Erik Lindner liep op zijn veertiende weg uit een biologieles op het Haags Montessori Lyceum en lifte naar Parijs. Later zou hij er een tijd wonen en dichtersbijeenkomsten organiseren. Hij verbleef in Athene, Marseille, Montreal en Taipei en nam deel aan verschillende festivals. Poëzie is nergens hetzelfde, zoveel wil hij onderhand vaststellen. Voor De Revisor houdt hij zijn indrukken bij en geeft een kijkje achter de schermen.

*

‘My poetry is not important,’ zegt de Turkse jongen aan tafel tegenover me. En dan, nadat hij even stil is, ‘but I’m a good poet’.

In een achterafstraat duwt een man een handkar voor zich uit en roept. Op de kar liggen broodjes onder een vierkante glazen stolp. Verderop staat een open wagen met tomaten, uien en een luidspreker. Op een hoek ligt een stapel brandhout. In de winkel wikkelt de verkoper het doosje met de tube tandpasta in een rechthoekig stuk krantenpapier. Hij loopt naar buiten en legt een brood in een emmer die meteen omhoog wordt getrokken.

In het publiek van de eerste bijeenkomst van het festival, zit ik naast een ontstellend grote en lange man. Hij buigt zich naar me toe. ‘You are a Boerk,’ zegt hij. ‘And I am a Turk’.

Daniël Stork, cultureel attaché, zegt in zijn inleiding dat poëzie wel maar andere kunstvormen niet altijd te transponeren zijn naar Turkije. Tegelijk met het International Istanbul Poetry Festival is de Biënnale aan de gang. Stork verduidelijkt later dat een Turkse vader niet zo snel ongerust zou zijn als zijn dochter met een dichtbundel in haar handen zit.

Een van de gasten van het festival is een vrouw met een hoofddoek. Als ze een kop thee krijgt, begint ze daar luid met een lepel in te klingelen. Door de vorm van het glas klinkt het als een belletje.

In het Cartoon Hotel staan wassen beelden van stripfiguren in de hal. In de gangen en de kamer hangen stillevens, zeven sinaasappelen op een schaal met daarop, onder de glasplaat, een sticker van een naar beneden vallende Donald Duck. In de ontbijtzaal lopen obers rond met stropdassen met Goofey en Micky Mouse erop. Er hangt een televisie waarop Tom & Jerry achter elkaar aan rennen. Er zitten grote Afrikaanse en Aziatische families te eten. Op de negende etage is er het restaurant Evita. In de lift klinkt voortdurend ‘Don’t cry for me Argentina’.

Na de voordracht in het Italiaanse Instituut, komt een jongen op me af. Hij geeft me een briefje en loopt weg. Het briefje is in het Turks. Als ik later aan een van de organisatoren vraag om het te vertalen, blijkt het een aanbeveling. Op het briefje staat dat ik het werk van Ahmet Haşim moet lezen. En als ik het gelezen heb, dat ik er dan erg van moet houden. De organisator is onzeker over zijn vertaling. Ik zeg dat ik het heb begrepen.

Op de bruggen staan vissers. Aan de waterkant zijn kleine winkels met ijzerwaren. In de Egyptische Bazaar vallen de okeren kleuren van de kruiden samen met het oker van het steen.

De diners zijn het moeilijkste van een festival. De welwillende conversatie, de familiaire grapjes van dichters die een paar dagen met elkaar optrekken. Bogomil Gjuzel vertelt dat hij Hans Faverey gekend heeft. Hij kwam graag naar Macedonië, naar het Struga-festival. Net als Paul Snoek.

In de Hammam ruikt de zeep naar afwasmiddel met citroen.

De Koraanschool bij de Blauwe Moskee heeft een bordje bij de ingang: House of Poetry. Door een reep in het dakraam zie ik kleine bessen tegen de muur groeien. De jongen van het briefje zit opnieuw in het publiek en knikt.

Het is een klein festival in een enorm grote stad. De voordrachten zijn telkens op verschillende locaties. De organisatie heeft moeite de dichters niet kwijt te raken. Bij de opening belooft de burgemeester van Istanbul meer geld voor volgend jaar.

Bij ieder festival zijn er kortstondige vriendschappen. Dichters die net even anders zijn dan de doorsnee festivalgangers. Die om de hele bedoening kunnen lachen. De Italiaan Christian Sinicco. De Slowaakse Katarína Kucbelová.

Ik neem alleen de pont naar Üsküdar en ben een half uur in Azië.

Als we naar de grote bazaar gaan, duikt daar de moeder van de Italiaan op.

Op de dag van vertrek is er een boottocht. Iedereen leest voor op de Bosporus. Als er geen dichter achter de microfoon op het dek staat, blaast de wind er tegen aan en klinkt er een wapperend geluid.

De jongen van het briefje is er opnieuw. Met een tolk komt hij naast me zitten. Hij wil me een gedicht van Ahmet Haşim voorlezen. Het is een plechtig moment. Ik zie dat hij naast het gedicht potloodaantekeningen heeft staan. Het gedicht is oud Turks, hij heeft het voor zichzelf moeten verduidelijken.

Vlak voordat we de Zwarte Zee bereiken, keert de boot.

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten? Vandaag probeert hij te doorgronden hoe hij gepakt en meegesleept werd door Peter Buwalda’s Bonita Avenue. ‘“Jij hebt die foto gemaakt,” zei de man. Of was het een vraag?’ Over vaststellingen en vragen en kantelpunten.

Ik probeer met afstand te lezen, om een afgewogen oordeel en een degelijke analyse mogelijk te maken, maar ik wil me ook laten onderdompelen, laten overtuigen, want dat is de ware leeservaring. Die leesmanieren lopen parallel, maar in de meeste boeken zit er een kantelpunt, waarbij het objectieve lezen plaats maakt voor de subjectievere manier. Het moment waarop je gepakt wordt en meegesleept, dat werk.

Nu heb ik met Bonita Avenue, dat meermalen genomineerd is voor grote prijzen, en momenteel nog in de race is voor de NS Publieksprijs, de AKO Literatuurprijs en de Academica Literatuurprijs, kennisgemaakt als boekverkoper. Vanwege een optreden van de auteur, Peter Buwalda, bij het Haarlemse filiaal van Athenaeum Boekhandel, zette ik een uitgebreid fragment op Athenaeum.nl. Pas later ben ik het boek echt gaan lezen, en ik had daar geen enkel professioneel doel mee: het was zo’n boek dat mag, voor tussendoor. Ik las het voor de lol, maar mijn criticus-ik las mee. Die ergerde zich meteen aan de uitgebreide beschrijving van een schoonvader. Die uiterlijke details, die uitgewerkte verklaringen, wat moet ik ermee?

‘Siem Sigerius was een gedrongen, donkerbehaarde kerel met een stel oren waarnaar je meteen moest kijken; ze waren kroppig, ze leken gefrituurd, en omdat Aaron gejudood had wist hij dat het bloemkooloren waren. Je kreeg ze van stugge mouwen van ruig katoen die er almaar langs schuurden, door de schelpen steeds weer te laten opfrommelen tussen harde lichamen en ruwe matten, er hoopte zich bloed en pus op tussen het kraakbeen en de babyzachte huid. Wie daar niets aan deed bleef zitten met verharde zwellingen en bulten.’

En even later:

‘Sigerius’ oren bewogen kort. Zijn kroezende haar zat viltig kortgeknipt op zijn platte, brede hoofd. Hoewel hij gekleed ging in kostuums of corduroy broeken en poloshirts van Ralph Lauren, de tuniek van de werkgever, van de arrivé, zou je hem op grond van die oren en dat buffelachtige lichaam niet inschalen als iemand die leiding gaf aan een universiteit, laat staan dat je zou geloven dat hij gold als de grootste Nederlandse wiskundige sinds Luitzen Brouwer. Een man met zijn fysiek verwachtte je in de bouw, of ’s nachts aan de snelweg in een fluorescerend hesje achter een bak met teer.’

In hoeverre is deze beschrijving anders, beter dan Mörings clichégedreven ‘kettingrokende vvd’er in blazer en grijze flanellen pantalon’? Mij maakt het niet uit hoe iemand eruitziet. Toch is die eerste reactie, moet ik later toegeven, voorbarig. Eigenlijk gaat het niet om de oren, de haren en poloshirts, maar om de contrasten die Buwalda erbij noteert. Dit is een tegenstrijdig, of in ieder geval complex personage. Er is iets met deze man. En bovendien werd mijn lezer-ik al meegelokt door de zinnen ervoor en erna. De eerste zinnen van dit boek roepen vragen op, die pas pagina’s later beantwoord worden (overigens zijn deze passages allemaal in die Athenaeum-voorpublicatie te vinden).

‘Toen Joni Sigerius hem op een zondagmiddag in 1996 meenam naar de woonboerderij van haar ouders om hem officieel voor te stellen, gaf haar vader hem een hand die hem aan de stevige kant leek. “Jij hebt die foto gemaakt,” zei de man. Of was het een vraag?’

Een vaststelling, of een vraag – maar wat voor vraag dan? Het antwoord – na de korte excurs over judo-oren – is ontwijkend, en dat is het begin van een patroon.  ‘Om te verbergen dat hij onder de indruk was, antwoordde hij: “Ik maak aan de lopende band foto’s.”’ De ongemakkelijke verhouding tussen schoonzoons en schoonvaders. Niets bijzonders. Maar deze schoonvader is dat wel, en met die schoonzoon is ook van alles, maar dat blijkt even later. Elke pagina die hierop volgt, refereert Buwalda wel naar die foto, maar hij vermijdt het antwoord op die vraag, hij vertelt vooral over deze Siem Sigerius, ooit een briljant judoka, een kanshebber op Olympisch metaal, vervolgens een wiskundige op wereldniveau die de rector van een universiteit in Enschede wordt. Pas drie boekpagina’s later wordt het duidelijk wát voor foto het is. Een naaktfoto.

‘De rattenvanger van Tubantia in zijn blote lul. Hij zei: “Goed werk,” en liet Aarons hand los.’

En dan hóé die foto tot stand kwam. Dan weet je het, en met een witregel – het zoveelste kantelpunt – blijkt dat je nog helemaal niets weet. Dit gesprek vond in een ver verleden plaats, en er is heel veel gebeurd.

‘Dit alles schoot door Aarons hoofd toen hij de vrouw tegenover hem herkende. Ondanks haar metamorfose wist hij ogenblikkelijk wie ze was. Op de plaats schuin tegenover hem, naast een meisje in het steenrode pakje van een of andere winkelketen, zat Joni’s moeder. Een stroboscopisch wit licht van schrik verblindde hem, en dat licht moest een optische bundeling zijn van ongeveer deze herinneringen.’

Hoe je je dat ‘stroboscopisch wit licht van schrik’ moet voorstellen – een oprisping van mijn kritische ik -, dat vergeet je al snel. Want even later breidt Buwalda die schrik uit: ‘Aarons eerste reflex was vluchten, wegwezen […]. Zijn lichaam gedroeg zich of het in blinde paniek een steile heuvel op stormde. Zo zat hij minutenlang, transpirerend, snel ademend, zichzelf tot rust manend, in afwachting van de confrontatie.’

Er is even veel mis met deze Aaron als er speciaal is aan zijn schoonvader van destijds. En alles, werkelijk alles in deze eerste paar pagina’s straalt uit naar de rest van het boek. Als een stroboscoop. Of, eigenlijk, als een onverklaarbare pijn ergens in je lijf, in je geslacht. En telkens zal Buwalda een kantelpunt inbouwen. Het wordt erger, viezer, gênanter, maar je wílt het weten.

Al wil die andere lezer nog begrijpen waarom dan, hoe, al heeft die een schuldgevoel, dat ik toegeef aan de lekkere trek van een fastfoodlezer, terwijl ik nog niet weet of dit Big Mac of driesterren-risotto is, De Da Vinci Code of literaire prijzenmateriaal, ik lees door.

Maar het gaat niet om complotten en moorden, het gaat om hoe mensen met elkaar omgaan, schoonvaders en -zonen, maar ook vaders en dochters. Een hoofdstuk later, ná het online gepubliceerde fragment, vinden we Sigerius terug op een receptie. Hij ziet zijn dochter. Maar wat ziet hij?

‘‘Dan ziet hij het. Het donkerbruine, Siberische mutsje boven Joni’s gezicht herschikt iets in zijn geheugen. Blijkbaar produceert zijn mond een geluid, want de vrouw in wier oor het terechtkomt deinst terug. Hij gaat rechtop staan, knikt haar afwezig toe, spert zijn mond open en klapt hem weer dicht. De gelijkenis die hij meent te zien dringt zijn bewustzijn binnen als iets heets, als een vloeistof die hem probeert uit te schakelen. Kokend lood. Hij is duizelig. Het fenomenale vermogen van het brein om gezichten te herkennen, zonder moeite, zonder haperen. Het heeft hem altijd gefascineerd, maar nu vermoordt het hem. Het is niet eens herkenning, het is op alle fronten méér. Wat hij gewaarwordt is… identificatie. De aandachtige blik van Joni, vijf, zes meter bij hem vandaan, de donkere bontmuts waarvan de rand over haar gladde voorhoofd loopt zodat hij haar voor het eerst ziet als brunette. De steviger dan gewoonlijk aangezette make-up, de gestifte lippen die van concentratie iets wijken. Al haar trekken, de brede ongereptheid van haar krachtige, zelfverzekerde gezicht, alles wat samen het signalement van zijn dochter bepaalt, schuiven over dat ándere gezicht, een gezicht dat hij in zekere zin óók kan dromen — totdat het “klik” zegt in zijn transpirerende hersenen. Ze is het.

Wat? Wie? Het is om razend van te worden – Buwalda geeft geen enkele aanwijzing, hij maakt het Sigerius praktisch onmogelijk om deze identificatie te bevestigen, en pas als hij daartoe gelegenheid heeft, begrijp je er iets van. Iets. Buwalda excelleert in vertraging, op een A.F.Th.-achtige manier, door details, door analyse. Hij zegt alles wat je op dat moment moet weten, en hij rekt die categorie op – de fysieke reactie van de rector magnificus, wat doet dat ertoe? Haar make-up, wat moeten we eraan herkennen? -, hij maakt het allemaal veel belangrijker (die cursivering van die laatste zin, gecombineerd met de leegte van die mededeling!) en laat tegelijk iets weg. Maar wat? Dus lees je door, je nieuwsgierigheid krijgt alsmaar urgentere, preciezere en schaamtevollere vorm, ze worden beantwoord, elk detail valt op zijn plaats, maar ze roepen nieuwe vragen op, en Buwalda stoomt voort naar het volgende demasqué. En je kan jezelf niet helpen, je bent niet meer de lezer, maar die man op die foto, je voelt je aangevallen, geconfronteerd met je diepere, duistere ik, je leugenaar, geweldenaar, pornoproducent en -consument. Ja, je weet nog helemaal niets – over jezelf. Je stond al die tijd in je blote lul.

Lees dat boek. Geef die man een prijs.

(Waarin de dolende ridder op een marktplein een gestameld stemadvies uitbrengt en eenmaal afgedropen beseft dat voorlezen had volstaan.)

N.B. Stemmen kan op de Academica Literatuurprijs en de NS Publieksprijs.

Gilles Boeuf (Parijs 1970) is de zoon van een Nederlandse moeder en een Frans-Russische vader. Hij studeerde filosofie in Leiden en Fotografie aan de Fotoacademie in Amsterdam. In 1998 debuteerde hij met Gedichten (Perdu). Dit debuut werd in 2002 gevolgd door In het groene licht (Meulenhoff). In 2006 verscheen zijn derde poëziebundel, Verte (BnM). Over de geschiedenis van zijn familie schreef Gilles Boeuf samen met zijn zus een kinderboek, verschenen in 2010, getiteld: De laatste prins (Witte uitgeverij, 2010).

*

Spoor

De man van het huis aan het spoor
loopt door het veld, er is
een spoor van het huis naar
de hut en een spoor van de
nachttrein langs het huis

De man volgt het spoor door het
bos, houthakkers hebben stapels
gemaakt en de jagershut kan
een schuilplaats zijn

Voor een dier, voor de man
van het huis zoals huizen zijn:

Slapen, opstaan, voedsel
Vuur met het water dat
schoonwast, van alles
ontdaan

’s Nachts is de trein de verte
die nadert, een ander huis
dat wacht en niet wacht

 

Zachtheid voor de gevallenen

We zagen rook vanaf het weiland

De heuvel, tegenover ons in een zachte waas,
kwam samen met de grijze rook en
de natte takken van de bomen

Wanneer we staan of liggen of de peren
uit het gras oprapen, de heuvel in
onze rug of voor onze ogen staat:

er is haast in dit verhaal tegenover
de heuvel, er is een geleide val
van de heuvel naar ons

Wij voelen dat in onze rug
bij het aanraken van het vochtige gras

Wanneer je gras plukt of de peer eet
die zich aanbiedt, steeds wijkt iets terug
maar zonder tranen

Jacobus Bos debuteerde in 1969 met de verhalenbundel Ik gavoor niemand uit de weg. In 1974 ontving hij de Anna Blaman-prijs. Zijn eerste dichtbundel heet Mijn blauwe evenbeeld en is in 1988 genomineerd voor de eerste C. Buddingh’-prijs. Daarna verschenen nog vijf bundels, waarvan Veilig is het nergens (Wereldbibliotheek, 2010) de recentste is. Hij publiceerde in diverse literaire tijdschriften, waaronder De Gids en De Revisor.

*

Oorvijg uit de hemel

Krijg een oorvijg uit de hemel.
Voel of ik overal nog heel ben.
Of mijn haren in brand staan.
Of mijn ziel ergens zweeft.

Een vogel vliegt ondersteboven
over de wolken in het water
waar ik aandachtig naar staar.

De dobber houdt zijn adem in.
Een schicht van staal en zilver.
De schaduw van een kikvorsman
die schreeuwend uit het water breekt.

Sta op de kade en wacht
op een schip dat uren eerder al
de haven heeft verlaten.

Steel een boot en roei de zee op
als een ware Engelandvaarder.
Weken later spoel ik aan op Tenerife.
De zon gaat bloeddoorlopen onder.

 

Uit het ongerijmde

Is het buitensporig als ik hier omkeer.
In dit woud van kinderstemmen
waar het zuiverste water
bruist van list en verraad.

Alsof er geen grond is voor argwaan
om wat ik meedraag
in de grot van mijn hart
waar de vuurspuwer zich verslikt

en het geluid maakt van een piano
die in vliegende vaart
het ravijn in wordt gereden
waar het eeuwig oorlog is

tussen de herder en zijn schapen
enerzijds en de hond Bobbie
die geen tegenspraak duldt
met de verte zo dichtbij.

De waterval van de twee schavuiten
buiten beschouwing gelaten
evenals de wartaal van de koortsige
monnik die steeds in de lach schiet.

Ilse Starkenburg (1963) debuteerde in 1990 met de dichtbundel Verdwaald ontwaken. Ze won het Charlotte Köhlerstipendium en publiceerde een verhalenbundel, De blinde vlek op de kaart (1998). Ze stelde het boek Louis Lehmann als Homo Universalis (Slibreeks) samen en schreef er een voorwoord voor. In totaal publiceerde ze tot nu toe vier dichtbundels, waarvan Gekraakt klooster (2007) de meest recente is.

*

de bloemen had ik net weggegooid

ze kwamen niet uit pas met
de stank van hun stengels kwam
een oude bekende
zonder sleutel het huis binnen

hij zei niets maar mijn vingers
gingen stinken alsof hij mij
een hand had gegeven, nu ik
niet meer alleen rook naar mezelf

was er hoop: als er stank bestaat
bestaat er ook niet stank -roos en
lelie, boterbloem- zelfs een vertrouwde
geur is beter dan niemand, ik zou

je nog een keer een oliebol
willen zien eten, poedersuiker
knoeien op je winterjas
waaronder kleine beentjes

voorzichtig zette ik de ramen
tegen elkaar open om het door
te laten waaien maar het verlangen
vast te houden een nog lege vaas

aandacht

nu geef ik je mijn aap
hij is nog nooit gestorven
hij is nog nooit geboren
nu geef ik je mijn aap
alsof je bent geboren
in plaats van dood te gaan
nu geef ik je
nog een moment
erbij mijn aap was
niet meer van mij

In het laatste nummer van 2009 van De Revisor hield Bertram Mourits een betoog dat anderhalf jaar en twee Boekenweekgeschenken later nog steeds hout snijdt. Over Nederland Leest, Boekenweekgeschenken, gratis en goedkoop, literatuur en niche, en gezag.

Uit het rijke archief van De Revisor: ‘Nederland leest wat het al gelezen heeft’.

*

De eerste lezers van Oeroeg hadden geen idee wat ze lazen: voor hen was het een anoniem boekje met een onduidelijke titel. Het begon zijn carrière in de Nederlandse letteren als Boekenweekgeschenk – jarenlang was aan het geschenk een prijsvraag verbonden: het boekje werd anoniem verspreid, met de vraag: wie is de schrijver? Slechts een paar honderd mensen hadden in 1948 de naam van Hella S. Haasse aangevinkt op het wedstrijdformulier.
Drie maanden geleden was het voor de tweede keer dat de cpnb Oeroeg massaal gratis uitdeelde onder het Nederlandse lezerspubliek maar de verschillen met de eerste keer kunnen nauwelijks groter zijn. Het debuut van Haasse is een klassieker gebleken, het is klein genoeg om menig leeslijst op de middelbare school op te sieren en de auteur heeft daarna nog zoveel van belang geschreven dat haar naam steeds steviger is gevestigd: Oeroeg is niet meer weg te denken. Nederland leest, maar iedereen die in Nederland wel eens een boek leest, kent Oeroeg al of weet dat hij het zou moeten kennen.
In de huidige literaire situatie zou Haasse nooit meer op deze manier aan haar carrière begonnen zijn. Willy Corsari was in 1948 een veel logischer keuze geweest, de huidige maatstaven in acht nemend.
Het is niet meer voor te stellen dat het Boekenweekgeschenk geschreven zou worden door een anonieme debutant. Het schrijven van dat boekje is namelijk slechts een van de taken van een boekenweekauteur. Minstens zo belangrijk is de marketingtournee die in die week afgelegd moet worden: de sterauteur als wandelende reclamezuil voor het literaire boek tijdens de tien feestdagen. En het geschenk is allang niet meer bedoeld om lezers voor te stellen aan een nieuw literair talent, maar om zoveel mogelijk mensen naar de boekhandel te lokken. Dat doe je niet met een prijsvraag en een wedstrijdformulier, dat doe je met bestsellerauteurs.
Dit veranderde beleid van de cpnb is typerend voor de manier waarop het literaire werk tegenwoordig aan de lezer wordt gebracht. Wie nu aan een roman begint, staat mijlenver af van de eerste lezers van Haasses debuut. Vrijwel niemand zal nog een boek lezen zonder te weten waar hij aan toe is. Niet alleen omdat het nauwelijks mogelijk is om zonder voorkennis een boek open te slaan – elk potentieel succesnummer gaat vergezeld van een multimediaal bombardement aan informatie – maar ook omdat geen lezer nog wil beginnen aan een boek zonder een verwachtingshorizon. Een debuut lezen omdat je nieuwsgierig bent naar wat de toevoeging ervan voor de Nederlandse letteren zou kunnen behelzen, gebeurt domweg niet langer of het zou door beroepslezers moeten zijn.
Dit alles past keurig binnen de cultuurpessimistische sfeer waarin over het droeve lot van literatuur wordt geschreven: literatuur heeft haar relevantie verloren, de literaire cultuur gaat ten onder, het literaire tijdschrift is een couveusekindje dat alleen met een subsidie-infuus in leven wordt gehouden, de literaire roman wordt verdrongen door de literaire thriller en wie leest er in ’s hemelsnaam nog poëzie?
Ook het feit dat literaire tijdschriften het zo moeilijk hebben, is een symptoom. De succesvolste tijdschriften – een juistere formulering is misschien: de laatste volhouders – zijn die welke zich op een specifiek publiek richten. Awater en Poëziekrant hebben beide bestaansrecht omdat kranten en tijdschriften lang niet alle dichtbundels van belang (kunnen) signaleren, Passionate is direct gekoppeld aan allerlei prijsvragen, voorstellingen en activiteiten. De Gids en Hollands Maandblad zijn minstens zoveel cultureel-maatschappelijk als literair in hun benadering. Maar de tijdschriften die zich vrijwel exclusief richten op nieuwe literatuur en literair debat, hebben het moeilijk of verdwijnen.
Literaire kritiek, het letterkundige tijdschrift, de roman: ze zijn hun prestige aan het verliezen – en de vraag is wat ervoor in de plaats komt: wie wijst met welk gezag op een boek?
Er wordt de laatste jaren regelmatig over dit soort kwesties geschreven, en oplossingen worden op zeer uiteenlopende plaatsen gezocht. Marc Kregting was enkele jaren als redacteur werkzaam bij Meulenhoff, een (inmiddels voormalig) bastion van literair prestige. Hij hield er vrij snel mee op, en schreef een gedesillusioneerd pamflet, Wij zijn niet van Jeremia, waarin zijn versie van de klaagzang over de commercialisering van het vak en de korte levensduur van het betere boek weerklinkt. Wij zijn niet van Jeremia staat vol met soms trefzekere, soms groteske schetsen van de literaire uitgeverij en sluit af met een pleidooi om niet mee te doen aan concernvorming, de posities in het literaire veld sneller te rouleren en vooral: om minder titels uit te geven. Dat laatste natuurlijk niet met het idee dat de minst verkopende boeken het eerst geschrapt worden maar wel dat er een strenge selectie op kwalitatieve grondslag wordt gemaakt, en dat redacteuren meer tijd hebben om goede boeken van de uit te geven manuscripten te maken.
Schrijver Herman Stevens was er in NRC Handelsblad (10 maart 2009) niet optimistisch over; het is een kwestie van tijd tot er ‘een grote shake-out in de literatuur komt, wanneer een nieuwe generatie uitgevers een dikke rode lijn trekt tussen de schrijvers met een publiek en een plek in de media, en de schrijvers die op geen enkele manier iets voor de uitgeverij betekenen’. Uitgerekend Meulenhoff, Kregtings oude stek, is daarvan volgens Stevens een treffend voorbeeld.
Kortom: Kregting stelt een ouderwetse, idealistische en allerminst commerciële bedrijfsvoering voor. Realistisch is het niet – zeker niet nu vrijwel alle bedrijven die eigenaar zijn van uitgeverijen om meerdere redenen in financiële moeilijkheden verzeild zijn geraakt. Zekerheid voor alles, interne subsidiëring is een luxe die men zich hopelijk over een paar jaar weer kan veroorloven. Formules worden ‘aangescherpt’, fondsen ‘heroverwogen’.
Waar gehakt wordt, vallen spaanders, zo wil het cliché dat niet voor niets een cliché is geworden. De Gouden Doerian is daarvan een van de opvallendste voorbeelden; een prijs voor de slechtste literaire roman, die niet bedoeld was om schrijvers af te zeiken (hoewel dat aspect wel verreweg het lolligste onderdeel van de juryrapporten vormde) maar om kritiek te leveren op de massaproductie van uitgeverijen, onder het van José Ortega Y Gasset geleende motto: ‘De voor onze tijd meest geëigende daad van naastenliefde is het geen overbodige boeken het licht te doen zien.’ Het bleek een initiatief met beperkte houdbaarheid: na 2007 is de prijs niet meer uitgereikt.
Tessa de Loo, Tim Krabbé, Jessica Durlacher zijn genomineerd geweest, waaruit nog maar eens mocht blijken dat ‘slechte boeken’ in de winkel bepaald niet kansloos waren.
Een ander bastion van gezag is het begrip ‘canon’ – de tijdloze materie die bij voorkeur op scholen onderwezen diende te worden. De roep om literair gezag verklaart voor een deel de sterke opkomst van de ‘canon’ in de boekhandel. Maar ook hier hebben inhoudelijke argumenten het onderspit gedolven. De ‘canon’ is een verkoopargument geworden – en dat is een opmerkelijke prestatie voor een begrip dat niet zo lang geleden vrijwel synoniem was aan dat wat we zouden vergeten als we er niet constant aan herinnerd werden.
De Nederlandse historische canon is het bekendste voorbeeld van de laatste jaren: het zorgvuldig door een commissie ontworpen handvat voor het onderwijs dat dankzij Fokke & Sukke ook in groten getale over de toonbank gaat. Overal dook de term daarna op: van ‘De canon van de kassen’ tot ‘De canon van de Nederlandse ambtenaar’. De boodschap van deze titels is duidelijk: wie de Nederlandse geschiedenis wil leren kennen, leest entoen.nu – de Canon van Nederland, de inwoner van Leiden kan niet zonder De Leidse canon en wie de ambtenaar wil leren kennen, et cetera.
Maar hoeveel gezag heeft een canon? In het onderwijs wordt de historische canon nauwelijks gebruikt en zelfs het Historisch Museum-in-oprichting is niet van plan de officiële leidraad te gaan gebruiken: ‘Kijk wat er gebeurd is met de vijftig vensters van Frits van Oostroms hobbyclubje: helemaal niets,’ schreef Piet Gerbrandy in De Groene Amsterdammer en hij voegde er allerminst mismoedig aan toe: ‘Zo hoort het.’
De behoefte om vast te leggen is symptoom van de onzekerheid van een cultuur – door steeds te wijzen op het belangrijke van bepaalde boeken, hou je die nog niet levend.
Dirk van Bastelaere, blijmoedig postmodernist, constateerde in Wwwhhoooosshhh al dat de media nu, meer dan de academie, bepalen wat de canon is. P.F. Thomése, minder blijmoedig: ‘Een boek is een boek – en wie bepaalt of het literatuur is? Dat mag iedereen toch gewoon zelf bepalen? Zou iemand er minder verstand van hebben omdat hij “toevallig” haast nooit iets gelezen heeft? Kom nou! De enige vraag die nog van belang lijkt is of een boek toegankelijk is of niet.’

Kan literatuur alleen in de media levend blijven? De manier waarop we bepalen wat we lezen, is ingrijpend veranderd en inderdaad sterk daarop gericht: persberichten, interviews – liefst op tv – en behendige marketing hebben onbevangen kiezen onmogelijk gemaakt. Hoe moeten we daarmee omgaan? En wat zijn de kansen voor boeken die het in de pers of in de winkel niet meteen goed doen? Wie vertelt ons wat we moeten lezen?
Het is niet zo lang geleden dat die rol voor de literaire kritiek was weggelegd, maar de geringe correlatie tussen enthousiasme van de ontvangst en de verkoopcijfers is de liefhebber allang een doorn in het oog.
Niet dat mooie recensies ooit een garantie waren voor commercieel succes, maar het lijkt erg lang geleden dat in een top tien boeken van Frans Kellendonk, Harry Mulisch, Ian McEwan en Kafavis – diens Verzamelde gedichten – stonden. Ja, dat ís ook lang geleden: 1977, en dat de cpnb het jaar afsluit met een bestsellerlijst waarin een verhalenbundel en vertaalde poëzie staan, is inmiddels ondenkbaar geworden: de afstand tussen goede recensies en mooie verkoopcijfers lijkt steeds groter te worden.

Dat is geen ontwikkeling van de laatste jaren. In 1986 schreef Hans Magnus Enzensberger over de ‘teloorgang van de recensent’:

Dat de criticus in ouderwetse zin geen rol meer speelt, ligt voor de hand. Hier of daar kun je wellicht nog een nakomer aantreffen, een wat oudere heer, die in de meest afgelegen hoek van een omroepgebouw of als lector van een conservatieve uitgeverij tot op de huidige dag heeft overwinterd. Maar zelfs als dit levende fossiel het toppunt van begaafdheid, beoordelingsvermogen en onomkoopbaarheid zou zijn – één ding zou hij al hebben verloren nog voordat hij zijn mond opendoet: de centrale positie, de autoriteit die de criticus oude stijl zich heeft verschaft.
Hij is van het maatschappelijk toneel verdwenen omdat hij niet meer nodig is; omdat de literatuur waarover hij sprak, op haar beurt haar overheersende betekenis heeft verloren. De literatuur is vrij, maar ze kan de toestand van het geheel noch legitimeren noch in twijfel trekken; ze mag alles, maar het hangt niet meer van haar af.

Jammer misschien, dat er een pluralistische markt heerst ‘waarvoor Dante of Donald Duck lood om oud ijzer is’, gaat Enzensberger monter verder, maar ‘toch zul je nauwelijks kunnen beweren dat schrijvers zich het verdwijnen van de criticus bijzonder ter harte hebben genomen. Ze schrijven onbewogen door.’
Niet iedereen heeft zich hierbij kalmpjes neergelegd. ‘Waar is Kees Fens gebleven?’ riep Marcel Möring zo’n tien jaar geleden uit in zijn Kellendonklezing en hij leek het te menen. En toen Maarten Doorman in 2001 de positie van bijzonder hoogleraar literaire kritiek aanvaardde, waarschuwde hij de criticus dat het niet de bedoeling kan zijn dat hij ‘zich behaaglijk wentelt in de posthistorische modder waaruit geregeld een luchtbel opstijgt die hij naar believen kan negeren of als gebeurtenis van belang in krant of tijdschrift kan behandelen’. De criticus moest bereid zijn ‘de lezer een weg te wijzen’ en Doorman hoopte in zijn rol ‘het relativeren van de mogelijkheid om over literatuur te oordelen een halt toe te roepen’. Weg met de onverschilligheid en vóór een kritiek waar je wat aan hebt, de criticus plukt uit de berg wat de moeite waard is.
De opvallendste overeenkomst tussen dergelijke oplossingen is dat ze nauwelijks een beroep doen op schrijver of lezer. Kregting en Doerian-jury geven de uitgeverij de schuld; adviseurs van literaire tijdschriften suggereren dat redacties hun heil op internet zoeken, canonvereerders klampen aan bij de overheid, en Möring en Doorman sporen de kritiek aan om het kaf van het koren te scheiden.
Het is de roep om een sterke buitenstaander die prioriteiten kan stellen voor de verdoolde lezer: iemand moet de weg wijzen in de boekhandel. Blind een boek van een onbekende kopen doet vrijwel niemand meer.
Dirk van Weelden richtte zich eind vorig jaar wel op de producenten – en ik gebruik dat lelijke woord omdat hij het over zowel schrijvers als uitgevers heeft. In zijn pamflet Literair overleven formuleert hij een ‘aanvallende strategie’ waarmee de literatuur zich weer even kan redden. Belangstelling is er voldoende: er worden veel boeken verkocht en veel mensen willen schrijven. Maar vanwege de massaliteit van het bedrijf krijgen economische overwegingen de overhand. Door de terreur van het ‘doelmatig uitgeven’ – dat wil zeggen: veel verkopen van weinig titels – staat ‘het literaire uitgeven, als culturele praktijk die zich onderscheidt van het commercieel uitgeven van bedrukt papier, onder druk’. Top tien en tv vormen de leidraad voor boekhandel en klant, niet langer de beroepslezer of de redacteur van Maatstaf of De Revisor.
Van Weelden kijkt naar internet als medium waar schrijvers zich direct tot lezers kunnen richten, daarbij de stoorzenders krant en boekhandel passerend. Als voorbeeld noemt hij New Directions, een onafhankelijke Amerikaanse uitgever die zelfs nog niet voor het startkapitaal met een bank te maken wilde hebben. Private cultuurfondsen, uitgevers, universiteiten, schrijvers en lezers moeten zich vinden in een virtueel ‘genootschap als een open netwerk van belangstellenden’. Een mooi ideaal dat negentiende-eeuws aandoet en dat is geen toeval: Van Weelden heeft De Gids in zijn glorietijd als model voor ogen.
Kees ’t Hart reageerde in De Groene Amsterdammer op Van Weelden: hij ziet helemaal geen probleem. ‘Schrijf nou maar een mooi boek en hou verder je kop.’ Volgens hem is er veel te veel flauwekul vol ‘bestsellerverlangen’ geproduceerd, en nog dikke boeken ook, ‘want met de computer kun je ze sneller in elkaar zetten’. En dat kun je de boekhandels niet verwijten.
Maar in de meeste reacties op het pamflet klinkt het bekende lied – er wordt gediscussieerd over de nivellering van de literatuur, onder andere in HP/De Tijd (‘Tja, literatuur…’) en in Van Weeldens eigen Gids. Daarin staat een bekend klinkende klaagzang van Laurens van Krevelen over de uitgeverij: ‘…van de veel geroemde interne subsidiëring is nog maar weinig overgebleven’. Titels moeten langer verkrijgbaar blijven, de uitgever moet boekhandels overtuigen van het goede en niet vallen voor ‘banaliserende media-aandacht’.
Minder voorspelbaar zijn de lofzangen op digitalisering van René van Stipriaan en Arie Altena. De laatste verkondigt triomfantelijk dat de lezer nooit meer een boekhandel in hoeft te wandelen. Er is genoeg op internet, ‘de rijkdom ligt onder je vingertoppen’, sterker nog, wanneer hij boekhandel Donner binnengaat, ervaart hij ‘een mild gevoel van culturele vervreemding’.
Als overlevingsstrategie voor de literatuur zitten er wel enkele haken en ogen aan het mijden van de boekhandel maar Altena doet iets dat niet zo vaak gebeurt als het gaat over het lot van de literatuur: de lezer aansporen tot ander gedrag. Maar wil de lezer dat wel? Een koele blik op de bestsellerlijsten lijkt dat niet te bevestigen. In de top tien over 2008 stonden slechts drie titels die in dat jaar waren verschenen. Ook de boeken die de laatste ronde van de NS Publieksprijs halen zijn meestal een paar jaar oud.
Je kunt het een criticus – gezag of niet – niet kwalijk nemen dat mensen blijkbaar liever nóg een keer De vliegeraar, Nicci French of De schaduw van de wind cadeau doen dan iets onbekends te proberen. De media hebben het niet veel over Hosseini of Zafón gehad in 2008, maar toch werden hun boeken beter verkocht dan die van Kees ’t Hart en Joost Zwagerman, die vorig jaar wel bij Matthijs van Nieuwkerk te gast waren. Mensen kochten boeken die ze al hadden gelezen (om cadeau te geven) of die anderen al gelezen hadden. Mond-tot-mondreclame, de effectiefste vorm en voor de lezer de veiligste weg.
Logisch dat iemand die een boek wil verkopen graag de indruk wekt dat je het al gelezen hebt. Daarom lijken alle omslagen van literaire thrillers op elkaar en zijn lovende citaten van succesvolle schrijvers een kostbaar goed voor de achterflap. En wanneer de cpnb nu probeert het hele land te laten discussiëren over een boek, kiezen ze titels die hun waarde bewezen hebben. Die discussie hoeft niet meer te gaan over de kwaliteit van een boek of over de literaire relevantie: niemand zal Haasse (of Mulisch, Arion, Thijssen) de status van tijdloos auteur willen ontzeggen. We moeten praten over de maatschappelijke relevantie, we moeten herinnerd worden aan onze geschiedenis, we moeten bevestigd krijgen wat we al weten. Alsof we nog eens naar de wk-finale van 1974 kijken om te zien of we terecht hebben verloren.
Dat weten we toch al? Zou het niet spannender zijn om een geheel nieuw werk van een onbekende te verspreiden? Tegenwerpingen zijn zo bedacht: wie laat zich naar de bibliotheek lokken door iets volkomen onbekends dat zijn waarde niet bewezen heeft? Willen we niet eerst weten of de auteur een enigszins leuk en interessant mens is? Waarom zouden we zomaar wat gaan lezen, een boek dat misschien helemaal niet stand zal houden, is dat geen tijdverspilling? Een verrassing kan ook onaangenaam zijn en raken we dan geen lezers kwijt?
Wie zich wel wil laten verrassen, moet durven lezen alsof je een anoniem debuut onder ogen krijgt. Moet misschien maar eens een onbekende debutant gaan lezen. En ja, dan bestaat de kans dat je miskleunt. Maar het is tijd om te accepteren dat de roep om een sterke man in de kritiek of op internet achterhaald is, een stuiptrekking van de tijd dat de krant een meneer was. Moeten we echt heimwee hebben naar Kees Fens of P.H. Ritter jr.?

Een kortere versie van dit artikel stond in NRC Handelsblad (28 oktober 2009) – ik sloot toen af met iets dat zich als pleidooi liet lezen: ‘Pluk eens blind een boek uit de kast van boekwinkel of bibliotheek. Wie weet geeft de cpnb het over vijftig jaar wel gratis weg. In het beste geval maak je deel uit van de literatuurgeschiedenis. In het slechtste geval heb je een boek gelezen dat vrijwel niemand anders zal lezen.’
Zo mondde een beschrijving van een leesbevorderingsactie uit in een betoog waarin ik de cpnb aanreken de literatuur geen dienst te bewijzen door een boek gratis in honderdduizendvoud te verspreiden. Maar de cpnb is niet de kwaal maar een symptoom: aard en functie van de ‘literatuur’ zijn veranderd – media en markt bepalen wat belangrijke boeken zijn; mooie of moeilijke boeken, zelfs mooie moeilijke boeken worden onverminderd geschreven. Literatuur is een niche geworden: het valt alleen nog niet zo op omdat de term zich ook voor veel bestsellers goed laat inzetten.

René Huigen (1962) debuteerde met gedichten in De Revisor. Hij publiceerde romans: De meter van Napoleon (1988), Tegen de vlakte (1997), Faustine (2000) en Woudman (2009). Als dichter publiceerde hij zeven dichtbundels, waaronder het epische gedicht Steven! (2005), dat in 2008 in Portugese vertaling bij Assirio & Alvim verscheen, en Fysica voor dichters, een keuze uit zijn gedichten tot nu toe. In 2004 was hij genomineerd voor de VSB Poëzieprijs. In februari presenteert De Bezige Bij zijn nieuwe dichtbundel, Levenskunst voor jonge mensen.

*

Dageraad der duisterlingen

Voel maar op de muur met je hand de koelte
op je voorhoofd en sluit je ogen

Hoor de droogte van je huid
traag over het stucwerk op je kin
wasbleek een witte streep achterlaten

Om te weten dat het waar is wat je voelt
hoeft er niet per se een God te zijn
om in een metafysica te geloven

Want dat het onstoffelijke naar het stoffelijke
kan verwijzen, bewijst ons iedere dag
onze schaduw

Voorwaarde is wel dat we er
overheen blijven springen
en magisch proberen te denken

Zoals eens in Rusland
belasting op baarden werd geheven

Zo heft men tegenwoordig belasting op schaduwen
in Japan en proberen gewiekste ondernemers
deze te ontduiken door steeds kleinere
gebouwen in de schaduw van dat Ene grotere
bouwwerk te stellen, volgens het principe:

Dat licht niet door een object en de schaduw
van dat object niet door een ander object vallen kan
— terwijl er in het licht der mensheid
toch één schaduw wordt waargenomen

En wel van hem die bij machte is
deze totale schuldenlast te dragen

Zo worden generatie na generatie
de kindertjes geboren, die steeds kleiner
een steeds grotere inschikkelijkheid betrachten

Wat ze aanschouwen als ze in de schaduw van hun knuistjes
een vlinder nawijzen, is de ziel
die ze langzaam in hun jampotjes zien vervagen

Met hoog aan de hemel, geprikt in het deksel,
piepkleine, stervormige gaatjes

 

Captain Eliot

De hemel is blauw boven de onwezenlijke City
die gloeit onder een deken van lichtbruine mist.
En daarboven, hoog aan dat blauwe zijnde,
dat een blauw-zijn veronderstelde, staat hoog
aan de hemel een vogel aan dat hemelsblauwe
biddend stil te wezen.
Woorden noch muziek
bewegen hem, want als verlangen beweging is,
waarheen beweegt hij dan, als de Liefde zelf
onbewogen blijft en op het stille uur dat de aarde
draait, niet van hem af, noch naar mij toe, wij
dansend in die dans alleen onze onbewogenheid
belichaamd zien?
Is een dans niet wat de danser
tot stand brengt en daarmee juist verzaakt te doen,
indien hij zoals jij – my dear – voor eeuwig
in de waarheid dansen wil of vliegen: niet zomaar
een figuur, maar de finale resultante van het altijd
draaiende en zwenkende, zwierende en wenkende
doch nooit tot stand gebrachte?
St. Narcissus’ taak
was het om danser naast God te zijn en jij, aan hem
een voorbeeld nemend, applaudisseerde begeesterd,
niet met twee handen, maar met één – heug ik mij
nog levendig –, benieuwd naar hoe de stilte klinken
zou, en met de stilte de vrede over je kwam – die keer
dat in Het Fantoom van de Roos een ballerino,
over zijn schaduw springend, de weg van alle vlees
trotseerde en simpelweg vergat weer neer te komen.
Met een flits werd in de kranten het mirakel
op de foto vastgelegd, ten bewijze dat vanaf heden
de moderne mens, pelgrim tussen twee werelden,
tot ontzetting van een uitzinnig publiek, voor altijd
zwevend, aan de afgrond tussen wat hem dreigde
te verdelen, zeg maar: aan die breuk met wat hem
nog aan aardse zaken bond: de onthechting zelve
nu een hemel kon ontstelen.
In hem zag je de verheffing
die je zocht, de Erhebung zonder beweging; in de welving
van zijn spieren de vleesgeworden geesteshouding
van wat ooit een hersenschim was; – en in het zweet,
dat glinsterde in het nabeeld zodra de lichten doofden,
de glans van een bovenmenselijke krachtsinspanning
een hemelse gedaante krijgen.
Dat alles met eenzelfde
persistentie als de volharding waarmee jij van jezelf
het onmogelijke verlangde: in mij, als jouw wederhelft,
de hoeder van je deugden en de verlosser van je zonden
te zien, door even lenig van geest een soortgelijke spagaat
te maken. Tussen enerzijds het kruis waarnaar je reikte
en anderzijds het mondaine, de kakofonie van hoorns en van
automobielen, het theater en de jazz, waarin je zogenaamd
als kind van je tijd, maar feitelijk als would-be heilige
je godvruchtigheid verpakken wilde.
Wie bedroog nu wie,
en met welke fantasieën, als ogen die eens parels waren
zich zo gemakkelijk bedriegen laten. Wat er in mij gaapte,
te peilloos om in af te dalen, de afgronden van het hart
hadden je over een zee van zonde naar mij doen varen,
op de bevallige deining waarvan jij bij het geringste
briesje voelbaar, ter verkoeling van een verhit gemoed,
uit schuldgevoel voor wat je zinderend doorvoer, reeds
schipbreuk bleek te lijden.
Je wantrouwde het vrouwelijke
in de literatuur, de verraderlijke wateren onder zwart zijden
lakens, waar ik je wiegend in mijn armen nam en gerust-
stelde dat zonde niets, of zelfs minder nog dan niets
is, omdat wij niets dan zonde zijn, gezonken zo diep,
dat alleen dan, Hij in ons, gelieven, zijn mateloze
onmatige heerlijkheid uit kan schenken.
Nog zie ik
je op een reeks vakantiekiekjes, in wit flanellen tenue
op het strand de eerste voorzichtige schreden zetten
op de weg de je niet kende naar de plek die je niet kende,
als op een phantasmascoop datgene wat voor eeuwig
begraven leek weer tot leven wekken, zodra ik mij te ruste
legde en het Levenswiel ( τροπή ζωός – ik verfraai),
niet van mij af, noch naar jou toe, mij bedrieglijk als rad
voor ogen begon te draaien.
Ik zag een vrouw naakt
de trap oplopen, en weer afdalen. Helder blonk de maan
op haar. Ik zag een knaap zijn moeder kussen, een man
telkens dezelfde radslag maken. Op de plaats rust
de manen dansen van een paard, dat galoppeerde en
gelijktijdig stilstond, als bewoog niet hij, maar achter
hem de wereld gelijk een carrousel. Ik zag een anker
van veren onverzettelijk aan de hemel staan – dankzij
de dwaas, die, standvastig in zijn dwaasheid, het rad
meende te draaien waarop hij draaide; hij vermoordde
de minnaar van zijn vrouw en mocht in het gevang
aan Animal Locomotion en The human body in motion,
zijn mensenmachine verder werken.
Stel je nu voor: ik lig
op bed en zodra ik mijn benen spreid belazer ik je al
omdát ik ze beweeg, als in een droom waarin ik wel loop
maar niet vooruitkom, terwijl jij – weiala leia, wallala
leiala – uit de geile handen van het gedroomde blijft.
‘Een visscher te Kingston aan de Theems bragt
zoo op goede dag een pot met alen in zijn klein met
een muur omringd tuintje mee en zag de volgende
morgen dat ze onvindbaar waren en hij concludeerde
daaruit dat ze gestolen moesten zijn, tot hij,
weken later, ze in het met dikke druppels berijpte
gras van een geurig perkje, vol exotische bloemen, met
bladeren violet en getande, nog toegevouwen randen,
in zijn tuin verborgen, vol vette aardwormen, in goede
welstand teruggevonden had.’
Steeds verder drijf ik af
en nader het alomtegenwoordige punt van wat ooit was
en had kunnen zijn, in gedachten en in werkelijkheid,
wat hetzelfde is, bold Captain Eliot. Ik hoor de echo
van onze voetstappen in herinnering langs het pad
dat wij niet gingen, door de poort die gesloten bleef;
in de haven waar het regende en de stagen klingelend
tegen de masten zwiepten; in de kerk heuvelopwaarts
waar we schuilden tijdens de hoogmis, met afgebladderd
pleisterwerk en een pak veren aan onze afgedraaide
voeten. Door de gebrandschilderde ramen boven ons
vlogen jonge duiven uit, als feniksen voor ’t hongerige,
alziend oog, dat, biddend voor onze schamele soort
aan driften ten prooi, in duikvlucht onze liefde
van alle zwaarmoedigheid verloste. Zou wie grenzen
overschrijdt, die ook kunnen verleggen, op een wolk
van onwetendheid terugkeren naar huis en overnieuw
beginnen?
We waren zielsgelukkig in ons bovenhuis
terwijl in ’t droevig licht een dolfijnenbeeld boven
de mantel van de antieke schoorsteen zwom en jij
in het studeervertrek, annex kleed- en eetsalon, gestaag
aan je verzen verder werkte, om als Lazarus, met blosjes
groen blanketsel op je wit gepoederde huid, te herrijzen
uit het dodenrijk en vol ongeloof, te midden van cake en
toast je hoofd op een schaal, geoffreerd aan de gasten,
misselijk, van hand tot hand te zien gaan.
Het duizelde
je vanuit steeds ’n andere rol de wereld te aanschouwen
en te concluderen dat dit het niet was wat je bedoelde.
Maar wat dan wel? Kom, zeg eens wat, je bent zo stil,
waarom zeg je niets om onze gasten te onderhouden?
Hun stemmen bezorgen me hoofdpijn en slapeloze
nachten. En wat hoor ik steeds onder de deur door
fluiten? Is het de wind of ben jij het die thuisgekomen
blijmoedig in het slot z’n sleutel stekend – tjiep tjiep,
tjuk tjuk – een aanstekelijk deuntje pijpt? Zeg eens
eerlijk: kan wie onophoudelijk in duisternis leeft zich
een wereld buiten zijn konijnenhol voorstellen indien
de mens, visionair, of dichter voor mijn part, een mens
met konijnenhersenen heeft voortgebracht?
Geloven
zou ik het sprookje van ons huwelijk, terwijl jij thee
schenkt met een glimlach en, zoals de Hoedenmaker
Zevenslaper, het universum met inkt, uit thee getrokken,
in ’n theepot stopt. Zie maar! wie naar de spaken, armen
en benen, van het wentelende wiel kijkt, ziet ze langzaam
terugbewegen en alle scherven van wat hij uit zijn handen
vallen laat als kopje terug op tafel springen?
Koortsachtig
flikkeren tegen het plafond verweesde droomgezichten
als schuw het eerste zonlicht door de blinden in verdorde
ribben uit elkaar valt en buiten, uitgelaten, de erven
van lummelende Citydirecteuren zich eindelijk
de beursnoteringen van morgen herinneren! Tot heil
van een smetteloze toekomst, verschoond van poëzie en
speculaties!
Steriel! mijn androgyne Adam, van pijn en
droefenis verstoken was je onbezoedeld ooit voordat ik
uit je maagdelijke rib gesneden werd. Jouw zorg was
mijn ziekte en andersom de aandacht die ik jou schonk
een vloek die ons eraan herinnerde dat om te genezen
ons tekort moest groeien. Mijn martelaar, bloedgetuige
zonder weerga, bij wiens aanblik alle inkt die ooit
gevloeid heeft terug naar ganzenveren stroomde en
uit elk woord op trektocht naar het zuiden een gans
opsteeg. Om te breken met de gruwelijk verharde
schaduw aller dingen en op ware schaal de mensheid
jouw grootheid te mogen tonen, zei je, geboren
uit een schoot, de vrijheid van het schepsel te willen
ervaren, dat vloog, maar vergat daarbij dat, smachtend
opkijkend naar, dan wel misprijzend neerziend op, wij,
stervelingen, naar menselijke maat vertekend, in ware
grootheid slechts het karikaturale kunnen zien: niet
het godgelijke lijf, waarvan wij, dansend, zijn onderdanen
mogen zijn, maar een karkas dat afgekloven ligt te stinken
in een eindeloze bloemenzee – voor eeuwig, je Vivienne.

Bernke Klein Zandvoort (1987) debuteert als dichter in De Revisor. Zij is laatstejaarsstudent aan de afdeling Beeld & Taal van de Gerrit Rietveld Academie. In het jaarboek van De Revisor staan zes gedichten van haar. Als voorafje twee daarvan in deze rubriek.

*

een blinde man loopt gehaast door rood
auto’s sust hij met een handgebaar terwijl
de gevels om hem heen overeind worden getakeld

in de overdekte kermis is de stad nagebouwd
een stopcontact in de boom op het plein
tussen in elkaar geschoven halve manen
aarzelt een terminator met veel tentakels
niet meer zo zeker van z’n eigen metaal

uit de barstraat sluipt het dimlicht

het volgt de vroege bezoekers op hun rug
gaat door gangen, langs het buffet
over de warmhoudbakken omhoog
in de sauzen knappen bellen
een aanhoudend applaus
een bruidspaar arriveert onder de haag

achter de ramen liggen nieuwe ramen
een zalencentrum een loods
met behoud van luchtstroom

stoelen geschoven om een vitrine met een draaiplateau gebak

de schoonheid van een bachelorparty
op een doordeweekse dag
een vrachtwagen die moet keren op een te kort stukje gracht

*

ik kon voor het eerst de stad niet meer aankijken
het was avond en kou drukte schouders naar de grond
een man liet op een afstand waar je niets van zeggen kon
zijn handen over mijn lichaam gaan

de mensen moesten naast de stoep lopen
ze hadden gezichten waar de wind in was geveegd
de geur van platgetreden straten
gepofte kastanjes, uitlaatgas
gestapeld in mijn neus

er is nog heel veel liefde in de warenhuizen

warme lucht door roosters omhoog geblazen
een opwaaiende jas, een openslaande deur

ik ben zes en sta met een plaatje genaaid in mijn zwempak
te treuzelen aan de kant
en denk: warmte komt met vlagen

ik vraag me af wat ik precies verloren ben
waarom ik steeds achterom kijk
goed vermomde tic

iets dat ik ook wel bij mezelf zoeken mag
want ik dacht: korte rokjes
dat pakt zo lekker licht

Wim Brands (1959) debuteerde met de dichtbundel Inslag, in 1985. Zijn nieuwste bundel heet Neem me mee, zei de hond en verscheen dit jaar bij Nieuw Amsterdam. Nog meer titels: Koningen, de gehavende (1990), Hoger dan de dakgoot (1993), Zwemmen in de nacht (1995), In de metro (1997), De schoenen van de buurman (1999), Ruimtevaart (2005). Naast dichter is hij interviewer en presenteert hij het VPRO-programma Boeken.

*

Alledaagse wonderen

1.

Het was niet lang nadat hij van de markt terugkwam,
hij had gekeken naar speelgoed dat klein en
glinsterend in te grote bakken lag te wachten

op kopers terwijl ook hij al naar huis verlangde
waar zich tegenwoordig dagelijks een wonder
voltrok, zoals vanochtend

toen opeens het groene lampje van zijn huiscentrale dat
al jaren uit was even oplichtte.

2.

Hij hoorde op de markt, die al bijna werd afgebroken,
de stemmen van vrouwen en zocht de hare en
wist dat zij ook in het missen aanwezig is,

zoals een bril of een riem die je overal in huis zoekt
zich in je jaszak bevindt.

Esther Jansma (1958) debuteerde met de bundel Stem onder mijn bed (1988). Ze is dichter en boomarcheologe en werkt als hoogleraar dendrochronologie aan de Universiteit Utrecht. Ze publiceerde zes dichtbundels. Hier is de tijd (1998) werd bekroond met de VSB-poëzieprijs. Ze vertaalde gedichten van Mark Strand. Ook publiceerde ze proza: Picknick op de wenteltrap (1997), een verzameling van honderd miniatuurverhalen die samen een roman vormen. In november verschijnt haar nieuwe bundel Eerst en in februari een bundel essays, Mag ik Orpheus zijn? In Engelse vertaling verscheen de bundel What it is (Bloodaxe, 2008).

*

Eerst

I

Eerst maak ik dat Adam op een been op de mast
van een schip is gaan staan. Het zijn de oerdagen

waarvan men zegt dat de zee al bestaat, het is
de tijd dat niemand naar hem omkijkt en alles kan.

Beneden deinen dronken vrienden. Hij beklimt
het want, hijst zich de mast op, spreidt zijn armen.

Hij vliegt niet weg want hij moet nog aan wal.
Hij moet haar nog ontmoeten die zijn ringvinger

boeit en appelboompjes aanwijst als schuldig.

II

Eerst maak ik dat Adam met haar achterop
door de stad naar de zoveelste afspraak besluit

dat de tramrails de rechter vermoed ik de weg is
die oplossing biedt. Kraait hij: zie je dat ik recht

in het spoor fiets? En valt hij geeneens – een slecht
bericht voor iemand die dit keer geen appelboompjes

haat maar deze ene rails of deze woensdagavond
of die man of meer waarschijnlijk de bagagedrager

en haar vreemde in de jaren vijftig verklede benen.