Dinsdag 4 februari vanaf 19.30 bij Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum aan het Spui te Amsterdam gaat Thomas Heerma van Voss in gesprek met Daan Borrel over haar nieuwe boek Jaar van het nieuwe verhaal. Het is de twaalfde aflevering van de interviewreeks van literair tijdschrift De Revisor en Athenaeum Boekhandel & Nieuwscentrum. Je bent van harte welkom.

AANMELDEN

Over Jaar van het nieuwe verhaal

Een vrouw maakt één jaar na haar relatiebreuk de balans op: is ze ondertussen echt geheeld? Heeft ze die ene soort liefde gevonden waarvoor ze die andere soort liefde achterliet? Op de goede dagen van haar menstruatiecyclus denkt ze van wel: dan voelt ze zich onafhankelijk, opgewekt en wild. Maar tijdens die andere dagen niet. Dan is haar buik één bonk laaiende spanning, voelt ze zich vervreemd van zichzelf en verlangt ze driftig naar een kind van haar beste vriend. Komt dit verschil in gemoedstoestand voort uit hormonen of uit verhalen?

Jaar van het nieuwe verhaal is een radicaal kwetsbaar doch krachtig boek waarin Daan Borrel de verhalen over vrouwelijkheid, tijd en verbinding afbreekt en opnieuw opbouwt.

Daan Borrel (1990) studeerde literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam en is freelancejournaliste. Ze schrijft onder meer voor NRC HandelsbladDe Correspondent en Het Parool over cultuur en seksualiteit. In 2017 stelde ze met huisarts en seksuoloog Peter Leusink de bundel Dit gaat niet over seks samen.
In 2018 verscheen haar persoonlijke essay over verlangen onder de titel Soms is liefde dit, dat een intieme blik geeft in het hoofd én de onderbuik van een mens die in alle nuance probeert haar eigen seksualiteit te begrijpen. In januari 2020 verschijnt haar boek Jaar van het nieuwe verhaal, een radicaal doch kwetsbaar boek waarin Daan Borrel de verhalen over vrouwelijkheid, tijd en verbinding afbreekt en opnieuw opbouwt.

Thomas Heerma van Voss (1990) schreef de romans De allestafel en Stern en de verhalenbundel De derde persoon. Zijn essaybundel Plaatsvervangers werd genomineerd voor de Jan Hanlo Essayprijs. Zijn nieuwe roman heet Condities en gaat over de anti-held Vincent Pek die — aangemoedigd door zijn uitgever — besluit een roman over zijn eigen leven te schrijven.
Heerma van Voss is sinds 2015 redacteur van De Revisor.

Over De Revisor vs. Athenaeum:

Een gesprek over een boek, over literatuur, over ambacht en kunst: dat is de eenvoudige gedachte achter een nieuwe reeks publieke interviews. Regelmatig gaat een van de redacteurs van De Revisor in gesprek met een interessante schrijver over haar of zijn nieuwste boek. En jij kunt daarbij zijn.

Koen Peeters, Oek de Jong, Milan Kundera: de redactie las twee mooie zwemscènes en een met sprongen verteld verhaal dat toch goed te volgen is.

*

Daan Stoffelsen: Koen Peeters, Leer mij zwemmen, en Oek de Jong, Zwarte schuur

Het is geen perfect boek, maar Oek de Jongs roman Zwarte schuur heeft zich een positie als ijkpunt verworven in deze periode. Ik lees Koen Peeters Confituurgeschenk Leer mij zwemmen, een novelle die een leven samenvat als momenten in zee en zwembad, begonnen in de baarmoeder. Dat vind ik een cliché, maar het is wel mooi dat hij daar een hartslag traceert die hij terug laat komen als zijn leven zich ontwikkeld tot dat van een geoefende zwemmer, type Sam Fittipaldi uit Adriaan Jaeggi’s Held van beroep maar inmiddels ouder, een gezin, een schrijver. Dan daagt hij zichzelf uit, en zwemt de baai uit, ‘de zee in, alleen’. Zwemmersgedachten komen op, Haydn, maar hij komt een onvermoede tegenstander tegen.

‘Er is geen ontkomen aan. Zwem maar voort, zwemmer.
Toe-doek. Toe-doek.
Het klinkt als het gedonder van een kanon dat de lucht openscheurt. Een of ander geweld wacht hem op en wil hem pakken. Hij voelt een angst die hij niet kan benoemen. Wat als dat ritme stopt, gewoon omdat het stopt? Hij roept, maar om wie roept hij? Het is het water zelf dat hem bedreigt. Hij verdedigt zich, maar tegen wie?
Toe-doek. Toe-doek.
Hij schreeuwt met een rauwe stem die hij zelf niet herkent. Hij verslikt zich weer, en weer. In het water is er slechts één vijand: het water? Nee, de zwemmer zelf.
Hij is de enige die zichzelf kan redden.
Toe-doek. Toe-doek.’

Mooi, die strijd zonder het al te nadrukkelijk uit te spellen dat zijn lichaam het opgeeft. Of zijn geest. Het terugkerende ritme, de duiding waarbij de zee geen schuld krijgt, alleen de zwemmer. Mooi en inzichtrijk. Het is ook gewoon een goed motief, dat Peeters nu in deze novelle naar de voorgrond brengt, maar dat ik ook tegenkwam in Vincent Van Meenens We houden zo van Anthi: ‘We willen om het eiland zwemmen. We zien niet hoe groot het is.’ Overschatting, het toch halen. Nog een tikje irrationeler is Maris Coppoolse in Zwarte schuur, die naar een zeiljacht toe wil zwemmen.

‘Aanvankelijk zwom hij moeiteloos. Hij was een goede zwemmer. Zijn vader had hem leren zwemmen in het ondiepe water bij de zeedijk, er tot zijn middel in staand, zijn armen onder de buik van zijn zesjarige zoon. Maris herinnerde zich het moment waarop zijn vader hem losliet en hij zich voor het eerst een paar slagen lang drijvend wist te houden. […] Met een lome borstcrawl gleed hij door de baai. Het geluid van de stemmen op het strand vervaagde, de mensen daar werden stippen. Onder hem lag de diepte en ergens ver weg in zijn leven lag de misdaad. Hij kwam er niet van af. Hij zag een kleine, bruine man voor zich die uit een prauw in glashelder water dook en tot onder een grote haai zwom, hij zag de kleine man omhoogkomen en met één stoot en één haal van zijn mes de buik van de haai openhalen. Bloed kringelde uit de langgerekte wond naar buiten, eerst nog weinig. Hij zelf werd nu, terwijl hij hier zwom, van onder tot boven opengehaald met een mes. Dat was zijn straf. Hij zwom wat harder, boog af, boog nog eens af, als om te ontwijken.’

Ja, dat is toch wel erg sterk hoor, hoe De Jong de misdaad die het hele boek overschaduwt, nu ook hier bijzinsgewijs oproept, en verbindt met die haai. Een diffuus beeld, met bloed en dood en straf, terwijl de taal verder heel simpel is, kaal beschrijvend. Het wordt iets expressiever in het tweede deel. Hij bereikt de tweemaster, rust even uit, en merkt op de terugweg hoe zwaar het is, hoe peilloos diep, hoe groot de dreiging, hoe klein hijzelf.

‘Toen hij ophield met zwemmen, zag hij in de verte op de horizon de besneeuwde top van de vulkaan op Tenerife. Hij kon het niet geloven en wachtte tot een golf hem nogmaals optilde. Het was El Teide die hij zag, besneeuwd en wel. Hij nam niet de tijd om er lang naar te kijken. De dreiging was te groot. Hij hoorde hier niet, hij moest hier weg. Op de terugweg moest hij vaker rusten. Zijn vingers werden koud en wit. Hij zag tijdens het rusten zijn benen woelen in het peilloos diepe blauw. Het leken hem de pootjes van een insect – zo nietig voelde hij zich. Hij ploeterde, moest zichzelf toespreken. Het duurde lang voordat hij het doffe geluid van brekende golven weer hoorde, het gejoel van zwemmers, en terugkeerde in de mensenwereld.’

Ik wilde iets zeggen over ‘hij kon het niet geloven’, dat vind ik wat slap, maar vooral valt me op dat het eigenlijk heel staccato is, al in dat eerste deel van het citaat, hier nog meer. Dat doet, samen met de sobere taal, niet zo verzorgd aan – en tegelijk geeft het de hijgerigheid wel weer.

Begrijp ik nu het zwemmen beter door De Jong of door Peeters? De dreiging in het algemeen door De Jong, maar Peeters laat zien hoe de beweging, de herhaling, een deel van je leven kan zijn. Ik lees er verder niets over bij de Vlaamse onafhankelijke boekhandels, waar het cadeau werd gedaan, óf er nog exemplaren te krijgen zijn – maar ik kan je het aanraden.

Leer mij zwemmen werd uitgegeven door De Bezige Bij in opdracht van Confituur.

Jan van Mersbergen: Milan Kundera, De ondraaglijke lichtheid van het bestaan

De eerste twee korte hoofdstukjes van De ondraaglijke lichtheid van het bestaan heb ik al heel vaak gelezen. Het boek is uit 1983, ik kocht het in 1994, en dat voelt nog steeds volkomen logisch, want een roman als deze moet je eigenlijk voor je 25ste lezen.
Die eerste twee stukjes vormen de basisideeën van deze roman.

‘Zou elke seconde van ons leven zich oneindig herhalen, dan zijn we vastgenageld aan de eeuwigheid zoals Jezus Christus aan het kruis. Dat is een verschrikkelijk vooruitzicht. In de wereld van de eeuwige terugkeer rust op elke handeling het gewicht van een ondraaglijke verantwoordelijkheid. Daarom noemde Nietzsche de idee van de eeuwige terugkeer de zwaarste last.’

Nu heb ik doorgaans Nietzsche niet nodig in een roman en ben ik blij dat Kundera een bladzijde verder begint over Tomas, op een manier die persoonlijk is: ‘Ik denk al vele jaren aan Tomas, maar pas in het licht van deze overpeinzingen zie ik hem helder voor me.’
Dat is een slimme en bijzondere manier voor een verteller om het verhaal te beginnen. Hij maakt een afspraak met je: ik denk en ik vertel. En het gaat over Tomas. Ik ga jou vertellen over die man, maar geef je mijn gedachten mee. Niet de gedachten van alleen Tomas.

Alles wat de personages doen valt terug te voeren op deze beginselen en op deze manier van vertellen, al gebruikt Kundera verder in de roman zelden de ik-vorm. Ik ken geen boek dat zo’n duidelijke uiteenzetting heeft waarna het verhaal met sprongen verteld wordt maar toch erg goed te volgen is. Het vertrekpunt is filosofisch, maar duidelijk.

Lichtheid versus zwaarte, wat is te verkiezen? Veel mensen zullen lichtheid zien als beter, mooier, prettiger. Kundera legt uit dat die lichtheid waar hij zijn hoofdpersoon Tomas mee opscheept helemaal niet zo fijn is. Het maakt het leven wankel. Soms hebben mensen gewicht nodig, betekenis, vastigheid. Tomas wil geen relatie, wil een ander niet tot last zijn, hij wil vrijheid en kan zich niet aan een enkele vrouw binden. Maar als hij Tereza vaarwel zegt blijkt ze in zijn hoofd te zitten. Hij kan niet anders dan aan haar denken. Hij leeft met Tereza mee, en medeleven is zwaar.

‘Tijdens het weekeinde voelde hij hoe de zoete lichtheid van het bestaan hem uit de diepte van de toekomst tegemoet kwam. ’s Maandags werd hij getroffen door een zwaarte die hij nog niet eerder had gekend. Alle tonnen ijzer van de Russische tanks waren niets in vergelijking met deze zwaarte. Niets is zwaarder dan medeleven. Ook je eigen pijn is niet zo zwaar als de pijn die je voelt met iemand, voor iemand, namens iemand, vele malen vermenigvuldigd in je fantasie, weerkaatst door honderden echo’s.’

Een ideeënroman heeft vaart nodig, een paar handelingen die het verhaal body geven, een sterke verteller die de touwtjes continu in handen houdt, en vooral een vertrouwde vertelstem die de lezer van het ene idee naar een handeling leidt en van een handeling weer terug naar gedachten. Daarin is Kundera een meester.
Als hij dan weer vertelt over Tereza gebruikt hij dezelfde ideeën, maar gekoppeld aan de jonge vrouw.

‘Ze probeerde dwars door haar lichaam zichzelf te zien. Daarom ging ze zo vaak voor de spiegel staan.’

Het fysieke van deze zinnen zit verstopt in het kijken naar haar eigen lichaam, in de spiegel. Jezelf zien maar je lichaam zien; Kundera kent de lagen van denken en fysiek, hij mengt ze maar sluit de een noch de ander uit, een belangrijke samenkomst. In veel ideeënromans wordt het lichamelijke totaal overboord gezet. Wat er dan overblijft: lucht die af en toe een beetje verplaatst wordt.

‘Tereza’s moeder snuit luid haar neus, vertelt over haar seksuele leven en toont haar kunstgebit.’

Weer die samenkomst van fysiek, vertellen over seks, wat vanzelfsprekend lichamelijk is en zeker ook uit gedachten bestaat, de afstand die geschapen wordt door dat juist niet te laten zien maar te laten vertellen door haar moeder, en een nepgebit dat een deel van het lichaam vervangen kan.

Een fysieke roman met aan de basis sterke ideeën. Ieder kort hoofdstukje voegt hier iets aan toe. De lezer moet aan de bak als het gaan om de ratio, de lezer voelt mee met Tomas en Tereza. Een unieke prestatie, die om herlezen vraagt en keer op keer niet teleurstelt.

AmboAnthos geeft Kundera uit.

In de poëziereeks Binnenin plaatsen we om de week op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter.
 

Je staat nooit op de grond

 
het lijkt alsof het aan mijn huis ligt
dat ik niet vertrek
ik besluit dat het niet aan mijn zolen ligt 
wanneer ze zegt
denk eens aan je basis
dat doe ik
ze zegt ook
vergeet je de planten geen water te geven en
hoe kan het dat deze drie bladeren bruin zijn

ze neemt geen genoegen met
als de kern maar goed is
en stopt alsof ze pap test 
een vinger in de grond

ze wiegt de pot alsof het
een kind is
vertrekken is verwaarlozen
aandacht geven is jezelf inwisselen
ik kies twee planten en wandel naar de zandgroeve
tegenover mijn huis
de voordeur valt nog altijd in het slot

 
Merlijn Huntjens (Heerlen, 1991) schrijft poëzie. Tevens is hij maker en schrijver bij PANDA en VIA ZUID, literatuurconsulent bij de provinciale cultuurinstelling Huis voor de Kunsten Limburg en bedenker van de internationale poetry slam Borderlines in de Euregio Maas-Rijn. In 2016, 2017 en 2018 stond hij in de finale van het NK poetry slam.

Nico Walker, Jeroen van Kan: de redactie las een goed vertelde, levendige, harde oorlogsroman en een verhalenbundel die het literaire spel viert.

*

Daan Stoffelsen: Jeroen van Kan, Hoe Matt een dode vis werd

Het prozadebuut van Jeroen van Kan is een voorbeeldige tweede stap in de literatuur, een bundel experimenten, een poging de mogelijkheden van fictie te onderzoeken en uit te breiden. Een bundel bovendien, die een zekere thematische hechtheid heeft: Van Kans personages veranderen – en niet ten goede. Een van de motto’s is niet voor niets van Ovidius (Metamorfosen) – maar ik moest ook aan Kafka denken, en aan Belcampo.

Twee verhalen vallen op door hun novellelengte van bijna honderd pagina’s: ‘Kwispelen met de ketting’, waarin een autobiografisch schrijver van marginale literatuur met grote L afwijkt van zijn patroon, door seskuele aberraties en een zelfmoord te beschrijven. Het verhaal is afwisselend geschreven vanuit die auteur en zijn echtgenote, een succesvolle theater- en tv-schrijfster, en het is aardig dat allerlei opvattingen over literatuur langskomen, over feit en fictie, herkenbaarheid en exotisme; ik moest aan de poëticale verschillen tussen Arie Storm en Arthur Japin denken. ‘Je moet je juist op terreinen begeven die je niet kent. Gebruik je verbeelding. Daar is fictie voor bedoeld,’ schrijft de echtgenote, om meteen het alternatief te beschrijven: ‘Je moet juist schrijven vanuit onmiddellijke ervaring en die fictionaliseren.’
De familie heeft Van der Heijden-achtig ongewone voornamen, en de schrijver vindt ‘zijn innerlijke Arthur Japin’ in titelkeuzes, en als hij het eerste boek van de Japinachtige Michiel Saquelle leest: ‘Al na dertig bladzijden wenste Michalis [het schrijverspersonage – DS] het hoofdpersonage […] dood. Helaas moest hij op dat uiterst tragische, bij zijn familie tot overvloedig en overdadig en uitvoerig en uitzinnig betraande wangen leidende en bij zijn vriendin radeloos voortrazend verdriet opwekkende moment nog ruim tweehonderd bladzijden wachten.’ Herkenbaar.

Het wrange gebied waarop schrijver Calix van Gestel een compromis zoekt, is zelfmoord. Dat blijft nog wat nadrukkelijk een literair spel (ik las kort hiervoor het onevenwichtige, schrijnende en ernstige Kleinzeer van Nadia de Vries, een essay dat twee zelfmoordpogingen beschrijft, in een trein die een ‘aanrijding met persoon’ had gehad. Dat (toegegeven, niet beoogde) gewicht mist dit verhaal). Het spel voelt meer op zijn plek in het andere grote verhaal, het titelverhaal.

Daarin staat een ‘metamorfoseur’ centraal. (Nee, Jan, ook in dit boek komt geen gewoon mens voor. Wel een gewone dode vis.) Matt is iemand die zich op afroep kan veranderen in wat je maar wil, en de hele bijna-honderd-paginalange geschiedenis is wat er vooorafging aan ‘Hoe Matt een dode vis werd’. Veel sterker dan in ‘Kwispelen met de ketting’ haalt Van Kan alles uit de kast: een circusgeschiedenis, een meeslepend obscuur Italiaans sprookje met een transformerende prins, een tragische schipbreuk en, ten slotte, een speciaal optreden voor een gezelschap van Haagse vissers. (En u weet, dat is geen zachtzinnig volk.)

Ook hier alternerende hoofdstukken: ‘Hoe hij eindigt’ (het eerste hoofdstuk eindigt omineus met ‘De badkamer, de ochtendjas, de wekker, het ontwaken. Bij die eerste stap uit bed – eerst op een stoofje, toen pas op de grond – had hij het al gevoeld. Het was er vanaf het eerste moment. Een dwerg met zeemansbenen.’) en ‘Hoe het zo kwam’ (in het tweede hoofdstuk is de vader van Matt in het circus: ‘Hij kon er niet van genieten, voelde zich misplaatst als een vis in een bloembed.’). Van Kan bespeelt ook stilistisch alle registers: bovenstaande sobere zinnen, die absurde beeldspraak, en deze bloemrijke beschrijving van een essentieel moment is weer heel anders:

‘Het moment dat Giancarlo naar boven keek, naar het meisje dat verlegen een buiging maakte voor ze haar geringe gewicht aan de trapeze toevertrouwde en inderdaad door het luchtruim suisde alsof geen enkele natuurwet haar leek te deren, werd hij door de bliksem getroffen. De schok verlamde hem. Niets leek nog te bestaan, alleen dat sierlijk zwevende wezen boven zijn hoofd, fragiel, roomblank, omspoeld door een golf blonde lokken, alsof Venus was losgekomen van haar schelp en nu hier door de tent zweefde, alsof de frêle gestalte van Botticelli door Zephyros tot hier was voortgeblazen en haar nu toestond op de golven van zijn adem vrijelijk in de lucht rond te zwieren.’

Sierlijk, fragiel, roomblank, omspoeld?! Van Kan speelt met ons! En dat doet hij virtuoos. In deze bundel zit ook nog een dubbelganger, en een zelfmutilatie-door-roken (Belcampo dus, al is Van Kan echt een betere stilist), een uit de hand lopende tandartsgeschiedenis, een restaurantscène (die ik niet helemaal doorgrond: hoe verhouden de ik en het te jonge meisje zich tot elkaar?), en een klassiek verhaal van orde-en-vernietiging. Heerlijk absurd, amusant collegemateriaal voor literatuurwetenschappers in spe, spel dat ook literatuur mag zijn – een opvatting die los van vragen naar fictie en werkelijkheid zeer verfrissend is.

Querido gaf Hoe Matt een dode vis werd uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: Nico Walker, Cherry

Van een vriend kreeg ik een leestip. Hij stuurde me een lijstje van de beste boeken die hij las afgelopen jaar en daar sprongen drie boeken uit die ik nog niet gelezen had. Direct bestelde ik een van die boeken, omdat ik zijn leestips vertrouw. Het was een roman van een jonge Amerikaan die nog tot november in de gevangenis moet zitten omdat hij aan de heroïne verslaafd was en een aantal bankovervallen had gepleegd. Ook had hij in Irak gevochten. De titel, ook in vertaling: Cherry.
Wat een verhaal, denk ik dan. En direct daarachteraan: Oppassen: dat kan een opgeklopt verhaal zijn.
Totaal niet terecht, die angst. Cherry is een geweldig boek en allerminst opgeklopt. Eerder koeltjes en geinig.
Pas in het laatste deel, als hij daadwerkelijk die bankovervallen gaat plegen omdat hij geld nodig heeft om drugs te kunnen kopen, wordt het een beetje een vervelend verhaal, maar dat is vooral omdat ik een hekel heb aan junkenverhalen. Ze zijn eentonig en uitzichtloos, terwijl ik hoop dat het nog wel goed gaat komen. Met deze Nico Walker kwam het niet meer goed. Hij raakte verstrikt in zijn verslaving, belandde in de bak en schreef daar Cherry.
Mooi nawoord trouwens, waarin Walker vertelt hoe het boek na lange tijd ploeteren gepubliceerd werd. Het kostte hem jaren en de redactie verliep via een paar schijven.
Met Walker kwam het niet goed, met het boek op zich kwam het zeker wel goed. Het is heel goed verteld, levendig, hard, die verteller is echt een vreselijk mannetje. De roman geeft een beeld van de tweede Irakoorlog dat je alleen in goeie oorlogsromans kunt treffen (zoals bij Phil Klay en Kevin C. Powers), en het is bovendien erg grappig. Dat laatste is belangrijk: Walkers toon geeft lucht aan de vreselijke gebeurtenissen zonder ze af te zwakken, en bepaalt veelal het verteltempo. Walker vertelt kort, sterk en geestig, onverschillig soms.
Als Walker in zijn ballen is getrapt door een andere soldaat, geintje, op de eerste hulp is beland komt hij daar een kletsende moeder tegen:

‘Op de spoedeisende hulp legden ze me op zo’n brancard op wielen, en toen reed het ziekenhuispersoneel een vent naar binnen die van de straat was geplukt. Hij was behoorlijk toegetakeld en snotterde. Ze legden hem naast mij neer. Ik hoorde de verpleegsters achter het gordijn praten. Ze zeiden dat de man een hersenschudding had, een paar tanden had ingeslikt en een paar gebroken ribben had, en dat iemand bleekmiddel in zijn ogen had gegoten.
Ze belden zijn moeder.
Zijn moeder kwam langs.
Ze bleef maar praten.
‘Wie heeft je dit aangedaan, lieverd?… Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?… Hebben ze je portefeuille gestolen? Nou? Lieverd, hebben ze je portefeuille gestolen?’
Jezus.’

In een paar heldere zinnetjes vertelt Walker hoe hij daar ligt. Je ziet hem daar liggen. De zinnen maken ook direct duidelijk hoe hij zich voelt. Lamgeslagen, afwachtend, rustig. Het hele boek door heeft hij die toon. Onverschillig. En dan komt daar de moeder van zo’n arme kerel en die begint te mekkeren omdat misschien zijn geld gejat is. Het ‘Jezus’ is een mooie afsluiting. Het is oordelend, maar ook grappig van onverschilligheid.
Op die manier komen het junkenleven van Walker en de oorlog in Irak op dezelfde manier dichtbij. Het is allemaal onzinnig. Een heleboel mensen doen erg gewichtig, maar het is een grote grap, die tegelijk over leven en dood gaat.
In Irak heeft Walker een gesprekje met een officier waarbij hij ‘of zo’ gebruikt, precies wat deze jongen zou zeggen in zo’n gesprekje, en houdt de boel een beetje in de gaten:

‘Sergeant-majoor Castro vroeg of ik een rijkeluiszoontje was.
Niet echt, zei ik, maar we kwamen nooit om van de honger of zo.
De volgende ochtend zat ik in de achtertuin, waar ik zoals wel vaker de boel in de gaten hield. Het werd al later in de ochtend, want er vlogen strontvliegen rond. De strontvliegen landden op je lippen en liepen daar een beetje rond. Vervolgens vertrokken ze voor wat nieuwe stront aan hun poten. Overal lag stront, dus dat was geen probleem, en dan kwamen ze terug en liepen ze nog een beetje heen en weer over je lippen. Op een gegeven moment merkte je het alleen nog maar als ze er niet waren.’

Een oorlog in een ver land terugbrengen tot strontvliegen die over je lippen lopen en soms nog even wat nieuwe stront gaan halen. Dat verstrijken van de ochtend. Dat is Cherry.

De Bezige Bij gaf Cherry uit.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Martijn den Ouden (NL), Olga Stehlíková (CZ), Merlijn Huntjens (NL) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag:  Olga Stehlíková met ‘Reeën’, in de vertaling van Kees Mercks.

Vandaag heeft zich eindelijk
het beeld aangemeld
dat ik steevast maar vergeefs terug wilde halen
al enkele dagen

Om precies te zijn…

Reeën staan roerloos in de nevel als uitheemse stronken.
Reeën staan roerloos in een vore als exotische stronken.
Reeën verrijzen roerloos uit de nevel als stroken.
Reeën staan stijfjes in een vore als stronken.
Reeën staan in de nevel als stronken.
Reeën staan daar in een vore te staan als stronken.

Reeën staan daar te staan…
Reeën staan daar stokstijf in de nevel te staan als stronken.

Dat was het beeld dat ik bedoelde

Olga Stehlíková (1977, Tsjechië) is redactrice en literair critica, schrijft poëzie en sinds kort ook kinderverhalen. Ze debuteerde met de dichtbundel Týdny (Weken, 2014), waarvoor ze de Magnesia Litera Book Prize for poetry kreeg, een belangrijke Tsjechische poëzieprijs. Met musicus Tomáš Braun maakte ze experimentele klankpoëzie vejce/eggs (2017), tweeregelige coupletten in een mengvorm van Tsjechisch, Engels en muziek. Het gedicht Reeën komt uit haar dichtbundel Een uitroepteken als een vlaggenmast (2018). Stehlíková woont in Praag en heeft twee dochters.

Annie Proulx, Maartje Wortel en Bregje Hofstede in Geïl, en Filosofie Magazine: de redactie las fysiek proza, voelende en voorbereidende verhalen en denkers over het lichaam.

*

Daan Stoffelsen: Geïl en Filosofie Magazine

Uiteindelijk bereidde ik geen welkomstwoord voor voor de presentatie van #24, ‘Huid’, waarin we, zoals we de auteurs schreven, het fysieke schrijven wilden onderzoeken. We wilden het hoofd uit, literatuur voelen, maar toen we alle bijdragen binnen hadden, zagen we dat de opdracht veel breder opgevat was: we onderzoeken nu het fysieke, schrijven fysieke literatuur, en literatuur waarin het fysieke een cruciale rol speelt. Zelf hadden we bovendien al gemerkt dat je overal ‘huid’ ziet (en daarna ‘de oversteek’, ons volgende thema), en ook dat je de kwaliteit uiteindelijk toch met je hoofd beoordeelt.

En zo is elk nummer, ook al hebben het thematisch nog zó ingekaderd, een verrassing. Ook voor ons.

Dat had ik maandag kunnen zeggen. Maf genoeg werd ik ook die avond weer verrast, want als een verhaal voorgelezen wordt, hoor je andere dingen. Er vielen me andere dingen op aan Ivo Victoria’s verhaal, en Daan Borrels essay, dat ik in vele redactierondes doodgeredigeerd heb alvorens het als deze brief aan Stella Bergsma reïncarneerde, bracht me plotseling in verlegenheid. Hadden we het nu opeens over masturbatie?

*

Vorige week ontdekte ik dat ons nummer, dat over het lichaam gaat, maar ook over masturbatie (een antwoord op Daans brief staat nu online), menstruatie, zelfmutilatie (online), discriminatie (deels online), aantrekkingskracht en kunstenaarschap, in goed gezelschap is van andere tijdschriften. Geïl wordt deze week gelanceerd, een vrolijk oversekst blaadje op initiatief van Mick Johan, die ook de illustraties maakte (‘you can’t spell geïllustreerd without Geïl’), met bijdragen van onder anderen Maartje Wortel, Alma Mathijsen, Pepijn Lanen, Elfie Tromp, Mick Johan zelf, Marten Mantel, Bregje Hofstede en Heere Heeresma (een oud, maar nog steeds sterk verhaal, facsimile gepubliceerd). Absurdisme en doelgerichte seks overheersen, afgewisseld met Johans geestige beeld.

Wortels openingsverhaal is sterk, een beetje ruw, maar ook met een goed verhaal over de aanloop: de verteller en haar minnares ontmoeten elkaar in de file.

‘Ik was onderweg naar zee. En zij naar huis. We stonden ongeveer twintig minuten in de file naast elkaar stil. En dan keken we naar elkaar. Als in: echt kijken. Ik wist nooit wat mensen daarmee bedoelden. Ik bedoel, je kijkt toch altijd echt? Maar nu zij en ik elkaar zo in de ogen keken dacht ik: echt kijken betekent simpelweg niet wegkijken.’

Simpele, doeltreffende zinnen, die door die overweging over ‘echt kijken’ even de druk afhalen van de geilheid van de vertelster. Ook in Geïl wordt er overigens vooral met elkaar gesekst, weinig zelfbeminning, Daan, sorry.

Wel geeft Bregje Hofstede nog een mooi voorbeeld van echt kijken, naar hoe de vagina voelt. Haar mannelijke verteller zegt:

‘Soms had ik het gevoel dat ik, ook al was het steeds met haar, telkens een ander neukte, niet alleen omdat ze veranderde als mens, maar ook gewoon vanwege haar kut die even veelvormig was als haar stemming. Soms drukte het zachte vel van haar schaamlippen zich in piepkleine blokjes door het raster van het kantwerk van haar favoriete string, vingertjes rond de tralies, grijpgraag, reikend. Soms moest ik diezelfde huid met moeite tevoorschijn lokken uit een grote zwarte slip. Of neem schaamhaar waar ik mijn vingertoppen over liet glijden, en dat nu eens de vorm had van krulletjes, nat nog van de douche, en dan weer stug was en in pieken overeind stond als het een dag lang opgesloten had – pet-haar.’

Dat raster van het kantwerk van haar favoriete string is me iets te langdradig, maar de opsomming van beelden – als voorbereiding op een date – is goed gevonden, een pleidooi voor voelen en het verschil voelen. En voor voorbereiding, voor verhaal, want hoe goed of slecht geschreven de bijdragen aan dit tijdschrift ook, seks heeft een verhaal nodig.

*

Aan het andere eind van het spectrum zit Filosofie Magazine, waar het hoofd overheerst. Ik lees het vooral voor de interviews. Aldo Houterman, auteur van Wij zijn ons lichaam, zegt bijvoorbeeld: ‘In mijn boek laat ik zien dat onze huid niet louter een omhulsel is zoals een handschoen, maar ons juist met de wereld in contact brengt. Onze huid is eigenlijk ons eerste zintuig of eerste brein, en is veel subtieler en fijnzinniger dan vaak gedacht wordt.’ En hij haalt Michel Serres aan: ‘Turners trainen volgens Serres hun ziel door zichzelf eromheen te buigten; hoogspringers gooien zich boven hun ziel uit.’ Mooie taal!

Het essay van Leon Heuts, over fitnessidealen, is me iets te stijf en rommelig, maar wijst me er wel op dat de ethische politiek van de afgelopen jaren, van euthanasie, donorregistratie en babysterftebeperking, over het lichaam gaat – en niet over de geest. Daar denk ik over door, en over Jenny Slatmans (Vreemd lichaam. Over medisch ingrijpen en persoonlijke identiteit) twijfel over hoe om te gaan met onduidelijke ziektebeelden. Interessant en relevant.

Plus naast de onvermijdelijke Descartes mooie leestips: Merleau-Ponty, Serres dus en de alomgeprezen Caroline Criado Perez. Misschien is 2020 een jaar voor (iets meer) filosofie naast de literatuur.

Jan van Mersbergen: Annie Proulx, ‘55 mijl naar de benzinepomp’

Ik las maar weer eens het verhaal ‘55 mijl naar de benzinepomp’ voor, van Annie Proulx. Het was bij de presentatie van de nieuwe Revisor. Ik weet niet eens meer hoe vaak ik dat verhaal aangestipt heb, gebruikt in workshops, voorgelezen bij avonden, presentaties.
Nog steeds verandert het verhaal. In het begin vertelt Proulx over een mevrouw genaamd Croom, die steeds verandert naarmate de tijd verstrijkt en ik het verhaal vaker gelezen heb. Nu verruilt ze de zaag voor een beitel en een hamer. Eerder ontdekte ze de lichamen van meisjes op de zolder van haar man, die trouwens ook steeds verandert, want eerst was dat een vreselijk enge psycho en nu is hij een lichtvoetige danser, dat staat ook in het verhaal.
Hoe is dat mogelijk?
Dat twee personages in een verhaal van amper één bladzijde toch steeds groter worden, vervormen, veranderen?
En dat vervangen van die zaag? Ze heeft dus eerst gezaagd, en nu gaat ze beitelen. De eerste zin van het tweede deel van het verhaal is: ‘Mevrouw Croom die op het dak een gat in de zolder zaagt.’ Als je op het dak zit kun je niet zomaar beginnen met zagen, je moet een beginnetje hebben, en dat maak je met een beitel.
Ik ga dit verhaal nog voor het einde van het jaar nog een keer lezen, op een onbewaakt moment, misschien op de wc, en dan zal het weer anders zijn. De beste literatuur heeft dat in zich: het is als een veelvormige kameleon.

‘55 mijl naar de benzinepomp’ is opgenomen in Brokeback Mountain en andere verhalen, dat door De Geus uitgegeven is.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Martijn den Ouden (NL), Olga Stehlíková (CZ), Merlijn Huntjens (NL) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag: Martijn den Ouden met ‘het tentenkamp klappert in het dal’.

*

het tentenkamp klappert in het dal 
de balletdansertjes liggen doodstil 
op hun veldbedden te luisteren 
begint er een te fluisteren aapjes 
bijten elkaar vaak uit liefde – wij niet 
wij moeten zonder uitzondering 
knap voor de dag komen – het 
schept een wreed genoegen 
het rukken van de wind aan de 
dingen de bomen de struiken de 
kop van de zee het zeil der tenten – 
precies zo formuleren – de schichten 
de donder drie kiezelstoten van 
druppels van dof botsen van flets 
regengeroffel van onheilspellend 
hagelgeklater in modderplassen dat 
wordt de volgorde de 
balletdansertjes zullen liedjes 
zingen die naar zwemmende 
paarden ruiken – liedjes ruiken niet – 
en ze troosten elkaar door het 
angstzweet teder uit de nekjes te
likken

Martijn den Ouden (1983) is een Nederlandse dichter en beeldend kunstenaar. Hij werd geboren als predikantszoon in Nieuw-Lekkerland. In 2009 studeerde hij af aan de Gerrit Rietveld Academie, waar hij de studierichting beeld en taal volgde. In 2010 verscheen zijn debuut Melktanden bij uitgeverij Querido, volgens de Stichting Poëzieclub ‘Het boeiendste debuut van het jaar’. In 2013 volgde zijn tweede bundel De beloofde dinsdag. In hetzelfde jaar verscheen ook beeldend werk van Den Ouden in HP/De Tijd. In 2017 kwam de korte film Denk maar aan iets blauws uit, gebaseerd op een gedicht van Den Ouden. Ook kwam de bundel Een kogelvrije zomer uit, dat het jaar daarop werd genomineerd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs.

In #24, ‘Huid’, richt Daan Borrel zich tot Stella Bergsma in een brief ‘Over zelfbeminnen’. ‘Laat ik maar met de deur in huis vallen. Ik wil het met je hebben over de armzalige staat van de masturberende vrouw in de literatuur.’ Dit is Bergsma’s antwoord.

*

Daan, you overthinking cat.

Deze woorden komen tot je vanuit de lucht. Op weg naar Qatar in een vliegtuig vol krijsende babies was het enige moment dat ik tijd had om je te schrijven. Ik heb geen internet, mijn telefoon met 4G is leeg en natuurlijk ben ik al mijn opladers vergeten. Ik wilde dingen opzoeken om je antwoord te geven; aan scènes en teksten refereren. Zo zag ik een artikel op internet met de intrigerende titel ‘Jane Austen and the masturbating girl’ dat ik van plan was te bestuderen. En mijn vriendin Clarice Gargard schreef een stuk dat ik uitgebreid wilde aanhalen. Het was voor Oh! magazine en ging over hoe zelfbevrediging voor vrouwen een daad van onafhankelijkheid en vrijheid is. Precies wat jij ook zegt in je brief. Van mijn eigen schrijf- en rukhand stond in datzelfde blad een verhaal waarin de hoofdpersoon in zee staat en onder het lauwwarme water zichzelf uitgebreid vingert, terwijl ze kijkt naar de bejaarde badgasten aan de kust. Overeenkomsten met de werkelijkheid berustten totáál niet op toeval.

Ook hield ik een tijdje geleden een lezing over geschreven porno voor het museum Meermanno, waar een collectie vieze boekjes tentoongesteld werd die onder het mom van ‘alle tekst moet bewaard blijven’ door de Koninklijke Bibliotheek waren aangekocht van een privéverzamelaar.  Daardoor weet ik dat veel eerder dan dat Van Deyssels scène van het blad afspoot, er ook al flink werd klaargekomen door vrouwen. In de 15de en 16de eeuw werd gesquirt, geëxperimenteerd en genoten dat het een lust was. Er werden objecten gebruikt als glazen dildo’s en vrijwel zeker was er ook sprake van masturbatie. Ik zeg vrijwel, ik meen me een masturbatiescène te herinneren, maar mijn geestesoog moet een poetsdoek en de pornolezing zit gevangen in mijn mail achter de tralies van een wifiloze wereld boven de wolken. Het kan ook een scène tussen twee vrouwen geweest zijn. Geil was het in ieder geval wel.

Wat ik me vooral goed herinner is dat de  meeste van die teksten zogenaamde bekentenissen waren van dames van plezier. Allerhande erotische escapades vaak heerlijk beschreven door heren die zich dan voordeden als die lichtekooien. Hoewel je dat ook weer niet helemaal zeker kunt weten. Het zouden stiekem echte vrouwen kunnen zijn geweest. Intiem onder hun pseudoniem. De toon van die boekjes was vaak vrij feministisch en onafhankelijk. Niet al te male gazerig, zoals jij zou zeggen. Maar is het ook weer een beetje te veel wensdenken om te beweren dat die dames echt aan hun eigen seksualiteit toekwamen? Het ging vaak over hoe ze hun klanten minachtten en stiekem uitlachten. Hoe konden die mannen denken dat ze het echt lekker vonden, dat ze echt klaarkwamen? De vrouwelijke seksualiteit als eeuwig verlengstuk van de mannelijke.

Hoe was dat  later bij Xaviera Hollander, vraag ik me ineens af. Een van de eerste  Nederlandse hoeren die daar openlijk voor uitkwam op schrift. Ze schreef in het boek The Happy Hooker volkomen schaamteloos over hoe geweldig ze haar vak vond en het zou mij niets verbazen als daar ook wat sappige masturbatiescènes bij kwamen kijken. Maar ik kan het hier vanuit de hoogte dus allemaal niet naspeuren. Mijn lijf geklemd tussen twee andere lichamen die ik bij ieder woord dat ik tik ritmisch raak met mijn ellenbogen. Louter mijn geest en mijn langzaam doodbloedende laptop. Maar misschien moet ik het zoeken sowieso aan jou overlaten en je alleen in de goede richting proberen te typen. De captain brabbelt gebroken engels door mijn gedachten en de man voor me doet zijn stoel zo ver naar achteren dat ik nu met schootcomputer en al in een soort V gevouwen zit. 
Als ik eerlijk ben denk ik dat de literatuur een te benepen en beperkt zoekgebied is voor de vrije, zichzelf explorerende vrouw. Een beklemmend, knellend, keurig keurslijf van letters. Hoewel porno op zich meer op mannen gericht is, kunnen ook vrouwen zich daar toch ongegeneerder laten gaan. Dat komt natuurlijk omdat het dan gewoon sletten zijn. Die hoer-madonna-dichotomie is vermoedelijk in alle aspecten van het leven door te voeren. Een vrouw heeft nou eenmaal maar een beperkt aantal rollen om uit te kiezen. De mogelijkheid tot menselijkheid is helaas minder voor haar. Een intellectuele vrouw is geen geile vrouw en vice versa. Laat je tieten zien en niemand neemt je meer serieus, maar zet een bril op en je seksualiteit moet meteen opschuiven. Male gaze is watching us en om daar onder vandaan te kruipen zal je soms je ramen pikzwart moeten afplakken. 

Mannen mogen wél een intellectueel en seksueel wezen tegelijk zijn. Dan is het menselijk, tenslotte. 
Terwijl Wolkers met Cremers in zijn kielzog de overstap van porno naar literatuur, de vermenging van het rauwe echte leven en de hoogstaande gedachten allang gemaakt heeft, zijn veel schrijfsters nog maagd in deze fusie. Voorzichtig proberen ze die voor de herenblik weggeborgen verlangens wat ruimte te geven, een klein kiertje licht door de afgeplakte ramen.  Maar de meeste vrouwen schrijven  nog met een condoom om. Een extra bewustzijn, voorzichtiger dan hun mannelijke collega’s. Dat verklaart ook dat tastende wat jij beschrijft, dat  geremde.

‘Snel, klein, ingehouden en aangespannen,’ geloof ik dat je schreef.  Niet als een beest tekeer gaan, niet ongeremd of uitgebreid graaien naar jezelf. Je mag wel klaarkomen, maar niet te gretig. Niet te uitgebreid genieten hoor, want het blijft uitkijken geblazen. Je krijgt als wijf geen Libris voor je lusten. We laten geen hoeren in het heiligdom van de literatuur, tenzij ze kunstig door Houellebecq zijn gebeft en beschreven.

Wanneer het object zelf de pen ter hand neemt, is het anders. Dan wordt het een subject en wat zijn haar motieven dan? Wil ze verleiden? Wil ze bekoren, mooi gevonden worden? Doet ze het voor de kijkcijfers, dat kan toch bijna niet anders? Want dat ze gewoon alleen voor haar eigen plezier doet  kunnen we ons moeilijk voorstellen. De vrouwelijke seksualiteit is nog altijd een verlengstuk van de mannelijke. Niet iets autonooms, onafhankelijks. Als je als vrouw over seks schrijft, verhoud je je nog altijd tot een maatschappij die grotendeels een mannelijke blik heeft. En ik denk dat dat zelfs zo ver gaat, dat dat niet alleen voor ons schrijven geldt, maar ook voor ons echte leven. Er zijn talloze vrouwen die niet masturberen, die zichzelf nooit met een spiegel bekijken. Die de ramen naar zichzelf ook hebben dichtgeplakt.

En wat is dan onze eigen seksualiteit zonder die mannenstaar waaronder we geboren zijn en gebukt gaan? Ik heb het idee dat het nu de tijd is waarin we daar voorzichtig naar op zoek gaan. Ik noem dat de sensuele revolutie. Veel schrijfsters zijn daar nu mee bezig. In Nederland de namen die je al noemde, Wortel, Fabias, Mathijssen. In het buitenland zal het niet anders zijn. Meestal gaat dit allemaal wel enigszins gelijk op. Op een paar pioniers na. Maar het schrijven is dus nog voorzichtig.  Ik zou bijna zeggen tuttig. Ik snap dus wel dat je boos bent. Op dat enorme gebrek aan voorbeelden. Ik was dat eigenlijk zelf ook en heb er daarom zo hard in willen beuken met mijn boek Pussy Album. Al die angstige bescheidenheid van vrouwen willen wegvegen met druipend kutsap. Maar, je hebt gelijk, ik bracht daarmee vooral agressie en destructie. Behalve aan het begin van mijn boek schreef ik heel weinig lekkere buffet-tussen-mijn benen-drie-gangengenot-neem-jezelf- met-grote-halen-literatuur. Misschien moet ik dat toch nog eens doen.

Ik heb altijd een zekere schaamteloosheid gehad betreffende nou ja… alles eigenlijk wel. Ik kan me nog herinneren dat ik uitvond hoe je jezelf ‘dat lekkere gevoel’ zo noemde ik het, kon geven. Ik was nog vrij jong er zo enthousiast over dat ik het al mijn vriendinnen vertelde. ‘Jij hebt mij leren masturberen,’ zei er laatst nog eentje, plechtig boven haar Pernod. Ik had pas door dat er misschien iets beschamends was aan de voor mij onschuldige, maar geniale ontdekking, toen ik het mijn moeder vertelde en ze vreemd reageerde. ‘O ja?’ zei ze, terwijl ze in de spiegel haar haren bleef kammen. ‘Nou, dat weet ik niet, zo, hoor.’ Nee? Wist ze dat echt niet? Ik begreep er niets van.

Ik weet ook nog hoe ik voor het eerst ontdekte dat je iets naar binnen kon brengen en dat dan heen en weer kon bewegen en hoe je met de douchekop jezelf kon beffen. Ik geloof dat ik daar in Pussy Album ook over heb geschreven. En jaren na mijn eerste masturbatie-revelatie vond ik pas echt de clitoris als direct punt om overheen te wrijven. Als het maar heel voorzichtig was, tot je heel geil werd, dan mocht het heftiger. Daarvoor deed ik het via via, mijn schaamlippen over dat speldenknopje bewegen, meer op die snelle De Bruyne-manier. Dit was nog intiemer, nog beter en zorgde voor extreem heftige sterrenspetterschietendeelectro-orgasmes. Ik was er uren mee bezig en vertelde er weer net zo begeesterd over aan mijn vriendinnen. Neem jezelf met grote halen, riep ik.

Toen ik zo kon klaarkomen kon ik ook beter aan mijn bedpartners vertellen wat ik wilde. Dat kan ik me nog heel goed voor de geest halen: de eerste keer dat ik een man vertelde dat ik er ‘op deze manier niet zoveel aan vond’. Hoe verbaasd hij was en hoe krachtig ik werd. Audre Lorde heeft gelijk en mijn laptop is leeg. Je seksualiteit vinden is je kracht vinden. Daarom lopen al die kerels natuurlijk zo fier rond de wereld. Als ik een stijve lul had zou ik dat ook doen. Het ligt er zo dik bovenop. Je bent als vent eigenlijk al geslaagd, met vlag en wimpel. Wij moeten meer zoeken. En worden daar nog in tegengewerkt ook. Zelf scheef ik ooit: pas als de kut bevrijd is, is de vrouw dat echt. Het licht op mijn scherm gaat uit, onderin knippert een rood waarschuwingsbolletje. De baby’s krijsen nog altijd, de lucht is paars. Ik ga een dubbele whisky bestellen.

Daan, poes. Blijf denken en over- en overdenken. Misschien schrijf jij zelf wel een keer precies datgene wat je zou willen lezen. Want zo gaat dat. Denken moet je, en lezen en schrijven. En vergeet nooit jezelf ook uitgebreid te nemen. Met grote halen.

Stella

In #24, ‘Huid’ publiceerden we het eerste deel van Lesley Nneka Arimahs met de Caine Prize bekroonde verhaal ‘Huid en linnen’ in de vertaling van Luc de Rooy. Online lees je verder.

*

Odinaka was haar verlosser. Ze troonde Ejem weg uit haar oude appartement, hielp haar de boete voor het opzeggen van haar huurcontract te betalen, en zorgde dat ze kon intrekken in een van haar eigen gebouwen in een van fijnste buurten van de stad.
Ejems nieuwe plek, een tweekamerappartement met een zeer ruime keuken, had zo’n spiksplinternieuwe frisheid, alsof het lang leeg had gestaan of nog zeer recent grondig was gereinigd en volledig ontdaan was van de geur en de persoonlijkheid van zijn vorige bewoner. De eenheid stond via een intercom rechtstreeks in verbinding met de Osu-vrouwen die de plek verzorgden. Ejem kon een verzoek indienen als er schoongemaakt moest worden of om boodschappen vragen die dan later opeens in haar koelkast lagen. Toen Ejem iets zei over de afstand van het appartement naar haar werk, liet Odinaka weten dat ze niet hoefde te werken als ze daar geen zin in had, en de keuze om niet naar de spa terug te keren was snel gemaakt. De vrije tijd stelde haar in staat de andere vrouwen in het gebouw beter te leren kennen.
Zo was daar Delilah, in haar manier van zich kleden en in haar maniertjes bijna een miniversie van Odinaka, met wel maar de helft van haar zelfvertrouwen. Doreen, een vrouw van tegen de veertig, werd Ejems favoriet. Ze was de eigenares van een boekhandel – een die voor een boekhandel goed liep – en had de air van iemand die precies wist wie ze was en dat fijn vond. Ze schuwde de mogelijkheid van zelfbedekking.
‘Laat ze maar staren,’ zei Doreen altijd na een paar glazen wijn. ‘Dit lichaam is een kunstwerk.’ Dan tilde ze met haar handen haar borsten op en liet Ejem en de andere vrouwen aangeschoten giechelen.
De overgebleven vrouwen – Morayo, Mukaso en Maryam – waren beleefd maar afstandelijk, net fatsoenlijk genoeg – maar ook maar nét – om elke beschuldiging van onbeschaafdheid terzijde te kunnen schuiven. Ejem en Doreen noemden hen ‘de drie M’s’ of, na een paar drankjes, ‘Mmm, nee’ vanwege hun weerbarstigheid. Soms schoven ze aan tijdens Odinaka’s bijna-nachtelijke cocktailuurtje, maar binnen een paar weken beperkte de kern zich tot Odinaka, Delilah, Doreen en Ejem.
Binnen deze groep vrouwen werden er geen hatelijke opmerkingen gemaakt over Ejems naaktheid, bood niemand achterbaks aan om haar te koppelen aan een man – welke man dan ook – die haar misschien haar onvolmaaktheden kon vergeven. Odinaka praatte over haar wijdvertakte bedrijf, Doreen over haar kleine zaak, en ze plaagden elkaar met vreselijke adviezen die ze nooit van elkaar zouden aannemen. Ejem praatte een beetje over de carrière die ze achter zich had gelaten, maar ze had in dit gesprek niet veel in te brengen. En voor het eerst was haar verlegenheid alleen maar verlegenheid, niet het bewijs van waarom ze nog ongeclaimd was, noch een uitnodiging om te worden doodgesmeten met advies over hoe ze zichzelf kon verbeteren.
Daarbij, Odinaka praatte meer dan genoeg voor iedereen, onderbrak hen vaak en voerde de boventoon bij elk onderwerp. Ejem vond het prima, want van iedereen had Odinaka het interessantste leven, een van een al sinds haar geboorte niet aflatende luxe. Ze had het linnenbedrijf van haar vader geërfd toen die met pensioen ging, bijna een decennium geleden, wat nogal wat opschudding had veroorzaakt. Maar als een van de rijkste dynastieën een vrouw aan het roer wilde, was dat een luxe die ze zich konden veroorloven. En als die vrouw zichzelf graag bedekte en andere vrouwen verzamelde en om hen gaf, wie had dan de macht om haar te stoppen?
‘Ik droom ervan een wereld te creëren,’ zei Odinaka vaak, ‘waar ontkleden iets is wat een vrouw alleen maar uit vrije keuze doet.’
Tijdens Ejems eerste nacht in het gebouw had Odinaka haar een stuk linnen gebracht, een geschenk, zei ze daarbij, dat Ejem kon dragen wanneer ze maar wilde. Ejem had urenlang naar het linnen gekeken. Zelfs binnen de muren van haar gebouw, in haar eigen wooneenheid, had ze niet de moed om het aan te trekken. Tijdens Odinaka’s cocktailuurtje kwam Doreen naast haar zitten en zei: ‘Wij staan tegenover deze bedeesde fuckers, Ejem,’ en luidde daarmee een avond in waarop ze op iedereen inhakte.
‘Ga je echt zo naar je zaak?’ vroeg Ejem Doreen op een middag. ‘Waarom bedek je jezelf niet? Niemand zal iets zeggen als ze weten dat je een van Odinaka’s vrouwen bent, toch?’ Ze probeerde zichzelf ervan te overtuigen dat ook zij het linnen zou kunnen aantrekken en zonder enige angst in het openbaar verschijnen.
Doreen hield op met het doornemen van de facturen om Ejem alle aandacht te geven. ‘Kijk, we moeten hiermee leven. Ik werd op mijn tiende ontkleed. Weet je hoe het voelt om zo jong hieraan blootgesteld te worden? Ik verborg me bijna een decennium voor ik mezelf en mijn trots vond. Niemand zal me ooit meer ongemakkelijk doen voelen in mijn eigen huid. Ik ben van plan zo lang ik leef ongeclaimd en onbedekt te blijven, en niemand heeft daar verdomme iets over te zeggen. Odinaka rebelleert op haar manier, en ik op de mijne. Ik snak niet naar de veiligheid van het linnen. Als de wet me voorschrijft om naakt te zijn, zal ik naakt zijn. En dan zou ik godverdomme wel gek zijn als ik me ongemakkelijk voel om hun wet.’

De weken van het welkom, van het zich vrij voelen om zichzelf te kunnen zijn, begonnen vat op haar te krijgen en op een nacht, toen Ejem zich bij de andere vrouwen in Odinaka’s appartement voegde, deed ze dat bedekt, het linnen om haar heen gedrapeerd met een meisjesknoop, de enige knoop die ze kende. Doreen was de eerste die haar feliciteerde, en toen ze Ejem omhelsde zei ze: ‘Rebelleer op je eigen manier,’ maar haar glimlach was een beetje verdrietig.
Odinaka kraaide van plezier. ‘Alweer een! Dat vraagt om een feest.’
Ze mobiliseerde iedereen vlug, gaf via de intercom bevelen aan haar Osu-vrouwen. Ejem had nog geen van de Osu-vrouwen aan het werk gezien, maar steeds wanneer ze van Odinaka’s of Doreens appartement terugkeerde naar haar plek, was haar bed opgemaakt, de badkamerspiegel ontdaan van spatten, de korstjes tandpasta uit de wasbak geschrobd, en de kamers hielden een ondefinieerbaar gevoel net uitgeruimd te zijn.
Nog binnen het uur dat Ejem en de andere bewoonsters nodig hadden om zich voor het feest klaar te maken, was Odinaka’s appartement volgestroomd. Mannen en vrouwen, buiten Doreen allemaal gekleed, mengden zich onder elkaar en kletsten. Doreen hield hof op de bank, nipte wijn en glimlachte terughoudend.
Ejem probeerde zich in de drukte te begeven, maar zelfs met het zelflinnen voelde ze zich alleen maar als de onbedekte vrouw die ze haar hele volwassen leven was geweest. Odinaka probeerde Ejem in haar gesprekscirkel te betrekken, maar nadat Ejem alleen maar een paar stamelende replieken had uitgebracht, maakte ze zich voorzichtig uit de voeten en bespaarde zich zo dat ze nog verder in verlegenheid gebracht zou worden. Ejem ging maar in een hoekje staan, van waaruit ze de festiviteiten gadesloeg.
Ze was zich er niet van bewust dat ze zelf werd gadegeslagen, tot een man die ze theatraal voor Odinaka had zien buigen, tegen de muur vlak naast haar kwam leunen.
‘Dus jij bent de meest recente, is het niet?’
‘Ik neem aan dat ik dat ben.’
‘Je ziet er toch redelijk uit. Waarom ben je ongeclaimd?’
Ejem verstarde, behoedzaam.
‘Wat bedoel je in hemelsnaam met “redelijk”?’
Hij negeerde de vraag.
‘Weet je dat ik die vrouw al probeer op te eisen sinds ze een meisje was?’ Hij knikte in de richting van Odinaka. ‘Onze verbintenis zou legendarisch zijn geweest. De grootste linnenwever met de grootste katoenverbouwer. Wat denk je daarvan?’
Ejem haalde haar schouders op. Het ging haar echt niet aan.
‘In plaats daarvan is zij bezig met het verzamelen van puin.’
Verstomd door zijn brutaliteit draaide Ejem zich om, maar hij lachte alleen maar en riep iemand aan de andere kant van de kamer. Plotseling leek elk gelach tot haar gericht, elke glimlach een grijns om haar. Ze voelde zichzelf terugkeren tot het meisje dat Chidinma’s vaste hand nodig had voor ze met haar hoofd omhoog kon lopen. Ze dook weg, van plan om naar haar appartement terug te keren.
Ze stuitte op Delilah, die een kistje van bewerkt hout onder haar arm hield, een gewaardeerd familie-erfstuk dat Ejem herkende van hun vele bijeenkomsten. Het was een van de weinige voorwerpen waar Odinaka afgunstig om was, omdat ze er zelf niet een kon krijgen, niet in staat de oorsprong van het antiek te determineren. Ze vroeg Delilah constant het mee te nemen zodat ze het konden bewonderen, hoewel Delilah Odinaka niet toestond het te laten onderzoeken of taxeren, volkomen tevreden dat haar schat een mysterie bleef.
Ejem was niet bijzonder gesteld op Delilah. Ze had een mini-Odinaka kunnen zijn, maar anders dan Odinaka was Delilah pretentieus en pochte met haar goede afkomst. Ejems onrust was zichtbaar genoeg om Delilah te laten pauzeren, terwijl haar blik heen en weer ging tussen haar en de deur die het rumoer van de soiree binnensloot.
‘Is alles goed met je?’ vroeg ze.
Ejem knikte, maar haar strakke knikje zei het tegenovergestelde. Ze zag hoe Delilahs bezorgdheid streed met haar verlangen naar het plezier aan de andere kant van de deur. Delilahs bewegingen, een bepaalde draai in haar schouders, de manier waarop ze haar vuist balde, een bepaalde hoek waarin ze haar hoofd hield, maakte dat Ejem plots de Osu-vrouw in de bus voor zich zag. Iets moest op haar gezicht af te lezen zijn geweest, want Delilah bracht een heimelijke, zelfbewuste hand omhoog om haar haar op zijn plek te leggen – precies waar een identificatielitteken zou hebben gezeten als een regeringsverloskundige het in haar zesde maand in haar hoofd zou hebben gekrast, om het elke twee jaar, tot haar achttiende, bij ieder nieuw bezoek te verversen. Die praktijk was het enige wat Ejem over de Osu wist. Haar volk leefde samen met de Osu en toch wisten ze niets van elkaar.
Terwijl ze naar Delilahs doos keek kwam het in Ejem op dat een Osu-meisje – als ze slim en dapper genoeg was, in het bezit van onmogelijk dik haar – haar meest gewaardeerde bezit – laten we zeggen een mooi bewerkte houten doosje dat al vele generaties in de familie was – had kunnen pakken en midden in de nacht had kunnen wegglippen. Ze kon verder reizen dan ze ooit gereisd was, naar een stad waar niemand haar kende. En omdat ze slim was, kon ze naadloos opgaan in de wereld van de mensen die ze zo goed kende omdat ze hen haar hele leven had moeten bedienen.
Voor de gedachte vat kon krijgen, werd de onzekerheid in Delilahs gezicht vervangen door een kunstmatige zoetheid; ze klopte op Ejems schouder en zei: ‘Nou, rust dan goed uit’, voor ze zich uit de voeten maakte, het feestgedruis in.
Ejem werd ’s ochtends vroeg wakker van de laatste feestvierders die vertrokken. Ze bleef tot acht uur in haar appartement, maakte toen gebruik van Odinaka’s opendeurbeleid om het appartement van haar weldoener binnen te gaan. Als ze er niet zélf geweest zou zijn, had ze nooit geloofd dat het de hele nacht gevuld was geweest met feestgangers. In drie uur tijd had iemand, of verschillende iemanden, de schade van vijftig gasten – Ejem herinnerde zich ten minste twee omgestoten glazen wijn en een man die per se boven op een bijzettafeltje een speech wilde geven – terug te brengen tot de schone, moderne lijnen zoals een van rijkste vrouwen ter wereld die graag zag. Een vrouw die kennelijk puin verzamelde, waaronder zij. Ze wist niet helemaal zeker wat ze tegen Odinaka wilde zeggen – ze kon zich niet kinderlijk beklagen dat een van de gasten haar beledigd had – maar ze voelde zich gekwetst en was op zoek naar iets verzachtends.
Ze vond Odinaka loungend in haar bed, de dekens opgetrokken tot haar middel.
‘Heb je je vermaakt, Ejem? Ik zag dat je met Aju praatte. Hij is net weg, weet je.’ Ze trok haar wenkbrauwen op.
Toe maar. Nu kon Ejem hem niet beschuldigen. ‘We hadden een interessant gesprek,’ zei ze in plaats daarvan.
‘“Interessant,” zegt ze. Ik weet dat hij moeilijk kan zijn. Trek je niets van zijn woorden aan.’
Odinaka drukte op de intercom, vroeg om een dienblad met ontbijt en begon toen de nacht samen te vatten, lachend om die en deze gebeurtenis waarbij het niet tot haar doordrong dat Ejem niet aanwezig was geweest om het mee te maken.
Na tien minuten drukte ze opnieuw op de intercom. ‘Waar is mijn dienblad?’ eiste ze, bijna schreeuwend.
Toen ze de blik van Ejem opving, rolde ze met haar ogen.
‘Begin jij nu niet ook.’
Ejem opende haar mond om de Osu-vrouwen te verdedigen, maar sloot hem net zo snel, niet alleen beschaamd om de onaantrekkelijk revolutionaire insteek van wat ze bijna gezegd had, maar ook omdat het zo meer aanvoelde als een verdediging van haarzelf.
‘Je bent net als Doreen,’ ging Odinaka door. ‘Kijk, ik geef een leger van die vrouwen werk. Ze hebben een baan en die hebben ze nodig. Je weet nog wel hoe dat is, toch?’ Odinaka zette de televisie aan. Een reclame had het over een familie-uitje naar een textielmuseum waar kinderen konden leren hoe linnen gemaakt werd. Ejem herinnerde zich een documentaire die ze op school had gezien waarin de sombere slaapzalen werden getoond waarnaar ongeclaimde vrouwen werden verbannen, het gerantsoeneerde voedsel, het misbruik van de bewakers, de ‘bescherming’ die absoluut geen bescherming was. Het moest angst inboezemen om ooit op zulk soort plek te belanden, en het had gewerkt.
Toen het programma weer doorging, zette Odinaka het geluid harder tot het overduidelijk was voor Ejem dat ze geacht werd te vertrekken.

Ejem besloot dat ze als haar eerste uitstapje in het nieuwe linnen Doreens zaak zou bezoeken. Doreen zou wel iets weten te zeggen om de rusteloze pijn die binnenin haar broeide tot rust te brengen. Misschien wist ze zelfs genoeg van Delilahs geschiedenis om Ejems wegloopvermoedens te bevestigen. Doreen had haar vaak in de boekwinkel uitgenodigd – ‘Je kunt niet voor altijd binnen blijven. Kom. Kijk wat ik verwezenlijkt heb. Kijk wat een ongeclaimde vrouw in haar eentje kan opbouwen.’
Zelflinnen dragen in de veiligheid van Odinaka’s gebouw was één ding. Ejem treuzelde voor de spiegel, bestudeerde de zachtheid van haar buik, de flinke benen waar ze altijd zo trots op was, de druipende vorm van haar borsten. Ze pakte het linnen op en hield het omhoog. Veel beter. Ze bevestigde het op een eenvoudige manier, waarbij ze zo goed als ze kon het draperen en omgorden nadeed van de gesofisticeerde vrouwen die ze was tegengekomen.
Voor het eerst in haar volwassen leven staarde niemand naar haar. Toen ze de moed bijeen had geraapt om op de stoep oogcontact te maken met een man en hij zijn hoofd respectvol boog, struikelde ze bijna van de schok. Iedereen – mannen en vrouwen – behandelde haar anders, de meesten negeerden haar als zomaar het zoveelste lichaam op straat. Maar wanneer ze haar erkenden, waren hun reacties vriendelijk. Ejem voelde de beschermende verstijving van haar schouders zakken, alsof haar toestemming was verleend te ontspannen. Ze liep met een hupje in haar pas, elk deel van haar dat erdoor opveerde beschermd door het linnen. Ingepakt in linnen was ze vrijer dan ze zich ooit gevoeld had.
Ejem was zo blij verrast toen ze een bekend gezicht zag, ze glimlachte en zwaaide voor ze zich herinnerde dat de drager van het gezicht haar enkele maanden geleden haar vriendschap had ontzegd. Chidinma antwoordde met een aarzelend zwaaien voor ze Ejem glimlachend naderde.
‘Je bent bedekt! Je bent geclaimd! Draai je om; laat me zien. Je echtgenotenlinnen is zo mooi. Ik kan niet geloven dat je me niet hebt uitgenodigd voor je claimceremonie.’
De woorden waren vriendelijk maar de toon was geforceerd, hun laatste woordenwisseling hing nog in de lucht.
‘Er was geen ceremonie. Er was niets om je voor uit te nodigen.’
Chidinma’s glimlach betrok. ‘Je hoeft niet te liegen. Ik weet dat ik vreselijk tegen je deed; het spijt me.’
‘Nee, echt, er was geen ceremonie.’ Ejem leunde dichter naar haar toe, hunkerde ernaar het op te biechten, hun vroegere intimiteit te herstellen. ‘Het is zelflinnen. Ik heb mezelf bedekt.’
Chidinma had even nodig om dit tot zich te nemen. Toen ging ze erg overeind staan, trok elk laatste beetje genegenheid weg. Haar glimlach werd wasachtig en beleefd.
‘Je zult wel erg blij zijn met je echtgenoot.’
‘Chidinma, ik heb geen echtgenoot. Ik bedek mezelf.’
Chidinma’s blik werd zo kwaadaardig dat Ejem een stap naar achteren deed en tegen een man aan botste die zichzelf verontschuldigde.
‘O, echt? Zelflinnen, is dat het? Iemand uit een goede familie als de jouwe? Ik geloof het niet.’ In tegenstelling tot Ejem praatte Chidinma niet zachter, wat geschrokken blikken van voorbijgangers opleverde. Ejem suste haar.
‘O, nu ben je wel beschaamd? Heb je iets gedaan waar je niet helemaal trots op bent?’
Toen Ejem zich omdraaide om te vertrekken, greep Chidinma haar bij het linnen. Dit keer fluisterde ze: ‘Je denkt dat je bedekt bent, maar je bent nog steeds naakt. Nog geen stukje duur “zelflinnen” – hoe ridicuul! – zal daar iets aan veranderen.’
Het was een hatelijke en kwaadaardige opmerking, een die bedoeld was om pijn te doen, en dat deed hij ook. Ejem probeerde het linnen uit de vuist van haar oude vriendin te rukken, maar Chidinma liet niet los. Ze ging verder, haar stem brak door de tranen.
‘Je zult niet bedekt raken zonder iets op te geven; dat zal je niet. Het is niet eerlijk. Na alles wat ik voor je gedaan heb, het is niet eerlijk.’
Chidinma huilde nu open en bloot en Ejem maakte gebruik van de mogelijkheid van een verzwakte greep om zich los te wringen, zelf ook bijna in tranen.
Het was makkelijk geweest, dacht Ejem, in de weelde van Odinaka’s huis, te vergeten dat ze wetten braken. Makkelijk ook, om nacht op nacht met elkaar te proosten. Wat had een vrouw opgegeven zodat Ejem dit linnen kon hebben? Was ze uit vrije wil linnenwever geworden of was ze daar contractueel toe verplicht, gedoemd tot voorbij haar ‘prime’ en belast om de zorg van de staat te verdienen? Het linnen begon nu te prikken, alsof het gewoven was van ruw draad.
Ejem haastte zich terug langs waar ze vandaan was gekomen, naar de veiligheid van Odinaka’s gebouw. Bijna overmand door paniek morrelde ze met de sleutels van haar appartement en ging naar binnen. Toen ze daar eindelijk was, zakte ze tegen de deur naar de grond, hoofd tegen haar knieën, en probeerde haar ademhaling onder controle te krijgen. Ze voelde… iets, en dat maakte dat ze om zich heen keek, en toen zag ze de Osu-vrouw in de hoek staan. Haar huid was licht, ging bijna op in het schemerige beige van de muur, haar litteken een kraakbeenachtig, gezwollen massa aan de andere kant van haar hoofd. Ze leek van Ejems leeftijd of iets ouder. Ze hield een fles schoonmaakmiddel en een oude doek vast. Ze was naakt.
Het was duidelijk uit de verstijfheid van haar schouders en de omzichtige blik in haar oog dat het geen naaktheid was die ze fijn vond. Hoe lang was het geleden dat Ejem precies die blik op haar eigen gezicht had staan? Hoe lang geleden sinds ze schaamte had gevoeld die zo diep was dat ze er bijna in was verdronken?
De dag dat ze haar vaderlinnen was verloren had ze haar vader gesmeekt en bevocht hem terwijl hij pogingen deed het linnen van haar af te rukken. Haar moeder had tegen haar geschreeuwd dat ze deze last met iets van waardigheid moest dragen, maar Ejem was buiten zinnen. Toen haar vader uiteindelijk het hele linnen te pakken had, haar vingers loswrikkend die zich zelfs aan de gescheurde stroken probeerden vast te houden, had Ejem zich in zichzelf opgerold, haarzelf bedekt met haar ledematen. Sindsdien had ze elke dag moeten strijden om die paniek onder controle te houden, door het in te slikken, diep in haar buik, waar het niet tot uitbarsting kon komen.
De Osu-vrouw knikte naar Ejem en glipte toen weg door een paneel in de muur en verdween. Het paneel gleed geluidloos terug op zijn plek, en toen Ejem naar de muur liep was er helemaal geen naad te voelen. Ze klauwde ernaar, boog haar nagels dubbel en brak ze in een poging om binnen te komen. Toen ze vanaf haar kant geen ingang vond, bleef ze bonzen en roepen, op zoek naar een welkom.

Online luchtsteun bij ons 24ste nummer, ‘Huid’: Naomi Rebekka Boekwijts indringende verhaal ‘Psychiatrische dagen’, dat nu juist niet de liefde voor het lichaam bezingt.

*

I

We komen terug van de afdeling. Vandaag ben ik als een ouder die voor een dochter zorgt. Een dochter die moe en gemedicineerd naast mij in de auto zit. Er zijn nog geen bomen of struiken geplant, dus het zand veegt wild over de net aangelegde straat. Die sjaal staat mooi om je slanke hals en wappert wat kleur in je gezicht als je uitstapt en naar de voordeur loopt. Ik keek hoe je ‘m om deed toen ze je je jas en je spullen teruggaven. Ieder ander zou in de spiegel of in een raam kijken terwijl ze dat doet. Jij niet.

In het gangetje voel ik me nog wat verloren. We hebben onze kapstok opgehangen en wat foto’s. Toch is het nog niet echt thuiskomen. Je doet je sjaal af en hangt hem op, zonder dat je het door lijkt te hebben. Je ogen kijken alleen maar naar binnen. Wat daar gaande is, blijft voor mij onbekend.
Jij gaat op de bank liggen met de hond. Ik ga wat aan het huishouden doen. Het is half elf in de ochtend, net zo laat als je gisteren van huis moest naar je afspraak. Je durfde niet goed, je zag er al een week tegenop. 
De uren voor half elf zat je op de badkamervloer. Ik had dat niet door, tot ik me afvroeg waarom je fiets er nog stond. Ik vond je in de badkamer. De hond zat bij de deur. Hij kon je niet tegen jezelf beschermen, maar hij zou zijn best doen over je te waken. Je had jezelf weer beschadigd. De verzorging is inmiddels routine voor mij. Maar jou zo aantreffen, dat wordt nooit routine, dat is elke keer weer een schok. Hoe je daar dan zit, weggeraakt, verwilderd. Van de wereld afgevallen. Met je bloedende armen die je voor je uit strekt alsof je niet goed weet wat je nou hebt gedaan, en of dat wel jouw armen zijn. Soms leunend met je hoofd tegen de muur of op de vloer – daar waar het naartoe zakte, zwaar van de stoffen die vrijkwamen in je hersenen en je overspoelen met een koele rust. Ik wilde dat ik het eens voor kon zijn. Dat ik op tijd zou zijn. 
Ik doe maar wat. Ik modder maar wat aan. Ik ben hier maar met mijn zorg voor jou. Je was zo koud als de vloer waar je op zat. Je tranen waren eerst warm op je wangen, maar toen ze opdroogden prikten ze schroeierig op je huid. Je had daar ook niet moeten gaan zitten. Ik zei het je nog. Ga nou niet op die koude vloer zitten. Maar dat had ik niet moeten zeggen natuurlijk, want dan doe je het juist. Weet ik ook wel. Je zegt dat het moet. Dat je niet ons huis wilt verkloten, en daarom een plek kiest die vies mag worden. Weer een nieuwe wond op je lijf, die eigenlijk een oude wond is.

II

‘Is uw vriendin psychiatrische patiënt?’ kwam de buurvrouw laatst vragen. Ze deed duidelijk alsof ze wat aan het doen was in de voortuin, toen ik terugkwam van het rondje met de hond. Ik had haar nog nooit ontmoet, alleen vluchtig gezien toen ze een keer aan kwam fietsen. Haar huis werd twee weken na dat van ons opgeleverd. 
‘Waar leidt u dat uit af?’ vroeg ik rustig. 
‘Ik weet niet, hoe ze liep, hoe je haar de auto in hielp.’
Dat is snel, dat ik van u naar je ga . 
‘Maar is ze dat dan?’ vroeg ze.
‘Op sommige dagen wel,’ zei ik. 
Op ons en onze buurvrouw na is het nieuwe huizenblok nog erg leeg. Dat geeft niet, dat geeft wat rust, niet te veel auto’s, fietsers, schoolkinderen en ander dagelijks gedoe op die zanderige straat. Kunnen we rustig wennen. Althans, ik. Ik weet niet of jij wel aan het leven kunt wennen. 
Sommige dagen zijn eigenaardig met jou. Dat je tijdens het eten zomaar begint te huilen en uitroept: ‘Hoe DOEN mensen dat, LEVEN?!’ Of dat je in de keuken een half losgeraakte wondkorst staat af te knippen die je wat dagen daarvoor zelf hebt gemaakt. Toch heb ik zoveel liever dit, dan de dagen met een mens als de buurvrouw te delen, een mens dat nooit eens in zichzelf nagaat hoe het haar nou eigenlijk vergaat. En liever dit, omdat het het allemaal waard is voor die ene lach van jou, op die ene goeie dag.

III

Als je in ons huis op de tweede trap komt ruik je de geur van schone was. Dan sta ik altijd even stil, halverwege de trap, om dat te ruiken. Jouw geur mijn geur met wasmiddel en water. En dan loop ik verder omhoog, over de overloop het washok in, en geniet even van iets stoms als een droger die staat te draaien en warmte produceert.
Jij staat opeens op de overloop en fluistert. Je ogen draaien vreemd weg. Ik ga voor je staan om je fluister te horen. 
‘Zorg alsjeblieft – dat ik dit niet doe.’ 
Je zakt door je benen en ik moet heel hard trekken om dat ding in je hand af te pakken. Ik probeer je vast te houden maar dat lukt niet echt. Het ziet er vast heel raar uit als je ernaar zou kijken. Niet dat er iemand kijkt. Dit blijft tussen ons. Jouw pijn, de onhandige steun die ik probeer te zijn. Je armen blijven eerst slap hangen maar dan probeer je toch je handen ergens op m’n rug of schouders te houden. Je vindt steeds meer grip, steeds steviger houd je je vast. Jankt en schreeuwt. Tot het weer gaat, tot het weer gaat. Ik houd me groot. Haal maar even diep adem. Dat zeggen ze altijd terwijl je dan juist niet diep adem kunt halen. Al die goedbedoelde clichéadviezen. 
Ik help je naar beneden en zet je onder de douche. Ze zeiden dat ik dat met je kon proberen. Ik hoor de wind gieren door het ventilatiegangetje boven de douche. Jij wilt het water of ijskoud, of zo heet dat het je zal verbranden, maar ik houd je handen weg van de kraan. Ik stel me voor dat het is zoals wanneer je binnenkomt nadat je heel lang buiten in de kou hebt gelopen of gefietst. De kou lijkt in je botten te zitten, en dan is het zo moeilijk om warm te worden, ook al neem je een douche en stroomt het hete water over je lijf en trekken de rillingen langzaam weg.