De redactie redigeert en schrijft en leest kopij — maar ook tientallen, soms meer dan honderd boeken. Elke week rapporteerden we daarover. En in 2017 en 2018 kozen we dan vervolgens de beste boeken. Dit jaar schreven Manon Uphoff, Dore van Duivenbode, Olivier Guez, Robin Robertson, Siri Hustvedt, Ivo Victoria, Lesley Nneka Arimah, Valeria Luiselli, Stephan Enter, Geir Gulliksen, Iduna Paalman en Evelien Vos de beste boeken volgens de redactie.

*

Bernke Klein Zandvoort

Wat het betekent wanneer er een man uit de lucht valt is het debuut van Lesley Nneka Arimah. Het omhelst twaalf verhalen, waarin hardvochtige realiteit en een soort magisch absurdisme elkaar afwisselen of in elkaar verstrikt raken. Zo zijn er hondsbrutale pubers, strenge regimes van tantes of grootvaders, is er de Biafra-oorlog, moeders die hun dochters via Skype proberen op te voeden, vaders die er alleen voor staan: ‘Toen Enebli Okwara zijn dochter de wijde wereld in stuurde, had hij geen idee wat de wijde wereld met dochters deed’.

Maar ook: verhalen waarin baby’s gemaakt van haarstrengen tot leven gewekt kunnen worden en wiskundigen die treurnis kunnen opeten (‘de vergelijking van een persoon kunnen oplossen’). Het sterkst vind ik de verhalen waarin de werkelijkheden in elkaar overlopen:

‘Bij de kassa droeg de jongen die haar boodschappen scande en in draagtasjes stopte een naamkaartje waar MARTIN opstond, wat misschien wel en niet zijn naam was. De Britten hadden het liefst dat hun dienstverleners namen droegen die ze konden uitspreken, en de meeste bedrvijven maakten het dragen van westerse namen tot hun beleid. De tatoeage op zijn pols gaf zijn nationaliteit weer – een oorspronkelijke Biafraan – en zijn klasse, de derde.’ 

Bijna alle verhalen spelen zich af in Nigeria of Amerika, bijna altijd is de hoofdpersoon een vrouw tussen de 12 en 35 jaar, bijna altijd mist er een ouder. En steeds opnieuw is het pijnlijk, bitter, wreed. Uitzichtloze situaties worden nooit uitzichtrijker, er zijn geen goede eindes.
Waarom dan toch doorlezen? vroeg ik me op een gegeven moment af. Het zit in Arimahs zinnen. Die zijn waanzinnig goed, zó sprankelend, gevat, grappig en onverwacht. Daarnaast experimenteert Arimah met vertelvormen, zoals in het openingsverhaal ‘De toekomst ziet er rooskleurig uit’, dat in zichzelf lijkt te verdwijnen. Het verhaal eindigt bij het slot. Letterlijk en figuurlijk, omdat we met hoofdpersoon Enzinma bij het slot van een deur staan. Voor ze die kan openen, gaan we steeds een stap terug in de tijd om haar familieleden te leren kennen:

‘Enzinma zoekt op de tast met de sleutel naar het slot en ziet niet wat haar van achteren nadert: haar vader als klein jongetje…’ waarna het verhaal van de vader, beknopt maar levendig, uit de doeken wordt gedaan tot het punt waarop hij zijn vrouw ontmoet: ‘… en dat is hoe zijn vrouw zal ontmoeten en waarom Enzinma, die met de sleutels op de tast naar het slot zoekt, niet ziet wat haar van achteren nadert: haar moeder op haar tweeëntwintigste, niet knap, maar met de frisse blik van iemand die nooit honger heeft gehad’ 

Alle terugblikken leiden uiteindelijk naar de laatste alinea, waarin we in het heden uitkomen, opnieuw bij het slot staan, en we door de ontmoetingen met haar naasten van een personage zijn gaan houden, dat helaas geen goed einde is gegund. 

*

Fluitsignaal: 
Schotklok tikt: 
Nummer 1:
De waarheid is: 
Het is makkelijk:
Dan komt het aanraken: 
Daarna begint het vertellen:
Voel:

Zinnen als vingerknippen, ben ik alert? Ik lees de gedichten van Iduna Paalman in De grom uit de hond halen als vellen die uit een typemachine worden getrokken en waarin steeds opnieuw de balans lijkt te worden opgemaakt. Verwoed, vel na vel, worden pogingen gedaan om iets in bedwang te houden, veilig te stellen, gecontroleerd te weten – met tegelijkertijd die vernuftige realisatie dat het allemaal maar lucht is, want hoe kan je grip krijgen als de wereld een plek is 

waar nattigheid wordt drooggedept/ met doorweekte doeken?

Paalman doet dat door heel secuur te zijn. Haar gedichten zijn fijnmazige bouwwerken waarin niets over het hoofd wordt gezien. Het ene moment lijk ik deel van iets manisch, waarin alles en iedereen veilig gehouden moet:  

mijn borstkas deel ik als het even kan/ 
met wie er adem vindt, mijn ribben
omklemmen alle troost, gevangen bal
tussen de palen

Op andere momenten mag ik even ontspannen in de schoonheid van de kleinste, vaak over het hoofd geziene dingen – een vermoeide middenberm, tondeuses als optrekkende legertanks, de zee op ruikafstand gelegd, een aanraking die tegelijk een huisvesting is – zolang ik •vingerknip!• mijn waakzaamheid maar niet verlies.

*

The Long Take is de oorspronkelijke titel van Robin Robertsons Hier maak ik mijn stad. Het origineel valt mooi samen met de vertelvorm: een langgerekte, poëtische vertelling die maar doordendert. De Nederlandse titel sluit goed aan bij mijn leeservaring, waarin ik als lezer, door de gefragmenteerde vertelvorm, zelf aan het maken werd gezet.  

Walker, een getraumatiseerde oorlogsveteraan, kan na de Tweede Wereldoorlog niet terug naar huis en belandt voor het eerst in zijn leven in de grootstad. In een serie grootsteden eigenlijk, waarin we met hem dagbaantjes aannemen, kamers huren, oorlogsbeelden verdringen en van daklozen tot penthouses, de gelaagdheid van het begrip ‘thuis’ in kaart proberen te brengen. En vooral is er de stad, de stad als wezen, waar Walker het hele boek grip op probeert te krijgen, vanaf de allereerste zin:

‘En daar verrees zij dan,/ glinsterend als een staande golf –  […] terwijl de wereld er op deze herfstochtend/ uiterst traag/ omheen draaide, in opperste verbazing.
Die focus op de stad wordt nog eens extra aangezet wanneer Walker, totaal onervaren, als journalist bij een krant gaat werken. De chef vraagt waar hij over wil schrijven.

‘Steden?’ 
‘Ja. Amerikaanse steden.’
‘Wat is er dan met Amerikaanse steden?’
‘Ze mislukken’. 

Het verhaal wordt verteld in een aanschakeling van fragmenten, door sterretjes gescheiden. Verschillende lettertypen duiden wisselingen in toon en tijd aan. Soms is er iemand aan het woord, soms praat de stad, dan vallen we weer midden in een dialoog of bestaat het fragment uit een zin die is blijven hangen, terwijl de rest van het gesprek lijkt te zijn weggewaaid. Cursieve stukken dienen niet alleen als terugblik, maar ook als een soort innerlijke dialoog van de tekst. Alsof de tekst in zichzelf praat, alsof ze denkt. Na twee bladzijden merkte ik dat ik me er al volledig bij had neergelegd, de gaten, het heen-en-weer-springen, de tekst die over zichzelf denkt. Prachtig hoe Robertson poëzie en vertelling heeft laten samenvallen. Ik hoop dat er een nieuw genre opstaat. 

Jan van Mersbergen

In 2019 las ik bijna iedere week een boek om op vrijdag een stukje over te schrijven. Wat er echt uit sprong, en in mijn ogen de beste Nederlandse roman van dit jaar: Vallen is als vliegen van Manon Uphoff. Persoonlijk, direct, beeldend en schrijnend, op een manier opgeschreven dat het tegelijk beklemt en ontroert. Echt een prestatie.

Een ander Nederlands boek dat opviel was van Dore van DuivenbodeMijn Poolse huis, voor mij het beste debuut maar non-fictie, dus niet het beste fictiedebuut van het jaar. In die categorie drie kanshebbers:

  • Irma Maria Achten, Augustus
  • Sacha Bronwasser, Niets is gelogen
  • Evelien Vos, Niemand keek omhoog

De eerste twee romans gaan over kunst, daar zal ik niks meer over zeggen. In ieder geval is Nederland twee sterke vrouwelijke schrijvers rijker, van Achten en Bronwasser gaan we nog veel moois lezen. Toch vond ik Niemand keek omhoog van Evelien Vos het beste debuut, vooral omdat de beelden sterk zijn, de toon dwingend en de zinnen eenvoudig. Een debuut dat eigenlijk al de schwung en doeltreffendheid van een ervaren schrijver heeft. Vertaalde literatuur was de hoofdmoot dit jaar, en daar zaten veel sterke romans tussen. De beste vijf:

  • Tommy Orange, Er is geen daar daar
  • Oliver Guez, De verdwijning van Josef Mengele
  • Cynan Jones, De wetten van water
  • Beppe Fenoglio, Dag van vuur
  • Euclides da Cunha, De binnenlanden

Dat laatste boek van Da Cunha biedt een onovertroffen leeservaring, maar is een oudje dat alleen nog in stoffige tweedehands zaakjes te vindenn is. Het mooie kleine boekje van Fenoglio is wel in druk, maar ook van een tijdje geleden. Het boek van Tommy Orange is indrukwekkend en schrijnend vanwege het onderwerp: de Natives in Amerika die alles afgepakt is, waaronder hun identiteit. Cynan Jones kwam met een erg sterke eco-roman, volgens de hem bekende witregelstructuur, en toch met een nieuwtje, want hij volgt in dit boek een flink aantal personages in losse verhalen die samen een geheel vormen. Het boek waar ik echt aan vastgezogen zat, vanwege het verhaal, het personage dat werkelijk bestaan heeft en gruwelijk was, de uitgebeende zakelijke stijl, het geweldige tempo en de vertelkeuze wat betreft de tijd waarin het verhaal speelt, was De verdwijning van Josef Mengele. Een bekend persoon met een vreselijke rol in het verleden enkel beschrijven in zijn periode in Zuid-Amerika, waar hij naartoe vluchtte en waar hij zijn daden probeerde te ontlopen. Uiteindelijk stierf Mengele in een treurige toestand in Brazilië. Je zou kunnen zeggen dat hij zijn straf ontlopen is want veroordeeld is hij nooit. De angst die hij dagelijks voelde en zijn venijnige kinderachtige jaloerse blik op zijn collega nazi’s die gewoon in het Duitsland van na de oorlog arts konden zijn, doen de lezer wel voelen dat Mengele in feite iedere dag gestraft werd. Dat geeft de lezer genoegdoening.

Thomas Heerma van Voss

Het afgelopen jaar las ik veel en ongestructureerd. Tenminste, ik las nauwelijks nog zoals ik jaren geleden deed en misschien ook wel het allerliefst lees: helemaal afgaand op mijn eigen belangstelling, aangewakkerd door een enthousiaste recensie, het oeuvre van een auteur of ongegronde interesse, kortom: op intrinsieke zin om een boek te lezen. Dat kwam deels omdat ik in de jury zat voor de Bob den Uyl-prijs (bestaat die nu nog?) en de Europese Literatuurprijs, taken die me bevielen maar ook tijdrovender bleken dan gedacht. Ook besprak ik elf romans voor De Groene Amsterdammer: veelal eigen keuzes, maar hoe dan ook uitsluitend buitenlands werk, dat maar net recent in vertaling verschenen moest zijn. (Aan goede voornemens doe ik niet, hoewel ik me regelmatig van alles voorneem, ook nu ik dit stuk schrijf: volgend jaar meer boeken lezen waar niks mee moet, en zodoende ook vaker een bijdrage leveren aan onze wekelijkse leesrubriek – dat voelde vaak vreemd met boeken waar ik in een andere hoedanigheid al iets mee moest.) Een voordeel van zulk jurylezen is dat er interessante boeken op je radar komen die je anders vermoedelijk over het hoofd zou hebben gezien. Zo las ook ik Dore van Duivenbode’s Mijn poolse huis, en ik was ontzettend gecharmeerd van dit boek. Een grappige, ontluisterende mengeling van memoir, reisverhaal, levensgeschiedenis – van Duivenbode schetst de Poolse afkomst van haar familie, hoe ze zich als kind schaamde wanneer haar oma weer eens iets onbeschaamds Pools zei, de lange busreizen die ze vroeger naar Polen maakte, het afgebladderde huis van de familie dat daar nu over is, hoe ze zich noch in Nederland noch in Polen helemaal thuis voelde. Boeiende geschiedenis, vaardig geschreven, en knap opgebouwd: het feit dat ze nu terug moet naar Polen geeft het verhaal een dwingende, overkoepelende structuur en de nodige vaart, dit boek wordt allemaal nergens te uitgebreid of zwelgend. Een aanrader. (Al is het boek geloof ik strikt genomen al uit 2018, maar ja, het werd in 2019 bekroond, dus dan past het hierbij.) Een andere favoriet uit Nederland: Manon Uphoffs geweldige Vallen is als vliegen. Over die roman hebben twee mede-redacteuren in deze rubriek al veel moois geschreven, aan die woorden heb ik weinig toe te voegen, maar wat een knap geschreven, bijzondere roman. Andere favoriet: Ivo Victoria’s Alles is OKÉHierover schreef ikzelf al eerder in onze leesrubriek, en ik had het genoegen om tijdens de presentatie ook een woord te mogen zeggen. Wat ik vooral knap vind is Victoria’s stijl – die trouwens ook opvalt in ons laatste nummer van dit jaar, daarvoor schreef hij een prachtig kort verhaal: hij schrijft scherp, soms bijna laconiek, onderkoeld komisch, en ondanks de vele beelden nergens overdadig. Het zorgt ervoor dat dit verhaal over een dementerende moeder beklijft, schrijnt, en af en toe – een moeilijkheid in het genre moederboek – werkelijk verrast. Want Alles is OKÉ is niet alleen het verhaal geworden over een vrouw wiens leven zich slechts nog op de vierkante meter afspeelt en haar naderende dood, het is zelfs niet alleen het verhaal van een zoon die zich eigenlijk geen raad weet met wat er gebeurt – het is ook een roman over dat schrijven zelf, over literatuur als middel om iets vast te houden wat onherroepelijk wegglipt. Dan merkt hoofdpersoon Hans bijvoorbeeld heel terloops op: ‘Aha! Ja, ik geef nu plots iets prijs wat ik zelf nog niet wist maar het lijkt te kloppen.’ Elders staat de veelzeggende passage: ‘Ik heb een volmacht, niet alleen om haar bankzaken te regelen, desnoods zelfs aar huis te verkopen, maar ook om maar hele leven vorm te geven in een verhaal dat iedereen zal troosten, alleen haar niet. Een verhaal dat alles de moeite waard maakt, voor mij.’ En dat verhaal is deze fraaie roman geworden. Vergelijkbare reflecties op schrijven zitten ook in Siri Husvedts Herinneringen aan de toekomst, een van mijn favoriete vertaalde romans van dit jaar, tevens het boek dat ik voor De Groene Amsterdammer heb aangedragen als favoriet van het jaar. Hoofdpersonage S.H., een 61-jarige Amerikaanse auteur, vindt in deze roman een oud dagboek van zichzelf terug en daarop ontvouwt zich een heel fraai, gelaagd verhaal: we krijgen sommige dagboekfragmenten zelf onder ogen, dus beschreven vanuit de jonge, ambitieuze S.H., en ook beschrijft Hustvedt de context van die fragmenten – waarbij we vanzelf merken hoe afstandelijk de hoofdpersone vanuit het heden op haar vroegere zelf terugblikt. En tussendoor wijst ze, à la Ivo Victoria zullen we maar zeggen, bijna nonchalant op haar macht als verteller: ‘Hier staat het me vrij om over decennia heen te wippen in de smalle witte ruimte tussen twee alinea’s’. En: ‘Ik heb beelden in mijn hoofd die beklijven, maar ik kan niet instaan voor hun betrouwbaarheid.’ Typisch een zinnetje waarmee Hustvedt haar vertelling onder extra spanning zet. Een boek dat niet gemaakt is om te pleasen, dit Herinneringen aan de toekomst, al lezende moet je je een beetje naar binnen vechten, door alle lagen heen, maar het loont zonder meer. Een andere vertaald werk dat me beviel, nee, zeg gerust die me overrompelde, was Geir Gulliksens Het verhaal van een huwelijkReeds verschenen in 2018, maar afgelopen jaar kwam de roman bovendrijven bij de Europese Literatuurprijs. Een geweldig boek, waarin een man van middelbare leeftijd het verval van zijn huwelijk ontleedt: precies, schrijnend, zonder verwijten of gescheld. Wat hij beschrijft voelt eerder als een onontkoombaar proces van twee geliefdes die uit elkaar groeien, en zoals de hoofdpersoon zelf jaren geleden wegging bij zijn toenmalige geliefde, geleidelijk en toen plotseling, verlaat zijn vrouw hem gedurende dit boek. Geweldig beschreven. Het was lang geleden dat ik zo opging in een roman – en er zo veel bij voelde. In al min enthousiasme raadde ik dit boek de afgelopen maanden overigens aan iedereen aan die het maar horen wilde en ik leende mijn exemplaar meerdere keren uit, maar inmiddels heb ik geen idee waar het gebleven is (gericht citeren gaat dus lastig) terwijl ik het eigenlijk alweer wil herlezen. Tips zijn welkom en worden beloond. Toch nog een voornemen voor het volgende jaar: dit prachtige boek opnieuw aanschaffen.

Daan Stoffelsen

Voor juryleden is het anders. Het voelt alsof ik mijn eindejaarslijstje al ingeleverd heb met de shortlistvergadering voor de Bookspot Literatuurprijs, en ik alweer bijna in de winterstop voor een nieuw seizoen zit. De Bookspot, of voorlopig Nederlandse Literatuurprijs, is net als de Booker Prize (het voorbeeld voor literaire prijzen in andere landen) en de Deutscher Buchpreis een zomerprijs. Zo kon mijn winterkampioen van vorig jaar, Marente de Moors Foon, op de shortlist belanden. Wat mij betreft mag die rijke roman over verhalen, vluchten en vergeten wel Europees door – maar het buitenland heeft nog niet gehapt, lijkt het. Wel bij Manon Uphoffs Vallen is als vliegen (Pushkin Press gaat het uitgeven!), dat voor mij net als bij Jan erboven uitsteekt dit jaar. Ik gun Jans warme puzzelroman wel de tweede plaats bij de NRC Lezersprijs, maar dan achter Uphoffs boschiaanse, Andersensprookje van misbreuk en overleving. Grimmige, oorspronkelijke beelden wisselen soberder beschrijvingen af – en dat is al bijzonder. Dit aspect neigt naar een buitenliteraire kwaliteit: in een conventionele geschiedenis van afkomst en jeugd, onconventioneel verteld, sluipt de misbruik binnen. Het knappe van Uphoffs roman is dat ze niet zwelgt in slachtofferschap, verklaart maar niet verontschuldigt, en dat ze meer doet dan een verhaal vertellen: ze onderzoekt de herinnering, de verdringing, het geweld en het overleven. Ik las veel meer dit jaar, en ook al in de tweede helft. Mijn buitenlandse uitstapjes uit een zee van verplicht Nederlands lezen waren traditionele favorieten: Sarah Hall en Valeria Luiselli. De een een koningin van het korte verhaal, de ander een telkens verrassende schrijfster, ditmaal van een uiterst intelligent én empathisch onderzoek naar migratie en scheiding. Luiselli brengt in Archief van verloren kinderen de stemmen van een moeder, haar kinderen, en een groep vluchtelingen in een schurende balans, roept emotie op en reflectie, en geeft op het slot nog een superieur lesje perspectiefwisseling in één enorme zin. Ik merk dat naast de technische kwaliteiten van zo’n roman, de betrokkenheid die ik krijg bij personages en verhaal, de maatschappelijke kant voor mij ook meetelt. Iets wat in de voortreffelijke essaybundels van Laura Broekhuysen (migratie en inburgering) en Charlotte Van den Broeck (kunst en zelfmoord) al ingebakken zit, maar wat Luiselli en Uphoff onderscheidt van andere geweldige romans van dit voorjaar, en wat ook mijn grotere enthousiasme bepaalt voor Stephan Enters bescheiden roman Pastorale boven het fysiekere Zwarte schuur van Oek de Jong. Enter heeft een rustige, subtiele roman geschreven die in karaktertekening, dialoog, enscenering en plot overtuigt, maar ondertussen de breuklijnen in een dorp blootlegt. Zijn de verschillen te overbruggen? Hoe dan? Het zijn relevante vragen, niet alleen voor een fictief Barneveld van enkele decennia terug.

Laura Esquivel, Sanneke van Hassel, Niels ‘t Hooft: de redactie las een klassieke roman met een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, een sterke verhalenbundel en een app waarin je je onderdompelt.

*

Daan Stoffelsen: Sanneke van Hassel, Nederzettingen, en Niels ‘t Hooft, Lotus

Het heeft iets gevaarlijks, dat heeft Jan hier ook vaak genoeg benadrukt, om een schrijver als hoofdpersoon op te voeren. Iets gemakkelijks ook, misschien. Maar in ‘In onze straat’, het openingsverhaal van haar nieuwe bundel Nederzettingen maakt Sanneke van Hassel er heel handig gebruik van. Sowieso zet de titel het decor en ook het thema van de bundel goed neer: we zijn in de stad, in onze stad, en ons leven strekt zich uit buiten ons huis naar onze straat.

Bijvoorbeeld als de scooter van een jongen om is gegaan door het balspel van twee buurjongetjes.

‘Nu ik dit opschrijf denk ik: een Marokkaanse Nederlander, geen Marokkaan. En vervolgens dat ik eigenlijk zou moeten zeggen: een Nederlander, want zover zijn we inmiddels wel – wat het niet makkelijker maakt als je als schrijver even losjes een personage wilt neerzetten,’ denkt de ik. En even later over een van de buurjongetjes: ‘Nu denk ik: wat doet het ertoe waar al die mensen en hun voorouders vandaan komen? Maar voor de verwachtingen en het gedrag van de vrouwelijke hoofdpersoon deed het ertoe. En dit verhaal is character driven, wat betekent dat haar ontwikkeling in grote mate bepaalt hoe het verder gaat.’

Door dit soort overwegingen wordt de verteller méér dan een bezorgde buurvrouw, méér dan een personage dat toevallig een schrijver is; ze twijfelt over hoe ze zich verhoudt tot de ander én tot de lezer. Ze begeeft zich dubbel in de publieke ruimte. Het is een vorm van essayistiek binnenin een verhaal, dat deze vrouw diepte geeft, een bredere reikwijdte dan die van zomaar een buurvrouw. 
Verderop vraagt de vader van een van de buurjongetjes of zij het schadeformulier voor hem wil invullen:

‘”Ja hoor,” zei ik. “Ik weet niets van scooters, maar wat er allemaal gebeurd is opschrijven, dat kan ik wel.” Als ik straks zou gaan opschrijven wat er vlak bij mijn huis was voorgevallen, zou daar dan een verhaal in zitten? Wist ik genoeg van deze mensen om geloofwaardige personages van ze te maken en ze enige diepte te geven? En wat was precies het conflict?’

Misschien is het mijn literaire bubbel, maar ik vind zulke overwegingen niet alleen zinnig (zijn mensen in de dagelijkse omgang dan wel meer dan oppervlakkig, zijn ze geloofwaardig?) maar ook erg geestig. Want in deze fase van het verhaal weten we: dit zijn realistische personages, die voorbij de clichés van hun achtergronden treden, en dát is het conflict. Tussen de aannames van het dozijn personages (‘Als ik een schrijfcursus geef, adviseer ik om in een kort verhaal het aantal personages beperkt te houden.’) namelijk.

Wees gerust: in de rest van het zestiental verhalen (twee ervan werden, waaronder het titelverhaal, werden ook in De Revisor gepubliceerd) zijn ook niet-schrijvers de verteller. Al zit er een prachtig verhaal in waarin de ik over haar kind schrijft – en dat lijkt geen fictie te zijn, en zijn het overwegend vrouwen in de culturele hoek. Een Kaap-Verdiaanse buschauffeur, een advocate, een Amerikaanse toerist met Rotterdamse wortels, veel freelancers. Maar allemaal verblijven ze in die tussenwereld die we burgerlijk noemen: gebonden aan gezin en werk, half geworteld in een huis, in een straat, betrokken bij de wereld maar uiteindelijk stellen ze vast: ‘Maar ‘s avonds ben ik te moe, misschien omdat het eerder donker wordt.’ Ze willen verder reiken, ze zoeken vluchtmogelijkheden, maar eigenlijk is het ook gewoon wel goed.

Dat suggereert een bepaalde grijsheid, een middelmaat, maar het conflict in de verhalen van Van Hassel zit in de psychologie, in aannames en verwachtingen. (Lees dat titelverhaal!) Dat de werkelijkheid daar niet aan beantwoordt, is bijna een gegeven – maar de spanning is er niet minder om. 
Stiekem geloof ik – en dat geeft diepte aan de bundel – ook dat Van Hassel met de titel van haar openingsverhaal, en met een songtekst in het mozaïekachtige slotverhaal, speelt met twee liedjes waarvan ik de teksten vaak door elkaar haal: ‘Our House’ van Madness (‘in the middle of our street’), dat vrolijk is, maar vooral sociaal-realistisch is, en het romantische ‘Our House’ van Crosby, Stills, Nash & Young. Tussen het werkelijke huis, mooi maar ook vol (‘Mother’s tired, she needs a rest’), en het droomhuis. En daar dan – zoals in dat slotverhaal ‘Juni’ – op het randje van leven en dood uitgetakeld worden.

*

Het is dat volgende week niet ‘Deze week gelezen’ maar ‘Dit jaar gelezen’ op deze site komt te staan, anders had ik nog even de tijd genomen voor het nieuwe werk van Niels ‘t Hooft. Want je kunt Lotus in een avond in zijn geheel ervaren, lezen, beluisteren, het is een ‘meditatieve novelle’, het is een app met verschillende achtergrondkleuren en -geluiden en -muziek, waarin het verhaal in porties wordt opgediend, gemaakt door ‘t Hooft, kunstenaar Saskia Freeke, gamestudio Codeglue en audiostudio SonicPicnic. Dat is een ervaring, iets waar je in opgaat, zelfs als je, zoals ik, de app nog gefragmenteerder leest tijdens mijn forensenuurtjes naar Amsterdam. Maar daardoor vind ik het moeilijker er iets over te zeggen dan over een roman in folio.

Lotus is het verhaal van Luc Numan, een jonge programmeur die succes zoekt op een gamebeurs in L.A. Luc is het talent, zijn compaan Brent is de verkoper, maar allebei zijn ze niet erg goed in hun ideeën voor het voetlicht brengen. In negen korte hoofdstukken leidt ‘t Hooft je door de aanloop, het verloop en de afloop van hun kansloze missie. Want ze hebben ideeën, maar geen afspraken, plannen maar geen strategie – en hoewel ze onwaarschijnlijk interessante mensen ontmoeten, lukt niets.

Lotus is een soepele app, die het verhaal heel vloeiend brengt met mooie beeldeffecten (de bloembladeren van de lotus verbeelden de opbouw van het verhaal) maar geen beeld, en ‘t Hooft schrijft goed. Ik heb screenshots gemaakt: ‘Als pelgrims die weten dat ze morgen Mekka zullen bereiken vallen ze in slaap, verbroederd en vastberaden.’ Iets langer:

‘Er trekt een wolk voor de zon. Geritsel van jacks, truien, hoodies op het duinterras. Dan trekt de wolk verder en herhaalt de verkleedpartij zich, in omgekeerde richting. Een versleten luxaflex die ongelijkmatig opent en sluit, met Smith als roerloos middenpunt. Geen moment heeft hij overwogen zijn kabeltrui uit te trekken.’

Dat zie je voor je, toch? Geestig beeld. Maar het supermeisje Yumi roept een wat vergezocht beeld en een paar moeizame zinnen op:

‘Yumi duikt op. Felkleurig jurkje, strakke paardenstaart, felkleurige en strakke lipstick. Ze staat midden in het gewoel, het lijkt alsof iedereen met een boog om haar heen loopt, de toverboom op de open plek van het magische woud. Luc en zij maken oogcontact en Yumi komt haar belofte na om te kijken of ze iets kan doen. Sterker nog, ze doet iets.’

Die laatste twee zinnen zijn eigenaardig, daar wordt een hele scène veel te kort samengevat. En dit soort duidende opmerkingen – ‘Gepriegel met details om de kern niet te hoeven raken’ – terwijl we middenin de gebeurtenissen zitten, vind ik minder sterk. Die komen meer tot hun recht aan het einde van elk hoofdstuk, waar de vertellers met bijna essayistische opmerkingen over games, verhaal, simulatie en werkelijkheid de simpele handeling verdiepen: ‘Achteraf is alles helder, de bloem laat het in één oogopslag zien. Het is een naaf-en-spaaksysteem van herinneringen.’

Dat is mooi gezegd, al kan ik die ene oogopslag minder makkelijk reproduceren, het lezen in porties werkt wel – ik ga mee in het verhaal – en werkt niet – ik wil terugbladeren, ik mis overzicht. Ik stuit op mijn eigen beperkingen. Maar ‘t Hooft slaagt er dus wel in me onder te dompelen in het verhaal. Ik bén in deze even exotische als unheimliche nepwereld van zon en games, ik deel de fascinatie van Luc voor Yumi, en voor de Japanse programmeurstweeling, en ik baal ervan dat het klaar is.

Ja, misschien is dat mijn voornaamste bezwaar: Lotus is een geheel, het is af zonder alles prijs te geven, maar die personages verdienen meer, een Peter Buwalda-achtige opzet (Yumi heeft wat Isabelle Orthel-achtigs) en reikwijdte. Tegelijk: is dat niet wat literatuur vermag? De luxaflex openen en net genoeg zien van de werkelijkheid of een simulatie van de werkelijkheid.

De Bezige Bij gaf Nederzettingen uit. Lees daar ook een fragment (PDF). Immer geeft Lotus uit, met steun van het Letterenfonds.

Jan van Mersbergen: Laura Esquivel, Rode rozen en tortilla’s

Als de stapel nog te lezen boeken klein is en de ruggen me weinig aanspreken wil ik nog wel eens een boek uit de kast halen dat ik jarenlang bewaard heb, maar waarvan ik bijna vergeten ben hoe goed en waardevol dat boek eigenlijk is. Zo haalde ik afgelopen week de dunne gele Rainbowpocket van Laura Esquivels Rode rozen en tortilla’s uit de kast.
Tijd om te herlezen, want herlezen brengt nu eenmaal nog meer dan gewoon lezen. Niet de eerste ervaring, die gaat over de verrassing van het nieuwe, over meegezogen worden, over het leren kennen van personages, verhaal, verteltrant. Herlezen gaat over verdieping. Tijdens het herlezen ontdek je pas echt waarom een roman goed is.

De oorspronkelijke titel is Como agua para chocolate. Dat zou letterlijk ongeveer zijn: Als water voor chocolade. Mijn dochter heeft sinds kort Google Translate ontdekt en zocht het voor me op. Komt dichter in de buurt van het verhaal, maar toch koos destijds uitgeverij Arena, onderdeel van Meulenhoff, de grootste Latijns-Amerikaanse uitgever in Nederland, voor de rode rozen.
Mijn dochter vroeg: Waarom die titel?
Ik wist dat niet zeker maar vermoed dat een roman van een Mexicaanse schijfster bij de Nederlandse lezer het beste direct iets van Mexico op kan roepen. Dat weet de lezer: we gaan iets exotisch lezen. Dus ik vroeg mijn dochter: Waar denk je aan bij tortilla’s?
Lekker eten, zei ze. Mexicaans eten.
Dat is precies waar het boek over gaat. En die rode rozen dan? vroeg ik. Waar staan die voor?
Voor liefde, giechelde ze.

Al met al dus een perfect vertaalde titel, als een meisje van twaalf met behulp van een vertaalprogramma en een paar sturende vragen kan komen tot de eerste indrukken die een boek helpen om in de winkel van de plank gepakt te worden. In ieder geval beter dan: Als water voor chocolade. Dat klinkt eerder Hollands, of desnoods Frans, dan Mexicaans.
Slim dus, zoals dit hele dunne boek slim is opgezet en geschreven. Het familieverhaal is helder, omvangrijk, dwingend en maakt perfect onderscheid tussen de personages. Een op het eerste oog eenvoudig liefdesverhaal, dat toch ingewikkelde wendingen kent. En de recepten die de basis van de verschillende hoofdstukken vormen zijn speels en interessant.
Hoofdpersoon Tita is veroordeeld om ongehuwd te blijven, zoals de flaptekst meldt. Haar zus kan wel trouwen en wordt door de moeder uitgehuwelijkt aan de man waar Tita verliefd op is. Mooi simpel gegeven. Wat gebeurt er dan met zo’n vrouw, die verder in de keuken opgegroeid is en erg bedreven is in koken? Ze maakt de maaltijd voor de bruiloft, maar met zo’n verdriet dat haar tranen mengen met het eten. Dat heeft een bijzonder effect op de gasten van de bruiloft. Ze kan niet alleen eten bereiden, als haar zus een baby krijgt en er zelf zo slecht aan toe is dat ze het kindje niet kan voeden lukt Tita dat wel. Ze blijft contact houden met de man, Pedro, die Tita wel de liefde beloofd heeft maar ook klem zit in dit huwelijk.

Een voorbeeld van een andere dwingende gebeurtenis die logisch volgt uit hoe de personages verweven zijn: de moeder van Tita is streng en leidt de hacienda. Tita zorgt voor haar moeder en voor de baby van haar zusje die met haar geliefde getrouwd is. De dokter van het dorp is verliefd op Tita. De baby moet elders ondergebracht en komt zonder Tita om. Tita verzet zich eindelijk tegen haar moeder, die besluit dat haar dochter gek geworden is. De dokter brengt haar naar het gekkenhuis, maar houdt haar thuis. Alle wendingen kloppen precies en toch zijn ze als verhaal moeilijk te verzinnen. De gemeenschap is klein, de familie dominant, de motieven zijn liefde en dood.

Zo gebeurt er in ieder hoofdstuk voldoende om de aandacht vast te houden, om mee te gaan in de recepten die de basis van het verhaal vormen, en om over de soms wat expliciete uitdrukkingen en uitroepen met uitroeptekens heen te lezen die het gevoel van Tita moeten verwoorden. ‘Ze miste Nacha verschrikkelijk. Ze haatte iedereen.’ Bij deze roman duwt het verhaal me over die zinnetjes heen, min of meer omdat ik ook dertig jaar nadat dit boek verscheen nog denk: dat zal wel de Mexicaanse insteek zijn.
Dat is een mooi effect van goede vertaalde boeken (door Francine Mendelaar en Harriet Peteri): ze kunnen door hun bekendheid en manier van vertellen en het onderwerp staan voor een compleet land waar we in Nederland vrijwel niks van weten. Wonderlijke gebeurtenissen in dit verhaal neemt de Nederlandse lezer achteloos aan. Hopelijk werkt dat andersom ook, dat lezers in Mexico met een vertaald Nederlands boek in handen denken: dit is nou het echte Holland.

Boekerij geeft Rode rozen en tortilla’s uit.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Olga Stehlíková (CZ) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag: Willemijn Kranendonk met haar gedicht ‘De aankomst van de lente in Woldgate, East Yorkshire in 2011, David Hockney’.

*

De aankomst van de lente in Woldgate, East Yorkshire in 2011, David Hockney

De bomen als langgerekte vaders een pad
dat voorzichtig afbuigt elk blaadje
een ontstaansgeschiedenis
de takken hangen omhelzen de lucht proberen
me aan te raken om de warmte
die in mijn lichaam huist te begrijpen
de kleur van mijn huid aan te nemen ik wist niet
dat bomen paars zijn maar nu begrijp ik het

Ik zie flats geveltuintjes kozijnen
hier is nieuwe ruimte nieuw licht
iedere stronk stengel elke bloem ik zie je

In deze wereld zijn er geen dieren
die hun eigen leefomgeving kapotmaken
geen aanslagen in trams er zijn vaders
die hun armen uitstrekken niet bang zijn voor de lichamen
van hun dochters ik dwaal
verder het bos in
hoe ik iets achterlaat

Mijn stappen worden gedempt door mos en varens
armen dirigeren me naar het donkere hart
waar de oudste bomen staan het is hier stil
als ik omhoogkijk zie ik geen lucht
overkapping van boom

1110010011100000WIJ000000001111000010101010101000001110001110010010010010
1010101010101010ZIJN0000DE1000100101010101010101001101DATABOMEN1010101010
10101000000000WIJ1100000101010100101110001HEBBEN1110001101001101010101010
0000AL101001JOUW1000101110011UPDATES101001010101010OP11111SOCIALE111000NE
TWERKEN1100011BIJGEHOUDEN00EEN0000ALGORITME11100GECREËERD000OM111000JE110
100101GEDRAG11000TE111VOORSPELLEN111000111000ROZE000DILDO0001000101010101
010101010000TUINSET000PRULLENBAK000000001010100101111111100ALLE00001111ME
NSEN0101010110010111LEVEN00001000010101010011MET10100000EEN1110000SCHORPI
OEN0101010IN000HUN0000101010101HOOFD100010011JIJ000111000111BENT1110000EE
N000101011010111SCHOOLVOORBEELD000010100101010101010100000111100010100101
001000011000010101010001010101001011

Mag ik gaan liggen

0000WE100001010101LUISTEREN0000101101AL000JE0101001011GESPREKKEN00111AF00
111000111DE0000111WOORDEN11101010011011DIE100010101010JE1000111111HEBT111
000011111GEBRUIKT100100010101OPGESLAGEN1001010000000000110101010101010101
10IN000ONZE1111100000STAMMEN111100000011100010101001010101011111111WE0000
111WETEN000101010111WAT000111JE111DENKT1000101010100101001010101000000001
111000011100010101010101010101010100000101010110101010011
0111GEEN110000000011010100001011FOTO’S11111000MAKEN0000100100110100000STA
11000000OP1110101010101001011111VOLG1100000DEZELFDE1001010101010100WEG110
0000DIE111000100101JE1001010101GEKOMEN1010101010BENT11111111111

Willemijn Kranendonk (1994) schrijft proza en poëzie. Ze studeerde Creative Writing en schreef als afstudeerwerk een serie gedichten genaamd Spullen en lichamen. In 2017 stond ze in de finale van Write Now!, dit jaar werd ze derde bij de Turing Gedichten Wedstrijd. Ze publiceerde in Tirade en DW B, op De Optimist en Meander. Ze werkt momenteel aan haar debuutroman die zal verschijnen bij Uitgeverij Van Oorschot.

Ons voorjaarsnummer, ‘Periferie’, werd besloten door Jan van Mersbergens buitenwijkse verhaal ‘Pakjesavond’, een verhaal van alle seizoenen. Maar deze week past het precies. (Word abonnee en lees literaire Sinterklaasverhalen als eerste!)

*

Toen ik naar het westen van de stad verhuisde had ik nooit kunnen vermoeden dat ik onderdeel zou worden van een pakketdienst.
Andere verwachtingen werden direct ingelost. Het had veel weg van ruilen. De krappe etage in Zuid ruilden we in voor een dubbel zo groot huis in Nieuw-West; een drukke straat voor een autovrij hofje; mijn piepkleine bureautje in de hoek van de slaapkamer met uitzicht op een eveneens piepklein balkon ruilde ik in voor een aparte slaapkamer en een ruime werkkamer; de gehorige houten vloeren van honderd jaar voor degelijk beton; de levendigheid van een volkswijk voor een gezinswijk op afstand van het centrum.
Het was geen moeilijke keuze. Het merendeel van mijn dagen zit ik thuis stukjes te schrijven, dus dat ik nu een halfuur moet fietsen die paar keer per maand dat ik naar het centrum ga, neem ik op de koop toe.
We verhuisden in juni. Meteen in de eerste week stond er een vriendelijke Marokkaanse postbode voor de deur. Een pakje voor nummer 7, zei hij. Wilt u…
Ik begreep het. Natuurlijk wil ik dat.
Ik nam het doosje aan, zette het op de ladekast in de hal. Aan het einde van de middag werd het pakje opgehaald door een blonde vrouw die zich verontschuldigde voor de schort die ze om had. Ik ben eten aan het voorbereiden, zei ze. Sorry. Ze veegde haar hand af aan de schort, schudde mij de hand en zei: Straks hebben we een barbecue. Als jullie zin hebben…
Het was alsof niemand hier een zin afmaakte en dat voelde op de een of andere manier prettig. Je hebt hier aan een paar woorden genoeg.
Die avond dronken we bubbels in de tuin van nummer 7, speelde mijn dochter met de kinderen in hun zwembad dat daar opgesteld stond, liep mijn jongste zoon door de tuin alsof hij hier sinds zijn geboorte woonde.
Een paar dagen later meldde zich een bezorger in een geel shirt van DHL. Hij had een pakje voor onze buren rechts. Schoenen, aan het formaat van de doos te zien. De doos was bestemd voor een vrouw met een Poolse naam. Ze kwam de doos die avond ophalen en bedankte me vriendelijk.
Weer een dag later een plat pakketje voor de buren aan de andere kant, weer een moeilijke Oost-Europese naam. De buurman haalde het op. Hij is Engels. Thanks a lot, zei hij. And if you’re in for an evening drink…
Hij had iets meer woorden nodig maar ook zijn zin had een open einde en toch was de boodschap duidelijk.
Aan de hand van postorderbedrijven leerden we binnen een paar weken de nieuwe buurt kennen. Bewoners in deze buurt bestellen, zo leerden we. Bewoners in deze buurt komen werkelijk overal vandaan, zo leerden we: naast Engeland en Polen turfden we ook Suriname, Indonesië, Marokko, Korea en Servië als moederlanden.
Ook leerden we de bezorgers kennen, die vrijwel allemaal hier hun vaste wijk hebben. Wat deze bezorgers op hun beurt ook heel vlot doorhadden: die man op nummer 10 werkt thuis. Daar kun je de pakjes kwijt. De Marokkaanse bezorger van Post- NL belt soms niet eens aan bij het huis waar het pakketje naartoe moet, hij klopt direct bij ons aan, hij weet hoe het lopen zal.
De pakjes leg ik altijd op de ladekast in de hal en ze worden bijna altijd nog dezelfde dag opgehaald, meestal in de avond. Meestal ook met weinig woorden. Dank je wel. Graag gedaan. Tot gauw.
Maar één pakje bleef lang op de kast liggen.
Het was een groot plat wit pak, bestemd voor dhr. E. Brouwer. Een adres in de zijstraat waar wel auto’s rijden. Vanuit mijn werkkamer kan ik door het zijraampje net een glimp van de voordeur zien. Het was geen doos maar een soepel plastic pakket waar iets van stof in zat, zo te voelen. Het werd niet opgehaald, niet na een dag, niet na een week, niet na een maand.
Bij een andere borrel, met barbecue, in het hofje, vroeg ik of iemand de mensen van dat pakje misschien kende, maar niemand kende ze, ook niet hun Koreaanse overburen. Geen idee. Nooit gezien. Volgens mij zijn dat ook nieuwe mensen.
Ik wachtte een hele tijd en besloot toen maar eens aan te bellen bij het huis in de andere straat, met het pakje onder mijn arm. De eerste keer werd er niet opengedaan. Ik voelde me net een postbode, met als enig verschil dat ik het pakje niet bij de buren kon afgeven. Ik wilde niet een ander met dat pakje opzadelen. Ik moest van dat pakje af en ik moest er zelf van af.
De volgende dag zag ik bij toeval de voordeur het huis waar dat pakje naartoe moest dichtgaan. Ik wist niet of er iemand naar binnen of naar buiten was gegaan, maar ik besloot weer aan te bellen, met het grote pakket onder mijn arm.
Een man deed open. Hij zag er moe uit. Wat is er? vroeg hij.
Brouwer? zei ik.
Ja.
Ik heb denk ik een pakketje voor u. Het is een tijdje terug bij mij…
Nu maakte ik zelf mijn zin niet af en de man onderbrak me.
O.
Weer iemand van weinig woorden maar dit was anders. Er lag afkeer in zijn stem. Teleurstelling. Ik wist het op dat moment niet precies, maar blij met zijn pakje was hij in ieder geval niet.
Sorry dat het zo lang bij ons heeft gestaan, zei ik, want ik dacht dat hij misschien teleurgesteld was omdat hij lang op het pakje had moeten wachten. Het zat anders.
De man zei: Het is er toch.
Het was geen vraag, het was eerder berusting.
Ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik benadrukte: Ik wil het graag even afgeven.
Dat snap ik, zei de man, maar omdat hij geen aanstalten maakte het aan te pakken reikte ik het hem aan.
Ik keek langs de man de hal in. Langs de muur stonden een heleboel dozen opgestapeld. Geen pakjes, het waren verhuisdozen. Hij woonde hier nog maar net.
Eigenlijk wilde ik weer vertrekken, maar iets in zijn houding intrigeerde me, en ik zei op vrij neutrale toon: Je zit er niet echt op te wachten.
De man knikte. Hij had warrig krulhaar en hij droeg een joggingbroek. Hij zei: Ik hoopte eigenlijk dat het niet meer zou komen.
Dit pakje?
Ja.
Hij keek me aan. Knikte nog een keer. Ik hoopte dat het verdwenen was.
Nou, zei ik. Dat kan in de stad misschien, hier zorgen de mensen in de buurt beter voor elkaars spullen.
Dat merk ik, zei de man.
Hij stond met het witte pakje in zijn hand, kneep er even in, draaide het om. Hij wist ook niet goed wat hij moest doen en ik wachtte nog even tot hij zei: Wil je het zien?
Dat was nieuw. Geen enkel ander pakketje had ik samen met de ontvanger opengemaakt. Het was vreemd maar toch wilde ik dit wel zien, ook uit beleefdheid. Goed, zei ik.
Kom binnen, zei hij. Ik ben Erik.
Ik zei mijn naam en Erik liet me langs de verhuisdozen lopen, naar de woonkamer die ook bij dit huis aan de achterkant is. Hij legde het pak op tafel en haalde een schaar uit de keuken. Hij voelde aan de rand, voorzichtig, en begon te knippen. Er zat inderdaad kleding in. Ik zag eerst een jasje, opvallende kleur blauw, en toen had ik nog geen idee, maar vooral de muts die tussen het jasje en de opvallende pofbroek gevouwen zat verraadde alles: het was een pietenpak.
Hij keek naar het raam aan de voorkant van het huis, toen weer naar mij. Ssst, zei Erik. Weer keek hij naar het raam. Volgens mij kan dat niet, hier. 
Wat kan niet?
En toen vertelde hij dat hij pas net hier was komen wonen en dat hij een nieuw pietenpak had besteld, zijn oude was versleten en echt aan vervanging toe. Hij durfde het alleen niet meer aan. Hij durfde het zelfs niet meer in huis te hebben. Zo zei hij het: Je kunt dit hier niet aan.
Waarom niet? vroeg ik.
Ligt gevoelig, zei Erik. Waar ik vandaan kom is er niks aan de hand, maar hier word je gelyncht als je in zo’n pak over straat gaat, ook straks met de intocht of met sinterklaasavond.
Waar kom je dan vandaan? vroeg ik, alsof ook hij uit een ver en exotisch land kwam of uit het oosten van Europa, al weten ze daar waarschijnlijk niks van Sinterklaas.
Uit Friesland, zei Erik.
Nu wist ik wel dat de vorige sinterklaasintocht ergens in het noorden was en dat ze daar nog altijd Zwarte Pieten op laten draven, dat is inderdaad wel een verschil met Amsterdam. Voor de krant had ik er een paar artikelen over geschreven.
Erik herhaalde met zachte stem: Je kunt dit hier niet aan.
Het klonk vrij definitief. Toch vroeg ik: Weet je het zeker?
Ja, met al die nationaliteiten in de buurt. Ze komen overal vandaan, hebben alle kleuren. Dat wist ik wel, toen ik hier kwam wonen. Maar ik was Zwarte Piet vergeten. En ik had dat pak al besteld.
En toen heb je mij er maar mee laten zitten?
Dat klonk niet zo dreigend als het lijkt. Eerder wat direct.
Hij knikte.
Ik weet het niet, hoor, zei ik. In Friesland denken ze misschien dat pak en schmink en al die symbolen één zijn. Het moet zo, dus wij doen het zo. Maar dat verschuift dus. Pak een ander design, schmink wat vager, oorbelletjes weg. Maar jij durft je pak niet meer aan? Volgens mij tillen de mensen hier er niet zo zwaar aan. Wel aan wat je met zo’n stereotype uitdraagt, maar niet aan het verhaal.
Het verhaal? vroeg Erik.
Het verhaal van Sint en Piet. Dat leeft hier ook.
Denk je?
Ik denk het wel, zei ik. Wij wonen hier ook nog maar net en wij gaan straks zeker Sinterklaas vieren. Ik heb mijn pak al klaar hangen.
Jouw pak?
Nu kon ik even een stilte laten vallen. Toen zei ik: Om een feest goed te vieren moet je wel de juiste outfit hebben, toch?
Voorzichtig knikte hij.
Ik ben zo terug, zei ik, en ik stak de straat over, ging naar huis, naar zolder, en schoof de dozen met Limburgse carnavalskleren uit de stellingkast op de berging. In onze oude huuretage in Zuid stonden die dozen ver weggestopt achter een luik onder het schuine dak, hier staan ze netjes naast elkaar in het washok, warm en veilig en bereikbaar. Ik vond het pak dat ik zocht, nam het mee naar Erik. Hij liet me weer binnen. Ik legde de kledinghoes op tafel en ritste hem open.
Sint, zei Erik.
Het was mijn oude sinterklaaspak. Compleet met mijter en overhemd met mooie boordjes. Alleen de staf was verloren gegaan, niet tijdens de verhuizing maar bij een iets te wild uitgevallen sinterklaasviering bij mijn Amsterdamse voetbalclub.
Doen? vroeg ik.
Erik keek me nog even vragend aan. Op deze dag in oktober, een mooie rustige herfstdag, in deze rustige straat in Nieuw- West, tussen de betonnen nieuwbouwhuizen.
De straat op, zei ik, aan de slag.
Voor Erik zijn nieuwe pak aantrok haalde hij een grote zak pepernoten uit een keukenkastje. Ik heb ook nog chocoladenootjes, zei hij. Zijn toon was inmiddels redelijk enthousiast, tot hij nadacht over de schmink. Wat doen we met de kleur?
Dat hoeft niet meer zo precies als voorheen, zei ik. Een paar vegen en je bent er.
Dat stelde hem gerust. We kleedden ons om en op die vroege herfstavond gingen we samen langs de deuren. Eerst bij nummer 7, want ik wist wel dat de andere buren dan gauw genoeg zouden komen, en dat gebeurde. Sint en Piet dronken een biertje in de tuin met de Koreanen, de Engelsen en Polen van ons blok, op de plek waar die zomer het zwembad had gestaan, en de kinderen zwermden om ons heen en vingen de pepernoten op die Piet strooide, onze nieuwe buurman.

Nieuw proza op Revisor.nl: ‘Nachtrit’. Liedewij Vogelzang roept een nachtelijke wereld op, om in te verdwalen.

*

Op de hoek van Washington Square Park houd ik een taxi aan. Ik groet de chauffeur en neem plaats op de bijrijdersstoel. De auto ruikt naar mandarijnen, ik voel de kou van het leer door mijn broek heen. 
‘Rijd maar wat,’ zeg ik, ‘kan dat, gewoon wat rijden?’ Het lijkt de chauffeur niet te interesseren. ‘Sure.’ Met of zonder bestemming; het komt op hetzelfde neer. Hij rijdt rond in de nacht, hij stelt geen vragen.

Zodra de auto optrekt licht mijn telefoon op in mijn schoot. Het scherm is fel in het donker. Ik open het bericht niet maar zie de eerste regel: Waar ga je heen? Ik heb[…] Ik zet de lichtsterkte zwakker, er komt nog een bericht binnen. Kom terug. We kunnen to[…]
In de donkere auto trekt het licht van het navigatiesysteem mijn aandacht. De wegen uiterst overzichtelijk op het scherm. Ik denk aan de benen van mijn moeder. Vroeger keek ik vanaf de badrand naar de spataderen die als een wegenkaart over haar huid liepen. Kleine, donkerpaars, roodblauwe wegen die steeds uit elkaar liepen en daarna weer verbinding zochten. ‘Waar kijk je naar?’ had ze gevraagd, terwijl ze haar korte haar met een kwast in een soort hanenkam streek. Ik legde mijn hand op haar kuit. De badkamer rook naar ammoniak. Ik weet nog dat ik dacht: als ik later groot ben, dan wil ik haar benen. Dan wil ik een lijf dat de weg kan wijzen. Alsof mijn moeder mijn gedachten las, schudde ze haar hoofd. ‘Je bent jaloers op de verkeerde dingen,’ zei ze, terwijl ze haar haar in plastic wikkelde. 
Ik kijk naar mijn eigen benen, waar mijn telefoon inmiddels tussen is gevallen. Het scherm licht opnieuw op. Ik draai de telefoon om, leg hem op mijn bovenbeen en kijk naar buiten, naar de lege maar verlichte winkels. 
De chauffeur zucht geïrriteerd omdat iemand vlak voor hem de weg opdraait. Ik glimlach naar hem zonder dat hij het ziet. 
Hij was 5th Avenue opgedraaid en reed sindsdien alleen rechtdoor. Ik geloof niet dat ik dat gekund zou hebben. Als de rollen omgedraaid waren en hij bij mij in de auto was gestapt en had gezegd: rijd maar wat, had ik waarschijnlijk gecirkeld, steeds opnieuw om hetzelfde blok met huizen gereden. 
Dat cirkelen zou ik vooral doen tegen het verdwalen. Ik heb me nooit weten te oriënteren. Of, sterker: vaak lukt het me niet om mezelf te plaatsen ten opzichte van de ruimte waarin ik me begeef. Als ik in de metro sta en mijn ogen sluit, kan ik niet meer voelen welke kant we op rijden. Soms word ik wakker en probeer ik, met mijn ogen nog dicht, te bedenken waar de muren in de kamer zich bevinden. 
Toen ik Beer vertelde over mijn gebrek aan oriëntatievermogen stelde hij voor dat ik altijd mijn locatie met hem zou delen. Zodat hij steeds zou weten waar ik was, en ik alleen al om die reden niet echt kwijt kon raken. Hij zette dezelfde functie aan op zijn telefoon. Vanaf dat moment had ik altijd toegang tot een plattegrond met niet één, maar twee bolletjes, kon ik op een scherm zien hoe wij ons bewogen ten opzichte van elkaar, werd de afstand tussen ons een doolhof in een puzzelboek, trok ik in gedachten lijnen door alle straten die tussen ons lagen. 
Beer heet niet echt Beer, maar hij staat het toe dat ik hem zo noem. 
‘Heb jij huisdieren?’ vraag ik aan de chauffeur. 
‘Nee,’ hij trekt snel op bij het stoplicht, alsof we haast hebben. ‘Ik woon in de stad.’ Hij vindt honden in de stad het toppunt van angst voor eenzaamheid, verklaart hij na een korte stilte. Mensen die achter een beest aanlopen, warme stront van de stoep oprapen, alleen maar om niet alleen te hoeven zijn. 
We rijden nog steeds rechtdoor op 5th Avenue. 
Vroeger mocht ik geen huisdier en liet ik om die reden de hond van mijn buren uit. Dan bepaalde niet ik de route, maar de hond. Ze leidde me altijd hetzelfde blokje om. Wist ze de weg, of kende ze het bestaan van andere wegen niet? 
De laatste keer dat ik verdwaalde was in het Museum of Natural History. Al bij binnenkomst overviel het me: de grootsheid van het gebouw. De verschillende gangen die me aan leken te kijken, het feit dat ik er een moest kiezen, de vraag waar ik in vredesnaam naartoe moest. Trappen op en af, gangen links en rechts met daarachter nog meer gangen en nog meer kruispunten. Ik liep door souvenirwinkels met knuffels, spellen, kleding en boeken uit alle werelddelen en daarbuiten, om uiteindelijk bij de Hall of Ocean Life uit te komen. De blauwe vinvis zweefde in het atrium. Het grootste dier ter wereld. Ik kon niet anders dan naar boven kijken. Ik ging liggen op de grond, tussen de lichtprojectie van zachtjes kabbelend water – een vloer zoals een plafond van een zwembad, de wereld op haar kop. En daar, onder de blauwe vinvis, waar toch al niks klopte, deed het er even niet toe dat ik verdwaald was. 
De chauffeur draait de radio aan. 
Ik ben naar Manhattan verhuisd omdat ik er mijn weg kan vinden, omdat de straten hier genummerd zijn en min of meer symmetrisch, als een visnet, over de stad liggen. 
Vlak voordat ik de vinvis verliet en terug de echte wereld in stapte, de wereld waarin ik op zoek was naar de uitgang, zag ik in de Hall of Ocean Life een video waarin een haai gechipt wordt. Het beest half uit het water getild en tegen de kant van de boot vastgehouden door drie mensen, spartelend, er wordt een chip in zijn vin gezet. 
Ik denk aan de haai. Als hij nog leeft, wordt hij nu nog gevolgd. 
‘Fuck.’ Ik gris mijn telefoon tevoorschijn, negeer de binnengekomen berichtjes en gemiste oproepen en open Maps. Het duurt even voor de kaart zichtbaar is. De twee bolletjes komen tevoorschijn op een volledig wit scherm, waar de straten nog geladen moeten worden, maar ik zie al wel dat ze naar elkaar toe bewegen. 
Ik zet de functie ‘locatie delen’ uit en legde de telefoon ónder mijn been dit keer. Ik krijg het warm. Zou hij me volgen? Is mijn route voorspelbaar, op deze weg waarop ik al kilometers lang geen bocht heb gemaakt? 
‘Ga hier maar rechts,’ zeg ik vlak voor de kruising met 118th Street. De chauffeur draait het stuur, hij doet het direct en zonder twijfel, alsof ik op de knop van een computer had gedrukt. Vlak daarna trapt hij keihard op de rem, er volgt een harde klap. Mijn bovenlijf schokt naar voren, waar ik word opgevangen door de strakgespannen gordel. Even staat alles stil. Dan zie ik het hoofd van een jongen, net boven de motorkap, gevolgd door de rest van zijn lijf. Het gaat traag, hoe hij daar verschijnt. Als een filmpersonage dat vanachter een heuvel de horizon ín komt lopen, er ineens is. De jongen slaat op de motorkap en kijkt kwaad de auto in. Ik druk mijn rug achterin de stoel. Hij bukt en trekt zijn fiets aan het stuur omhoog. Hij slaat nog een keer, steekt een middelvinger op en fietst weg. Ik staar hem na terwijl hij de nacht in slingert. 
Getoeter achter ons. De chauffeur vloekt. ‘Sorry’, zeg ik, ‘sorry.’ Ik had me niet met de route moeten bemoeien. 
Hij trekt langzaam op, sorteert voor op de volgende bocht naar rechts, en roept ondertussen verontwaardigd: ‘Klote fietsers, die horen hier niet. Dan vraag je toch om een fucking ongeluk.’ 
Ik denk aan het moment in een enge film waarop je je realiseert dat het telefoontje van binnenin het huis komt. Mijn schuld, denk ik. ‘Sorry,’ fluister ik een laatste keer. 
Ik pak mijn telefoon en op het scherm zie ik het bolletje van Beer. Hij is wel rechtdoor gereden bij de kruising. We bewegen in tegenovergestelde richting, steeds verder bij elkaar vandaan. 
Als het bedrag op de meter exact gelijk is aan het bedrag dat ik bij me heb vraag ik de chauffeur om te stoppen. Hij zet de auto stil. ‘Daar ben je ingestapt,’ hij wijst naar links. Ik knik zo nonchalant mogelijk. 
Ik bedank, laat het geld achter en stap uit. Aan de overkant van de straat zie ik mensen uit een metrostation naar boven komen. 
Op mijn telefoonscherm is het bolletje van Beer verdwenen. Nu ben ik echt kwijt. Ik kijk naar mijn benen en dan beginnen ze te lopen.

Beeld Eden, Janine and Jim via Wikimedia.

Deze Revisor onderzoekt fysiek proza en zintuiglijke poëzie. Worden tijdens het lezen je hersenen aan het werk gezet of je buik? Krijg je kippenvel? Vanzelfsprekend horen je hersenen bij je lijf en zijn gedachten ergens ook fysiek. Alle elektriciteit in je bovenkamer kan gezien worden als lichamelijk. Maar de ultieme fysieke leeservaring is gevoel, en dat proberen de bijdragen van Ivo Victoria, Jorik Amit Galama, Eva Meijer, Joost Oomen, Daan Borrel, Lesley Nneka Arimah, Wytske Versteeg, Rodrigo Rojas, Jan-Willem Anker, Maureen Ghazal, B. Zwaal en Dorien de Wit los te maken. Lees ze, voel het.

Stephan Enter, Richard Osinga: de redactie las een mooie, broeierige roman die subtiel grote verschillen aanraakt, en een mozaïekroman met mindere en ijzersterke verhalen.

*

Daan Stoffelsen: Stephan Enter, Pastorale

Het was de ochtend na de winnaarsvergadering in Leeuwarden, mijn ontbijtgezelschap was nog niet op, maar ik was al buiten geweest, het was al licht en vijf graden. Dus ik schoof de lekkere stoel naar het raam en pakte mijn boek. Ik begon aan Stephan Enters roman Pastorale, een zomer ontplooide zich. De vijfde, weer een titel van één woord, en net als bij zijn vorige romans deed hij er ongeveer vier jaar over. Uit zulke termijnen spreekt al een zekere ambachtelijkheid, en misschien impliceert dat saaiheid – dat is in Enters geval onterecht. Hij schept sfeer, creëert heel precieze scènes, natuurlijke dialogen, maar ook drama, een wereld van conflicten, die in Pastorale althans van de hoofdpersonen afglijdt. Een erg mooi en goed boek.

Zo begint het: ‘Oscar liet de woorden van de leraar los – hij wist alles al. De hele klas wist het al, van het ongeluk.’

*

Het lijkt alsof ik hier een voorschot neem op de Bookspot Literatuurprijs 2020. Dat is niet helemaal zo. In de eerste plaats: wat in de jury gezegd wordt, blijft in de jury. Zo hoort het. Je kunt hier gissen naar mijn smaak (een afgrijselijk woord, een gevoel dat suggereert dat argumenten ontbreken) en poëtica (iets vergelijkbaars, maar dan iets wat schrijvers én lezers kunnen hebben, iets waar je wel over kunt praten), maar wat hier staat, is slechts een beginpunt, en een van de zeven – een jurylid is nooit alleen. 
En ten tweede: de organisatie is helemaal niet mijn zaak. Ik ben even een jurylid zonder literaire prijs, althans een prijs zonder prijzengeld en naam (mijn voorstel: de Boekprijs, parallel aan beroemde najaarsprijzen als de Buchpreis en de Booker. Misschien de Losse Boekprijs, om het onderscheid met de Vaste Boekenprijs te onderstrepen), en dat voelt vertrouwd, als een recensent zonder krant, misschien is dat mijn functieomschrijving.
Maar wat mij opviel, afgelopen week bij de uitreiking, een week na de eerste zin van Pastorale, was dat 1. de schrijvers net als hun boeken heel aardig en slim waren, wat mij betreft zetten we ze vaker bij elkaar, voor langere gesprekken, en 2. het jurywerk als een corvee werd benoemd. Dat is onzin. Honderden boeken beoordelen is een klus, vooral omdat de paar mooiste en beste boeken de vele mindere boeken wel erg veel minder laten lijken, en dat kost tijd en ruimte (ca. twintig dozen boeken zoeken een andere plek). Maar een winnaar is nooit alleen, je treft auteurs die je niet eerder las, proeft debuten en leest je in in onderwerpen die nooit op je pad kwamen. Ik ben een ontdekker zonder Nieuwe Wereld, en dat voelt heel comfortabel.

Ook in die zin is Enter lezen geen jurywerk, net als mijn andere leeservaringen van de afgelopen weken, zijn boeken zijn van het Oude Continent, gekende kwaliteit. Maar ongetwijfeld gaat dit boek mee, als de jury weer aan de slag gaat.

*

Die eerste zinnen van de roman zijn al erg sterk: we leren meteen Oscar kennen als een goede, afwezige leerling (5-VWO), en het verhaal begint. Dat ongeluk is de katalysator van de roman, van Oscars deel van de roman, dan. Want zijn zus, Louise, een overtuigd atheïst en studente Engels die besloten heeft te stoppen met haar minnaar en haar studie, volgen we in de andere helft. Ze spreken elkaar amper, ze leven deze hele landerige zomer langs elkaar heen in Brevendal, het dorp waarin dat sowieso de standaard is.

Want Jonkie heeft een ongeluk gekregen, en Jonkie is een Molukker, en die gemeenschap leeft totaal gescheiden van de Nederlanders in Brevendal (Enter groeide op in Barneveld, ik herken als streekgenoot een aantal locaties). En Brevendal wás al gesegregeerd langs de lijnen van kerkgenootschappen. ‘Er werd gegroet en begroet, zij het vooral naar leden van gelijke gemeente – ten opzichte van andersgezinden werden blikken discreet ontweken; naar de al te gehaaste fietser en de te frivool gekleden werd wel weer gekeken maar met afkeuring,’ schrijft Enter. 
In dat dorp is het wonderbaarlijk dat Oscar bevriend raakt met Jonkie – hij moet hem zijn huiswerk thuisbrengen – en verliefd raakt op diens zus, en dat Louise vriendschap sluit met Maarten, de zoon van de nieuwe dominee. Maar het gebeurt, en het levert mooie scènes op, confrontaties die geen pijn doen maar wel broeien – de ontmoeting met die Molukse zus, een etentje daar, Louises roeitochtje met Maarten, de familiemomenten in het versleten landhuis waar ze wonen. En in toenemende mate pijnlijke scènes die Enter bijna zakelijk afhandelt, het is helemaal niet zo’n pastorale, dat Brevendal.

Enter doet dat heel knap, in afwisselende hoofdstukken. Broeien is wel het juiste woord, al heeft een goed verstaander genoeg aan een half beeld. Direct na de eerste twee zinnen lijkt de in geloofs- en dorpsgemeenschap gevangen Brevendaller in beeld te komen:

‘Zijn aandacht zwenkte – via de formules op het krijtbord, de reikende vinger van een jongen links vooraan – en kwam tot stilstand bij de uit zonlicht gegoten vensterbank naast hem, waar een bromvlieg zich woedend stukvloog op het raam. Oscar hoorde zichzelf zuchten; er was een groot verschil tussen hem en het insect – want dat was onvermoeibaar, het stortte zich keer op keer met blinde haat op de transparante barrière die het van de vrijheid scheidde.’

‘De uit zonlicht gegoten vensterbank’, ja. Het loopt niet goed af met deze vlieg. En er zijn meer momenten dat je Pastorale symbolisch kan lezen. De roeiscène is een pure idylle:

‘Hij knikte, scheen zich nu op zijn gemak te voelen. Ze bracht de sigaret naar haar mond, hield hem daar, voelde zich opgaan in de trage voortgang van de boot en van het landschap dat haar steeds opnieuw omsloot en dan opeens weer achter haar wegdreef. Het bos trok zich terug, de hemel spande zich weids en leeg boven haar. Aan weerszijden schoven de oevers kalm voorbij, vol gezoem en vlinders en bloeiende kruiden en zo dichtbegroeid dat alles wat zich erachter bevond verborgen bleef. Ze sloot haar ogen even. Luisterde naar het zachte ritmische geklok en geplons van de riemen en ver in de hoogte het ijle gegil van gierzwaluwen. Het leek lang geleden dat ze dit had ervaren – dat de wereld nergens zo vredig was als op een boot in het water. De zon drong met een karmozijnen gloed door haar gesloten oogleden; soms veranderde de tint – als ze door de koele schaduw onder overhangende takken schoven.’

Verfijnde natuurlyriek, waarin het gesprek kabbelt en langzaam de wind opsteekt. ‘De zon verdween achter een wolk.’ En dan: ‘Aan de horizon welden blauwgrijze wolken. Daarboven leek de zon weg te zinken in een parelmoeren holte.’ Ik twijfel, Jan, of karmozijn en parelmoer in jouw categorie van zilverig en theegroen passen, maar het klopt wel, Enter schept hier een onbezorgde sfeer, ver van de omgeving die Louise en haar nieuwe vriend beklemt. Heel makkelijk kan Louise hem zeggen dat ze stopt met haar studie. Moeizamer gaat het als Louise hem wat vraagt:

‘“Geloof je nog?” vroeg ze.
Hij lachte, schudde kort zijn hoofd zonder zijn roeibeweging te onderbreken.
“Heb ik iets geks gezegd?”
“Nou – dat nog verraadt al alles.”
“Zoals?”
“Dat jij het normaal vindt om niet te geloven.”’

(Een heel natuurlijke dialoog, tussen gelijken.) En dan zet het onweer in, bij de terugtocht komen ze vast te zitten, drijfnat komen ze thuis. Het lijkt dus even met elkaar op te gaan: het oneens zijn en het verslechterende weer. Maar het is eigenlijk een boek lang bijna uitsluitend lekker weer. En wat verwacht je anders in een Pastorale dan dit idyllische landleven? Alleen dwalen de schaapjes af. De idylle is bedrieglijk, als je de zon volgt (24 x in het boek, 11 x zonlicht) stuit je op het gewelddadige dieptepunt van het boek: ‘Op dat moment stompte iemand hem vol in zijn gezicht en werd alles om hem heen helwit – alsof hij op een mooie middag achterover in het gras lag en in de zon staarde.’

Het is ook de laatste zin van een hoofdstuk, punt, waarna Enter Oscar wat tijd gunt om te herstellen. Het gaat daarna amper over de pijn, en zowel broer als zus blijken in de roman ijzersterk in het wegredeneren van moeilijke episodes, en over de vervelende dingen heenpraten, wat een bedrieglijke oppervlakkigheid geeft. (Tegelijk spreken ze elkaar amper, wat nog tot nieuwe misverstanden en een laatste ongemakkelijke confrontatie lijkt, en waarna alles weer terug lijkt in zijn oude groeven.) Bedrieglijk, want juist door de verbroedering tussen Oscar en Jonkie en tussen Louise en Maarten zie je de grote verschillen, de onmogelijkheid die te overbruggen, de eindigheid van deze zomer die op zich al in al die scènes het einde in zich herbergde. Op pagina één, Oscar: ‘En hij wist, met grote innerlijke zekerheid, dat het leven dan iets wonderbaarlijks voor hem in petto had – dat ergens in de toekomst, op een onbekende plek, een heel bijzonder geluk op hem wachtte.’

En halverwege, Louise: ‘Maar je kon nog zo veel terughalen – en ze doorzag opeens dat dit het was, dat dit het wezenlijke was waardoor die herinneringen haar vanochtend ontoereikend en armzalig hadden toegeschenen: er zou altijd iets aan ontbreken en dat was de verwachting, de eindeloze mogelijkheden naar de toekomst die elk moment in zich had meegedragen. Herinnering had geen hoop, geen fantasie, geen spanning. Zelfs al lukte het je alles weer voor de geest te krijgen, elke beweging, kleur en geluid en elke geur van een bepaalde situatie, dat ene, de verwachting, was er voorgoed uit verdwenen – dat zou je, behalve misschien soms in een droom, nooit meer terugkrijgen.’

Maar is er überhaupt een toekomst? Deze broer en zus denken na over het open einde waarmee Enter dreigt – maar ze hebben geen antwoord. Dat is even hoopvol als droevig.

Van Oorschot gaf Pastorale uit.

Jan van Mersbergen: Richard Osinga, Wie de rechtvaardigen zoekt

Aan de basis van de nieuwe roman van Richard Osinga — Wie de rechtvaardigen zoekt — staat het idee van de rechtvaardigen, zesendertig mensen die door de eeuwen heen op aarde zijn en zonder wie de aarde vergaat. Of zoals Alexander Süßkind het in de dertiende eeuw verwoordde: ‘Die personen, die elkaar niet kennen, houden de wereld in stand.’
Loopt er nog een rechtvaardige rond, dan zitten we goed. Schitterend idee, want wie zijn die rechtvaardigen? Osinga zoekt ze op, in zesendertig hoofdstukken die terugtellen naar één.

Rechtvaardig, dat ben je door kleine dingen.
Borges beschreef ze: wie een slapend dier aait, wie met plezier de wortel van de boom ontdekt, de pottenbakker die een kleur en vorm bedenkt. Heel mooi idee.
Helaas is de laatste rechtvaardige in Auschwitz vermoord. Of zijn er nog rechtvaardigen?

In een sterke beschrijvende derde persoon vertelt Osinga over de verschillende personages, en over de linken die zij wellicht hebben met elkaar, als rechtvaardigen.
Opvallend aan de manier van vertellen zijn de uitgebreide gesproken dialogen, die Osinga volledig weergeeft, en de lengte van de gesproken tekst. In het eerste stukje wordt ene Xin gevolgd die met haar vriendje Vasili een gesprek voert over slimme algoritmes en over technische manieren om het aantal kliks die een krantenkop gaan krijgen te voorspellen. In het gesprek neemt Xin zestien regels het woord, zonder dat de ander reageert, iets vraagt, knikt of afhaakt, en ze is nog niet klaar, want: ‘Ze kijkt naar haar gelakte nagels en vervolgt voordat Vasili weer iets vriendelijks kan zeggen.’ En weer praat ze zes regels.
Dat is een monoloog van ruim tweehonderd woorden, over een interessant onderwerp, zeker voor de lezer, maar de dynamiek die een gesprek tussen twee personages kan hebben is ver te zoeken. Bovendien is het heden waarin het gesprekje plaatsvindt op die gelakte nagels na onzichtbaar. Veel informatie dus, en zelfs de personages lijkt dit te beseffen:

‘De conclusie is dat het niet werkt, zegt Vasili droog.’

De jongen met Oost-Europese roots heeft wel door dat Xin doorratelt, en gelukkig weet Osinga het ook. Hij schakelt snel verder, terug naar de rechtvaardigen en Borges, waar Xin van op de hoogte is. Xin gaat zoeken. Ook heeft ze nog een plan uitstaan waarbij alle informatie die in boeken aanwezig is op een Google Translate-achtige manier wordt bijeengeraapt. Spannend inventief idee, dat ver van mij en van het personage afstaat. Ik wil die rechtvaardigen zien die een slapend dier aaien of een pot bakken. Maar dat is natuurlijk wat Xin doet, in onze tijd. Even nadenken, en het cirkeltje is rond.

In het tweede stukje komt Terzin Kamilov in beeld. Hij gaat direct dood en zijn zoon stoort zich aan de gebrekkige internetverbinding. In vier korte alinea’s zet Osinga weergaloos de wereld van deze vader en zoon neer. Verder in dit mooie hoofdstuk wordt iedere paragraaf begonnen met dezelfde eerste zin: Terzin die zijn laatste adem uitblaast. Die truc maakt het verhaal wat op zichzelf staand en vormelijk, het vraagt wel iets om door te lezen. Toch is het verhaal van deze mannen helder, strak en aangrijpend. Ook afstandelijk, en juist dat is mooi gedaan. Koel vertellen brengt meer over op de lezer dan het invullen van de emoties van Xin in het vorige hoofdstuk.
Het teruggrijpen op een verleden werkt minder soepel. Ik wil die vader zijn laatste adem uit zien blazen, en wellicht is het een kapstok om zijn verleden en dat van zijn zoon aan op te hangen, wanneer er nog verder terug in de tijd gekeken wordt, en scènes grotendeels in de voltooid verleden tijd geschreven zijn, moet de lezer te ver terug. Dat is te ver weg. De adem van Terzin was zijn laatste, een adem zo ver weg is niet voelbaar.
Vertellen over een handeling in 1307 is geen probleem: ‘Hij stierf op Yom Kipoer in 1307.’ Prima, maar in het hoofdstukje over de Russen wordt net het moment voor zo’n gebeurtenis verteld: ‘De jongen had de kamer verlaten voor Terzin zijn uitleg had kunnen geven.’ Had verlaten en had kunnen geven, dat zijn vijf werkwoordvormen, terwijl drie voldoende zijn: ‘De jongen verliet de kamer voor Terzin zijn uitleg kon geven.’ Gezien de tijd klopt het wel, het leest alleen zo stroperig.

Heerlijk, als Osinga in het volgende hoofdstukje de tegenwoordige tijd aanhoudt. In ieder geval de eerste bladzijde. Dan lees ik de film van wat er nu gebeurt, en dat is een mooie film. Dan sla ik de bladzijde om en is daar weer het verleden van de opgevoerde Mirza, en na een witregel schuif ik weer verder weg in de voltooid verleden tijd. Ik wil die Mirza nu volgen. Het is dus even zoeken naar het nu, dat verderop weer terug komt. Het geschuif met tijden maakt het wel moeilijk constant mee te leven met deze mensen. Het is Back to the future, maar dan op iedere bladzijde heen en weer terug.
Jammer, want de beelden en verhalen en de verteltrant in het nu zijn heel goed. ‘Ze kijken naar de sneeuw,’ sluit een passage af. En verderop wordt een stukje beëindigd met: ‘Ze slenteren verder door de sneeuw.’ Laat me lekker met die mensen naar de sneeuw kijken en slenteren. Dat is voldoende, dan leef ik mee, dan voel ik mee. De lading die het verleden moet geven doet de sneeuw vervagen en leidt mij als lezer naar mijn hoofd. Naar Zwitserland, de herfst, een concern met een deeltjesversneller. Sneeuw, dat zijn voldoende deeltjes.

Die lange monologen, verpakt als dialogen, past Osinga vaker toe. Dat leest stroef. Neemt niet weg dat er ook erg sterk geschreven stukken in staan, die kernachtig zijn en een eenvoudig idee omvatten, zoals het verhaal van de dronken tangodanser in Bangkok, een mooie combinatie van plaats, tijd en personage, en het verhaal van de man die voor Buitenlandse Zaken moet beoordelen of asielaanvragen in orde zijn.
Hij verzint een bepaald kenmerk van een geloof, zoals dat het verboden is om krukjes met drie poten te fabriceren, en als er dan in Nederland een man asiel aanvraagt omdat hij in zijn thuis land dat soort krukjes maakte, dan is direct duidelijk dat het verhaal onzin is. Het verspreiden van verzinsels om de waarheid te achterhalen. Het verzinsel is ter plekke een geloof geworden, want zonder dat de gelovigen weten waarom bidden ze richting Jeruzalem. Het is gebaseerd op een oud verhaal. Het verzinsel heeft de realiteit achterhaald. Bijzonder mooi verhaal, en bovendien strak opgeschreven en verweven met de gezinsvorming van deze man, die gezien de achtergrond van Osinga (diplomatiek) sterk op de schrijver zelf lijkt.

Zo wisselen sterke passages en hoofdstukken die erg op afstand zijn en die vooral opgebouwd zijn volgens de stugge vertelvorm waarin een van de personages uitgebreid het woord neemt, als een monoloog of preek, elkaar af. De derde persoon werkt goed als het verhaal klein, persoonlijk en kernachtig is. Niet als personages de ruimte nemen bladzijden lang te vullen met hun ideeën. Een hoofdstuk over revolutionairen zit vol theorie over geloof en het verlies van God en vertrouwen, en wordt afgesloten met een zin over een vader en een zoon: ‘Hij leidt hem naar de moestuin en legt de hand van zijn zoon op de bloesem van de komkommer.’
Dat voelen en het contact tussen vader en zoon vertelt meer dan de eindeloze monoloog die de vader daarvoor afstak over het bestaan van God, de Koran, moslimjongeren en bloesem. Een monoloog is moeilijk te voelen.

Op deze manier, met deze vertelvormen en de op het eerste oog lukraak gevonden personages die over de hele wereld opduiken – een Zweedse, een Serviër, eentje met een moeilijke Arabische naam, personages op Calabrië, Japan, in Ethiopië waar opeens een ik-verteller het woord neemt, in India – is het moeilijk mee te leven. De lezer weet dat er een verband moet zijn, en de afzonderlijke hoofdstukjes geven sporadisch aanwijzingen, ze nemen niet weg dat de lezer ze inwisselbaar vindt. Zesendertig personages met hun plaats, tijd, verhaal, dat gaat op elkaar lijken.
En dus bladert de lezer door de pagina’s op zoek naar een bondig kernachtig stukje proza dat zo klein en persoonlijk is dat het wel medeleven oproept, dat groter is dan het kleine verhaaltje. En aan het einde, terug in de tijd, vindt de lezer wellicht de missende link en komt de lezer tevens uit bij het mooiste hoofdstuk waarin ook herhalende beginzinnen voor komen: over Söyembikä, een van de vele moeilijke namen uit de roman, die afstand suggereren, en iets werelds. Maar deze vrouw is groots en innemend. Ze is de Penelope van Kazan. Osinga beschrijft haar leven en haar liefdes in bondige alinea’s, ijzersterke flarden. Söyembikä. Ze springt de dood tegemoet. Ze kan de stad overzien. Zij is elke vrouw.

Wereldbibliotheek gaf Wie de rechtvaardigen zoekt uit.

De poëziereeks Binnenin bestaat nu ook online! Om de week plaatsen we op donderdagochtend een nieuw gedicht van een Nederlandse of internationale dichter. Zo publiceren we deze weken poëzie van Alara Adilow (NL), Daniel Saldaña París (MX), Willemijn Kranendonk (NL), Olga Stehlíková (CZ) en Tania Ganitsky (COL). Vandaag: Daniel Saldaña París  met ‘Jaren later haar naam googelen (new spleen)’ in de vertaling van Luc de Rooy.

*

Jaren later haar naam googelen (new spleen)

Vertaling: Luc de Rooy

Zij in een stopmotion-animatie, rokend met een mondje dat eerder perversiteit dan elegantie uitdrukt. Zij, opnieuw geanimeerd, op een plavuizen vloer die de plavuizen vloer zou kunnen zijn van het appartement waar mijn grootvader de begeerte van seks leerde kennen, en ja hoor, het ís dezelfde plavuizen vloer, nu zie ik het. Haar kapsel drukt zowel smerigheid als pracht uit, in gelijke proporties, zoals alle dingen die in eerste instantie binnen handbereik lijken. Een tekst van haar waarin ze pleit voor een niet-formele scholing met een filosofisch karakter en een zomerkamp voorstelt waarop de kinderen worden vermaakt met: 1) hun ervaringen op ‘cassette’ vastleggen, 2) wandelingen maken op het platteland en kaartspelen doen, 3) ‘lichaamsexperts’ worden. Dat laatste punt vind ik het minst concrete, maar in allemaal detecteer ik, of hoop ik sporen of bewijsmateriaal te detecteren van de persoon met wie ik gedurende twee jaar heb samengewoond (niets verzekert me ervan dat het daadwerkelijk om een en dezelfde persoon gaat). Zij bij wat een rockconcert lijkt maar waar ze gekleed is als een folk en op het podium losgaat; ze valt. Haar naam in willekeurige lijsten: van studenten, van deelnemers aan een volksvergadering, van ondertekenaars van een brief tegen de verhuizing van een boekhandel die we ooit samen bezocht hebben en die mij al een hele tijd niet meer interesseert. Haar naam maar met de achternamen in de verkeerde volgorde. Haar naam in de kieslijst van een district in Texas. Haar naam tussen de deelnemers van een springwedstrijd in Pomona. Haar naam in verschillende modificaties of onmogelijke contexten gevolgd door nog meer pagina’s met resultaten. Ten slotte andere namen.

Daniel Saldaña París (Mexico-Stad, 1984) schrijft poëzie, korte verhalen, essays en romans. In eigen land wordt hij beschouwd als een van de belangrijkste hedendaagse dichters, naast onder anderen Luis Felipe Fabre, Paula Abramo en Inti García Santamaría. De romanEn media de extrañas víctimas (in het Engels vertaald als Among Strange Victims) betekende zijn internationale doorbraak, en in 2017 werd hij opgenomen in de lijst van Bogotá39, de 39 interessantste jonge auteurs uit Latijns-Amerika. Eén vertaling van zijn werk verscheen eerder in het Nederlands: het verhaal ‘Piñata’, in literair tijdschrift Gierik-NVT.

Sacha Bronwasser, Marcel Möring: de redactie las een debuut over kunst dat toch een onmiskenbare kracht heeft, en een lyrisch-archeologische rouwroman in een geloofwaardige disbalans.

*

Jan van Mersbergen: Sacha Bronwasser, Niets is gelogen

Tijdens het lezen van het debuut van Sacha Bronwasser borrelde bij mij een bijzondere vraag op: hoe kan een roman die werkelijk imponerend is bij mij zo veel weerstand oproepen?
Stijl, vertelstem en gegeven zijn allemaal dik in orde, maar Niets is gelogen gaat over een onderwerp dat mij totaal kriegel maakt: kunst. En dat onderwerp vervormde iedere goed geschreven zin, ieder beeld, iedere alinea. Daarnaast bijt de verteller zich zo vast in het onderwerp dat ze in haar vertelling grip verliest, en dat vind ik erg jammer.

Onthoud dus dat dit boek werkelijk unaniem geprezen zal gaan worden en dat mijn lezersreactie volstrekt persoonlijk is.

Wat is dat toch met kunst? Ik heb jaren in de theatersector gewerkt, kunst en cultuur gestudeerd, me verdiept in beeldende kunst, film, dans, en ik schrijf zelf al een behoorlijke tijd, en toch komen romans over beeldende kunst mijn neus uit.
Al jaren hoop ik bij ieder boek dat verschijnt dat het een kernachtig sterk verhaal is dat juist zonder kunst zelf kunst wordt. Al jaren verschijnt het ene na het andere boek over kunst waarin literatuur slaafs achter beeldende kunst aanhobbelt. Het is bijna een stroming op zich. Romans van Niña Weijers, Persis Bekkering, Bregje Hofstede, Irma Maria Achten en Emily Kocken gaan allemaal over kunst, en dat is nog maar een kleine greep uit alleen de Nederlandse romans van de laatste jaren.
Schrijven alleen vrouwen over kunst?

O nee, Oek de Jongs laatste roman gaat ook over een kunstenaar, maar op een compleet andere manier. Het verschil: in Zwarte schuur voel je vanaf de allereerste bladzijde dat succesvol kunstenaar Maris tot mens wordt teruggebracht, ondanks de kunst. Hij wordt gestript. Geknipt en geschoren.
Of zoals bij Willem Jan Otten, die in 2004 met Specht en Zoon kwam, over een overleden jongen die op een schildersdoek weer tot leven gewekt werd, verteld door het doek. Ook daar bleef de kunstenaar uiteindelijk als gevallen mens over.

In de andere boeken die ik noemde, en ook in Niets is gelogen, ontlenen de personages hun waarde juist aan de kunst. Het onderwerp laat de personages meer lijken dan ze zijn, en dat is voor levensechte personages nu eenmaal te weinig. Grip verliezen en mens worden, dat is de verdienste van Oek de Jongs roman, en dat is iets anders dan een roman over kunst waarin personages rondlopen die, omdat ze geen grip op het leven hebben, eerder een kunstperformance zijn dan mens.
Allemaal persoonlijke invulling, die voortkomt uit de weerstand tegen het onderwerp. Kunst duwt me van het leven vandaan, en als ik lees wil ik het leven ingetrokken worden.

Het begint al bij het omslag. De opvallende kleur blauw van Niets is gelogen herken ik: Yves Klein. Die kleur vertelt me direct: een roman over kunst. Ik hoop op een roman die beeldend zo sterk is dat het blauw van Yves Klein verbleekt. Dat is dit boek, maar ik moet er wel naar zoeken.
De achterflap bevestigt mijn idee. Niña Weijers stelt: ‘Wat een wonderlijk poëtisch en filosofisch boek, dat zich verademend weinig aantrekt van de romanconventies.’
Even tussen ons: Die conventies bestaan wel hoor, maar alleen tussen boek en lezer. Het is de afspraak: we gaan iets meemaken, de verteller gaat ons iets vertellen, ga maar lekker zitten, zoals de afspraak bij een theatervoorstelling als het licht uitgaat en de voorstelling begint en we iets gaan volgen dat anders is dan de zaal waar we in zitten.

De drie delen van Niets is gelogen zijn genoemd naar andere officiële romanconventies, tevens theaterwetten: eenheid van plaats en tijd, van denken en handelen, van oorzaak en gevolg. Bronwasser voert een vertelster op die zoekende is naar wat er op een specifieke avond in het verleden gebeurd is. Mooi gegeven, maar dat zoeken naar houvast gecombineerd met kunst maakt de roman dubbel kunstzinnig. Op een paar nuchtere momenten na schuift de vertelster steeds naar het onderwerp toe, alsof ze in haar eigen act ronddoolt.
Natuurlijk is het in een roman over kunst zaak het belang van kunst en de werking van kunst te accepteren, samen met de vertelling. Voor mij zijn hier onderwerp en vertelling een irritant geheel. Het voelt alsof er een aanname is dat een roman over kunst vanzelfsprekend wel even de romanconventies naast zich neerlegt. Door het onderwerp. Ik word toegesproken door een vertelster die weinig afstand heeft tot haar onderwerp. Dat is vlek op vlek.

Ook in deze roman blijven alle mogelijke conventies fier overeind. Plaats, tijd, perspectief, vorm, taal, wat geschuif met tijden en een ik-verteller die zich soms over anderen uitlaat als een derde persoon, en die vooral een interessante rol op zich neemt door juist de lezer heel conventioneel aan de hand mee te voeren de roman in.
De enige conventie die gebroken wordt is de onuitgesproken belofte dat de lezer op een of andere manier voldoende mee moet krijgen van wat er allemaal verteld is, omdat de zoekende vertelster het zelf ook niet weet.
De basis van deze roman: kunst is belangrijker dan een verhaal waarbij een lezer op gevoelsniveau bediend wordt. Daar word ik helemaal dol van.

Verder werpt de kunst die hier aangedragen wordt me terug op mijn studie. Cindy Sherman wordt genoemd. Marina Abramovic. Ergens staat over Marina Abramovic: ‘- daar is ze weer, altijd kom ik haar tegen’.
Ik kom haar nooit ergens tegen, behalve in romans, en ik ben helemaal klaar met de performances van Abramovic, zeker als ze in een roman een duidende rol moeten hebben, of het verhaal moeten opluisteren. Haar optredens waren intens, confronterend, schokkend, meedogenloos. Kunst die de kijker kapot maakt. Bekentenis: daar heb ik totaal geen zin in. Echter, de personages in deze roman smullen van Abramovic, die in een museum een geladen pistool tegen haar hoofd houdt.
Wat is sommige literatuur toch heerlijk pretentieloos, en wat is deze roman, door de onderwerpkeuze en de personages die verbonden zijn met dit onderwerp, opeens heel pretentieus.

Genoeg over kunst in romans, genoeg over mijn nekharen die als overeind staan. Daar kan dit proza op zich niks aan doen. Ik zal proberen aan te geven wat de kracht is van dit debuut, want die kracht is onmiskenbaar. Dat komt vooral door de sterke verteller, die weliswaar een kunstachtergrond heeft en erg zoekende is, maar die vooral deze vertelling vlot en speels maakt, met op iedere bladzijde mooie beeldende zinnen.
De vertelster heet Gala. Nog voor ik iets over dit personage kan zeggen voert ook haar naam me direct terug naar… kunst. Je moet er iets vanaf weten, zoals met alle moderne kunst, maar bij het horen van de naam Gala veren kunstliefhebbers, of mensen die dwepen met kunst, direct iedereen op. De geliefde en muze van Salvador Dalí heette Gala, dat kan geen toeval zijn. Gala was een Russische die in Zwitserland een Franse dichter leerde kennen, met hem trouwde, ze kregen een dochter. Meestal doen muze-verhalen me erg weinig, maar als een personage in een roman duidelijk vernoemd wordt verdiep ik me een beetje in die persoon. Dat ze haar dochter verwaarloosde en meer in kunstenaars geïnteresseerd was – een graadje erger dan mensen die in kunst geïnteresseerd zijn – vind ik interessant, en ook haar verhouding met jongere mannen tijdens haar huwelijk met Dali, waaronder kwetsbare drugsverslaafden, maar het blijft in deze roman bij vernoemen: het aanhalen van de mythe zonder de keerzijde te benoemen. Gala was een muze, de naam aanstippen volstaat om deze naam mythisch te houden en de roman lading te geven die misschien niet helemaal op zijn plaats is.
Ik bedoel: waarom heet ze niet Ans of Linda?

In ieder geval neemt de vertelster Gala je bij de hand, staat ze soms boven de vertelling, alsof ze je in een museum rondleidt. In een uiterst heldere taal, met sterke vergelijkingen en metaforen, neemt ze de lezer mee naar… Kortrijk.
Dat is dan weer een erg goeie keuze. Eindelijk eens geen Brussel of Parijs.
Kortrijk! De stad die beroemd werd door het eerbetoon van Johny Turbo:

’t Zat vroeger vis in de Leie
moa ’t zwem nu gin mjee
Oal da wil leven da vluch noa de zjee

Bronwasser slaat Johny Turbo over en concentreert zich op de vraag wat er gebeurt als je een onbekende stad binnenkomt. Leuke vraag, al kun je ook eerst even de lokale muziek opzoeken. Kan een verrijking zijn.
Waarom is het eerste het beste koffietentje achter het station van Hamburg prima en is in Amsterdam een café zelden goed genoeg? Daarmee begint de roman, dat is de opmaat naar de ontmoeting met de kunstmecenas die zeker niet goed genoeg is, maar waar de vertelster wel voor valt.
Echter, Gala weet kunst niet op afstand te zetten. Dat is haar worsteling. Dat is mijn worsteling als lezer, want ik hoop steeds dat haar visie bijdraait. Dat ze even een pasje achteruit doet.
Zo zegt ze: ‘Bijna alles wat ik weet, weet ik van kunstwerken waarover ik eens heb moeten schrijven of iets heb moeten zeggen.’
Is ze werkelijk zo verweven met kunst? Arme dame. Of gaat deze roman over leegte? Dat is voor mij de enige overgebleven optie.

Gala schrijft over kunst, bezoekt in Kortrijk een tentoonstelling, houdt daar een praatje, ontmoet een paar mensen. Na een monoloog van de mannelijke hoofdpersoon (vreselijke man), waarin bijvoorbeeld ‘het gevecht tegen fake en nep, tegen illusie en pose en de leugen van de online wereld’ terugkomt en hij de spiegel noemt die de kijker voorgehouden wordt, stelt Gala: ‘De spiegelmetafoor, een uitgekauwd kunstkauwgompje.’
Dat is even een verademing. Hier spreekt een verteller uit de wereld van kunst, die zelf ook het tegen het opgeklopte van dat wereldje aanloopt. Yes!

Natuurlijk zet ze zich daar snel overeen. Kunst is haar bestaansrecht. Als Gala werkelijk weerstand heeft tegen het door Bronwasser geschapen kunstwereldje dan zou ze al snel uit het verhaal weggelopen en direct naar de Ierse pub gegaan waar ze na de opening van de tentoonstelling wat gaan drinken.
Gala zegt over zo’n kroeg dat het de laatste plaats is waar je wilt zijn. Ik veerde op bij het uitgekauwde kauwgompje en die Ierse pub, het dedain over deze bijzondere pubcultuur wierp me weer terug op mijn kriegelige leeservaring. Dit boek zegt: als jij zo’n pub wel leuk vindt ben je een sukkelaar.

De vervelende man – Pé – noemt de Hollanders in de kroeg ‘ongecompliceerde Noorderlingen’. Daar herkende ik me in. Ik beschouw het als een compliment. Ik zoek romanpersonages die vanuit hun eenvoud dezelfde zoektocht maken als deze Gala, maar dan zonder die elitaire houding.
Terug naar de roman en de kwaliteit van deze roman. Die zit hem in de mooie taal. Dat zijn lichtpuntjes die me vertellen: als je zo goed kunt schrijven waren er ook zonder kunst genoeg prachtige beelden overgebleven.
Bronwasser noemt ergens zeewier in de branding, in een vergelijking met haar dat lang niet afgeknipte is. Heel mooi. Haar dat lang niet geknipt is. Dat voelt ‘zo gewichtloos als de avondlucht’.
Hier worden beelden opgeroepen in plaats van dat er geheuld wordt met het museumwerk van anderen. Hier gaat Gala leven, zie ik die haren onder water bewegen, hier krijg ik de ruimte om dit personage voor me te zien zonder dat ze een hoorcollege kunstgeschiedenis herhaalt. Hier toont de roman haar kwaliteit, iets wat andere lezers hoogstwaarschijnlijk in alle andere zinnetjes, en in de combinatie van zinnen, ook zullen zien.
Het probleem van Gala is dat ze de beelden zelf niet vertrouwt. Dat is het gebrek aan grip op plaats, op tijd, op haar herinneringen. Vanzelfsprekend is grip moeilijk en soms zelf amper te krijgen, en een personage dat zoekt naar grip is interessanter dan een personage met misplaatste controle, toch zijn opmerkingen als ‘deze avond bestaat eigenlijk niet,’ te zeer gericht op het vluchtige en ongrijpbare. Een verteller die een gedegen en beeldend verhaal maakt hoeft niet te benadrukken dat het wellicht allemaal niet echt is.

De vertelling is echt. Dat is mijn houvast. Dat brengt de lezer verder.
Als ze in de stad een sleutel moet gaan ophalen, met ene Fatima, stelt Gala: ‘Nu past er helemaal niets meer bij elkaar. Niets klopt. Ik ben niet op bezoek in Kortrijk, nee, ik dwaal door een plaats zonder naambord.’
Tekst kan ook een performance worden.
Fatima kijkt op haar beurt uit naar een vollemaanmeditatie in Tibet, waarna Gala zegt: ‘Maar je bent niet in Tibet, je bent hier.’
Dat is een heldere opmerking die toch vreemd voelt. Net nog dwaalde de vertelster rond in een stad zonder dat ze daarvan de naam wist, op een avond die eigenlijk niet bestond, nu geeft ze een ander personage mee dat ze in ieder geval niet in Tibet zijn. Ze weet dus nog wel iets van plaats en tijd.
Tijdens het lezen van Niets is gelogen wordt weerstand gevolgd door weerstand. Kijk daar alstublieft doorheen. Laat je meevoeren in deze zoektocht naar herinneringen, want dat is deze roman. Dan kom je vanzelf werkelijk bijzondere zinnetjes tegen die vol beweging zijn, en kleur:

‘Langs de kade waait het nu, richtingloos wervelend. Het jaagt over de theegroene golfjes in de Leie. De gele zijden rok van Fatima wappert om haar benen.’

Raak raak raak.
En verderop, bij Gala’s terugkeer in Kortrijk:

‘De gevels zijn gezandstraald.
De kades langs de Leie zijn vernieuwd en verbreed.
Daar lopen plukjes wandelaars als in een artist’s impression.
Er is een nieuwe brug.’

Over die artist’s impression zal ik nu verder zwijgen. In plaats van mopperen herhaal ik alleen de slotzin van dit stukje: ‘Er is een nieuwe brug.’
En dan een witregel om het beeld ruimte te geven, zoals een brug ruimte nodig heeft. Dat is schrijven in beelden en recht doet aan die opgeroepen beelden. Het water aan die kade langs de Leie is het blauw van Bronwasser, niet dat van Yves Klein.
Daar zocht ik naar. Dat maakt dit proza tot beeldende kunst.

Ambo|Anthos geeft Niets is gelogen uit.

Daan Stoffelsen: Marcel Möring, Amen

Ik volg Marcel Möring ongeveer net zo lang als ik Ronald Giphart volg, vanaf mijn puberteit, met Bulkboeken van Mendels erfenis (en Ik ook van jou), en ik heb weinig overgeslagen sindsdien. Een rode draad is die van mensen (mannen) alleen en een sterke betrokkenheid bij de joodse geschiedenis, van Genesis tot Holocaust. In Amen, genoemd naar het dorp bij Westerbork, zien we dat terug, maar ook een aantal afscheidsverhalen: een terminaal Rote Armee Fraktion-lid dat een zachte dood zoekt, een spoorloos verdwenen meisje, maar vooral de geschiedenis van een man die verlaten wordt.

Het oordeel over Amen valt en staat dan ook met wat je vindt van hoe die geschiedenis in snippers, aanvankelijk in een klaagzang van enorme zinnen, overgeleverd wordt. De ik is verlaten, hij begrijpt er niets van. De eerste zin:

Dat er een begin is dat begint en een einde dat eindigt en dat het einde begint en het begin eindigt en dat het tij van de tijd aanspoelt en zich terugtrekt en het wrakhout achterlaat van wat was kom zaterdag de laatste doos halen oké? en jij die zegt dat dat oké is, dat alles oké is, jij bent oké, ik ben oké, dat je weg bent is oké, dat ik het niet snap is oké, het is oké dat het einde hier begint of het begin hier eindigt, er is helemaal niets dat niet oké is, oké scheelt een boel gelul waar we niets mee opschieten, want er verandert nooit iets, tussen ons niet, de wereld niet, de geschiedenis niet, alles stroomt en je kunt er alleen maar naar kijken en denken: alles stroomt.

Een boel gelul, en dan een zin van bijna duizend woorden (dit hele begin is te lezen op Athenaeum.nl), waaruit we opmaken dat midden in de seks ze opeens weg leek te zijn, haar interesse was verdwenen, waarin het Songfestivallied van Teach In, Lucky Luck, het Hooglied langskomen en die Möring besluit met: ‘hoe het was als jullie het deden, dat vroeg je, en ze zei zoiets als nou, gewoon en je denkt gewoon? gewoon dat is als een katholiek die de heilige communie omschrijft als “een stukje brood en een slok wijn”‘.

Dat vind ik heel erg geestig. Maar het is dus lang en herhalend en repetitief en herhalend en telkens weer dat begin en dat einde en leegte, en ergens is het heel herkenbaar hoe de ik – Samuel Hagenau heet hij – voor het voldongen feit van verloren gevoel komt te staan. Hoe hij dat nota bene heeft uitgelokt door deze wijze woorden uit te spreken: ‘Geluk is niet zoiets als het weer, het is niet iets dat je overkomt, het is een verantwoordelijkheid, je bent verantwoordelijk voor je geluk, voor dat van je geliefden, voor het geluk in je relatie, je kunt het niet afdwingen, maar je kunt er ook niet op zitten wachten.’ Tja, dan onderneemt ze actie.

We treffen Samuel Hagenau dolend op de heide nabij zijn werkplek, een archeologische opgraving van kamp Westerbork. Daar treft hij een uitgebrande auto aan. ‘Waarom? Waarom hier? […] Ik pak de telefoon, buig mij voorover, op de knieën, en schijn met het lichtje van de telefoon onder de wagen. Kut.’ Erg kernachtig, en na een meditatie op de stilte om hem heen en een telefoontje, na pas twee pagina’s expliciteert een rechercheur wat hij daaronder vond.

‘“Waarom keek u onder die wagen?’
“Ik ben archeoloog.’
Ze besluit die opmerking te negeren.
“U kon toch niet weten dat er iemand onder die wagen lag?’
Nee, dat kon ik niet weten. Ga ik nu uitleggen dat het onzichtbare de essentie is van archeologie?’

Mooie dialoog…

(… en een wat zweverige uitleg van deze wetenschappelijke discipline. Ik ben classicus, en er zijn natuurlijk zweverige archeologen, maar de meeste die ik ken hebben een voorkeur voor het concrete, het aanwezige, het zichtbare. ‘Ik vraag mij af, terwijl ik daar op mijn buik lig en de droge aarde ruik, of mijn beslissing om archeoloog te worden is genomen uit een onbewust maar diepgevoeld verlangen naar het afwezige, dat wat er niet is en pas zichtbaar wordt als het gemis wordt gevoeld, als je ernaar begint te graven. En wat dat betekent,’ schrijft Möring, en: ‘De vraag waarom je jezelf als archeoloog definieert als je spreekt over de liefde. Een archeoloog die door de knieën gaat en met het ledje van zijn telefoon onder de auto schijnt en hoort hoe de wereld zijn adem inhoudt.’ Net zoals Oek de Jongs kunstenaar – hierover moeten we het nog eens hebben, Jan – net zo goed een schrijver of een diplomaat of een zakenman had kunnen zijn, is de archeologie bijkomstig, en de rouw, het gemis, de liefde essentieel voor Samuel Hagenau. Ik geloof dat hij zich dat zelf gedurende de roman ook gaat realiseren.)

Maar die moordzaak wordt het plotje van de roman: Samuel verdiept zich in de zaak, reikt de politie theorieën aan; het lijkt wel erg op een rituele verbranding uit oude tijden, ook als je naar de houding van de dode kijkt. Er is een relatie tussen het kamp en de R.A.F., tussen de vindplaats en de omgeving. Het voelt als een vlucht voorwaarts uit de rouw, zoals er ook een vlucht terug is, naar die eerdere spoorloze verdwijning, van een buurmeisje in Zwitserland. ‘Vroeger is een scheur die begint in Zwitserland, onzichtbaar nog, zo dun, maar allengs groter, een scheur die zich vertakt, zoals ijs breekt en blijft breken, tot de oever is bereikt,’ schrijft Möring.

Het oordeel dus. Möring verwerkt in Amen die herinneringen, gesprekken en nagesprekken (je weet wel, dat je achteraf bedenkt wat je had moeten zeggen) met zijn ex, het nu van de zaak van de auto, zijn werk, af en toe heel kaal, dan weer lyrisch, en ik vind het goed werken. Möring is een van onze interessantste plotbouwers, met een Mulischiaans grote greep, maar een betere stijl dan die schrijver in zijn laatste romans. Hij heeft mooie beelden, goede observaties, en er zit een ontwikkeling in die lyriek, het deel dat ik ook minder waardeer door de herhaling van juist die grote woorden, en dat Thomas de Veen als ‘vaag’ benoemt in NRC. Kees ‘t Hart beschrijft die ontwikkeling, dat groeiende inzicht mooi in De Groene: ‘De ik verheft zich boven iedereen, kijkt neer, twijfelt nergens aan, weet alles. Hij is verloren in inzicht. Lost in vision. Als dit niet tragisch is, weet ik het ook niet meer en Möring schreef er een mooie, emotionele roman over.’

En zo kloppen dus ook de lyrischer delen. Amen is een rouwroman en daar zit een geloofwaardige disbalans in (iets soortgelijks kun je zeggen over Manon Uphoffs heel andere roman Vallen is als vliegen), die binnen de lijntjes blijft. En een boek dat ruimte biedt voor introspectie en gesprek – wat wil je meer van literatuur?

De Bezige Bij gaf Amen uit. Op Athenaeum.nl staat dus een fragment.

Sarah Hall, Esther Verhoef: de redactie las een tedere en ongewone verhalenbundel (update: een van de verhalen eruit, ‘Orton’ is vertaald voor De Revisor #32), en pluisde het eerste hoofdstuk van een thriller als een zoektocht zin voor zin uit.

*

Daan Stoffelsen: Sarah Hall, Sudden Traveller

Ik heb hier al eens eerder geschreven over mijn waardering voor de Britse schrijfster Sarah Hall. Een tijd geleden, toen ik nog de vage afspraak had met de NRC-boekenredactie om zelf Engelse en Amerikaanse boeken voor te dragen om te bespreken, ontdekte ik haar. Of ik De prachtige onverschilligheid mocht bespreken? Wat mijn literair-kritische baken van die tijd, Arjen Fortuin, daarop antwoordde, is ook verdwenen in de mist van mijn mailbox, maar ik meende: ‘Leuk, die Hall, die kennen we nog wel.’ Ze was toen al voor de Booker Prize genomineerd geweest, dit was haar eerste verhalenbundel.

Dat was zeven jaar geleden, net voor een vakantie. Ik las Halls hele oeuvre terwijl ik Boy & Bear luisterde (sindsdien zijn de Britse schrijfster en de Australische band met elkaar verbonden – van Boy & Bear is ook een nieuw album verschenen) en werd gegrepen door haar stem, de variatie in haar oeuvre, waarin onder anderen een tattoo-kunstenaar, een schilder, een groep vrouwelijke revolutionairen figureren, en ze even natuurlijk over seks als sensueel over natuur kan schrijven. Sindsdien kwam daar nog een zwangere wolvenexpert bij, trouwens, over wie ik ook schreef. Na zijn recensentenbestand te hebben geschoond werd Fortuin tv-columnist, en terwijl ik stuurloos ronddreef op een oceaan van boeken, schreef Hall nog eens twee verhalenbundels. Driemaal werd een verhaal van haar genomineerd voor de BBC National Short Story Award, eenmaal won ze die (met ‘Mrs Fox’, waarover ik eerder schreef), en ze kreeg een O. Henry Prize voor korte fictie.

En hier is dan Sudden Traveller, een bundel waar ik naar uitkeek, omdat ik ook hoopte dat er iets in zou staan wat het vertalen en publiceren in De Revisor waard was. Iemand die zo sensueel kan schrijven, hoort in ons decembernummer, ‘Huid’. Maar het zijn allemaal nogal lange korte verhalen, en we hebben al een enorm vertaald verhaal – het geweldige, met de Caine Prize for African Writing bekroonde verhaal van Lesley Nneka Arimah – voor dit nummer staan. Een auteur moet netjes betaald worden, een vertaler ook, en dat telt al op tot een aanzienlijk deel van ons budget. Dus hoera! Arimah wel. En helaas, Hall slechts hier.

*

Dat is de enige teleurstelling. Net als in Madame Zero opent Hall met een verhaal van transformatie, ‘M’. In tegenstelling tot ‘Mrs Fox’ vertelt ze vanuit de vrouw, ditmaal een zelfstandige vrouw, een succesvol advocate, met een minnaar en een appartement zes hoog. Het is een grotendeels nachtelijk verhaal.

‘She wakes. As she turns in bed, away from the body on the other side, she notices a pain. It’s low down, om the right-hand side, a soreness like appendicitis. But she has no appendix, only a surgical cleft in the skin, left over from childhood. The organ was removed after rupture and septicaemia; her body flooded with poison, the school nurse having told her twice to go back to class, the ambulance moving sluggishly down the valley’s roads. Lucky to be alive, the surgeon said, once her blood had clarified. […] So began a life’s contract of survival and compensation.’

Een heel kort ziekteverhaal, de blinde darm alleen al zou in Nederland als ZKV (of in de Verenigde Staten als een Lydia Davisje) gelden: kernachtig en scherp, met de schoolverpleegster, de chirurg en de trage ambulance. Bepaald geen aanhangsel, zomaar tussendoor. Plus: ik vind dat goed gezegd, een levenslang contract voor overleving en compensatie. (Van overleving? Een overlevingscontract? Goed dat we professionele vertalers hebben.) ‘Comparatively, this is not severe,’ merkt ze op. ‘But it is unlike anything before.’ Geen kramp, geen menstruatie. Een tumor? Die optie komt niet in haar op, en nacht na nacht worstelt ze, letterlijk, met de groeiende pijn in haar rug. Overdag is er niets aan de hand. Ze neemt een nieuwe klus aan, sinds lange tijd pro deo, ze dumpt haar minnaar, en op een nacht breekt er iets door.

‘And then, the survival mechanism is overridden. A half push, half forward cast. The last decision of life, and the momentary drop, a first rush, like the waterfall’s crest, the brink of climax. For that second, such kinetic beauty, trust in nothingness. Then – a crack behind her, huge and dull and viscose, as the wings extend, unfurl and are filled, begin her flight.’

Ik weet niet hoe ik het moet vertalen, maar de beeldrijkdom is overweldigend, vol adrenaline en verrassing. Ze wordt niet een vos, symbool van seksualiteit en wildheid maar toch kwetsbaar, maar een engel des wrakes, een verdediger en beschermer van vrouwen. Overdag als advocate, ‘s nachts als een aborteerder van ongewenste kinderen en moordenaar van verkrachters. ‘She has no dreams. No conscience. But in the mornings her body begins to seem less true.’ Is dit scenario een droom? Zo gedetailleerd?

Een geweldig en gewelddadig verhaal, sterk en fantastisch. Het is niet representatief voor de hele bundel, Hall schrijft veel diverser. Meer dan haar geboortestreek Noord-Engeland is Turkije nu haar terrein (ze heeft een Turkse vriend, meen ik op te maken uit het dankwoord); de minnaar uit ‘M’ heet Ilias, er is een Turks sprookje met fatale afloop, een ander verhaal vindt plaats in een Turkse badplaats, het titelverhaal [fragment bij de London Review Bookshop] eindigt met een Istanbulse toekomstdroom. Er is minder natuur, minder landschap in haar verhalen.
Tegelijk is de seksualiteit zoals vaker (zwangere seks in Wolf Border, het rauw-seksuele in ‘Mrs Fox’) vanzelfsprekend aanwezig, in ‘M’, maar zelfs in het afsluitende bedverhaal, en heel mooi in ‘Orton’. [‘Orton’ is vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer voor De Revisor #32.]

Dat is een toekomstverhaal, waarin een bejaarde vrouw afstand heeft gedaan van haar pacemaker om te sterven. Geweldig gegeven. Ze kiest daarvoor niet de plek waar ze met haar echtgenoot geleefd heeft, maar een dorp nabij het Lake District, toch Noord-Engeland, waar ze een one-day-stand heeft gehad met een jongen uit een dorp verderop.

‘It felt like a disaster, being stranded miles out with this spare part. All she was planning was how to get home without having to get a lift from him. Finding a phone box, reversing the charges, getting someone to fetch her. But then he’d turned and put his hand on her leg. Before even kissing her he’d brushed aside her skirt like cobwebs and had begun to stroke her, very softly as if he were stroking a breakable and delicate thing, a baby rabbit. She’d caught her breath. It was the first time someone else doing it had felt right, not clumsy, not uncomfortable. He’d knelt down in front, looking up.
Do you want me to?
Do I want you to what?’

Reserveonderdeel! Spinnenwebben, een konijntje – het klinkt platter in vertaling nu, maar zo teder en ongewoon. Heel mooi. En de combinatie tussen (levens)lust en rustig doodsverlangen versterkt het oorspronkelijke gegeven.

Verhalenbundels verkopen niet, zeker vertaalde niet, en vertaalde literatuur is dus niet per se goedkoop — ik begrijp dat de Nederlandse uitgeverij wacht op Halls volgende roman. Ik raad Sudden Traveller van harte aan, al moet je zelf vertalen, Sarah Hall is het waard!

Faber & Faber geeft Sarah Hall uit. In Nederland verkoopt onder andere Athenaeum Boekhandel het boek.

Jan van Mersbergen: Esther Verhoef, Façade

In mijn schrijfworkshop behandelde ik het eerste hoofdstuk van Façade van Esther Verhoef. Het was een eenvoudige analyse van wat er verteld wordt, door wie, over wie, in welke tijd, en hoe de verteller steeds buiten zichzelf treedt en weer terugkeert in het heden. Het fragment is hier te lezen.

In de workshops valt vrijwel nooit een oordeel over de teksten, wel benoemen we de vele vragen die de tekst oproept. Zoals over de eerste zin: ‘Mam, laat me nou.’

Ik weet nog niet dat een ik-verteller aan het woord is, ik weet alleen dat iemand om zijn moeder roept. De volgende zin maakt me duidelijk dat het Levi is die dit zegt en dat er ook een ik-verteller is die deze Levi vast probeert te houden, want Levi worstelt zich los. De ik-verteller begint met de stem van haar zoontje, met wat hij letterlijk zegt, zonder dat ze erbij zegt wie dat zegt. Dat lijkt ingewikkeld en overbodig, het is wat de vertelling doet.

Probeer iemand maar eens een verhaal te vertellen en begin dan met: ‘Mam, laat me nou.’ Met andere woorden: deze verteller wil zich verschuilen, wil iemand anders laten vertellen. Deze verteller zegt niet: ‘Mijn zoontje wilde dat ik hem met rust liet.’ Dan is de verteller dominant en vertelt ze mij zelf het verhaal.

Er werd tijdens de workshop vrij lang gesproken over het ‘los worstelen’. Dat is een vrij heftig werkwoord. Alsof er een gevecht gaande is. Alsof de ik-verteller dwang gebruikt. Dat is niet zo, dus waarom dan dat woord gebruiken en niet zoiets als ‘Levi glipt tussen mijn armen vandaan’?

De derde zin maakt duidelijk dat Levi een jongen is (hij) en dat hij zich dood geneert omdat er een vriendje bij is. Dat ‘zich dood generen’ vind ik een beetje een sleetse uitdrukking, die wel in onze taal voorkomt, maar vooral in spreektaal, dus vaak gericht aan iemand anders. In een gesprekje met overdreven toon. Deze ik-verteller richt zich in dit zinnetje nu dus wel direct tot de lezer, en er is uitleg over wat haar zoontje meemaakt: gêne. Ook dat werkt twee kanten op. De mogelijkheid voor de lezer om een andere invulling aan de scène te geven wordt weggenomen. Tegelijkertijd wordt de jongen, haar zoontje, beschreven met zijn vriendje die ‘voor de caravan van zijn ouders op hem staat te wachten, een leren voetbal in zijn handen’. 

De ik-verteller geeft in het heden veel informatie die de lezer (toehoorder) duidelijk moeten maken dat ze niet alleen zijn, dat ze op een camping zijn, dat er ongeduld is en dat de jongens willen gaan voetballen. Ook nog dat de voetbal van leer is, en daar wil een verteller vast ook iets mee duidelijk maken, maar dat heb ik overgeslagen. Waarom niet alleen ‘een voetbal’? Een leren voetbal zegt me dat dat vriendje kwaliteit gegund wordt, het is een echte voetbal, maar ook vertelt het dat de moeder van deze Levi oog heeft voor het materiaal van de bal op het moment dat haar zoontje wil gaan spelen.

De verteller begint als een ik-verteller die haar zoontje laat praten terwijl ze hem omhelst, iets wat die jongen moeilijk vindt of niet wil, maar aan het einde van deze eerste alinea is ze een beschrijvende verteller die duiding geeft over plaats, decor, materialen. Van verstoppen naar aanwezig zijn, dat doet deze verteller.

Zo zie je: ik behandel nu een eerste alinea van drie regeltjes in bijna vijfhonderd woorden. Dat ging aan het begin van die workshop zo een uur door, alinea voor alinea. Steeds ging het over de verteller en wat ze beschrijft, wie er bij haar zijn, welk verbond ze smeedt met de lezer, om daarna toch weer als personage door haar eigen verhaal te lopen.

In de tweede zin van de tweede alinea zakt de ik-verteller op haar hurken, ook al een vrij hard werkwoord, en noemt ze haar zoontje en ene Sander, die de lezer nog niet kent. Ik begrijp: dat is de vader. Ik vermoed dat moeder en vader uit elkaar zijn want een moeder met een moeilijk kereltje op een camping, dat lijkt sterk op gescheiden ouders. De kalmte waarmee de ik-verteller nu het zoontje beschrijft staat ver af van de worsteling die ze eerst beschrijft. In het heden, nadat de jongen zich losgerukt heeft, neemt de verteller tijd voor ogen en sproeten en wat de jongen van zijn vader en moeder heeft. Weer beschrijft ze.

Dan volgt een gesprekje. De ik-verteller doet een stapje terug, want ze voert zichzelf op als degene die spreekt, maar begint in deze vertelling met wat ze op dat moment zelf zegt: ‘Ik zie je over drie weekjes weer,’ met daar achteraan dat ze het zelf zegt. Ook dat is bijzonder: een verhaal vertellen en beginnen met wat je zelf zegt. Dan maakt de verteller van zichzelf twee vertellers: eentje is aan het woord tegen de lezer, de ander is aan het woord tegen haar zoontje.

Vergelijk wat er gebeurt als ze zegt: ‘Ik zeg mijn jongen dat ik hem over drie weken weer zie.’ Dat houdt de ik-verteller het woord en herhaalt ze niet letterlijk wat ze zelf zegt, of gezegd heeft, want het lijkt op een historische tegenwoordige tijd – een mooie vertelvorm in de tegenwoordige tijd waarin alles al gebeurd is. Moppen zijn vaak zo verteld: ‘Komt een vrouw bij de dokter, zegt die dokter…’ Dat is in het nu verteld, maar al achter de rug. En belangrijk: de verteller kent de afloop.

Een verhaal vertellen aan iemand (de lezer) betekent soms beschrijven: caravan en vriendje, maar ook vertellen wat er in het nu gebeurt. Als de ik-verteller dan vanuit het niets een gesprek weergeeft, of in feite letterlijk herhaalt, dan maakt ze van zichzelf een personages dat losstaat van de verteller. Ze wordt een camera.

Daarna volgt het dramatische, en in twee alinea’s opgedeelde: ‘Drie weken. Zo lang waren we nog nooit van elkaar gescheiden.’ Dat is weer informatie voor de lezer die op zich niets met het gesprekje tussen verteller en zoon te maken heeft. Deze ik-verteller zit in een dialoog met haar zoontje, en stapt daar dan weer uit om de lezer aanvullingen te geven.

‘Je vader haalt je volgende week op…’ Dat is voor mijn gevoel al genoeg. Ik weet wie dat zegt, maar weer is de ik-verteller nu alleen personage. Stel je voor dat je in de kroeg of op de markt iemand het verhaal verteld over het afscheid van je zoontje in de vakantie en de vader die hem komt halen. Dan zeg je: ‘Nou, ik kon hem wel even troosten. Ik zei hem dat zijn vader hem zou komen halen, en dat ze naar opa en oma zouden gaan. Dat haalde hem over.’ Ook een erg lange zin, maar wel een zin die de lezer vertelt wat de verteller meemaakte. Dat kan in de tegenwoordige tijd ook. Nu staat de dialoogzin los, zonder dat de verteller aangeeft dat zij dit zei (wat niet hoeft, maar wat dus wel vragen oproept). De verteller ontneemt zichzelf de rol van verteller.

Het vervolg, ‘en dan gaan jullie fijn samen naar het huisje van opa en oma in Zeeland’, is vrij lang en ook vol informatie die eigenlijk voor de lezer bedoeld is. De verteller en het jongetje weten dat hij naar opa en oma zal gaan. De verteller vult aan dat het fijn is om daarheen te gaan, dat het een ‘huisje’ is, dat het in Zeeland is. Allemaal zaken die het zoontje wel weet en amper verschil maken. Waarom zegt de ik-verteller niet kort: ‘Volgende week ben je met papa bij opa en oma’? Dat moet voldoende argument zijn. Dat stelt hem wel gerust. Maar dan weet de lezer een heleboel zaken niet, en dat moet deze ik-verteller nog wel even kwijt. Anders vraagt de lezer zich af waar dat arme jongetje al die weken heen zal gaan. En dat zijn vragen die een lezer blijkbaar niet mag hebben.

Dus het zoontje wordt bestookt met informatie die voor hem een open deur is, omdat de lezer door de ik-verteller bediend moet worden. Met andere woorden: aan het begin van de dialoog is de ik-verteller verdwenen want ze herhaalt lukraak naar de lezer toe wat ze zelf zegt, maar aan het slot van deze dialoogzin is de verteller erg aanwezig want ze geeft de lezer handige, bijna praktische en geruststellende info, waarbij het jongetje gewillig toehoorder is.

Met ‘Weet ik toch al’ geeft de schrijfster aan dat het zoontje ook wel door heeft dat het allemaal een beetje veel informatie was, en de schrijfster weet het ook. Direct trekt de verteller zich weer terug in zichzelf, want ‘als vanzelf gaat mijn hand naar een weerspannige pluk haar’.

Dat is heel bewust een detail beschrijven en tegelijk aangeven dat de handeling vanzelf gaat. De ik-verteller zweeft boven zichzelf en heeft als personage niet door wat ze doet, maar als verteller wel. In die spagaat zit deze vrouw.

‘Halverwege bedenk ik me,’ voegt ze er ook nog aan toe. Het personage bedenkt zich, niet de verteller, dus ze is weer terug in het nu. Ze verloor zich even in haar gedachten.

‘Veel plezier lieverd,’ zegt ze nog. Het is duidelijk dat ze het tegen haar zoontje heeft, maar als verteller houdt ze geen controle want nu weer herhaalt ze wat ze zelf zegt.

‘Ik kijk hem na…’ Dat is even een moment van rust. De jongen loopt weg en nu kan de ik-verteller gaan beschrijven, en dat doet ze ook: ‘… opgetrokken schouders, de quasinonchalante tred waarmee hij zijn onzekerheid probeert te maskeren.’ Een vrij lange zin met moeilijke woorden waarmee de ik-verteller haar zoontje neerzet. De opgetrokken schouders maken de jongen wat hoekig, maar dat zie ik wel voor me. Ik weet niet hoe oud het jongetje is, ik denk een jaar of zeven. Hij heeft een vriendje en een voetbal. Ik weet niet of jongens quasinonchalant zijn, en al zeker niet om iets te maskeren. Jongens hebben een houding, dat zeker, maar hier vertelt een moeder me dat haar zoontje bewust zijn onzekerheid probeert te verbergen. Jongens kunnen onzeker zijn en nemen een houding aan, iets proberen te maskeren is doortrapt.

‘Naast me spitst Duifje zijn oren.’ Er is nog iemand! Het is een man die Duifje heet: zijn oren. Leuk en ook wat vreemd. Het zet aan tot verder lezen, het blijkt een hond. De mannetjeshond met de meisjesnaam wil met de jongens mee, maar zit vast. Dat is een mooi beeld. ‘Zachtjes begint hij te piepen.’ Dat is een zinnetje vanuit deze ik-verteller, dat een beschrijving geeft en een beeld en de situatie, alles bij elkaar. Een bijzonder sterk zinnetje.
‘Ik streel hem over zijn brede rug. We hebben iets gemeen…’

Hier eindigt de actie en ook mijn lezen, want ik denk: deze moeder en ik-verteller heeft ook een brede rug. Dat blijkt anders in elkaar te zitten, maar de suggestie was er wel eventjes. Gelukkig weet de ik-verteller gauw uit te leggen dat het een labrador is en dat hij van Bastiaan is. Dat is het vriendje.

Daarna gaat de ik-verteller los over haar zoontje en over zichzelf. Onderaan deze eerste bladzijde van hoofdstuk 1 wordt ze nu echt een verteller die de situatie waar ze zelf in zit een moment lijkt te vergeten. Ze mist de momenten dat het jongetje aanhankelijk was. ‘Toch mis ik stiekem…’ Het woordje ‘stiekem’ vertelt veel. Ze gaat zeven regels door over haar gemis, een beetje klagerig, maar ze geeft nog wel aan dat ze haar jongen stiekem mist. Ook hier is er een verbond tussen verteller en lezer, alsof de verteller de lezer wel meegeeft dat ze die jongen mist, maar andere personages niet.

Dan wordt er vanuit het niets ‘Iris?’ gezegd. Door wie? Die vraag wordt aansluitend beantwoord: Bo. Ik heb nog geen idee wie Bo is en waarom ze zomaar begint te roepen. Ik krijg wel het idee dat de schrijfster hier wil laten vallen dat de vertelster en hoofdpersoon Iris heet. Dat kan gemakkelijk door een ander personage even op te voeren, die ‘Iris’ aanspreekt. Maar die Bo was dus al de hele tijd bij Iris in de buurt. Ik heb haar in ieder geval niet aan zien komen lopen, en de ik-persoon ook niet. Waarom vertelt ze eerst wel dat ze een zoontje bij zich heeft, en een hond en een vriendje, en opeens is daar ene Bo waar ik nog niks over gehoord heb, maar die er wel was? Negeerde ze Bo?

Dat gebeurt verderop nog een keer, als plots Maarten geïntroduceerd wordt, en die Maarten is helemaal bijzonder. Waar Bo nog contact zoekt met de ik-verteller en haar als een yoga-juf probeert te laten ademen, zegt deze voorheen onzichtbare Maarten na wat gekibbel tussen Bo en de ik-verteller over de hond in een tentje, wat gedachteloos strelen van de hond (weer een handeling zonder gedachte die wel opgemerkt wordt door de vertelster zelf, bijzonder bewust en tegelijk onbewust) en wat hoofdschuddend gegrinnik, opeens: ‘Die jongens gaan geen oog dichtdoen…’

Opeens is Maarten er. Hij mengt zich tussen de ik-verteller en Bo, maar ook neemt de ik-verteller, die hem tot nu toe net als Bo steeds negeerde, wel over wat hij zegt. Het speelt dus wel een rol.

Dat klopt. Deze Maarten is belangrijk omdat hij aan kan geven dat de auto waar de ik-verteller, en nu komen we bij het verhaal, een barrel is. De dialoog kabbelt wat voort, zonder dat de ik de lezer het vertelt, maar letterlijk weergegeven, en er moet een afslag gepakt worden naar de reis die Iris gaat maken, en haar auto. In een erg lange dialoogzin maakt Maarten duidelijk dat de auto niet heel betrouwbaar is, als een kenner, en daarbij: ‘Je moet er toch niet aan denken dat je als vrouw alleen met zo’n barrel langs de weg komt te staan.’

Ik voel meteen: Maarten is de psychopaat. Ik weet niet of dat klopt, maar deze zin is opgeklopt en eng en zal Iris niet echt geruststellen.

‘Ik kijk hem gealarmeerd aan.’

Gelukkig is ook de hoofdpersoon doordrongen van de ernst van de zin van enge Maarten. Ze heeft een vreemd plan: met een oud brik ver weg gaan. Waarom Maarten niet eerder iets geeft gezegd over de gevaren en zijn twijfels is onduidelijk. Hij weerhoudt Iris in ieder geval niet van haar plan. Het is alsof hij de krant leest en kinderen, hond en vrouwen wat rondhangen bij de caravan, en hij even een irritante aanvulling geeft over het plan van Iris.

Hij zegt ook dat je ‘als vrouw’ niet langs de kant van de weg moet komen te staan. Dat soort situaties zijn voor mannen en vrouwen niet prettig, deze Maarten suggereert dat het voor een vrouw gevaarlijker is. In feite zegt hij tegen Iris: Jij gaat verkracht worden. Om daarna weer verder te lezen in de krant die hij gevoelsmatig in zijn handen heeft.

Het kan ook zo zijn dat de ik-verteller zijn stress terzijde schuift, want ook na zijn waarschuwing begint Iris aan een verhandeling over haar reis, die ze toch van plan is te gaan maken. Ze strooit weer met informatie: naar Portugal, erg lang rijden, naar haar moeder en vriend, en ze is bang want ze heeft nog nooit in het buitenland gereden en nooit alleen. Ik weet niet hoe Iris met haar zoontje op de camping is gekomen, maar misschien reed ze met haar zoontje daarheen (of ze zat bij Maarten en Bo in de caravan en die oude auto stond daar al ergens, maar autorijden met een kind is enger en verantwoordelijker dan alleen rijden. Doet er op zich weinig toe, Iris neemt flink het woord en trekt op een geven moment de alinea’s uit elkaar:

‘Alles is geregeld.
Er kan niets mis gaan.’

De ervaren thrillerlezer weet: dat gaat mis. Maar deze verteller kruipt nu weer helemaal in haar schulp, alsof plaats en tijd er helemaal niet meer toe doen. En de lezer die ze eerst netjes van informatie over het huisje van opa en oma in Zeeland voorzag is ze ook vergeten. Ze geeft nu niet alleen informatie: ‘er kan niets misgaan,’ maar ze geeft ook suggestie.

Dus even voor de goede orde: we hebben hier een ik-verteller, tevens hoofdpersoon en moeder, die de reis zonder haar zoontje nog moet gaan maken en die de lezer aan het handje mee zal nemen, maar die ook spanning oproept bij de toehoorder over de risico’s die ze zelf loopt. Let op de verschillen tussen hoofdpersoon en verteller, tussen slachtoffer zijn en voorspelling. Let ook op de verteller die wel de spanning al aankondigt maar de afloop nog niet weet. Is ze helderziend? Wil ze eenvoudigweg de lezer een spannend verhaal over zichzelf meegeven? Of is dit een alwetende verteller vermomd als vrouwelijke hoofdpersoon?

Veel vragen. Bo is er om de gedachten van Iris en van de lezer te doorbreken.
‘Heb je er zin in?’ vraagt Bo.
Bo brengt luchtigheid, alsof ze de toon van een damesblad terug wil brengen. Een reisje maken, dat is leuk. Ondanks dat haar man bangmakende opties opdreunde.

Iris weet dat, waardeert dat, en wordt persoonlijk. ‘Het is heel gek…’ Ze kan zich niet voorstellen dat ze straks in Portugal zit. Ze kan zich zelfs niet voorstellen dat ze daar helemaal heen zal rijden. Het voelt als een slecht voorbereide reis in Ik vertrek, met de twijfels van een moeder. Waarom doet ze dit? Afscheid nemen van haar zoontje, alleen op reis gaan? Al die enge dingen ondernemen?

Op die vraag stuurt het eerste hoofdstuk aan, want in de laatste zinnen verandert Iris van een onzekere twijfelaar in een zelfverzekerde vrouw die zichzelf toespreekt. Ze was zo lang afhankelijk van allerlei mensen en dat wil ze niet meer. Ze wil weten wie ze is, wie ze wil zijn en wat ze kan zijn. Dat ‘kan’ cursief gedrukt staat is ook een suggestie voor de lezer: er gaat iets gebeuren. Iris onderschat zichzelf. Ze kan echt van alles zijn, maar ze weet het nog niet. Ze vertelt het echter al wel, in de derde persoon, over zichzelf, Iris van der Steen, met haar achternaam erbij, alsof ze zichzelf eraan wil herinneren wat ze gaat doen, en hoe ze ook alweer heet.
‘Daar wil ik deze zomer achter komen.’

Einde van het eerste hoofdstuk. Deze Iris gaat het doen: een avontuur beleven én een avontuur vertellen. Het vertelmotief schuilt in de zoektocht naar zichzelf. Duidelijk. Het is inderdaad alsof ik een glossy lees. Daarin zijn zoektochten naar je eigen ik heel gewoon. In een vertelling is een ik die zichzelf in iedere zin zoekt en kwijtraakt echter wat vreemd. Of niet? Misschien zegt juist dit iets over het wisselen van verteller naar personage en andersom. Dat is misschien wel heel gewoon. Iets doen, en tegelijk vertellen dat je het doet en daarbij zoeken naar waarom je het doet, en dat met andere personages om je heen die je soms wel ziet en soms niet, en die soms wel een rol spelen, als jouw vertelling dat nodig heeft.

Het was een bijzonder uur tekstanalyse. De aansluitende opdracht voor de workshopdeelnemers was: schrijf deze passage, met een moeder en een zoontje op een camping en het afscheid nemen, vanuit een derde persoon. Liefst vanuit een filmcamera, totaal beschrijvend, zonder duiding en invulling. Dan gaan we straks kijken wat er dan van deze scène overblijft.

Dat hebben ze gedaan, om daarna nog een keer de scène te herschrijven vanuit het jongetje. Ook interessant.

Prometheus gaf Façade uit.