De offerte kwam diezelfde week nog; het was niet goedkoop, maar binnen de maand zou hij een nieuwe kamer met uitzicht hebben. Ze maakten een afspraak bij de bank voor een extra lening. Het huis hadden ze acht jaar geleden gekocht en dat betaalden ze af in dertig jaar, de extra lening zou over twintig jaar lopen. Maar met de belastingvoordelen van een groene lening, die voordelen bood bij isoleren en dubbele beglazing, zou het al met al meevallen. En ze hadden geluk, firma Fiksal had nog een gaatje in hun agenda, en de weersvoorspellingen waren gunstig.

Ze hadden twee weekends nodig om de zolder volledig leeg te halen en uit te zoeken wat naar het containerpark mocht en wat ze in het oude bureau gingen stapelen. Een bijkomend probleem was dat heel wat dozen in de plas water hadden gestaan en scheurden toen hij ze wilde optillen, geluk bij een ongeluk misschien, want ze hoefden weinig te twijfelen of iets al dan niet bewaard moest blijven. Het opruimen gaf zelfs rust, opluchting. Ze keken samen naar een paar oude foto’s die hij van haar had gemaakt, erotische opnames in een hotelkamer in Venetië.

Hij stond met zijn dochtertje op de arm te kijken hoe het dak werd afgebroken. Ze wees naar de lift waarop de oude pannen naar beneden kwamen en schrok toen de eerste pannen in de container werden gesmeten. Toen ze klaar waren met de pannen volgde het hout van het gebinte, daarna het puin van de oude schouw die ze hadden afgebroken; het was ongelooflijk hoe snel en efficiënt er werd gewerkt.

Tijdens de middagpauze kwam een van de werklieden naar hem toe. ‘Die vloer boven ligt er schots en scheef bij, m’neer, en er zit houtworm in de balken, daarop een vloer leggen is gekkenwerk en tijdverlies als je het mij vraagt. De beste oplossing is, nu die kraan hier staat en het dak nog openligt, de balken vervangen, anders moet het later allemaal via de trap, begrijpt u. Als u ermee instemt kan ik nu de timmerlui bellen om balken te brengen. Dan kunnen ze er morgen al platen op timmeren en ligt alles waterpas, klaar voor een nieuwe vloer die we in één dag kunnen leggen, een kleine meerkost, maar bakken goedkoper dan op een slechte ondergrond te prutsen. Als de platen er liggen kunnen wij er ons materiaal, de dakpannen en de isolatie stockeren, dan gaat het allemaal nog sneller, ziet u.’

’s Avonds belde zijn uitgever. Ze wilde weten hoe het met zijn manuscript ging, het boek was al langer dan een jaar aangekondigd, maar steeds weer uitgesteld. ‘We mogen het niet al te lang meer rekken,’ zei ze.
‘Een kwestie van dagen,’ verzekerde hij, ‘laatste hoofdstuk afwerken en dan lever ik in. Ik wacht ook nog op de opmerkingen van een paar collega’s.’
‘En de noten,’ zei ze, ‘we hebben nog steeds geen noten gezien.’

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de vierde aflevering, van tien.

‘Dat zullen we in een handomdraai voor u oplossen, m’neer,’ zei de aannemer van Fiksal, ‘en het zijn mijn zaken niet, maar als ik u was zou ik wat aan dat dak doen. Binnen een paar jaar zakt het in, als het nog zo lang gaat duren.’
Zijn vrouw riep van beneden dat zijn zoon aan de telefoon was. Hij zat in Portugal en wilde weten of hij zijn vader zou zien op het congres in Lissabon. Hij zou bij hem kunnen overnachten maar moest dan een luchtmatras meebrengen. Peter Maes liep de trappen af, gevolgd door de fluitende aannemer.

Tijdens de koffie bespraken ze de mogelijkheden.
‘U heeft een prachtige ruimte daarboven, volgestouwd met zaken die u waarschijnlijk nooit meer gebruikt, waar u het bestaan niet eens meer van af weet, zeg me als het niet waar is, ik ken dat soort plekken. Kijk het is toch jammer zo’n grote ruimte ongebruikt te laten, een prachtig uitzicht moet u hebben over de stad, een paar ramen en u heeft a room with a view, een droom voor iemand als u. U werkt toch veel thuis, neem ik aan? Ik zou niet twijfelen, dat dak moet er sowieso af, kunt u beter iets moois voor in de plaats zetten… uiteindelijk moet u het zo zien: voor een beetje extra geld heeft u er een appartementje bij.’

Ze hakten de knoop snel door: Peter Maes zou een werkkamer krijgen waar nu vergeten rommel stond. De aannemer van firma Fiksal had gelijk: het zou zonde zijn zo’n aanzienlijke ruimte onbenut te laten. Peter Maes trok een fles cava open en bestudeerde met zijn vrouw het plan dat de aannemer had geschetst: achter vier ramen met uitzicht op het park, en vooraan een groot raam waarin de torens van Gent ‘als op een schilderij’ gevangen zaten. Binnen een kleine maand ziet u de torens ‘als op een schilderij’, had de aannemer hen verzekerd.

De bouwaanvraag en de lening werden na een hele resem papierwerk uiteindelijk goedgekeurd en de firma Fiksal werd gebeld. Peter Maes zat aan zijn boek te werken toen twee mannen van Fiksal aanbelden.
‘’t Is voor de werkkamer boven,’ zei een van hen terwijl ze zichzelf binnenlieten.
Ze waren in de buurt en maakten graag van de gelegenheid gebruik om alles te komen opmeten en te fotograferen zodat er een nauwkeurige offerte kon worden opgemaakt. Koffie wilden ze niet, ze hadden nog drie andere klanten te bezoeken.

Toen ze weg waren, zette hij een bakje met wat aardappelen voor de kraai buiten, maar voor hij zich om kon draaien landde een vreemde kraai op het terras en deed zich tegoed aan het voedsel. Peter Maes had de neiging de vreemde kraai weg te jagen, maar liet hem begaan. Na enige aarzeling kwamen een paar meesjes op het bakje voer af. Het leek wel of twee van hen de kraai lastigvielen en hem zo van de aardappelen weghielden, terwijl een paar brutale soortgenoten zich op de rand van het bakje waagde. Pas nadat de vreemde kraai was weggevlogen, sprong de eenogige kraai het terras op en at hij samen met de meesjes de rest van de aardappelen op.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de derde aflevering, van tien.

Halverwege de tweede trap hoorde hij de ketel verschrikkelijk hard fluiten en haastte hij zich terug naar de keuken. Hij draaide het gas uit en liep terug naar boven, drie verdiepingen hoog, meer dan negentig treden. Boven moest hij even bekomen van de inspanning. Toen hij de zolderladder naar beneden trok, viel er een plasje ijskoud water over zijn gezicht. Hij nam de zaklamp van het haakje en beklom met een klein hart de treden.

Ze hadden het huis gekocht toen zijn vrouw voor het eerst zwanger was. Het was meer dan honderd jaar oud maar had een goede ligging, een tuintje, was bovenal betaalbaar en had, zoals ze het zelf in hun enthousiasme formuleerden bij de notaris, een waaier aan mogelijkheden. Dat er op zolder een regenpijp liep wisten ze, dat had de eigenaar hun eerlijk verteld. Pas nu, op de ladder, begreep Peter Maes het belang van de mededeling die hij en zijn vrouw toen als een verwaarloosbaar detail hadden weggewuifd. De plas water die op zolder lag kon hij alleen maar verklaren doordat de buis, waarin water was blijven staan, gesprongen was. Door de strenge winter moest het water bevroren zijn. Hij scheen met de zaklamp in het water en zag hoe het door een spleet tot in de schouw liep.

Wie kon hij voor dit probleem raadplegen? Hij surfte op het internet, tikte woorden in als ‘lekken’, ‘vocht’, ‘gesprongen buizen’ en kwam bij een firma terecht die volgens de website alles deed, van afbraak via dakwerken, elektriciteit, loodgieterij, hout- en plakwerk tot vloeren, schilderen en betegelen. Hij tikte het nummer in en ging voor het schuifraam staan. Op een kale tak zat de eenogige kraai.
‘Wel,’ zei Peter Maes tegen hem, ‘kun jij me niet helpen?’ Hij maakte een afspraak met de aannemer van firma Fiksal.

Zijn dochtertje klom op zijn schoot en vroeg of hij paarden had gezien in Amsterdamster, en luchtballonnen. Hij maakte het zakje voor haar open en gaf haar een snoepje in de vorm van een apenkop.
‘Ik heb aapjes gezien in Amsterdam, aapjes en varkentjes.’
Hij vertelde zijn vrouw dat er een lek was, dat hij een aannemer had gebeld en dat ze vandaag de haard niet konden gebruiken. Zij had het getik niet gehoord.

Hij sliep slecht. Rond half één had hij zijn oudste dochter horen thuiskomen en was hij naar beneden gegaan. Ze hadden samen een kop thee gedronken, nog een half uurtje over koetjes en kalfjes gepraat, over haar kendo-gevecht van volgende week en haar scriptie.
‘Hoor je dat ook,’ vroeg hij nadat ze van hun thee hadden genipt.
‘Wat?’
‘Dat getik,’ en terwijl ze nee schudde, weerklonk een lugubere, doffe klap tegen het schuifraam.
‘Papa,’ piepte ze.
De eenogige kraai lag versuft op het terras.

*

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton Verbouwingen voor Revisor.nl. Dit is de tweede aflevering, van tien.

Vanaf 6 januari schrijft Bart Koubaa wekelijks een aflevering van zijn feuilleton ‘Verbouwingen’ voor De Revisor. Dit is de eerste aflevering, van tien.

De lezingen die Peter Maes over de hele wereld gaf trokken volle zalen. Zijn filmpje van een kraai met één oog die een klein koolmeesje dat in het gras was gevallen heel voorzichtig oppakt en naar het nest terugbrengt was meer dan een miljoen keer bekeken, en de reacties waren onverdeeld positief.

Alleen in de academische wereld was er onenigheid. Vooral Amerikaanse onderzoekers konden de gebeurtenis moeilijk plaatsen; een evolutiebioloog aan de universiteit van Michigan ging er zelfs van uit dat het filmpje nep was, maar ook in Parijs en Leuven verschenen sceptische artikelen. Een uitzondering, noemden ze het, een toevalstreffer. In Tokyo daarentegen reageerden ze eerder lauw. Ze waren best enthousiast over het voorvalletje, maar beschouwden het als iets normaals.

Zelf zei Peter Maes tijdens een interview met De Groene Amsterdammer dat zoiets inderdaad niet wereldschokkend was, dat de natuur vol voorbeelden zat waar al dan niet soortgenoten elkaar helpen zonder er iets voor terug te hoeven krijgen. ‘Je moet alleen maar goed kijken, en het willen zien.’ En op de vraag waarom hij dacht dat de kraai het meesje had geholpen, antwoordde hij toen dat de kraai zich misschien beter in het meesje kon inleven vanwege zijn handicap.
‘Zouden we er vanuit kunnen gaan dat de kraai uit vrije wil heeft gehandeld,’ vroeg de interviewer, waarop Peter Maes zei dat ook wij niet over een vrije wil beschikken, maar over al dan niet nobele instincten.
‘Kraaien zijn ook heel slimme vogels, handig en innovatief. Een team in Oxford heeft tot hun grote verbazing gezien hoe een vrouwtjeskraai een recht stuk ijzerdraad tot een haakje heeft gebogen om een emmertje met voedsel uit een plastic buis te vissen.’
‘Dat moet die kraai dan toch aangeleerd zijn?’
‘In de natuur maakt de kraai geen gebruik van ijzerdraad, maar van allerhande takjes die hij tot een gebruiksvoorwerp omtovert. De kraai in Oxford was in het wild gevangen en had hoogstwaarschijnlijk nog nooit een ijzerdraad gezien.’
‘Kan dat dan ook een instinct zijn in plaats van een inzicht?’
‘Misschien.’

Tijdens de terugreis bleef het interview hem bezighouden. Hij zette zijn laptop aan en schrapte het woord ‘goede’ in de titel van het laatste hoofdstuk van het boek waarmee hij een onderzoek van meer dan tien jaar wilde afsluiten: ‘De goede kraai en het koolmeesje’ werd ‘De kraai en het koolmeesje’. Als we adjectieven nodig hebben, dacht hij in zichzelf, dan zo weinig mogelijk terwijl hij naar het voorbijrazende landschap keek.

Thuis nam hij een douche, zette water op voor thee en besloot nog wat aan het laatste hoofdstuk van zijn boek te werken; zijn vrouw zou vandaag hun dochtertje van school halen. Hij had voor haar een zakje snoepgoed meegebracht uit Amsterdam, en voor zijn vrouw kleine stroopwafeltjes. Toen hij de verrassingen op de keukentafel zette, werd zijn aandacht getrokken door een getik dat hij niet herkende. Hij rechtte zijn rug, inspecteerde de theeketel en liep naar de woonkamer.

We hadden dus een nieuwe rubriek, Zin. Ik zocht naar zinnen en dacht aan Belcampo (pseudoniem van Herman Pieter Schönfeld Wichers), huisarts, schrijver, die nu eenentwintig jaar dood is, en die ooit mijn literaire held was. Hij schreef fantastische verhalen, ik bedoel ongewone, bizarre, onmogelijke verhalen, waarin stoelen, auto’s, stof de macht overnemen, waarin de apocalyps in Rijssen plaatsvindt, waarin een schrijver tienduizend dagen van zijn leven neemt om één dag tienduizend levens mee te leven, waarin een welgestelde jongeman zijn zelfmoord uitbesteedt, verliefd wordt maar aan zijn contract gehouden wordt. (Dat laatste, ijzersterk gecomponeerde verhaal heet ‘De ideale dahlia’, en inderdaad, Belcampo was minder goed in titels.)

‘Bladzijde uit het dagboek van een arts’, uit zijn eerste verhalenbundel, Verhalen (1936), opent met deze zin, even droog als beloftevol: ‘Ik zat in mijn studeerkamer en was bezig aan mijn boek over de zelfmoord als sexuele afwijking, toen het dienstmeisje kwam melden, dat er iemand voor mij buiten stond.’

Dit verhaal, denk je, is heel gewoon, saai bijna, en kraakt van de oubolligheid, en dat stelde ik bij eerste herlezing dan ook vast, die titel alleen al! Maar ik dwong mezelf te herlezen. Objectief nu, zonder vooroordelen die stoppen bij ouderwetse stijl en interpunctie. Er gebeurt niets in die eerste zin, dat is waar. Maar ‘zelfmoord als sexuele afwijking’? Dat dienstmeisje wordt meteen in een duister hoekje gedrongen – wordt dit pikant?

Dienstmeisje af, oude vriend op.

‘Ze had de voordeur niet open durven maken, omdat het al zo laat was.
Ik ging zelf naar voren en vond een oude vriend waarmee ik vroeger veel plezier had gemaakt en die ik nu in een jaar niet had gezien. Hij lag geknield op de stoep en lachte me toe. We schudden elkaar de hand en ik zei: “Kom binnen en schei uit met die kinderachtigheden,” want ik was ernstiger geworden.
Hij zei: “Ik kan niet,” en meteen draaide hij zich om. Toen zag ik, dat hij al zijn ledematen miste.
Ik moest me aan de wand vasthouden om niet te vallen. ’t Kwam me aan als een keiharde droom.

Er is in deze zinnen genoeg grond om mijn Kees ’t Hartiaans verwrongen interpretatie voort te zetten: veel plezier, liggen, geknield, lachen, schudden. Dat vraagt wel veel van de tekst, maar een dubbelzinnigheid van spel en ernst kun je er zeker in lezen – tussen het stroeve woordgebruik door (‘vond’ voor ‘trof aan’, ‘in een jaar’ voor ‘al een jaar’, ‘geknield liggen’, ‘uitscheiden’, ‘kinderachtigheden’, ‘ernstiger’). En de clichés: die muur, die droom!

Toch: het gegeven – dat is Belcampo’s grote kwaliteit, zijn ideeën voelen altijd fris en nieuw aan – doet je doorlezen. Nu worden de beelden beter, de gevoelens oorspronkelijker, de details preciezer:

‘Maar ik heb toch zo net een arm aan hem geschud, flitste het door mijn hoofd. Dat bracht me weer tot bezinning. Ja, daar zat er nog één, de laatste, eenzaam op zijn ontredderde romp.
Hij had mijn emotie gemerkt en vroeg verlegen: “Mag ik toch binnenkomen? Excuseer… m’n toilet.” Ik knikte. Vlug bewoog hij zich door de gang voort, als een stuk kinderspeelgoed dat nog niet kapot is gemaakt.
Ik sloot de deur met een gevoel alsof ik het niet deed. Toen ik mijn studeerkamer binnenkwam, was hij al in een fauteuil geklommen, die hij van vroeger kende. Met grote moeite bood ik hem een sigaar aan, maar hij glimlachte weer en zei: “Wees niet bang voor mij, ik ben nog dezelfde.”
Een tijdlang zeiden we niets, maar eindelijk begon hij.’

Het blijft expliciet, weinig strak. Ik schrap in de tekst, ik onderstreep de krachtige zinnen.

‘Maar ik heb toch zo net een arm aan hem geschud, flitste het door mijn hoofd. Dat bracht me weer tot bezinning. Ja, daar zat er nog één, de laatste, eenzaam op zijn ontredderde romp.
Hij had mijn emotie opgemerkt en vroeg verlegen: “Mag ik toch binnenkomen? Excuseer… m’n toilet.” Ik knikte. Vlug bewoog hij zich door de gang voort, als een stuk kinderspeelgoed dat nog niet kapot is gemaakt.
Ik sloot de deur met een gevoel alsof ik het niet deed. Toen ik In mijn studeerkamer binnenkwam, was hij al in een fauteuil geklommen, die hij van vroeger kende. Met grote moeite bood ik hem een sigaar aan, maar hij glimlachte weer en zei: “Wees niet bang voor mij, ik ben nog dezelfde.”
Een tijdlang zeiden we niets, maar eindelijk begon hij.’

Dat stuk kinderspeelgoed, ‘nog niet kapot’, dat roept een hele wereld op, die sigaar is een tastbaar detail, en dat ‘Wees niet bang’, dat heeft een evangelische bijklank, van de uit dood herrezen Jezus. Seks, kinderspel, jeugd, dood en wederopstanding – de lichamelijkheid is overdadig aanwezig, in schril contrast met die romp in de fauteuil. Is het niet wat vol? Ja, maar na een witregel blijkt de verminkte oude vriend een stilistisch veel sterkere verteller dan de arts. Let op de herhaling, de nadrukkelijke, eenvoudige belofte van het ongehoorde, let op het nuchtere, simpele, het onthechte:

‘’t Kwam heel eenvoudig, de ontdekking, de ontdekking van wat nog niemand weet. ’t Kwam zo.’

Zo’n schrijver moet je herlezen, zorgvuldig, zin voor zin.

Of: hoe de ik, gebukt onder zondige gedachten en slepend met post-paradijselijke ledematen, een oude vriend tegen het lijf loopt, onherkenbaar en als vanouds goed.

*

Daan Stoffelsen wil begrijpen hoe hij leest. Wanneer wordt een poging tot objectief lezen subjectief genieten?

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

In Londen zijn mijn buren onzichtbaar. Ik woon boven een krakkemikkig winkelstraatje dat als mikadostokjes bij elkaar gehouden wordt. Een dun laagje viezigheid bedekt de gevels aan de overkant. Niemand heeft inkijk. De zon gebruikt de ramen als spiegel om in terug te kaatsen.

De aanwezigheid van buren drukt zich in ritmes uit. Boven staat iemand op van de bank. De onderbuurvrouw drukt rond het middaguur het stroef scharnierende hekwerk van haar nagelstudio omhoog. Het piept zoals ik me de geluiden in een vochtige kerker voorstel. Ergens beneden zit om het half uur een ingemetselde telefoon de hele ringtone uit. De stortbak uit een nabije badkamer klinkt als een schip dat toetert bij binnenkomst in de haven.

Mijn moeder moest vorige week naar de crematie van onze vroegere buurman, die destijds samen met zijn ranke vrouw van z’n pensioen genoot. De plechtigheid die nog geen twintig minuten duurde, paste goed bij de ingesnoerde man die hij altijd was geweest. Voor elke bezigheid had hij een ander pak. Hij droeg hoge laarzen als hij met een grote blazer de bladeren voor zijn huis opruimde. De sering, die voor het grootste deel bij ons in de tuin stond, snoeide hij met een veiligheidsbril op terwijl zijn vrouw op de achtergrond met een stofdoek de naden van de buitenkozijnen natrok, zoals alle dinsdagen. Ze was zo tenger en haar bewegingen zo licht, dat het leek alsof haar handen niets echt aanraakten. Elke dag om half vier stapten ze in de auto om in een restaurant een gebakje te eten. Alle avonden ging met een timer vanzelf het licht uit.

Mijn moeder heb ik een keer horen vloeken om de buurman toen hij de sering in het vuur van zijn precisie veel te kort had gesnoeid, maar voor de rest waren de buren aardige mensen. Tijdens de plechtigheid was de buurvrouw nog dunner. Er was zo weinig van haar over, dat het leek alsof ze met het oprollen van haar mouwen, zichzelf had weggestroopt.

Als ik ’s ochtends op weg ben naar m’n werk, loop ik tussen vastberaden mensen bij wie de damp uit hun koffiebekers hun gezicht verwarmt. Rijen sportschoenen drijven de dag aan en terwijl mensen aansluiten of afslaan, wordt in de koude morgen de zon achter de gebouwen omhoog getrokken.

Soms blijf ik een dag binnen om het dwingende ritme te negeren dat buiten de muren slaat, de opgetelde hartslag van zeven-en-een-half miljoen mensen. Ik luister dan naar mijn buren. Op mijn eigen tempo kan ik door het huis sloffen. In de vensterbank strekt een plant zijn bladeren, doet tai chi met het beetje zon dat door het raam naar binnenvalt. De vrouw van de nagelstudio leest een tijdschrift naast de ingemetselde telefoon en de buurman blijft onverstoorbaar de sering van mijn moeder snoeien door alle seizoenen heen.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Op een namiddag zit ik op de boot die als pendeldienst van de westoever naar het oosten vaart, maar ook door toeristen wordt gebruikt. De stad trekt in een optelling van hoogtepunten voorbij. Op het schermpje van een camera zie ik de foto die mijn buurman van de Houses of Parliament maakt. De ondergaande zon wordt tussen de Big Ben en het naastliggende gebouw geklemd. De vrienden van de man maken dezelfde foto.

Jan Wolkers zei eens dat hij in de trein liever achteruit zat, omdat hij het uitzicht dan langer kon bekijken. Het maakt veel uit of je een beeld langzaam kleiner ziet worden tot het verdwijnt of dat het over afstand aan komt stormen. Een bomenrij die boom voor boom, nu nu nu voorbij komt zoeven, is een andere dan de rij die als een geheel van je weg beweegt. Ik vraag me af of de foto’s van het groepje vrienden daarvoor bedoeld zijn. Thuis zouden ze het uitzicht rustig kunnen terugkijken. Of zouden ze erachter komen dat het door de schermpjes van hun camera’s was geglipt?

Een paar weken geleden ging ik naar een tentoonstelling in het British Museum, samengesteld door de kunstenaar Grayson Perry. Twee jaar bracht hij door in het depot van het museum en koos uit alle tijden en bevolkingen zijn favoriete objecten. Deze objecten stonden samen met Perry’s eigen werk tentoongesteld: keramieke vazen waarop foto’s, verf en tekst onder een glanslaag zijn verenigd.

In de eerste vitrine na binnenkomst staat zo’n vaas. In een drukke collage van foto’s en schilderingen vertellen mensen waarom ze naar deze expositie zijn gekomen. In tekstballonnetjes zeggen ze dingen als ‘My friend liked it’ en ‘There was such a buzz about it on Twitter’.

De vaas heeft de titel You are here en wijst naar mijn voeten die voor de vitrine staan.

Facebook en Twitter doen dat ook. Ze wijzen de hele tijd naar wat er nu gebeurt. Het moet worden uitgesproken en gedeeld, om te kunnen bestaan. Als een schaduw zit het aan de deelnemer vast, alleen is het niet zoiets onbenaderbaars als de zon, maar de deelnemer zelf die de vorm ervan bepaalt.

Op de boot test ik Wolkers’ stelling zoals ik dat vaker doe, omdat ik nog steeds niet helemaal zeker ben van zijn gelijk. De Royal Festival Hall en het National Theatre kondigen zich als logge beesten op de oever aan. Als ik achteromkijk, worden met een krimpende St. Paul’s Cathedral de hoogteverschillen tussen de gebouwen kleiner, totdat ze vervlakken tot een maquette.

Op elk artefact dat Grayson Perry voor zijn tentoonstelling koos, is iets verhalends te lezen. In een stuk steen uit 200 v. Chr is de verdedigingsmuur rond een Chinese stad gekerfd, een Mesopotamisch kleiblok toont twee zoenende mensen, een middeleeuws insigne een strijdbare man op een paard. De objecten vertellen nu iets over vroeger, maar toen vertelden ze over hun eigen tijd. Nooit hadden de Grieken kunnen vermoeden dat we hun levens weer in elkaar zouden zetten met opgegraven potscherven.

Op de vazen vertellen sportende mannen, liefdesscènes en drinkgelagen over het dagelijks leven zoals er op Facebook wordt gekeuveld over een feest. Dit is de zon die ondergaat bij de Big Ben, dit is het concert dat ik heb bijgewoond. Dit waren de speerwerpers in het stadion.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Oxford Street, de belangrijkste winkelstraat van Londen, is afgezet. Zonder auto’s is er meer ruimte voor winkelende voetgangers. Kleine orkesten spelen kerstliedjes. Het verkeer wordt in een bocht langs de dranghekken geleid, waarachter zo veel mensen lopen dat het lijkt alsof er niets beweegt. De afzetting wordt bewaakt door mannen in fluorescerende hesjes, die joviaal met elkaar lachen.

Ik was te laat voor een afspraak en moest me door de ontspannen winkelende menigte persen, toen ik vanuit de trapingang van een metro een klarinet hoorde. De muzikant was niet te zien. Toch had hij zichzelf en zijn muziek, die zich onder de straat over het plafond van de tunnel verplaatste om rond de schouders van gehaaste mensen neer te dalen, zichtbaar gemaakt.

Een straat is altijd heel veel straten, afhankelijk van het punt waarop je je bevindt. Maar het was in de dubbeldekkerbus dat ik me voor het eerst bewust werd van de lagen boven en onder de grond. Vanaf de bovenste verdieping van de bus trekt een andere stad voorbij. Buitenmuren worden bedekt door schotelantennes en roestige ventilatoren, op platte daken scharrelen kippen onder een hok van gaas. Ik wissel een blik met een man in een kantoor die van z’n bureau opkijkt. Ineens is het mogelijk om in de bouwputten te kijken, die als plotselinge open plekken in een bos, tussen de nauwsluitende gebouwen verschijnen. Nooit zag ik ze, want op de grond neem ik de schuttingen hoger dan mezelf, ongemerkt voor gevels aan.

In Nederland werd ik pas bepaald bij wat er boven of onder me gebeurde als ik een heipaal met geweld de grond in zag slaan. Nooit hoefde ik lang te zoeken naar een plek waar lucht en land elkaar zichtbaar raken. Er is altijd ergens ruimte, waardoor je gemakkelijk een overzichtsopname kan maken.
Hier is dat veel moeilijker. In het labyrint van hoge gebouwen is er altijd iets dat de uitgang blokkeert. Juist omdat alles zo hoog is, wordt de grond veel horizontaler. Elke stap die ik voor- of achteruit doe, is een verplaatsing op een vlakke lijn. Nooit gaat de lijn achteruit, hij stopt hoogstens even als ik ga slapen. De man die tussen de bureaus van z’n collega’s naar de kopieermachine loopt, verplaatst zich op dezelfde lijn, alleen een paar niveaus hoger. Alles is een spel van horizontalen en verticalen, Mondriaan had gelijk, er zijn geen diagonalen.

Vorig jaar was ik op zonvakantie in Portugal. Er waren bijna geen mensen op het kleine strandje, het was een doordeweekse dag. Met mijn oren onder water, lag ik plat op m’n rug in zee. De lucht was egaal blauw, het water lag stil om me heen. Na een tijdje moest ik overeind komen, misselijk omdat ik niet meer wist waar ik in de volgorde was – bodem, lichaam, lucht, water – een stapeling van horizontalen.

Omdat ook een dubbeldekker gaat vervelen, neem ik nu de fiets. Een van de beste ervaringen is het oversteken van de Thames via de Londen Bridge. Met een bocht wordt je vanuit het kluwen gebouwen de brug opgeduwd, waar de overkant zich al onheilspellend aankondigt. Aan beide kanten wordt de horizon herhaald in achter elkaar liggende bruggen. De wind raast over het water en trekt aan mijn fiets. Die paar minuten is het alsof ik even op een bouwterrein mag lopen, waar de zon zonder obstakels inslaat in plaats van voorzichtig door het bladerdak van gebouwen. Maar op een bouwterrein kun je niet blijven, het is een tussenfase. En terwijl de auto’s om de fietsers heen razen en ik mijn blik naar voren gericht probeer te houden, is de brug een vredig interbellum tussen twee stukken stad. Mondriaan had niet helemaal gelijk. Wind is diagonaal.

Bernke Klein Zandvoort (1987) volgde de afdeling ‘Beeld & taal’ van  de  Gerrit Rietveld Academie. Zij debuteerde met gedichten in De Revisor. Voor De Revisor online schrijft zij vanuit Londen.

*

Een vriendin gaat binnenkort trouwen in de kerk een paar straten van haar huis. Omdat ik te vroeg ben voor ons etentje, ga ik met haar en haar verloofde mee naar een afspraak met de vicar, de predikant, die naast de kerk woont. We steken het aangrenzende plein over. De kerk houdt zich gedeisd in het donker als een uil op een tak die roerloos zijn prooi volgt. De vicar blijkt een tengere vrouw van een jaar of vijftig met pretogen boven haar witte boord. In een bak licht staat ze in de deuropening omringd door kerstkransen, stapels papier en rommeltjes op de grond. Ze laat ons hartelijk binnen. Het is er warm en gezellig. Als ze op een kruk bij de geïmproviseerde kring komt zitten, schuift de split van haar rok omhoog tot ver over haar knie. Mijn vriendin en ik kijken elkaar in een reflex aan. Terwijl de vrouw doorpraat over formaliteiten rond de dienst, trekken haar handen de rok strak. Aan het eind van het gesprek vraagt ze of ik zondag meekom naar de dienst. ‘Het is een hele lieve groep mensen en het zal goed zijn voor je Engels,’ moedigt ze me aan. Ik kom in de verleiding, maar weet ook dat ik niet zal gaan.

Los van een paar stilzwijgende categorieën, — de afgestudeerde, de immigrant, de twintiger — hoor ik hier nog bijna nergens toe. Ik kan zelf m’n groepen kiezen. In een stad als deze, waar iedere dag een wisselende stroom mensen voor de deur langs loopt, lijkt die keuze belangrijker dan op een plek waar je je buren kent en kinderen vanzelfsprekend naar dezelfde basisschool brengt. Studentenfeestjes, de trombosevereniging, de stadstuinvrijwilligers en het hardrockforum, ineens begrijp ik het bestaan ervan. Een groep is je ruggengraat, die je het idee geeft dat je ‘s avonds niet alleen bent als je de deur van het slot draait.

Het ontvangen van de bibliotheekpas was mijn inauguratie in het groepsleven. Nadat de medewerker een verdraaide foto van me had gemaakt met een goedkope webcam, schoof hij het pasje over de desk naar me toe. ‘Welcome, you are now a member of the British Library,’ zei hij zonder intonatie. Ik was ontroerd, maar hij zag het gelukkig niet. Zijn hoofd was alweer naar het beeldscherm gedraaid. Hij zou het die dag nog heel vaak zeggen.

Tegenover metrostation New Cross Gate ligt een pub, waar hoog op de gevel in rode neonletters take courage staat. Elke keer als ik de metro uitstap, kruisen die twee woorden m’n blik. Ze hangen als een titel boven de straat.

Ik heb een baantje dus ik ben deel van de groep die ’s ochtends ergens heen gaat en ik heb mijn bibliotheeklidmaatschap, maar take courage was de eerste groep waar ik bij hoorde. Het is een stille groep, zo toegankelijk dat iedereen die er z’n oog op laat vallen, er automatisch toe behoort.

Ik verbond de neonletters eerst met de kunstacademie die om de hoek van het station ligt. Ik vond het een mooi kunstwerk, dat een mengsel van aanmoediging en geruststelling teweegbracht. Maar courage blijkt een biermerk, door Heineken beheerd. De twee woorden zijn een reclameslogan die rond de jaren vijftig met blauwe stenen in de gevels van de pubs werd gemetseld. De rode neonletters zijn een moderne vertaling hiervan.

In mijn winkelcentrum bidt elke zaterdagochtend voor openingstijd een groep jongeren hardop in een kring voor de pui van de McDonald’s. Ze houden elkaars handen vast en hebben hun ogen dicht. Een paar minuten lang bestaat de buitenwereld niet. Wat straten verderop bouwt op hetzelfde moment de biologische markt z’n kramen op. Twee meisjes met opgerolde yogamatjes op hun rug haasten zich langs de eerste bezoekers terwijl op station New Cross Gate elke vijf minuten een aantal mensen aankomt, waarvan er een of twee, hun blik gebonden aan take courage, wat langer op het platform blijven staan.

Eind 2008 wijdde de redactie van De Revisor een nummer aan superhelden en literatuur. Auke Hulst, die komend nummer (halfjaarboek 2011-2) voor het eerst met oorspronkelijk proza in dit tijdschrift komt, schreef in dat nummer een beschouwend stuk over het problematische van superkrachten in combinatie met literaire subtiliteit.

Uit het archief.

*

‘A-Man, moet je horen…’
‘Zeg het es, S-Man.’
‘MiniMan hier heeft een idee voor een nieuwe superheld. Jij bent toch ook van de superhelden?’ S-Man, een spaghettisliert met twinkelogen, wendt zich tot Mini- Man, die borrelhapjes staat weg te steken alsof hij zo meteen een losgeslagen trein moet temmen. ‘A-Man hier heeft op de kunstacademie gezeten, alwaar hij zo het een en ander bijeen heeft gekrabbeld. Strips en zo, je weet wel…’
‘Spreek op, MiniMan.’
MiniMan ziet er tien jaar jonger uit dan hij is. A-Man vermoedt een superheld in burger, die net als de Held der Helden werkzaam is in de journalistiek. MiniMan schraapt zijn keel. In bevlogen kreten schetst hij zijn ‘honderd procent anachronistische held, rechtstreeks uit de romantiek overgeheveld! Nineteenth Century Man! Hij kan zich onzichtbaar maken met zijn eigen cape, hij kan de tijd verzetten met zijn zakhorloge en zijn wandelstok is geladen met honderdduizend volt!’
‘En zijn sidekick,’ roept S-Man, ‘is Boy Wheel Chair!’
‘Donder op met je Boy Wheel Chair. Ik ben serieus.’
‘Boy Wheel Chair,’ herhaalt S-Man. ‘En zijn Nemesis is Irony Man.’
A-Man knikt. ‘Een man met een zwartgerand grachtengordelbrilletje, gehuld in een krachtveld van afstandelijkheid, waardoor alles van hem af glijdt. Zijn wapen: een arsenaal dodelijke opmerkingen. Zijn geweten: afgestorven. Maar moet Boy Wheel Chair dan niet zíjn sidekick zijn? Een totaal inepte sidekick, met geen enkele superkracht of andere waardevolle eigenschap?’
S-Man knikt heftig. ‘Boy Wheel Chair. Die gast is het hélemaal!’
‘En wat te denken van Fartman the Self Propelled Granate?’ zegt A-man.
‘Fartman?’
‘Of een superheld in de wao, die een kind laat verdrinken omdat hij bang is dat hij anders op zijn uitkering gekort zal worden?’
Kreunend stort MiniMan zich op de bittergarnituur.

Het is moeilijk figuren die hun ondergoed over hun bovenkleren dragen serieus te nemen. Toch vermoed ik dat dat slechts het kleinste struikelblok is bij het incorporeren van superhelden in ‘reguliere’ literatuur. Problematischer is een karakterologische tekortkoming: de meeste superhelden zijn eerder een concept dan een afgeronde persoonlijkheid. Hoe actierijk hun bestaan ook is, pas het aloude adagium ‘actie is karakter’ op ze toe en je houdt bordkartonnen pannenkoeken over. Zeker bij klassieke superhelden, die het onvermoeibaar opnemen tegen het kwaad. Hun handelingen weerspiegelen geen complex innerlijk leven, maar monomane verdwazing. Dreiging: redden. Boef: vechten. Je weet dát ze in actie zullen komen, en in reactie waarop. Ze zijn geen scheppende, maar een conserverende macht, terwijl de aartsvijanden destructieve ‘agents of chaos’ zijn, om The Joker te citeren. Het maakt de superheld de primaire kleurenversie van de eenzame cowboy die een dorp binnenrijdt, de status-quo herstelt en weer verder trekt – zonder te hechten en zonder werk te maken van een eigen leven dat moet worden opgebouwd. Visueel en moreel geschikt voor strip of cinema, maar te weinig ambigu voor pakkende literatuur.
Althans, als we de ontwikkelingen in het genre buiten beschouwing zouden laten.
Daar waar geloof in overheid en instituties wankel is, is een sterke man nodig om onzekerheid en gevaar het hoofd te bieden. Zo werd in Amerika de superheld geboren. Wat de overheid niet kan – of wil – moet Batman of Superman maar doen. Het genre werd groot tijdens de depressiejaren, een bloeitijd van het escapisme van de pulptijdschriften en van de interesse in (pseudo)wetenschap. Er waren de pulpverhalen rond The Shadow en The Avenger, er waren de striphelden Superman, Batman en Captain America. Onafhankelijke, vaak steenrijke mannen. Nergens bang voor en onaanraakbaar.
Dat veranderde in de jaren zestig, met een reeks Marvel Comics die de onfeilbare held een pseudopsychologische kwetsbaarheid gaf. Spider-Man was een nerd – the hero that ’s just like you! De Hulk kon letterlijk uit zijn vel springen, zoals je beschonken vader deed. Tijdens de jaren tachtig schoven sommige series op richting het volwassener genre van de graphic novel. Frank Millers Batman is bijvoorbeeld een veel duisterder held dan Bob Kane ooit voor ogen stond. En wat te denken van het werk van de Engelse meester Alan Moore (V for Vendetta, The League of Extraordinary Gentleman en vooral Watchmen), of het manga-epos Akira?
Bovendien werden en worden helden uit bittere noodzaak afgeschminkt. Van Bond tot Batman: ze zijn zo vaak geparodieerd, dat ze zelf parodie dreigden te worden. Psychologische nuance en een zekere grimmigheid waren nodig om uit de hoek van de camp te komen. De onfeilbaarheid van de held moest op de schop. De nieuwe Bond bloedt, en Spider-Man en Batman stonden in recente films op het punt hun uniform definitief bij het grof vuil te zetten. Die nieuwe feilbaarheid schept de dramatische ruimte, die een ‘immovable object’ ontbeert. De moderne held kan door meer geraakt worden dan louter kryptoniet. Al wordt de laatste stap – daadwerkelijke groei en verandering, morele of fysieke ondergang – niet gezet.
Een deel van de huidige generatie literaire auteurs is opgegroeid met de Marvel Comics van de jaren zestig en zeventig. Die liefde zien we terug in romans als Michael Chabons The Amazing Adventures of Kavalier and Clay (2001), Jonathan Lethems The Fortress of Solitude (2003), Anthony McCartens De dood van een superheld (2007) en Austin Grossmans Soon I Will Be Invincible (2007). In al deze romans wordt geprobeerd de taal van de comic in romanvorm te gieten.
Chabons met een Pulitzer Prize bekroonde The Amazing Adventures of Kavalier and Clay is de bekendste, en de meest geslaagde van het viertal, al gaat dat boek uiteindelijk meer over de scheppers van superheld The Escapist dan over de held zelf. Hetzelfde geldt voor De dood van een superheld, waarin de terminale tienertekenaar Donald de hoofdfiguur is. Het dramatische zwaartepunt ligt bij gewone mensen. De door beide romans gesprenkelde verhalen van superhelden zijn een symbolische neerslag van hún strijd.
Anders is dat bij Soon I Will Be Invincible van Austin Grossmann en Jonathan Lethems The Fortress of Solitude (vernoemd naar het pied-à-terre van Superman). De eerste wordt verteld vanuit het perspectief van een superheld en van een aartsschurk: maar juist doordat Grossman te dicht bij de iconografie van de stripvorm blijft, ontbeert zijn roman spanning en diepgang. Bij Lethem ligt dat anders. Zijn verhaal gaat over twee jochies die elkaar leren kennen in het Brooklyn van de jaren zeventig. Dylan is het kind van blanke bohemiens, Mingus van een zwarte soulartiest. Ondanks de complexe raciale verhoudingen in de wijk Boerum Hill worden de twee vrienden, onder meer door een gedeelde liefde voor comics. Dan overhandigt een oude dronkaard Dylan een magische ring. Samen met Mingus opereert Dylan vanaf dat moment als Aeroman, een klassieke wreker. Aeroman heeft echter één probleem: de karakterzwakte van de jongens. Verslavingsgevoeligheid en rancune worden door de magische ring niet tenietgedaan, maar versterkt. Daarmee laat Lethem zien wat er mogelijk is wanneer je van een superheld een écht mens maakt.

Hoe zouden we Irony Man en Nineteenth Century Man ‘literatuurklaar’ kunnen maken?
Een gemiste kans bij menig superheld is de aard van zijn (of haar) bovennatuurlijke kracht. Die zou meer diepgang creëren als ze een weerspiegeling was van de dilemma’s die voortvloeien uit karakter en persoonlijke geschiedenis. En niet uit arbitrair toeval. Superman, van buitenaardse makelij, is door geboorte al super, Spider-Man is gebeten door een radioactieve spin. (Lab-ongelukken zijn veelvoorkomende oorzaken van superkrachten, bij helden, maar vooral bij aartsschurken.) De strijd tussen Nineteenth Century Man en Irony Man is een clash tussen de romantische en de ironische persoonlijkheid, tussen illusie en desillusie. Hun superkrachten zouden een uitvergroting van onderliggende karakterstructuren moeten zijn, ontstaan tijdens het experiment dat het leven heet.
Vooralsnog hebben we echter niet meer dan sjablonen: clichés met accessoires. Literair wordt het pas werkbaar als de persoonlijkheden gaan schuren en knellen. De persoonlijkheden zullen zich moeten kunnen ontwikkelen – en ja, buiten hun iconografische beperkingen moeten treden.
Ironie is bij momenten een zinvol instrument, maar als levenshouding of ideologie is ze weinig interessant. De ironische houding schept afstand tot de wereld, ontdoet alles van waarde en is bovenal aanmatigend. Het verklaart waarom tijdloze klassieken zelden ironische meesterwerken zijn. Uiteindelijk wil je dat iemand zich committeert, waarbij het om het even is welke emotie die betrokkenheid voedt: liefde, walging, hoop, wanhoop, lust, angst, verwondering, ontreddering. Ironie betekent je handen overal vanaf trekken. Het is simpelweg te laf en te eendimensionaal om Irony Man als karakter interessant te houden.
Wat er onder ironie schuilgaat – de oorzaak van die levenshouding – is dramatisch wél boeiend. Welke momenten en lessen leiden tot fundamentele desillusie en emotionele bepantsering? Is het een geleidelijk proces, of gebeurt het schoksgewijs? Belangrijk ook: is er een weg terug van desillusie naar illusie? Daarin zou je de dimensie van het karakter van Irony Man moeten zoeken. Een bang, gekrenkt jongetje, dat op beslissende momenten teleurgesteld is en dat zich is gaan verschuilen in een ondoordringbaar, liefdeloos harnas.
Nineteenth Century Man is daarvan het spiegelbeeld. Zijn geloof in Hogere Waarden is nog niet gebutst door het leven. Zijn romantische noties zijn een kracht, maar tegelijk een zwakte. Deze held kan geraakt worden – al was het maar omdat hij in grootse, meeslepende liefde gelooft. Hij vreest zijn eigen emoties niet en is introspectief aangelegd. Dat leidt onherroepelijk tot momenten van vertwijfeling: iets waarvan de vijand genadeloos gebruik kan maken. Nineteenth Century Man gaat eerder intuïtief dan rationeel te werk. Hij voelt zich niet senang in de urbane, geïndustrialiseerde omgeving waar Irony Man zich bij voorkeur ophoudt, en is daardoor tijdens confrontaties in het nadeel.
In een literair verhaal zouden we de mens onder de opsmuk van beide figuren moeten blootleggen. Irony Man zou zich – bijvoorbeeld doordat Nineteenth Century Man hem middels zijn superzakhorloge naar keerpunten in het verleden transporteert – bewust kunnen worden van zere plekken die hij in de loop der jaren is gaan afdekken. Er moeten, zoals in geslaagde therapie, barsten in zijn pantser komen. Nineteenth Century Man, op zijn beurt, zal teleurgesteld moeten raken, bijvoorbeeld doordat de vrouw waarvoor hij valt (en misschien zelfs strijdt) hem verraadt door met zijn aartsrivaal in bed te duiken: of beter nog, met een vermeend betrouwbare sidekick. Zijn romantische ideeën zullen door de harde werkelijkheid genuanceerd worden.
Beide figuren zullen deels elkaars visies leren begrijpen en elkaars schutkleuren aan gaan nemen. Meer mens blijken dan symbool. Dit betekent natuurlijk wel dat het na één verhaal gedaan is met onze superheld en diens Nemesis. En misschien schuilt daarin de belangrijkste verklaring voor het gebrek aan ontwikkeling en diepgang in de klassieke superheld: ze worden in serievorm aan de man gebracht. Er mag niet te veel veranderen, want de rituele dans van goed en kwaad moet volgende maand opnieuw worden uitgevoerd.
Voor een romanschrijver hoeft dat geen overweging te zijn. Het maakt literatuur tot het ideale medium de superheld eens goed uit te diepen.

Met dank aan Casper en Stefan, met excuses van de Boy Grand Theft Intellectual.