroms Ilse haar eerste kind krijgt, is Ní Ghríofa aan het begin van het boek moeder van drie jongens, en wordt ze zwanger van haar derde kind. Ze zorgt, ze geeft borstvoeding (en doneert melk voor premature baby’s), schept genoegen in die dienstbaarheid, en vult al haar andere tijd met een onderzoek naar de achttiende-eeuwse dichteres en edelvrouw Eibhlín Dubh Ní Chonaill en haar gedicht Caoineadh Airt Uí Laoghaire. (Je kunt niet gelijktijdig zorgen en schrijven – maar je kunt het wel nadien doen, of tussendoor, iets wat Nelson overigens ook illustreerde.)

Het huiselijke leven, het onderzoek, Eibhlín Dubhs levensgeschiedenis en die van Ní Ghríofa zelf (een mislukte tandartsstudie, zelfmoordpogingen, maar ook schokkende gebeurtenissen in het nu, bijna-ongelukken en een bijna-doodgeboorte) verweeft ze tot een fascinerend boek, tot een vrouwelijke tekst, zoals ze al in de eerste regels aankondigt:

‘Dit is een vrouwelijke tekst, gecomponeerd terwijl ik andermans kleren opvouw. De tekst is nooit uit mijn gedachten en groeit, teer en traag, terwijl mijn handen ontelbare taken verrichten.’

Elfmaal benoemt ze iets als vrouwelijke tekst: het boek, ‘een gezinsplanner vol ballpoint- en potloodkrabbels, allemaal in hetzelfde handschrift’, ‘een lichtroze vestje dat door haar grootmoeder is gebreid […] waarin elke steek een lettergreep is’, de Caoineadh zelf natuurlijk, de sleutelring aan de riem van Eibhlín Dubhs moeder, twee ongevaarlijke gezwellen in haar linkerborst, de vaststelling dat ‘naamloze vrouwen zich een familieverhaal toe[eigenen] en herschrijven […] met vuur’ door documenten te verbranden, een sprookje. Tekst, dat zijn oorsprong vindt in het Latijnse woord voor weven, is alles, en alles is vrouwelijk. En:

‘Ik laat de handdoek op de grond vallen en onderzoek mijn lichaam nieuwsgierig: mijn melkflessendijen, in stukjes opgedeeld door turquoise aders; mijn borsten, ongelijk in grootte maar prachtvol; het heilige deurtje van mijn viervoudige keizersnede, mijn hangbuik, geribbeld met zwangerschapsstrepen als een strand bij eb. Mijn navel grimast daar, het onzichtbare koord dat mij altijd met mijn moeder zal verbinden, precies zoals die van haar haar verbindt met haar moeder, en zo verder, en verder, en verder. Ik bestudeer dit lichaam van mij, zomaar een lichaam in een lange lijn, en ik voel geen afkeer, alleen trots. Dit is een vrouwelijke tekst, denk ik.’

Zo fysiek, zo intiem, en zo trots: dat wekt mijn bewondering op. En zo rijk: terug keert de melk, terug het vrouwelijke perspectief en de vrouwelijke tekst, op komt het beeld van de ironische heilige deur, op het strand bij eb. En even relativerend (‘zomaar’) als beslist (‘geen afkeer, alleen trots’) is het.

In haar onderzoek probeert Ní Ghríofa de dichteres van drie eeuwen geleden en haar vrouwelijke omgeving te vinden, en stuit ze telkens op hiaten. De mannen rondom Eibhlín Dubh Ní Chonaill verzwijgen haar, verraden haar zoals de vijand van haar echtgenoot Art Ó Laoghaire hem in een hinderlaag vermoordde. Het achttiende-eeuwse gedicht had dat al in zich, het draait om die vermoorde man en Eibhlín Dubhs grote liefde voor hem, haar machtige woede gaat om hem. Maar Ní Ghríofa compenseert dat manvormige zwarte gat met haar eigenlijk verhaal, een nieuwe vrouwelijke tekst om die oude aan te vullen. Een van dienstbaarheid en liefde en begeerte – maar vooral van trots.

Over Ní Ghríofa’s lichaam mag alleen zijzelf oordelen, maar haar boek is geweldig, het heeft een gewicht en een verstrekkendheid die ik zelden aantref. Een Luiselli’tje? Een geest in de keel heeft het dramatische en urgente van Archief van verloren kinderen en het literaire (maar niet het meta-, en het absurdisme) van De gewichtlozen. Het is poëtisch (en bevat de Caoineadh integraal in het Iers, Engels en Nederlands), verhalend én essayerend. Het is een vrouwelijke tekst, een menselijke tekst, een universeel verhaal dat meer is dan plot: het is een weefsel van de kleine dingen en de grote emoties, zoals alleen een vrouw dat kan maken.

Uitgeverij Cossee geeft Duet uit.Uitgeverij Van Oorschot geeft Een geest in de keel uit. Op Athenaeum.nl is een fragment te lezen, Joost Baars’ boekentip en een toelichting door vertaler Caroline Meijer.