Roos van Rijswijk, Verbetering van deze situatie

Verbetering van deze situatie

Roos van Rijswijk (1985), auteur van Onheilig (bekroond met de Anton Wachterprijs) en De dwaler, werkt aan een nieuwe roman. Voor De Revisor laat ze zich tien columns lang elke tweede week afleiden, door de huurbemiddelaar, een hete aardappel, verstandige dingen, het kapitalisme en normaliteit.

*

Nadat ik een huurbemiddelaar telefonisch mijn inkomen uit de doeken deed, was hij even stil.
‘Hallo?’ zei ik.
De man, hij klonk veel jonger en tegelijkertijd wegens bijzonder hete aardappel veel ouder dan ik, schraapte zijn keel.
‘Komt er nog verbetering in deze situatie?’ vroeg hij.
‘Nee,’ zei ik, ‘nee, dat denk ik niet.’
Bij het wegdrukken van het gesprek miste ik hartgrondig de mogelijkheid met een hoorn te smijten.

‘Verbetering van mijn situatie! Dat impliceert,’ zo brulde ik later tegen M., die me stevig in haar armen hield omdat ik anders uit blinde woede op zou stijgen, ‘dat mijn situatie kennelijk niet goed genoeg is! Dat er iets niet klopt!’
M. zei allemaal verstandige dingen, zoals dat het aan het kapitalisme ligt, en aan de VVD, en dat ik bovendien toch gewoon rondkwam, en dat ik in godsnaam even uit dit spiraaltje moest komen, maar dat lukte dus niet.
‘Waarom ben ik niet normaal,’ jammerde ik, ‘waarom ben ik niet gewoon ergens accountmanager of administratief medewerker? En dat ik in een rijtjeshuis woon met een man en 2,5 kind, en dat ik in mijn vrije tijd graag ga shoppen, en dat ik één boek per maand lees, elke keer van Tommy Wieringa, voor mijn leesclub, waar ik dan ook witte wijn met bubbels drink en praat over alle 2,5 kinderen van de andere leesclubgenoten!’
M.’s grip begon, om allerlei zeer begrijpelijke redenen, wat losser te worden.
‘Ik heb het geprobeerd!’ gilde ik als een waanzinnige door mijn zolderkamer. ‘Ik heb zo hard geprobeerd geen schrijver te worden!’

Dat was niet gelogen. Hoewel al m’n innerlijke kompasnaalden altijd naar het woord wezen, wilde ik er niet aan. Ik durfde niet. Ik nam gewone banen, met Excelsheets en printerhokken, tot ik – ergens in de twintig, scheel van slaapgebrek en sluimerende depressies – op een kantoor naar mijn pensioen zat te verlangen, en me inschreef voor een studie Nederlands. Dan kon ik, zo redeneerde ik, misschien wel taalkundige worden. Lesmethodes ontwikkelen. Voor een salaris. Enfin. Het bloed kruipt waar het niet gaan kan, en bij mij is dat dus het papier op, tot het in zwarte lettertjes opdroogt.

Ondanks mijn larmoyante zelfbeklag bleef M. naast me zitten, want ze is een volhouder. Zij heeft nooit een kantoorbaan gehad – ze wist al vanaf dat ze kon bewegen dat ze danser wilde worden. En dat werd ze. Zelfs als de godganse wereld op z’n gat ligt te jammeren is M. dingen aan het maken: voorstellingen, installaties, plannen. Toen we elkaar nog niet kenden, maar zo lang kennen we elkaar nog niet, hing ik bij de minste tegenslag direct al mijn plannen aan de wilgen. Dan werd ik postbode, schoonmaker of communicatiemedewerker. M., daarentegen, ging desnoods op droog brood door. Uit bevlogenheid en een rotsvast geloof in de waarde van kunst.
‘Je moet helemaal geen flitsbezorger worden,’ onderbrak ze mijn snotterige monoloog voor de zoveelste keer, ‘en adem alsjeblieft even in.’
Dat deed ik. En uit. Tot ik weer begreep dat er helemaal niets zielig is aan mijn situatie, zo met die grote liefde en de literatuur en zo – menigeen zou voor minder z’n ziel verkopen.

Wat ik die huurbemiddelaar had moeten antwoorden op de vraag of er nog ‘verbetering in deze situatie’ kwam weet ik nog steeds niet precies. Misschien had ik de vraag met beide handen terug moeten slingeren: ‘Wat kunt u doen om deze situatie te verbeteren?’
Ik heb het idee dat ik naar iets groters zoek. Niet alleen een weerwoord op deze ouwelijke jongen, maar op iedereen die situaties als de mijne een dwaling lijkt te vinden. Die van vele met mij. De scheppers, de makers, de mensen die met pen, lijf, penseel of beitel de kieren van een kleurloos klimaat te lijf gaan, ook als er niemand kijkt. Je merkt pas hoe grauw het wordt als ze daarmee stoppen.

 

Beeld bij deze column: Protestaktie van kunstenaars tegen falend kunst en kultuur beleid kunstenaars plakken muurkranten op Stedelijk Museum Amsterdam, op voorgrond Ernst Vijlbrief. Uit het Nationaal Archief.