In de poëziereeks Binnenin plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. 
Deze week: Ocean Vuong.



Telemachus


Zoals het een goede zoon betaamt, sleep ik mijn vader 

uit het water, sleur hem aan zijn haar


door wit zand, terwijl zijn knokkels een spoor trekken

dat de golven haastig uitwissen. Omdat de stad


achter het strand niet meer is

waar we haar hebben achtergelaten. Omdat de gebombardeerde


kathedraal nu een kathedraal is

van bomen. Ik kniel naast hem neer om te zien hoe diep


ik zou kunnen zinken. Weet je wie ik ben,

ba? Maar het antwoord blijft uit. Het antwoord


is de schotwond in zijn rug, vol

-gelopen met zeewater. Hij ligt er zo kalm bij


dat hij ieders vader wel kan zijn, gevonden

zoals een groene fles zou kunnen aanspoelen

voor de voeten van een jongen, met daarin een jaar 

dat hij nooit heeft gehaald. Ik raak


zijn oren aan. Vergeefs. Ik draai hem

om. Om hem te zien: de kathedraal


in zijn zee-zwarte ogen. Het gezicht

dat niet van mij is – maar dat ik op zal zetten


om al mijn minnaars voor het slapen gaan te kussen:

zoals ik mijn vaders lippen verzegel


met die van mij & begin

aan het trouwe werk van het verdrinken.


Over de dichter:
Ocean Vuong is de auteur van de bestseller On Earth We’re Briefly Gorgeous (2019)
(door Hollands Diep uitgebracht onder de titel: Op aarde schitteren we even) en de
dichtbundel Night Sky with Exit Wounds (2017), die talloze prijzen in de wacht sleepte,
waaronder de T.S. Eliot Prize. Vuong, geboren in Vietnam en op 2-jarige leeftijd met zijn
ouders naar Amerika geëmigreerd, is als docent creatief schrijven verbonden aan de
Universiteit van Massachusetts Amherst.

Over de vertaler:
Astrid Staartjes, afgestudeerd aan de Gerrit Rietveld Academie en aan de
Vertalersvakschool, is literair vertaler. Haar gedichten en vertalingen van
poëzie van o.a. Paul Auster, Raymond Carver en Derek Walcott verschenen
in Poëziekrant, de Revisor en Tirade.

Hoe gaat het met je? Ik begin mijn rust en mijn leeslust te hervinden, ik kom weer aan boeken toe. En zoals je ziet, heeft ook De Revisor aansluiting gevonden bij de literatuur in coronatijd, een literatuur die heel vertrouwd is, maar afstand, angst en eenzaamheid uitvergroot. Twee (meta-)metaliteraire observaties, wat nieuwe links, en het perspectief van een zwangere coronapatiënt in Parijs.

*

Eén. Het mag niet, schrijven in tijden van corona. Delphine Lecompte (in de NRC : ‘Lieve dichters, schrijvers, muzikanten, acteurs, operazangers, minderjarige fagottisten, necrofiele tegelleggers, incestueuze imkers, Bulgaarse laminaatverkopers, sjamanistische touwslagers, bipolaire garnalenpellers, houd uw coronamisbaksels voor uzelf!’) en Alex Boogers (in Het Parool: ‘Je moet er toch niet aan denken dat al die millennial-auteurs, die absoluut kunnen schrijven maar van wie de meesten absoluut geen verhaal hebben, zich nu allemaal aan de corona gaan wagen.’) – en zij zullen niet de enigen zijn, vrezen dat schrijvers nu hun hyperbolische poëzie of jeugdverhalen-in-een-naamloos-gat een coronakleurtje zullen geven. Een terechte angst: de vraag is altijd al wat over tien jaar nog gelezen zal worden, maar opiniestukken en interviews zullen de canon niet halen. En corona wellicht wel. Of bedoelden Lecompte en Boogers wat Nick Cave schrijft?

‘As an artist, it feels inapt to miss this extraordinary moment. Suddenly, the acts of writing a novel, or a screenplay or a series of songs seem like indulgences from a bygone era. For me, this is not a time to be buried in the business of creating. It is a time to take a backseat and use this opportunity to reflect on exactly what our function is — what we, as artists, are for.’

Twee. Nieuwe omstandigheden creëren niet per se nieuwe genres. We werken met correspondenten (de New York Review of Books), dagboeken (Dimitri Verhulst bijvoorbeeld), brieven (De Revisor en SLAA) en leesclubs. Er zijn virtuele boekpresentaties, publieksinterviews, voorleessessies. Niets nieuws, en dat is niet erg. Maar ik zie wel hoe de verveling het van de kunst kan gaan winnen, hoe de economische schraalte (die voor de meeste schrijvers vertraagd komt; er zijn geen optredens meer, maar de verminderde verkopen en uitleningen laten zich vooralsnog vooral voelen bij boekwinkels en bibliotheken) zijn weerslag vindt in ongeïnspireerd proza. Maar nu is alles nog vers, laten we ervan proeven.

Links. Een andere vorm voor een beproefd concept: De vertellers van Helmers, de reeks verhalenavonden van Gilles van der Loo en onze Jan, gaat ook door, in een uitgeklede, chic maar beperkt belichte vorm bij Het Parool. De eerste afleveringen zijn met Van der Loo zelf en Femke van der Laan. Ik ben nog nooit geweest, en nu komt het concept me veel minder gezellig voor dan ik altijd had gedacht, maar ik geloof dat dat precies het punt is. Wat blijft, is sterke literatuur.
Brieven: Roman Helinski en onze Thomas schrijven voor het Literatuurmuseum over de situatie en archiefstukken van het museum. Thomas haakt aan bij observatie één:

‘Na afloop vroeg ik me af: behoor ik hier inderdaad over te schrijven, is dit het Grote Moment in onze geschiedenis waar straks alle boeken zich tot op zekere hoogte toe moeten verhouden, kan ik de fictieverhalen die ik recent afmaakte nu net zo goed weggooien? En: een crisisteam, dat klinkt op een vreemde manier wel aanlokkelijk. Kunnen wij daar als schrijver ooit toegang toe krijgen en zo volwaardig onderdeel worden van wat er gebeurt, of blijven we van achter onze schermen vanzelf buitenstaander?’

Maar Helinski opent zijn tegenbrief: ‘Deze weken voel ik me eindelijk eens geen buitenstaander.’ Hij heeft al een brief van Ter Braak aan Du Perron opgedoken, en eindigt met een belangrijke vraag: ‘PS Hoe heet je kat nou?’
‘Ik herken in elk geval een bepaald type sf waarin een terloops noodlot nietsvermoedende personages besluipt. Personages die zich veilig waanden.’ Meer brieven: Auke Hulst en Dan Hassler-Forest gaan met elkaar in correspondentie op de site van Into The Great Wide Open over het Science Fiction-achtige aan deze situatie. De eerste beleefdheden zijn uitgewisseld, en Hulst stelt goede vragen. 
Kijk ook eens bij vertalersplatform Words Without Borders, waar non-fictie en een mooi lijstjesachtig verhaal van Gonçalo M. Tavares (vertaling Daniel Hahn) staat:

‘NASA cancels lunar research.
Matteo eats a forkful of pasta beside the window that looks over Vittorio De Sica street.
Sica was the director of The Bicycle Thief.
In Lombardy a woman is shouting for someone called Paolo.’

Een ander perspectief. Behalve de Pandemic Dispatches biedt de NYR Daily ook een vertrouwd hilarisch kort verhaal van Etgar Keret en dit verhaal: ‘Corona Maman: A Paris Clinic’s First Covid-19 Delivery’. Als de man van de verloskundige was ik meteen geïnteresseerd. Ariane Chang, een Chinees-Amerikaanse schrijfster en tekenaar die in Parijs woont, is bijna uitgerekend als in Frankrijk de lockdown wordt ingesteld – en is nog in de zwangerschapsroes. ‘It didn’t occur to me that the virus would affect anyone my age, let alone me. I was simply focused on the baby’s arrival. But around the time Macron announced the confinement, I began to feel chills. I developed a cough, a runny nose, and a fever.’

Je weet: het is geen fictie, maar het heeft potentie. De affiniteit met China en de Verenigde Staten, de tijdsdruk, de ziekteverschijnselen. Maar gek genoeg zijn het niet die elementen die het verhaal opvallend maken, maar het tempo waarin deze bevalling escaleert naar een keizersnede, en het gemak waarin ziekteverschijnselen vervolgens worden afgedaan met een ‘c’est normal’. Het is zo’n bizarre achtbaanervaring waar lifestyletijdschriften wel pap van lusten, en waar in Amerika met succes een rechtzaak voor kan worden aangespannen.
Maar in Nederland? Hier willen vrouwen weer thuis bevallen, en ik geef ze gelijk: de ziekenhuizen in onze regio, ik woon in ‘s-Hertogenbosch, hebben overvolle corona-IC’s, en ze hadden altijd al overvolle verloskamers. Dat er bevalkamers in een Van der Valk zijn ingericht, is bijzonder, maar verder is er weinig nieuws onder de zon (dit blog heeft een rode draad). Voor ons is er benauwdheid over die ziekenhuizen en hun coronasluizen, en de vele contacten die je daar ver buiten de intelligente lockdown maakt. Maar als je dat negeert – en daar slagen we nog wel eens in – dan is het vak niet heel erg verandert: de verloskundige voelt aan de buik, pakt de baby aan en geeft geen hand. Ze wacht wat meer, rijdt die frustrerende honderd kilometer per uur, en verdeelt haar aandacht tussen de telefoon en onze kinderen. Want ze doet controles, maar vooral telefonisch. Ze werkt vanuit huis, maar ze is niet ziek.

Chang was wel ziek, en ze heeft het overleefd, na twee operaties. Ze had pijn, wonden en blauwe plekken. Ze is geïsoleerd in huis, maar ze voelt zich beter. En ze hervindt rust, getuige de laatste, mooie alinea.

De wereld is in quarantaine. Is hij stiller geworden, helderder, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA, Singel Uitgeverijen en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In april: Sander Kollaard vanuit Kumla Prästgård en Roos van Rijswijk vanuit Amsterdam. (Lees hier de tweede set brieven, en beluister een podcast met de schrijvers.)

*

Kumla Prästgård, 7 april 2020

Dag Roos,

Corona dus, en COVID-19, en exponentiële curves. Ik schrijf je vanuit Zweden. We wonen in een klein dorp op het platteland, ver van grote steden, en om die reden reageerden we wat lacherig op het advies om afstand te houden. De bevolkingsdichtheid hier is vergelijkbaar met die in Drenthe halverwege de negentiende eeuw, dus afstand houden is de normale gang van zaken. Aan de andere kant: we zijn een stuk mobieler dan indertijd in Drenthe en dus komen we elkaar geregeld tegen, & dan bespeur je meteen het ongemak. We staan opeens te schutteren als we in de supermarkt gelijktijdig de bak met aardappelen naderen. Eerst de verlegen schrik, dan de behoedzame onderhandeling. Gaat u maar eerst. Nee hoor, gaat u maar. Zulke ontmoetingen hebben altijd iets onhandigs, maar er is een element bij gekomen, het besef dat we elkaars lichaam mijden, dat immers een bron van besmetting kan zijn, ons eigen lichaam net zo goed als dat van een ander. Het ongemak doet daarom denken aan dat waarmee ik een onwelriekende zwerver uit de weg ga, of waarmee ik uit de weg word gegaan alsof ik die onwelriekende zwerver ben.

Afstand houden: dat is geloof ik het thema. Ziekte en dood natuurlijk, paniek en leugens, macht en ongelijkheid, ons gerotzooi met natuur en milieu, melige filmpjes en lieve dingen, ook dat, maar mij treft vooral dat afstand houden.

Hier begroeten we familie en vrienden niet met zoenen, zoals in Nederland, maar met een omhelzing. Dat heb ik altijd erg sympathiek gevonden. Omdat de intimiteit ervan is losgehaakt van elke erotiek, heeft ze iets onbekommerds, iets bonobo-achtigs ook, want iedereen omhelst iedereen. Maar nu dus niet meer. We blijven op afstand en herinneren ons de omhelzingen en voelen een verdriet waar we niet direct woorden voor hebben en waar we ons bovendien meteen overheen zetten, want we moeten nu even flink zijn.

Zo heeft het virus ons teruggeleid naar ons lichaam. Het demonstreert wat we delen, werkelijk delen, tot in elke uithoek van de wereld, namelijk dat we van hetzelfde spul zijn gemaakt, & volgens hetzelfde recept. Maar als het virus wijs is, is het ook cynisch: het laat eerst zien wat ons verbindt en dwingt ons vervolgens om afstand te houden.

Het gekke is dat ik mijzelf zo nu en dan moet dwingen om te zien dat er echt iets aan de hand is. Praktisch gesproken verlopen mijn dagen zoals altijd. Ik lees en schrijf, maak eten, verzorg dieren en planten, & rommel zo de dag door. Het is thuis wat drukker omdat vrouw en kinderen vanuit huis werken of leren. Verder heb ik een reis naar Nederland moeten afzeggen en daarmee een paar afspraken, maar dat is het wel. En toch. En toch wat? Nou ja, dat is dus de vraag. Om op die vraag een antwoord te krijgen, kijk ik naar het nieuws, maar dat is natuurlijk nogal naïef.

Hier is iets wat mij houvast gaf, of troost, of vrolijkheid, of inzicht, of nog iets anders. We hebben de hele winter een vrouwtjesfazant in de tuin gehad. Ik zag haar voor het eerst in december, nadat er wat sneeuw was gevallen. Dineke (zoals we haar zijn gaan noemen) zat toen bij het kippenhok, tegen het gaas aan, met onze acht kippen aan de andere zijde van dat gaas. Ik begreep dat wel: fazanten en kippen zijn een soort halfzusters. De afgelopen maanden zag ik haar zo nu en dan, nooit meer dan een glimp, want ze heeft een fantastische schutkleur. Maar een paar weken terug, toen ik de kippen naar buiten liet, schoot ze opeens langs me heen, over het pad, om zich bij de kippenzwerm aan te sluiten. De kippen keken niet op of om & ook Dineke zelf deed alsof het de normaalste zaak van de wereld was. Het tafereel wakkerde mijn hoop op verzustering en wereldvrede natuurlijk aan, maar toen ik na een uurtje aanstalten maakte de dames terug te leiden naar de ren, verdween Dineke in de bosjes. Sindsdien heb ik haar niet meer gezien. Maar: wie weet. Je ziet op zo’n moment toch iets van het paradijs, toen mens en dier nog in harmonie leefden, & zelfs met elkaar konden praten. Toen ik jong was, was dat trouwens ook nog zo, dat herinner ik me heel goed, & ik hoop vurig dat we die samenspraak snel weer opnemen, want dat lijkt me de enige echte uitweg.

Nou, ik ben heel benieuwd hoe jij het hebt. Hoe moet ik me Amsterdam voorstellen zonder al dat gekrioel en gedoe? Leeg, stil, eng misschien? Zijn er ook voordelen? Is het bijvoorbeeld fijn dat er geen toeristen zijn? Is de hemel vlekkeloos blauw? En heeft de koning mooi gesproken?

Nu moet ik een passende afsluiting kiezen en dat levert nog meer vragen op. Groet? Vriendelijke groet? Met collegiale groet? Ach, weet je wat, ik omhels je doodleuk, helemaal vanuit Zweden, ook al hebben we elkaar nog nooit gezien, gewoon uit principe.

Sander

Amsterdam, 8 april 2020

Hoi Sander,

Je principiële omhelzing is meer dan welkom. Lang genoeg geleden om van ‘voor corona’ te spreken, wees een vriendin me op ’t feit dat ook ik niet aan die drie zoenen doe. ‘Wat knuffelt iedereen hier veel,’ zei ze, ietwat uit ’t veld geknuffeld, op een avond waar ik veel bekenden trof. Ze had gelijk, overal vielen vrienden, vage kennissen, collega’s en mensen die vers aan elkaar voorgesteld waren elkaar in de armen, ik viel hartstochtelijk mee, sporadisch uitgestoken handen en tuitlippen negerend. In het geval van heel goede vrienden komt er trouwens ook nog een wat mijn oma een ‘dikke pakkerd’ noemde bij, een welgemeende, eventueel natte, zoen op de wang.
Ik woon alleen, ik mis het aanhalige. Op sommige dagen lijkt het net of er uit pure aanraakwanhoop extra armen uit m’n lichaam zullen groeien, rijen armen, tot ik een soort duizendpoot ben, of zo’n tentakelige anemoon die alles vangt wat argeloos langsdrijft.

Houd je vrouw goed vast! Je kinderen! Aai een kip! Of zijn jullie ’t zat, op elkaars lip? Uit mijn omgeving hoor ik gemengde reacties. Sommige gezinnen en stellen nemen het ervan, leven zo op een hoop als ze altijd al wilden, anderen mijmeren over het optrekken van muren of het organiseren van robotgestuurde kinderopvang.

Aan de oma van de dikke pakkerd, ze is al bijna vijftien jaar dood, denk ik vaak. We gaven haar voor de grap bussen en bordjes met portretten van ’t koningshuis erop. Toen de koning zijn spreekbeurt oplas voor de natie hoorde ik haar haast schateren uit leedvermaak.
Gisteren zwierf ik door het galmend lege centrum van de stad en ook toen liep mijn oma een stukje op. Ze klaagde bij leven dat de stad waar ze vandaan kwam – ze kwam uit de Jordaan – haar stad niet meer was door alle drukte. Die is nu, althans, in het pre-corona-nu, nog veel heviger natuurlijk. Daar klaag ik op mijn beurt weer over, maar voorzichtig, want toen ik tiener was, was de drukte die mijn oma hekelde mijn eigen kleine hemel. Samen met een vriendin zat ik op zaterdagavonden op de trap van de bibliotheek aan de Prinsengracht. We dronken een blik bier en wachtten tot er een groep leuke toeristen onze tentakels in zwalkte.
‘We gaan jullie de stad laten zien,’ zeiden we, en gaven ze rondleidingen die de hele nacht duurden.

Enfin, ik liep door de lege stad en ik vroeg me af of m’n oma hem ooit zo leeg heeft gekend. Misschien tijdens de oorlog. Bij mijn schaduwoma voegden zich tientallen andere vrouwen; als je in haar stamboom de lijn van haar moeder volgt, kom je met goede wil en (mijn) beperkte genealogische vaardigheden voornamelijk Amsterdamse vrouwen tegen. De vroegste die je vindt trouwde aan het begin van de achttiende eeuw met een Zweedse zeeman.

De dochter van mijn oma is mijn moeder. Zij ligt in het ziekenhuis, niet door het virus maar door een hart dat haar plotseling in de steek liet. Ik fiets dagelijks vanuit Amsterdam-West, waar ik woon, naar Oost, waar zij nu is. Op deze route is het drukker dan in het centrum, waar zonder toeristen maar een handvol bewoners overblijft. Soms lijkt het of er niets aan de hand is.
Ook mijn moeder mag ik niet aanraken, en zij mij niet. Even leek het erop dat ze nooit meer iets kon onthouden, voor altijd in het nu van een globale pandemie zou blijven leven. Maar het wordt beter. Laatst vertelde ik haar dat ik een ooievaar had zien vliegen. Het was de ooievaar uit het Vondelpark, die ik vanuit de zolderkamer waarin ik woon heel rustig rondjes om een populier zag zweven, tegen een streeploze schemerhemel. Vandaag zei ze: ‘Ik zag een ooievaar langs het raam gaan. Wat was er ook alweer met een ooievaar?’

Ik, levenslang buitenwijkbewoner, heb altijd zo diep in de stad willen wonen als ik sinds kort doe. Nu verlang ik naar een platteland als ’t jouwe, of een negentiende-eeuws Drenthe. Het is lekker om zonder al die toeristen goed door te trappen, maar ook is alles gevaar. Stoplichtknopjes, de adem van de fietser voor me. Zo nu en dan wordt er iemand een ambulance ingeschoven.

Ben jij bang? Gek, ik ken je helemaal niet, mag ik een vraag als deze stellen? Ik vroeg je net ook al naar je privéleven. Dat krijg je van zo’n omhelzing.

Ik denk niet dat ik echt angst voel. Ik geloof dat ik vooralsnog slechts beelden opsla. De foto die Thomas Schlijper maakte van de burgemeester die over het Rembrandtplein fietst. De grijze man in de hal van het ziekenhuis waar we onze handen moeten wassen, hij is enorm, draagt een stofkap voor zijn gezicht en zwaait woest met zijn kolenschoppen. Anderhalve meter! brult hij dof, ANDERHALVE METER! En nu heeft jouw fazant Dineke zich bij deze beelden gevoegd, alsof ik alleen maar kippen in m’n kop heb.

Welgemeend aanhalige groet,

Roos

Sebastian Barry, Wytske Versteeg: de redactie las een rustige roman met een soepele, sobere verteller, en een indringend essay over misbruik, kwetsbaarheid en taal.

*

Jan van Mersbergen: Sebastian Barry, Duizend manen

Een samengesteld gezin in een tijd waarin je dat niet verwacht, op een plek waar je dat niet verwacht. Sebastian Barry combineert in zijn nieuwe roman Duizend manen, vertaald door Jan Willem Reitsma, een gezinssituatie die je verwacht bij een hedendaagse sitcom zoals Modern family of Two and a Half Men met het wilde westen. Het werkt goed, vooral omdat hij Winona, de hoofdpersoon van Indiaanse afkomst, heel soepel laat vertellen.

‘Nou, ik barste gewoon in tranen uit toen ik hem zag aanrijden want zo was de toestand waarin ik verkeerde.

Winona vertelt. In de zin staan geen komma’s. Ze vertelt wat ze voelt. Het is expliciet. Ze is duidelijk. Ze probeert te beschrijven wat ze voelt, en het aangeven dat ze tranen had helpt.

De laatste weken heb ik mopperende reacties gekregen op de manier waarop ik op mijn site over boeken schrijf. Abdelkader Benali noemde het ‘close reading’, en hij gaf aan dat hij daar erg van houdt. Hij is een schrijver, en eigenlijk pluis ik proza na voor lezers die de technische kant van het schrijven interessant vinden, en schrijvers vinden dat interessant, daar zijn ze dagelijks mee bezig.
Een boekverkoper vond dat ik erg veel woorden nodig had om te zeggen dat het een kutboek is. Dat is nou precies het verschil tussen een kwalificatie en een analyse met daarbij hopelijk een uitleg die aangeeft waarom het boek een kutboek is, zonder die term natuurlijk te gebruiken. Schrijvers vinden kwalificaties niet prettig. Lezersreacties die aangeven wat het boek met de lezer doet kunnen ze over het algemeen wel waarderen. Die doen, als het goed is, recht aan het werk van de schrijver, omdat het lezen daarna ook gezien wordt als werk.
Een andere typische reactie was dat ik enkele zinnen uit een boek haal, uit de context, en aan de hand van die zinnen een heel boek kwalificeer. Dat doe ik wel, zinnen als voorbeeld gebruiken, want enkel roepen dat het hele boek geweldig is heeft voor mij minder waarde dan die ene zin die geweldig is, of juist niet geweldig. Het gaat echter niet om het complete boek, het gaat om de stijl, om de toon, om de vertelling, om de stelligheid, om de kracht van de vertelling, om de keuzes die een schrijver maakt, om de afstand tussen ik-verteller en lezer, tussen schrijver en personages, tussen schrijver en lezer. Dat spel, dat beschrijf ik.

De verteller van Barry heeft een groot minderwaardigheidscomplex. Interessante tegenstelling. Haar is van jongs af aan, als Indianenwees, duidelijk gemaakt dat ze niks is. Ze telt niet mee. Ze weet het. Ze is nog minder dan de slaven die nu weliswaar vrij zijn maar nog niks te zeggen hebben. Oud-slaven worden in de stad in elkaar geslagen. Nu ze bij twee mannen woont, een landlord, en twee oud-slaven, is Winona nog altijd de laagste in de rangorde. Ze weet het, ze kent haar positie.

Winona overkomt hetzelfde, ze wordt mishandeld en verkracht. Daar vertelt ze over. Niet in beschouwende passages, niet aan de hand van filosofische referenties, want die heeft ze niet. Ze vertelt hoe ze van onder vernield is.

Als in een roman een verteller opgevoerd wordt, en dat is een keuze van de schrijver, die totaal twijfelachtig is, zoals Johan Harstad doet in Max, Mischa & het Tet-offensief dan is iedere zin die hij formuleert op die keuzes terug te voeren. Zijn verteller twijfelt en houdt de lezer aan een lijntje. Hij is vertwijfeld, maar dat hoeft de vertelling nog niet twijfelachtig te maken. Een verteller kan heel goed iets stelligs zeggen, vanuit vertwijfeling, op een manier die de lezer doet geloven dat hij juist twijfelt. Die gradaties schuilen in een enkel woordje. Dat doseren is wat een schrijver doet, zodat de lezers iets voelen wat aansluit bij het verhaal, de personages, de leeservaring op zich.

Winona twijfelt niet, ze weet echter tegelijk niet wat er precies met haar gebeurd is. Dat is een ander soort twijfel dan het geharrewar van Harstad, dat bladzijden duurt. Barry kiest ervoor een Indianendochter het heft in eigen handen te laten nemen. Nu doet het verhaal er weinig toe, de vertelling is het belangrijkste, daarmee brengt Barry de lezer bij het gevoel dat verstopt zit in deze mooie roman. Mooi, omdat de lezer de kans krijgt iets te voelen.

Barry laat zijn hoofdpersoon vertellen over de slavenhutten, via het oud-slavenmeisje. ‘Er waren drie dozijn geweest. Daarbinnen, zei ze, was de mensheid een boek zonder omslag.’
De alinea houdt hier op. Geen sentiment, alleen het beeld van een boek zonder omslag. Dat is fladderig, dat valt uit elkaar, dat is kwetsbaar, dat is naamloos. De lezer heeft hier eigenlijk een witregel nodig om dit beeld even in te laten werken. Om zelf het beeld af te kunnen maken in je hoofd. Het is niet helemaal duidelijk, maar ergens in je hersenen ontstaat iets wat Barry vaag voor ogen heeft.
Geen losse vertelling die maar doordramt en de lezer overdondert met lege zinnetjes, zoals Harstad doet. Sla het vuistdikke boek maar open en je vindt altijd zo’n zinnetje.

Wacht even, dat doe ik.

‘Omdat ik hoe dan ook een spoor wilde achterlaten, rookte ik een laatste sigaret terwijl ik rondjes door de kamer liep en ik blies uit alle macht de rook tegen de muren, probeerde met mijn hand de nicotine voor eeuwig en altijd in het behang te wrijven.’

Daar hebben we Max weer, de verteller van Harstads opgehemelde roman. Lukraak een zinnetje. Scrollen door het boek op internet, stoppen, cursor stil. Daar istie. Een zonde, maar wel weer een zin die me direct duidelijk maakt dat ik te maken heb met een acteur die een pose aanneemt, die effect wil, van zijn eigen handelen. Ik verzin het niet hoor, het staat er. Een ik-verteller die een sigaret opsteekt omdat hij een spoor wilde achterlaten. Het is geen roker, hij wil iets bereiken met het roken van een sigaret. Terwijl hij rondjes door de kamer liep blies hij de rook uit. Uit alle macht, ook nog. Tegen de muren. Ik zie hem draven. Blazen. Een scène, jawel. Hij zet het nog even aan door de nicotine, niet de rook, het behang in te wrijven. Doe je best maar. lastig om de nicotine van de rook te scheiden, maar dat terzijde.

Ik bedoel maar, de ene schrijver brengt zijn beelden op een andere manier dan de andere schrijver. Het mannetje dat Harstad opvoert brengt iets anders over als de verteller van Barry. Mijn voorkeuren geef ik graag aan. Niet om lezers op een of ander spoor te zetten. Lezen is altijd lezen, maar wel hoop ik dat de technieken achter een boek, achter een hoofdstuk, zelfs achter een enkel zinnetje, op een of andere manier meegenomen worden in een analyse van het boek.

Laatst werd een recensent geïnterviewd. Hij zei dat het objectief analyseren van een boek onzin is. Nu heeft hij zeer sprekende persoonlijke voorkeuren, vooral voor vrouwelijke schrijvers, zelfs zo sterk dat wanneer er een nieuw boek verschijnt van een vrouw en je weet dat hij het gaat bespreken, het bijna mogelijk is die recensie al te schrijven voor hij verschenen is. Toch spreekt het idee van persoonlijk over boeken schrijven me erg aan.
Waarom bevalt dit boek van Sebastian Barry me zo goed, en dat van Harstad niet? Waarom denk ik bij de ene verteller: stel je niet aan, en neemt de andere verteller mij moeiteloos mee haar verhaal in? Dat is het verhaal dat ik als lezer en als schrijver hier graag wil vertellen.
Vanzelfsprekend heeft dat te maken met wie ik ben, met wat ik kan waarderen, met de manier waarop er vroeger in de polder tegen me gepraat werd, welke waarden daar belangrijk waren, welke waarden me naar de stad dreven, waarom ik wel voor schrijven kon kiezen en niet voor muziek maken. Het heeft te maken met mijn reactie om mijn omgeving, want een roman is een zelfgekozen andere omgeving die ik op bepaalde momenten binnenlaat. Is dat in de winter en de dagen zijn kort en donker, dan leest een boek al anders dan in de schaduw op een zonnige dag met een koud drankje naast je. Dat speelt ook mee. Maar vooral kunnen romans en vertellingen aangeven wie je bent, als lezer, als mens.
Dat ontdekken, dat uitpluizen, dat is een andere manier van lezen dan enkel vluchten voor wie je bent door te verdrinken in een dik boek. Dat sla je dicht, onder de indruk, maar over jezelf heb je niks geleerd.

Terug naar Duizend manen, en dat andere boek.
De stellige manier van vertellen van Winona, die op geen enkel moment een pose aanneemt of vreemde handelingen verzint om haar gevoel over te brengen, die zeg maar geen nicotine in het belang wrijft om wanhopig aan anderen, die er op dat moment niet eens bij zijn, maar die pas later als toehoorders / lezers de pineut zijn, te laten zien welke gevoelens er in haar borrelen, neemt het heft in eigen handen.
Dat doet ze. Direct. Ze kronkelt niet honderd bladzijden met dat besluit in haar hoofd en reacties in haar lijf, al vertelt ze wel dat ze nadat ze verkracht was over haar hele lichaam trilde. Dat trillen draagt bij aan het overbrengen van wat haar overkomen is zonder toneel te spelen, dat voelt de lezer meteen. Ze schaamt zich bijna dat ze trilde, zo vertelt ze het. Als de jongen op wie ze misschien een oogje had bij de boerderij komt aanrijden en Winona hem niet wil zien, dan beschrijft ze het trillende oude paard waar hij op zit. Dat trillen is precies hetzelfde beschreven.
Ik blijf denken aan de verteller van Harstad die nicotine in het behang wrijft. Sorry hoor, maar wat zou Barry van zo’n personage en zo’n handeling gemaakt hebben?

‘Je kunt niet je hele leven een tranenfontein zijn,’ zegt Winona.
Winona is zo veel sterker, de vertelling is zo veel sterker. Ondanks die tranen, ondanks dat trillen in haar beschadigde lijf. Wat Duizend manen zo veel sterker maakt is de overdrachtelijkheid. Waar Harstad zijn verteller schreeuwend en poserend voor je zet laat Barry zijn vertelster onder je huid kruipen. De ene wil je het liefst wegsturen, als een verkoper die aan de deur staat, deze Winona wil ik vasthouden en beschermen. Een romanpersonage waar je voor wilt zorgen, als lezer. Is dat niet het mooiste compliment? Is dat niet wat schrijvers moeten zien te bereiken?

Soms is het taalgebruik van Winona erg formeel, overdreven formeel. Zo noemt ze advocaat Briscoe steeds ‘de advocaat Briscoe’, en formuleert ze: ‘Ik had de indruk dat de advocaat Briscoe vanaf zijn eerste verschijning vreugde in hem schepte.’ Briscoe vond iemand leuk, maar ze zegt het wat stijfjes. Een manier van spreken die me in De ondergrondse spoorweg van Colson Whitehead erg tegenstond, niet ontoevallig ook een boek over slaven in Amerika, maar hier begrijp ik het wel, voel ik het wel, past het bij de verteller. Het grote verschil: Barry laat een ik-verteller dit zeggen, van binnenuit. Whitehead vertelt zelf zo.

‘Ze spraken over hun opleiding aan de jongensacademie in Paris die ze allebei in verschillende jaren hadden bijgewoond.’

Dat zijn geen vertaalfoutjes, dat is de stem van Winona zoals Barry hem bedacht heeft, de stem van een Indianenmeisje tussen slaven. Die volgen geen opleiding, in hun beleving woon je een opleiding bij. Die afstand tot opleiding zit compleet in haar stem. Mooi.

Had ik al verteld dat in deze roman, Duizend manen, de twee oude mannelijke personages die voor Winona zorgen dezelfde mannen zijn als die in Dagen zonder eind, de roman van Barry die in drie jaar geleden las? Ik kwam er pas achter toen ik al zestig pagina’s op weg was in deze nieuwste. Barry legt niet de nadruk op die mannen, op hun verleden, op hun relatie die duidelijk homoseksueel is, maar dus niet dusdanig benoemd.
Het verschil tussen de vertellers is zo opvallend en eenvoudig, en een gevoelskwestie. Dat kan iedereen. Over het vertellen en opschrijven zeggen beide vertellers iets. Vergelijk de Max van Johan Harstad met de Winona van Sebastian Barry.
Max: ‘Ik schrijf dit tenslotte voor jullie, voor ons, voor mezelf. Ik schrijf dit voordat ik het vergeet.’
Winona: ‘Ik weet die dingen dus ik schrijf ze op.’
Bepaal zelf maar welke insteek, toon en zegswijze je voorkeur heeft.

Duizend manen vraagt wel iets van de lezer. Het vraagt niet achterover te leunen en je te laten overrompelen, het vraagt een traag leestempo, aandacht voor zinnetjes, een pauze, en weer verder op pad met Winona.
Ze weet: alle rivieren komen uit in de zee. Ze had de sheriff kunnen doodschieten, maar ze deed het niet. ‘Maar net als de rivier, later, kwam het allemaal op hetzelfde neer.’ Daarmee sluit ze het zesde hoofdstuk af nadat ze verteld heeft dat ze de sheriff dood had kunnen schieten en ‘dan een verhaal had gehad dat door een plotse wending was geraakt.’
Dat heeft het boek wel, maar dat weet ze zelf niet.
Ik besteed weer erg veel woorden, ruim tweeduizend, aan een roman die waarschijnlijk de zestigduizend woorden maar net haalt. De verhouding bespreking : roman is één op dertig. Dat zou een eis voor boekbesprekingen in kranten moeten zijn, in plaats van driehonderd lovende woorden over een boek van duizend maal zoveel woorden.
Dat zijn de Duizend manen uit de titel.
Mocht je niks te doen hebben, deze weken, thuis, lees dan dit boek. Lees het heel rustig, dit boek, want het zit vol indringend gevoel.

Querido gaf Duizend manen uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Daan Stoffelsen: Wytske Versteeg, Verdwijnpunt

Het nieuwe boek van Wytske Versteeg, een essay, Verdwijnpunt, begint prachtig, met een beeldspraak die duisternis en kwetsbaarheid oproept:

‘Misschien zou dit boek stekels moeten hebben. En ook een kaft niet van gewoon karton, maar van een materiaal met het soort rotsachtige hardheid waaraan je je kunt stoten en bezeren. Of ik zou het in waterverf moeten maken in een huidkleur die bijna doorzichtig is, of anders van glas dat breekt als je het aanraakt.’

En dat klopt, dit boek is openhartig en hard, gegroeid vanuit een geschiedenis van misbruik en aanranding, van depressie ook, verwijdering van geliefden, zelfmutilatie, zelfmoordverlangen. De autobiografische gegevens die Versteeg aanreikt, hakken erin of schrijnen, ze raken je. De feiten zijn verschrikkelijk. Maar Versteeg mijdt sentiment (‘niet zonder me af te vragen of die woorden niet al te groot, te melodramatisch zijn voor iets wat zo vaak voorkomt als seksueel geweld’), ze zoekt naar taal die past, naar hoe het schrijverschap bij haar past ook. Ze bevraagt taal. Wat is ‘trauma’, vraagt ze zich bijvoorbeeld af:

‘Een traumatische gebeurtenis doorboort de huid – de grens tussen mijzelf en de wereld buiten mij – en verstoort de samenhang van levend weefsel. Het is een moment als een klap of een snee of een schok, waardoor een plotselinge scheiding ontstaat. Als ik mezelf tijdens het koken per ongeluk in mijn duim snijd, zal ik mijn beweging staken zodra ik de pijn van de snee voel. […] Een onhandige beweging met een keukenmes beschadigt de huid van mijn vinger, maar er zijn ook ongerechtigheden die schade toebrengen aan mijn “tweede huid”: mijn reputatie, waardigheid of zelfbesef.’

Wat een grote woorden, dacht ik: waardigheid, zelfbesef. Maar Versteeg illustreert het overtuigend. Ze verdiept de metafoor die ‘trauma’ is in psychische zin, en laat zien hoe het een mens kan beïnvloeden, en deel is van een maatschappij. Of de lichamelijkheid van ons ik, daar schrijft ze ook over: ‘Stay in touch, zeggen de Engelsen, keep in touch, blijf zo dicht bij mij dat ik je kan aanraken, dat ik mijn arm kan uitstrekken om de contouren van je lichaam af te tasten, er zeker van te zijn dat jij het nog steeds bent, al liggen er jaren en kilometers tussen ons in. […] Out of touch, dat ben ik, niet meer in staat om aangeraakt te worden, ook niet als de fysieke afstand opgeheven wordt en we weer in dezelfde kamer zijn.’

Minder dan Manon Uphoff, die met Vallen is als vliegen een monument oprichtte voor het misbruikte kind én een geweldige roman schreef, tast Versteeg de gebeurtenissen zelf amper af – nu doe ik het ook, het ontwijken (‘Waar ik vermeed, en nog altijd vermijd, een naam te geven aan wat er gebeurd was, zocht ik wel naar de meest passende woorden om de pijn te beschrijven die ermee samenhing.’) – maar kijkt ze naar de tijd daarna. Hoe het tussen jou en de omstanders (haar ouders) komt te staan, hoe het je zelfvertrouwen beschadigt, je vertrouwen in anderen, hoe het je schokt en doet wankelen en omver werpt. Hoe uiteindelijk één persoon je kan helpen, misschien zelfs helen (waarom die term passend is, weet ze ook overtuigend te zeggen).

Maar dat dit boek niet per se de afsluiting is. (‘We willen niet dat iemand uit de afgrond terugkeert zonder iets voor ons mee te nemen; we willen helemaal niet horen dat het er gewoon alleen maar zwart is. Maar als er al iets is wat je kunt meenemen, als er iets is wat je kunt leren van ervaringen die je net niet doden, dan is dat niet in woorden uit te drukken, niet zonder onmiddellijk te verschrompelen tot een cliché, iets wat duizenden mensen al duizenden keren eerder hebben gezegd.’)

Dit alleen al, beschreven in een zuivere stijl, is een prestatie. Maar Verdwijnpunt is, in de persoonlijke, zoekende vorm die ik het liefst zie, ook een essay. Versteeg heeft zich ingelezen, en verwerkt soepel citaten uit de wetenschappelijke literatuur en de filosofie, uit romans, gedichten en memoires. Ik moest denken aan Manon Uphoff dus, maar ook aan Eva Meijer, die in De grenzen van mijn taal haar depressies onderzocht, en dat verbond met literatuur, taal, filosofie, psychologie.
Verdwijnpunt is net als dat essay literaire non-fictie: niet de plot, die is triest genoeg een verhaal van velen, maar de verwerking doet ertoe: die is gevoelig en intelligent. En prachtig geschreven. Ik heb veel geleerd en hoop meer te leren na herlezing over pijn, geweld, verdriet, kwetsbaarheid, taal.

Querido gaf Verdwijnpunt uit. Lees een fragment op Athenaeum.nl.

Hoe is het met je? Ik mag niet klagen: ik heb met mijn zes- en achtjarige een excuus om af en toe naar buiten te gaan, ik kom nog wel eens in een bos. Ik hoor meer vogels dan ooit – ondanks de afgezegde vogelgeluidencursus. We zijn gezond. Maar mijn hoofd werkt niet mee, ik kan me slecht concentreren. Coronadreiging en quarantainebeperkingen tussen mij en de wereld. Als een muur. Als mist. Tegelijk begint die wal op anderhalve meter afstand – verder zie ik niet.

Genoeg slecht geslaagde beeldspraak, genoeg staccato: ontstaat er al literatuur die verder gaat dan de paniekreactie? Een tweede verkenning, aan de hand van Ilja Leonard Pfeijffer, Dimitri Verhulst en Roos van Rijswijk, met Viralen en nog een handvol links.

*

Waarom noem je Ilja Leonard Pfeijffers stukjes in NRC Handelsblad niet, vroeg Manon Uphoff me op Twitter. Ik heb er overheen gekeken, was mijn eerste reactie, althans, ik lees ze drie van de zes dagen wel, maar ik koos voor online initiatieven. Ze zijn mooi hoor: ‘In de krant staat een stuk over de blinden. Omdat ze niets en niemand meer kunnen aanraken, leven ze nu waarlijk in het donker,’ schrijft Pfeijffer donderdag, en dat is werkelijk tragisch, als je je dat realiseert. Dan is hij weer even de auteur:

‘Als schrijver denk ik beroepshalve na over verhaallijnen, spanningsbogen en compositie. Ik besef dat dit dagboek om literaire redenen een omslagpunt nodig heeft. Alleen al vanuit compositorisch oogpunt zou het wenselijk zijn dat ik zou kunnen schrijven over dalende grafieken, hoop, de overwinning van de haast vergeten normaliteit op de stilte en leven dat eindelijk herademt. Maar de werkelijkheid voegt zich vooralsnog niet naar mijn literaire behoeften.’

Dat hadden we hem van harte natuurlijk gegund, en zijn slot (‘We kunnen niet voorzien in welke wereld wij wakker worden als deze nachtmerrie ooit voorbij is. We volgen deze verhaallijn zonder zicht te hebben op een catharsis. We zijn allemaal blinden die beroofd zijn van hun tast en we leven, ondanks de felle zon, waarlijk in het donker.’) is prachtig bijeengebracht, maar het is ook zo literair, als in: indirect, doordacht. Hier lees ik dezelfde Pfeijffer als in Grand Hotel Europa, de vakman die speelt met taal en literatuur en maatschappij en alles netjes afhecht, en die je terugvindt in Viralen, een digitaal literair magazine in tijden van quarantaine.

Viralen is een initiatief van Pfeijffers literair agent, en diens auteurs staan erin: Radna Fabias, Fleur Pierets, Pfeijffer, Charlotte Van den Broeck, Melissa Giardina, Roderik Six. Van Pfeijffer staan er twee oude verhalen in, Fabias’ vertaling krijgt nieuwe relevantie, alleen Pierets (met een goed bedacht verhaal over meer dan een jaar van eenzame Opsluiting) en Giardina (met een fris en aanstekelijk verslag van een coronaverkoopdag buiten bij boekhandel Het Paard van Troje) lijken daadwerkelijk over deze tijden te schrijven. Maar lezen willen we toch – maakt het uit?

Wel voor de insteek van deze blogpost. Zeker over deze tijden gaat het blog van Dimitri Verhulst op de site van Uitgeverij Pluim. ‘Werken in de tuin is allemaal goed en wel, voor de moraal nog beter dan voor de rug, maar je hebt er wel een heleboel afval mee. Een Babelse toren aan snoeisel is het geworden, hier en daar een buizerd die mij wou aanklagen voor de schending van zijn eigendomsrechten zelfs,’ schreef Verhulst vrijdag. En hij kon dat snoeiafval, een ingestort tuinhuis, kapotte voederbakken niet kwijt. ‘Alles moet kapot, en alles gaat kapot.’ Tijd voor een kampvuur.

Het is als met Pfeijffer: wie Verhulst kon waarderen in gewone tijden, kan dat nu ook. 17 maart schreef hij, en ik pers er een flauwe lach uit: ‘President Macron heeft gisteren de hele Franse bevolking maatregelen opgelegd die ontzettend hard lijken op de maatregelen die een schrijver voor zichzelf neemt wanneer hij aan een roman begint: het bijna totale isolement. Hij voegde eraan toe dat de natie dan ook in een staat van oorlog verkeert. Dat is het dus, oorlog, ik ben al meer dan twintig jaar in staat van oorlog, en het zijn vooralsnog bijzonder verrijkende jaren gebleken. Zoals Macron het voorstelt, wil ik nooit meer terug naar de vrede.’

Dat is natuurlijk het risico van al die schrijvers die opeens door hetzelfde lot met ons verbonden zijn: ze zien geen verschil. En ik evenmin.

Eigenlijk is de coronacrisis daarmee vooral achtergrondruis. Maar er zijn mensen ziek om ons heen, er moeten mensen zorgen, er sterven mensen – Pfeijffer schreef over de zwager van zijn zwager, bij ons in de omgeving is het de opa van een klasgenootje die het gezicht van de ziekte is geworden – en dan gaat het volume van de ruis omhoog, als een allesoverstemmende brom. Geluidsmist. Heel indringend is Roos van Rijswijks verhaal op haar eigen site, ‘Ik kan U niet bereiken’, dat misschien nog het meeste over verlies gaat en rouw en depressie, maar ook een zin bevat als:

‘Weet je het zeker, appte ik mijn moeder, ik kan ook naar jou toe komen, dan wandelen we met anderhalve meter ertussen een rondje door de buurt.’

Nicolien Mizee heeft in Trouw tips voor dagboekschrijvers in tijden van corona, hele mooie, waaronder: ‘Het vereist kalmte en distantie om jezelf zo te beschouwen. Vandaar mijn advies: houd anderhalve meter afstand tot wat je observeert.’ Die afstand is ingebakken in het schrijversambacht, maar in Van Rijswijks verhaal handhaaft ze de afstand en overbrugt ze hem. Als je ook in mijn mistbank rondloopt, en alles versnipperd tot je neemt, neem dan dit. Lees dit verhaal.

P.S. Er is meer, natuurlijk! Met dank aan Marie-José Klaver, die meteen een lijstje doorstuurde.

  • De podcast Het verblijf. Literatuur zolang het duurt (via Spotify), waarin poëzie en proza voorgelezen wordt.
  • Voor mijn achtjarige: Huisarrest, waarvoor tien schrijvers tien jeugdverhalen schreven, als een kleine Decamerone.
  • Er zijn leesclubs. Bas Heijne op Twitter als @NRCTwitlit, Mondo (Garth Greenwell), Trouw (Dido Michielsen). De Revisor start geen leesclub.
  • Last but not least: het Pandemic Journal van de New York Review of Books, waarin auteurs van het eminente tijdschrift verslag doen vanuit huis. Dat betekent open deuren (‘Sometimes boring is the best you can hope for.’) maar ook inkijkjes in hoe het elders is (Pakistan: ‘In the minds of many, Covid-19 is just another life-threatening hazard in a city that stumbles from one crisis to another.’), en je komt je favorieten tegen.
    Allerlei bekende namen (Tim Parks, Yiyun Li, Hari Kunzru, Richard Ford, Adam Foulds, Michael Greenberg) schreven mee, maar ook Elisa Gabbert bijvoorbeeld: ‘I’ve been having a feeling, on and off, that I can’t describe—my inability to name it is its most distinguishing feature. I can’t decide if the symptom is confusing or confusion is the symptom.’

P.P.S. Wordt De Revisor links ingehaald door al die initiatieven? Ja, en nee. We hadden anderhalve week, of maand, nodig om een gelijke mate afstand en intimiteit te bereiken. Vanaf volgende week, samen met de SLAA.

Hoe is het met je? Ondanks de lyrische oproepen tot lezen in tijden van corona kom ikzelf daar amper aan toe. Ik snack snippers via Twitter, en boeken gaan in stukjes, heel traag. En ik vraag me af: hoe is het met de schrijvers? In Amsterdam, Nederland, de wereld? En ontstaat er al literatuur die verder gaat dan de paniekreactie? Een eerste verkenning.

*

1. Literatuur in het thema corona

  • Wytske Versteeg (zelf de auteur van Quarantaine [fragment, nu herdrukt] deed in NRC Handelsblad een voorzet. Want er is epidemie- en quarantaineliteratuur: Albert Camus’ De pest, maar ook García Márquez, Saramago.
  • Bob Kappen (Athenaeum Boekhandel), Joost de Vries (De Groene Amsterdammer) en Ellen Deckwitz (zichzelf) maken weer een BoekenFM-podcast, ook vooral over De pest.
  • Rob van Essen schreef in 2010 al een quarantaineverhaal, dat nu op zijn blog te lezen is: ‘Al die dooie baasjes’.
  • Vertaler Piet Schrijvers leest Lucretius voor over de pest.
  • Fabienne Rachmadiev bij RektoVerso over afzondering en verveling bij Joris-Karl Huysman en Ottessa Moshfegh.
  • Op Athenaeum.nl ben ik ook aan het verzamelen: fragmenten, recensies. Fragmenten uit Liefde in tijden van cholera en De pest volgen nog.

2. Lezen online

  • Iduna Paalman bekent bij De Groene Amsterdammer: ‘Omdat ik geen viroloog ben kan ik weinig wezenlijks zeggen. Ik zeg het vast: ik zeg niets.’ Om vervolgens met een prachtig gedicht van Anne Sexton te komen.
  • Joost Baars is op zijn blog met dagafsluitingen begonnen, hij leest gedichten in de context van corona. Hij leest goed, en het troost.

3. Voorlezen online

  • Bij Uitgeverij Pluim op Facebook lezen onder anderen Toine Heijmans, Hannah van Binsbergen, Lieke Marsman (ook hier bij de Volkskrant over eenzaamheid) en Maarten van der Graaff voor uit eigen werk.
  • Merijn de Boer leest voor uit De geur van miljoenen, onder andere ‘Wafelbakker’, dat ook in De Revisor verscheen.
  • De Decamerone is een quarantaineklassieker. OVT wijdde een aflevering aan de pest, waarin Arthur Weststeijn sprak over Boccaccio’s boek. Mondo en ITA dragen verhalen eruit voor, net als de mensen achter Radio de Richel.

4. Nieuwe virusliteratuur

Dit is nog wel het spannendst: gaat het iets nieuws opleveren, literatuur die de menselijke conditie verheldert, geeft het urgentie aan schrijverslevens die – stiekem – niet heel veel anders waren dan hiervoor, afgesloten van de werkelijkheid? Ik weet het nog niet. Misschien komt het hier, in ieder geval zijn er twee podia waar de eerste pogingen verschijnen:

Er is meer. Nieuwe fictie, frisse observaties.

  • In 2017 al schreef Dieuwke van Turenhout een quarantaineverhaal voor ons, ‘Nova’. In drie delen op de site: 1. 2. 3.
  • Marente de Moor schreef voor de VPRO ‘Het was het jaar van de rat’: ‘Toen in een keizerrijk ver hier vandaan een man een hap nam uit een vleermuis.’
  • Bij Tirade beschrijft Gilles van der Loo de kleine werkelijkheid (‘Ik nam de kinderen weer mee naar huis, waar ze Jurassic World keken terwijl ik nu.nl maar bleef verversen.’), en Menno Hartman leest Bill Bryson over virussen (‘Vreemd genoeg maakt deze informatie je milder gestemd. Zo’n eenzaam vreemd virus in een watertoren in Bradford heeft het ook niet makkelijk.’).
  • Walter van den Berg schrijft ‘berichten uit het einde van de wereld’ op zijn blog: werken, thuiswerken, de uiterwaarden waar hij leeft. Van den Berg heeft goede overlevingskansen, qua isolatie, en sobere, bijna onderkoelde observaties.

Bonus: Teju Cole komt vast nog met een essay, maar hij komt in ieder geval met Spotify-playlists. Nu al drie!

Suggesties? Mail ze naar kopij@revisor.nl. Binnenkort meer op onze site.

Henry Roth, Teju Cole: de redactie las een roman van 85 jaar geleden met trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen, en een essay over vertalers en hulpverleners aan de grens – en hoe ze beide groepen De oversteek verzorgen.

*

Jan van Mersbergen: Henry Roth, Noem het slaap

Ruim vijfentachtig jaar oud is Noem het slaap, de oorspronkelijke titel Call it sleep klinkt een stuk beter, de bildungsroman van Henry Roth, en nog steeds leest het boek ontzettend goed. We volgen David, een jonge Pools-Oostenrijkse immigrant die in 1907 als tweejarige in New York aankomt. Zijn Joodse familie bestaat uit zijn liefdevolle moeder en geschifte vader.
Meteen in een van de eerste scènes moet de jongen als hij een jaar of zeven is het kantoor binnengaan waar de vader gewerkt heeft om diens spullen op te halen: wat kleren en het geld dat hij nog tegoed heeft. De jongen wordt vriendelijk ontvangen, krijgt de spullen vrij soepel mee, wat de vader later erg tevreden stemt, maar de jongen komt er ook achter dat zijn vader in het kantoor mensen met een hamer heeft bedreigd. Hij verzwijgt het incident, draagt het vervolgens als een last met zich mee.
Dat zal David vaker doen. Als een meisje dat hij hem in het gebouw in een ander appartement woont hem in een kast duwt en kust en aan hem wil zitten, een MeToo-scène van bijna honderd jaar oud met een meisje als dader en een jongen als slachtoffer, probeert hij het meisje voortaan te ontlopen. Hij denkt er wel heel vaak aan.

Een bildungsroman, dan weet je: dat verhaal begint in de jongste jeugd en de schrijver gaat de tijd nemen. Dat gebeurt in Noem het slaap ook. Roth – geen familie van de bekendere Philip Roth – schrijft trage uitgebreide scènes waarin van alle personages een mooi beeld geschetst wordt en waarin steeds bijzonder scherpe tekenende zinnetjes terugkomen.
Als de vader de jongen naar zijn voormalige kantoor stuurt en de jongen hetgeen hij moet zeggen herhaalt en probeert te onthouden zegt de vader: ‘Zeg het in het Engels, idioot.’
Als de moeder vertelt over haar jeugd in Oost-Europa blijkt ze uit een zeer welgestelde familie te komen. Ze hadden wel vijf bedienden. Ook vertelt de moeder over mensen die dood gaan: ‘Ze sluiten hun ogen voor een slaap van eeuwige jaren.’ Die mensen worden begraven, en het is voor altijd. Alles wat de moeder daarna vertelt dringt niet meer echt tot David door. Hij blijft in zijn hoofd maar herhalen: ‘Donker. In het gras. Eeuwige jaren…’

Pijnlijk is het als David zich niet lekker voelt en zijn vader hem tijdens het eten beschimpt. Er is een huisvriend op bezoek. Een vreemde man, Luter. De jongen is misselijk, zegt iets geks, de vader zegt dat hij de soep moet eten: ‘Nou komt er nog wat van?’
En verderop: ‘Gedurende de rest van de maaltijd at David heel voorzichtig, zo nu en dan heimelijk opkijkend om te zien of hij soms iets deed wat zijn vader mishaagde. Naar Luter waagde hij het geen moment te kijken, uit angst dat alleen het zien al van die man hem zo in verwarring zou brengen dat hij nog meer blunders zou begaan. Toen zijn moeder het dessert voor hem neerzette, was hij al met zichzelf aan het overleggen of er niet een manier was om zich terug te trekken, een plekje waar hij zich verstoppen kon terwijl ze toch dachten dat hij er was, of tenminste niet anders verwachtten.’

Die arme jongen. Roth beschrijft precies zijn gedachten en overwegingen, in een huiselijke scène die levendig en rustig tegelijk is. Roth vertelt erg veel, doet niet aan show, don’t tell, maar schenkt je wel een beeld van deze jongen met genoeg informatie en tempo zodat je zelf dat beeld kunt vormen. Het laatste stukje, inleving, laat hij aan de lezer over. Dat lukt hem erg goed.
Zijn vader is een ellendeling, de vriend van zijn vader een waardeloos figuur, jongens in de buurt pesten hem, jagen hem op. Je hoopt steeds dat David iemand vindt die aardig voor hem is, zo simpel is de emotionele lading van dit boek. De verwachting en de hoop die Henry Roth bij de lezer dumpt komt neer op mededogen. Een klein menselijk omzien naar deze jongen. Het is een harde manier van schrijven en een verhaal vertellen: zo’n ventje allerlei ellende mee laten maken zodat de lezer op dat spoor gezet wordt.

Daan Stoffelsen: Teju Cole, ‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’

Alsnog was ik op het Boekenbal, om mensen handen te geven en te zoenen en te spreken en mee te dansen (ik zit nu in provinciale quarantaine, op advies van de overheid), en als illustratiemateriaal bij Gilles van der Loo‘s blog bij Tirade. Dank daarvoor aan onze uitgeverij! Natuurlijk zette het gesprek zich voort over het Boekenweekessay, en op het nippertje liep ik Arie Storm tegen het lijf, die vond dat ik vier dingen veel explicieter en zwaarder had moeten zeggen, en zijn laatste punt heeft duurzame waarde voor elk Boekenweekessay: maar het ís helemaal geen essay!

Nu is die genreaanduiding swoieso sterk gedevalueerd (Sjoerd de Jong merkte afgelopen weekend op dat het ‘zo langzamerhand een parapluterm voor alle stukken waarin de pen wat losjes wordt gevoerd’ is), maar ik denk dat Arie en ik het wel eens zouden worden over dat een persoonlijk perspectief, een onderzoekende geest (en blijk van onderzoek) en twijfel als basis horen bij het essay. Rancune, een oppervlakkige overtuiging en belediging zijn dan een wat beperkte invulling.

Je zou, in lijn met Gerwin van der Werfs pleidooi voor betere, bijzonderder Boekenweekgeschenken met meer experiment – ‘Sta toe dat het mislukt (dat doet het nu ook, vaak zelfs) -, hopen op échte essayisten, die hebben we toch nog wel, de Hanlo Essayprijs kan elk tweede jaar weer een mooie shortlist samenstellen, en we hebben waardige P.C. Hooftprijswinnaars in dat genre.

Maar ik vrees dat dit een stap te ver is: de Boekenweek is voor elk boek en elke lezer (en niet-lezer), en de wendbaarheid op tv van iemand als Akyol lijkt voor het bereik onontbeerlijk. Daarom stel ik voor dat De Revisor volgend jaar het thema volgt en opdracht geeft tot twee of drie essays. Dit speciale themanummer – ik hoop op ‘Mijn beste vriend. Boeken over honden’ of ‘Kedengedeng. Literatuur en seks’, maar democratie, Scandinavië en de Noordzee mogen ook – vullen we verder met vertaalde literatuur en de tien grootste ongepubliceerde talenten van de Nederlandse literatuur. We laten het nummer de dag voor de Boekenweek verschijnen en maken het € 15,-, je krijgt het bij aankoop het Boekenweekgeschenk, en de redactie verzorgt in het voorprogramma van het Boekenbal een mimevoorstelling.

(Noot aan de redactie: niet alles in bovenstaande alinea is een grap.)

Nu is de Boekenweek bijna klaar, en dan komt het volgende hoogtepunt: ons nieuwe nummer! ‘De oversteek‘ is ‘een nummer over water en land, eiland en overkant, beweging en isolatie, standpunt en migratie’, met Jeroen van Kan, Mathijs Deen, A.L. Snijders, Jan van Mersbergen, Emily Kocken, Marjolijn van Heemstra, Cynan Jones, Laura Broekhuysen, Miek Zwamborn, Roberta Petzoldt, Iduna Paalman, Ocean Vuong, Bart Koubaa en Erik Lindner. Mooie line-up, vind ik, maar zoals bij elk nummer kwam op het laatste moment iets langs wat zó goed had gepast… Vorig nummer, ‘Huid’, was dat Naomi Rebekka Boekwijts verhaal ‘Psychiatrische dagen‘, dat we toen online hebben gepubliceerd.

Nu is het een essay van Teju Cole. Teju Cole is een van mijn favoriete schrijvers, een stilist, een sombere romancier, met oog voor schoonheid en onrecht – ik heb zijn Open stad als een van de vijf beste romans van de afgelopen twee decennia genoemd. Dit stuk, een bewerking van een ‘keynote address’ bij het Haus der Kulturen der Welt, Berlijn, 18 juni 2019, trekt vertaling in ons thema: ‘The translator, then, is the ferry operator, carrying meaning from words on that shore to words on this shore.’

Jona Hoek (voor Cynan Jones) en Astrid Staartjes (voor Ocean Vuong) deden dat natuurlijk ook al impliciet, maar Cole wijst op de inventiviteit van vertalers. Het persoonlijke perspectief: zijn Italiaanse vertaalster heeft een woord verzonnen, ‘nerità’, om de volle betekenis van ‘blackness’ recht te doen in zijn essay, zijn Duitse worstelde met een eerste zin van Open City. Ik vind dat geweldige verhalen, ik verzamel ze niet voor niets op Athenaeum.nl, ze wijzen je op de beweeglijkheid en starheid tegelijk van taal, en Cole doet nog meer. Hij stapt over naar veermannen en -vrouwen in een concretere zin van het woord: de reddingswerkers in de Middellandse Zee en aan de Mexicaanse grens. (Het is bemoedigend dat de aanklacht tegen Scott Warren, vanwege zijn hulp aan de Amerikaanse grens, is ingetrokken – dat haalde deze publicatie niet.) En dan stelt hij een verrassende vraag:

‘Can we draw a link between the intricate and often modest work of writers and translators, and the bold and costly actions of people like Pia Klemp and Scott Warren? Is the work of literature connected to the risks some people undertake to save others? I believe so—because acts of language can themselves be acts of courage, just as both literature and activism alert us to the arbitrary and essentially conventional nature of borders.’

Een voorbeeld is een Turkse filmmaker en hoogleraar die protesteerde tegen het geweld tegen de Koerden, en nu door de overheid aangeklaagd is. Hier gaat een intellectueel standpunt over in een levensbedreigende, of althans een-leven-in-vrijheid-bedreigende situatie. En: ‘My friend finds herself in great danger for her stand, and so now it is her turn to be ferried to greater safety, because she did the right thing, and we must, too.’

‘What we can go to literature for is both larger and smaller than any cliché about how it makes us more empathetic.’ Nee: ‘Literature does not stop the persecution of humans or the prosecution of humanitarians. It does not stop bombs.’ Maar: ‘I offer this: literature can save a life. Just one life at a time.’

Is dat zo? Coles intentie is zuiver (maar ja, dat beweerde Akyol ook, nadat hij alle kleine kinderen van het literaire schoolplein had weggepest), dat is evident, en intentie en de langere-termijngevolgen zijn denk ik ook wat de oversteek mogelijk maakt tussen het schrijven en vertalen op je thuiswerkplek en het levensgevaarlijke werk bij de grenzen. ‘Contrary to the general noise of the culture around us, writing has reminded me in some modest but essential way of things that people don’t want to be reminded of. Inside this modest thing called literature, I have found reminders to myself to negate frontiers and carry others across, and reminders of others who carry me, too.’

We hebben mensen nodig om ons te redden, te dragen, en mensen om ons eraan te herinneren dat er mensen gered moeten worden – dit essay is zo’n herinnering.

‘Carrying a Single Life: On Literature and Translation’ verscheen bij The New York Review of Books.

Jeroen van Kan publiceert in #25, ‘De oversteek’, voor het eerst proza onder eigen naam in De Revisor. In 2018 (#19) publiceerde hij al wel een gedicht voor Menno Wigman, en in het eerste nummer van 2005 publiceerde hij als Arthur Hemminga ‘Aanklacht tegen moderne jaargetijden’, een verhaal voor alle seizoenen, en tégen alle seizoenen. We doken in het archief.

*

Die zomers aan de Oosterboekelweg waren onverwoestbaar, oneindig, alsof mijn leven vroegtijdig was vastgelopen in een hemelse cyclus. Anders kan ik het niet noemen. Al het aangename dat eeuwig voortduurt kan niet anders dan hemels zijn.
Tegen eindeloze herhaling zijn we later niet meer bestand, maar een kind voelt zich er geborgen in, nestelt zich erin, laat het nog prille lichaam aangenaam vergroeien met de steeds perfecter wordende pasvorm van de herhaling.
Elke dag diezelfde route naar het café op de hoek voor dat waterijsje dat schele Tinus uit die onuitputtelijke vrieskist haalde. Onuitputtelijkheid was een van de eerste kenmerken van de wereld die ik herkende. De boterhammen met pindakaas, de ijsjes, de liefde van moeder, de middagen, de zon, de hele wereld gevangen in eeuwige herhaling. Nou ja, gevangen. Vrij in eeuwige herhaling. De hemel is geen gevangenis, hooguit voor degenen die er ten onrechte terecht zijn gekomen.
Hemels Hoogwoud. Oosterboekelweg nummer vijf. Ik ook vijf. Zes misschien in de zomer die erop volgde, ook al blijf ik me hardnekkig één grote lange zomer herinneren.
Later kwamen ook eindeloze winters, veel later. Mijn leven begon met eindeloze zomers, gevolgd door eindeloze winters. Na die winters was het over. Ineens waren er afgebakende cycli, tijdseenheden die met Nederlandse grondigheid waren onderverdeeld in uren, dagen, weken, maanden. Niets was meer eeuwigdurend. Ik kreeg een duw in m’n rug. Er begon tijd te verstrijken. Hoogwoud loste op. De Oosterboekelweg nummer vijf werd bewoond door nieuwe mensen. Opeenvolging begon. Ik verlangde naar dat geborgen ronddraaien in steeds hetzelfde, maar was al veroordeeld tot eindeloos vooruitsnellen in opeenvolging. Eerst dacht ik nog dat ook die snelle opeenvolging misschien oneindig zou zijn, maar dat bleek al snel niet waar.
De snelheid neemt almaar toe en als die een hoogtepunt heeft bereikt, dan breekt alles, dan is de orde verdwenen, volgen winter- en zomerdagen elkaar ordeloos op en ben ik veroordeeld tot het zoeken naar een houvast dat niet meer wil komen. Dan lijkt ineens die snelle opeenvolging, dat moment waarop de tijd begon met verstrijken, idyllisch en wereldvreemd.

Nu leef ik in de snelle opeenvolging. De versnellende opeenvolging kan ik beter zeggen. Dat ik daarmee bijna herhaal wat ik al eerder zei doet er niet toe. Ik herhaal voortdurend, dwangmatig. Herhalen is een vorm van vasthouden voor mij.
Herhalen is nostalgie. Herhalen is een verkrampte poging tot herscheppen.
Natuurlijk levert dat niets op. Zodra inzicht en kennis zich hebben genesteld laten ze zich niet meer verdrijven. Ineens is het lot duidelijk, blijk je door onbekende krachten op een dakrand te zijn geplaatst.
Het kan de seizoenen verweten worden dat ze zich tot snelle opeenvolging hebben laten verleiden. Hun wisselvalligheid is ook verwijtbaar. Zomers hadden vroeger duidelijke kenmerken, net als winters. Tegenwoordig lijkt in een najaarsoverleg te zijn vastgelegd dat elk jaargetijde ook elementen van het andere jaargetijde moet bevatten. Een compromis. Spreiding van het onaangename, middel tegen steeds maar hetzelfde. Elke dag zon is voor geen zomer tegenwoordig nog uit te houden. Bovendien: het zou in strijd zijn met de afspraken die op het najaarsoverleg zijn gemaakt met de overige seizoenen en hun vertegenwoordigers. Zo organiseren wij dat soort dingen in Nederland. Niets is van zichzelf, alles moet vormgegeven worden. Wat wel van zichzelf is dient te worden aangepast, zodat het niet alleen iets van zichzelf is maar ook iets van iets anders. Alles dient ook kenmerken van iets anders te hebben. Zuiverheid is een vorm van oneerlijkheid. En daarbij is zuiverheid eenvormig. Altijd maar weer hetzelfde. Wij verdragen dat niet meer, wij moderne Nederlanders. In mijn vijfjarige wereld zou iedereen behalve ik als vijfjarige gek worden van verveling, van ongeduld, bezwijken onder de druk van zoveel herhaling, zo’n overdosis identieke ervaringen.
Het begon met het voorzichtig overnemen van elkaars elementen, uit een soort sociale rechtvaardigheid, maar eindigde in een absurditeit. Winters kennen tegenwoordig zomerdagen. Blaadjes vallen soms in zomers. Knoppen ontluiken soms in winters. Alsof de wereld een voorschot neemt op de wanorde waarin dit leven noodgedwongen zal eindigen. Onacceptabel.
In die zomers was mijn vader een man op de achtergrond. Heel anders dan in de winters die volgden. De Oosterboekelweg behoorde toen al tot het verleden. We woonden in een ander huis, met water voor de deur. Uit die winter herinner ik me mijn vader als de man die elke dag het ijs onderhield. Sneeuwschuiver. Emmers water over het ijs voor de nachtvorst intrad. Wakken markeren met in onbruik geraakte kerstbomen.
De winters waren zonder moeder. Een voorbode. Moeder had van de zomer genoten als van een lekkernij. Vader hielp de winter waar mogelijk vorm te krijgen. Ik had toen al kunnen weten dat ik op weg was naar de uitgang.
Er stond geen bord. Een plek zoals alle andere. Geen kenmerk dat die plek onderscheidde van alle andere plekken. Ik wist niet wat me te wachten stond. De duw voelde ik. Het was alsof een grote schakelaar werd omgehaald en alle attracties van het pretpark tegelijkertijd oplichtten, ook al is de vergelijking met een pretpark in dit geval tamelijk grotesk. De wereld die ik betrad was in alles een antipretpark, vol antiattracties en boosaardigheid.
Ik probeerde me te ontworstelen aan mijn nieuwe toestand. Het begin van verzet. Dat eerste verzet is altijd het meest heroïsch. Later sijpelt de vergeefsheid er als een soort kruipolie doorheen, maar daar heb je dan nog geen weet van. Die onwetendheid is het laatste restje uit de oude wereld. Daarna wordt ook die je ontnomen.
Vader en moeder gingen scheiden. Er volgde weer een ander huis. Zonder water voor de deur. Ik bleef bij moeder. Moeder ontspoorde. Ze was in niets meer de moeder die ik kende. Een voormalige kloosterling in een pretpark. Vader vertrok naar heel ver weg, ging zich ergens anders bezighouden met het vormgeven van de wereld. Ik en het ijs hadden als werkterrein afgedaan voor mijn vader. Ik en het in de tuin zitten hadden afgedaan voor mijn moeder.
En toen kwam dat verraad van de seizoenen. Eerst die snelle opeenvolging, waar ik maar moeilijk aan kon wennen, toen de nodeloze uitwisseling van elkaars elementen. Sinds het wegvallen van de twee constituerende krachten, de pilaren waarop een heel universum steunde, is het grote afkalven begonnen. Het duurt nog elke dag voort. Er is nog steeds protest hoor, ook al is de machinerie van het verzet dermate vettig dat weinig resultaat te verwachten valt. Maar goed, wat kunnen we anders doen dan aanklagen. Machteloos aanklagen. Tot iets anders zijn we niet in staat. Een zinloos ritueel, natuurlijk, maar ook een ritueel dat vorm geeft, zoals alle rituelen zowel zinloos als vormgevend zijn.
Niets hoort meer bij het ritueel dan herhaling.
Ik zie een gerechtshof voor me waar een moeder en een vader recht spreken. In de beklaagdenbank vier seizoenen. Ze worden stevig ondervraagd, de zomer het felst door moeder, de winter door vader. Ze hadden hun constituerende konten nog niet gekeerd of alles was misgelopen. Het heft in eigen handen nemen, als seizoen zijnde, druist dat niet in tegen elke regel? Natuurlijk kan die zitting niet anders eindigen dan in een veroordeling. Het hof zal de seizoenen het naleven van strikte regels opleggen.
Een vijfjarige in een hemelse cyclus word ik uiteraard nooit meer. Dit antipretpark is mijn natuurlijke leefomgeving geworden. Ondanks dat: seizoenen die zich aan de regels houden is toch wel het minste dat je mag verwachten, ook als vader en moeder er allang niet meer zijn.

Özcan Akyol, Arnon Grunberg: de redactie las, solo ditmaal, het Boekenweekessay dat ondanks mooie idealen pesterig leest, en een roman die ergens over gáát maar de conflicten iets te gekunsteld opzoekt.

*

Daan Stoffelsen: Özcan Akyol, Generaal zonder leger, en Arnon Grunberg, Bezette gebieden

Vanaf morgen Boekenweek! Vandaag dus de nieuwe Arnon Grunberg, en vooruit, vast het Boekenweekessay. Dat deed wat stof opwaaien, en dat begrijp ik, want Özcan Akyol zegt zinnige dingen: het boekenvak, de literatuur, schrijvers en lezers zouden beter af zijn met een bredere blik. Minder gericht zijn op hoge literatuur en academische analyse. Minder zeuren over bestseller-verhalenvertellers, minder elitair, minder incestueus, minder conservatief. Bevlogen schrijvers voor de klas. Mediatraining? Meer engagement! Akyol denkt dwars, rebelleert.

Het thema is ‘Rebellen en dwarsdenkers’, en het valt op dat niet alleen de essayist, maar ook de Boekenweekgeschenkauteur lijken aan te haken bij dat thema. Alleen is de toonzetting heel anders: Annejet van der Zijl schreef een warme liefdesgeschiedenis over een stel dat elkaar vindt in hardcore slavernijgebied en het ontvlucht. Zij, een geboren slavin, hij een Nederlandse burgemeesterszoon en internationale zakenman. Ze worden gelukkig in de onderduik. Hun verhaal is een voetnoot bij de slavernijgeschiedenis van Charlottesville, en die naam zou een alternatieve titel voor Leon en Juliette kunnen zijn, zo belangrijk is dit steeds sterker radicaliserende decor voor het persoonlijke verhaal, zoveel ook weet Van der Zijl erover te vertellen. Maar ze maakt die voetnoot menselijk, waardig, een verrassend verhaal.

Akyol verrast niet: al decennia zijn er mensen binnen de elite die vooruitstrevender zijn dan de rest, zoals Baudet en Wilders tegen de politieke elite strijden. De elite is avantgarde. En hoewel zijn punten dus zinnig zijn – als mijn samenvatting inderdaad Akyols boodschap is, schaar ik me achter deze generaal -, zijn ze niet nieuw. Maar hoe stellig Akyol in Generaal zonder leger (een mooi beeld! ‘Schrijvers zonder lezers. Desondanks blijven ze met veel aplomb anderen uitleggen hoe het allemaal moet.’) ook is, hij roept nog vragen op. Het essayistische, de twijfel is aan de lezer: is Akyol zelf nu een lezer of een niet-lezer, wanneer komt Akyols eigen grote geëngageerde roman, heeft iedere schrijver wel Akyols talenten als literair ambasseur op tv en voor de klas? Maar vooral, een vraag die me het meest dwars zit:

Valt Akyol de juiste mensen aan? Bestaat ‘het boekenvak’, incestueus en conservatief als hij het noemt, uit boekhandelaren uit de provincie, oude en jonge schrijvers die niet van hun werk kunnen leven, juryleden, een klein links tijdschrift, een professor uit Groningen? Zijn zij representatief? Heerst daar echt het dédain dat hij beschrijft? Gaat hij ze vanavond treffen op het Boekenbal, tussen de concerndirecteuren, boekenchefs van grote kranten, bestsellerauteurs, Prometheus-collega’s en mediamensen? Waarom maakt Akyol hen zo belangrijk, waarom schopt hij naar beneden?

(Voor ‘hen’ mag je ook ‘ons’ lezen, ik woon ook in de provincie en oordeel over literatuur.)
(Oh, en ik vroeg me ook nog af wie buiten de grachtengordel, buiten het boekenvak deze kwestie interessant vindt, maar de vraagstelling moet dus eigenlijk omgekeerd zijn: wie buiten de provincie? Behalve De Groene Amsterdammer zit geen van Akyols zondebokken aan de gracht.)

Kijk, het is lullig dat hij bekritiseerd wordt omdat hij een mediapersoonlijkheid is, en ook lullig voor Lucinda Riley, maar hoe zuiver zijn intenties ook zijn, door de manier waarop hij zijn idealen uitdraagt, wordt hij een Greta Thunberg die Trump-tweets verstuurt. Een draai aan het thema: ‘Pestkoppen en plaaggeesten’.

(De vrijdag voor de Boekenweek is te laat om echt iets nieuws te zeggen, maar ik las met instemming Jamal Ouariachi’s stuk in NRC, de systeemkritische reacties van jonge schrijvers in de Volkskrant, en reacties van Joost Baars en Jan-Willem Anker op Twitter.)

*

Voordat ik boos werd over het Boekenweekpamflet, wilde ik het dus over Arnon Grunberg hebben, een schrijver die plagen in zijn poëtica heeft staan, maar minder op de man. Hij zet de menselijke waanzin nét iets aan, draait het conflict op, gooit er paradoxen in waarbij je stil moet blijven staan. Bezette gebieden is een bizarre achtbaan van Amsterdam via Zeeland en retour hoofdstad naar een illegale nederzetting op de Westelijke Jordaanoever naar Jeruzalem, van grensoverschrijdend professioneel gedrag tot doodswens van vader, literaire toeëigening van andermans verhalen, de mediadynamiek rond vermeende schandalen, politieke discussie over de bezette gebieden, antisemitisme en erotiek, religie, tot dat alles en de liefde.

Als mijn samenvatting enigszins klopt, dan is het een wonder dat dit boek leesbaar is. En dat is het – zelfs als je, zoals ik, niet goed bent in ironisch lezen. Ik ben geen fan van Grunbergs oeuvre, en daarin werd ik óók bevestigd, maar het werkt, en dat is interessant.

Hoofdpersoon Kadoke (bekend van Moedervlekken), psychiater, wordt uit zijn ambt gezet na een beschuldiging van werken buiten de protocollen (dat kan hij uitleggen) en seksueel misbruik (dat betwist hij). Tegelijk wordt die beschuldiging verwerkt in een roman van de nieuwe geliefde van zijn vermeende slachtoffer, en belandt hij in een trial-by-media, inclusief stuntelig tv-optreden, meningen en opiniestukken van mensen die het boek niet hebben gelezen en zelfs een eenpersoonsdemonstratie bij de uitreiking van de literaire prijs waar de roman voor genomineerd is.

(Ik las Bezette gebieden parallel aan Thomas Heerma van Voss’ boek, die een soortgelijke dynamiek beschrijft, maar dan rond autobiografisch schrijven, en wat levensechter. En natuurlijk moest ik bij het lezen van Akyols boek hieraan denken, dat is eigenlijk zo’n opiniestuk van iemand die zijn slachtoffer niet leest of zich in hem verdiept, ditmaal voorafgaand aan het tv-optreden.)

Kadoke wordt een paria. Hij valt. ‘Het vallen maakt hem duizelig, vaag kan hij zich een gevoel van duizeligheid herinneren als hij aan zijn eerste verliefdheid denkt. Alsof de maatschappelijke val en de verliefdheid iets gemeen hebben, de sensatie van vrijheid.’ (Bizarre associatie, maar toch ga je denken: zit er iets in?) Dan dient zich een ver familielid aan uit Israël, die rabiate dingen zegt over de Joodse zaak, en met wie Kadoke opeens seks heeft. Wordt hij verliefd op haar?

‘Maar Kadoke heeft even geen oog voor vader, hij is een verliefde ezel, verliefd op zijn eigen projecties, maar was het ooit anders? Anat heeft alweer teruggeschreven: “Je bent onuitstaanbaar, Kadoke, je vertoont alle onuitstaanbare trekken van een zelfhatende geassimileerde Jood, maar ik zal ophouden met die hoofdletters, belangrijk is namelijk dat je hierheen komt. De rest doet er niet toe. Al zou ik het op prijs stellen dat je de Eeuwige met hoofdletters schrijft of het gewoon over Hasjem hebt, De Naam. Wij weten wat wij bedoelen als wij ‘De Naam’ schrijven.”’

Allemachtig. Maar Kadoke gaat, met zijn vader die het liefste dood wil, naar deze verre achternicht Anat toe. Hij wordt onthaald als een verlosser, iemand die haar eindelijk kinderen kan bezorgen, er is een huwelijk, er is bizarre seks, er komen geen kinderen maar wel een affaire. Telkens accepteert Kadoke de situatie snel – al kan hij de viesheid bij zijn schoonfamilie moeilijk niet zien – en schijnbaar zonder overgang is er weer een nieuw conflict, en hoewel het in zekere zin rond is op de laatste pagina, had weer een nieuwe confrontatie me niet verrast.

Want dat is het interessante: telkens roept Grunberg tegenstellingen op. Zo is Kadoke een tegenstander van de Israëlische annexatie, maar hij woont tussen de kolonisten, Anat wil een Joodse man, maar kickt op de Holocaust, en ze streeft naar een liefdeloos huwelijk.

‘Met haar hand, haar zachte hand, in de zijne blijft hij zitten, luisterend naar het gesnurk van vader en eindelijk zegt hij: “Anat, laat me meer zijn in jouw leven dan een dekhengst. Ik verlang naar jouw liefde en je zult me nu vast weer ervan beschuldigen dat ik te lang onder de christenen heb geleefd, en ik begrijp jouw bezwaren tegen de liefde, voor zover het doordachte, weloverwogen bezwaren zijn, voor zover ze meer zijn dan intuïtieve afkeer, maar ik verlang naar je begeerte, dat is wat ik bedoel, ik verlang naar iets wat jij me misschien niet kunt geven, maar is dat niet de kern van de liefde, of je dat nu liefdeloosheid noemt of niet, dat je altijd verlangt naar iets wat de ander niet te geven heeft?
[…]
Ik weet waar ik ben, in een religieuze nederzetting, en toch vraag ik het je, want alles wat verboden is gebeurt, ik vraag het je omdat ik mezelf zou vervloeken als ik het niet zou vragen: begeer mij, dan zal ik jou begeren. Wat kunnen we elkaar anders geven? Behalve de liefdeloosheid, laat het de tederste liefdeloosheid zijn die mensen zich kunnen voorstellen.” Anat ondersteunt haar hoofd met haar vrije hand en zegt: “Woorden, woorden, woorden, wat een woorden. Heb je ook zoveel gesproken met je patiënten? Geen wonder dat je geen psychiater meer mag zijn.”’

Kadoke tekent zelf voor de tegenstellingen, Anat gaat er hard tegenin, en vervolgens hebben ze seks. Je probeert zijn gedachten te volgen: ‘Hij hoopte op liefde, hij kreeg een huwelijk, dat overkomt wel meer mensen. Het is niet zozeer spijt die hem overvalt als wel toch twijfel: kan liefde echt een noodsprong zijn? Of blijft de noodsprong altijd door de liefde heen kieren?’ En niet zelden denk je: eh, nee, maar het tempo is hoog, en ik heb regelmatig gelachen. En dan kan Grunberg ook nog teder zijn – vooral in het laatste deel van de roman.

Toch ben ik nog geen fan. Ja, het is spannend wat Grunberg doet, de slagvelden in zijn boeken doen ertoe, het gaat over liefde en dood, over overgave en de dingen waarvoor je vecht, en het decor is niet alleen maatschappelijk relevant, het kiert overal doorheen. Het gáát ergens over. Grunberg is geëngageerd – iets wat Özcan Akyol vast fantastisch vindt – en niet per se partijdig, en bovendien: zijn engagement strekt zich uit van het kwaad tot de liefde, en van het intiemste tot het grootste. Plus: Grunbergs gegoochel met abstracties geeft een begrip als liefde een veel grotere reikwijdte. Maar de seksscènes, toch een aspect van liefde zou je zeggen, zijn plat en kil, en de roman als geheel is zichtbaar geconstrueerd, je ziet de poppenspeler aan de touwtjes trekken, nergens vergeet je dat dit spel is. Beslissingen lijken lukraak, verliefdheden zijn plotseling, de confrontatie is gezocht, en de aforismen of sofismen van Kadoke zijn niet zelden precies wat sofismen zijn: leeg taalspel.

Moeten we dit aan Özcan Akyol aanraden voor ná Lucinda Riley’s zesde, Zon? Liever misschien onze eindejaarsfavorieten – je krijgt er bij de boekhandel een mooi geschenk bij.

Generaal zonder leger is een uitgave van de CPNB, Bezette gebieden van Lebowski. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Grunberg heeft in de Boekenweek een bescheiden tournee, waarbij hij ook Athenaeum aandoet.

Thomas Heerma van Voss en het korte verhaal: de redactie las een geslaagde roman over de menselijke conditie en de discussie over een ondergewaardeerd mooi genre.

*

Daan Stoffelsen: Thomas Heerma van Voss, Condities

‘“De arts is net weggeroepen voor een spoedje, voorlopig moet je het met mij doen. Ik heb begrepen dat je erge buikpijn hebt. Ellendig. Wat voel je nu?”
“Zwakte,” fluister ik. “En gêne.”’

Het is in de slotfase van Condities, de nieuwe roman van Thomas Heerma van Voss – onze collega hier, maar om enige afstand te creëren noem ik hem Heerma van Voss, zijn personage heet Vincent Pek, die noemen we Vincent, en Vincent Peks personage heet Gregor -, het is in de slotfase dus dat Vincent zijn bepalende conditie kernachtig samenvat. Erge buikpijn, dat is het feit, maar het gevoel is er een van zwakte en gêne. Je zou zeggen dat je die pijn ook voelt, maar dat is een minder subjectieve ervaring, en in het geval van Vincent Pek kun je het beter een toestand noemen, een zeurende achtergrondsituatie. Vincent lijdt aan de Ziekte van Crohn, een chronische darmziekte waarmee goed te leven valt maar die in extreme varianten of fases alles lam kan leggen – behalve je stoelgang.

De menselijke conditie is, in het geval van Vincent Pek en zijn personage, dat hij veel van hemzelf meegeeft, die van de patiënt: leven met een lichaam dat niet functioneert. Het helpt Vincent dat hij schrijver is, zijn werkplek thuis heeft privacy en een toilet nabij, maar zelfs voor zijn vriendin probeert hij zoveel mogelijk te verbergen. Seks is geen vanzelfsprekendheid. Sport evenmin. En dan lukt het ook nog niet met zijn nieuwe boek.

Dat Vincent Pek schrijver is – het element dat Haro Kraak er voor de Volkskrant uitpikte en dat Lucas Zandberg zonder blijk te geven iets gelezen te hebben in een opiniestuk in dezelfde krant ‘creatiefloos’ noemde -, is volgens mij dan weer minder essentieel voor deze roman. Maar het drijft wel het verhaal: Vincent besluit, op aanmoediging van zijn uitgever, een autobiografisch verhaal rond Gregor uit te bouwen tot een roman. Maar wat vertel je? Dik je aan, laat je dingen weg, voeg je dingen toe? Alles mag in de literatuur, maar dit is de voorwaarde: als er maar iets van jezelf in je roman zit, dan wordt je op alles aangesproken alsof het jouw leven is – of dat van anderen. In een tv-interview zeker:

‘“En voelt het dan niet gek om dat donorschap, de praktijk op die afdeling, te verwerken naast de ziekte die je door en door kent? Eigen je je dan niet iets toe waar je niets van weet en wat voor sommige mensen juist héél belangrijk is, net zoals die Crohn voor jou?”
Ik eigen me niks toe, zou ik eerlijk kunnen antwoorden. Maar heeft ze recht op die waarheid? Ik gun het haar niet. En daarmee zou ik het mezelf alleen maar moeilijker maken, een tv-studio is de slechtst denkbare plaats voor zo’n ontboezeming. “Tja, ik heb natuurlijk research gedaan.” Een waardeloze zin. Onvaste stem, zoekende toon.’

Die paradox van de mediacultuur – of eigenlijk de hele complexe tegenstelling tussen wat eigen is, wat privé, en wat publiek mag of moet zijn – licht Heerma van Voss pijnlijk scherp toe (levensechter dan Grunberg overigens, die een vergelijkbare dynamiek beschrijft in Bezette gebieden). Natuurlijk volgen er opiniestukken van mensen met een mening die geen boeken lezen, natuurlijk lezen ook dierbaren mee – Vincents boek legt een vergrootglas op wat hij verborgen wilde houden. En juist dan speelt zijn ziekte op.

Dat is meer plot dan ik wilde weggeven, maar die plot illustreert wel het punt dat ik wil maken: Condities gaat over een mens, een patiënt, een schrijver, in die volgorde, en verbindt lichamelijkheid, eenzaamheid, zwakte en gêne. Zo’n psychosomatisch samenspel van thema’s zie ik amper (Hanna Bervoets’ roman is een positieve uitzondering), en juist doordat deze ziekte niet extreem of dodelijk is, dringt de conclusie zich op dat dit niet iets particuliers is, iets van (Crohn-)patiënten. Dit gaat over ons allemaal.

Maar daarnaast is Condities ook gewoon een geslaagde roman. Natuurlijke dialogen, sterke scènes, en een vanzelfsprekendheid in de relaties tussen Vincent en zijn vriendin, ouders, schoonouders. Staat zijn persoonlijkheid echte verbinding in de weg, zijn werk, of zijn ziekte? En dan die technische ingreep: Heerma van Voss neemt in de eerste driekwart van de roman de ruimte, uitgebreid terugblikt op een eerdere relatie en op zijn ziekteverloop. Daar is alles normaal, leefbaar, bijna vlak, hoewel het wel onderhoudend en interessant is, en zelfs even extatisch als een medicijn aanslaat. Daar hanteert Heerma van Voss ook een derde persoonsperspectief. Afstand.
Iets na pagina driehonderd gaat hij over op een ‘ik’, in deel 2, ‘De verlossing’, en wordt alles scherper. De pijn, de betrokkenheid bij de hoofdpersoon, de conflicten die sluimerden: mokerslagen volgen elkaar dan op. Nabijheid.

Je kunt je afvragen, zoals Vincents uitgever ook doet bij De diagnose, of die eerste persoon niet de hele roman lang had kunnen mokeren – maar wellicht had je dan een Grunbergachtig boek gehad, immer intens – en waren de pijn, zwakte en gêne niet zo invoelbaar geweest.

Das Mag geeft Condities uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment. Zondag 15 maart wordt Heerma van Voss geïnterviewd bij het Martyrium, de enige boekhandel die in de roman voorkomt.

Jan van Mersbergen: het korte verhaal

De week van het korte verhaal is alweer voorbij. Het kreeg bij DWDD en in de geschreven media een beetje aandacht. Ieder jaar moet het korte verhaal opgekrikt worden in aanzien. Daar kunnen allerlei redenen voor zijn, dat de week van het korte verhaal precies in de week voor Carnaval gehouden wordt zegt genoeg. Dan zijn erg veel mensen met de voorbereidingen op dit immense religieuze openluchtfeest bezig en heeft niemand tijd om te lezen, ook niet het korte werk. Maar Carnaval is weer voorbij, tijd om een beetje bij te lezen, de treinreis terug duurt twee uur.

In de Volkskrant, de krant die recensies steeds korter maakt, schreven Annelies Verbeke en Mohammed Benzakour een betoog waarin herhaaldelijk het belang van het korte verhaal aan bod kwam.
In Nederland wordt raar naar het korte verhaal gekeken, daar begint het stuk mee. Wie er raar kijkt buiten Carnaval om, is onduidelijk. Verderop beweren kwade tongen dat ‘korte verhalen als vingeroefeningen, opstapjes naar het ware werk: de roman. Wat een onnozelheid.’ Wie dat beweert wordt niet benoemd. In Japan is het korte verhaal groter dan de roman, in Amerika ook, hier verschijnen amper bundels en de korte verhalenprijs waarvan ik de naam niet eens wil noemen werd niet uitgereikt.
Zorgelijke vragen, onduidelijke antwoorden; het slaat allemaal de plank mis. Roepen dat het korte verhaal belang heeft zonder te laten zien wat de kracht van een kort verhaal heeft geen zin, het benadrukt alleen maar dat het korte verhaal niks voorstelt. Zoals met die prijs, het signaal dat nu gegeven wordt is: de meeste verhalen zijn niet te pruimen.
Laatst bij een literaire avond werd de gast van de volgende editie tot twee maal toe aangekondigd als ‘onderschatte schrijver’. Daar komt die schrijver op deze manier dus nooit vanaf.
Een zinnetje in het betoog van Verbeke en Benzakour gaf aan wat het probleem van korte verhalen is:

‘Verhalenbundels verwachten van de lezer dat deze telkens weer onvoorbereid plaatsneemt in de huid van een nieuw personage, openstaat voor een narratief of stijlexperiment en op zoek gaat naar een doortimmerde eenheid in de ogenschijnlijke fragmentatie. Met die manier van lezen zijn blijkbaar weinigen vertrouwd. Een situatie van onbekend maakt onbemind? Of hebben auteurs hier zelf schuld aan?’

Dat eerste klopt precies. Onvoorbereid gaan lezen, steeds nieuwe personages die je niet kent, snippers. Korte verhalen lezen is vermoeiend. Schrijvers hebben daar geen schuld aan, lezers hebben daar geen zin in. Lezers willen langere tijd meeleven met een personage. Een roman van bijna vierhonderd bladzijden verzekert je geen kwaliteit, maar biedt wel het vooruitzicht dat je met dit verhaal en deze personages een weekje onder de pannen bent en niet steeds opnieuw hoeft te beginnen.
Waarom stelt niemand in de week van het korte verhaal de vraag: Hoeveel verhalen kun je lezen in een week?
Je zou zeggen: Een stuk of twintig, drie per dag, dat moet zeker lukken. Maar dat lukt dus niet.
En dat is tevens het sterke punt van een kort verhaal: een goed kort verhaal voelt alsof je een complete roman gelezen hebt. Na een goed kort verhaal moet je even uitrusten. Even juist niks meer lezen. Belangrijke eigenschap van het genre, dat in deze promotionele week vergeten wordt, want het zegt lezers: doe maar niet.

*

Mooi genre hoor, ook in Amerika gewaardeerd en op waarde geschat, maar je moet er wel bij vertellen wat het doet.
In de Volkskrant proberen Verbeke en Benzakour het:

‘Een goed kort verhaal is een vak apart. Het omvat de puurste vorm van vertelkunst. Elke zin vereist perfectie en efficiëntie. Hakmes en slijpsteen dienen, in alle bloemrijkheid, streng gehanteerd. Elke zin wordt minutieus afgewogen, vaak minutieuzer dan bij romans, om de simpele reden dat bij een geringe lengte onvolkomenheden sterker opvallen. De plot moet, zoals James Joyce al opmerkte, in een kort tijdsbestek vloeien naar een epifanie.’

Dat effect is heftig door de afwisseling, dat effect is veelvormig door de variatie. Een kleine wereld die opeens volledig en enorm is, en dan weer verdwenen. daar moet de lezer het mee doen.
Avond aan avond aardappelen, vlees en groente, dat is een roman. Een passage wat appelmoes erbij, maar verderop weer terug naar de basis. Een kort verhaal is een bijzonder gerecht, zoals bijvoorbeeld de inktvis die ik maanden terug in Kiev at. Daarna heb ik geen inktvis meer gegeten.

*

Ik hou van het korte verhaal, maar dwepen met het genre hoeft niet. Dat werkt eerder averechts.
Er zijn tijdschriften [waaronder dit tijdschrift, Tirade, De Gids, Hollands Maandblad, Terras – red.] die bijzonder sterke verhalen publiceren. Die tijdschriften hebben amper lezers, maar in de week van het korte verhaal hoor je bij DWDD, waar een uitgever aan mocht schuiven die af en toe nog een verhalenbundel publiceert, niemand over de plaatsen waar verhalen te lezen zijn, en in het artikel in de Volkskrant, door twee schrijvers, ook niet. De betogen zijn preken voor eigen parochie, zeker als er uit de tv-stal ook nog een bekende opgetrommeld worden om een verhaal van Herman Pieter de Boer voor te lezen.
Aardig verhaaltje, maar wel erg kort, met een minieme spanningsboog, wat ouderwets geformuleerd, en vooral expliciet anekdotisch; een vrouw komt verschikt uit de keuken, brokken roet ploffen omlaag, iemand roept gesmoord of schreeuwt, een emmer water wordt leeg gesmeten. De essentie van het korte verhaal waaraan maanden aan gewerkt en geschaafd is tonen aan de hand van een enkele pagina die in een uurtje toch echt wel op papier staat. Exemplarisch voor DWDD. Het is hetzelfde als aandacht vragen voor werkelijk bijzondere liedcultuur en een oudje van Herman van Veen laten horen:

Spetter, pieter, pater
Lekker in het water
Ga maar vast naar huis
Ik kom een druppel later

Juichen om een genre, maar alleen een behapbaar lollig stukje laten horen, waarschijnlijk uit angst voor het effect van een echt goed verhaal op tv.
Na een echt goed verhaal moet de tv een tijdje uit op om adem te kunnen komen. Even niks.
Leuk verhaaltje voor je gaat slapen? Na een goed kort verhaal kun je helemaal niet slapen.
Niemand bekommert trouwens zich om de lezers, behalve dat die wat verwijten krijgen: in andere landen kopen lezers dit wel! Dat de leescultuur daar totaal anders is wordt voor het gemak vergeten. Het blijft een intellectueel verwijt aan lezers, en eigenlijk ook aan schrijvers, uitgevers, literaire prijzen: niemand ziet ons staan.
Nogmaals: dit gaat van Calimero geen vette kip maken.

*

Verhalen moeten geschreven maar ook gepubliceerd worden. De uitgeverij waar mijn romans verschijnen geeft amper verhalenbundels uit. Dat is de markt. Als je een betoog houdt over een kleine niche in die markt, laat dat zien wat daar voor moois in ronddobbert. Geef de mensen de kans ze te lezen maar niet zonder waarschuwing: dit is top, maar het is vermoeiend. Dit zijn geen snacks. Soms moet je even kauwen.
Show, don’t tell, met een klein voorbehoud.
Bij de vertellersavonden in café Helmers laten Gilles van der Loo en ik iedere editie vijf gasten een verhaal voorlezen dat ze echt goed vinden zonder dat er zes herhaald wordt dat het goed is, of geweldig, of zo mooi, zo mooi. Soms zegt wel iemand dat het verhaal mooi is, meestal na afloop van een verhaal, soms alleen door een korte hoofdknik.
De opzet is: we laten zien hoe een goed verhaal een minuut of zeven een kroeg stil krijgt. Dat gebeurt, terwijl de bar gewoon open is. Tot achterin café Helmers hangt een concentratie en de oorzaak is een verhaal en het spel tussen schrijver en lezers, of toehoorders. Op zo’n moment voelt iedere aanwezige hoe bijzonder een verhaal kan zijn.