De poëziereeks Binnenin bestaat vanaf vandaag ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we de aankomende weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Olga Stehlíková (CZ) en Tania Ganitsky (COL).

*

De begrafenis.

            . Ik heb
mijn vriend over het grijze zand gesleept alsof hij

            een moot             schrootstaal was. Hagelwolken sluieren mijn ogen, mijn huid is as geworden. Gisteren             brak een ekster de stad als brood. De maan brandde bloedvuur.

Naast het lijk heb ik gelegen
toen ik mij moest verschuilen.
Het begon te ruiken als een rat.

            Alle        ratten moest ik verjagen
die zich verzamelden voor                        het feestmaal.

In de ochtend sloeg ik een gat in de grond.
kneep een gebed uit mijn adem             legde deze samen met een kus op zijn voorhoofd.

We zijn het lied dat duiven zingen.

In de dageraad braken zijn herinneringen als saxofoonnoten
door de grauwe hemel. In het hart sluimert het heelal als een foetus
                                                               al is de
                                                                          we-
                                                                          reld een kuil
                                                    vol
                                                    ingestorte
infrastructuur.

Voordat ik wegging vertelde ik hem
een slaapverhaal zoals hij ooit
aan mij vertelde: Op een avond
kwamen alle        bergen en sterren             onverwachts
op bezoek, ze hadden vreselijke honger
vroegen melk en dadels.    Zij dansten
met elkaar als zandheuvels in de armen
van woestijnwinden, zongen vergeten
liefdesliederen.

We hopen dat wij een dag
de hemel mogen opensnijden
als                      de buik van een boeman
en al onze naasten die wij missen
er verrast uit zullen vallen.

Alara Adilow schrijft poëzie en proza. Ze heeft vier jaar deelgenomen aan Poetry Circle en werkte daar samen met vijf andere deelnemers en een coach aan het ontwikkelen van podiumpoëzie. Na de finale van NK Poetry Slam te hebben behaald, werkt Adilow nu bij Uitgeverij Prometheus aan een debuutbundel.

[forgot_password]

[ultimatemember form_id=”24941″]

Gerard Berends werd in 1946 geboren in Voorst, bij Zutphen. Hij deed Nederlands MO-A en -B en stond vele jaren in Emmen voor de klas. Naast het lesgeven schreef hij voor enkele dagbladen over beeldende kunst. Hij publiceerde gedichten en verhalen voor kinderen en voor volwassenen.

Gerard Berends in De Revisor:

Cynan Jones, Charlotte Van den Broeck: de redactie las een dwingend trage, beeldende roman met geconcentreerd uitgebeend indrukwekkend proza, en een charmante essaybundel over het maken en het falen.

*

Jan van Mersbergen: Cynan Jones, De wetten van water

Er zijn schrijvers die me direct een warm overwinningsgevoel geven zodra ik hun nieuwe boek in handen krijg. Een daarvan is Cynan Jones. Net verscheen van hem De wetten van water, een verzameling verhalen die afgelopen zomer als afzonderlijke delen op de BBC radio zijn voorgelezen en samen een roman vormen.

De bladspiegel met de kenmerkende witregels is onmiskenbaar Cynan Jones. Net als in De burcht en in het fenomenale Inham zorgt zijn manier van het opdienen van korte brokstukjes tekst ervoor dat mijn leestempo drastisch omlaag geschroefd moet worden. Iedere korte alinea van twee of drie regeltjes is even ademhalen. Opnieuw lezen. Langzaam een besef krijgen van de beschrijvingen, de handeling, stukjes verhaal, beelden. Dat is dwingend.
Dat werkt goed als de bladzijden opgebouwd zijn uit die beelden, uit flarden. Dat vormt het boek zich in het hoofd van de lezer.
Jones schrijft op bladzijde 25:

‘Het gaat altijd om het beeld van iets, in de meeste hoofden.’

Hij kent zijn eigen kracht, en de kracht van taal, met weinig woorden.
Als er te veel vergelijkingen gebruikt worden, zoals in het eerste cursief gedrukte hoofdstukje, dan worden de beelden inwisselbaar en herhalend. Dan ‘heerst er een stilte als na een hevige windvlaag’, dan ‘wordt het licht sterker, alsof het in volume toeneemt’, dan ‘knijpt ze in zijn hand, alsof ze de aarde tot stilte maant’, dan is de droom ‘als een droge mond’. Alles wordt vergeleken, en dat is wat veel. Het geeft de lezer het idee dat handeling en verhaal er niet meer toe doen en we poëzie aan het lezen zijn.
Nu spelen het verhaal en de personages geen traditionele rol in het werk van Jones. De tekst is geen film, het is een trage videoclip: veel beelden in korte tijd. Veel sfeer.
Dat werkt goed als iedere korte losstaande alinea ook beeld en sfeer heeft. Als er zinnetjes tussen staan die eigenlijk een dialoog zijn, zoals al snel in het boek gebeurt, dan lijkt het wit alleen de bladzijden op te rekken:

‘Ik kan wel komen,’ antwoordde Branner. Het was redelijk dichtbij. Aan de andere kant van het spoor.

‘Laat het geschut van de trein het pakken,’ zei de brigadier.

Branner voelde hoe het oude litteken op zijn kaak lichtjes aan de voering van zijn capuchon bleef haken.

‘Nee, ik ga wel.’

Het zal een dier zijn, dacht Branner. het hoeft niet onnodig te sterven.

Alleen de middelste alinea met het litteken en de voering biedt een beeld en een omschrijving en focus. Het vertraagt, het isolement van de zin legt nadruk op litteken, kaak, jas. De vorm is functioneel. De rest kan in elkaar geschoven worden zonder dat de tekst daar minder van wordt, sterker nog, het tempo mag in zo’n dialoog best omhoog.
Moeilijk uit te maken trouwens waar dit fragmentje van vijf korte stukjes over gaat, en dat doet er eigenlijk ook niet toe. Langzaam krijgt de lezer wel een idee van wat er speelt. Het gaat mij erom dat de stijl met die witregels soms ijzersterk is, zoals met die voering, die voel ik nu nog, maar soms ook een zwakte, zoals bij: ‘Nee, ik ga wel.’
Ik vertrouw Jones dusdanig dat ik verder lees, want ik weet dat de beelden en het gevoel de bovenhand zullen krijgen. Maar het lezen vraagt dus wel wat: rust, adem, geen afleiding.
Dan kom ik bij iets meer gevulde, iets beschrijvender dubbele pagina’s, en dan leef ik helemaal op.

Er hing een geur van nat metaal en steen.

Niet al te ver weg kokkerde een fazant, klapperde met zijn vleugels, zich gewaar van de naderende trilling in de lucht.

Opgaan in lucht, terwijl de regen zijn kortstondige beeltenis uiteendreef.

Met dank aan vertaler Jona Hoek voor het woordje ‘kokkerde,’ mij onbekend maar als ik aan een fazant denk weet ik precies wat hij bedoelt. Deze drie stukjes staan in een andere volgorde op bladzijde 19, en ik heb ze niet voor niets hier herhaald met de fazant in het midden. Soms lees ik de alinea’s op een bladzijde in een willekeurige volgorde. Bij beeldende kunst maakt het niet uit naar welke wand in de museumzaal je het eerst kijkt.

Het verhaal: zeer actueel. In het eerste hoofdstuk nadert een trein. Het verhaal gaat om water. Een trein moet water naar de stad vervoeren. Water is een schaars goed. De spoorlijn is kwetsbaar. Aanslagen dreigen. Daarom wordt er een enorm dok gebouwd waar een ijsschots in past. Huizen moeten wijken, een soort metrolijn zoals in de jaren zeventig in Amsterdam, maar dan een waterweg voor ijs.
Hadden klimaatactivisten maar de beeldende kracht van Cynan Jones. Konden ze in hun slogans (‘Liever groen dan poen’) hun zorg en angst verpakken zoals Jones dat doet, en toch met beide benen op de grond blijven, zoals een van de vertelstemmen, een man die aan het betonnen dok werkt en zegt dat er in iedere kubieke meter beton 150 liter water zit. Het beton dat het water moet vasthouden bestaat voor een deel uit water. Dat is de nuchterheid en de realiteitszin die vaak in het klimaatdebat ontbreekt.
Jones laat Londen leven, door schaarste op te voeren. De ijsberg is de oplossing. Het is klimaat-science fiction, en toch zeer aannemelijk. En gericht op kleine mensenlevens. Want hoe maak je een enorm ingrijpend maatschappelijk probleem behapbaar voor de lezer op een manier die de lezer raakt?

Jones zoomt in. Er is een tekort aan water, drinkwater, kraanwater. De man die aan de betonbak werkt ligt in bed met zijn vriendin en haar dochtertje. Buiten hebben kinderen de hoofdwaterleiding gekraakt. Het meisje speelt met zijn haar, dat droog en stoffig is. In een klein tussenzinnetje laat Jones deze verteller zeggen dat het meisje zijn haar ‘omwikkelt zoals mijn eigen kinderen deden’. Wordt even terloops gezegd, focus op een meisje en het haar van stiefvader, het beeld van het gezin wordt groter.
Buiten spettert het water. Er wordt gezegd dat ‘het stof aan de kant van de straat zo droog is dat het waterafstotend is’. Weer zo’n sterk beeld, weer de stad als onder een microscoop. Druppeltjes water in het stof.
Dan:

‘Zelfs met de extra watermuntjes die we hebben als deel van ons loon, wij arbeiders, is het onmogelijk om ons haar fatsoenlijk te wassen.’

Het systeem, de schaarste, het werk, het stof, het water, iemands kapsel, de handen van een stiefdochter. Alles komt terug op één enkele bladzijde in een stuk of zes korte alinea’s. Keer op keer ontneemt Jones de lezer de adem met zijn geconcentreerde uitgebeende indrukwekkende proza.
Het enige wat stoort is de diversiteit van de vertellers en hoofdpersonen die het moeilijk maken in deze veelheid van stemmen één roman te herkennen. De remedie: het leestempo nog verder omlaag brengen en herlezen, iedere bladzijde gewoon nog een keer lezen, om dit proza de kans te geven dit diep tot je door te dringen. Die poging wordt beloond.

Koppernik gaf De wetten van water uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Daan Stoffelsen: Charlotte Van den Broeck, Waagstukken

Twee overeenkomsten, Jan, tussen jouw boek en het mijne van deze week: ik keek heel erg uit naar Waagstukken, waaruit we al een stuk in ons Periferienummer publiceerden, en water is het terugkerende element. Maar dan hebben we het wel gehad, geloof ik. Van den Broeck ging op zoek naar falende architecten die zelfmoord pleegden toen bleek hoe ze gefaald hadden. Een geweldig uitgangspunt, dat duurzame mislukking, niet zelden lachwekkend maar ook vaak tragisch, verbindt met bonte levensverhalen; dat geankerd in beton, baksteen en staal diep in de psychologie van kunstenaars kan reiken.
Een gewelddadig uitgangspunt ook; regelmatig wordt de jonge dichteres bezorgd toegesproken dat ze zelf niet ook de daad bij het onvolmaakte woord moet voegen. Dat 113-element geeft Waagstukken gewicht en ernst – en Van den Broeck ontsnapt daar niet volledig aan, waardoor ik dit boek in porties moest lezen, over enkele weken verspreid.

Dat gewicht, laat ik dat nu maar eerst benoemen voor ik bij de geweldige elementen van het boek kom, zit hem in het ronduit romantische wereldbeeld dat Van den Broeck tentoonspreidt, gecombineerd met een bloedserieuze benadering van de architectuur – waarbij het beeldmateriaal beperkt blijft tot vage polaroids – en een filosofisch doordenken van kunstenaarschap en zelfmoord. In een van de laatste essays schrijft ze:

‘Ik geloof dat dat schot een autonoom intentionele handeling was. Ik geloof dat Kempf de trekker overhaalde met de bedoeling om dood te gaan, meer dan dat het hem om de consequentie ervan, “het dood-zijn” te doen moet zijn geweest.
Eigenlijk voel ik ontzag voor de onverantwoorde manier waarop Kempf in het leven stond. Door een totaal op zichzelf gerichte houding lijkt hij nooit de gevolgen van wat dan ook te hebben gedragen, simpelweg omdat ze hem niet interesseerden.
Zelf probeer ik bij alles wat ik doe krampachtig de gevolgen te overzien.’

Dat krampachtige, maar ook het obsessieve en het streven naar iets volmaakts, komt regelmatig expliciet naar boven in het boek. Er staat dan: ‘Toen het schrijven aanving, of eigenlijk: toen wat ik schreef gelezen begon te worden en daardoor voorzichtig enig bestaansrecht kreeg, wist ik het heel precies: ik heb te veel. Het kan niet allebei, schrijven en een heel leven, er moet iets kapot.’ Ik vind dat eigenlijk minder interessant. Ik begrijp dat het gemeend is, maar ik vind ook dat het grote woorden zijn die, inderdaad, kapot moeten om menselijke, concrete literatuur te worden.

En die is er ook in Waagstukken. Want natuurlijk zijn sommige van die zelfmoorden mythevorming, architecten sterven ook in bed, vanzelfsprekend functioneren hun gebouwen soms gewoon ook, en blijkt de zoektocht overbodig. Maar ook de projecten zelf. Er is een Amerikaanse golfbaan, een perfecte golfbaan, die verboden is voor gewone stervelingen, en waarvan de maker zelfmoord pleegde omdat het gras telkens doodging. Tragisch, maar ook geestig. Het verhaal van een ingestorte filmzaal in Washington D.C. ontleent zijn kracht dan weer aan het perspectief van een passerend huisarts dat Van den Broeck leent: je bént in de fatale sneeuwstorm (het dak kon zoveel sneeuw niet aan), je ondergaat het rampweer.

En heel mooi verweeft Van den Broeck zwemscènes door het boek. Het opent met een zwembad in Turnhout dat meer dicht dan open is door allerlei mankementen, in Oostende is ze met Koen Peeters voor een heel ander gebouw en herinnert ze zich dat ze niet in zee konden zwemmen (te koud). ‘Vandaag gaan we van armoe dan maar binnen zwemmen in het zwembad aan de Koninginnelaan. Mijn broer zal hier een aanzienlijk grote lap huid van zijn rechterknie verliezen aan het uitsteeksel van de waterglijbaan.’
En in Napels bezoekt ze een strand dat een plaatselijke architect bedacht had voor een badplaats: ‘Als ik aankom in Bagnoli voelt het badpak onder mijn kleren dwaas. De lucht heeft een gestikte geur. De mengeling van polyester en lycra nijpt in mijn billen. Het strand, bezaaid met afval, ligt vlak aan het oude industrieterrein.’

Van den Broeck thematiseert niet zozeer de zelfmoord, alswel de mislukking. Haar onderzoek faalt, haar relatie faalt, de gebouwen falen, de architecten slagen er zelfs soms niet in heroïsch te sterven. Zelfs bij het zwemmen, wat toch vrijheid zou moeten geven, wordt ze gestuit. We kunnen wagen, maar het gaat maar al te vaak stuk. En dat levert een charmant boek op, geweldig vormgegeven ook met wat ik een open ruggetje zou willen noemen: de katernen zijn zichtbaar gebonden met blauwe, bruine en witte draden, er is geen kartonnen rug. Blijft fantastisch openliggen en wijst je op het productieproces. Een charmant boek dus over het maken en het falen.

De Arbeiderspers gaf Waagstukken uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Feuilleton

Iedere maandag: nieuw verhalend proza van Jori Stam. Vandaag deel 7 van zijn feuilleton getiteld Reproductie.

*

Hij zag hoe George en Marc de hinde naar de jeep sjouwden, ze hadden de voor- en achterpoten met touw aan elkaar vastgebonden en wiegden het dode dier heen en weer totdat ze het loslieten en het met een harde smak in de achterbak belandde. Hij dacht aan vroeger, aan het buitenzwembad aan de rand van het dorp waar de polders begonnen, de buurtvriendjes die hem bij handen en voeten hadden gepakt en in het water gooiden, hoe ze daarna op het grasveld annemarie koekoek speelden en hij om de paar seconden voor standbeeld speelde. De hitte van augustus die hij toen nog aangenaam vond; nu waren de zomermaanden hem een kwelling. Hij hield niet van korte broeken en mouwen.

Marc en George gaven hem en Marleen een hand toen de hinde in de jeep was geladen, alsof ze een transactie verzegelden – hulp bij een aanrijding in ruil voor zeventig kilo vlees.

Wat gaat er nu met het dier gebeuren, vroeg hij aan Marleen toen ze daarna stapvoets terugreden naar de AirBnB.

Volgens mij bewaren ze het. Om op te eten.

Een walgelijk idee: George die met een scherp jagersmes de hinde vilde, in stukken verdeelde en invroor.

Die nacht werd hij bezweet wakker. Hij droomde dat de hinde bij hem in bed lag. Nadat hij het deken had weggeslagen om te kijken of Marleen er nog was , duurde het even voordat hij zeker wist of hij echt wakker was. Dat overkwam hem vaker, wakker worden, een droom of nachtmerrie verwerken, om een moment later voor de tweede keer te ontwaken, dan pas echt. De rest van de nacht vroeg hij zich dan in halfslaap af of zijn werkelijkheid wel de werkelijkheid was.

De volgende ochtend deukte George in de garage van Sylvia de bumper van hun auto uit. Langzaam liet hij water dat net van de kook was over de grootste deuken stromen, met zijn vrije hand duwde hij zachtjes tot de deukjes met een zacht plopgeluid verdween. Over de grootste scheur smeerde hij een mysterieus wit goedje dat hij droogblies met een haarföhn. Man maakt auto. Ruben belde ondertussen met de verzekeringsmaatschappij.

Oek de Jong, Donald Ray Pollock: de redactie las een stuwende roman van vlucht en confrontatie en een boek van handeling en actie en beeldende taal, een boek om te voelen.

*

Daan Stoffelsen: Oek de Jong, Zwarte schuur

Stel: je bereikt het hoogtepunt van je carrière, en juist nu wordt de zwartste episode uit je verleden ontdekt en openbaard: een grote jeugdzonde. Tegelijk heb je een jaar hard gewerkt voor dat hoogtepunt en ben je vervreemd van je vrouw. Het gebeurt de schilder Maris Coppeelse, nog geen zestig, als er een groot overzicht van zijn werk tentoongesteld wordt in het Stedelijk Museum, en Oek de Jong – die hierover 24 oktober met Bob Kappen spreekt bij Athenaeum Boekhandel – zet zijn verhaal van vlucht vooruit en confrontatie overtuigend neer.

Én de persoon van deze kunstenaar:

‘Maris sprak kort, zoals hij altijd deed bij openingen. Hij maakte indruk door zijn zware stem met het Zeeuws accent, door zijn forse gestalte en opvallende kop met lange, rechte neus, zwarte haren, met grijs doorschoten, en helblauwe ogen. Hij leefde al bijna veertig jaar in grote steden, maar je kon nog altijd aan hem zien dat hij van het platteland kwam en dat zijn mannelijke voorouders boeren en landarbeiders waren geweest, net zo uit de kluiten gewassen als hij en met net zulke grote handen.’

Een personage uit één stuk, gekweld en getalenteerd. Hij denkt intuïtief en reageert impulsief. Maar het verhaal dus: de onthulling in een weekblad, van zijn betrokkenheid bij de dood van een meisje toen ze veertien waren, raakt hem, zijn vriendengroep, zijn familie; zijn stiefkinderen had hij het nooit verteld. Hij gaat de mensen ontwijken, zoekt herinneringen op. In vijf delen toont De Jong hoe Maris telkens weer geconfronteerd wordt met de geschiedenis, destijds, maar ook als jonge kunstenaar en nu, op een vakantie op Gomera. Dat stuwt het boek vooruit, terwijl zijn vrouw, Fran, hem ook op zijn plek houdt.

De psychologie is sterk, geloofwaardig, de beweging werkt, de decors zijn levendig, de roman hield me lang geboeid. Twee dingen vallen me sterk op. Het perspectief is personaal, derdepersoons, dicht op het personage – meestal op Maris, af en toe ook op Fran. We kennen hun gedachten, hun indrukken. Maar De Jong zoomt af en toe even uit, waardoor je denkt: óf dit personage is zeer zelfbewust, óf eigenlijk is hier stiekem een alwetende verteller aanwezig. Wéét Maris dat hij indruk maakt en zichtbaar een boerenachtergrond heeft? Of hier:

‘Fran aarzelde, maar toen pakte ze, zonder stil te staan, het sjaaltje vast, trok het met één beweging uit haar haren en stopte het in haar tas. Ze was een vrouw die zoiets onder de ogen van anderen kon doen zonder zichtbaar ongemak, luchtig. Ze schudde haar haren los. Het voelde als verraad aan Maris, als een breuk, als het voorteken van een breuk.’

Weet ze dat ze ‘zo’n vrouw’ is? Maar dan zijn we in twee zinnen weer bij haar gevoel. In die flitsen komt de god van de roman even naar voren, en dat doet aan als een stijlbreuk. Maar misschien ben ik spastisch geworden van het perspectiefdenken van Buwalda (en Luiselli en Schermer en Giphart), die de ik-perspectieven liefst laat overschieten bij fysiek contact tussen zijn personages.

Veel aanweziger is het fysieke. De Jong lijkt de bruuske beweging te willen onderzoeken, het duwen, het neuken, het schreeuwen. De woede en de lust boven begrip en tederheid. Een geweldige scène in dat verband is de nacht na de opening van de overzichtstentoonstelling.

‘In bed tastte Maris naar het lichaam van zijn vrouw. Hij schoof een hand onder haar nachthemd, in haar slip – sinds een jaar droeg ze een slip in bed – en liet hem rusten op haar buik. Het aanraken van haar lichaam kalmeerde hem. Bijna meteen duwde ze zijn hand weg.
Maris besefte dat ze klaarwakker was.’

Dat ‘klaarwakker’ is wat veel, en misschien wat volgt ook, maar het blijft hangen en echoën in het boek: ze blijkt te huilen, en bij een volgend teder gebaar pakt ze zijn onderarm en bijt. Bijt door.
Er wordt weinig gefluisterd, weinig gestreeld in deze roman. Als liefde goed is, is ze lichamelijk, snel binnen en snel bevredigend. Er wordt weinig geanalyseerd ook, veel beleefd en herinnerd. Eigenlijk dus eerder het bruuske ondergaan dan onderzoeken, en dat werkt goed, De Jongs opzet geeft een ouderwets gevoel van onderdompeling in iemands hoofd (lijf?).

‘Onder het genot,’ schrijft De Jong als het stel in een uiterste poging hun relatie te redden naar La Gomera vaart, ze zien dolfijnen, ‘lag de donkerte, die hem altijd als een schaduw vergezelde, zoals die uit zee opspringende dolfijnen vergezeld gingen van hun schaduw die over de zee flitste.’ Tussen het aanraken en het hard raken, het licht en de duisternis beweegt Zwarte schuur. En je beweegt als vanzelf mee.

AtlasContact gaf Zwarte schuur uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Donald Ray Pollock, Al die tijd de duivel

Sinds de verhalenbundel Knockemstiff en zijn prachtige optreden op Crossing Border in Den Haag volg ik Donald Ray Pollock. Bij De Revisor publiceerden we een vertaald verhaal van hem. Nu herlas ik Al die tijd de duivel omdat ik een boek mee wilde nemen op reis. Ik ging een paar uur in een vliegtuig zitten. Ik wilde een boek bij me hebben dat een paar dingen in zich had: veel handeling en actie, vlotte beschrijvingen, mooie levendige personages, duidelijke gebeurtenissen en een verloop in het verhaal, en bovendien proza dat ik als een film tot me kan nemen: in beeldende taal. Als laatste, en dat is misschien voor lezen tijdens een vliegreis het belangrijkste: ik wilde een boek meenemen dat ik kon voelen. Denken in een vliegtuig, dat doe ik al voldoende. Het is zaak dat denken te verdrijven, en dat kan door een roman die je laat voelen.

Willard Russell, vader van de eigenlijke hoofdpersoon Arvin Eugene Russell, is getrouwd met een beeldschone vrouw die ziek wordt. Hij stelt alles in het werk om God aan te spreken; bidden, dieren offeren, bloed langs een oude gebedsstam laten lopen. Charlotte, de moeder van Arvin, sterft toch.
Met die uitzichtloze scène begint Pollock zijn verhaal dat speelt in de jaren tachtig in Ohio. Het leest alsof hij het Amerika van de jaren dertig van de vorige eeuw beschrijft, maar dit boek speelt dus vijftig jaar later, in een arm Amerika, een treurig Amerika, een hard gewelddadig Amerika.

Pollock spaart zijn personages en zijn lezers niet. Moord, geweld, oplichterij, ziekte, leed, alles komt voorbij. En toch zijn de personages aandoenlijk, vooral vader Willard in de eerste hoofdstukken als hij meedogenloos is voor mensen die hem ook maar zachtjes uitlachen, en later zoon Arvin, als zijn pa ook dood is, nog in het eerste deel.
De politieman komt in het bos bij de gebedsstam waar Willard zijn eigen keel heeft doorgesneden en vraagt aan de jongen wat die boomstam is.

‘“Het is een gebedsstam,” zei Arvin, met nauwelijks hoorbare stem.
“Wat? Een gebedsstam?”
Arvin knikte en staarde naar zijn vaders lichaam. “Maar hij doet het niet.”’

In deel twee nemen het moordende echtpaar Carl en Sandy het verhaal over, als de moderne en ranziger uitvoering van Bonnie en Clyde. Minstens zo heftig, en kleurrijk.
Ik ben al lang weer thuis en herlees verder. Soms zit ik met dit boek in handen en mijn leesbril op weer in een vliegtuigstoel, met de gordel vast.

Karaat gaf Al die tijd de duivel uit.

Jan Baeke (Roosendaal, 1956) publiceerde zes dichtbundels, waaronder Groter dan de feiten (2007), Brommerdagen (2010) en Seizoensroddel (2015). Hij was werkzaam bij het Filmmuseum, is programmeur van Poetry International en voorzitter van de Vereniging der Letterkundigen. Samen met Alfred Marseille maakt hij ‘Cinepoems’, filmclips gebaseerd op zijn gedichten.

Jan Baeke bij De Revisor:

  • Zes gedichten (Poëzie) [2012/2, p. 95]
  • Wat we herkennen en wat nog niet bestond. Over de poëzie in de wereld (Beschouwend proza) [2015/1]

Auteursportret © Keke Keukelaar