In Amsterdam of in Mallorca: de wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In mei: Neske Beks vanaf Mallorca en Bernard Wesseling vanuit Amsterdam. Dit is hun tweede briefwisseling. (Lees hier de eerste brieven. En lees hier de brieven (1) van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard, en hier (2) en hier (3).)

*

Amsterdam, 7 mei 2020

Beste Neske,

Wat je daar zag in dat filmpje is je reinste hybris, die ik in overvloed bezit, samen met de nodige onzekerheden. Je kent het vast wel als schrijver: omdat we geen tv-persoonlijkheden zijn, blijven we ons al te bewust van wat we zeggen en hoe we overkomen. Of misschien heb jij daar helemaal geen last van, dat kan natuurlijk.

Wat magie betreft: ik geloof daar schoorvoetend in, zoals het misschien een ‘noorderling’ typeert. Ja, ik sta ermee op gespannen voet. Al zou ik eerder van een ‘restcalvinisme’ willen spreken dat me parten speelt. Een cultureel erfgoed waarvan de invloed je mettertijd pas duidelijk wordt. Iets wat weinig avontuurlijk klinkt ook, maar me er soms voor behoedt me al te veel in mijn emoties te verlustigen, wat ik anders zeker zou doen (onmatigheid, denk ik vaak, is mijn duchtigste vijand).
Maar het vermogen tot magisch denken, zoals kinderen dat doen, hoop ik nooit te verliezen. Het maakt dat we zelfs ons leed een plek kunnen geven. Toch zit voor mij het plezier van schrijven ook – naast het verrast en overvallen worden – in de mate waarin ik het inzichtelijk kan maken voor mezelf en een ander, en dat vergt objectivering, afstand en ja, (zelf)relativering.

Iets anders: ik zie nu dat je ruim vertegenwoordigd bent op allerlei YouTube-kanalen! En een spoken-wordartiest bent bovendien. Ik reken mezelf ook tot dat gilde, en vind het mooi te horen dat je er een lans voor breekt als je zegt dat het de juiste vorm voor jou is (‘het had het allemaal, wat je niet kon vinden in gewoon dichten, acteren, toneelspelen of zingen’, ik parafraseer). Want daar raak je aan iets: spoken word is een aparte discipline, of liever een op de reguliere kunsten geënte discipline, die overigens niet altijd voor vol wordt aangezien. Geheel ten onrechte, want er gebeurt iets bijzonders als je met niets dan je woorden op een fruitkist gaat staan. Ik zie mezelf in die hoedanigheid altijd als een acteur met zijn eigen tekst. Iemand die na zelf zijn script te hebben geschreven, zich opnieuw die tekst eigen maakt alsof hij deze per spontane generatie ter plekke verzint, iemand die zijn eigen gedachtegang op de voet volgt en openbaar maakt. Natuurlijk is het bij jou net anders dan bij mij, bedenk ik nu, omdat je ook zang gebruikt en licht swingt voordat je begint met je voordracht, zie ik, als een soort levende stemvork.
In je totale lockdown zal het pittig zijn om het zo lang zonder publiek te stellen. Dat klinkt haast alsof je een aandachtszieke toneeldiva zou zijn, die snakt naar een gehoor. Maar ik bedoel natuurlijk dat je in een beroepsgroep zit – die van de uitvoerende kunsten – die afhankelijk is van een goedgevulde zaal. Of laat je online van je horen? Of gebruik je deze tijd juist voor het schrijven?

Ik heb net een roman uitgebracht die Midzomer, stadsmoe heet (dit is geen poging tot colportage) en waarop ik zeer trots ben (of, zoals een Vlaming zou zeggen: ‘fier’), maar ik kan er de boer niet mee op momenteel. De festivals zijn geschrapt, voordrachtavonden en lezingen idem. En dat nu ik net uit mijn zelfverkozen quarantaine wilde komen om de wereld te laten delen in mijn begeestering. Dat moet het boek dan maar in zijn eentje doen. En aan mijn trots valt niet te tornen; het voorrecht, tenslotte, van de kunstenaar die het hardst in zichzelf gelooft, met zijn zelfkritiek en al.

Ik zie dat je in Montuïri omringd bent door oude stenen molens, wat me doet denken aan de man van La Mancha, een van de eerste (en onsterfelijkste) romanpersonages uit de literatuur. Een figuur die nog altijd tot de verbeelding spreekt, dankzij de prachtige dwalingen die hij doormaakt. Zozeer zelfs dat de hedendaagse ‘held’ uit mijn boek gezegd kan worden een nazaat te zijn, worstelend met de geest van zíjn tijd.

Allerbeste groet, Neske, en blijf gezond (in de zin van: ik wens je gezondheid toe, niet als in: eet meer groenten, want ik houd je in de gaten),

Bernard

*

Beste Bernard,

Dus je boek liep in zijn eentje de wereld in? Gelukkig met een filmische trailer in de rug. Die maakte me hardop aan het lachen en dat is in coronatijd een zeldzaam geluk. Leve de onmatigheid. Objectiveren, Bernard, is dat weggelegd voor kunstenaars en schrijvers?

Je boektrailer herinnerde me aan het oeuvre van Bert – ook al zo’n onmatig mens – en aan de mensen in Nederland en Spanje waarover hij zo graag schreef. In de vorige Binnenpost schreef ik al dat ik misschien over Formentera vertellen wou. En nu ik je trailer zag, voelt dat als de logische link tussen jouw werk, het mijne en het zijne. Je fietswiel, Amsterdam, de Pool en je andere collega’s – alhoewel ik niet zeker weet of ze fictief zijn, dan wel echt bestaan. Het observerend perspectief dat me zo lief is.

Vlak nadat ik in de zomer van 2017 op Formentera aanspoelde ontmoette ik Valentin, een local. Hij keek naar de geelzwarte nummerplaat van mijn Volkswagenbus en vertelde – ongevraagd – dat een Nederlandse schrijver, die hij Xirnbeck noemde, hem lang geleden leerde dat er twee manieren zijn om de globe te bereizen: rondreizen of thuis blijven. Ik bedacht in stilte dat ik al bijna een leven lang geen echt thuis meer had. Alsof het eiland me hoorde sloeg ze haar armen om me heen en diezelfde zomer nog werd thuis Formentera en besloot ik een tijdje tevreden daar te blijven. Een zelfverkozen quarantaine van een lange winter schrijven op een winderig eiland dat alleen per boot bereikbaar is. Op een zonnige novemberdag betrok ik het huis van Bert en Thea Schierbeek, letterlijk te midden van de Middellandse Zee. Elke ochtend kroop ik op de kunstleren stoel achter Berts werktafel waar ik zijn oeuvre herlas en voortbouwde aan mijn eigen repertoire: een boek voor kleine mensen, een boek voor grote mensen en een film. Als een literaire groupie sliep ik in het Schierbeekbed met mijn hoofd op een Plinthoofdkussen met een dichtregel van Bert – ‘hoe als je je met zorgeloosheid kon omringen en dat dat je ruimte was’. En die eenzame winter hielp De deur me door een rouw die al twee jaar achter me aan sleepte: het sterven van te veel vrienden tegelijk en bovenal het doodgaan van Sylvia, mijn liefste vriendin, en Charl, haar man (22 jaar vriendschap met haar, 44 jaar als je de vriendschap met hen samen optelt).

Weerwerk affirmeerde me in mijn zoektocht naar genres mengen – ik ben multidisciplinair en in de eurocentrische kunsten stoppen ze de maker toch het liefste in één hokje. Hoewel mijn longen en lijf aan alle kanten protesteerden tegen het vocht van de omringende zee genas mijn verdriet en werd ik weer blij.

Heb je ooit het geluk gekend in het oeuvre van een lievelingsschrijver te leven? Op het feestje voor de 93-jarige verjaardag van Thea Schierbeek ontmoette ik Pilar, de dochter van Eulalia, die van Thea leerde lezen waarna naar ze zei de wereld voor haar openging. Performen voor publiek doe ik al zo’n dertien jaar niet meer: enkel nog op feesten en partijen en op Thea’s verjaardag beklom ik de kist en zong een lied. Leuk dat je me vergelijkt met een stemvork. En natuurlijk lees ik ook voor uit eigen werk, maar dat voelt niet als performen, meer als zijn. Tijdens de afwas werd ik voorzichtig bevriend met Sois, die ik enkel van lezen kende, welbepaald uit Weerwerk, pagina 120. Dat jaar op Formentera leefde ik het eilandleven dat ik enkel uit boeken en films had gekend. Zeker toen Sois in het echt een hartsvriend werd. Zoals Pepe van de Fonda en Bert elkaar gevonden hadden, dacht ik. Als Sois groentensoep voor me kookte, taart voor me bakte, Vlaams met me sprak en we samen rouwden: hij over zijn overleden vrouw Georgia en ik over mijn Sylvia, was het soms alsof ik eindelijk een vader had. Een zeldzaam intiem vriendschapsverbond waardoor ik door de vingers zag dat Sois een flat earth believer was en me fel bezwoer dat de maanlanding verzonnen was. Toen ik even in Nederland was ontmoette ik op een verjaardag Michiel Schierbeek, zoon van. Enkele dagen later vertelde een vriend dat in Sylvia’s tuin een beeld van diezelfde Michiel had gestaan. Ze had er niet van gehouden, het omvergeworpen en begraven in de tuin. Bijna teveel synchroniciteit om een goed verhaal over te schrijven. Het idee dat mijn liefste vriendin een kunstwerk meedogenloos in de aarde had gedolven. Maar de cirkel en de globe zijn rond. Onmiskenbaar rond, zoals de Beatles in ‘Because’ zingen. En toen ik terugkwam op het eiland en Sois per toeval mijn Thoth-tarotkaarten zag meende hij daarin een pact met de duivel te herkennen en verbrak hij meedogenloos ons vriendschapsverbond. Toen pas begreep ik de symboliek van de oude vogel met zwarte vlerken die Bert op pagina 120 zo raak beschreven had. Formentera zal voor altijd een thuis blijven waar ik immer naar terugkeren kan. Net als het oeuvre van Bert.
‘Schrijven is een vorm van mens-worden, schrijven is zelfrealisatie en je zelf zie je het best in verhouding met anderen,’ schreef Schierbeek ook.

Het regent hier vanochtend, op Mallorca.
Morgen is het maandag en gaat mijn wereld weer open.

Goeds,

Neske

Eva Meijer, David Vann: de redactie las een moordmysterie dat natuur en mens in gesprek brengt, en een roman die de balans zoekt tussen verbondenheid en op zichzelf staan.

*

Daan Stoffelsen: Eva Meijer, De nieuwe rivier

Het staat er niet, maar ik dacht het wel: heeft Thomas nou drie uur aan één stuk over perspectiefwisselingen gepraat?

  • Schrijfopdracht 1 bij die column: verwerk er een perspectiefwisseling in, vanuit de kat (‘Waarom praat baard zoveel? Hallo baard! Hier ben ik! Kijk me aan, kijk me aan…’).
  • Schrijfopdracht 2: schrijf de hele column vanuit het perspectief van de kat. Maak hem niet dommer dan hij is.


Drie uur voor perspectief, dat is ook eigenlijk een goede tijdsinvestering; wie een verhaal vertelt, in wiens hoofd je bent, maakt alles uit. Thomas laat het zelf zien in zijn laatste roman, waarin hij van derde naar eerste persoon gaat, en het is vaak een van de eerste grote grepen die Jan voorstelt bij een ingezonden verhaal.

Ik zou mijn drie uur denk ik beginnen met: ik ben allergisch voor alwetende vertellers. En zelfs voor wisselende personale perspectieven, dat de derdepersoonsverteller telkens verandert. Om dat vervolgens af te zwakken: Marijke Schermer heeft een fantastische roman geschreven waarin het wél werkt, Valeria Luiselli ook, en Peter Buwalda heeft voor zijn perspectiefwisselingen een hele set regels opgesteld, en ondanks dat (of juist daardoor) komt het heel natuurlijk voor.

Eva Meijers nieuwe roman, De nieuwe rivier, is wat losser met die perspectiefwisseling. Na een paar hoofdstukken met één duidelijke verteller, beschrijft ze een ontmoeting:

‘ Janet wil net de grote weg op rijden als er een donkere man in een oude groene Volkswagen aankomt. Het is de geoloog die ze eergistermiddag in café De kleine onschuld over de rivier interviewde – iemand die Engels spreekt en met wie ze op een normale manier een gesprek kan voeren. Ze toetert.
Rafel remt af. Hij wrijft over zijn nek. Hij heeft gedroomd dat hij aangeraakt werd door de hand des doods.’

Onze verteller weet zowel over Janet iets als over Rafel (zo’n droom!). Terwijl we over sommige personages niets (of aanvankelijk niets) te weten komen. En van een enkeling komen we niet alles te weten! Perspectiefgevoelig als ik ben, zou ik dan liever van iedereen wat lezen – of van maar één persoon. Maar het verhaal van De nieuwe rivier is het verhaal van een groep mensen rondom een ecologische ramp, overstromingen en een mysterieuze moord, een groep die uitdunt met telkens weer een nieuwe mysterieuze moord, en het klopt: samen tasten ze in het duister.

Mijn aanvankelijke jeuk ebde weg, want Meijer weet dit groepsmysterie – zijn er criminelen aan het werk, of activisten, of is het de natuur zelf die (à la Olga Tokarczuks Jaag je ploeg over de botten van de doden) wraak neemt op de mensen die haar misbruiken? – uitstekend uit te bouwen. Het is vaag, maar het is raak, met flarden journalistiek (die Janet is een Britse journalist) en poëzie (de eerste dode bleek een dichter) en scherpe associaties:

‘Het land was niet bestand tegen de kracht van deze aanhoudende natheid na een lange periode van droogte. Lagen harde aarde waren zo droog dat ze het water tegenhielden dat ze goed konden gebruiken. Zo gaat het vaak. Je wenst iets en als het in je schoot valt kun je er niet mee omgaan, weiger je het te ontvangen, zodat alles blijft zoals het was, hooguit wat treuriger.’

Die laatste zin is prachtig, een vermenselijking van de natuur, of vice versa, en in die zin is haar nieuwe roman een mooie voortzetting van de strijd met een ander genre (de ecothriller, zegt Das Mag, die dit boek bij uitzondering uitgeeft) die ze met Dagpauwoog, Het vogelhuis, Dierentalen en De soldaat was een dolfijn al voerde. Voorwaarts past er ook goed bij: een doorgaand gesprek tussen mensen en de natuur.

Das Mag geeft De nieuwe Rivier uit. Op Athenaeum.nl staat een fragment.

Jan van Mersbergen: David Vann, Caribou Island

Als een echtpaar in de roman Caribou Island van David Vann (vertaald voor Arjaan van Nimwegen) naar een verlaten plek gaat om daar een hut te bouwen en daar te gaan leven, gaat alles mis. Typerend voor de hyper-modus waar de personages van Vann in verkeren. De man, Gary, had een wild plan, zijn vrouw Irene doet mee. Ze doet niet mee omdat ze een stel zijn dat gingen samen doet.

‘Irene ging erin mee omdat zij kon straffen zodra ze het ondergaan had. haar beurt kwam nog. En zo hadden ze elkaar dat al decennialang aangedaan, onweerstaanbaar. Mooi, dacht ze dan. En dat betekende: wacht maar af.’

Op het moment waarop Irene dat denkt laden ze een boot vol boomstammen om die naar een eiland ergens in een meer te brengen. Ze laden de boot vol als die op het strand ligt en door het gewicht krijgen ze de boot niet meer in het water geduwd. Gary besluit de boot met zijn auto een zetje te geven. Dat lukt, maar de boot raakt beschadigd. Het regent vreselijk, ze hebben het koud. Ze bereiken toch het eiland. Ze stuiten op een rotskust, veel te hard. Het blijft regenen, alles gaat mis. Toch blijft dit stel in de laatste fase van hun relatie bij elkaar. Ze ploeteren. Het verhaal is tragisch, duidelijk en grappig.

David Vann was de verrassingsgast bij de eerste editie van De Vertellers van Helmers, in november 2018. Hij logeerde bij vrienden. Ik had hem daarvoor al een keer ontmoet. Toen hij een jaar later weer bij de vrienden in Amsterdam op bezoek was zocht ik hem weer op en spraken we lang over schrijven, vertellen, vissen, over wonen aan het water, over boten. Vann is een vermakelijke verteller. Als je hem leert kennen dring je beter door tot de stem die in al zijn boeken zit: die wordt grappiger.
Als Irene zich schrap zet in de boot omdat ze al voorziet dat Gary in zijn onhandigheid veel te hard vaart en ze knallen op de rotsen, dan zegt ze alleen: Jezus, Gary.
Dat kenmerkt hun relatie. Vloeken, maar er toch in blijven hangen.
Het liefst wil Irene alles opgeven, of opnieuw beginnen, met Gary. Wat er gekozen wordt maakt niet zo veel uit, alsof er geen verschil is tussen het opgeven van een relatie of het opnieuw beginnen in een relatie. Dat herken ik van de gesprekken met Vann. Keuzes zijn er, maar de richting is altijd onzeker. Daarom ook een wild plan: een hut bouwen, ergens. Grond kopen, gaan jagen en vissen, ondanks de kou. Vuurtje stoken.

Ik trok Caribou Island uit de kast uit de kast omdat ik de laatste tijd veel lees over zelfgekozen eenzaamheid, misschien een thema van een nieuw boek. Deze roman vult die ideeën op een rijke manier aan. Alle personages zijn verbonden, maar ook op zichzelf. De balans daartussen, daar gaat het om.
Vann laat zien en verklaart, en doet dat is een treffende balans. Als er net wat informatie bij de handeling moet dan geeft hij uitleg, maar in een paar woorden. geen uitgebreide psychologie, alleen een aanvulling. Dan weer een bladzijde of twee met een scène die als een film laat zien wat de personages doen. Het echtpaar verstrikt in elkaar, met eigen motieven, de dochter die bedrogen wordt, haar broer die een slap figuur is. Om beurten komen de personages langs in mooie filmische scènes die allemaal voldoende ruimte laten om de beelden er zelf bij te laten ontstaan, in je hoofd.
Ik had deze roman al gelezen en denk nu weer: wat goed gedaan.
Een boek om op geschikte momenten uit de kast te halen, om rustig te lezen, om je eraan te herinneren hoe je proza doseert, hoe je verschillende personages net voldoende meegeeft om ze tot leven te wekken, hoe je tempo bepaalt en soms sprongen kunt maken, hoe het verhaal logisch blijft en alle motieven in elkaar grijpen.

De Bezige Bij gaf Caribou Island uit.

In Amsterdam of in Mallorca: de wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In mei: Neske Beks vanaf Mallorca en Bernard Wesseling vanuit Amsterdam. Dit zijn hun eerste brieven. (Lees hier de brieven (1) van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard, en hier (2) en hier (3).)

*

Amsterdam, 27 april 2020

Beste Neske Beks,

Je naam bekt lekker, die heb ik nu hardop gezegd. Dat doe ik steeds vaker, dat hardop praten, en dat kan als een teken van naderende waanzin of vervroegde aftakeling worden uitgelegd.  Ook weet ik dat je op Formentera woont, dat heb ik net gegoogeld. Het lijkt me uitgesproken arcadisch daar, zeker om een virus uit te zitten, doe je goed.

Hier hebben we ook niet te klagen, de lente speelt voor zomer. Bloesem overal, mijn vriendin heeft een tak in een pot gestopt en voor het raam geplaatst. Wij zijn al lang samen, mag je best weten. En verstaan dus de kunst van het langs-elkaar-heen-leven. Af en toe komen we elkaar tegen in keuken, badkamer of huiskamer, laten de ander voorgaan naar het volgende vertrek. Laatst zochten we samen naar de schaar. Het zijn de kleine dingen, wil ik maar zeggen.

Ik zal je meteen wat opbiechten: vroeger, nog voor ik haar kende, was ik een allemansvriend. Ik bedoel niet dat ik een overspelig mens was, maar ik maakte gauw vrienden. Er zat niets achter, voor zover ik doorhad, ik was niet behaagziek of benauwd om buitengesloten te worden.  Mijn enthousiasme over de medemens kende geen onderscheid, waardoor ik misschien niemand écht leerde kennen.  Ik hield van iedereen, leek het, zonder dat iedereen noodgedwongen van mij moest houden. Men voelde dat aan, men mocht mij.  Ik maak me wel eens zorgen over die filantropie van mij, waar is die gebleven? Of heeft mijn matiging me juist minder oppervlakkig gemaakt?

Maar nu klinkt het alsof ik in zielennood verkeer. En dat is niet zo, hoor. Want tegenwoordig hok ik op mijn zolderkamer (verder verdien ik bij als fietskoerier) en schrijf en voel me daar goed bij. Ik laat me door zo’n quarantaine niet kisten, hoewel ik me soms afvraag wanneer ik de kroeg weer in mag. Geld bespaart het wel, anderzijds. Maar goed, schrijven dus. Ik kan me geen betere bezigheid wensen en zal je daarom wat laten lezen, een kort verhaal dat ik net af heb. Het heet ‘Het meesterwerk’.

Nadat hij de laatste hand aan het meesterwerk had gelegd, er nog een keer indringend naar had gekeken, nadat hij de badkamer had betreden en in de spiegel dan ook nog zichzelf in de ogen zag, vol ongeloof over het feit dat hij nog leefde, alsof hij verwachtte, zover hij dit punt ooit had durven voorzien als door bliksem getroffen te zullen neervallen -, begon het te dagen dat er geen ruimte kon zijn voor beide: het was hij of het meesterwerk.

Want hoe was het mogelijk dat hij hierna nog verder zou werken? En om wat te doen dan precies? Om zichzelf af te vallen? Het was tenslotte overduidelijk dat hij nooit meer tot zulke hoogte zou stijgen, dat was onmogelijk. Godsonmogelijk. De indruk van het meesterwerk stond op zijn netvlies gebrand, vervaagde geen moment. Overdreef hij soms? Liet zijn perfectionisme hem in de steek? Snel rende hij de kamer in waar het meesterwerk zich ophield, alsof hij het kon betrappen – zoals hij zo vaak eigen werk had betrapt – op de nodige ontnuchtering. Ja, bijna hoopte hij de vertrouwde teleurstelling te ondergaan die hem zijn reden tot voortdoen teruggaf. 

Maar toen hij het meesterwerk bekeek, zelfs met al zijn verzamelde drang het te overleven, benam het hem de adem opnieuw, en hij sloeg zijn hand voor zijn mond. Hij kon niet anders dan toegeven: zoveel overtuiging sprak eruit, zoveel overgave lag erin besloten, zoveel schoonheid schrijnde daar – hij had zichzelf dusdanig overtroffen, iets geschapen wat zoveel hoogwaardiger was dan zijn hele leven samengevat in zijn karige pieken – dat er niets anders op zat dan nu de hand aan zichzelf te slaan. Tenzij hij het meesterwerk verwoestte, ontkende dat het er ooit was geweest, en dan maar te hopen dat zijn vermogen tot ontkenning groter was dan het spook en de verleiding tot herscheppen, wat tot niets kon leiden dan groteske parodieën (de kleinste afwijking zou al een belediging zijn).

Hij ging op een stoel zitten, verwilderd.

Of was hij bevangen door plankenkoorts? De angst om openbaar te moeten maken wat tenslotte niemand mocht worden onthouden? Het meesterwerk bloot te stellen aan zoiets als de schennis van misplaatste kritiek? Was het uit zelfbescherming dat hij de prestatie (die, ik herhaal, een leven lang geploeter meer dan rechtvaardigde) teniet wilde doen? En was hij zich niet al te bewust dat, zoals hij bij anderen had zien gebeuren, wanneer een kunstenaar eenmaal dood was zijn nalatenschap met zoveel meer zorgvuldigheid werd behandeld, zelfs met een zekere tederheid? Waar bij de levende kunstenaar (hij voelde hoe iets parelde in zijn neusgat, dacht even aan een bloedneus veroorzaakt door een aneurysma, maar het was slechts een loopneus) een perversie onder critici wilde dat ze het niet konden laten zijn eergevoel aan te vallen in plaats van het werk los te beschouwen, dus zonder de feilbare man en zijn monsterlijke alledaagse schaduw!

Nee, dacht hij in een moment van volstrekte eerlijkheid, die werd afgedwongen door de nabijheid van het meesterwerk, ik zou het niet verdragen als het genegeerd werd. Op dat moment kwam zijn vrouw binnen. ‘Wat is er met jou?’ vroeg ze. ‘Ik vrees,’ zei hij zonder naar haar op te zien, ‘dat ik een meesterwerk heb gemaakt.’

Tot zover. Ik ben erg benieuwd naar je stem, zie uit naar je brief vanaf het dromerige Formentera.

Alle goeds,

Bernard

*

Dag Bernard,

Ik zocht je. Online, zoals dat dezer dagen gaat.

Dwalend door de volle gangen van het internet, vond ik je bij een talkshow van het Letterenfonds.
De presentator noemde je naam, het publiek applaudisseerde en jij maakte een gebaar zoals overwinnaars maken, waarop de presentator je vroeg of je altijd zo opkomt.
In totale lockdown heb ik alle tijd om fragmenten drie, vier keer terug te kijken dus dat heb ik ook gedaan. Jij zei gevat dat je meestal schaduwboksend op komt. Het was een grapje, maar niemand lachte. Wellicht omdat je intonatie laveert tussen humor en ernst?
Ik werd nieuwsgierig toen je zei dat je het interessant vindt te kijken wat een gedicht het liefste zelf wil. ‘Maar dat klinkt misschien een beetje esoterisch,’ voegde je daar licht verontschuldigend aan toe. Dat herkende ik. Dat excuseren voor een bepaald soort sensitiviteit.

Schrijven ís magie. Waarom spelen we dan met zijn allen alsof we het allemaal zelf bedenken? En daarbovenop doen we alsof doorzitten en hard werken de essentie van het ambacht zijn.
Niet vaak wordt er gesproken over het vermogen jezelf open te stellen als kanaal voor het verhaal dat bij je aanklopt. Datgene wat zichzelf verteld wil zien.
Weer wat later zei je nog iets moois over de meerstemmigheid die je creëert binnen je werk: ‘De stemmen die je in jezelf herbergt en dat je die aan het woord kan laten.’ Vlak na deze – wat mij betreft – rake observering relativeerde je wederom met ‘nu klinkt het wel alsof ik krankjorum ben’.

Wijze, gelaagde dingen zeggen die je vervolgens haastig relativeren moet, want anders zou men kunnen denken dat je gek bent. Of erger nog: spiritueel en niet geheel geaard. Heel

Noordelijk is dat, besef ik nu, opgesloten in het verre Zuiden. Als ware Spanjofiel werk ik het liefste op de Balearen, waar ik me in de winter laaf aan zon en onderdompel in de taal, de cultuur, de mensen en hun manier van leven. Lucebert en Schierbeek deden het ook zo: zomers in Nederland, winters in Spanje. Niet dat ik hen bewust ging na-apen, maar het bevalt me zeer.
Wij leven meer op straat hier. Op straat en in het café. En als we thuis blijven doen we dat het liefste in een groepje met elkaar. De comida familial op zondag is heilig en ik – de sneue eenling – word uitgenodigd bij vrienden en hun families want alleen lunchen op zondag is sneu. Warme maaltijd en vaak in een restaurant.
Maar nu zijn we thuis. De kinderen van Spanje mogen sinds gisteren een uurtje per dag de deur uit. Ya’sta.
Andere koek dus dan jullie zogenaamde intelligente lockdown. Niet dat het hier beter is, maar Rutte en intelligent is een woordcombinatie die mij niet geheel overtuigt.

Ik vond het mooi wat je schreef over je vriendin en hoe jullie elkaar ontmoeten in de keukenla. Vanwege de schaar.
Ik vrees dat ik die la er nu zelf bij bedenk: de kronkelpaden van het geheugen. Zelf stopte ik met de dagen tellen want daar werd ik echt mesjogge van. Gek, van de rooie, van het padje en mesjogge heb ik tot me genomen, maar krankjorem is een woord dat ik na vijfentwintig jaar Nederland nog steeds niet gebruik. Het liefste zeg ik zot uit mijn eigen moedertaal.
Hier zeggen ze loca en volver loca. Yo vuelvo loca del confinamiento. Intrigerend, want volver is terugkeren: het impliceert dat iemand eerst zot was, toen even niet en daarna weer wel. El confinamiento – opsluiting in Castellano – heb ik ook pas op 13 maart aan mijn Spaanse woordenschat toegevoegd. Prachtig woord maar gekmakend om te leven, opgelegde opsluiting. Ook om bestwil.

Als een wilde zotte ben ik vanochtend van mijn tuinpad afgeweken – dat is verboden en patrouillewagens rijden rond – maar ik liep schuimbekkend tegen de muren op.
Een kilometer verderop werd ik aangesproken door een mij onbekende buurvrouw die toen ze me door haar veld zag lopen met mijn smartphone in mijn hand met aanschoot en zei: ‘Als je gaat wandelen moet je je mobiel thuis laten, want anders gaan ze je traceren en dan zien ze dat je op te grote afstand van je huis wandelt en krijg je 1000 euro boete, minstens,’ riep ze met een paniekerige stem.
‘Nou, dat wordt een veel hogere boete want mijn huis woont officieel in Nederland,’ snauwde ik terug. ‘En dat is hier minstens tweeduizend kilometer vandaan.’
Mijn lontje is korter sinds ik opgesloten ben en het was al niet zo lang.

De stilstand dwingt me ook meer dan eerst te contempleren en letterlijk stil te staan bij het feit dat ik in een voormalige dictatuur verblijf – en schrijf.
Franco ging in 1975 dood, de vader van de huidige koning is nog door hem persoonlijk aangesteld. De geest en het gedachtegoed van el general dwalen nog steeds door Spanje en angst wordt intergenerationeel doorgegeven.
De angst die me achterna rent in de velden en die zich verschanst in de rijen, op de schappen en tussen de opgestapelde vijfliterflessen drinkwater in de dorpssupermarkt is niet enkel in China geboren, maar is geworteld in de erfenis van de generaal.

De spookachtige gemaskerde verschijningen, die begin maart nog mijn vrolijke Mallorquín vrienden waren, lopen nu schichtig en gejaagd door de gangen van de supermarkt en steken angstig een hand op.
‘Wel of niet praten?’ is de onuitgesproken vraag.
Omdat ik alle energie absorbeer, wijk ik voor boodschappen uit naar een naburig stadje. Daarmee overtreed ik de wet, maar daar ken ik niemand en niemand kent er mij.
Helend voor mijn gemoedsrust.
Alhoewel, op de terugweg word ik gestopt door de staatspolitie, de Guardia Civil, die op de rotondes controleert. 
‘Waar ga je heen?’
‘Naar huis, naar Montuïri,’ antwoord ik met kloppend hart.
Montuïri, het hart van de Pla van Mallorca.
Formentera liet ik achter na een jaar.
Misschien iets voor een volgende brief.

Atentamente,

Geheel de uwe,

Neske

De wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA, Singel Uitgeverijen en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In april: Sander Kollaard vanuit Kumla Prästgård en Roos van Rijswijk vanuit Amsterdam. Dit zijn hun laatste brieven (Lees hier de eerste twee brieven. En hier de tweede twee.)

*

Kumla Prästgård, 20 april 2020

Ha Roos,

Toen ik je brief las moest ik denken aan de onrust van koeien vlak voordat ze weer naar buiten mogen. Is er een woord voor die onrust? Reurig? Stotig? Driestig? Hoe dan ook zie ik je voor me, straks, als je weer zorgeloos naar buiten kunt: je danst en springt, je maakt pirouettes, je zwaait met je armen. En je bent niet de enige, want iedereen heeft een beetje gekkigheid in de kop, en dus wordt er door iedereen gedanst en gesprongen. Er wordt hoera! geroepen en joehoe! Wildvreemden zullen elkaar omhelzen en dat zal hier en daar gevolgen hebben die nog generaties lang voelbaar blijven, als homo sapiens die tijd krijgt natuurlijk.

Ik hoop dat ik je niet beledig door je te vergelijken met een koe. Ik vind koeien ontzettend mooi en lief. Ik vind ze ook heel intelligent; ze zijn geweldig goed in koe-zijn. Ik zag er ooit eentje liggen bij Eemnes, in zo’n sappige weide, breeduit op haar zij. Iets in de tekening op de brede kop suggereerde een moeder-overste. Zou het leven ooit weer zo zijn, vraag ik me nu af, dat je even afstapt om naar zo’n koe te kijken en je dan idioot gelukkig te voelen met een malle grijns op je gezicht?

Vandaag zijn mijn ouders 66 jaar getrouwd. Ze zijn allebei over de negentig en wonen nog samen in een zorgcentrum. Ik ken ontelbaar veel versies van ze. Mijn moeder in een feloranje badpak aan het strand, met zo’n jubelende zonnebril, in een ligstoel & haar tenen spelend in het zand terwijl ze leest. Ik zag als jochie dat zij niet doorhad dat ze met haar tenen in het zand woelde maar daar toch van genoot. En mijn vader, ook jong nog, voor de klas. Dat was op een zaterdag, in een tijd dat er op zaterdagochtend nog school was, maar dat gold niet voor mij, want ik was nog te klein voor school. Soms mocht ik mee en tekenen op het schoolbord en achter in de klas zitten als hij lesgaf. Ik was zo trots op hem!

Zo kan ik dagen doorgaan en je steeds nieuwe versies voorschotelen. Nu ken ik ze als twee zeer oude mensen, breekbaar, niet meer zo helder en alert, maar nog altijd herkenbaar. Het centrum waar ze wonen is geweldig, al krijg ik het er steevast benauwd. De mensen die er werken zijn lief, ze hebben een mooi ‘echtparenappartement’, en er is van alles te doen. Maar inmiddels zitten ze al weken opgesloten. Geen kopje koffie meer in het restaurant, geen gezamenlijke maaltijden, niet een boodschapje doen. Bezoek is verboden. Zelfs het verzetje van de spelende kinderen op het schoolplein waar ze op uitkijken is ze niet meer gegund. Zo nu en dan gaan mijn zussen en broer langs om wat boodschappen af te leveren (bij de ingang) en dan kunnen ze even zwaaien: zij op straat, mijn ouders achter het raam op de derde verdieping.

Ik heb al lang in de gaten dat sterven een langdurige aangelegenheid is, een serie rukjes richting het graf, kleine dingen die verloren gaan, soms iets groters, zoals het overlijden van een broer of zus. Maar ik heb nooit voorzien dat er dit soort rukjes zouden zijn – een noodgedwongen afzondering voor mensen die altijd zo gesteld zijn geweest op gezelschap. Ze reageren zoals ze dat wel vaker doen, berustend, al klinkt het verdriet er luid doorheen. ‘Ik verveel me gruwelijk,’ zei mijn vader net toen ik ze belde. ‘Ik zou dolgraag naar buiten willen.’ Maar dan, al in de volgende zin: ‘Ach, we hebben eigenlijk niets te klagen.’

Dit is alweer mijn laatste brief. Ik zal proberen een paar dingen af te hechten.

1. Mijn duim geneest goed. Dank voor de tip over de top (hahaha), maar dat was inderdaad te laat. Vond je het echt een goor verhaal? Ik maak mijn duim elke dag schoon en bestudeer dan met aandacht de vorderingen. De wond groeit langzaam dicht, als een soort wak, zowel van binnenuit als vanaf de randjes. Is het lichaam niet een wonder!

2. De Zweedse koning is een malle mompelaar met de uitstraling van een pootaardappel, dus daar luister ik niet naar. Ik heb daarentegen een zwak voor de Nederlandse koning en ben het vaak volledig met hem eens, dus ik hoor liever geen gemopper over het koningshuis. Ik vind Máxima ook super.

3. Ik weet vrijwel niets over Zweedse literatuur, maar heb wel een boekentip voor je: de seizoensromans van Ali Smith. Ze is Schots. De boeken heten Autumn, Winter en Spring. De laatste van het kwartet, Summer, komt over een paar maanden. Ik heb ze al twee keer gelezen en Autumn onlangs voor de derde keer. Smith is op zo’n beetje elk vlak opwindend: vorm, verhaal, klank, humor, durf en verbeelding. Ik moet elke dag even aan haar denken, want ze begint steeds vier maanden voor de inleverdatum aan een nieuw boek, zodat ze dicht op de actualiteit kan schrijven. Ze zal nu halverwege zijn overvallen door de coronacrisis en ik kan niet wachten om te zien wat ze daarmee heeft gedaan.

4. Schrijven lukt wel. Elke dag minimaal 300 woorden, geen smoezen, geen uitvluchten. Gewoon gaan zitten, computer aan, tikken.

5. Gefeliciteerd met je 34ste verjaardag (bis)!

6. Somberen houd ik graag buiten de deur. Ik bedoel, schrijvers zijn al zo egocentrisch, & dan ook nog een keer al somberend alle aandacht opzuigen, nee. Bovendien heeft gesomber me nog nooit ook maar iets van belang en waarde opgeleverd.

Nou, dat was het, geloof ik. Dank je wel voor je mooie brieven. Je hebt me laten lachen, fronsen en aan het denken gezet. Zullen we afspreken om elkaar een keer te treffen, als dat weer kan, in het echt, bedoel ik? Ik ben nu enorm nieuwsgierig naar je, dat krijg je ervan.

Voorlopig omhels ik je voor een derde keer, wat passend is, want drie keer is scheepsrecht en drie keer zeg je hoera en drie dochters heeft de koning.

Houd je haaks!

Sander

Amsterdam, 24 april 2020

Hoi Sander,

Is het eigenlijk ook heel Nederlands om mensen te feliciteren met mijlpalen van anderen? Op verjaardagen is het wel een typisch Nederlandse gewoonte geloof ik – iedereen drie zoenen, een verre oom die ze te nat en te dicht bij je mond geeft, die hele godvergeten kring langs, je ruikt slagroomtaart en tompoucen en zure koffie en op een of andere manier ook altijd in de verte een visgerecht al eet er niemand vis, en je zegt: Gefeliciteerd met je zoon. Gefeliciteerd met je moeder. Gefeliciteerd met je buurman. Nou, gefeliciteerd met je ex, hè?

Ik geloof niet dat ik je wil feliciteren met het 66-jarige huwelijk van je ouders. Wel wil ik zeggen: wat mooi. Echt mooi, bedoel ik, niet schattig (wat is dat toch, dat we ouderen op een bepaald punt ‘opaatje’ gaan noemen, woorden en toonhoogtes gaan gebruiken die normaal voor baby’s bestaan, ah gossie, och jee), nee, diepmooi. Het moet een avontuur zijn om zo lang met iemand samen te leven. Soms spannend, soms saai, soms moeilijk, soms berustend, soms dankbaar. Zoals jij je ouders in al die versies kent, kennen zij elkaar en hun samenzijn ook in verschillende varianten, lijkt me.
Een afscheid op deze manier, Sander, is hartverscheurend. Ik hoop heel erg dat jullie de kans krijgen om elkaar nog eens aan te raken; dat je vader zich niet tot het einde gruwelijk hoeft te vervelen, dat er vrachtladingen gezelschap langs mogen komen, er gewandeld kan worden en ik weet natuurlijk helemaal niet wat je ouders verder graag doen. Hoe dan ook, hopelijk, alles nog één keer goed, of liever nog honderd keer.

Inderdaad kan sterven een langdurige aangelegenheid zijn. In het beste geval, misschien, als het tenminste niet ook langdurig pijn doet. Hoewel ik ook een paar mensen ken die – zoals mijn moeder het bijna flikte, krap een maand geleden – heel plotseling stierven. Dat is voor hun omgeving nogal vervreemdend geweest maar voor henzelf hopelijk zacht. Ik schrijf hier bewust ‘ken’, niet ‘kende’, je houdt immers niet op met denken aan de mensen die verdwenen zijn. Ik bedoel: je kent ze nog steeds. Op een andere manier, dat wel, de doden veranderen niet zo veel meer, hooguit verandert jouw blik op ze. Zoals je ook muziek uit je jeugd ineens met andere oren kunt beluisteren, of een kunstwerk na jaren onverschilligheid op een dag plotseling wél waardeert.
Zijn de doden nog mensen?
Je schrijft dat je het somberen graag buiten de deur houdt, ik vind ‘t aangenaam dat je dan, als ik het goed begrijp, schrijven over sterven, sterfelijkheid, niet als somberen beschouwt.

Ik heb meer dan eens gehoord dat ik alles altijd zo somber inzie. Daar moest ik met enig schuldgevoel aan denken toen ik je brief las; doe je zo je best het somberen te vermijden, zit je met mij opgescheept. Jij schrijft over de koeiendans en ik denk: dat komt doordat die koeien pijn aan hun ogen hebben als ze voor het eerst in maanden daglicht zien.
Overigens ben ik het wel met je eens dat koeien fantastische dieren zijn. Als ik langs een wei fiets of wandel houd ik vaak even stil en trek ik een pluk gras uit de grond. Het geluid van knappend gras kennen ze, en de dappere koeien komen soms uit m’n hand eten. Ze zijn zo groot en mooi. De vergelijking met een koe stuit me dan ook niet tegen de borst. Ik ben benieuwd of die nog overeind zou blijven staan als je me in het echt ontmoet – helaas roept mijn verschijning vaker de vergelijking met een knaagdier op. Of, in het beste geval, met ‘een driftig vogeltje’. En ja, alle dieren (behalve van die stomme kleine paardjes) zijn leuk, maar kom op zeg.
Als we toch bezig zijn: ik zou niet weten met welk dier ik jou zou moeten vergelijken. Je komt gelijkmoedig over, slim, vriendelijk, en alsof je de boel best overziet. Ook een vogel, misschien, maar dan een wat plechtstatiger soort. Een uil, of een raaf, of zo’n enorme meeuw die je in kustgebieden tegenkomt, het soort waar stadskinderen over uitroepen: Mama, daar is een albatros!

Ja, we moesten elkaar als het weer kan, mag, veilig is, maar eens ontmoeten. Je bent niet de eerste die me aanraadt Smith te lezen, dus dat moet ik echt eens gaan doen, hopelijk ben ik een eind gevorderd tegen die tijd. Daar kunnen we het dan over hebben, of over jouw duim, Dineke de fazant, mijn oma, mijn chagrijn. We kunnen het over heel normale dingen hebben dan, dat hoop ik zo! Hoe je reis was, dat het weer zacht is, er verjaardagen zijn gevierd en boeken werden gepresenteerd. Hoe het ook moge lopen, laten we voor de zekerheid wel vast afspreken dat we niet over het koningshuis praten.

Ik omhels je terug,

Roos

Colum McCann: de redactie las een indrukwekkende roman over een onderwerp waar je beter niet over kunt schrijven en dat leverde een geweldig boek op.

*

Jan van Mersbergen: Colum McCann, Apeirogon

Er zijn onderwerpen waar je maar beter niet over kunt schrijven. Ze zijn te ver weg of juist te bekend, er is al genoeg over geschreven, ze zijn te moeilijk, je kunt er geen partij in kiezen, het conflict is onmogelijk en onoplosbaar, als je erover schrijft verandert het leed bij ieder woord in sentiment. Onderwerpen waar je ver vandaan moet blijven.
De Tweede Wereldoorlog is erg moeilijk, want hoe voeg je daar vijfenzeventig jaar en duizenden romans later nog iets aan toe? Onderwerpen waar moraal aan kleeft zijn moeilijk: activisme, politieke achtergronden, de hippietijd. De beste boeken gaan hierover, maar een nieuw goed boek hierover maken lijkt een onmogelijke opgave.
De Palestijns-Israëlische kwestie is misschien wel het allermoeilijkste onderwerp, want daar komen moraal, partijdigheid, keuzes, politiek, onoplosbaarheid en onmogelijkheid, blinde koppigheid en idiote vastheid samen. Colum McCann schreef er toch een boek over: Apeirogon (vertaald door Frans van der Wiel), een onmogelijke titel maar wel een schitterend gelaagd, fragmentarisch en raak boek. Een prestatie van formaat.

Schrijven over twee personages, de een Palestijn, de ander Israëli, die vrienden worden. Mijn eerste gedachte is: Neem je moeder in de maling. Het verhaal is echter waargebeurd, en het leed van deze twee werkelijk bestaande figuren is ook echt. Dan blijft nog steeds de vraag over hoe je dat leed, dat inmiddels al in vele kranten is beschreven, in een roman verpakt.
McCann begrijpt hoe dat moet. Met lef. Met beelden. Met woorden die langs het sentiment schuren. Met ruimte die doorgaans in het conflict ontbreekt omdat het conflict totaal dichtgetimmerd is, iets wat bij een roman wel kan maar wat een vreselijk boek oplevert.
Hij begint met trekvogels. Doet denken aan het liedje van Klein orkest. Alleen de vogels vliegen van Oost naar West-Berlijn. Het is allemaal bekend, maar gesitueerd in Israël zijn de vogels anders, massaler in aantal, kleurrijker, lichter, blinkend in de zon.
Een jongen moet de gevangen vogel ringen en besluit twee ringen aan een ketting om zijn hals te hangen. Twee ringen, twee mannen van verschillende afkomst, aan een ketting, bij elkaar. Daar loert het sentiment.
McCann sluit dit korte hoofdstukje over Tarek, de jongen, echter af met: ‘Tarek voelde de ringen tegen zijn keel tikken toen hij twee maanden later met zijn oudere broer naar de Maagd Mariastraat ging om stenen te gooien.’
Dan volgt een witregel.

Het volgende korte hoofdstukje komt gauw, maar eerst kan de lezer tijdens die witregel nog even genieten van die mooie heldere zin waarin McCann vertelt wie die jongen is, een Palestijn, een stenengooier, met een broer, waarin hij de locatie aangeeft, het conflict nergens benoemt, maar klein maakt als een ring aan een ketting, als twee ringen samen aan een ketting. Die witregel was nodig. De lezer kan op adem komen.
Alles staat er, en toch is het proza bondig, zit er handeling en richting in de zin, wordt het personage groter, wordt Israël kleiner. Precies wat het conflict nodig heeft.
En dit is nog maar het begin. Deze zin staat op bladzijde 18, en ik weet nu al: McCann gaat niet alleen het complete Palestijns-Israëlische conflict slopen, hij gaat mij ook slopen, met deze krachtige woorden.
Ik leg het boek even weg. Duizend-en-één hoofdstukjes, dat heb ik al gezien. Van 1 naar 500, en dan 1001, en dan terugtellen van 499 naar 1. Lieve hemel, ik ben pas bij 10.
Even daarvoor heeft hij beschreven hoe kleine zangvogeltjes trekken, hoe ze kwetsbaar zijn, hoe ze in Frankrijk gegeten worden, zoals door François Mitterrand, de oud-president die volgens een bizar ritueel dat doet denken aan de Zonnekoning, die een vogeltje met botjes en al opeet, een ortolaan, en anderhalf jaar daarna sterft.
Ik ben nog maar bij het vijftiende hoofdstukje en McCann pakt direct uit op een manier die William Faulkner toepaste in As I Lay Dying, door korte fragmentjes onderling te koppelen, want er iets echt wel iets aan de hand met die mensen in Israël, met de trekvogels, met de snelweg en de tijd die verspringt van zomer- naar wintertijd zodat Israël en Palestina voor een paar dagen een uur ongelijk lopen, ik heb gelezen over een man op de snelweg, over vliegende vogels en eetbare vogels, over kogels die in Noord-Ierland knieën verbrijzelden, over Mitterrand die een vogeltje at, de andere aanwezigen hoorden de botjes kraken, en dan volgt bikkelhard hoofdstuk 15:

‘De kogel die Abir doodde, reisde vijftien meter door de lucht voor hij in haar achterhoofd sloeg en haar schedelbot kraakte alsof het een kleine ortolaan was.
Ze was naar de kruidenier gegaan om snoep te kopen.’

Ik heb hier zelf weer een witregel nodig. Ik zit nu al stuk. De samengeraapte beelden doen hun werk. Het sentiment was nergens te bekennen, het zit nu wel in mijn hoofd en lijf. Ik tril ervan. Het leed van een vader die zijn dochter verloren heeft, daar kunnen geen woorden tegenop, dat kan alleen op papier gezet worden in een verzameling beelden die in het hoofd van de lezer moeiteloos aan elkaar gekoppeld worden.
Krakende botjes. Een kogel die doel treft. Verlies. Een meisje dat naar de kruidenier loopt om snoep te kopen.
McCann laat me voor het eerst voelen hoe het Palestijns-Israëlische conflict in elkaar zit. Ik begrijp er nog steeds helemaal niks van, maar ik moet wel bijna huilen.

Ik wil weten hoe hij dat doet. Hoe hij een ingewikkeld, oneindig, wereldlijk probleem persoonlijk maakt en het leed van dat probleem bij de lezer neerlegt, niet als beklag of statement of als manifest, enkel en alleen het leed.
Ik weet al lang hoe je dat kunt doen, in mijn eigen romans pas ik dezelfde technieken toe, maar ik ging een dergelijk onderwerp uit de weg. McCann niet. Hij dook in een oneindige verzameling beelden en persoonlijke verhalen en voert die op met losse draadjes en hij geeft de lezer de kans deze gewelddadige wereld te ontvouwen zodat die wereld verandert in een wonder.
Dat is de kracht van literatuur. Dit is de grootste taak die een schrijver op zich kan nemen.
Dat is wat Colum McCann aangegaan is, en hij laat zien dat het kan. Na dit begin gaat deze anekdotische verbindende roman nog heel lang door. Ik weet nu al: dit is goud.
Geen wollige blatende metaforen opdreunen die niks meer dan leegte overbrengen, maar de zwaarst mogelijke materie omtoveren tot een ballon, zoals die van kunstenaar Banksy op het omslag van Apeirogon.
Ik zou wil alleen nog maar verder lezen, ademloos, want ik weet dat er nog heel veel moois gaat komen en dat ik niet moet proberen dat allemaal in een stuk over deze roman moet zien te pakken. Deze aanzet is genoeg. Ik sluit af met een witregel.

Ik haal adem en lees verder, een eindeloze rij korte hoofdstukjes die pauzes nodig hebben en samen toch een in elkaar gedrukt verhaal vormen dat je bang maakt, want dit wereldlijke onoplosbare probleem voel je opeens tot in je tenen.

De wereld is in quarantaine. Is hij helderder geworden, of overstemt het virus alle contemplatie? Is hij kleiner geworden, beperkt tot onze muren, of wordt hij door de gedeelde dreiging juist groter? Zes schrijvers – drie uit Amsterdam, drie in diverse buitenlanden – kijken op uitnodiging van SLAA, Singel Uitgeverijen en literair tijdschrift De Revisor naar buiten en schrijven elkaar Binnenpost: Bernke Klein Zandvoort, Sander Kollaard, Neske Beks, Roos van Rijswijk, Alfred Schaffer en Bernard Wesseling. In april: Sander Kollaard vanuit Kumla Prästgård en Roos van Rijswijk vanuit Amsterdam. (Plus: Radio SLAA in gesprek met de schrijvers. Lees hier de eerste twee brieven.)

*

Kumla Prästgård, eerste paasdag 2020

Hoi Roos,

Dat zag ik meteen voor me, die stoet van vrouwen, van moeders en dochters, dwalend door een stad die ze zo goed hebben gekend, maar die ze nu vreemd moet zijn. Ik zie er een paar met opgebonden haar en witte mutsjes met witte linten om onder de kin te binden, maar die moeite  niet hebben genomen, want die linten hangen los, langs het gezicht. Ik zie verschoten rokken en verstelde jakken. Ik zie een vrolijk oranje broekpak. En ik zie ze allemaal tegelijk, de hele stoet, als een ouderwetse chain gang, de schakels gesmeed uit DNA en gedeelde ervaringen – dochter zijn, moeder zijn, Amsterdamse zijn, en hoe het is om verliefd te worden op een Zweedse zeeman.

Waarom zochten ze je eigenlijk op? Denk je dat ze hebben begrepen dat je uit het veld bent geslagen – want die indruk maak je. Je klinkt zo monter, zo vastberaden, alsof je je flink moet houden. En als dat het is: heb je iets aan hun gezelschap? Of zijn ze gekomen voor je moeder, om haar met zachte hand weer op het juiste spoor te krijgen – om haar eraan te herinneren wat er ook alweer is met ooievaren bijvoorbeeld?

Het is vandaag Pasen. Gister heb ik per ongeluk een stukje van mijn duimtop afgesneden met de mandoline. Het kwam er glad af: een ovaal plakje duim, anderhalve millimeter op het dikste punt. Ik wikkelde snel wat keukenpapier om de hevig bloedende wond, nam het topje en rende naar Susanna. Dit is van mijn duim, zei ik, ik heb je hulp nodig. Ze schrok zich een hoedje maar bleef kalm en even later was alles gespoeld en verbonden. Voor de zekerheid belde ze met de adviesverpleegkundige, die zei dat het topje niet gehecht kon worden, dus dat heb ik met een vaag gevoel van spijt weggegooid, in de compost, alsof ik alvast een beetje oefende voor mijn overlijden.

Ik vertel dit omdat er direct na het afsnijden een golf van angst door me heen joeg. Je vroeg of ik bang ben. Omdat ik altijd alles rationaliseer en opberg in zinnen en scènes en kalme overwegingen, weet ik nooit zo goed wat ik voel, maar die golf was duidelijk genoeg. Misschien was het gewoon schrik, dat kan natuurlijk, maar er zat iets duisters in, iets zwarts en onbestemds en scherps, dus misschien ben ik inderdaad bang. Maar waarvoor dan precies? Dat weet ik dan weer niet.

Ik dreig te gaan somberen, dus ik ga je iets bemoedigends vertellen.  Nu het virus mijn aandacht heeft teruggeleid naar ons lichaam, vallen me allerlei dingen op. Heb je bijvoorbeeld gemerkt dat Trump sinds het begin van zijn presidentschap niet is verouderd? Ik zag het laatst pas. Bush jr. verouderde gestaag & Obama werd in recordtempo grijs, maar Trump heeft zijn nogal plompe vorm behouden. Het is dus de vraag of hij wel een lichaam is. En het uitblijven van veroudering is niet de enige aanwijzing. Wat ik tot nu toe begreep als een gebrek aan empathie, kan heel goed een afwezigheid van lichaam zijn: er is domweg niets wat geraakt kan worden. En dan dit: hij houdt zich niet aan de afstandregel, is al meerdere malen in aanraking geweest met besmette lichamen, en is desondanks virusvrij!

Wat is hij dan wel? Nou ja, een Trump-vorm, niet gedragen door een lichaam, maar door gas, ontstaan uit vergisting van eigenliefde. Een enorm opgeblazen ego. Vandaar die plompheid. En de Trump-vorm groeit nog altijd. Dat zie je bijvoorbeeld rond zijn ogen, waar witte barsten zijn ontstaan in het oranje fineer: een gevolg van de gestage inflatie. Je kunt al raden hoe het eindigt – en hier komen we bij het bemoedigende deel van mijn observaties. Wie weet knapt hij, zoals een ballon, met een vrolijke knal. Of misschien kiest hij op een mooie dag het luchtruim, zoals indertijd Maria. Dat zou wat zijn. De levitatie, de verbijstering, de paniek bij de secret service. Maar het is al te laat: hoger en hoger gaat-ie. De luchtmacht wordt gebeld maar kan niets meer uitrichten. Almaar hoger gaat-ie. Met het dalen van de temperatuur krimpt het gas, en daarmee de Trump-vorm, die ten slotte als een oude aardappel rond de aarde zal blijven zweven, nog net zichtbaar in heldere nachten, tot opwinding van tal van hobbyastronomen in de hele wereld.

Wat een geouwehoer, zul je misschien denken, maar er is niks tegen geouwehoer zolang Gods zegen er maar op rust, zoals Gerard Reve al zei, & met Pasen mogen we daar wel op rekenen.

Ik omhels je opnieuw, met groot & koppig enthousiasme, & meteen ook maar je moeder.

Sander

Amsterdam, 46 maart 2020

Hoi Sander,

Je duim, je arme duim, wat een in en in goor verhaal! Dit komt natuurlijk veel te laat, maar weet je dat je het topje van je duim er ook gewoon weer op had kunnen leggen, om het daarna goed te verbinden? Het resultaat zou een duim zijn als die van, daar is ze weer, mijn oma. Een duim met een slordige onderbreking en een raar, scheef, klein topje waar geen gevoel in zit maar waar kinderen altijd even vol kostelijke gruwel in willen knijpen.

Je schrijft ‘Nu dreig ik te gaan somberen’. Is dat erg? Ik denk dat veel mensen somberen nu. Maar ik heb makkelijk praten – als je met niemand rekening hoeft te houden, kun je zo somber als als je maar wilt in je berenkuil gaan zitten. Het enige risico is dat er op den duur niemand verschijnt om je er aan je haren weer uit te trekken. Precies daarom heb ik met een vriendin, we wonen bij elkaar om de hoek, afgesproken dat we elkaar iedere dag zien. Dan lopen we op anderhalve meter afstand van elkaar een rondje, soms vloekend, soms gierend van het lachen, soms zwijgend, soms vergezeld van een lintje even stille voorouders. Het helpt, het troost. Ik loop ook wel eens alleen, het liefst tegen de avond, als de stad in het strijklicht over me heen lijkt te buigen.

Dit neemt niet weg dat ik al een paar dagen strontchagrijnig ben. Mijn moeder is weer thuis, wat een prachtig wonder mag heten, maar nu ik niet meer dagelijks naar het ziekenhuis hoef te fietsen, halen alle emoties over de coronasituatie me hinnikend als een troep hyena’s in. Ik wil mijn moeder knuffelen, ik wil een baan tussen de mensen, ik wil de kroeg in met al mijn vrienden! Vlak voor deze hele klotepleuris uitbrak begon ik, na een jaar van vol liefdesverdriet m’n leven bijeenschrapen, net weer een beetje zin in het bestaan te krijgen. Ik wil naar zee! Ik wil mezelf belachelijk maken omdat ik iedereen in de lente zo mooi en sexy vind! Ik wil op of onder iemand liggen! Wat ís dit voor onzin? Aanstaande zaterdag zou ik eigenlijk jarig zijn, maar ik heb besloten nog een jaartje vierendertig te blijven.

Ik heb het zoals je leest zo druk met mezelf dat ik niet eens de ruimte heb om verontwaardigd te zijn over de politieke situatie. En dat terwijl minister Van Engelshoven zojuist, schijnbaar schouderophalend, heeft verkondigd dat ‘het seizoen voor de culturele sector helaas verloren is’, jammer dan, pech gehad.

Gaan de kunsten in Zweden ook ten onder, Sander? Heeft de koning ook een briefje opgelezen van de autocue?

Eigenlijk zou ik kwaad moeten zijn over hoe het kabinet hier onvoorbereid een pandemie in zeilde, te laat maatregelen trof. En moet ik niet schuimbekken van woede over de onderbetaling der supermarktmedewerkers? Over de onderbetaling van mezelf, desnoods, want ik heb geen idee hoe ik dit allemaal moet gaan bolwerken? En, ja, Trump, die ik nu voor me zie als een soort heliumballon, waarvoor dank, over hem zou ik me ook enorm moeten opwinden, maar het lukt niet, ik denk dat ik dit chagrijn even in m’n eigen navel moet uitzitten.

Zitten! Ook al zo vervelend. Ik zit, omdat ik op die kleine wandelingen na toch nergens heen mag, verdomd veel uit m’n raam te kijken. Aan de overkant van de straat zijn twee yuppen vol overgave hun dakterras vol aan het plempen met dure planten, verantwoord buitenmeubilair en fitnessapparatuur. Over hooguit drie dagen zullen ze een levensgroot Boeddhabeeld omhoogtakelen, of een totempaal, of wat er tegenwoordig ook is toegeëigend als spiri-deco.

Bij nader inzien ben ik diep vanbinnen best blij, maar omdat ik nergens terechtkan met mijn hervonden levenslust & lichaam, mondt ’t uit in gemelijkheid. Ik zou die energie in het schrijven moeten steken, ware het niet dat die pandemie nogal afleidend werkt.

Lukt het jou, schrijven? Kun je het ook in het Zweeds? Ik heb wel eens geprobeerd in het Engels te schrijven en kon niets anders dan concluderen dat ik erg aan mijn Nederlandse woordenschat hecht.

Lezen gaat wel. Ik herlees Süskinds Het parfum voor het slapengaan, ik ben nu bij het deel waarin Jean-Baptiste Grenouille zich zeven jaar lang afzondert in een grot van de vulkaan Plomb du Cantal. Nog even en hij zal erachter komen dat hij geen eigen lichaamsgeur heeft. Zeg, ik ben helemaal niet zo thuis in de Zweedse letteren – ik ga er gemakshalve vanuit dat jij er meer van weet. Wat raad je aan? Het liefst iets met een afgelegen huis erin.

Hartstochtelijk chagrijnige groet,

Roos

Wil je de stemmen van Roos van Rijswijk en Sander Kollaard (en SLAA-directeur Jeroen van Kan) ook horen? Luister:

Jeanine Cummins, Sandro Veronesi: de redactie las de heisa en vervolgens de middelmatige roman waarover de heisa ging, en een kochiaanse klassieker van twintig jaar gelezen.

*

Thomas Heerma van Voss: Jeanine Cummins, Wie omkijkt

Nee, ik las American Dirt niet wegens de commotie, waar veel anderen al zinnige dingen over hebben geschreven, ook in Nederland – Arjen van Veelen voerde de roman op in zijn mooie essay over de dreiging van literaire zuivering. Toch was het boek zonder die commotie vermoedelijk niet onder mijn aandacht gekomen. Ik las het afgelopen weken in de Nederlandse vertaling (door Carola van der Kruk-de Boer en Annet Niewold-de Boer) met de weinig geslaagde titel Wie omkijkt; dat haalt het niet bij hoe Cummins het boek zelf heeft genoemd. Ook vreemd: de ondertitel die op het omslag van de Nederlandse editie is gezet door uitgeverij Mozaïek: ‘Een wanhopige moeder en haar zoontje op de vlucht voor de wraak van het drugskartel.’

Die zin dekt de lading wel van dit verhaal van een kleine vijfhonderd pagina’s, dat van begin tot eind draait om die vlucht. Ook klinkt het nogal thrillerachtig: wanhoop, op de vlucht, wraak, een drugskartel. Van zulk groot taalgebruik bedient Cummins zich in dit romandebuut ook steeds. Op zich is er niets tegen een beetje een voortrazend verhaal, er is zelfs niets mis met af en toe een thrillerelement in een roman, alleen vinkt American Dirt wel nagenoeg elk thrillercliché af in dit rommelige, weliswaar vlot lezende maar uiteindelijk vreemd lege geheel.

Voortdurend wordt er in American Dirt van perspectief gewisseld, niet alleen van die inderdaad wanhopige moeder Lydia (al word ik geen moment echt onderdeel van haar wanhoop) naar haar ongeloofwaardig wijze zoontje Luca (hoe oud is die jongen? ik kreeg er maar geen beeld bij), maar ook naar passanten door heel Mexico; iemand op een vliegveld, mensen met wie ze samen door Mexico vluchten en bovenop een trein springen. Sowieso heeft Cummins de neiging om alles uit te leggen over de drugsoorlogen in Mexico: hoe de onderlinge verhoudingen liggen, wie er allemaal corrupt zijn, hoe gevaarlijk het is, wanneer het geweld verhevigt. Vaak bedient ze zich daarbij van de taal van een journalist, die passages invoegt om de lezer op de hoogte te stellen; het is niet de taal van een romanschrijver die zich inleeft in haar romanpersonages, en zeker niet van een personage dat op de vlucht is.

Zo worden voortdurend dingen uitgelegd: ‘Omdat het in hun cultuur heel gebruikelijk is dat volwassen kinderen voor hun bejaarde ouders zorgen, is het überhaupt al redelijk ongewoon dat Lydia’s moeder een spaarrekening had.’ Alle Mexicaanse tekstjes die in het boek voorkomen, worden vervolgens vertaald. De peso’s waarmee Lydia betaalt worden keurig omgerekend in dollars. Alsof Lydia en Luca zulke zaken eens rustig overdenken terwijl ze opgejaagd worden. Alsof alle informatie over drugsoorlogen niet vanzelfsprekend is voor de personages, aangezien ze er al jaren door wordt omringd.

Interessant zou het juist worden als je dingen – gewoontes, geweldsuitbarstingen – te lezen krijgt die als gewoon worden gezien waarvan je als lezer denkt: dit ben ik helemaal niet gewend, dan creëer je spanning. Maar Cummins lijkt zich hebben voorgenomen niks verwarrend of dubbelzinnig te maken voor de lezer. En dan is er ook nog de rest van haar stijl. Die had veel goed kunnen maken: niet alles qua perspectief of informatiedosering hoeft immers helemaal te kloppen als je dit boek gewoon beschouwt als een spannende easy read, en niet als een fijnbesnaarde, psychologisch afgewogen karakterstudie of iets dergelijks. Maar stilistisch rammelt American Dirt: ik zette voortdurend streepjes in de kantlijn, het ene moment geïrriteerd en het andere vooral verbaasd, want Cummins had toch, meldde de achterflap, tien jaar in de uitgeverswereld gewerkt, ze zat bij een agentschap en er was een miljoen dollar voorschot voor dit boek betaald, dan had er toch wel fatsoenlijke redactie op losgelaten kunnen worden?

Een paar voorbeelden. Lydia voelt iemands ergens ‘bezorgdheid als een vloek in de ruimte hangen’ (wat betekent dat?), waardoor haar hart ‘als een razende tekeer’ gaat én ze zich opgejaagd voelt; angst ‘slaat haar om het hart’; een paar regels later ‘treft [iets] haar als een donderslag bij heldere hemel’. Elders treft iets haar ‘als een mokerslag’; er klinkt ‘oorverdovende stilte’, als ze rondrijden, ziet Luca een rij huizen ‘langs flitsen als kaarten in een kaartspel’ (hoe werkt dat?), vlak daarna registreert hij ‘een baldakijn van schaduwrijke bomen [die] de straat overwelft’ (welk kind praat of denkt in hemelsnaam zo?). En dit zijn alleen nog maar voorbeelden van de eerste honderd bladzijdes, waarna Cummins overigens zelf eens opmerkt: ‘Hoeveel ze ook houdt van taal, in sommige gevallen is geen enkel woord toereikend.’ 

Je kunt zeggen: het is flauw om zulke zinnen te citeren, iedereen formuleert weleens ongelukkig. Maar deze taal is niet alleen clichématig, hij onderstreept ook hoe Cummins haar verhaal heeft opgebouwd: alles voor de nadrukkelijke emotie en het grote gebaar, alles voor de thrillerachtige vaart, alles voor de begrijpelijkheid. Rondom alle commotie was ik nog wel geneigd haar bij te vallen, of tenminste om te denken: iedereen moet over alles kunnen schrijven. (Wat overigens ook niet echt werd betwist, zelfs niet door criticasters.) Maar nu ik American Dirt heb gelezen denk ik vooral: dit is een erg middelmatige roman, geen enkele heisa waard.

Jan van Mersbergen: Sandro Veronesi, In de ban van mijn vader

Het zal voor de Nederlandse markt een beter titel zijn: In de ban van mijn vader (vertaald door Rob Gerritsen), maar de originele Italiaanse titel van de roman van Sandro Veronesi was: La forza del passato, en voor zover ik weet is forza Italiaans is voor kracht en passato staat voor passé, voor het verleden. De kracht van het verleden is de titel die ik dit keer bij het herlezen van deze roman in mijn hoofd had. Die titel past goed.
De manier van vertellen van Gianni Orzan, de hoofdpersoon die Veronesi opvoert, deed me denken aan hoe Herman Koch zijn verhalen vertelt: in duidelijke strakke zinnen maar wel met de nodige twijfel, zonder dat het ergens twijfelachtig wordt. Dat is een belangrijk verschil. Sommige vertellers zijn warrig, andere vertellers zoeken maar laten zich niet door de mogelijkheden en keuzes tijdens dat zoeken overmeesteren waardoor de vertelling strak blijft. Zoals bijvoorbeeld de scène waarin Gianni op aandringen van een van zijn gasten beneden bij de voordeur aan de intercom luistert wat de anderen die nog boven zijn over hem zeggen, nu hij het huis uit is. Een typische Kochiaanse scène, trouwens. Gianni besluit te luisteren, en wat hij opvangt doet hem geen goed:
‘Het valt me moeilijk dit te vertellen, zwaar zelfs, maar ik geloof dat het belangrijkste is: die twee waren vrienden van me, en het feit dat ze zo over mij, mijn vrouw, mijn huis en mijn gasten konden spreken heeft me zeer geschokt.’
Het is moeilijk te vertellen, valt hem zwaar, hij gelooft iets, het belangrijkste… Je hoort deze verteller een zin in elkaar zetten die zijn twijfel laat zien, maar het is wel een zin die de vertwijfeling van de vertelling voor is. Het blijft helder en te volgen. Nergens heb ik het idee dat deze verteller meer weet dat wat hij vertelt of boven zijn zoektocht in woorden staat. Zijn twijfel wordt ook geen pose.
Hij is wel expliciet, want even verderop staat: ‘Het zijn dingen die je uit het lood slaan.’ Hij weet wat er gebeurt, hij volgt de stapjes. Hij laat de lezer echter niet vertwijfeld achter, hij maakt de lezer alleen deelgenoot van zijn verhaal.
Dus met veel plezier luisterde ik naar Gianni, die erachter komt dat zijn vader, die net overleden is, geen gewone Italiaanse conservatief was maar een Russische contraspion. In vlotte scènes brengt een taxichauffeur hem dit nieuws, nadat de taxirit in een angstrit overging omdat Gianni een pistool zag, als de chauffeur hem de tas later terug komt brengen maakt het nieuws hem minder bang maar zet het wel zijn leven op zijn kop. Die flaptekstzin uit de jaren negentig staat ook op deze flap: ‘Gianni’s wereldbeeld begint te wankelen.’
Dat kleine verhaal pakt natuurlijk groot uit, zit verstopt in mooie persoonlijke verhalen, met een overzichtelijk tijdsbesef en een slim schakelen tussen verteltijd en de tijd die geweest is, zoals de eerste zinnen van de roman na de vraag of Gianni een droevig mens is: ‘Dat vroeg ze aan me, die journaliste. Het is de laatste vraag.’
Met de vraag begint het boek, wie de vraag stelde staat in de verleden tijd, Gianni geeft zelf aan dat het de laatste vraag is waarna hij over de prijsuitreiking vertelt en het hoofdstuk afsluit met het antwoord op de vraag: ‘Niet meer.’
Bijzonder slim en speels gedaan. Dat doet Veronesi steeds: het verhaal zijn beloop laten maar daar wel af en toe van afwijken, een zijpad zoeken, soepel weer terugkeren naar het hoofdverhaal. Het levert levendig proza op. Het duurt even voor ik de zinnen die de hoofdstukjes aaneenrijgen kan laten varen en meer ga voor de zinnen die de sfeer neerzetten, die de verteltoon van Gianni markeren: ‘Hij steekt een sigaret op, de ellendeling,’ is een korte alinea die los in een lang betoog van de taxichauffeur staat als ze in een restaurant een enorme hoeveelheid spaghetti eten die door een meisje op rolschaatsen voor hen op tafel is gezet.
Ik weet: Gianni is negen maanden gestopt met roken. En die man rookt. Die sigaret doet me meer dan het verhaal dat de tafel over gaat, over de vader van Gianni. Hij moet dat verhaal horen, het is een verrassende wending, maar zijn stoppen met roken is zijn eigen korte verleden dat ook een rol speelt.
Daarom: De kracht van het verleden, in plaats van de vader. En het fijne aan boeken waarin alles samenkomt is dat, wanneer je ze leest, alles ook daadwerkelijk samenkomt. Net als in de restaurantscène een Kochiaanse vraag opdoemt omdat hij de rolschaatsende ober slecht behandelde – hoeveel spuug van obers zullen we in ons leven gegeten hebben? – komt de titel letterlijk terug aan het einde van die scène, als Gianni vertelt dat de schrijver Giorgio Bassani ooit de stem van Orson Welles deed in een film, waarna een gedicht van Bassani aangehaald wordt: De kracht van het verleden. Niks vader, al gaat het gedicht wel over geboren worden, maar volstrekt indirect.
Het vervolg van deze roman waaiert uit. Gianni ziet zijn zekerheden hem ontglippen. Ergens jammer dat hij kinderboekenschrijver is en dat hij de gebeurtenissen gebruikt in zijn nieuw te schrijven kinderboek over Pizzano Pizza, zijn kinderboekenheld, die stukken kan ik missen. Wel mooi dat de vertwijfeling in zijn leven groter wordt maar het proza helder blijft. Dat was de opdracht die Veronesi zichzelf opgelegd heeft, en daarin is hij zeer goed geslaagd. Altijd fijn om een boek dat inmiddels al weer twintig jaar oud is te herlezen en te zien dat de klassieke status die het boek destijds is toegedicht terecht is.