Manon Uphoff, Over een scheve neus, twee engelachtige jongetjes, Lilliputters en Gullivers, het kille oog, echte & valse tanden, uit De Revisor 2005-2

In september verschijnt De Revisor 33, een nummer rond het oeuvre van Manon Uphoff, een van onze interessantste schrijfsters. Daarom plaatsen we deze zomer haar Revisor-archief op de website. Lees je in! Uphoff opent het tweede nummer van 2005, dat overigens behalve bijdragen van alle redacteurs ook stukken van Gerrit Krol, Herman Franke, A.F.Th., Arie Storm, Bertram Mourits en Theo Kars bevat, met ‘Over een scheve neus, twee engelachtige jongetjes, Lilliputters en Gullivers, het kille oog, echte & valse tanden’, over een droom, haar ‘nieuwsgierigheid naar de relatie tussen “binnenkant” en “buitenkant” en de rol van de waarneming’, Alice, Woldhek, A.F.Th., Pirandello, Nabokov.

*

De ochtend na een vrolijk, alle kanten op buitelend debat over de relatie tussen kunst en wetenschap, word ik wakker uit een onthutsend realistische droom.
Het moet zijn als het bekijken van vakantiedia’s van een ander, maar ik ga u toch aan de marteling van een beschrijving onderwerpen, zonder die droom verder te duiden.
De droom draaide om mijn aankomst en aanwezigheid in een mij onbekende kleine stad in het buitenland. Ik kwam als een soort Mary Poppins terecht bij een familie die woonde in een schemerige bovenwoning. Om er binnen te komen moest ik een lange, steile trap op (die trap komt uit mijn ouderlijk huis, die neem ik overal mee naartoe). Van dat huis staat me verder niet veel bij, meteen door dus naar de twee jongetjes die er woonden. Die waren even oud, ik schat ze op een jaar of negen. Blond, tenger gebouwd, met lange ledematen, en ze hadden gezichten die zowel aantrekkelijk waren, vanwege de blanke huid en dat blonde haar, de lichtblauwe ogen, als een beetje eigenaardig en uit het lood geslagen. Want hun neus was lang en niet helemaal recht (het botje onder de huid moest wat knobbelig zijn), hun monden stonden scheef en het blauw van hun ogen was net te flets. Het waren engelachtige jongetjes, maar ze zagen eruit alsof ze na een wilde wasbeurt in de wasmachine gekreukt te drogen waren gehangen.
Ze waren steeds samen en ik was daar in dat huis om ze gezelschap te houden en op ze te letten. Al gauw hoorde ik meer bij ze dan dat zij nog hoorden bij hun eigen vader en moeder. Mama herinner ik me niet goed, ik heb daar geen beeld van. Papa was een onaangenaam uitziende man met een steenrode huid, heel lang van gestalte, met een mager lobbig, gegroefd gezicht en met dezelfde ogen als de jongetjes, maar in zijn gezicht waren ze ineens helemaal niet meer engelachtig. Sommige onderdelen van gezichten maken, getransporteerd naar een ander gelaat, daar een heel andere indruk. Gaan een relatie aan met de overige elementen die er hun schaduw over werpen en het totaalbeeld is heel anders, soms lijken ze er wel wat in verdwaald.
Ik heb daar oog voor omdat ik met mijn vele, vele bloedverwanten voortdurend in aanraking kom met neuzen, monden, ogen, stemmen of een mimiek die wel gestolen lijken van de oorspronkelijke eigenaar. Al is dan meteen de vraag: wie is dat? Er moet iemand zijn met het ‘oergezicht’, maar is dat de vader, is dat de moeder, of is dat een gezicht dat zich ergens achter ons bevindt?
Maar goed, ik dwaal af. Het is duidelijk dat de jongetjes een scherp beeld hebben achtergelaten, dat ik mij meer herinner van hun uiterlijk dan van hun gedrag.
En dit uiterlijk heb ik goed onthouden. Ook waren er twee honden in het huis. Mijn ‘taak’ in die droom bestond er uit die honden te ‘bevrijden’. Dat zou een positief effect hebben op het leven van de jongetjes (ik hoor Freud gapen, en geloof me, ik gaap luidkeels met hem mee) en, nou ja, het kwam er allemaal op neer dat als ik die twee honden het huis uit wist te krijgen, die twee jochies voortaan minder timide zouden zijn. We waren bijna zover. De jochies hielpen mij, in hun pyjamaatjes stonden ze bij de trap, ik had de twee honden bij me en stond op het punt die trap af te gaan naar buiten, toen de vader verscheen en er een stokje voor stak. De jochies in hun pyjamaatjes weer naar boven, de honden er achteraan, en ik alleen naar buiten.
Zoekend naar een oplossing kwam ik terecht in een zeer goed geoutilleerde groente-fruit-delicatessenzaak. Daar was een man met een heel rond achterwerk in een glimmende grijze (zijden?) broek die plaatsnam op een barkruk. Ik ging ook op zo’n kruk zitten en stelde hem de vraag of hij soms een gezin kende met twee blonde jongetjes en twee honden.
‘O, de familie München,’ zei hij. Ja, die kende hij wel. Ik vertelde hem dat ik die honden wilde bevrijden en bladebla en de rest is vaag of alweer verdwenen.
Waarom heb ik het nou zo uitgebreid over die droom? Los van de nieuwsgierigheid naar de ‘betekenis’ is er nieuwsgierigheid naar de relatie tussen ‘binnenkant’ en ‘buitenkant’ en de rol van de waarneming.
Ik ‘zag’ mezelf niet in die droom, maar wist toch steeds wie ik was, en dat ik ‘ik’ was. Ik nam mijn eigen bewustzijn mee in de afdaling in die droom en zag de wereld om mij heen, nam haar waar en sloeg gegevens op alsof ik er volkomen in thuis hoorde, zelfs terwijl ik me vreemd voelde. Ik maakte kennis met mij onbekende mensen en sloeg een afbeelding van ze op in mijn hersens. Allerlei dingen die ik in wakende toestand ook doe.
Maar er is iets dat doet denken aan het Droste-effect. Mijn bewustzijn schotelt mijn slapend ik een versie van mezelf voor die lijkt op de versie die ik ken. Toch is er het besef dat deze versie eerder een deelversie dan een overkoepelende versie is. Laat ik proberen mij helderder uit te drukken. Psychologen, neurologen en andere ogen zullen zeggen dat mijn hersens in mijn slaap bleven doen wat ze wel vaker doen, ze duwden beelden en details naar voren, die ik – al slapende – ‘zag’ en interpreteerde. De mini-droom-Manon daalt af, komt een wereld binnen, ‘ziet’ dingen met droomogen, en slaat die beelden op. Alleen, in welk bewustzijn? In welk deel? Dat van de Gulliver-Manon, die in bed ligt te woelen. Of dat van de Lilliput-Manon, die over de akkers en velden en door de straten van haar droombestaan zwerft?
Is dat de verwarring die we voelen als we wakker worden en de droom, net nog zo helder, ons ontglipt? Omdat ook ons droom-ik, drager van ons droomgeheugen ons ontglipt? Een ik dat we zijn en niet zijn. Dat we overlappen en dat als een diefje aan ons ontsnapt? Wie vond die jongetjes nou eigenlijk ‘engelachtig’. Waar zit hun beeld opgeslagen? Als ik morgen een jongetje zie dat lijkt op het droomjongetje, herken ik hem dan? Denk ik dan, wat kom jij mij bekend, vertrouwd voor?
Wat een treiterig nachtspel van mijn hersens.
Hoe zie ik er uit, in mijn droom? Bestaan er spiegels in dromen? Nee.
Als ze er wel zijn, dan hangen er doeken voor. Trek je die weg, dan kijk je een fractie van een seconde in je eigen geschrokken wakkere gelaat.
Doodgaan in een droom? Hijgend en naar adem happend val je tot leven in bed.
Ik vind het fascinerend dat mijn hersens in mijn slaap druk bezig zijn geweest met het samenstellen van een ‘uiterlijk’ voor die twee jongetjes en die honden. Er is druk voor mij gewerkt. Die trap is uit de kast gehaald, naar beneden getild. Die honden naast elkaar gezet.
‘Welke kleur?’
‘Zwartbruin.’
‘Welke soort?’
‘Je kent ze wel. Ik kan nu even niet op de naam komen.’
Een grillige, plagerige, ironische goochelaar trekt steeds kistjes open, tovert hoeden uit konijnen, zet de deuren en luiken in mijn geest tegen elkaar open dat het tocht en waait dat het een aard heeft.
Ik ben een tijd bang geweest voor insecten, vooral vanwege de gedachte dat zij mij niet eens als ‘het andere’ zien. Ik ben niet eens ‘vreemd’, ik lig als mens zo ver buiten hun waarnemingsspectrum dat ik word wat ik wezenlijk voor ze ben: broedplaats, voedsel, obstakel.
In Alice in Wonderland zit een prachtige passage over een transformatie die wel door de waarnemer, maar door de getransformeerde niet van cruciaal belang wordt geacht. Het speelt zich af in het hoofdstuk met de Rups. Alice heeft, na het eten van een stukje van de paddestoel een opvallende verandering ondergaan. Haar hals is zo lang geworden dat haar hoofd dwars door het gebladerte van een boom heen omhoog steekt, dicht in de buurt van een duivennest. Meteen komt er een duif dichterbij die begint te schelden.
‘Slang!’ schreeuwde de Duif.
‘Ik ben geen slang!’ zei Alice verontwaardigd. ‘Blijf van me af!’
‘Slang, zeg ik nog eens!’ herhaalde de Duif, maar nu op wat gedempter toon. In een snik voegt ze er aan toe dat er geen kruit tegen gewassen is. ‘Ik – ik ben een meisje,’ zei Alice weifelachtig. De duif grijpt hard, venijnig en overtuigend in. ‘Ja, dat zal wel,’ zegt ze op een toon van de diepste verachting. En legt meteen de vleugel op de zere plek: ‘Ik heb in mijn leven heel wat meisjes gezien, maar nog nooit een met zo’n hals als jij! Nee, nee! Jij bent een slang; ontken het maar niet. Zo meteen ga je me nog vertellen dat je nog nooit een ei hebt geproefd!’
Dit is voor de duif het tweede, bepalende kenmerk. Verschijning/uiterlijk (de lange beweeglijke hals) en gedrag (het zich ophouden in de buurt van gebladerte en duivennesten en het eten van eieren) komen bij elkaar, gaan een verbinding aan en vormen het overtuigende (bijna wetenschappelijke) bewijs dat het hier inderdaad om een Slang gaat.
‘Ik heb natuurlijk wel eens ei geproefd,’ zei Alice, die een zeer waarheidslievend kind was, ‘maar meisjes eten net zo vaak eieren als slangen, hoor.’
‘Dat geloof ik niet,’ zei de Duif, ‘maar als dat zo is, nou, dan zijn meisjes een soort van slangen, en daarmee uit.’
Het is een van de amusantste voorbeelden van de strijd om het recht van de uiteindelijke interpretatie. Zijn wij zelf de heer en meester over ons eigen ik, en over onze, daarmee verbonden ‘buitenkant’, of zijn dat de anderen?
Het is opvallend dat de meeste schrijvers die ik de afgelopen maanden een beetje gekscherend heb gevraagd eens iets te vertellen over hun uiterlijke verschijning, hun fysiek, hun stem, hun mimiek, wijze van kleden en presenteren, volhielden dat ze hier ‘nog nooit over hadden nagedacht’, de vraag verbaasd terzijde schoven. Iets mompelden over ‘schoonheid’ en ‘lelijkheid’ en ‘vooral van belang bij vrouwen, jong en mooi verkoopt beter’, maar niet toegaven of zelfs maar wensten na te denken over de vraag of ze in hun schrijversloopbaan wel eens over hun voorkomen hadden nagedacht, of er in hadden ingegrepen, het hadden bestudeerd, gecultiveerd, veranderd, aangepast.
Een tweede vraag, of er een verband zou kunnen bestaan tussen het werk van de auteur en zijn verschijning, werd nog sneller en met regelrechte irritatie van de hand gewezen.

illustratie

De vraag beantwoorden of serieus nemen zou betekenen: de als onaangenaam ervaren mogelijkheid tot objectivering van de eigen gestalte. Tot gemakkelijke conclusies over het daarmee verbonden innerlijk, of de verhouding van die twee. En als dit mogelijk is, dan kan dat ook, nog gruwelijker, voor het lichaam en de geest van het boek.
Bij de schrijver lijkt hier niet alleen een natuurlijke, maar zelfs vergrote weerstand tegen te bestaan. En dit is logisch, want het is de kern van het schrijversschap dat de schrijver zich ‘bevrijdt’ van zijn lichaam, zich losmaakt van zijn vorm (of dit in ieder geval kan) en de meester wordt van de metamorfose.
Er zijn auteurs die opbloeien in het felle zonlicht en de tekst tegen zich aandrukken, haar het liefst uit eigen mond horen opstijgen en neerdalen. Sommigen doen dit zo goed dat het boek na een tijdje een vehikel wordt. Ballast. Iets dat maar tussen de schrijver en het publiek instaat. Dat maar een schaduw werpt op de stralende gestalte. Dit hoeven geen slechte schrijvers te zijn.
Er zijn auteurs die nerveus worden, zichzelf horen praten, zien hoe ze ‘bekeken’ worden. Zich zorgen maken over de verschillen tussen de personages en de karakters in het boek en de waarneembare, aanwezige gestalte. De albino’s, die de schaduw zoeken. Dit hoeven geen geweldige schrijvers te zijn.
Sommigen verdragen de spiegel niet omdat ze menen dat het een lachspiegel is. Anderen kunnen er niet genoeg van krijgen. God, wat zijn ze mooi, wat stralen ze. Wat jammer dat het boek veel minder licht geeft, dat het boek de minder stralende kant van hun stralende ik laat zien. Weer anderen hebben gewoon een ouderwetse hekel aan wat ze zien. Het klopt niet met wat ze zouden willen zijn en ook werkelijk worden in het werk. Maar daar zijn die holle ogen van de buitenwereld en die zoeken naar een overlap.
Het uiterlijk is altijd tweeledig. Het maakt ons duidelijk wat we, zeker als schrijver, misschien het liefst willen vergeten. Dat we gezien worden en dat we dingen laten zien die we niet altijd onder controle hebben, dat we net zo geobjectiveerd of tot subject gemaakt kunnen worden als wij anderen objectiveren kunnen, of verheffen tot subject. Luigi Pirandello schrijft in Iemand, niemand en honderdduizend over de identiteitsproblemen, de ontreddering en de desintegratie van Vitangelo Moscarda, wiens zelfgevoel volkomen ontwricht raakt als zijn vrouw hem wijst op een onvolkomenheid in zijn uiterlijk: zijn neus staat wat scheef. Er ontstaat een kloof, een krater tussen zijn beleving van zichzelf en van het feit dat hij door talloze wijzen door anderen kan worden waargenomen en geïnterpreteerd. Het wordt zijn obsessie, en met een ijzeren logica trekt hij daaruit de consequenties die leiden tot existentiële en sociale eenzaamheid.
De mens die niet gezien wil worden, is bang voor de verschillen tussen de blik van buiten en die van binnenuit. Voelt hoe hij in die krater te pletter valt.

illustratie
Zou het kunnen dat vooral mannen, vaker vertrouwd met de rol van waarnemer, er meer moeite mee hebben ook een ‘uiterlijk’ te hebben, dat aanknopingspunten biedt ter objectivering? AFTh’s reactie op een van de door Siegfried Woldhek van hem getekende karikaturen is een oproep elke karikatuur te zien als een zelfportret van de spottende maker, wat even karikaturaal waar is, en een literaire poging opnieuw de macht te grijpen:

‘Laat u niet in de maling nemen: alle zogenaamd literaire cartoons van Siegfried Woldhek zijn onvervalste zelfportretten. De heer Woldhek kijkt tien, twintig keer per dag in de spiegel, en tekent even zo vaak een grotesk portret van wat hij ziet. Hij zet er naar willekeur de naam van deze of gene pennenknager onder, en verkoopt het resultaat. Alleen zo kan deze malicieuze krasser leven met de vele akelige smoelen die zijn mottige spiegel hem voorhoudt. Verzuip in Oost-Indische inkt, gij zwarte satan, op ontbinden na verrot door eigen talent…!’

Door dit op deze wijze te doen, wordt ook op deze omschrijving echter weer toepasbaar wat de schrijver zelf beweert. Zo komen zelfhaat, zelfspot en zelfvergroting mooi literair bij elkaar in wat dan weer een karikatuur van Woldhek – dus karikatuur van AFTh van AFTh is. Een die eindigt met een verschrikkelijke opdracht.
Om een karikatuur van onszelf, of dit nu een uitvergroting van onze eigenschappen en eigenaardigheden betreft, of een vervorming van ons uiterlijk (een goede karikatuur doet beide, verbindt wat we gescheiden wilden houden, of slaat uiteen wat we dachten met elkaar te hebben verbonden) waarin bepaalde, al sterk aanwezige elementen nog eens worden versterkt en uitvergroot, te kunnen herkennen en lezen, moeten we in staat zijn om buiten onszelf te treden en met de ogen van een ‘ander’, een niet-ik naar onszelf te kijken.
Toen ik veertig werd en er een groot feest was georganiseerd, werd in een rollenspel een ontmoeting tussen mij en mijn omgeving geënsceneerd. Een goede vriendin, even lang en met donker haar, deed mij na.
Het was hilarisch (voor de omstanders) en verbijsterend (voor mij) hoe simpel ik was na te doen. Godallemachtig. Ik was al bijna niet meer nodig.

illustratie
Dat is wat een krachtige karikatuur dan ook doet. Als ze scherp is, dan is het alsof wij er zo compleet, met al onze eigenaardigheden en grillen in zijn vervat, dat ze ons al bijna vervangt. Je voelt je eigen unieke ongrijpbare zelf sterven onder de handen van de karikaturist. Stof ben je, en tot stof zal je vergaan. Een paar zwarte lijnen, hier en daar een woordje, zinnetje (‘zo gaan we niet met elkaar om in dit land’) is al voldoende om je op te roepen. Meer is er niet nodig.
Al schrijvend daaraan ontsnappen, in Nabokov’s Pnin gebeurt dit op weergaloze wijze. Pnin, de vreemdeling in het grote Amerika, die door het verhaal heen consequent wordt bekeken, bespot en geridiculiseerd door anderen, waaronder (deels) de auteur, bezit een bijzondere, magistrale eigenschap die hem boven alle blikken uit doet stijgen. Die hem verheft en hem een diepe, onaantastbare waardigheid verleent.
Op een dag worden zijn tanden getrokken en na een korte rust en herstelpauze vervangen door een gebit. Eerst de extractie, het verlies:

‘It surprised him to realize how fond he had been of his teeth. His tongue, a fat sleek seal, used to flop and slide so happily among the familiar rocks, checking the contours a battered but still secure kingdom, plunging from cave to cove, climbing this jag, nuzzling that notch, finding a shred of sweet seaweed in the same old cleft; but now not a landmark remained, and all there existed was a great dark wound, a terra incognita of gums with dread and disgust forbade one to investigate. And when the plates were thrust in, it was like a poor fussil skull being fitted within the grinning jaws of a perfect stranger.’

Dan de reactie op het nieuwe, vreemde gebit:

‘Ten days passed – and suddenly he began to enjoy the new gadget. It was a revelation, it was a sunsrise… one evening he waylaid Laurence Clements… and with incoherent exclamations of triumph started to demonstrate the beauty of the thing, the ease with which it could be taken out and in again, and urged surprised but not unfriendly Laurence to have all his teeth out first thing tomorrow.’

Hiermee opent hij de deur naar een wereld waarin het artificiële en het werkelijke, de binnen en buitenkant, vreemdheid en eigenlijkheid met elkaar verbonden raken en elkaar worden. Niet vanwege de ‘eigenschappen’ of onvervreemdbare kenmerken van dit eigenlijke of oneigenlijke, echte of onechte, deze binnen of buitenkant, maar vanwege de drager en verliezer ervan.
You will be a reformed man like I,’ zegt Pnin.
Onbevreesd voor de blik van anderen (zelfs al is die blik er een die in de meeste gevallen terecht vrees zou kunnen opwekken) behoudt Pnin de waardigheid van de mens die niet koket op zoek is naar het vreemde. Die soms verdwaalt in zijn eigen bestaan en dat van anderen. Die zichzelf verloren heeft of door mensen wordt bespot (en er is nogal wat dat spot oproept, er zijn nogal wat momenten waarop Pnin – ook fysiek – ‘belachelijk’ is).
Die met pijn afstand doet van wat bij hem hoorde.
Het levert deze twee ontroerende, troostende en speelse passages op over de relatie tussen het eigene en het vreemde, tussen dat wat we denken dat we zijn, en dat wat we kunnen worden, een antwoord op de pijn van Vitangelo Moscarda die de pijn van ons allemaal is.
Door zich te kunnen hechten aan datgene wat anders en vreemd is, niet ‘van nature’ bij hem hoort en het eigen kunnen maken van het vreemde zonder de vreemdheid ervan te ontkennen of te bestrijden, overstijgt Pnin de metamorfose. Hij probeert niet te ontsnappen of de macht van de blik te grijpen.
Pnin transformeert niet in iets of iemand anders.
Hij is wezenlijk, altijd Pnin.
Niet het gevolg maar het proces van transformeren.
Aan het eind van het verhaal, rijdt hij, ongehinderd door de blik van degene die hem nastaart, Nabokovs en onze ogen uit.